Selecteer een pagina

Zacharia 6:9-15

9 Toen richtte de HEER zich tot mij: 10 ‘Je moet de geschenken van de ballingen Cheldai, Tobia en Jedaja, die uit Babel zijn gekomen, in ontvangst nemen en diezelfde dag nog naar het huis van Josia, de zoon van Sefanja, gaan. 11 Laat van het goud en zilver een kroon maken en zet die op het hoofd van de hogepriester Jozua, de zoon van Josadak. 12  Zeg tegen hem: “Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Let op, een man met de naam Telg, die aan de stam zal uitbotten, herbouwt de tempel van de HEER. 13 Hij is het die de tempel van de HEER zal herbouwen; hij is het die de koninklijke waardigheid zal dragen en zal heersen vanaf zijn troon. Er zal ook een priester zijn op een eigen troon, en samen zullen zij het land in goede vrede besturen. 14  De kroon zal in de tempel van de HEER worden bewaard ter herinnering aan Cheldai, Tobia en Jedaja, en ter herinnering aan de welwillendheid van de zoon van Sefanja. 15 Uit verre landen zullen mensen hierheen komen om te helpen bij de bouw van de tempel van de HEER.’ Dan zullen jullie inzien dat de HEER van de hemelse machten mij naar jullie gezonden heeft. Dit alles zal gebeuren als jullie luisteren naar de HEER, jullie God. (NBV)

Er waren rijke en arme ballingen teruggekeerd uit Babel. Nehemia bijvoorbeeld was een hoge ambtenaar, een rijk man lezen we bij Ezra en Nehemia. Het waren met name de armere ballingen die de vrijheid hadden ook echt terug te keren. Van sommige rijkere ballingen betekende het einde van de ballingschap meer een vrijheid en een herkenningspunt in het land van hun voorvaderen, het land ook van hun godsdienst. Ze wilden graag bijdragen aan het herstel van de glorie van Jeruzalem en de Tempel waar immers de glorie van God van zou uitgaan. Ze worden daarom met name genoemd. Cheldai, Tobia en Jedaja. Er is lang gezocht naar verdere gegevens over deze drie ballingen maar echt iets gevonden is er niet. Ze blijven dus alleen bekend om hun bijdrage aan het herstel van Tempel en Tempeldienst. Want hun bijdragen worden gebruikt voor het maken van een kroon voor de Hogepriester, Jozua, de zoon van Josadak.

Wordt Jozua dan koning? Het lijkt er op. Maar hij krijgt een boodschap, een man met de naam Telg, in oudere vertalingen Spruit geheten, zal de Tempel herbouwen. Die Spruit, of Telg komt uit het huis van David, weten we van de profeet Jeremia. Het is Zerubbabel die met recht de koning van Israël worden als erfgenaam van David en Salomo. Zijn er dan twee Koningen? Het lijkt er wel op. Een die de dienst aan God vorm geeft en er voor zorgt dat er voldoende Priesters zijn voor de offerdiensten, die toezicht houdt op het onderhoud van de Tempel en die de Tempel en de voorhoven bewaakt tegen misbruik. Daarnaast is er een burgerlijke Koning die uitvoering geeft aan de richtlijnen van God die in de Tempel worden bewaard. Dat is Zerubbabel. Soms zul je in de praktijk nauwelijks kunnen onderscheiden waar een regel vandaan komt, van de Hogepriester, uit de Tempel dus, of van de Koning, van het burgerlijk bestuur dus.

Dan is er ook nog de profeet. Die roept op de richtlijnen van God te onderhouden en wijst op concrete maatschappelijke situaties die om toepassing van die regels vragen. Soms hoort hij daartoe oproepen van God, soms droomt hij er van, soms ziet hij het voor zijn ogen gebeuren. Altijd gaat het daarbij om de verheerlijking van God. Alles wat we hebben komt immers van die God, alles wat we doen mogen we in dienst stellen van zijn liefde, alles mag dus gedaan worden voor de minsten onder ons. De vluchtelingen, de mensen met grote schulden, de hongerenden in Afrika, de gevangenen die zonder misdrijf bij Schiphol gevangen worden gehouden en vul dat zelf maar in. God heeft zijn richtlijnen in ons hart gegrift.