Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Van de ezelinnen geen spoor.

augustus 13, 2019

1 Samuel 9:1-14

1 In Benjamin woonde een man die Kis heette. Hij was een zoon van Abiël, die een zoon was van Seror, de zoon van Bechorat, de zoon van Afiach. Hij behoorde tot de stam Benjamin en was een vermogend man. 2 Hij had een zoon die Saul heette, een lange, goedgebouwde jongeman die met kop en schouders boven iedereen in Israël uitstak. 3 Op een keer, toen zijn ezelinnen waren zoekgeraakt, zei Kis tegen zijn zoon: ‘Vooruit, ga jij met een van de knechten de ezelinnen zoeken.’4 Saul doorkruiste het bergland van Efraïm: Hij zocht in de streek Salisa, maar ze vonden ze niet. Hij zocht in de streek Saälim, maar van de ezelinnen geen spoor. Zo doorzochten ze het hele gebied van Benjamin zonder ze te vinden. 5 Toen ze ten slotte in Suf waren beland, zei Saul tegen zijn knecht: ‘Kom, laten we maar teruggaan, anders maakt mijn vader zich nog ongeruster over ons dan over zijn ezelinnen.’ 6 Maar de knecht antwoordde: ‘We zijn nu juist bij een stad waar een godsman woont. Hij staat hoog aangeschreven, wat hij zegt komt altijd uit. Laten we naar hem toe gaan. Misschien kan hij ons vertellen waar we heen moeten.’ 7 ‘Als we dat doen, ‘vroeg Saul, ‘wat kunnen we die man dan geven? Onze mondvoorraad is op, dus we kunnen hem niets te eten aanbieden. En verder hebben we toch niets bij ons?’ 8 ‘Hier heb ik nog een zilverstukje, ‘zei de knecht. ‘Dat geef ik aan de godsman, dan zal hij zeggen waar we heen moeten.’ 9 (Vroeger zei men in Israël wanneer men God om raad wilde vragen: ‘Kom, laten we naar de ziener gaan, ‘want wat nu een profeet heet, werd vroeger een ziener genoemd.) 10 ‘Dat is een goed voorstel, ‘zei Saul tegen zijn knecht. ‘Kom, we gaan.’ En ze begaven zich naar de stad waar de godsman woonde. 11 Toen ze de helling naar de stad op gingen, kwamen ze een paar meisjes tegen die op weg waren om water te putten. ‘Is de ziener in de stad?’ vroegen ze. 12 ‘Jazeker, ‘antwoordden de meisjes. ‘Als u snel bent, treft u hem nog. Hij is juist vandaag naar de stad gekomen ter gelegenheid van het offerfeest. 13 Als u nu de stad binnengaat, treft u hem nog aan voordat hij naar de offerhoogte gaat voor het offermaal. De genodigden wachten namelijk met eten op hem, omdat hij het offer moet zegenen voor ze aan de maaltijd beginnen. Maak voort, dan kunt u hem niet mislopen.’ 14 Ze liepen door naar de stad, en juist toen ze de poort binnen wilden gaan kwamen ze Samuël tegen, die op weg was naar buiten, naar de offerhoogte. (NBV)

Hoe komt je aan een Koning? Je kunt niet zomaar de eerste de beste nemen en je moet al helemaal uitkijken als mensen zichzelf opwerpen als de beste. In onze eigen vaderlandse geschiedenis heeft het tot 1811 geduurd voordat we een Oranje tot koning durfde kronen en dat gebeurde alleen nog omdat de verenigde vorstenhuizen na de overwinning op Napoleon vonden dat we beter af zouden zijn met een Koningshuis. Willem de Zwijger, de vader des vaderlands genoemd, ging niet zo ver. Hij keek wel uit. Hij zocht geschikte koningen in het buitenland, maar vond die niet. Samuël vond wel een geschikte kandidaat voor zijn volk, maar Samuël had dan ook de hulp van de God van Israël. Die God kijkt gewoonlijk al helemaal niet naar de eerste of de beste. Die God kijkt naar de kleinste, de minste.

Een psalmdichter schreef eens dat de steen die door bouwlieden weggeworpen was tot hoeksteen was gemaakt door die God. Zo organiseert die God de wereld. Dat blijkt uit het mooie verhaal dat we vandaag lezen uit het eerste boek Samuël. De mooie Saul, hij stak met kop en schouders boven iedereen uit, gaat op zoek naar een kudde ezelinnen. Lopend, met alleen een knecht. Dat is dus niet een koningskandidaat die met paarden en wagens op zoek gaat naar nog meer rijkdom, nee hij zoekt naar hetgeen verloren is. Zo ziet de Bijbel dat graag in haar verhalen. Bovendien heeft die Saul zijn naam mee. Saul betekent “gevraagde” en het volk had immers gevraagd om een Koning. Maar een koning mag dan bescheiden zijn hij moet wel representatief zijn en niet bang uitgevallen voor deftige gezelschappen.

Het komt daarom mooi uit dat er een offerfeest is, met een maaltijd waarbij de upper ten, het zijn er dertig, van de stad van Samuël aanwezig zijn. Saul wil bij de Godsman zelfs niet afdwingen waar hij naar de ezelinnen zou moeten zoeken. Hij wilde niet met lege handen aankomen. Nu was zijn knecht kennelijk ook niet een eigendom dat afhankelijk was van de grillen van de meester. Die knecht had een zilveren munt en was bereid die in te zetten voor de opdracht van Saul. Veel later wordt van Christenen gezegd dat ze een volk van Koningen en Priesters zijn. Onophoudelijk zoeken naar je schat, het recht van de armen, niet bang zijn voor belangrijke figuren, het is een voorbeeld waar we ook nu een voorbeeld aan kunnen nemen.

Uw zonen zal een koning u afnemen

augustus 12, 2019

1 Samuel 8:10-22

10 Samuël vertelde alles wat de HEER had gezegd aan het volk, dat om een koning vroeg. 11 Toen zei hij: ‘Dit zijn de rechten die aan het koningschap verbonden zijn: Uw zonen zal een koning u afnemen en ze indelen bij zijn strijdwagens, zijn ruiterij of zijn persoonlijke escorte, 12 of ze aanstellen als bevelhebbers over duizend man of over vijftig. Hij zal ze zijn akkers laten ploegen, zijn oogst laten binnenhalen en zijn wapens en strijdwagens laten maken. 13 Uw dochters zal hij u afnemen om ze zalf te laten bereiden en te laten koken en bakken. 14 Uw vruchtbaarste landerijen, wijngaarden en olijfgaarden zal hij u afnemen en toewijzen aan zijn hovelingen. 15 Van de opbrengst van uw akkers en wijngaarden zal hij een tiende deel opeisen en dat aan zijn hovelingen en hoge ambtenaren geven. 16 Uw beste slaven en slavinnen en uw sterkste arbeidskrachten zal hij u afnemen om ze voor zichzelf te laten werken, en ook uw ezels. 17 Van uw schapen en geiten zal hij een tiende deel opeisen en ook uzelf zult hem moeten dienen. 18 En wanneer u dan de HEER te hulp roept tegen de koning die u zelf gewild hebt, dan zal hij u niet verhoren.’ 19 Het volk trok zich niets van Samuëls woorden aan en zei: ‘Nee, we willen een koning en anders niet! 20 Dan pas zullen we gelijk zijn aan alle andere volken. We willen dat een koning ons bestuurt en recht over ons spreekt, voor ons uittrekt en ons voorgaat in de strijd.’ 21 Samuël hoorde aan wat het volk te zeggen had en bracht het over aan de HEER. 22 Toen zei de HEER tegen Samuël: ‘Geef gehoor aan hun verzoek en stel een koning over hen aan.’ En Samuël zei tegen de Israëlieten dat iedereen naar zijn eigen stad moest terugkeren. (NBV)

Maar als je toch met corrupte bestuurders te maken hebt dan lijkt een koning dus toch mooier, dat hadden ze immers in de buurlanden ook en daar zaten optochten en feestdagen aan vast en daartegen keek iedereen op. Dat laatste is ook in onze dagen het geval. De meest Christelijke omroep de EO, die zich er op voorstaat in al haar programma’s het Evangelie uit te dragen, is de enige die een wekelijks programma heeft rond de Europeese vorstenhuizen. De pracht en praal van die vorstenhuizen wordt breed uitgemeten. We moeten vooral tegen de vorstenhuizen opkijken. Dat de Bijbel blijkens het gedeelte dat we vandaag uit het eerste boek Samuël lezen zich zeer verzet tegen deze invulling van het koningschap komt kennelijk bij de EO niet op.

Ondertussen moeten wij niet vergeten dat het Koningschap een vorm van regering is naast andere vormen die we pas in onze dagen tot ontwikkeling hebben zien komen. De democratie zoals wij die kennen is bijvoorbeeld nog maar zeer jong. De discussie in het Bijbelgedeelte van vandaag gaat dan ook niet in de eerste plaats over de pracht en praal maar over wie nu eigenlijk de wetten van het land gaat bepalen. Laten we ons regeren door de Wet van de God van Israël: “heb God lief boven alles en dat doe je door je naaste lief te hebben als jezelf”, of maak je de machtigen machtiger en bescherm je de rijkdom van de rijken?

Met andere woorden: wordt er door een regering in de eerste plaats gelet op de minsten, op de hongerigen, op de weduwe en de wees of wordt er ruimte geschapen voor het eigenbelang van de sterksten? Juist in onze dagen van democratie hebben we als volk opnieuw de keus die het volk Israël had ten tijde van Samuël. Als we geleerd zouden hebben van de geschiedenis kiezen we voor God. Maar het lijkt er niet op, we zullen de discussie elke dag opnieuw moeten voeren, ook vandaag weer.

Jou verwerpen ze niet.

augustus 11, 2019

1 Samuel 8:1-9

1 Toen Samuël oud geworden was, benoemde hij zijn zonen tot rechters over Israël. 2 De oudste heette Joël en de tweede Abia. Ze bestuurden het land vanuit Berseba. 3 Maar ze volgden het voorbeeld van hun vader niet na: ze waren op eigen voordeel uit, namen steekpenningen aan en verdraaiden het recht. 4 De oudsten van Israël kwamen daarom bij elkaar en gingen naar Rama, naar Samuël. 5 ‘U bent oud geworden, ‘zeiden ze, ‘en uw zonen volgen uw voorbeeld niet na. Benoem liever een koning om ons te besturen, zoals alle andere volken er een hebben.’ 6 Samuël vond het ontoelaatbaar dat ze om een koning vroegen. Daarom richtte hij een gebed tot de HEER, 7 maar die antwoordde: ‘Geef gehoor aan de stem van het volk, aan alles wat ze je vragen. Jou verwerpen ze niet. Ze verwerpen juist mij als hun koning. 8 Zo is het altijd gegaan, vanaf de dag dat ik hen uit Egypte heb geleid tot nu toe. Ze hebben mij de rug toegekeerd en andere goden gediend, en zo vergaat het nu ook jou. 9 Geef dus gehoor aan hun verzoek, maar waarschuw hen door uitdrukkelijk te wijzen op de rechten die aan het koningschap verbonden zijn.’ (NBV)

Het verhaal van Samuël loopt bijna net zo af als het verhaal van Eli. Ook de zonen van Samuël worden corrupte bestuurders. Het volk krijgt er de buik van vol en wil wat anders. Rechters die de mensen geen recht doen maken meer stuk dan je lief is. Alle andere volken om Israël heen hadden een koning. Misschien was dat ook wel wat voor Israël. Wat moeten we met een verhaal over een primitief volk dat zo graag een koning wil? Wij hebben een koningshuis en we hebben er voor gezorgd dat het koningshuis nauwelijks macht meer kan uitoefenen over het volk. Een dienstplicht invoeren om een fraai leger te vormen dat kan niet.

Het afpikken van land om de hofhouding te kunnen voeden, dat kan niet. Het heffen van belastingen om er groots van te kunnen genieten, dat kan niet. Het opleggen van zogenaamde Herendiensten die de onderdanen zonder betaling moeten verrichten, dat kan niet. Er kan dus een heleboel niet wat je in de dagen van Samuël wel van een vorst kon verwachten. Maar een koning in de dagen van Samuël is niet beter dan de slechtste rechter. De zonen van Eli, bij wie Samuël in opleiding was geweest, deden uiteindelijk hetzelfde als de zonen van Samuël, die Samuël zo graag als zijn opvolger had gezien. Maar een Koning? De Koningen laten zich graag als Goden aanbidden. En de Heer van Israël dat was toch de God van Israël.

Die had hen uit het slavenhuis van de Farao van Egypte bevrijd. En in de tocht naar Kanaän en bij de verovering van het land Israël waren het steeds de koningen geweest die de strijd tegen Israël hadden gevoerd. Ze hadden er legers voor op de been gebracht en zelfs profeten ingehuurd om Israël te verslaan. Het had ze niet geholpen maar moest Israël nu ook een Koning hebben zoals de anderen? Samuël gaat er over in gesprek met God. Die laat hem zien dat de God Koning altijd al verworpen wordt door een volk. Dat kunnen ze beter doen met een aardse Koning. en misschien, heel misschien komt er wel een Koning naar Gods hart. Daar moeten wij misschien ook naar op zoek.

Vrees niet, kleine kudde,

augustus 10, 2019

Lucas 12:22-34

22 Hij zei tegen zijn leerlingen: ‘Om deze reden zeg ik tegen jullie: maak je geen zorgen over jezelf en over wat je zult eten, noch over je lichaam en over wat je zult aantrekken. 23  Want het leven is meer dan voedsel en het lichaam meer dan kleding. 24  Kijk naar de raven: ze zaaien niet en oogsten niet, ze hebben geen voorraadkamer en geen schuur, het is God die ze voedt. Hoeveel meer zijn jullie niet waard dan de vogels! 25  Wie van jullie kan door zich zorgen te maken één el aan zijn levensduur toevoegen? 26  Als jullie dus zelfs het geringste al niet kunnen, waarom maken jullie je dan zorgen over de rest? 27  Kijk naar de lelies, kijk hoe ze groeien. Ze werken niet en weven niet. Ik zeg jullie: zelfs Salomo ging in al zijn luister niet gekleed als een van hen. 28  Als God het groen dat vandaag nog op het veld staat en morgen in de oven gegooid wordt al met zo veel zorg kleedt, met hoeveel meer zorg zal hij jullie dan niet kleden, kleingelovigen? 29  Ook jullie moeten niet nadenken over wat je zult eten en wat je zult drinken, en jullie moeten je niet door zorgen laten kwellen. 30  De volken van deze wereld jagen die dingen na, maar jullie Vader weet dat je ze nodig hebt. 31  Zoek liever zijn koninkrijk, en die andere dingen zullen je erbij gegeven worden. 32  Vrees niet, kleine kudde, want jullie Vader heeft jullie het koninkrijk willen schenken. 33  Verkoop je bezittingen en geef aalmoezen. Maak voor jezelf een geldbuidel die niet verslijt, een schat in de hemel die niet opraakt, waar een dief niet bij kan en die door geen mot kan worden aangevreten. 34  Waar jullie schat is, daar zal ook jullie hart zijn. (NBV)

We hoeven ons geen zorgen te maken voor de toekomst. Veel mensen zijn dat verleerd. Je geen zorgen maken over de dag van morgen. Natuurlijk, als je honger hebt zijn er zorgen over het krijgen van eten, maar zorgen over wat je aantrekt, of hoe je er uit zult zien verdwijnen direct als je naar eten moet zoeken. Al die uiterlijkheden zijn dan ook volstrekt onbelangrijk. Er wordt ons wel aangepraat hoe belangrijk al dat uiterlijk vertoon is, de make overs vliegen je om de oren, maar eigenlijk is het geluk van de mensen het allerbelangrijkst. Daarom klinkt vandaag ook de roep om je bezig te houden met het Koninkrijk. Daar wordt gedeeld en hoeft dus niemand meer zorgen te hebben over het eten, zijn dus alle zorgen verdwenen. Daar valt het onderscheid tussen rijk en arm, tussen slaaf en vrije, tussen man en vrouw, tussen christen en moslim, weg. Daar is geen angst meer en geen bedreiging.

Dat Koninkrijk ligt voor het grijpen. Het is ons geschonken door de God van Liefde, we hoeven het alleen te aanvaarden en in de praktijk te brengen. Make overs zijn dan overigens in het geheel niet voorbij. Maar het zijn hele andere make overs dan van mensen en auto’s. Het is een make over van de totale samenleving. Ineens wordt al wat leeft belangrijk en gooien we geen mensen, dieren en kostbare grondstoffen meer weg. Als iedereen een volwaardige plaats in de samenleving heeft wordt die samenleving een stuk creatiever en rijker. En de make over van het Koninkrijk is niet beperkt tot ons eigen land maar het is een make over van de hele wereld. Stel een journaal voor waarin niet over oorlog en honger kan worden bericht omdat die er niet meer zijn.

Een journaal dat alleen goed nieuws kan brengen, over wetenschappelijke ontdekkingen, over hulp die mensen elkaar kunnen geven, over het moois dat elke dag weer ontstaat in een wereld van recht en vrede. Je zult denken dat er nog maar weinig mensen zijn die er in geloven. De meeste mensen zijn cynisch en onverschillig geworden. Het is een rotzooi is het enige dat ze nog kunnen zeggen en wij kleine mensen zijn te onmachtig om de rotzooi op te ruimen. Jezus van Nazareth noemt dat kleine gezelschap een kudde. En een kudde is sterk, zelfs een kleine kudde schapen houdt op een autoweg een groot aantal auto’s tegen. Hoeveel te meer de kleine kudde van goedwillende mensen die bezig zijn het mooiste Koninkrijk van de wereld te bouwen, een Koninkrijk waar voor iedereen plaats is en waar niemand buiten valt. Bouw vandaag nog mee dus.

Hoed je voor iedere vorm van hebzucht

augustus 9, 2019

Lucas 12:13-21

13 Iemand uit de menigte zei tegen hem: ‘Meester, zeg tegen mijn broer dat hij de erfenis met mij moet delen!’ 14  Maar Jezus antwoordde: ‘Wie heeft mij als rechter of bemiddelaar over jullie aangesteld?’ 15  Hij zei tegen hen: ‘Pas op, hoed je voor iedere vorm van hebzucht, want iemands leven hangt niet af van zijn bezittingen, zelfs niet wanneer hij die in overvloed heeft.’ 16  En hij vertelde hun de volgende gelijkenis: ‘Het landgoed van een rijke man had veel opgebracht, 17  en daarom vroeg hij zich af: Wat moet ik doen? Ik heb geen ruimte om mijn voorraden op te slaan. 18  Toen zei hij bij zichzelf: Wat ik zal doen is dit: ik breek mijn schuren af en bouw grotere, waar ik al mijn graan en goederen kan opslaan, 19  en dan zal ik tegen mezelf zeggen: Je hebt veel goederen in voorraad, genoeg voor vele jaren! Neem rust, eet, drink en vermaak je. 20  Maar God zei tegen hem: “Dwaas, nog deze nacht zal je leven van je worden teruggevorderd. Voor wie zijn dan de schatten die je hebt opgeslagen?” 21  Zo vergaat het iemand die schatten verzamelt voor zichzelf, maar niet rijk is bij God.’(NBV)

Iedereen kent wel het spreekwoord dat je je rijkdom niet mee kunt nemen. Iedereen gaat met alleen zichzelf het graf in. Waarom proberen we dan meer rijkdom te krijgen dan we ooit bij ons leven op kunnen maken? Ja de rijksten in onze samenleving verzamelen zelfs zo veel rijkdom dat ook hun kinderen en wellicht hun kleinkinderen niet in staat zijn om het op te maken. Geld maakt niet gelukkig is een ander spreekwoord. Natuurlijk is het makkelijk als je het hebt. Natuurlijk moet je er verstandig mee omgaan. En, let wel, de Bijbel heeft niets tegen rijkdom op zich. De Bijbel heeft iets tegen armoede. Als we allemaal mee zouden kunnen delen van het land dat overvloeit van melk en honing is er niets verkeerd. Maar dat doen we niet. De meeste rijkdom is verkregen door de armoede van velen. Jezus van Nazareth gaf de waarschuwing je te hoeden voor iedere vorm van hebzucht als antwoord op de vraag of hij scheidsrechter wilde zijn bij de verdeling van een erfenis. En een erfenis wil gedeeld worden niet waar. Maar Jezus van Nazareth geeft als voorbeeld dat prachtige verhaal van die man die wil gaan rentenieren, zijn kleine schuren wil vervangen door grote om de rest van zijn leven te genieten van de vruchten van zijn arbeid. Het is allemaal niks waard want dezelfde nacht moet de man sterven.

Jezus van Nazareth grijpt hier terug op het boek Prediker. Die verklaarde dat alle arbeid lucht en leegte is en geen nut heeft onder de zon. Prediker had de vreugde geprobeerd, was rijk geworden en toen nog rijker maar het had hem allemaal niets geholpen. Het was allemaal lucht en leegte en je wordt er alleen maar moe van. Het boek Prediker wordt gelezen op het zogenaamde Loofhuttenfeest. Dat is een feest bij de druivenoogst als er wijn gemaakt moet worden. Een heel vrolijk feest dus. De boodschap dat je na alle zware arbeid moet beseffen dat het najagen van wind is geweest klinkt niet heel erg sympathiek. Maar dat Loofhuttenfeest heeft in de Bijbel een bijzondere betekenis. Op dat Loofhuttenfeest moest je naar de Tabernakel of de Tempel om daar een maaltijd te houden met je familie, de tempeldienaren, je personeel, de armen en de vreemdelingen die bij je zijn. Je moet dus je oogst delen met iedereen die niet zelf heeft kunnen oogsten en dat maakt het heel bijzonder.

Al dat gezwoeg is dan tenminste nog ergens goed voor geweest, je helpt er een ander mee de winter door te komen. En dan wordt duidelijk waarom Jezus van Nazareth weigert om als scheidsrechter op te treden bij de verdeling van een erfenis. Je houding als gelovige moet er een zijn van delen met de armsten. Als je dan niet een erfenis weet te delen met elkaar dan is er iets mis in je familie. Velen kunnen daar over meepraten want bij het verdelen van erfenissen lijkt wel eens het laagste van mensen naar boven te kunnen komen. Zelfs tijdens de begrafenis kunnen mensen soms al ruzie gaan maken over die verdeling. Er is dus duidelijk iets mis met de vraag. Die vraag gaat niet over delen maar over hebben. Als je een scheidsrechter nodig hebt is er iets mis met je familie dat eerst uit de weg moet, namelijk de hebzucht. Door die bespreekbaar te maken, door die om te buigen in delen met wie niets heeft, kunnen de ruzies worden opgelost. En delen kunnen en mogen we elke dag. Ook vandaag weer.

Tot hier toe heeft de HEER ons geholpen.

augustus 8, 2019

1 Samuel 7:2-17

2  Er verstreek geruime tijd vanaf de dag dat de ark naar Kirjat-Jearim was overgebracht, wel twintig jaar. Steeds meer Israëlieten klaagden hun nood bij de HEER. 3 Ten slotte sprak Samuël het volk als volgt toe: ‘Als het u werkelijk ernst is terug te keren naar de HEER, doe dan de vreemde goden zoals Astarte weg en richt u met heel uw hart naar de HEER. Dien hem alleen, dan zal hij u bevrijden uit de greep van de Filistijnen.’ 4  Dus deden de Israëlieten de Baäls en Astartes weg en dienden alleen nog de HEER. 5  Toen zei Samuël: ‘Laat iedereen naar Mispa komen, dan zal ik voor u tot de HEER bidden.’ 6  Het hele volk kwam in Mispa bij elkaar. Ze putten water dat ze voor de HEER uitgoten, en vastten de hele dag. Ze erkenden: ‘We hebben tegen de HEER gezondigd.’ Zo gaf Samuël in Mispa richtlijnen aan de Israëlieten. 7 Toen de Filistijnse stadsvorsten vernamen dat de Israëlieten in Mispa bijeen waren gekomen, trokken ze op naar Israël. De Israëlieten hoorden hiervan en werden bang. 8  Ze zeiden tegen Samuël: ‘Laat ons niet in de steek en roep voor ons de HEER, onze God, te hulp, opdat hij ons redt uit de greep van de Filistijnen.’ 9  Samuël nam een lammetje en droeg het in zijn geheel als brandoffer aan de HEER op. Hij riep de HEER om hulp voor Israël, en de HEER verhoorde hem. 10  Terwijl Samuël nog met het offer bezig was, kwamen de Filistijnen er al aan om Israël aan te vallen. Maar toen donderde de HEER met luide stem tegen de Filistijnen en zaaide zo veel verwarring dat ze tegen Israël wel het onderspit moesten delven. 11  De Israëlieten zetten vanuit Mispa de achtervolging in en dreven hen terug tot onder Bet-Kar. 12  Na afloop plaatste Samuël tussen Mispa en Sen een steen en noemde die Eben-Haëzer. ‘Want, ‘verklaarde hij, ‘tot hier toe heeft de HEER ons geholpen.’ 13 De Filistijnen moesten zich gewonnen geven en waagden het niet nog eens op het grondgebied van Israël te komen. Zolang Samuël leefde, hield de HEER de Filistijnen in bedwang. 14  Het hele gebied van Ekron tot Gat werd door Israël op de Filistijnen heroverd, en ook met de Amorieten was er vrede. 15  Tot het einde van zijn leven bleef Samuël rechter over Israël. 16  Hij maakte jaarlijks een rondreis langs Betel, Gilgal en Mispa en gaf daar zijn richtlijnen aan het volk. 17  Dan keerde hij weer terug naar zijn woonplaats Rama, van waaruit hij Israël bestuurde en waar hij een altaar had gebouwd voor de HEER. (NBV)

Het is maar goed dat de Bijbel geen geschiedenisboek is waar historische feiten uit de doeken worden gedaan want dan zou het verhaal van vandaag toch meer vragen oproepen dan antwoorden geven. We waren in het verhaal zover dat we Samuël hadden leren kennen als klein jongetje dat grote indruk gemaakt had op het volk toen hij in opleiding was in Silo waar de Tent der Ontmoeting was neergezet nadat het volk uit de woestijn het beloofde land was binnengetrokken. Centraal in die Tent stond de Ark van het Verbond die door de Filistijnen was buitgemaakt nadat het leger vergeefs had geprobeerd die Ark als geheim wapen in te zetten om alsnog de oorlog te winnen. Uiteindelijk was de Ark teruggestuurd en geplaatst in een schuur bij Kirjat Jearim. In het verhaal dat we vandaag lezen lijkt het er op dat er een vervolg is.

Er zijn twintig jaar voorbijgegaan. Samuël is een volwassen man geworden en is in Rama gaan wonen. De invloed van de dienst aan de God van Israël is kennelijk tot een minimum teruggebracht. De Tent der Ontmoeting speelt al helemaal geen rol meer en heiligdommen zijn er overal maar die zijn gewijd aan Astarte en Baäl de Kanaänitische vruchtbaarheidsgoden. De Filistijnen komen elke jaar zoals gebruikelijk nog de oogst stelen. Nu waren er tot dan steeds Rechters geweest die het gericht over de plunderingen hadden voltrokken en met behulp van de God van Israäl de Filistijnen het plunderen voor een aantal jaren hadden afgeleerd. In het verhaal van vandaag wordt Samuël als Rechter geroepen te Israël. Hij begint in Mispa met een grote volksvergadering en jawel, de dienst aan Astarte en Baäl moet om te beginnen worden afgezworen. Tot na de ballingschap zou die vruchtbaarheidsgodsdienst in Israäl de kop opsteken en tot ellende leiden.

Nog terwijl de volksvergadering aan de gang is komen de Filistijnen om Israël onder de duim te houden. Het volk is aan het vasten en plengt water op de grond, volgens sommigen als een soort doop om het oude leven van afgoderij af te leggen. Het dondert en het bliksemt ver volgens zodat de Filistijnen in verwarring raken en de Israëlieten hun leger in stelling kunnen brengen. Dat leger achtervolgt de Filistijnen tot aan de grens. Op dezelfde plaats waar zij eerst de Ark kwijtraakten wordt nu de overwinning gevierd. Tot hiertoe heeft de Heer ons geleid. Als je Eben Haezer tegenwoordig leest op een kerkgebouw of bij een vereniging mag je er gerust bij denken:”en geen stap verder”. Want helaas de kern van het verhaal is veel mensen van vandaag ontgaan. De kern zijn de richtlijnen die Samuël aan het volk had gegeven. En de kern van de godsdienst van Israël is het delen, heb uw naaste lief als uzelf. Als iedereen streeft naar het zo rijk mogelijk worden en iedereen zelf verantwoordelijk is dan groeit er nooit een sterk samenleving die bestand is tegen berovingen door vreemde mogendheden of bankdirecteuren. Dat was toen zo en dat is nog steeds zo. Gelukkig dat we elke dag weer mogen gaan leven volgens die richtlijnen, heb uw naaste lief als uzelf, ook vandaag dus weer.

Bij wie kunnen we de ark kwijt?

augustus 7, 2019

1 Samuel 6:13-7:1

13  In de vallei van Bet-Semes waren mensen bezig met de tarweoogst. Toen ze plotseling de ark zagen aankomen, waren ze bijzonder blij die te zien. 14  Op de akker van Josua, een van de inwoners van Bet-Semes, kwam de wagen tot stilstand. Ze hakten de wagen tot brandhout en offerden daarop de koeien aan de HEER. 15  Maar eerst hadden de Levieten de ark van de HEER van de wagen geladen en hem samen met de zadeltas met de gouden voorwerpen neergezet op een grote steen die daar lag. De bevolking van Bet-Semes bracht die dag brandoffers en vredeoffers aan de HEER. 16  De vijf Filistijnse stadsvorsten hadden alles gezien en keerden nog dezelfde dag terug naar Ekron. 17  Vijf gouden gezwellen gaven de Filistijnen ter genoegdoening aan de HEER: één voor Asdod, één voor Gaza, één voor Askelon, één voor Gat en één voor Ekron. 18  En ook nog zoveel gouden muizen als er plaatsen waren in de Filistijnse vorstendommen, van de sterkste vestingstad tot het meest afgelegen dorp. De grote steen in de akker van Josua bij Bet-Semes, waarop de ark van de HEER heeft gestaan, herinnert tot op de dag van vandaag aan deze gebeurtenis. 19 Maar de bevolking van Bet-Semes werd gestraft, omdat ze naar de ark van de HEER hadden gekeken. Er stierven zeventig inwoners van de stad. En het volk treurde, want de HEER had hen zwaar getroffen. 20  De burgers van Bet-Semes vroegen zich af: ‘Wie kan de aanwezigheid van de HEER, die heilige God, verdragen? Bij wie kunnen we de ark kwijt?’ 21  Toen lieten ze in Kirjat-Jearim vragen: ‘De Filistijnen hebben de ark van de HEER teruggebracht. Kunt u hem hier komen halen?’ 1 Er kwamen mensen uit Kirjat-Jearim om de ark op te halen. Ze brachten hem naar het huis van Abinadab, op de heuvel, en wijdden zijn zoon Elazar om zorg te dragen voor de ark van de HEER. (NBV)

De Ark was door de Heidenen weer teruggestuurd naar Israël. Net als de Egyptenaren hadden de Filistijnen dit symbool van Israël overladen met goud het land uitgejaagd. Gouden puisten en gouden muizen, de aambeien waren waarschijnlijk toch lastig in goud te vatten geweest. De Israëlieten hadden moeten leren dat zo’n door mensen gemaakt object van verering alleen maar ellende kon brengen. Er was iets anders voor nodig. Je mag best blij zijn dat de Ark weer terug is. Je zal God het gevoel geven dat zijn Woord niet welkom is. Daarom werd er een feest gehouden waarbij flink werd geofferd, en offers in Israël at je zelf op. De steen die als middelpunt van het feest had gediend was daarna nog lang aangewezen als tastbaar bewijs van het verhaal.

Maar die Ark stond altijd in het Heiligste van het Heiligdom, de Tent der Ontmoeting. Alleen de Hogepriester mocht de Ark naderen. Alleen al het kijken naar de Ark kon de dood betekenen, dat konden mensen niet echt aan. Die Ark moest dus een betere plaats krijgen waar hij beschermd stond en er de zorg zou zijn die ook een Hogepriester zou hebben geboden. Er was een naburig dorp waar dat bewaren misschien zou kunnen. Toen de Ark was aangekomen waren het Levieten die hem hadden getild, een aanraking zou ook dodelijk zijn geweest. De mensen uit het naburige dorp voelden er wel voor en haalden de Ark op.

Ergens bij een boer op een heuvel werd de Ark ondergebracht in een schuur en een boerenzoon werd aangewezen om op de Ark te passen, zoals er in Ethiopië de Kerk nog steeds een ambtsdrager is die bewaker van de Ark wordt genoemd. Alle uiterlijkheden waar ook wij graag religie aan vastknopen moet je dus vergeten. Het gaat om mensen en het blijft om mensen gaan. En alle mensen zijn gelijk. Op het moment dat we voorwerpen, beelden of kisten, of mensen gaan afzonderen om aan hen religieuze functies toe te kennen, die gelovigen niet zouden hebben, dan gaan we de verkeerde weg op. Mensen moeten ons helpen herinneren aan de opdracht van onze God hem lief te hebben door onze naasten lief te hebben als onszelf. Dat mogen we uitbeelden, opschrijven en uitschreeuwen maar het moet eerst en vooral gedaan worden, elke dag, ook vandaag weer.

Wat moeten we doen met de ark

augustus 6, 2019

1 Samuel 6:1-12

1 De ark van de HEER was intussen al zeven maanden op Filistijns grondgebied. 2  Nu riepen ze ook de priesters en de waarzeggers erbij en legden hun de vraag voor: ‘Wat moeten we doen met de ark van de HEER? Hoe kunnen we hem het beste terugsturen?’ 3  Het antwoord luidde: ‘Als u de ark van de God van Israël terugstuurt, laat hem dan niet zonder meer weggaan. Geef in ieder geval een schadeloosstelling mee, dan zult u genezen en te weten komen waarom u al die tijd zo hard bent aangepakt.’ 4  ‘Waaruit moet die schadeloosstelling bestaan?’ vroeg men, en het antwoord luidde: ‘Er zijn vijf vorstendommen. Geef daarom vijf gouden gezwellen mee en vijf gouden muizen. Alle vorstendommen hebben immers onder dezelfde plaag geleden, ook de stadsvorsten zelf. 5  Maak beeldjes van uw gezwellen en van de muizen die uw land hebben geteisterd, om zo eer te bewijzen aan de God van Israël. Misschien laat hij u dan met rust, en ook uw goden en uw land. 6  Waarom zou u zich tegen hem blijven verzetten, zoals Egypte en de farao hebben gedaan? Toen hij zijn woede op hen botvierde, moesten zij de Israëlieten toch ook laten gaan? 7  Dit moet er gebeuren: Zorg voor een nieuwe wagen en twee zogende koeien die nog nooit een juk hebben gevoeld. Span de koeien voor de wagen, haal hun kalveren bij hen weg en breng die naar de stal. 8  Zet de ark van de HEER op de wagen met daarnaast een zadeltas met de gouden voorwerpen die u ter genoegdoening meegeeft, en laat die wagen zijn eigen weg gaan. 9  Als hij voor uw ogen de grens over rijdt in de richting van Bet-Semes, dan betekent dat dat de God van Israël deze ramp over ons heeft voltrokken. Zo niet, dan weten we dat niet hij ons met dit leed heeft getroffen, maar dat het toeval was.’ 10 En zo gebeurde het. Ze spanden twee zogende koeien voor de wagen en sloten hun kalveren op in de stal. 11  Ze zetten de ark op de wagen en daarnaast de zadeltas met de gouden muizen en de beeldjes van hun gezwellen. 12  De koeien liepen regelrecht naar Bet-Semes. Ze loeiden wel, maar bogen niet af naar links of rechts. De Filistijnse stadsvorsten volgden hen tot aan de grens met Bet-Semes. (NBV)

Zo’n toverkist van een machtige God wil je niet te lang houden. De Filistijnen hadden hem zeven maanden lang doorgeschoven van de ene stad naar de andere, maar het bleef zeuren. De strijdbare mannen hadden onder aanvoering van hun stadsvorsten aambeien gekregen. In de dorpen brak er prompt een muizenplaag uit. Het was niet te harden en na zeven maanden was genoeg genoeg. Iedereen die op bestuurlijk, militair en religieus gebied iets te vertellen had werd opgeroepen mee te denken over het vraagstuk hoe een beetje fatsoenlijk van de toverkist af te komen. Natuurlijk waren er mensen die van toeval spraken. Niet alle rampspoed kan je toch aan de kist van een overwonnen God toedichten? Dan doe je ook je eigen God tekort, die had immers voor jouw overwinning gezorgd.

Uiteindelijk werd een klassieke truc bedacht. Een splinternieuwe kar met twee koeien er voor. De Ark er op en dan maar kijken waar de koeien heen zouden gaan, naar Israël of naar hun eigen stal waar hun kalveren stonden. Op die manier zijn later nog heel wat heiligdommen, kerken en steden gesticht. Tegenwoordig zie je het als loterij op een plattelandskermis: “waar schijt de koe”. Zoals in dit verhaal verwacht mag worden keert de Ark zonder aarzelen terug naar Israël. De eer van Israël was hersteld.  Ze wilden de Ark dan ook kwijt omdat ze bang waren voor de aanwezigheid van de Heer, de God van Israël.

Een bij uitstek Heidense opvatting over tovergoden. De God van Israël kenmerkte zich immers door er te zijn daar waar het volk die God nodig had. Die God was er juist in zijn richtlijnen, in zijn gerechtigheid en barmhartigheid. Dat was de God die je naar het beloofde land bracht volgens de opvatting van Israël. De Filistijnen bleven twijfelen. Er was immers geen beeld van die God? Niemand heeft die God ooit gezien en daarom wordt er ook tegenwoordig nog aan die God en worden gelovigen voor dwazen uitgemaakt. De Ark was door de Heidenen weer teruggestuurd naar Israël. Net als de Egyptenaren hadden de Filistijnen dit symbool van Israël overladen met goud het land uitgejaagd.

Gouden puisten en gouden muizen, de aambeien waren waarschijnlijk toch lastig in goud te vatten geweest. Geschenken aan een God moest volgens de leer van Heidenen die God gunstig stemmen. De Israëlieten hadden moeten leren dat zo’n door mensen gemaakt object van verering alleen maar ellende kon brengen. Er was iets anders voor nodig. In die Ark lagen richtlijnen voor een menselijke samenleving. Die waren het hart van de godsdienst van Israël. Die richtlijnen over liefde en gerechtigheid moest je volgen, uiteindelijk vervullen, die richtlijnen waren er niet om vroom aanbeden te worden. Die richtlijnen waren er al helemaal niet om als wapen in een oorlog te dienen. Ook daarin is er nog steeds niets veranderd.

Iedereen kreeg aambeien.

augustus 5, 2019

1 Samuel 5:1-12

1 De ark van God, die bij Eben-Haëzer door de Filistijnen was buitgemaakt, werd overgebracht naar Asdod. 2  Ze namen de ark op, brachten hem naar de tempel van Dagon en zetten hem daar naast het godenbeeld neer. 3  De volgende morgen zagen de inwoners van Asdod dat Dagon voorover was gevallen en voor de ark van de HEER op de grond lag. Ze pakten het beeld op en zetten het weer op zijn plaats, 4  maar toen ze de volgende morgen vroeg terugkwamen, lag Dagon weer voorover op de grond voor de ark. Alleen zijn romp was nog heel; zijn hoofd en zijn beide handen lagen afgehakt op de drempel. 5  Daarom durven de priesters van Dagon en alle anderen die naar de tempel komen deze drempel tot op de dag van vandaag niet te betreden. 6 De HEER pakte de inwoners van Asdod hard aan. Hij zaaide paniek en trof alle inwoners van het vorstendom met aambeien. 7  Toen de burgers van Asdod zagen hoe het er voorstond, zeiden ze: ‘De ark van de God van Israël kan hier niet blijven, want hij treedt met harde hand op tegen ons en onze god Dagon.’ 8  Ze riepen de Filistijnse stadsvorsten erbij en legden hun de vraag voor: ‘Wat moeten we doen met de ark van de God van Israël?’ ‘Naar Gat brengen, ‘luidde het antwoord, en ze besloten de ark weg te brengen. 9  Toen de ark naar Gat was overgebracht, keerde de HEER zich tegen die stad, zodat ook daar een geweldige paniek ontstond. Hij trof de inwoners van de stad van groot tot klein en iedereen kreeg aambeien. 10  Ze stuurden de ark van God door naar Ekron, maar zodra hij daar aankwam begon de bevolking te schreeuwen: ‘Ze hebben de ark van de God van Israël hierheen gestuurd om ons allemaal te doden!’ 11  Weer riepen ze de Filistijnse stadsvorsten erbij en zeiden: ‘Stuur de ark van de God van Israël terug naar waar hij vandaan komt, anders worden we allemaal gedood.’ In heel de stad heerste namelijk een dodelijke angst, want God pakte de inwoners hard aan. 12  Wie niet stierf, werd geplaagd door aambeien; het gekerm van de stad steeg op naar de hemel. (NBV)

Het vorige hoofdstuk eindigde met de geboorte van Ikabod, kleinzoon van de Hogepriester Eli, op de dag dat Eli en de zonen van Eli stierven en de moeder van Ikabod in het kraambed stierf. Ikabod betekent “de eer is weg” en dat slaat op het verlies van de Ark van het verbond aan de Filistijnen. Die geheimzinnige kist ging alleen op reis. We beginnen daarbij te lezen in een bijzonder stukje Oude Testament, de avonturen van de Ark van het Verbond. Tot nu stond die Ark in de Tent van het Verbond. De Ark bewaarde de herinnering aan de Horeb waar het volk, midden in de woestijn, de richtingwijzers van de God van Israël had gekregen. In steen gegrift zodat het nooit verloren kon gaan. De macht van die God werd in die kist uitgedrukt door de bloeiende staf van Hogepriester Aäron en de koperen staf met een slang die Mozes daar had neergelegd nadat het kijken naar die slang het volk had behoed voor giftige slangenbeten. De Ark was dus niet een godenbeeld, maar als je wilde weten wie de God van Israël was dan had die Ark daar een verhaal over.

De Ark werd door de Filistijn geplaatst in de Tempel van Dagon in Asdod. Dagon was een vruchtbaarheidsgod, zo’n echt Kanaänitische godheid waar de Bijbel zeer tegen te keer gaat. Nog in de tijd van de Makkabeeën werd Dagon als machtiger dan de God van Israël afgeschilderd. Israël had toen te lijden van een wrede Griekse bezetting. Over Dagon in Asdod hadden ze dus nog een prachtig verhaal. Die was als Goliath later voorover op zijn gezicht gevallen, zoals een onderdaan zich uitstrekte voor de machtigste koning van het land. Toen dat niet hielp was Dagon onthoofd en onthand. De inwoners van Asdod kregen op hun gat. Alle vertalers zijn het er sinds de Statenvertaling over eens dat er hier gesproken wordt over Aambeien waarmee de inwoners van Asdod gestraft werden. Een grotere vernedering kon je ze niet aandoen. De ene na de andere Filistijnse stad kreeg te maken met de Ark van het Verbond, de geheimzinnige kist waar de richtlijnen voor een menswaardige samenleving in bewaard werden.

Maar de aambeien vlogen rond, de Filistijnen kregen een geweldig pak voor hun broek en werden doodsbenauwd voor die rare kist die nergens de trekken had van een fatsoenlijk godenbeeld. We kunnen nu smakelijk lachen om het verhaal en dat is ook precies de bedoeling. De richtlijnen voor de menswaardige samenleving, niet doden, niet stelen, niet liegen, elkaar in elkaars waarde laten, bevrijden je ook van angst voor je vijanden. Dat nastreven van macht, dat aanbidden van goud en glitter, dat is eigenlijk alleen maar lachwekkend. Ook de rijkste ondernemer en de machtigste dictator kan aambeien krijgen en krijgt dan echt moeite met het zitten op een gewone stoel. We moeten die richtlijnen niet ronddragen om er anderen mee te verslaan en te laten zien hoeveel beter we zijn dan een ander. We moeten die richtlijnen in ons hart laten graveren en ze tot een bron van ons handelen maken. Dan zullen we leven en als we het samen doen dan krijgen we pas een echte samenleving. Wij kunnen er elke dag opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

Wat is dat voor lawaai?

augustus 4, 2019

 

1 Samuel 4:12-22

12 Een Benjaminiet maakte zich uit de gelederen los en rende naar Silo, waar hij nog dezelfde dag aankwam. Hij had zijn kleren gescheurd en stof over zijn hoofd geworpen. 13  Toen hij aankwam, zat Eli op een bankje langs de kant van de weg op de uitkijk, want hij maakte zich ernstig ongerust over de ark van God. Zodra de man in de stad verslag had uitgebracht, begon de hele bevolking te jammeren. 14  Eli hoorde het geschreeuw en vroeg: ‘Wat is dat voor lawaai?’ De man haastte zich naar Eli om het hem te vertellen. 15  Eli was toen achtennegentig jaar; zijn ogen waren helemaal star geworden en hij kon niets meer zien. 16  De man zei tegen Eli: ‘Ik kom van het slagveld, ik ben zojuist van het slagveld gevlucht.’ ‘Maar wat is er dan gebeurd?’ vroeg Eli, 17  en de bode antwoordde: ‘Israël is op de vlucht geslagen voor de Filistijnen. Er is een grote slachting aangericht onder onze soldaten. Ook uw zonen Chofni en Pinechas zijn gesneuveld. En de ark van God is ons ontnomen.’ 18  Op het moment dat de man de ark van God noemde, viel Eli van het bankje naast de stadspoort achterover op de grond. Hij was zo oud en zwaar dat hij zijn nek brak en stierf. Veertig jaar was hij rechter over Israël geweest. 19 Eli’s schoondochter, de vrouw van Pinechas, was in de laatste dagen van haar zwangerschap. Toen ze hoorde dat de ark van God was buitgemaakt en dat haar schoonvader en haar man waren gestorven, overvielen haar de weeën. Ze kromp ineen en bracht haar kind ter wereld. 20  Terwijl ze stervende was, zeiden de vrouwen die haar bijstonden: ‘Wees gerust, je hebt een zoon gekregen.’ Maar ze reageerde niet en schonk hun geen aandacht. 21  Ze noemde haar zoon Ichabod en verklaarde: ‘Israël is van zijn eer beroofd.’ Daarmee doelde ze op het verlies van de ark en op de dood van haar schoonvader en haar man. 22  Ze zei: ‘Israël is van zijn eer beroofd, want de ark van God is ons ontnomen.’ (NBV)

Met de kwaden loopt het altijd slecht af. Soms lijkt het er niet op en soms moet je goed kijken wie er goed en wie er kwaad is. Het leger van Israël met de priesters Chofni en Pinehas had de Ark van God uit de Tent der ontmoeting in Silo laten komen. Maar de Ark is God niet. Van God zijn geen beelden. De Filistijnen reageren zoals verwacht, ze worden bang. Dat wil niet zeggen dat Israël gelijk had. De schrijver van het verhaal wil ons vertellen dat het volk Israël op dezelfde manier dacht als de Filistijnen, heidenen bij uitstek. De Filistijnen verzamelen nog eens extra hun moed voor de volgende slag en zijn extra gemotiveerd, tegen een geheim wapen als een God moet je extra je best doen.

Je moet dus in dit verhaal extra goed kijken wie er gelijk heeft. Uiteindelijk de Filistijnen. Zij winnen ondanks de aanwezigheid van de Ark, ze mogen de Ark zelfs meenemen. Pas later komen ze er achter dat het Woord van die God van Israël sterker is dan alle beelden die ze van hun goden hadden gemaakt. Nu kost het dertigduizend soldaten uit Israël het leven. De Filistijnen maakten de Ark buit, de twee priesterzonen sneuvelden ook en Eli, zittend op de plaats waar recht werd gesproken, de stadspoort, schrok zo van het bericht dat ook hij stierf. De belofte aan Samuël komt dus uit. Eli had het kwaad genegeerd waardoor het kon groeien. Wij doen dat ook wel eens, misbruik van de vrijheid van meningsuiting is zo’n kwaad dat we rustig laten groeien.

In het verhaal van Eli wordt vertelt dat ook de schoondochter van Eli stierf en wel in het kraambed. Er werd weliswaar een zoon geboren maar het verlies van de Ark was ernstiger. Met het verdwijnen van de Ark lijkt ook de toekomst van Israël voorbij. Wie veel en veel later, toen het volk in ballingschap ging, dit verhaal las zou het hebben kunnen meevoelen. Duidelijk wordt dat God nooit vanzelfsprekend aan jouw kant staat. De Filistijnen vielen niet aan. Wraak voor eerdere aanvallen is geen reden een oorlog te beginnen. De God van Israël is een God van vrede en een God van recht maar als je de plaats van het recht inruilt voor het slachtveld dan loop je de kans geslacht te worden. Dit verhaal leert ons dat het belangrijker is aan vrede en recht te werken, elke dag opnieuw, te beginnen in onze eigen plaats, maar als het even kan tot aan de einden van de aarde. Ook vandaag weer.