Selecteer een pagina

Ezechiël 43:1-12

1 Toen nam de man mij mee naar de oostpoort. 2 En daar, vanuit het oosten, zag ik de God van Israël in al zijn luister verschijnen, met een geluid als het gebulder van de zee, en de aarde straalde ervan. 3 Wat ik zag, leek op wat ik had gezien toen ik de verwoesting van de stad zag, en op wat ik had gezien bij het Kebarkanaal, en ik wierp me voorover op de grond. 4 De luisterrijke verschijning van de HEER ging door de oostpoort de tempel binnen. 5 Toen hief een geest mij op en bracht me naar de binnenhof, en ik zag dat de tempel vol was van de luister van de HEER. 6 Toen werd er vanuit de tempel tegen mij gesproken, terwijl de man naast mij stond: 7 ‘Mensenkind, dit is de plaats van mijn troon, de plaats waar ik mijn voeten zet. Hier zal ik voorgoed blijven wonen te midden van de Israëlieten. Het volk van Israël zal mijn heilige naam nooit meer bezoedelen, zij noch hun koningen, niet met hun ontrouw en niet met de lijken van hun koningen in hun tombes. 8 Ze plaatsten hun drempel naast mijn drempel en hun deurpost naast mijn deurpost, alleen een muur stond er tussen ons in, ze bezoedelden mijn heilige naam met hun wangedrag en daarom heb ik hen in mijn woede vernietigd. 9 Maar vanaf nu zullen ze niet langer ontrouw zijn en de lijken van hun koningen ver van mij houden, zodat ik voorgoed bij hen kan wonen. 10 Mensenkind, vertel het volk van Israël over de tempel, zodat ze zich schamen over hun wandaden, en laat ze het model nameten. 11 Als ze zich schamen over alles wat ze hebben gedaan, maak hen dan bekend met de indeling en het ontwerp van de tempel, met de uitgangen en de ingangen, kortom met de hele indeling, en met alle bepalingen en voorschriften. Schrijf alles voor hen op, opdat zij het nauwgezet uitvoeren. 12 Dit zijn de voorschriften voor de tempel; het hele gebied rondom de tempel boven op de berg is allerheiligst. Tot zover de voorschriften voor de tempel.’ (NBV)

De hele nieuwe Tempel uit het visioen van Ezechiël is opgemeten en beschreven, Een doordacht plan dat zorgvuldig was uitgevoerd. Maar wat moet je nu met zo’n Tempel. Er staan altaren, er staat een tafel, er staan kandelaars, de muren zijn mooi versierd maar dat is aankleding, dat vertelt niet wat je met een dergelijke Tempel moet. De Heidenen in het land waar het volk in ballingschap is hebben prachtige godenbeelden. Als je daar een Tempel zou moeten beschrijven dan heb je het niet over muren met poorten en gebouwen met kamers, dan beschrijf je hoe mooi en hoe kostbaar het beeld van de god van de Tempel is. Daar is bij Ezechiël geen sprake van.

Dan ziet Ezechiël iets wat hij nauwelijks onder woorden kan brengen. De “heerlijkheid” van God komt uit het oosten. Toen het volk in ballingschap werd weggevoerd en net voor de Tempel werd verwoest zou de Geest van de God van Israël naar het Oosten zijn vertrokken. Nu komt die God weer terug. Maar de God van Israël is groter dan de Tempel, die God is de schepper van hemel en van aarde, die God gaat alles te boven. Dat is dus in die Tempel te zien. Die Tempel is geen plek waar de god in een beeld gevangen is, die Tempel is de voetenbank voor een God die groter is dan alles wat je je zou kunnen voorstellen. De luister van een dergelijke heerser neemt die Heer zelf mee, dat is zijn aard.

Er waren tijden geweest dat Koningen paleizen of tenminste een hofkapel bouwden naast de Tempelmuur. De luister van de God van Israël straalde dan op hen af en ze zouden meedelen in de macht van de Heer van hemel en aarde. Niks ervan krijgt Ezechiël te horen. In de Tempel van de God van Israël vallen verschillen tussen mensen weg. Je hebt de Priesters en de Levieten. De nakomelingen van Aäron uit de stam Levi en daarmee houdt het op, Het is voor iedereen duidelijk dat die Priesters en Levieten niet de bazen zijn van het land maar dienaren van God. En zo mogen wij ook een volk van Priesters en Koningen zijn zegt Paulus ergens. Wij dienen God door het liefhebben van onze naaste, de zorg voor de minsten, de zieken veraf en dichtbij. Wij geven hongerigen te eten, kleden de naakten en bezoeken de gevangenen. Dat doen we voor onze God.