Jesaja 40:12-20

12 ¶  Wie heeft de wateren met holle hand omvat, de hemel gemeten met een ellenmaat? Wie heeft het stof van de aarde met een maatlepel afgepast?  Wie heeft de bergen gewogen op een weegschaal, de heuvels met balans en gewichten? 13  Wie heeft de geest van de HEER gemeten? Heeft iemand hem ooit raad gegeven? 14  Wie raadpleegt hij, wie biedt hem inzicht? Wie leidt hem op de paden van het recht? Wie leidt hem naar de wijsheid?  Wie toont hem de weg van het inzicht? 15  In zijn ogen zijn de volken als een druppel in een emmer, als een stofje op een weegschaal; de eilanden weegt hij als zandkorrels. 16  Zelfs de Libanon levert te weinig hout, te weinig wild voor een brandoffer. 17  De volken betekenen niets in zijn ogen, voor hem zijn ze minder dan niets. 18 ¶  Met wie wil je God vergelijken, hoe is hij uit te beelden? 19  Met een godenbeeld misschien? Dat is door een ambachtsman gemaakt, door een edelsmid overtrokken met goud en zilverbeslag. 20  Met een beeld, opgericht op een bergtop?  Dat is maar een stuk hout dat niet vermolmt, met zorg gekozen door een vakman, die een godenbeeld wil maken dat niet omvalt. (NBV)

Wat heb je nu aan een God die je niet kunt zien, die over het algemeen ook niet terugpraat en die je eigenlijk, volgens het verhaal, alleen maar er op uit stuurt om anderen te helpen. In de tijd dat het Bijbelgedeelte van vandaag geschreven is hadden de meeste volken goden in tempels. Die goden waren dan te zien in prachtige beelden waar kunstenaars hun uiterste best op hadden gedaan. In die tempels dienden de meest vreemd uitgedoste priesters. En als je de koningen van die volken zag dan hadden die zulke prachtige kleren en kronen dat ze wel een beetje op de goden leken. Sommige van die koningen of keizers riepen dan zo af en toe dat ze afstamden van een god of dat ze zelfs een god waren die aanbeden moest worden. Volgens het boek van de tweede Jesaja is dan het hebben van een god als die God van Israël wel heel erg handig. Die kun je niet zien omdat die alles te boven gaat, dus ook die protserige koningen. In onze dagen zouden we kunnen zeggen dat er geen pracht en praal ter wereld te verzinnen is die het haalt bij onze God.

En als we goed om ons heenkijken in de wereld dan moet het opvallen dat hoe onrechtvaardiger een dictator meestal is, hoe mooier het uniform en hoe fraaier de soldaten marcheren. Pracht en praal die machthebbers verheft boven het gewone volk gaat in onze dagen samen met onrecht dat het volk probeert te onderdrukken. Dat was in de dagen van de tweede Jesaja ook al zo en daarover gaat het gedeelte van vandaag. Als je dan weet dat die machthebbers ook gewone mensen zijn net als jezelf dan is het ook gemakkelijker je er tegen te verzetten of je te verheffen tegen het onrecht dat ze plegen. De machteloze krijgt daardoor macht in overvloed. Wie alleen de God van Israël als Heer, als heerser, van de wereld, erkent, krijgt nieuwe kracht. Niets en niemand is immers sterker dan die God, daarvoor ga je door het vuur, met hulp van die God krijg je alles voor elkaar.

Alles? Ja, want je weet dat je samen met iedereen die in die God geloofd het onrecht uiteindelijk uit de wereld kan doen verdwijnen. Met behulp van die God komt er een dag dat alle tranen gewist zullen zijn, dat machtigen geveld zijn en machtelozen de aarde zullen beërven. Die belofte is in veel prachtige bewoordingen aan de mensen gegeven. En we weten het natuurlijk wel, als we werkelijk van elkaar zouden houden en werkelijk bereid zouden zijn elkaar als broeders en zusters te zien in plaats van als vreemden en vijanden dan zou de hemel vanzelf op aarde komen. Zolang we bang zijn voor vreemden en andere geloven krijgen we alleen vijandschap en ellende. Er zijn mensen die daarvan kennelijk smullen, ook in ons land, die niet willen delen maar alleen wat ze hebben voor zichzelf willen houden. Dat is andere goden aanbidden, dat is jezelf boven anderen uitsteken, maar de God van Israël maakt ook die machthebbertjes klein. Samen leven, daar gaat het om, ook vandaag.