Selecteer een pagina

Johannes 10:31-42

31 Toen de Joden weer stenen opraapten omdat ze Hem wilden stenigen, 32 zei Jezus: ‘Ik heb door de Vader veel goeds voor u gedaan; om welke goede daad wilt u Me stenigen?’ 33 ‘Voor een goede daad zullen we U niet stenigen,’ antwoordden ze, ‘maar wel voor godslastering: U bent een mens, maar U beweert dat U God bent!’ 34 Jezus zei: ‘Staat er in uw wet niet geschreven: “Ik heb gezegd: ‘U bent goden’”? 35 De Schrift blijft altijd van kracht; als mensen tot wie God spreekt goden genoemd worden, 36 hoe kunt u Mij, door de Vader geheiligd en naar de wereld gezonden, dan beschuldigen van godslastering wanneer Ik zeg dat Ik Gods Zoon ben? 37 Als wat Ik doe niet van mijn Vader komt, geloof Me dan niet, 38 maar als dat wel het geval is en toch gelooft u Mij niet, geloof dan tenminste wat Ik doe. Dan zult u begrijpen dat de Vader in Mij is en dat Ik in de Vader ben.’ 39 En weer wilden ze Hem grijpen, maar Hij ontsnapte. 40 Hij ging terug naar de overkant van de Jordaan, naar de plaats waar Johannes eerder gedoopt had. Daar bleef Hij. 41 Veel mensen kwamen naar Hem toe; ze zeiden: ‘Johannes heeft weliswaar geen tekenen verricht, maar alles wat hij over deze man gezegd heeft is waar.’ 42 En velen kwamen daar tot geloof in Hem. (NBV21)

Op het lasteren van God stond maar één straf. De doodstraf, door steniging. Niet dat Jezus zichzelf herder van Israël had genoemd en zijn leerlingen had opgedragen van alle mensen te houden was een godslastering maar een mens die zichzelf verheft tot God lastert de God die alle verstand te boven gaat. Die alles geschapen heeft dat een mens kan zien en meemaken. Geen mens kan zo groot zijn. Dat verdient de doodstraf. Maar Jezus wijst op Psalm 82. Daar spreekt de God van Israël zijn volk toe als “goden”, in het Hebreeuws staat daar Elohim en dat woord wordt in de Tanach, de Joodse Bijbel die wij Oude Testament noemen, gebruikt als benaming van God. Er is natuurlijk ook dat vierletterwoord dat we niet uitspreken maar waarmee God zich bekend had gemaakt aan Mozes. Maar dat Elohim staat er net zo vaak voor God.

Jezus gebruikt alleen dat ene kleine zinnetje uit de Psalm. Die noemt hij ook nog de Wet, de Tora. De Judeeërs beschouwden de Psalmen als een geschrift dat uitlegt wat er in de Tora staat. Jezus laat weg wat er achter de uitspraak van God staat, die Elohim zijn de kinderen van God die misschien goden zijn maar ook sterfelijk. Jezus is Gods Zoon en valt daarmee samen met God zelf. De onvoorwaardelijke liefde waarmee Jezus de mensen benaderde en die hij ook aan zijn leerlingen opdroeg maakte hem inderdaad goddelijk. En hij heeft daarbij gezegd dat ook zijn leerlingen kinderen van God genoemd zouden worden. En als wij volgelingen van Jezus willen zijn en hem willen navolgen dan kunnen ook wij kinderen van God genoemd worden. God heeft ons zijn liefde gegeven en die mogen wij verspreiden. Paulus gaat later nog een stap verder als hij vaststelt dat overal waar liefde is God aan het werk is. Dat is dus ook zonder de gelovigen. Liefde heeft dus voor ons centraal te staan en de liefdeloosheid brengt ons in beweging.

De liefdeloosheid van de vaccinatieweigeraars die zichzelf meer liefhebben dan de mensen die ze kunnen besmetten. De liefdeloosheid van de belastingdienst die iedereen over een kam scheren en mensen om het minste en geringste in het verderf heeft gestort. De liefdeloosheid van de overheid die mensen die zijn getroffen door de behoefte aan gas dat warmte opwekt laat zitten met instortende huizen en een hoeveelheid schade dat rustig en veilig wonen er niet meer bij is. Het is de liefdeloosheid van ons allemaal die vluchtelingen laten verrekken en honger en oorlog op de wereld laten voortduren. Jezus gaat terug naar de oorsprong van zijn opdracht. Aan de overkant van de Jordaan trad eens Johannes de Doper op, die de mensen doopte ter vergeving van hun zonden en waar God over Jezus als zijn geliefde zoon had gesproken. Die bekering waartoe Johannes opriep mogen wij elke dag opnieuw meemaken.