Selecteer een pagina

Jozua 7:16-26

16 De volgende ochtend vroeg liet Jozua Israël aantreden volgens de stammen en de stam Juda werd aangewezen. 17  Daarna liet Jozua de stam Juda aantreden en de HEER wees het geslacht van Zerach aan. Daarna liet Jozua van het geslacht van Zerach de familiehoofden aantreden en Zabdi werd aangewezen. 18  En van diens familie liet Jozua de mannen aantreden en Achan werd aangewezen: een zoon van Karmi, die een zoon was van Zabdi, de zoon van Zerach, en afkomstig uit de stam Juda. 19  Jozua zei tegen hem: ‘Kom, Achan, eerbiedig de HEER, de God van Israël, en leg voor hem een bekentenis af. Zeg me wat je hebt gedaan. Houd het niet voor me verborgen.’ 20  Achan antwoordde: ‘Ik beken dat ik heb gezondigd tegen de HEER, de God van Israël. Dit is wat ik heb gedaan: 21  Ik zag dat er onder de buit een prachtige mantel uit Sinear was en tweehonderd sjekel zilver en een goudstaaf die wel vijftig sjekel woog. Ik kon mijn ogen er niet vanaf houden en heb het gestolen. Het ligt allemaal in mijn tent onder de grond verborgen. Het zilver ligt onder de mantel.’ 22  Jozua stuurde een paar mannen, die snel naar de tent gingen en daar de mantel vonden, met het zilver eronder. 23  Ze namen het allemaal mee uit de tent, brachten het naar Jozua en de Israëlieten en spreidden het voor de ark van de HEER uit op de grond. 24  Hierna brachten Jozua en de Israëlieten Achan, de nakomeling van Zerach, naar het Achordal, samen met het zilver, de mantel en de goudstaaf, en met zijn zonen en dochters, runderen en ezels, schapen en geiten en zijn tent-kortom, met alles wat hij bezat. 25  Jozua zei: ‘Jij hebt ons in het ongeluk gestort! Daarom zal de HEER jou vandaag in het ongeluk storten.’ Hij en al de zijnen werden door heel Israël gestenigd en verbrand. 26  Daarna bedolven ze hen onder een grote hoop stenen. Toen bekoelde de woede van de HEER. Deze steenhoop is er tot op de dag van vandaag en deze plaats wordt het Achordal genoemd, tot op de dag van vandaag. (NBV)

Goud en goed hebben altijd al een bijzondere aantrekkingskracht gehad. De Grieken hadden er zelfs een eigen God voor, de Mammon. Mensen die afzien van het verwerven en nastreven van geld en goed zijn door de eeuwen heen als bijzondere mensen apart gezet. Ze worden overigens niet altijd gewaardeerd overigens. Toen Franciscus van Assisi zijn kostbare kleren uit trok en naar zijn vader wierp moest hij blootsvoets de stad uit vluchten. De zucht naar geld en goed is ons mensen dus in het geheel niet vreemd. Maar in de Bijbel wordt ons verteld dat alle bezit, alle goederen die te bezitten zijn, van de God van Israël afkomstig zijn. Wij mogen zaaien en oogsten en delven en van hetgeen we van en uit de aarde winnen producten maken waar we in kunnen handelen, wie het slimste of het  brutaalste is verdient daaraan het meeste, maar we moeten nooit vergeten dat we dat alles kunnen maken, verhandelen en verdienen omdat God het ons heeft gegeven. Ons bezit beschouwen we daarom als een lening en met die lening moeten we het goede doen en niet dan het goede. Israël zou een bijzonder volk moeten zijn waaraan duidelijk zou worden wie de God van Israël eigenlijk wel was en wat die God voor alle volken op aarde zou kunnen betekenen.

Het volgen van die God zou bijvoorbeeld vrede op aarde kunnen betekenen. Voor het voeren van oorlogen kunnen heel veel redenen worden gegeven. Maar ze komen allemaal op twee hoofdredenen neer, de ene partij wil meer bezitten als de andere, en de beide partijen willen niet met elkaar delen of de ene partij vindt zich beter dan de andere en wil dat die andere partij dat erkent en daarom aan de ene gehoorzaamt. Bezit en macht tekenen de verhoudingen tussen mensen in de wereld. Paulus schreef al eens ergens dat geld de wortel van alle kwaad is. Dat was voor hem niet iets nieuws maar dat had hij al uit het boek Jozua kunnen leren. De Tora had Israël opgeroepen alle ongerechtigheid uit haar midden te verwijderen. En het streven naar bezit dat verboden was door de God van Israël was een directe belediging van die God en dus onduldbaar. Het ging weer om bezit, een kostbare mantel uit Sinear, wij kennen dat als Babel, en om  goud en zilver. Die mantel is voor ons vreemd maar bedenk dan dat de Assyrische generaal Naäman voor zijn genezing tien van zulke mantels over had, een geweldige schat wordt het in de Bijbel genoemd.

De procedure die Jozua moet volgen komt ons nogal omslachtig voor. Eerst moeten de twaalf stammen aantreden en moet er gezocht worden naar de stam die de ongerechtigheid bevat. Dat blijkt Juda te zijn. Dan moeten van Juda alle families aantreden en moet daar de schuldige in gevonden worden. Uiteindelijk blijkt dat Achan te zijn die bekend en wordt veroordeeld nadat ook inderdaad het gestolene bij hem is gevonden. Het gaat dus wel heel zorgvuldig. Uiteraard moet Achan gestraft worden, dat gebeurd dan ook en ook in onze dagen ondervind het gezin van een crimineel daar de gevolgen van. Maar waarom die stammen en al die families van de betreffende stam? Het verhaal gaat er kennelijk van uit dat hebzucht besmettelijk is en dat een crimineel niet los staat van de maatschappelijke omgeving waarin de misdaad is gepleegd. In onze dagen dringt dat heel langzaam door. Meestal nog in negatieve zin, we speuren met de overheid naar misdadigers, we geven misdrijven aan als we ze tegenkomen. We zijn als samenleving nog niet zo ver dat we fundamenteel nadenken over het voorkomen van misdrijven. Dat werd in Israël wel gedaan. De idee dat alles een lening is die je moet delen met de armsten kan op zich hebzucht beteugelen en misdaden voorkomen. Daar kunnen wij nog hard aan werken. Gelukkig mag dat elke dag opnieuw, ook vandaag weer.