Selecteer een pagina

Jesaja 54:11-17

11 Ongelukkige, zo opgejaagd en ongetroost. Met fijne leem zal ik je stenen inleggen, op saffier zal ik je grondvesten. 12 Ik maak je torens van robijn, je poorten van beril, je muren van kostbare edelstenen. 13 Al je kinderen worden onderricht door de HEER, rust en vrede zal hun ten deel vallen; 14 gerechtigheid zal je fundament zijn. Je zult niets meer te vrezen hebben: onderdrukking zal je niet bereiken, voor terreur blijf je gevrijwaard. 15 Word je toch aangevallen, het komt niet van mij. Valt iemand je aan? Het wordt zijn eigen val. 16 Ik heb de smid geschapen, die het gloeiende vuur aanblaast om gereedschap te vervaardigen voor een zeker doel; zo heb ik ook de vernietiger geschapen, die verderf wil zaaien. 17 Maar elk wapen dat tegen jou wordt gesmeed zal machteloos zijn, en ieder die jou in een geding belastert zal zelf veroordeeld worden. Dit is het deel dat de dienaren van de HEER toekomt,
dit is het recht dat ik hun toeken-spreekt de HEER. (NBV)

Mooie beelden zijn dat, een stad gefundeerd op edelstenen, stenen die je niet kunt bekrassen, het hardste van het hardste. Maar ze doen ook denken aan de stenen die de priester van de Tempel kan gebruiken om recht te spreken, om vonnissen te vellen. De stad is dan ook gefundeerd op gerechtigheid en haar inwoners zijn bevrijd van onderdrukking en de willekeur waarmee onderdrukking gepaard gaat. Een samenleving gebaseerd op recht en gerechtigheid. Wij noemen dat in onze dagen een rechtstaat. Maar wij hebben het over het geschreven recht dat gestudeerde juristen weten te citeren en te begrijpen. Dat recht is meer en meer alleen toegankelijk voor mensen die dat ook kunnen betalen. Het is het recht van de rijken aan het worden. Ook de geschreven wetten worden aangepast aan de wensen van de rijken. De gerechtigheid waar hier in het boek van de profeet Jesaja over wordt gesproken is het recht van alle mensen. Dat recht laat iedereen tot zijn en haar recht komen. Dat blijkt uit het recht dat de verdrukten wordt gedaan, het recht dat de armen ervaren.

Dat is ook het recht van het delen. De richtlijn dat in de Tempel in Jeruzalem ieder een maaltijd zal aanrichten samen met de familie, de dienaren van de Tempel, de armen en de vreemdelingen die voor je werken. Zo krijgen de dienaren van de Tempel hun deel. Na de ballingschap kan het volk van Israël weer opnieuw beginnen. Voor de profeet is dit een vreugdevol gebeuren. Maar niet zonder hindernissen. Natuurlijk zullen er krachten zijn die zich verzetten, die baat hadden bij de onderdrukking, die zich lieten gebruiken als instrument van de onderdrukking. We zien soms dat een overheid zelf met nep demonstranten probeert chaos te scheppen. In zulke situaties waarschuwt de profeet dat zulke mensen zelf veroordeeld zullen worden, hun wapens zullen op henzelf terugslaan. Het bouwen van een samenleving van recht en gerechtigheid gaat niet vanzelf. We krijgen de blauwdrukken van de God van Israël maar we moeten zelf de handen uit de mouwen steken. Dat is ook het grote tegendeel met het soort recht dat de Heidenen hanteren, wij kennen dat in onze dagen als het Romeinse Recht.

Aan dat recht moeten mensen zich houden. Dat Recht beschermt dus de bestaande verhoudingen tussen mensen, geeft bescherming van de eigendomsverhoudingen, hoe onrechtvaardig die ook gaan uitvallen in de loop van een mensenleven. Het recht van de Bijbel is een opdracht, zo moet de samenleving er uit gaan zien en er uit blijven zien. Aangezien alles verandert moeten we ons voortdurend met het recht bezig houden, moeten we ons voortdurend afvragen of mensen wel tot hun recht komen. Dat is ook het recht dat vervuld kan worden, eindelijk kan er in worden geslaagd de samenleving op te bouwen op recht en gerechtigheid. Ook onder ons worden haat en verdeeldheid gezaaid, ook wij kunnen er gevoelig voor worden en vergeten dat we iedereen tot zijn en haar recht moeten laten komen. Daarom hebben wij dag en nacht dat woord van de God van Israël nodig.