1 Samuel 25:20-35

20  Abigaïl reed op haar ezel door de kloof, terwijl David en zijn mannen van de andere kant optrokken. Omdat ze door de bergwand aan het zicht onttrokken was, werd David door haar komst verrast. 21  Hij was nog steeds vreselijk kwaad: ‘Wat denkt die vent wel? Heb ik daarom al die tijd zijn bezittingen beschermd? Ik had het net zo goed kunnen laten! Nog niet één schaap is hij kwijt, en wat krijg ik? Stank voor dank! 22  God mag met me doen wat hij wil als ik morgenvroeg van zijn familie ook maar iemand van het mannelijk geslacht in leven heb gelaten!’ 23-24 Zodra Abigaïl David zag, sprong ze van haar ezel af. Ze viel voor zijn voeten op haar knieën, boog diep voorover en zei: ‘Mij treft alle schuld, mijn heer. Sta me toe het woord tot u te richten en wees zo goed te luisteren naar wat ik te zeggen heb. 25  Schenk alstublieft geen aandacht aan die domme praatjesmaker van een Nabal. Hij is een onbenul, zoals zijn naam al zegt. Had ik uw boden maar zelf te woord kunnen staan. 26  Zo waar de HEER leeft, mijn heer, en zo waar u zelf leeft, de HEER heeft u ervan weerhouden om het recht in eigen hand te nemen en bloedschuld op u te laden. Maar ik hoop dat het al uw vijanden en tegenstanders zal vergaan zoals Nabal. 27  Aanvaard de geschenken die ik voor u heb meegebracht, mijn heer; ze zijn bestemd voor de mannen die u op uw tochten vergezellen. 28  Vergeef me alstublieft dat ik heb gefaald. Ik weet zeker dat de HEER uw huis zal laten voortbestaan, u trekt immers voor de HEER ten strijde. Er mag bij u dus uw leven lang geen spoor van kwaad te vinden zijn. 29  Mocht iemand het wagen om u te achtervolgen en u naar het leven te staan, dan zal het steentje van uw leven veilig geborgen zijn in de buidel waarin de HEER, uw God, de mensenlevens bewaart, maar het leven van uw vijanden zal worden weggeslingerd. 30  Wanneer de HEER al zijn goede beloften aan u inlost en u aanstelt tot vorst van Israël, 31  zult u niet gehinderd worden doordat u uw geweten hebt belast door het recht in eigen hand te nemen en onschuldig bloed te vergieten. Wanneer het eenmaal zover is, mijn heer, vergeet uw dienares dan niet.’ 32  David antwoordde: ‘Ik dank de HEER, de God van Israël, dat hij u vandaag op mijn weg heeft gestuurd. 33  En u dank ik voor uw verstandig optreden van zojuist, waarmee u hebt voorkomen dat ik het recht in eigen hand nam en me schuldig zou maken aan moord. 34  Maar zo waar de HEER leeft, de God van Israël, die me ervan heeft weerhouden om u kwaad te doen, als u niet zo snel naar me toe was gekomen, was er van Nabals familie morgenvroeg niemand van het mannelijk geslacht meer in leven geweest!’ 35  En hij aanvaardde haar geschenken met de woorden: ‘Ga gerust naar huis; ik heb uw woorden aangehoord en uw verontschuldigingen aanvaard.’ (NBV) 

Soms moet je de geboden uit de Bijbel ook voor een ander houden. Wij zijn gewend dat ieder voor zich de wetten van het rijk moet houden en dat er een overheid is die daar op toezicht houdt en overtreders aanpakt. Zo zit het niet met de regels voor een menselijke samenleving die we in de Bijbel terugvinden. Voor die regels zijn we samen verantwoordelijk en als iemand ze niet kan of wil houden dan moeten we dat zelf maar doen voor die iemand omdat het doel, de menselijke samenleving, bij ons altijd voorop staat. Dat wil de God van Israël immers van ons, dat we door te houden van onze naaste als van onszelf die menselijke samenleving een stukje dichterbij brengen. Het is ook eigenlijk de boodschap die Abichaïl eerst aan David en dan aan Nabal brengt. 

David was woest geworden om de botte weigering van Nabal iets bij te dragen aan het onderhoud van de beschermers van zijn bezit. Nabal was er rijker door geworden want hij had geen dier, geen schaap of lam, verloren in het seizoen dat ze buiten liepen, zich hadden vetgemest en voordat ze geschoren werden. David trok op met zijn mannen om de mannen van de clan van Nabal te doden, je doet het niet voor niks. Ze waren anders gedood geweest door plunderende Filistijnen. Maar Abichaïl de vrouw van Nabal, die door had hoe de verhoudingen lagen, was met eten bepakt naar David gereden. En haar toespraak overtuigde de krijgsheer.  

Haar complete toespraak vormt een literair hoogtepunt uit het eerste boek Samuël en verdient het meerdere malen gelezen te worden. Maar door de schuld op zich te nemen voor de afwijzing laat Abichaïl zien dat het houden van de wetten voor een ander de redding van een volk kan zijn. David krijgt nu de gelegenheid zich te houden aan het “Gij zult niet doden” Nabal krijgt de gelegenheid toch te delen. In de Bijbel krijgt iedereen eigenlijk altijd een tweede kans, als je die niet aanneemt kun je doodvallen, maar dat is een ander verhaal. Wij worden geroepen om te delen en zo God lief te hebben boven alles.