Leviticus 6:1-6

1 De HEER zei tegen Mozes: 2 ‘Geef Aäron en zijn zonen de volgende instructies. Dit zijn de voorschriften voor het brandoffer: Het brandoffer moet de hele nacht op het altaar blijven branden, het vuur op het altaar mag niet doven. Bij het aanbreken van de ochtend 3 moet de priester, gekleed in een linnen gewaad met daaronder een linnen broek die zijn geslachtsdelen bedekt, de as van het brandoffer dat in het vuur verteerd is van het altaar nemen en naast het altaar leggen. 4 Dan moet hij andere kleren aantrekken en de as naar de ashoop buiten het kamp brengen. 5 Het vuur op het altaar moet blijven branden, het mag niet doven. Elke ochtend moet de priester hout op het vuur doen, er een nieuw brandoffer op leggen en het vet van het vredeoffer erop verbranden. 6 Het vuur op het altaar moet steeds blijven branden, het mag niet doven. (NBV)

As is verbrande turf zei mijn moeder vroeger. Als of als dat, beginwoorden bij vragen die geen antwoord verdienen. Voor elke situatie, voor elke gedrag zijn vele alternatieven te vinden en het heeft meestal geen zin om die allemaal na te gaan. Alleen als er belangrijke keuzes gemaakt moeten worden dan is het zaak de voors en tegens van de keuzemogelijkheden na te gaan. Maar vandaag lezen we niet over de imaginaire as maar over echte as. De hele dag door worden op het brandaltaar de offers aangereikt. Het laatste offer is pas tegen de ochtend verbrand, ook in de nacht moet het vuur dus blijven branden. Wat dan te doen met de as?

Alles wat op het altaar ligt is niet alleen voor God maar ook van God. Dat kun je er dus niet zomaar afhalen. Het moet gebeuren door de Priester. En niet in zijn gewone dagelijkse kleding maar zo gekleed dat het bijzondere wordt geaccentueerd. Daarom witte kleding, meestal vertaald met linnen kleding maar het Hebreeuwse woord is een ander woord als elders voor linnen wordt gebruikt. Ook met bedekte geslachtsdelen. Offeren aan de God van Israël is geen betaling voor vruchtbaarheid. De Priesters zijn dan ook geen dienaren van vruchtbaarheid, maar dienaren van het volk. Als de as van het altaar af is dan is het afval en kan het op de vuilhoop buiten het kamp. Dat kan in gewone dagelijkse kleding.

Wat moeten wij vandaag met de mededeling dat het vuur op het altaar dag en nacht moet branden. In het Christelijke deel van de Bijbel, wat wij het Nieuwe Testament noemen wordt de mens zelf aangewezen als een tempel voor God. De Tempel in Jeruzalem was immers verwoest. Gods Geest had zich in de vorm van vurige tongen aan de volgers van Jezus vertoond. En dat vuur moeten we inderdaad dag en nacht brandend houden. De liefde voor God, de dienst aan God in de vorm van dienst aan de naaste is dus niet iets dat je kunt uiten als het je even uitkomt. Dan loop je de kans dat het vuur van de Geest is uitgegaan. Dag en nacht dienen we dat vuur brandend te houden door God te loven en onze naaste lief te hebben. Dag in dag uit, dus ook vandaag.