Selecteer een pagina

Ezechiël 48:20-35

20 Het heilige domein dat jullie moeten afzonderen, inclusief de eigen grond van de stad, is dus vierkant en meet 25.000 bij 25.000 el. 21 Wat overblijft aan weerskanten van het heilige domein en de eigen grond van de stad, is voor de vorst: het gebied vanaf de 25.000 el van het heilige domein tot aan de oostgrens, en westelijk vanaf de 25.000 el tot aan de westgrens, evenwijdig aan de stamgebieden, is voor de vorst. Het heilige domein met het tempelheiligdom bevindt zich in het midden. 22 Afgezien van de eigen grond van de Levieten en de eigen grond van de stad, die midden in het gebied van de vorst liggen, is al het land tussen het gebied van Juda en het gebied van Benjamin voor de vorst. 23 Vervolgens de overige stammen: Benjamin krijgt een deel, van oost naar west. 24 Grenzend aan Benjamin krijgt Simeon een deel, van oost naar west. 25 Grenzend aan Simeon krijgt Issachar een deel, van oost naar west. 26 Grenzend aan Issachar krijgt Zebulon een deel, van oost naar west. 27 Grenzend aan Zebulon krijgt Gad een deel, van oost naar west. 28 Grenzend aan Gad, in het zuiden, loopt de grens vanaf Tamar tot aan het water van Meribat-Kades en dan langs de wadi naar de Grote Zee. 29 Dit is de indeling van het land dat jullie door loting moeten verdelen onder de stammen van Israël-zo spreekt God, de HEER. 30 Dit zijn de omtrekken van de stad. Aan de noordkant meet ze 4500 el. 31 De poorten van de stad zijn genoemd naar de stammen van Israël. Er zijn drie poorten op het noorden: de Rubenpoort, de Judapoort en de Levipoort. 32 Aan de oostkant 4500 el, met drie poorten: de Jozefpoort, de Benjaminpoort en de Danpoort. 33 De zuidkant meet 4500 el, met drie poorten: de Simeonpoort, de Issacharpoort en de Zebulonpoort. 34 De westkant 4500 el, met deze drie poorten: de Gadpoort, de Aserpoort en de Naftalipoort. 35 De omtrek van de stad bedraagt 18.000 el. Voortaan heet de stad: ‘De HEER is daar!’ (NBV)

De Bijbel staat niet los van maatschappelijke discussies die in de samenleving worden gevoerd. In dit slot van het boek van profeet Ezechiël herinnert de profeet zijn volgelingen aan een aantal van die discussies die afgesloten moeten worden voordat aan de terugkeer en de herbouw zou kunnen worden begonnen. Wat is de verhouding tussen Jeruzalem en de Tempel bijvoorbeeld. Daarover zwijgt Ezechiël bijna. Bij de priesters was er een stroming die vond dat er een tempelterrein was waar alleen de gelovigen konden komen, zij die bij het volk behoorden, en dat daaromheen een stad lag waar iedereen mocht komen. Volgens Ezechiël is het zo eenvoudig nog niet. Er zijn priesters en levieten die samen een gebied hebben. Er is een vorst die een gebied moet hebben en er is de stad van een zekere omvang.

Alle gebieden zijn gericht op de Tempel en het verbond van Israël met de God van Israël. Uitdrukkelijk is dat zo met de poorten van de stad. Er zijn twaalf poorten waardoor je de stad kunt uitgaan en ingaan. Die poorten dragen de namen van de stammen van Israël. Als waar is dat Israël een licht is voor de volken dat geven die poorten en de namen van de poorten al aan dat iedereen welkom is. De stammen van Israël zijn immers toonbeelden van gastvrijheid. Niemand wil verweten worden niet gastvrij te zijn. Vanuit Jeruzalem en de Tempel gaan als het ware 12 stralen de wereld in, de hele bewoonde wereld tot aan de einden der aarde. Ezechiël neemt de unieke en exclusieve positie van Jeruzalem en de Tempelberg voor lief. Voor de ballingschap, en daarna ook, zijn er ook andere vormen geweest. Iedere stam had ongeveer haar eigen heiligdom.

Na de splitsing van Israël moest elk van de beide delen toch een eigen heiligdom hebben. Na de ballingschap probeerden de teruggekeerde ballingen de exclusiviteit van het volk vorm te geven door iedereen uit te sluiten die niet de godsdienst bedreven zoals zij dat deden. Die heiligdommen buiten Jeruzalem hadden uiteindelijk tot afgoderij geweest. Elk heiligdom wilde zich onderscheiden van de andere. Maar tijdens de ballingschap waren er Israëlieten achter gebleven. Armen, zwakken, ouderen. Zij hadden zo goed en zo kwaad als het ging de Godsdienst proberen te onderhouden. Na de ballingschap vormden zij het volk van de Samaritanen, met een eigen Heiligdom en alleen de Tora als de leer van God. De profeten en boeken als de Psalmen werden niet erkend. Voor Christenen is in dit gedeelte te lezen dat we inderdaad welkom zijn in de dienst aan de God van Israël, de hongerigen voeden, de naakten kleden en de dorstigen te drinken geven. Dar blijft. Volgens Ezechiël wordt dit door de herbouw van de Tempel alleen maar benadrukt.