Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Wees blij van hart

maart 10, 2010

Psalm 105:1-15

Vandaag zingen we een lofpsalm. Alsof daarvoor zo veel reden is. In veel kerken wordt vandaag de biddag voor gewas en arbeid gevierd. Want het gewas groeit niet vanzelf, we moeten maar afwachten of er ook dit jaar een goede oogst komt. En een baan heb je zeker niet vanzelf. Als er een paar mensen aan de top van banken en het bedrijfsleven besluiten te veel aan bonussen in hun zak te steken dan zijn honderduizenden ineens hun vaste baan weer kwijt. Er zal in de kerken vandaag dan ook voor de werklozen wel extra gebeden worden. Met elkaar zijn we er immers voor verantwoordelijk dat mensen weer een baan krijgen of in elk geval weer op een positieve manier mee mogen doen aan onze samenleving. Deze Psalm kan ons daar toch bij helpen. Er wordt opgeroepen te denken aan de wonderen die de God van Israël heeft gedaan. En er wordt ook gezinspeeld op die wonderen zelf en wat ze voor ons te betekenen kunnen hebben. Want moet je je voorstellen, die Abraham was maar een zwerver, die trok naar Kanaaän in de overtuiging dat zijn nakomelingen dat hele land zouden beërven. Zelf lukte het hem niet om meer dan een grafspelonk te kopen. Maar ook Izaaäk zijn zoon had dezelfde overtuiging. En diens zoon Jakob moest zelf vluchten, terug op de weg die Abraham ooit was gegaan. Die Jakob trouwde wel met verschillende vrouwen en werd een rijk man met grote kudden en veel personeel en twaalf zonen maar ook die Jakob bleef de nodige ellende niet bespaard. Toen hij eindelijk in dat beloofde land gevestigd was raakte hij een zoon kwijt, werd een dochter van hem verkracht door een aantal stedelingen en ging zijn lievelingsvrouw al in het kraambed dood. Toen er uiteindelijk een hongersnood uitbrak moest die Jakob met al zijn zonen en zijn hele hebben en houwen toevlucht nemen tot een vreemd land, Egypte, daar bleek zijn verloren zoon gezorgd te hebben voor het nodige voedsel en een stuk land waar ze als veetelers konden verder leven. Zo rijpte het idee dat die nakomelingen van Abraham, Izaaäk en Jakob een bijzondere bescherming genoten, dat men dit volk niet te na moest komen. Zeker niet hen die het woord van de vreemde God doorgaven. Die God die maar bleef beloven dat het volk een groot volk zou worden en dat ze een land zouden krijgen overvloeiende van melk en honing. Maar als wij deze Psalm meezingen dan mogen wij weten dat die belofte uiteindelijk zou uitkomen. Dat die belofte zelfs ging gelden voor de hele bewoonde wereld, dat er uiteindelijk een wereld zal komen waar alle tranen gedroogd zullen zijn en waar die God zelf zal komen wonen. Dat heeft het volk door de donkerste perioden van hun geschiedenis heengeholpen, te beginnen met de slavernij in Egypte uitlopend op een ballingschap in Babel en inlijving in het wereldrijk van Rome. Dan moet onze werkloosheid ook wel overkomelijk zijn. Dan moet een mindere oogst ons niet afschrikken. In onze samenleving is er altijd iets te betekenen voor mensen die het nog minder hebben. Wat wij ook wij hebben wij kunnen het altijd delen met hen die het echt nodig hebben. Want we weten dat dan ook die nieuwe wereld zal aanbreken, dat dan alle ellende voorbij zal zijn. Daar mogen we vandaag om bidden, daar mogen we ons vandaag op bezinnen maar het mooiste is dat we er vandaag ook weer aan mogen werken.

Dat jij als een god voor de farao staat

maart 9, 2010

Exodus 6:28-7:7

Goden zeggen niks, goden zwijgen. Merkwaardig om vast te stellen in een Bijbelgedeelte waar een voortdurend gesprek tussen Mozes en zijn God plaatsvindt. Maar dat is dus kennelijk een soort gesprek dat anders is als het gesprek tussen twee mensen. Want als Mozes echt naar de Farao moet dan verschijnt hij daar als een God, zwijgend. Zijn broer Aäron doet het woord. Niet dat de Farao luistert maar dat valt te verwachten. Aäron is de tweede die in het verhaal van de mensen, zoals het in de Bijbel wordt verteld, als profeet wordt aangeduid, aanzegger namens God, hij die vertelt hoe het af zal lopen. De eerste die zo werd genoemd was Abraham. Aäron moet de Farao duidelijk maken dat het slecht met hem zal aflopen en met zijn volk, als hij blijft weigeren het volk Israël te laten gaan. Maar waarom eigenlijk? Er staat dat God zelf het hart van de Farao verhardt, wat is dan nog zijn misdaad? Het is een vraag waar de geleerden zich eeuwen over hebben gebogen. Een enkeling stelt dat de Farao zoveel van de armsten had kunnen houden dat hij zich met veel berouw en scheuren van kleren tegen die verharding van zijn hart had kunnen verzetten. De grootsheid en de macht van de Liefde van de God van Israël moesten immers tot uitdrukking worden gebracht. Dat is in elk geval het doel van de hele geschiedenis. De bevrijding van Israël is niet zomaar iets. Daar zijn offers voor gebracht, daar is veel strijd voor gestreden en veel leed voor geleden. En hoe harder de Egyptenaren hun hart lieten verharden, hoe meer zij toegaven aan de weerstand hun slaven te laten gaan, hoe meer ze toegaven dat die goedkope arbeidskrachten uiteindelijk nog belangrijker waren dan de angst voor het vreemde in dit volk, de angst om door een volk met een ander geloof overheerst te gaan worden, hoe harder de Egyptenaren zelf moesten lijden onder het lijden van Israël. Ze zullen moeten leren ondervinden dat uiteindelijk alleen de liefde voor mensen het conflict kan oplossen. Die liefde van de God van Israël zal uiteindelijk de bevrijding blijken te brengen. Bevrijding dan niet alleen voor het volk van Israël maar ook bevrijding voor het volk van Egypte dat in haar eigen hardheid gevangen was geraakt. Zo gingen Mozes en Aäron dus op stap, twee eerbiedwaardige woestijnbewoners, Mozes van 80 jaar en Aäron van 83 jaar oud. Ze gingen in de wetenschap dat bevrijding van de armen geen gemakkelijke taak zou worden, dat van een bliksembevrijding geen sprake zou kunnen zijn. Dat is iets wat bij ons nog wel eens wordt vergeten. Als er dan een God is die van mensen houdt, waarom sterven dan zoveel mensen van de honger, waarom wonen mensen in Haïti weken na de aardbeving dan nog in kartonnen dozen, waarom zijn zelfs de wonden van veel kinderen nog niet verzorgd. Wij hebben toch veel geld gegeven? Maar ook in onze dagen kan van bliksemredding geen sprake zijn. Telkens wordt ook ons de vraag gesteld of we niet meer hadden kunnen doen, of we ons geven niet hadden afgestemd op onze eigen behoefte aan plezier in plaats van aan de nood die zich voordoet aan onze zusters en broeders. Die vraag wordt ons elke dag gesteld, tot wij niet ophouden te roepen om gerechtigheid, dan pas kan er een begin worden gemaakt. Laat ons hopen dat die dag vandaag komt.

Deze Mozes en Aäron waren het

maart 8, 2010

Exodus 6:13-27

Wie waren die Mozes en Aäron wel niet helemaal dat zij namens het hele volk Israël de vrijheid gingen vragen bij de Farao van Egypte? Die vraag zal in hun dagen ook wel gesteld zijn. Die Mozes kon dat volk immers nauwelijks verstaan. Hij sprak beter Egyptisch dan Hebreeuws. Hij gedroeg zich als een Egyptische prins en wie zich nog het verleden kon herinneren kende hem ook nog als Egyptische prins. Er ging dan nog wel ergens een gerucht dat hij ooit voor slaven zou zijn opgekomen maar dat zou ook uitgelopen zijn op moord en doodslag, daar wordt zo’n volk niet beter van. Dat was ook wel gebleken omdat het werk sinds het optreden van die Mozes en Aäron een stuk zwaarder was geworden. Hoorden die twee er eigenlijk wel bij? Om die vraag te beantwoorden kijken de Joden al eeuwenlang naar geslachtsregisters en ook op deze plaats staat zo’n geslachtsregister in het verhaal over de bevrijding van Israël uit de slavernij in Egypte. Dit is de enige plaats overigens en dat geslachtsregister gaat ook geen naam verder dan nodig is voor het verhaal. Niet verder dan nodig is om te vertellen dat Aäron de oudere broer van Mozes is, volle broers zijn het, die Aäron is drie jaar ouder dan Mozes, een echte oudere broer dus want drie staat nooit ergens in de Bijbel zomaar. Waarom die zonden van Aäron er dan ook bij staan? Aäron zou de eerste priester van de God van Israël worden en van hem zouden de priestergeslachten van de Tempel in Jeruzalem afstammen. Dan is het mooi om telkens weer te horen voorlezen dat op de vraag wie die Mozes en Aäron nu wel niet waren het antwoord is dat het jouw voorvaderen zijn. Maar er staat nog een bijzondere opmerking in dit geslachtsregister. Een opmerking die je ook kunt tegenkomen in het boek Genesis. Dat gaat over Saul de zoon van Simeon en een Kanaänitische. Die vrouw blijft ongenoemd maar wordt toch apart vermeld. Daar moet dus iets achter zitten. Iets wat de kenners van de eerste boeken van de Bijbel direct herkent zouden hebben en op deze manier gezegd toch geen afbreuk zou doen aan het deftige karakter van de Tempel en de priestergeslachten. Als je bij de rabijnen te rade gaat kun je lezen dat zij aannemen dat het gaat om Dina de dochter van Jakob en Lea. Volgens een verhaal in het boek Genesis zou zij zijn verkracht door een Kanaaäniet. Simeon was één van de broers die daar vreselijk wraak voor nam maar kennelijk ook zijn zuster heeft gehuwd en haar kind in zijn gezin heeft opgenomen. Hier staat dus eigenlijk ook de boodschap dat binnen dit volk de families elkaar niet in de steek laten, zo schrijven zij hun geslachtsregister en zo mogen zij dat ook lezen. Dat de zonen van Levi een sterk geslacht vormen springt er voor ons uit, ze werden oud of nog ouder. Maar oud betekent hier ook wijs en  zeer gerespecteerd. Uit zulke oude eerbiedwaardige families stammen Aäron en Mozes. Dat mocht nog wel eens gezegd worden, dat moest ook naar het volk zelf nog wel eens gezegd worden. Die bevrijding uit Egypte was niet zomaar iets, de mensen die dat in gang hadden gezet waren niet zomaar mensen, ze hadden een opdracht van de God van Israël. Het was geen wilde aktie, in groepen geordend wilden ze vertrekken. Bevrijding van de armen is dus ook voor ons geen wilde aktie, daar is overleg voor nodig, daar is volharding voor nodig, daar zullen we met velen samen aan moeten zien te werken. Dan komt de dag dat het zal gebeuren, zeker als we er ook vandaag weer aan werken.

Ik zal jullie God zijn

maart 7, 2010

Exodus 6:2-12

Wat is dit voor God? Doet hij zijn volk leed aan door ze te willen bevrijden? Het lijkt er wel op, want de komst van Mozes betekent  verzwaring van de arbeidsomstandigheden. Maar het verhaal zo lezen is niet juist, je slaat dan een hoop over. Het verhaal is immers begonnen met de twee vroedvrouwen die weigerden de jongetjes te doden, waarop de pasgeboren jongetjes in de Nijl geworpen moesten worden. Omdat Mozes in een biezen mandje werd gelegd, het stro dat voor de stenen bestemd was, werd zijn leven gered. Mozes zelf moest vluchten omdat de behandeling van de Hebreeën onmenselijk was. Maar dat de bevrijding niet een flitsbevrijding zou zijn moest eerst duidelijk worden. Als je het volk van deze God wilde zijn dan moest je er iets voor over hebben. Deze God was begonnen met Abraham, met Izaak en met Jakob. Met elk van hen was hij een verbond aangegaan. Zij hadden deze God leren kennen als een machtige God, Ontzagwekkende staat hier, maar de betekenis van het Hebreeuws is onzeker, het zou ook vruchtbare kunnen betekenen. In de Hebreeuwse tekst van het boek Genesis waarin de verhalen van Abraham, Izaak en Jakob worden verteld staat wel degelijk de naam van JHWH, waarom God hier vertelt dat die naam aan Abraham, Izaak en Jakob niet geopenbaard is was lange tijd niet duidelijk. Tot  Rabbi Sjlomo ben Itschaqi opmerkte dat noch Abraham, noch Izaak, noch Jakob deze God hadden leren kennen in zijn oneindige trouw zoals het volk Israël die God zou leren kennen bij de bevrijding uit de slavernij en de tocht door de woestijn. Die God laat niet af, houdt niet op, blijft voortdurend hameren op het doorgaan van dat bevrijdingsproces, roept daarbij iedereen op om daaraan mee te doen, legt dat op als basisregels voor een heel volk, waarmee een heel volk in beweging kan komen en voert uiteindelijk dat volk binnen in een land overvloeiende van melk en honing. En zelfs dan houd het nog niet op want alle volken zullen deel moeten hebben aan dat bevrijdingsproces tot God zelf op deze aarde komt wonen en alle tranen gedroogd zijn en de dood er niet meer is. In de bevrijding die in Egypte is begonnen heeft die God zich dus laten kennen. Dat is niet een almachtige God die wel even de wereld naar zijn hand zal zetten. Dat is een God die meetrekt en meelijdt met de zwaksten, met de slaven. Het antwoord van dat volk op deze prachtige belofte, op dit groots visioen is tekenend: ze wilden er niet naar luisteren omdat ze moedeloos waren geworden door de zware dwangarbeid. Ze waren aangekomen op het dieptepunt van hun ellende. Zwaarder konden ze het niet krijgen. En was dat moedeloze, ongelovige, antwoord het teken om dan maar op te houden? Als niemand in God gelooft dan heeft die God toch geen zin? Nee, dus, het lijkt er op dat als niemand er meer in gelooft dat die God dan juist met verdubbelde ijver aan de bevrijding van de zwaksten gaat werken. Niet door één of ander wonder te doen, maar door te laten zien dat je de armsten maar beter als waardevolle mensen kunt behandelen omdat het anders tegen je zal keren. Met die boodschap wordt Mozes naar de Farao gestuurd en ook al komt hij slecht uit zijn woorden, de Farao zal moeten luisteren. Het is ook de boodschap aan ons, ook wij mogen ons afvragen of wij slaven hebben die we te kort doen. Als we onze handelsverhoudingen met de armsten in de wereld nog eens bezien dan ontdekken wij ze. Aan ons om daar iets aan te doen en ook die broeders en zusters te bevrijden van het onrecht door ons hen aangedaan. Aan ons instrumenten in Gods hand te worden.

U hebt uw volk niet bevrijd

maart 6, 2010

Exodus 5:10-6:1

Als er over God gesproken wordt dan blijft het merkwaardig hoe gemakkelijk er over een almachtige God gesproken wordt. Alle rampen, alle ellende zal die God wel even voorkomen of in elk geval zorgen dat het leed niet al te groot wordt. Want als je almachtig bent dan zorg je er toch in de eerste plaats voor dat zwakke mensjes geen last hebben van tegenslag. Waar dat spreken over God vandaan komt blijft onbekend want in de Bijbel wordt er helemaal niet op die manier over God gesproken. Natuurlijk, God hoort het geschrei van zijn volk. Maar hij grijpt niet zelf in, hij stuurt een mens, een mens die ooit opkwam voor zwakken maar die daardoor heeft moeten vluchten, een mens die vervreemd was van zijn eigen volk maar het toch voor dat volk wilde opnemen. Een mens overigens die zichzelf te zwak vond om het woord te doen en dat maar aan zijn broer overliet. En kreeg die mens dan zo veel macht dat met een machtige zwaai van zijn Godsstaf de Farao tot vrijheid te bewegen was? Welnee, integendeel, die wonderen die Mozes deed maakten geen enkele indruk en de slaven van het volk van Mozes werden er ook geen haar beter van. Die slaven moesten dubbel zo hard werken. Ze bakten stenen van klei gemengd met stro. Die klei was gemakkelijk te vinden aan de oever van de Nijl maar dat stro moet je oogsten. Nu, dat oogsten mochten ze voortaan zelf doen. En wie kregen het hardst op hun kop? De mensen die voor die Farao hun best deden het werk zo goed mogelijk uit te voeren. De opzichters. Dat waren ook Hebreeën. Die pasten zich wonderwel aan aan de luimen van de Farao. Als de Farao slavenarbeid verlangde dan zal er slavenarbeid geleverd worden en als er harder gewerkt moest worden dan moet er harder gewerkt worden. Sommige commentatoren vergelijken deze opzichters met de Capo’s uit de Tweede Wereldoorlog. Joden die in de concentratiekampen voor de Nazi’s toezicht hielden op de gevangenen en zorgden voor een goed verloop. Maar dat zou wat al te eenvoudig zijn. Hoe vaak komt het niet voor dat chef’s en opzichters in fabrieken arbeiders er van proberen af te houden aktie te voeren voor gerechtvaardigde looneisen. Hoe vaak raden ze hun medewerkers niet af lid te worden van een vakorganisatie. Ze verdedigen zelfs de exorbitante bonussen die aan de top van hun bedrijven kunnen worden uitgekeerd omdat hun werknemers zo goed gepreseteerd hebben. Aan dit gedrag ligt meestal angst ten grondslag. Als je net een treetje hoger bent geklomen dan de rest ben je o zo bang je positie te verliezen. Die angst is dezelfde angst als de Farao had voor de groei van de Hebreeën, dezelfde angst die er onder ons heerst voor allochtonen en hun vreemde godsdienst. Maar door de geschiedenis heen hebben we moeten leren dat als gerechtigheid niet vanzelf geschied, als gerechtigheid niet kan worden bereikt door redelijk overleg, als mensen niet met elkaar gaan leven door samenwerking en wederzijds respect, dan komt de bevrijding van onrecht en onderdrukking door geweld. Dan neemt het geweld in de samenleving toe en dan helpt het niet om daar met geweld tegen op te treden, het laat zich niet onderdrukken. We doen er goed aan om er van te leren en van dag tot dag onrecht op te sporen, angst achter ons te laten, en recht te laten overwinnen. Ook vandaag.

Anders treft hij ons met de pest

maart 5, 2010

Exodus 5:1-9

Als je met een andere partij onderhandelt is het meestal verstandig om het belang van die andere partij in de gaten te houden. Soms levert het eigen belang van de andere partij argumenten op om je eigen wensen gerealiseerd te krijgen. Mozes en Aäron hebben voor deze onderhandelingsstrategie oog maar ze bereiken er iets anders mee. Ze vertellen de Farao niet direct dat zijn eerstgeboren zoon zal sterven zoals Mozes was opgedragen en ze gaan ook niet vragen aan de Farao om zomaar het volk te laten gaan naar het beloofde land aan de andere kant van de woestijn. Nee ze vragen de Farao om een bedevaart te mogen maken, zoiets als de hadj, de bedevaart naar Mekka. Mozes en Aäron willen in de woestijn een feest vieren voor hun met name genoemde God. Want overal waar in de Nieuwe Bijbelvertaling HEER staat, staat in de Hebreeuwse grondtekst de Naam die Mozes bij de Horeb te horen had gekregen, JHWH. Drie dagen ver zouden ze de woestijn in moeten trekken om daar offers te brengen. Offers om een God gunstig te stemmen, om wat van een God gedaan te krijgen, het soort godsdienst waar de Farao van weet. Ook de Farao en de priesters van Egypte brengen tal van offers. Offers voor regen, offers voor de oogst, offers voor het op tijd stijgen en overstromen van de Nijl en offers voor de goede reis van de overledenen naar het dodenrijk. De Hebreeën van Mozes en Aäron moeten offers brengen om hen te beschermen tegen de pest of het zwaard. Dat lijkt in het belang van de Farao. Gezonde slaven presteren immers meer dan dode slaven. Aan die hoop klampten in de tweede wereldoorlog gedeporteerden zich vast, ze moesten gaan werken en werken kon je alleen als je nog in leven zou zijn. Maar de Farao van Egypte heeft een vergelijkbaar doel met de Nazi’s. Hij vindt het volk van Mozes en Aäron veel te talrijk en de pest en het zwaard zouden hem welkom zijn. Aan het werken voor de Farao ging het volk al dood en als daar pest en zwaard als oorzaken bij kwamen dan kon het niet hard genoeg gaan. Daarom worden de slaven nog harder aan het werk gezet, daarom krijgen ze extra taken als het zelf zoeken van stro en natuurlijk wordt de productie niet verminderd, nee die wordt eerder nog opgevoerd. Was het nu onverstandig van Mozes en Aäron rekening proberen te houden met het belang van de Farao? Hun vragen heeft immers groter lijden tot gevolg gehad? Als je dat denkt dan ben je in de val van de Farao getrapt. Het doel van de Farao was namelijk niet het werk en de productie van de slaven maar de dood van de slaven en het verminderen van hun aantal. En als we ze negatieve eigenschappen toedichten, ze zijn lui, dan mag dat volgens de Farao ook maar. Niet een onhandigheid of een onvermogen om te onderhandelen van Mozes en Aäron wordt hier duidelijk maar de verborgen agenda en het slechte karakter van de Farao worden hier duidelijk. Beroerd is natuurlijk wel dat we o zo vaak niet naar deze negatieve uitkomsten willen kijken. Zo zijn er in onze dagen partijen die roepen dat ze orde en rust willen hebben terwijl ze er alleen maar op uit zijn om alle allochtonen uit ons land te verwijderen. Die verborgen en kwade agenda wordt vaak te weinig blootgelegd en als die wordt blootgelegd niet geloofd. Er zijn heel veel mensen en heel veel akties voor nodig om iedereen duidelijk te maken hoe het echt zit. De geschiedenis van Mozes zou ons duidelijk kunnen maken dat het ook met veel leed en ellende gepaard kan gaan. Leed en ellende die we ons kunnen besparen als we vandaag nog aan het werk gaan met het ontmaskeren van het kwade.

Hij richtte een groot feestmaal aan.

maart 4, 2010

Lucas 5:27-39
 
We vallen vandaag met onze neus in de boter want het gaat vandaag in onze dagelijkse lezing uit de Bijbel om een feestmaal. Of daar in elke gemeente in ons land evenveel aanleiding voor is blijft natuurlijk een vraag. Maar maaltijden zijn voor Joden en Christenen de belangrijkste religieuze gebeurtenissen. En omdat het belangrijke godsdienstige handelingen zijn moet je er voorzichtig mee omgaan. Je kunt dat wat je eet en drinkt vergoddelijken en dus dat wat je eet en drinkt gaan aanbidden. Dat is afgoderij en dat verwijt klinkt dan soms ook tussen kerken vandaag de dag vooral als kerken willen gaan uitmaken wie wel en wie niet aan de maaltijd in de kerk kan deelnemen op andere gronden dan dat men wel of niet lid is van de betreffende kerk. In de tijd van Jezus van Nazareth klonk de waarschuwing dat je moet uitkijken met wie je de maaltijd nuttigt. Dat kan niet met iedereen. Vandaag klinkt die waarschuwing ook aan advocaten bijvoorbeeld. Ze kunnen niet voor hun plezier gaan eten met zware criminelen die van ernstige misdrijven worden verdacht en voor wie ze in processen als verdediger moeten optreden. Ze krijgen dan het etiket maffiamaatje opgeplakt en dat schaadt hun optreden en geloofwaardigheid als advocaat. We moeten dus voorzichtig zijn. Jezus van Nazareth at met Jan en alleman. In dit verhaal wordt de maaltijd hem aangeboden door een belastinginner. Langs de kant van de weg stonden tolhuisjes en iedereen die daar langs kwam moest belasting betalen. Tollenaars betaalden aan de Romeinse bezetter een pachtsom voor het mogen heffen van de tol en moesten om te leven winst maken op het heffen van die belasting. Ze werden er meestal niet arm van en waren daarom ook niet geliefd. Zo’n belasting, die voor iedereen gelijk was, drukte bovendien het zwaarst op de armsten.  Bovendien werkten ze voor de bezetter en dat maakte hen nog minder geliefd. Jezus van Nazareth ging echter niet voor niks bij hen eten. Hij had al eens zo’n tollenaar zover gekregen de helft van diens bezit onder de armen te laten verdelen en terug te geven aan hen van wie te veel was afgeperst. Liefde voor mensen betekent dus mensen die niet geliefd zijn weer op het rechte pad te krijgen en te zorgen dat ze in plaats van een gehaat medemens weer een geliefd medemens worden. Als dat lukt is het feest, pas als je verdriet hebt ga je vasten. Niet eten en drinken, of heel sober eten en drinken. Bij de volgende feestmaaltijd waardeer je die maaltijd des te meer en kan je er dubbel van genieten. Ter voorbereiding op het grootste feest van de Christelijke Kerk, Pasen, zijn mensen in de veertig dagen voor Pasen daarom ook gaan vasten, alleen de zondagen slaan ze over, dan wordt al vast een beetje Pasen gevierd. Maar op de andere dagen even terug in overvloed en wat je bespaart opzij leggen voor de armen in de wereld, om er met Pasen en na Pasen weer tegenaan te kunnen en weten welke rijkdom je eigenlijk hebt. Want als je weet met minder toe te kunnen wordt het ook wat makkelijker om te delen en als je weet hoe vervelend het is helemaal niets te hebben gun je dat een ander ook helemaal niet en deel je vanzelf met die ander. Dan heb je samen feest. En vandaag kunnen we dus een feest bouwen, zorgen dat er voor anderen genoeg is.

Sta op en loop!

maart 3, 2010

Lucas 5:17-26
 
Een les om nooit te vergeten krijgen we vandaag te lezen. Als je echte vrienden hebt die ook wat voor je over hebben dan kun je in je leven ook echt opnieuw beginnen. Bijna zou je in dit verhaal lezen dat opstaan uit een verlammende situatie alleen kan als je echte vrienden hebt. De zonden worden namelijk niet vergeven aan de verlamde man die ze door het dak hadden laten heenzakken maar aan de vrienden die met hem op sjouw waren gegaan. Die staan in het eerste deel van het verhaal centraal. De les wordt uitgedeeld aan de schriftgeleerden en Farizeeën. Meestal kijken we heel negatief tegen hen aan. Dat waren mensen die het onze Jezus van Nazareth moeilijk wilden maken zo leerden we. Maar zo is het niet. De beweging van de Farizeeën was ook de uitvinder van de Synagogen. Het bestuderen van de Wet en het beleven van de Wet was niet langer alleen in Jeruzalem mogelijk. Maar in elk dorp en in elke stad werd een synagoge gesticht waar de Wet kon worden bestudeerd. Jezus van Nazareth leerde, onderwees, vaak in de Synagogen, hij las daar uit de Wet of de Profeten, de oude Hebreeuwse Bijbel. In de verhalen hiervoor benadrukt de schrijver van het Lucasevangelie dat optreden van Jezus van Nazareth in vele synagogen. De discussie die Jezus van Nazareth voert is er één binnen de synagogen en niet één van voor en tegenstanders van een bepaalde leer. Natuurlijk hebben de schriftgeleerden en Farizeeën gelijk als ze zeggen dat we niet op de stoel van God moeten gaan zitten. Alsof wij het voor het zeggen hebben als het gaat om goed en kwaad, juist het streven naar die kennis, het eten van de boom van kennis van goed en kwaad, was de wortel van de zonde. Maar Jezus van Nazareth gaat een stap verder. Bij hem gaat het altijd om de mensen zelf. De Liefde voor de mensen bepaald zijn leer. En dan is vergeven een werkwoord. Voor vergeven moet het een en ander gebeuren. Er is iets gebeurd waardoor mensen buiten de samenleving zijn komen te staan. De vrienden konden er immers niet meer bij. Pas als mensen weer volwaardig mee kunnen en mogen doen is er sprake van vergeving. Dus toen die vrienden zich via het dak naar binnen vochten werd hun uitsluiting opgeheven. Dat mag je best vaststellen zegt Jezus. Dat heft zelfs de meest verlammende situatie op. Sta op en loop is dan ook het bevel. Juist in het verhaal van Jezus van Nazareth moet je je altijd afvragen wie je jouw vriend zou willen zijn als je gedwongen bent langs de kant te  liggen en de mens die je jouw vriend zou willen zijn moet je dan zelf worden voor de ander. Dat deden die vrienden hier toen ze hun verlamde vriend koste wat kost bij Jezus van Nazareth wilde brengen. Tijd dus om vrienden de worden van hen die worden buitengesloten, van mensen die geen stap meer kunnen zetten in onze samenleving. Tijd om ons naar binnen in de samenleving te vechten, desnoods via het dak. Want de mensen die ons als vrienden nodig hebben horen niet in de rand van de samenleving, die horen niet aan de kant te blijven staan of rond te zwerven in de onbruikbare delen van de samenleving, maar die horen in het hart van de samenleving geplaatst te worden. Tijd om op te staan voor de verdrukten zodat ze weer volwaardig mee kunnen doen in de samenleving. Dat is vergeving. Dat kan met name vandaag.

Het nieuws over hem verspreidde zich verder

maart 2, 2010

Lucas 5:12-16

Het hielp niet, dat vragen om genezingen niet door te vertellen aan anderen. Zelfs als Jezus van Nazareth mensen vriendelijk vraagt hun mond te houden over hun genezing en gewoon weer mee te gaan doen volgens de regels zoals ook Mozes die heeft opgeschreven dan nog spreekt het zich rond en zit hij weer aan die massa’s vast. Dat offer brengen en dat laten zien door de priester staat namelijk gewoon in de wet. De leprastrichting vindt het vast jammer dat de Nieuwe Bijbelvertaling ineens over huidvraat spreekt want Lepra vreet wel heel wat meer weg als het niet op tijd behandeld wordt. En met een voor ons klein bedrag kunnen heel veel mensen die besmet zijn met lepra tegenwoordig gered worden en weer gewoon mee doen in hun samenleving. Voor mensen voor wie die redding aan de late kant komt is er dan altijd nog revalidatie en aangepaste arbeid mogelijk. Alleen echter als wij ook bereid zijn via instellingen als de leprastichting een klein beetje te delen van onze rijkdom. Of de huidvraat, waar in de Bijbel sprak van is, ook nog Lepra genoemd kan worden wordt tegenwoordig betwijfeld, het zou ook een andere huidziekte kunnen zijn.  Maar hoe die genezing door Jezus van Nazareth zich ook rondsprak en een menigte mensen op de been bracht, de goedkope medicijnen van tegenwoordig brengen heel wat minder mensen in beweging en de Leprastichting moet nog dagelijks bedelen om al die mensen in arme landen te helpen, terwijl er toch heel wat meer mensen genezen kunnen worden dan in de dagen van Jezus van Nazareth door hem van huidvraat werden genezen. Want Lepra is een ziekte van armen. Ooit liepen ook in de straten van onze steden de melaatsen te bedelen. Ze droegen een ratel om medeburgers op afstand te houden en besmetting te voorkomen. Die afstand en dat buiten de gemeenschap staan speelt ook in het verhaal van Jezus van Nazareth een grote rol. Pas als Jezus van Nazareth die afstand opheft door zijn hand uit te steken kan er genezing volgen. Zo kan dat ook bij ons, als wij onze hand uitsteken naar de armen kan genezing volgen. Voor ons breekt ook weer de tijd aan om eerlijk na te denken wat we kunnen doen voor armen in de arme landen. Zullen  wij in elk geval een beroep doen op de partijen zich extra in te spannen voor een eerlijke ontwikkelingssamenwerking, geen aalmoezen maar gerechtigheid. Ideën als die om extra geld voor ontwikkelingssamenwerking te delen met defensie zijn niet vruchtbaar. Integendeel, dat extra voor ontwikkelingssamenwerking moet gelijk opgaan met het afschaffen van oneerlijke importbeperkingen op producten uit ontwikkelingslanden. Zij willen wel, wij moeten onze hand willen uitsteken en dan gaat de Wet van Mozes, de Wet van de Woestijn, de Wet van eerlijk delen ook werkelijk voor ons werken. Dan kleeft er geen bloed aan onze handen omdat we de armen uitpersen maar dan zijn we pas echt rein. Dan steken we net als Jezus van Nazareth echt een hand uit om mensen bij de samenleving van de wereld te betrekken. Dan kunnen ook zij delen van wat ze hebben, offeren dus en dat stellen in het teken van die wet van samen delen. Wij kunnen er vandaag mee beginnen.

Hij was verbijsterd

maart 1, 2010

Lucas 5:1-11
 
We beginnen de nieuwe maand met het lezen in het Evangelie van Lucas. We lazen al eerder in dit Evangelie en lazen toen het verhaal over Johannes de Doper die de mensen opriep een ander leven te gaan leiden, de mensen die dat wilden doopte in de Jordaan, en die vanwege zijn kritiek op Koning Herodes in de gevangenis belandde. Ook Jezus van Nazareth had zich laten dopen en met hem zou er een nieuwe wereld opengaan. Thuis in zijn eigen stad was er geen gehoor en in Kafarnaüm waar hij heengetrokken was stroomden de mensen in zulke grote getale toe dat hij het er af en toe benauwd van kreeg. Er moest dus wat anders gebeuren. Het verhaal dat we vandaag lezen vertelt welke nieuwe wending de beweging van Johannes de Doper en Jezus van Nazareth kreeg. Opnieuw werd Jezus van Nazareth in de knel gebracht door het grote aantal mensen dat op hem af kwam. Om de ruimte te krijgen, om in elk geval te kunnen spreken, charterde hij de boot van Simon die net terug was van een nacht tevergeefs vissen. Die Simon kende hij al want hij had er voor gezorgd dat de schoonmoeder van Simon weer mee kon gaan doen nadat ze een zware koortsaanval had gehad. Simon raakte ook nu danig onder de indruk van deze vreemde leraar. Maar toen die over het vissen begon trok er een glimlach over zijn gezicht. Wij kunnen het niet meer nalezen want de vertalingen vertalen keurig met “meester”, maar de schrijver van het Lucasevangelie gebruikt hier een zeer algemeen woord voor “heer”. Een dominee uit de stad vertaalde voor zichzelf dan ook met “chef”, in een vissersdorp zou men wellicht “jawel schipper” hebben gezegd. Simon deed wat hem werd gevraagd en ving meer dan hij ooit had gedaan, niet één maar twee schepen vol. En zo goed was Simon nu ook weer niet dus vroeg hij Jezus maar om te gaan. Dat was het keerpunt, als je gelooft in jezelf, zoals Simon geloofde dat hij tenminste een goede visser was, en er niet op uit bent van een ander te profiteren maar het zelf wil redden in het leven, dan kun je andere mensen overtuigen mee te doen in het Rijk van recht en vrede. Daarmee staat Jezus van Nazareth niet meer alleen als leraar, maar begint de opleiding van zendelingen die de wereld rondtrekken om iedereen er bij te betrekken. Vandaag worden ook wij daartoe geroepen, doe het goede en overtuig de mensen om je heen ook om het goede te doen. In onze samenleving laten mensen zich nogal eens leiden door angst, vooral door angst voor mensen die anders doen en anders geloven. Voor angst was in de dagen van Jezus van Nazareth ook genoeg reden. Het zou uiteindelijk Johannes de Doper zijn leven kosten. Maar Jezus van Nazareth trekt zich kennelijk niks aan van mensen die angst zaaien en ook zijn nieuwe volgelingen zoals Simon laten zich niet leiden door de angst voor de gevolgen. Waarom laten wij ons dan wel leiden door angst? Zijn we niet meer in staat om over het goede te praten? Of geloven we niet meer in het goede, in de mogelijkheid met andere mensen samen te leven en samen een samenleving op te bouwen waar iedereen mee kan doen. Deze week is de week van het overtuigen van mensen juist daarvoor te kiezen.  Het begin van deze nieuwe werkweek kan het begin van een heel nieuw leven zijn.