Selecteer een pagina

Hosea 7:8-16

8 Efraïm heeft zich met andere volken vermengd; hij is een misbaksel geworden. 9  Vreemdelingen hebben zijn krachten verteerd, maar hij beseft het niet; zijn haar is grijs geworden, maar hij beseft het niet. 10  Hoewel de hoogmoed van de Israëlieten tegen hen getuigde, zijn ze niet naar de HEER, hun God, teruggekeerd; ondanks alles hebben ze zich niet tot hem gewend. 11  Efraïm is als een duif, onnozel en zonder verstand: Egypte roepen ze te hulp, bij Assyrië zoeken ze hun toevlucht. 12  Maar als ze nog eens op weg gaan, zal ik mijn net over hen uitspreiden; ik haal ze neer, als vogels uit de lucht. Ik zal hen straffen zoals ik hun heb aangekondigd. 13  Onheil kome over hen, want ze hebben mij in de steek gelaten! Verderf over hen, want ze zijn tegen mij in opstand gekomen! Hoe kan ik hen bevrijden als ze mij in een kwaad daglicht stellen? 14  Ze roepen niet eerlijk en oprecht tot mij, maar liggen te jammeren op hun bed. Ze kerven hun lichaam voor hun goden, smekend om koren en wijn, en zo keren ze zich tegen mij. 15  Ik was het die hun een goede leerschool gaf, ik heb hen sterk gemaakt, en juist tegen mij beramen ze kwaad. 16  Naar mij, de Allerhoogste, keren ze niet terug; ze zijn als een boog zonder spankracht. Hun leiders zullen vallen door het zwaard, als straf voor hun onbeschaamde taal. Dan wordt in Egypte de spot met hen gedreven. (NBV) 

Bondgenootschappen met andere volken kunnen grote gevolgen hebben. Israël, hier aangeduid met Efraïm, had met wereldmachten als Egypte een militair verbond gesloten. Als de een zou worden aangevallen zou de ander hulp bieden. Wij hebben in de NAVO een dergelijk verbondd. Dat verbond met Egypte was om de staat te beschermen tegen Assyrië. Er waren verschillende gevolgen. In de eerste plaats kon Assyrië nu Efraïm, Israël dus, als vijand beschouwen en een deel van het land werd daarom bezet. De leden van het verbond waren vrienden en een huwelijk van iemand uit het ene land met iemand uit het andere land kon je dus ook niet veroordelen. 

Nu kan dat allemaal best maar de God van Israël komt er niet meer aan te pas. Het houden van de richtlijnen die het volk had ontvangen voor een menselijke samenleving kun je moeilijk houden als je vrienden daar andere opvattingen over hebben. En die richtlijnen had het volk nu juist ontvangen om de andere volken te laten zien hoe veilig en voorspoedig het gaat met een volk dat die richtlijnen volgt. Het volk schept haar eigen regels en spiegelt zich daarbij aan de regels van de Heidense volken. Winst en profijt komen bovenaan en uiterlijk vertoon van de machtigen en de rijken laten zien hoe goed het met een volk gaat. 

De weduwen en de wezen blijven buiten beschouwing. Je hoort in ons land ook nog wel eens mensen die zeggen het zeuren over de armen zat te zijn. Je moet juist letten op mensen die het wat beter hebben. Ze noemen dat de midden inkomens al verdienen ze zo veel dat bezien vanuit de minima dat toch zeer rijke mensen zijn. Maar als het met de rijken goed gaat dan profiteren de armen daarvan. De Bijbel beweert het omgekeerde. Pas als het goed gaat met de armen, als de zieken, de weduwen en de wezen, de slaven en de vreemdelingen dan kan het goed gaan met het volk. Recht en gerechtigheid staat daarbij voorop. We moeten mensen tot hun recht laten komen. Dan wordt een volk onaantastbaar. Tegen dat gedrag kan geen machthebber zich immers verzetten. Ook in onze dagen niet.