Selecteer een pagina

Jesaja 41:21-29

21 Voer jullie rechtsgeding, zegt de HEER, lever overtuigende bewijzen, zegt Jakobs koning. 22 Kom ermee voor de dag en vertel ons wat er gebeuren zal. Vertel ons over wat eertijds is gebeurd, zodat wij de afloop kunnen nagaan. Licht ons in over wat komen gaat, 23 kondig aan wat de toekomst zal brengen, dan weten wij dat jullie goden zijn. Doe het, hetzij goed, hetzij slecht, zodat wij het met eigen ogen kunnen zien. 24 Maar nee, jullie zijn minder dan niets en jullie daden hebben geen enkele waarde; verafschuwd wordt ieder die voor jullie kiest. 25 In het noorden liet Ik iemand opstaan, en hij kwam, in het oosten, waar de zon rijst, riep hij mijn naam. Hij vertrapt stadhouders als leem, zoals een pottenbakker de klei treedt. 26 Wie heeft hem vanaf het begin aangekondigd, lang tevoren, zodat wij het wisten en nu kunnen zeggen: ‘Het is waar!’? Geen van jullie kondigde iets aan, geen van jullie lichtte ons in, niemand heeft een woord van jullie vernomen. 27 Ik was de eerste die Sion verkondigde: ‘Kijk, daar zijn ze!’ Ik stuurde Jeruzalem een vreugdebode. 28 Ik kijk om me heen, maar er is niemand, onder jullie zie Ik geen enkele raadgever, niet één die op mijn vragen kan antwoorden. 29 Jullie zijn allemaal even armzalig en jullie daden betekenen niets; wind en leegte zijn jullie beelden. (NBV21)

Als je ruzie met iemand hebt dan kun je beter een rechtsgeding aanspannen dan geweld gebruiken. Geweld kan zich immers altijd tegen je keren, bij een rechtsgeding raakt er niemand gewond, je raakt hooguit een hoop geld kwijt. Vandaag lezen we over een rechtsgeding dat gevoerd wordt door de God van Israël en de goden van de andere volken. Jesaja en de ballingen zaten nog met het probleem dat het algemene geloof van de volken was dat als een volk een oorlog wint de god van dat volk de god van de tegenstander heeft overwonnen. En Israël en Juda hadden wel dezelfde God maar die had toch mooi twee maal verloren. Nu hadden de goden van Assyrië en Babel ook verloren. De god van Babel had eerst gewonnen van de God van Assyrië maar nu had de god van Babel, Marduk, verloren van de god van Perzië en de maangodin Sin had al helemaal niets in te brengen gehad. Maar waar was die God van Israël gebleven in dit verhaal? De goden worden in het gedeelte dat we vandaag gelezen hebben opgeroepen om met bewijzen te komen voor hun overwinning op de God van Israël.

En die bewijzen moeten dan in het verlengde liggen van het bewijs van de God van Israël dat die helemaal niet overwonnen was, maar juist de regisseur van alle gebeurtenissen die het volk Israël hadden getroffen. Het bewijs er van vinden we in het eerste deel van het boek van de Profeet Jesaja, trouwens ook in het boek Koningen en in het boek van de profeet Jeremia. Namens de God van Israël hadden profeten al van af het begin gewaarschuwd dat het nalopen van andere goden zou betekenen dat er van Israël en Juda weinig zou overblijven. De pracht en praal van die andere goden, de mooi beelden, de fraaie priestergewaden, de plechtigheid waarmee offers werden opgedragen, het was allemaal belachelijk gemaakt door de profeten van de God van Israël. Maar het volk had niet geluisterd en dus was het verkeerd gegaan. Maar vanaf het begin van de ballingschap hadden de profeten er op gewezen dat die ballingschap niet eeuwig zou duren. De God van Israël zou de volken laten zien dat hij uiteindelijk altijd de sterkste zou zijn.

Nu werd dat waar. De God van Israël had een eind willen maken aan de ballingschap en daarvoor Kores, eigenlijk Cyrus van Perzië, geroepen om met Babel af te rekenen en te zorgen dat de kinderen van Juda weer terug konden keren naar Jeruzalem om de stad te herbouwen en de Tempel in oude glorie te herstellen. De nederlaag die de God van Israël geleden zou hebben leidt niet tot het verdwijnen van de eredienst maar tot grotere luister en ontzag bij de mensen voor deze God. Die God helpt je bij het goede en laat je gaan bij het slechte. De beelden van die andere goden, waar dat volk zo graag achteraan had gelopen, waren lucht en leegte gebleken. De mode van pracht en praal, de mode van de grootste en de beste willen zijn bleek alleen maar schijn. Ook in onze dagen mogen we van dat verhaal leren. Ook wij lopen allerlei wedstrijdjes na om maar de mooiste, de beste, de knapste of de sterkste te zijn. Aan de minsten wordt schijnbaar niet meer gedacht. Elke dag roept de God van Israël ons op om van die weg terug te keren, om weer te gaan leven in liefde voor de naaste, elke dag mogen we dat, ook vandaag weer.