Selecteer een pagina

Johannes 10:22-30

22 In Jeruzalem werd het feest van de Tempelwijding gevierd; het was winter. 23 Jezus liep in de tempel, in de zuilengang van Salomo. 24 Daar kwamen de Joden om Hem heen staan, en ze vroegen Hem: ‘Hoe lang houdt U ons nog in het onzekere? Als U de messias bent, zeg het ons dan ronduit.’ 25 Jezus antwoordde: ‘Dat heb Ik u al gezegd, maar u gelooft het niet. Wat Ik in naam van mijn Vader doe getuigt over Mij, 26 maar u wilt Me niet geloven, omdat u niet bij mijn schapen hoort. 27 Mijn schapen luisteren naar mijn stem, Ik ken ze en zij volgen Mij. 28 Ik geef ze eeuwig leven: ze zullen nooit verloren gaan en niemand zal ze uit mijn hand roven. 29 Wat mijn Vader Mij gegeven heeft gaat alles te boven, niemand kan het uit de hand van mijn Vader roven, 30 en de Vader en Ik zijn één.’(NBV21)

Vandaag begint er een Joods Kerstverhaal. Het feest van de Tempelwijding kennen wij als Chanoeka, dat feest van die lichtjes. Dat feest met die kandelaar waar een kleine kandelaar voorhangt. Met de kaars uit de kleine kandelaar moeten dan de grote kaarsen een voor een worden aangestoken. Een mooi feest, een lichtfeest. De aanleiding van het feest is niet mooi. Dat gaat over de verwoesting van de Tempel als huis van ontmoeting met de God van Israël. Wie het hele verhaal wil lezen moet er de boeken van de Makkabeeën maar eens opslaan. Er was een wrede Griekse Koning de baas in Judea. Hij was zo wreed dat hij voor de ogen van hun moeder haar zeven zonen hun huid liet afstropen. Daar kwam het volk tegen in opstand en het volk wist de wrede koning te verdrijven. Toen de Tempel weer in gebruik werd genomen bleek dat de olie voor de lamp die dag en nacht moest branden op was. Er was nog wat olie om één lampje aan te steken.

Dat werd dus gedaan. De volgende dag bleek dat er nog steeds dezefde olie was om een lamp aan te steken. Acht dagen lang was er voldoende olie voor de volgende lamp. Toen was de olie die de Tempel nodig had weer rein. Maar om 8 dagen lang een lichtje aan te steken met één aansteeklichtje bleef bestaan. Een lichtfeest, een vrolijk feest in de donkerste dagen van het jaar. Christenen moeten natuurlijk denken aan het Kerstfeest en volgende week begint de advent, de tijd dat we ons op het kerstfeest gaan voorbereiden. Toen Johannes zijn evangelie schreef was er ook een opstand geweest. Tegen de Romeinen die het volk hadden onderdrukt en uitgeperst. Maar die opstand was niet gewonnen. Die was er op uitgelopen dat de Tempel in Jeruzalem was verwoest en het volk verdeeld over het Romeinse Rijk.

Tussen Judeeërs en de aanhangers van Jezus van Nazareth was er de discussie over de vraag of die Jezus nu wel de Messias geweest was die de Tempel had moeten redden en de Romeinen had moeten overwinnen. Het antwoord was dat Jezus niet de Messias van het geweld was maar van de liefde. Het lukte de Romeinen niet om de aanhangers van Jezus uit te roeien. Integendeel die kudde werd steeds groter. Meer en meer mensen hoorden bij Jezus zoals eens meer en meer uit Egypte bevrijde slaven tot God hadden gehoord. Een godslastering voor de Judeeërs, welk mens durfde zich gelijk te stellen aan de God van Israël. Voor de aanhangers van Jezus niet een echt vreemde vraag, het effect van de liefde maakte dat het werk van Jezus ging samenvallen met het werk van zijn Vader. Die liefde overwint alles, ook vandaag nog.