Selecteer een pagina

Maleachi 1:10–2:9

10 Het zou beter zijn als een van jullie de tempeldeuren zou sluiten en jullie het vuur op mijn altaar niet langer zouden aansteken, want dat heeft toch geen nut. Ik wijs jullie af – zegt de HEER van de hemelse machten – en de offers die jullie brengen aanvaard Ik niet. 11 Van waar de zon opgaat tot waar ze ondergaat staat mijn naam bij alle volken in aanzien, overal brengt men Mij reukoffers en reine offergaven. Mijn naam staat bij alle volken in aanzien – zegt de HEER van de hemelse machten –, 12 maar jullie ontwijden hem door te beweren dat mijn altaar verontreinigd mag worden, door te denken dat je er minderwaardig voedsel heen kunt brengen. 13 Jullie halen je neus op voor de dienst aan mijn altaar – zegt de HEER van de hemelse machten –, jullie zeggen: ‘Dit alles kost ons te veel moeite.’ Jullie brengen Mij gestolen dieren, en kreupele en zieke dieren – zegt de HEER –, dat is wat jullie Mij als offergave aanbieden, en Ik moet dat aanvaarden? 14 Vervloekt de bedrieger die de Heer een mannelijk dier zonder enig gebrek uit zijn kudde belooft maar Hem een geschonden dier offert! Ik ben een groot koning – zegt de HEER van de hemelse machten –, en alle volken zijn vervuld van ontzag voor mijn naam! 1 Dit is wat Ik over jullie, priesters, heb besloten. 2 Als jullie niet luisteren, en als jullie niet ter harte nemen dat je mijn naam in ere moet houden – zegt de HEER van de hemelse machten –, dan zal Ik jullie met mijn vloek treffen en vervloek Ik alles waarmee jullie gezegend zijn; Ik zal jullie zéker vervloeken, want jullie nemen het toch niet ter harte. 3 Ik zal jullie nageslacht treffen en jullie de mest van de offerdieren in het gezicht gooien. Jullie zullen uiteindelijk zelf op de mesthoop belanden! 4 Weet dat Ik dit besloten heb op grond van mijn verbond met Levi – zegt de HEER van de hemelse machten. 5 Ik beloofde Levi leven en vrede, en die heb Ik hem gegeven; van Levi verwachtte Ik eerbied, en hij, vervuld van diep ontzag voor mijn naam, eerde Mij. 6 Het onderricht dat hij gaf berustte op waarheid, er kwam niets verkeerds over zijn lippen. Hij was rechtschapen en leefde in vrede met Mij; velen hield hij af van het kwaad. 7 Kennis ligt op de lippen van de priester en uit zijn mond verlangt men onderricht, want hij is een bode van de HEER van de hemelse machten. 8 Maar jullie zijn afgeweken van de weg die Ik je wees, veel mensen zijn gestruikeld door wat jullie hun leerden. Jullie hebben mijn verbond met Levi geschonden – zegt de HEER van de hemelse machten. 9 Daarom zal Ik ervoor zorgen dat heel het volk jullie minacht en op je neerkijkt, want jullie volgen de weg niet die Ik je wijs maar steunen in je onderricht op eigen inzichten. (NBV21)

Ze kunnen dan wel een mooie Tempel bouwen, zo een als ze gewend waren te zien in Babel. En de priesters hadden ongetwijfeld fraaie gewaden waaraan je direct kon zien dat ze Priester waren. Ook zullen de rituelen met de nodige plechtigheid en pracht en praal zijn uitgevoerd. Maar toch deugde het niet. Er zijn weinig geleerden die in de bode, die als schrijver van de profetie wordt genoemd, een van de Priesters heeft gezien. Toch zou het zomaar kunnen als je nauwkeurig dit gedeelte uit de Profetie leest. Maar de priesters worden hier ook wel uiterst negatief afgeschilderd. De Profetie gaat er vanuit dat van de oproep om zich te keren naar het uitvoeren van de oorspronkelijke wet niets terecht zal komen. Ze zullen zeker vervloekt worden want ze nemen het vermaan toch niet ter harte. Erger nog, de mest van de offerdieren zullen ze in het gezicht geworpen krijgen en ze zullen op de mesthoop belanden. Zij zijn het die in de eerste plaats de Wet moesten bewaren, bewaken en uitvoeren. De stam van Levi kreeg daarom geen grond in Israel maar leefde van rechtspreken en het mee eten van de offers die in de Tempel gebracht werden.

Als het volk zich van de godsdienst zou afwenden zou het slecht vergaan met de Priesters en zouden ze wel gedwongen worden het volk weer bij de Wet te betrekken. Dat gaat natuurlijk niet op als de Priesters zelf de Wet aan hun laars zouden lappen. Dan hoefde het volk het ook niet zo nauw met de Wet te nemen en zou de godsdienst ten gronde gaan. Daarom moesten Priesters betrouwbare mensen zijn die de waarheid zouden spreken, niet ten eigen bate, maar volgens de Wet van de Woestijn, de Wet van eerlijk delen, de Wet van heb je naaste lief als jezelf. Priesters die dat niet zorgvuldig en integer doen halen de minachting van het volk op hun hals. Vandaag de dag geldt het zelfde voor autoriteiten. Politieagenten die drugs gebruiken, zich niets aantrekken van verkeersregels of hun naasten mishandelen halen de naam van het politiekorps omlaag en zorgen dat het publiek er minder vertrouwen in krijgt.

De politieorganisatie doet er daarom veel aan de korpsen te zuiveren van slechte elementen. Het zelfde geldt voor het openbaar ministerie en de rechterlijke macht. Moeilijker ligt het bij volksvertegenwoordigers en leden van het Openbaar Bestuur als Burgemeesters en Commissarissen van de Koningin. Die volksvertegenwoordigers zijn gekozen door het volk. Als een volksvertegenwoordiger veroordeeld is omdat die de buurman mishandeld heeft duurt het tot de volgende verkiezingen voor het duidelijk wordt of die volksvertegenwoordiger nog voldoende volk vertegenwoordigt. In onze democratie is het daarom zaak ook als burger op te letten op de zuiverheid van autoriteiten en bestuurders. Als het daar gaat afglijden dan gaat het in de samenleving als geheel van kwaad tot erger. En we moeten koste wat kost het goede blijven kiezen, ook als het pijnlijk is voor autoriteiten en bestuurders, de Priesters van vandaag.