1 Samuel 23:1-13

1 Het was David ter ore gekomen dat de Filistijnen een aanval deden op Keïla en het graan van de dorsvloeren wegroofden. 2 David raadpleegde de HEER en vroeg: ‘Zal ik de strijd met deze Filistijnen aanbinden?’ De HEER antwoordde: ‘Ja, bind de strijd aan met de Filistijnen; je zult Keïla bevrijden.’ 3 Maar Davids mannen zeiden: ‘We zitten hier in Juda al zo in angst, wat moet het dan niet worden wanneer we naar Keïla gaan, de Filistijnse gelederen tegemoet?’ 4 Daarom raadpleegde David nogmaals de HEER, en de HEER antwoordde: ‘Komaan, ruk op naar Keïla; ik lever de Filistijnen aan je uit.’ 5 Toen ging David met zijn manschappen naar Keïla en leverde slag met de Filistijnen. Hij voerde hun veestapel weg en bracht hun grote verliezen toe. Zo bevrijdde David de inwoners van Keïla. 6 Daar in Keïla zocht ook Achimelechs zoon Abjatar zijn toevlucht bij David. Het priestergewaad was met hem meegekomen. 7 Toen Saul hoorde dat David Keïla was binnengetrokken, dacht hij: Door een stad binnen te gaan met een dubbele deur en een grendel heeft hij zichzelf ingesloten. God heeft hem aan mij uitgeleverd! 8 Hij riep het leger onder de wapenen met de bedoeling om David en zijn mannen in Keïla in te sluiten. 9 David wist wel dat Saul kwaad in de zin had. Daarom vroeg hij de priester Abjatar om met het priestergewaad bij hem te komen. 10 Toen zei hij: ‘HEER, God van Israël, men heeft uw dienaar verzekerd dat Saul voorbereidingen treft om naar Keïla te gaan en de stad vanwege mij te vernietigen. 11 Zullen de burgers van Keïla mij aan hem uitleveren? Is Saul inderdaad onderweg, zoals men mij heeft verteld? HEER, God van Israël, ik smeek u, laat het mij weten!’ ‘Ja, hij is onderweg, ‘antwoordde de HEER, 12 en David vroeg: ‘Zullen de burgers van Keïla mij en mijn mannen aan Saul uitleveren?’ ‘Ja, dat zullen ze doen, ‘antwoordde de HEER. 13 Daarop vertrokken David en zijn mannen uit Keïla en begonnen rond te zwerven, nu hier en dan daar. Hun aantal was inmiddels aangegroeid tot zeshonderd. Toen Saul hoorde dat David uit Keïla was ontkomen, brak hij zijn veldtocht af. (NBV)

David zoekt de grenzen van Israël op. Nog steeds moet het volk beschermd worden tegen de invallen van de Filistijnen. Dat blijkt als deze de Judese grensstad Keïla overvallen. Dat was een stad met sterke muren die je niet zo maar kon innemen. Geen wonder dat de manschappen van David beducht waren om met een handjevol, 400 soldaten waren er, tegen een echt Filistijns leger op te trekken. Maar David had de verzekering van de God van Israël gekregen dat hij de Filistijnen zou verslaan. Dit was immers zijn taak geworden, het volk te verlossen van de invallen van de rovers. Tot twee maal toe krijgt hij de verzekering dat hij zal overwinnen. Een dat doet hij dus ook. De stad valt en de bewoners worden bevrijdt van de Filistijnen. Hoe David die antwoorden kreeg vermeld het verhaal niet, maar het gooien van het lot zal een rol hebben gespeeld. In het vervolg van het verhaal speelt de priestermantel van Abimelech namelijk een rol. Die geeft de antwoorden op de vragen die David stelt. Deze priestermantel en de priester komen ter sprake als het om Saul gaat. Zit de Koning nog steeds achter David aan en zullen de inwoners van Keïla David uitleveren aan het leger van Israël?

Op beide vragen wordt bevestigend geantwoord. Saul heeft ondertussen al een leger op de been gebracht om Keïla in te nemen. Achter de muren van die stad en achter de dubbele poort zit David immers gevangen. De dobbelstenen, de Efod, uit de priestermantel geven echter aan David op tijd een antwoord zodat hij op tijd kan vertrekken en zich weer kan verschuilen in de grotten van het rotsgebergte. Het legertje van David groeit ondertussen wel. De Priestermantel met de Efod werd al genoemd in het verhaal van Mozes en is zeer lang een instrument van de godsdienst van Israël gebleven om antwoorden te krijgen van de God van Israël. Voor ons lijken het primitieve verhalen die hier verteld worden. Een koning uit oeroude tijden heeft ruzie met een rivaal. De wereldliteratuur wemelt van dat soort verhalen. Dat de een of de ander, de goede of de slechte, geholpen wordt door een God, door dobbelstenen of de ingewanden van een vogel is ook niet vreemd. Die ingewanden vindt je in verhalen over Romeinse Keizers, ook al verhalen van ver voor onze tijd.

Verschilt de communicatie met de God van Israël dan niet met de communicatie met Heidense afgoden? In concrete vragen, moeten we oorlog voeren of niet, zit de Koning ons achterna of niet, lijkt het er wel sterk op. Alleen het geloof in de God van Israël, het geloof in de richtlijnen voor een menselijke samenleving maakt dat de interpretatie van het antwoord ook een juiste kan zijn. Het volk is het volk van God en moet alleen al daarom beschermd worden, Saul is nu eenmaal er op uit David te doden dus hij zal ook nu wel weer komen. Wij hebben geen priesters meer met een Efod, wij hebben de verhalen van de Bijbel, maar ook voor ons geldt dat we de juiste antwoorden krijgen als we die verhalen geloven. Wat zouden wij nodig hebben als we tot de minsten, tot de papierlozen of gehandicapten, tot de hongerigen of de armen, zouden behoren? Het antwoord op die vragen mag ook vandaag weer ons handelen bepalen. Net als de antwoorden van God het handelen van David bepaalden.