Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Vervloekt ben jij!

april 15, 2018

Genesis 4:1-16

1 De mens, Adam, had gemeenschap met Eva, zijn vrouw, en zij werd zwanger en bracht Kaïn ter wereld. ‘Met de hulp van de HEER, ‘zei ze, ‘heb ik het leven geschonken aan een man!’ 2  Later bracht ze zijn broer ter wereld, Abel. Abel werd herder, Kaïn werd landbouwer. 3 Op een keer bracht Kaïn de HEER een offer van wat hij had geoogst. 4  Ook Abel bracht een offer; van de eerstgeboren dieren van zijn kudde koos hij de mooiste uit. De HEER merkte Abel en zijn offer op, 5  maar voor Kaïn en zijn offer had hij geen oog. Dat maakte Kaïn woedend, zijn blik werd donker. 6 De HEER vroeg hem: ‘Waarom ben je zo kwaad, waarom kijk je zo donker? 7  Handel je goed, dan kun je toch iedereen recht in de ogen kijken? Handel je slecht, dan ligt de zonde op de loer, begerig om jou in haar greep te krijgen; maar jij moet sterker zijn dan zij.’ 8 Kaïn zei tegen zijn broer Abel: ‘Laten we het veld in gaan.’ Toen ze daar waren, viel hij zijn broer aan en sloeg hem dood. 9 Toen vroeg de HEER: ‘Waar is Abel, je broer?’ ‘Dat weet ik niet, ‘antwoordde Kaïn. ‘Moet ik soms waken over mijn broer?’ 10  ‘Wat heb je gedaan?’ zei de HEER. ‘Hoor toch hoe het bloed van je broer uit de aarde naar mij schreeuwt. 11  Daarom: vervloekt ben jij! Ga weg van deze plek, waar de aarde haar mond heeft opengesperd om het bloed van je broer te ontvangen, het bloed dat jij vergoten hebt. 12  Ook al bewerk je het land, het zal je niets meer opbrengen. Dolend en dwalend zul je over de aarde gaan.’ 13 Kaïn zei tegen de HEER: ‘Die straf is te zwaar. 14  U verjaagt mij nu van deze plek en ik mag u niet meer onder ogen komen, en als ik dan dolend en dwalend over de aarde moet gaan, kan iedereen die mij tegenkomt mij doden.’ 15  Maar de HEER beloofde hem: ‘Als iemand jou doodt, zal dat zevenmaal aan hem worden gewroken.’ En hij merkte Kaïn met een teken, opdat niemand die hem tegenkwam hem zou doodslaan. 16 Toen ging Kaïn bij de HEER vandaan en hij vestigde zich in Nod, een land ten oosten van Eden. (NBV)

Er moest om de vruchtbaarheid kinderen verwekt worden. Zo kreeg ook de man een naam, hier voor het eerst als eigennaam, de mens heette Adam en verwekte nageslacht. Het werd een zoon, Kaïn, niet dat Eva gedacht had een man te baren, uitdrukkelijk stelt ze dat het gebeurde met behulp van God. Ook een broer kreeg hij, een tweelingbroer nemen we aan. De jongens groeiden op kregen een baan en offerden van de resultaten van hun werk aan God. Een offer van Abel dat opgemerkt wordt maar een offer van Kaïn dat niet opgemerkt wordt. Er staat niet in de Bijbel waarom dat offer van Kaïn niet wordt opgemerkt. Veel later in de brief aan de Hebreeën wordt aangenomen dat het offer van Abel meer waardevol zou zijn geweest. Dat zou kunnen, Abel was veeteler en voor dat offer was bloed gevloeid, was leven genomen. Het offer van Abel was onverdoofd ritueel geslacht. Dat van Kaïn was graan, misschien tot brood verwerkt maar toch. Het is een mooie gedachte uit de brief aan de Hebreeën maar het staat niet in het verhaal in Genesis.

Wij weten dus niet altijd of de offers die we brengen wel opgemerkt worden. Je ziet dat elk jaar rond de lintjesregen. De meeste mensen die zo’n koninklijke onderscheiding krijgen hebben die wel verdiend. Maar iedereen kent vast mensen die zich hun hele leven inzetten voor hun medemens maar die nooit een lintje zullen krijgen. Ze zijn altijd behulpzaam, je kunt altijd een beroep op ze doen, maar ze komen niet in besturen of commissies, ze worden niet opgemerkt, alleen mensen die ze heel goed kennen weten wat ze waard zijn en ze moeten maar geloven dat ook de God van Israël ze opmerkt. Kaïn werd jaloers en sloeg zijn broer dood. God waarschuwde hem nog. Het offer dat je brengt is niet om goed gevonden te worden, is niet om opgemerkt te worden, is niet om een beloning te krijgen. Dat is het hart van onze godsdienst.

Offers brengen we niet om God gunstig te stemmen. Wat we van God krijgen hebben we niet eerst verdiend. Maar omdat we alles van God gekregen hebben weten we dat het niet voor onszelf is en delen we het. De vraag die Kaïn stelt als antwoord op de vraag waar zijn broer is is dan ook het teken van het ergste kwaad dat we kunnen doen “ben ik mijn broeders hoeder?”. Ja dus, altijd, want wat we gekregen hebben kregen we omdat we de hoeder van al onze broeders en zusters zijn. God liet dat aan Kaïn zien door hem wel te straffen maar tegelijk te beschermen door hem te beloven hem zevenmaal te zullen wreken als hem wat zou worden aangedaan. Zelfs Kaïn werd niet in de steek gelaten. Ook wij dus niet als onze offers niet opgemerkt worden. Daarom mogen we elke dag opnieuw weer voor onze naaste zorgen als voor onszelf. Ook vandaag weer.

Wie maakt ons gelukkig?

april 14, 2018

Psalm 4

1 Voor de koorleider. Bij snarenspel. Een psalm van David. 2 Antwoord mij als ik roep, God die mij recht doet. Geef mij ruimte als ik belaagd word, wees genadig, hoor mijn gebed. 3 Machtigen, hoe lang nog maakt u mij te schande, is de schijn u lief, de leugen uw leidraad? sela 4 De HEER schenkt zijn gunst aan wie hem trouw is, de HEER luistert als ik tot hem roep. 5 Beef voor hem en zondig niet, bezin u in de nacht en zwijg. sela 6 Breng de juiste offers, heb vertrouwen in de HEER. 7 Velen zeggen: ‘Wie maakt ons gelukkig?’ HEER, laat het licht van uw gelaat over ons schijnen. 8 In u vindt mijn hart meer vreugde dan zij in hun koren en wijn. 9 In vrede leg ik mij neer en meteen slaap ik in, want u, HEER, laat mij wonen in een vertrouwd en veilig huis. (NBV)

We kennen ze nog steeds, de singer-songwriters, zangers en zangeressen die met begeleiding van gitaar hun eigengemaakte liederen zingen over wat ze meegemaakt hebben of over wat om hen heen gebeurt. Ook het boek van de Psalmen kent een aantal voorbeelden van zulke liederen. Deze vierde psalm is er zo een. De melodie kennen we niet meer. Er is alleen nog een muzikale term over. Tenminste de meeste geleerden nemen aan dat het woord sela een muziekterm is. Maar of het nou rust of tussenspel betekent is niet voor iedereen even duidelijk. Dat is op zich ook niet zo erg. Het gaat om de boodschap van de Psalm. En de boodschap voor vandaag is dezelfde als de boodschap voor alle andere dagen, het is beter je naaste lief te hebben als jezelf dan alleen maar jezelf lief te hebben. Geluk zit echt niet in lekker eten en drinken, in koren en wijn. Echte vreugde is er pas als de richtlijnen van de Woestijn, de richtlijnen van God gevolgd worden. Er zijn vele zogenaamde gelukbrengers. De machtigen en de rijken beweren dat zij het gevonden hebben.

Maar let eens goed op hoe krampachtig het bezit beschermd moet worden. Hoeveel geld ze uitgeven aan beveiliging. Hoe ze zich moeten laten martelen in schoonheidsklinieken om aan de uiterlijke idealen te voldoen. Hoe zelfs hun winkelen en consumeren gezien moet worden om in de wereld mee te tellen. Pas als je bezit niet meer belangrijk is kun je je veilig ter ruste leggen. En als je weet dat je liefhebt en geliefd wordt is het leven zoet. Toen in 1517 Maarten Luther stelling nam tegen de verloedering in de Rooms Katholieke kerk kwam er een proces van kerkhervorming op gang dat tot vandaag door gaat. Nog in de tijd van Maarten Luther trad in Geneve de kerkhervormer Johannes Calvijn op. Onder zijn invloed zijn alle psalmen op muziek gezet zodat iedereen de psalmen ook mee kon zingen. In de tweede helft van de vorige eeuw zijn op die melodieën nieuwe Nederlandse teksten gemaakt die een berijming vormen van de Bijbeltekst. We kunnen dus nog steeds de gitaar, de citer of de harp pakken en psalm 4 meezingen.

De dichter K.Heeroma heeft de tekst van deze psalm berijmd. Over God zegt hij: “die mij, als ik ben ingesloten, ruim baan maakt en mij weer bevrijdt” Aangezien we toch echt maar één God hebben zijn al die machtigen en rijken die het geluk beloven maar schijnheiligen en leugenaars. Over een paar weken wordt er weer op alle mogelijke manieren teruggekeken naar de Tweede Wereldoorlog. Terecht we moeten nooit meer toestaan dat volken en mensen op de weg van dat onnoemelijk leed worden verleid. Dat geldt ook voor onszelf. Voor de Tweede Wereldoorlog werd al gesproken over de zoete vogelaars die arme mensen verleiden op de weg van geweld en eigenwaan. Ook nu nog komt dat voor. Het maken van onderscheid tussen mensen van verschillend geloof, van verschillende afkomst, van verschillende nationaliteit doet sterk denken aan dat wat we nu verkeerd vinden aan de vijanden uit de Tweede Wereldoorlog. Die weg moeten we dus ook nu niet op met onze samenleving. De richtlijnen van God nodigen ons uit de vreemdelingen in ons midden actief bij onze samenleving te betrekken. Dat doen maakt dus dat we mogen wonen in een veilig huis. Wat houdt ons nog tegen.

Wie heeft altijd wat te klagen?

april 13, 2018

Spreuken 23:26-35

26  Mijn zoon, geef me je vertrouwen, vind vreugde in de weg die ik je wijs. 27   Want een hoer is een valkuil, een lichtzinnige vrouw een nauwe put. 28  Ze legt hinderlagen als een rover, door haar neemt ontrouw toe. 29 Wie roept altijd ach en wee, wie maakt altijd ruzie? Wie heeft altijd wat te klagen, wie raakt altijd nodeloos gewond? Wie heeft altijd troebele ogen? 30  Een dronkaard, die tot in de vroege morgen drinkt, die blijft proeven van de wijn. 31  Laat je niet verleiden door de glans van wijn, wanneer hij fonkelt in de beker. Hij glijdt zo makkelijk over de tong, 32  maar later bijt hij als een slang, spuit hij gif als een adder. 33  Dan zie je vreemde dingen en begin je wartaal uit te slaan. 34  Je voelt je heen en weer geslingerd door de golven, alsof je vastzit boven in het want. 35  ‘Ik ben geslagen, maar heb niets gevoeld, ik ben afgerost, maar heb niets gemerkt. Laat ik maar eens opstaan, eerst een beker wijn.’ (NBV)

Er wordt nog wel eens gezegd dat de Bijbel van alles verbiedt dat mensen gewoon een aangenaam leven kan bezorgen. Dat is dus niet waar. Natuurlijk waarschuwt de Bijbel voor van alles dat mensen schade kan berokkenen. Als de Bijbel vandaag geschreven zou worden dan zou je er een waarschuwing tegen het roken in vinden, dat brengt nu eenmaal de kans op hartziekten en longkanker. Zo staan er ook de nodige waarschuwingen in de Bijbel tegen het overmatig gebruik van alcoholhoudende dranken. Vandaag lezen we daar weer een aantal van. Maar het begint met een waarschuwing tegen het gebruik van een hoer. Let op, prostitutie wordt hier niet veroordeeld. Maar prostitutie past niet in de manier waarop de Bijbel wil dat we met mensen omgaan. Samen een partnerschap vormen dat stormen kan weerstaan is er met een hoer niet bij. In zo’n relatie beschouwen mensen elkaar als object waar je van kan profiteren. En Spreuken waarschuwt dat er dus ook van de gebruiker geprofiteerd kan worden en dat die alleen van nut is zolang er geprofiteerd kan worden.

Ook het overmatig gebruik van alcohol houdende drank, wijn in Bijbelse taal, maakt dat de mens geen mens meer is, maar een zielig hoopje wanhoop. Snel boos, altijd aan het klagen, snel gewond en met rood omrande troebele ogen. Dat is iemand die van de vroege morgen tot de late avond alcoholhoudende drank nuttigt. In onze dagen noemen we niet alleen de wijn maar ook sterke drank en bier. Eigenlijk verzet het boek Spreuken zich al tegen het comazuipen. Het ontmenselijkt je. Als je in coma ligt of overmatig dronken bent kan niemand je meer een plezier doen, kan ook niemand meer van jou genieten. Je doet een ander en jezelf dus zeer tekort. En bovendien geniet je eigenlijk helemaal niet meer van de drank die je zoveel onheil brengt. Je wordt er zeeziek van, iedereen die wel eens dronken is geweest zal dit herkennen.

Maar ook een pak slaag voel je niet meer omdat alcohol verdoofd en dat kan zeker niet ongevaarlijk zijn en om te herstellen van de kater heb je eigenlijk weer een nieuw glas alcohol nodig. Nu kun je elk individu veroordelen die te veel drank gebruikt maar onze samenleving maakt het gebruik van drank nu eenmaal tot een gewoonte die de illusie van rijkdom en vrolijkheid geeft. Bij elk staatsdiner hoort immers een forse hoeveelheid wijn, elke feestelijke gelegenheid van de rijken wordt opgeluisterd door het nuttigen van de nodige hoeveelheid drank. Elke feestelijke gelegenheid van de overheid ook wordt rijkelijk besprenkeld met alcohol. Misschien dat we onze overheid eens kunnen vragen het gebruik van alcohol te matigen zodat minder mensen in verleiding worden gebracht. Elke dag kunnen we ondertussen ons opnieuw inspannen om jonge mensen op de goede weg te brengen, ook vandaag weer.

Verwerf de waarheid

april 12, 2018

Spreuken 23:15-25

15  Mijn zoon, als je je verstand gebruikt, loopt mijn hart over van vreugde. 16  Ik word vervuld van blijdschap als je een bedachtzaam oordeel hebt. 17 Wees niet jaloers op zondaars, heb altijd ontzag voor de HEER. 18  Dan heb je een toekomst, je hoop gaat niet verloren. 19 Luister, mijn zoon, en word wijs, kies de juiste weg. 20  Ga niet om met dronkelappen, blijf bij gulzigaards vandaan. 21  Want wie slempt en brast, wordt arm, wie altijd zijn roes ligt uit te slapen, gaat ten slotte in lompen gehuld. 22  Luister naar je vader, hij die je verwekt heeft, veracht je moeder niet wanneer ze oud is. 23  Verwerf de waarheid en verkwansel haar niet, laat je onderrichten, verwerf inzicht en wijsheid. 24  De vader van een wijze is vol blijdschap, wie een rechtvaardige verwekt, is vol vreugde over hem. 25  Mogen je vader en je moeder zich verblijden, zij die je gebaard heeft zich verheugen. (NBV)

Als je niet direct je kinderen met een stok wil slaan, liefhebbende ouders doen zo iets niet. Hoe krijg je kinderen zo ver dat ze wel willen leren wat de Bijbel ons voorhoud. In de eerste plaats door streng te zijn. In de tweede plaats door zeer te laten merken hoe blij je bent dat ze tenminste iets willen  leren. In de derde plaats moet je zelf ook het leren serieus nemen, Zelfs bij het voorlezen zullen ouders zich dat moeten realiseren en als ze dit gedeelte aan kinderen voorlezen zullen ze ook de tijd moeten nemen om er met de kinderen over te praten. De rest van het gedeelte dat we vandaag lezen zijn dan ook lessen waar ook vandaag de dag ouders en kinderen best met elkaar over mogen spreken.

Zelfs het comazuipen wordt in dit gedeelte van het Spreukenboek bestreden. En er is een gemeente die ouders midden in de nacht uit bed belt en naar het politiebureau ontbiedt als de kinderen uit de band zijn gesprongen. Niks alleen de kinderen onderhouden en dan naar huis sturen, ouders en kinderen hebben samen een verantwoordelijkheid voor de orde en het respect in de samenleving. Daarom gaat het ook niet over wat je allemaal wel en niet mag. Daarom gaat het er om dat je eerst nadenkt over wat het met anderen doet voordat je handelt. En als je dan handelt in het inzicht waar het boek Spreuken over heeft, dat je je naaste lief moet hebben als jezelf, dan zijn je vader en moeder blij, dan is God blij, dan wordt de wereld een beetje beter.

In onze dagen klinkt het raar als je tegen kinderen zegt dat vader en moeder blij zijn als je laat blijken er iets van geleerd te hebben en er iets van te willen leren. Wij zijn opgegroeid met het rode potlood. Als we een proefwerk maken of een tentamen of een examen dan horen we wat we fout hebben gedaan. Zelden is er een onderwijzende die een groen potlood hanteert voor al die keren dat een leerling iets goeds heeft gedaan. Wij zijn geneigd het kwade te straffen maar vergeten het goede te belonen. En daar gaat de Bijbel over. Wat kwaad is mag kwaad genoemd worden. Maar het de Bijbel er om om mensen tot het doen van het goede te brengen, niet dan het goede. Daar mogen we elke dag weer opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

 

Sla het met de stok

april 11, 2018

Spreuken 23:1-14

1 Als je bij een machtig man aan tafel zit, vergeet dan niet wie je voor je hebt. 2  Bedwing je gulzigheid, ook al houd je van een goede maaltijd. 3  Laat je niet verleiden door zijn lekkernijen, want je wordt erdoor misleid. 4 Tob jezelf niet af om rijk te worden, zet dat plan opzij. 5  Zodra je op rijkdom afvliegt, is die al verdwenen. Hij krijgt vleugels, plotseling, en vliegt als een arend weg. 6 Ga niet aan tafel bij een gierigaard, laat je niet verleiden door zijn lekkernijen. 7  Hij is door en door berekenend. Zegt hij: ‘Tast toe, ‘dan meent hij er niets van. 8  Wat hij je voorzet, braak je uit, je vriendelijke woorden zijn aan hem verspild. 9 Spreek niet tegen een dwaas, hij veracht je verstandige woorden.10 Verleg geen oude grenzen, schend de akkers van wezen niet. 11  Want hun beschermer is sterk, hij zal hun rechten tegen je verdedigen. 12 Heb een open oor voor onderricht, en een open geest voor kennis. 13  Onthoud een kind geen onderricht, van stokslagen gaat het niet dood. 14  Sla het met de stok, en je redt het van het dodenrijk. (NBV)

Als het bij de ongelovigen opvalt dan regent het vandaag weer protesten op het internet en zijn er zelfs misschien vragen in de Tweede Kamer of dit niet verboden moet worden. Want vandaag wordt op last van het Nederlands Bijbelgenootschap in tal van huisgezinnen gelezen uit een gedeelte van het boek Spreuken waarin staat dat kinderen van stokslagen echt niet doodgaan en dat je het daarom met een stok moet slaan om het te bepalen bij het onderricht en te redden van het dodenrijk. In de Nieuwe Bijbelvertaling zijn deze oproepen niet weg vertaald. We kunnen vandaag niet zeggen dat het zeventiende eeuwse dominees zijn die niet beter wisten en dit hebben opgeschreven. Maar moeten we alles doen wat hier staat? In de negentiende eeuw was er al een Bijbelcommentator die schreef dat een liefhebbend ouder dit niet over het hart zou kunnen verkrijgen, en wie echt zou willen slaan moet dus ook wel heel echt een liefhebbend ouder zijn en dus weten dat slaan toch echt heel verkeerd is.

Waarom staat het er dan? Omdat de opvoeding in het liefhebben van de minsten zo verschrikkelijk belangrijk is. Om het belang in het leren loslaten van eigenliefde en zelfzucht zo groot is. Dat blijkt ook uit het verdere verloop van het gedeelte dat we vandaag lezen. Als je kinderen niet leert voor een ander te zorgen, eerst voor een ander te zorgen en dan pas voor jezelf, de ander lief te hebben als jezelf, dan breek je het komende Koninkrijk van God af in plaats van het op te bouwen. Om ouders van het belang van die opvoeding te doordringen moet je ze eerste goed aan het schrikken brengen. Wij kijken zo graag omhoog, naar de machtigen en de rijken, vergeten daarmee de armen, de minsten.  Het is voor eenvoudige mensen een hele eer bij een bekende Nederlander of een rijke Nederlander aan tafel te zitten. Een hele groep deftige mensen die een rijk diner hebben ziet er heel aantrekkelijk uit. Het boek Spreuken waarschuwt ons er tegen. Je vergeet zo gemakkelijk bij wie je aan tafel zit. Als het machtige en rijke mensen zijn dan zijn het vast geen mensen die de Wet van de God van Israël houden. Delen is er niet bij, anders was hun rijkdom niet zo opvallend.

Daarom wordt er nog eens gewezen op de oude grenzen en de akkers van de wezen. De rijken waren volgens de profeten zij die akker aan akker voegden en de weduwe en de wees beroofden van hun middelen van bestaan. De akker van de wees is het erfdeel dat een wees toekomt om een toekomst op te bouwen. Het is de plaats die een Jood krijgt in het land Israël, zijn eigen plaats. En zelfs als een vreemde keizer, die zich de Heer van de wereld achtte, de opdracht geeft te gaan naar je eigen plaats om je te laten tellen door de belastinginspecteurs dan gaan de Joden naar de plaats die God hen heeft gegeven toen onder Jozua het land werd verdeeld. Die akker is het recht van de armen, elke vijftig jaar hoort de akker weer teruggegeven te worden. En het Nieuwe Testament laat in het verhaal dat Lucas vertelt over Jozef en Maria zien dat met de komst van Jezus van Nazareth dat verbond van de God van Israël voor alle volken in de wereld geldt, voor iedereen is er een plaats. Aan ons om de armen tot hun recht te laten komen, elke dag opnieuw, ook vandaag.

Beroof een arme niet

april 10, 2018

Spreuken 22:17-29

17 Schenk mijn kennis een aandachtig oor, luister naar de woorden van de wijzen. 18  Het is goed ze vast te houden, zodat je ze altijd op je lippen hebt. 19  Jou laat ik ze horen, nu, opdat je op de HEER vertrouwt. 20  Heb ik niet dertig spreuken voor je opgeschreven, vol kennis en goede raad? 21  Het is om je de waarheid te leren, waarachtige woorden, om een betrouwbaar antwoord te geven aan wie je heeft gestuurd. 22 Beroof een arme niet, hij is al arm genoeg. Vertrap een verschoppeling niet als hij terechtstaat in de poort. 23  Want de HEER verdedigt hun rechten, wie hen bedreigen, jaagt hij de dood in. 24 Ga niet om met een heethoofd, houd je niet op met een driftkop, 25  opdat je niet dezelfde weg gaat als hij en voor jezelf een valstrik zet. 26 Geef niet zomaar een handslag, sta niet zomaar borg voor een schuld. 27  Als je die niet kunt voldoen, halen ze je bed onder je vandaan. 28 Verplaats geen oude grenzen, je voorouders hebben ze vastgesteld. 29 Zie je iemand die bekwaam is? Hij komt in dienst van de koning, onaanzienlijken zal hij niet dienen. (NBV)

We hebben al eens gelezen dat het boek Spreuken de Wet van heb je naaste lief als jezelf tot een dagelijkse richtlijn wil maken. Wie het boek Spreuken goed bestudeert heeft zich als het ware een reeks zinnetjes ingeprent die je te binnen schieten als de situatie er om vraagt en jij voor de keus staat hoe te handelen. Tegenwoordig hebben we daar een wetenschap voor: de Ethiek, de leer van de kennis van goed en kwaad. Maar Spreuken gaat voornamelijk om het goede dat mensen kunnen doen. Het kwade is voorbehouden aan goddelozen en dwazen, aan onnozelen en luiaards. En zeg zelf, daar hoor je nooit zelf bij, dat zijn altijd anderen in wie je de omschrijving van het boek Spreuken kan herkennen. Toch is het niet eenvoudig om je voortdurend bewust te zijn van de richting in het leven die in de Bijbel ons wordt aangewezen. In de Synagogen is de gewoonte ontstaan om elke dag de richtlijnen uit de Bijbel in te prenten en te bespreken met elkaar. Daarbij gaat het er niet om wie gelijk heeft, maar welke mogelijkheden er zijn.

Centraal staat altijd de zorg voor de minsten. Ook in het gedeelte dat we vandaag lezen. De arme moet je niet beroven want hij is al arm genoeg. Daar spreekt niet direct liefde uit. Maar als je een arme tegenkomt en deze tekst uit Spreuken schiet je in gedachten zul je ongetwijfeld eerder bereid te zijn met de arme te delen zoals de Bijbel je er toe oproept. Spreuken is daarbij vaak wat optimistischer dan het boek Prediker. Als Spreuken het heeft over de rechtspraak, die traditioneel in de poort plaatsvond, dat roept hij op de verschoppeling niet te vertrappen, Prediker kijkt naar de plaats van het recht en ziet daar onrecht. Mensen tot hun recht laten komen, ongeacht het inkomen dat ze hebben is een plicht van de samenleving leert de Bijbel ons. De richtlijnen die de God van Israël ons geeft zijn een verdediging van de rechten van de armen en de minsten. Niet wie de beste advocaten kan betalen, de fraaiste redevoeringen en documenten op kan laten stellen, maar wie het recht aan zijn zijde heeft dient recht gedaan te worden.

Daarom moet je in het leven niet ondoordacht te werk gaan. Niet met heethoofden en driftkoppen op stap gaan, niet borg gaan staan als je niet kan overzien waarvoor. En vooral verplaats de grenzen niet. In een land dat ingedeeld is volgens een voortdurend proces van ruilverkaveling klinkt dat wat vreemd. Maar in Israël was dit van groot belang voor elke familie. Na de verovering van het land, onder Jozua, was het land zorgvuldig verdeeld onder alle families. Die moesten leven van het land dat hen was toebedeeld. Natuurlijk snapte men dat er families zouden zijn die in de loop van de jaren hun stuk grond kwijt zouden raken. Ziekte, ongelukken, oorlog, misoogsten en wat voor tegenslagen dan ook zouden daarvoor zorgen. Maar er was een uniek systeem om voor de armsten te zorgen. Na vijftig jaar kreeg iedereen het oorspronkelijke stuk land weer terug en kon dan opnieuw beginnen. Voor de inwoners van Israël was dat stuk land hun eigen plaats. Daarom trokken Jozef en Maria op naar Bethlehem, daar lag de plaats door God hen toebedeeld. Wij kennen dit systeem niet meer. Maar elke dag mogen we ons opnieuw inspannen de armen tot hun recht te laten komen, ook vandaag weer.

De mens noemde zijn vrouw Eva

april 9, 2018

Genesis 3:1-24

1 Van alle in het wild levende dieren die God, de HEER, gemaakt had, was de slang het sluwst. Dit dier vroeg aan de vrouw: ‘Is het waar dat God gezegd heeft dat jullie van geen enkele boom in de tuin mogen eten?’ 2  ‘We mogen de vruchten van alle bomen eten, ‘antwoordde de vrouw, 3  ‘behalve die van de boom in het midden van de tuin. God heeft ons verboden van de vruchten van die boom te eten of ze zelfs maar aan te raken; doen we dat toch, dan zullen we sterven.’ 4  ‘Jullie zullen helemaal niet sterven, ‘zei de slang. 5  ‘Integendeel, God weet dat jullie de ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, dat jullie dan als goden zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad.’ 6 De vrouw keek naar de boom. Zijn vruchten zagen er heerlijk uit, ze waren een lust voor het oog, en ze vond het aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou schenken. Ze plukte een paar vruchten en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en ook hij at ervan. 7 Toen gingen hun beiden de ogen open en merkten ze dat ze naakt waren. Daarom regen ze vijgenbladeren aan elkaar en maakten er lendenschorten van. 8  Toen de mens en zijn vrouw God, de HEER, in de koelte van de avondwind door de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor hem tussen de bomen. 9 Maar God, de HEER, riep de mens: ‘Waar ben je?’10  Hij antwoordde: ‘Ik hoorde u in de tuin en werd bang omdat ik naakt ben; daarom verborg ik me.’ 11 ‘Wie heeft je verteld dat je naakt bent? Heb je soms gegeten van de boom waarvan ik je verboden had te eten?’ 12  De mens antwoordde: ‘De vrouw die u hebt gemaakt om mij ter zijde te staan, heeft mij vruchten van de boom gegeven en toen heb ik ervan gegeten.’ 13  ‘Waarom heb je dat gedaan?’ vroeg God, de HEER, aan de vrouw. En zij antwoordde: ‘De slang heeft me misleid en toen heb ik ervan gegeten.’ 14 God, de HEER, zei tegen de slang: ‘Vervloekt ben jij dat je dit hebt gedaan, het vee zal je voortaan mijden, wilde dieren wenden zich af; op je buik zul je kruipen en stof zul je eten, je hele leven lang. 15  Vijandschap sticht ik tussen jou en de vrouw, tussen jouw nageslacht en het hare, zij verbrijzelen je kop, jij bijt hen in de hiel.’ 16 Tegen de vrouw zei hij: ‘Je zwangerschap maak ik tot een zware last, zwoegen zul je als je baart. Je zult je man begeren, en hij zal over je heersen.’ 17 Tegen de mens zei hij: ‘Je hebt geluisterd naar je vrouw, gegeten van de boom die ik je had verboden. Vervloekt is de akker om wat jij hebt gedaan, zwoegen zul je om ervan te eten, je hele leven lang. 18  Dorens en distels zullen er groeien, toch moet je van zijn gewassen leven. 19  Zweten zul je voor je brood, totdat je terugkeert tot de aarde, waaruit je bent genomen: stof ben je, tot stof keer je terug.’ 20 ¶  De mens noemde zijn vrouw Eva; zij is de moeder van alle levenden geworden. 21 God, de HEER, maakte voor de mens en zijn vrouw kleren van dierenvellen en trok hun die aan. 22 Toen dacht God, de HEER: Nu is de mens aan ons gelijk geworden, nu heeft hij kennis van goed en kwaad. Nu wil ik voorkomen dat hij ook vruchten van de levensboom plukt, want als hij die zou eten, zou hij eeuwig leven. 23  Daarom stuurde hij de mens weg uit de tuin van Eden om de aarde te gaan bewerken, waaruit hij was genomen. 24  En nadat hij hem had weggejaagd, plaatste hij ten oosten van de tuin van Eden de cherubs en het heen en weer flitsende, vlammende zwaard. Zij moesten de weg naar de levensboom bewaken. (NBV)

“Alles is toegestaan, maar niet alles is nuttig” zou Paulus later schrijven. En ook hij had het over het goede en het kwade. Want ook al weet de mens dat het goede nu eenmaal ook het beste is en het kwade altijd te vermijden en verwerpelijk, toch gaat de nieuwsgierigheid van de mens altijd naar het kwade uit. De schrijvers van de Bijbel wisten dat. En uit het verhaal van de tuin die God geschapen had en waarvan God had gezien dat het goed was komt de vraag naar het kwade. Hoe zit dat dan? Er is een dier dat zich ongestraft over een boom zou kunnen bewegen die God verboden zou hebben. Dat is de slang, hier staat hij als een sluw, dier maar dat woord wordt elders vertaald met slim. Veel volken uit de tijd dat de Bijbel ontstond geloofden dat de slang een bijzonder dier was. Dat dier liet zijn vel achter en vernieuwde zo zelf zijn leven. En dat beeld wordt hier gebruikt. Als de mens heer is over de dieren dan zal de mens dat vermogen toch ook wel hebben? Dan kan het zelf zijn leven vernieuwen? En dan weten we gelijk van goed en kwaad.

En dan begint het vinger wijzen en etiketten plakken. De vrouw heeft mij er van gegeven, de slang heeft mij misleid. Het volk van Israël heeft maar één God, de schepper van hemel en aarde. Dat goddelijke dier dat zijn leven kon vernieuwen door zijn huid af te werpen is maar een stofkruiper wiens huid sneller slijt door zijn manier van voortbewegen. Als je etiketten van kwaad gaat plakken is het paradijs voorbij. Dan moet er gewerkt en gezwoegd worden. Dan is het plukken van de oogst geen vreugdevolle handeling meer maar zware arbeid. Dan groeit er geen groen om van te leven maar onkruid dat je voedsel bedreigt. Dan ben je door God gevormd uit de rode aarde, maar dan moet je ook maar naar de rode aarde terugkeren, stof ben je en stof zul je weer worden. We kunnen het ook achter ons laten, goed en kwaad laten varen en ons weer richten op het goede en niet dan het goede. Zo begonnen we met Paulus.

De Bijbel vertelt ook dat het verhaal niet uit is met de komst van het kwaad. Pas toen de mens als de dieren in mannetjes en vrouwtjes was geworden en als God kennis van goed en kwaad droeg, kreeg de mens een naam. De vrouw werd Eva genoemd. En als de dieren droeg de mens voortaan kleding, dierenvellen. En de boom van het leven werd onbereikbaar. De tuin waarin het plukken van de bomen een vreugde was werd afgesloten en de aarde waarin je zwetend en ploeterend je brood moet verdienen werd ontsloten. Toen ook moest er om vruchtbaarheid en kinderen gewerkt worden. Zo kreeg ook de man een naam, hier voor het eerst als eigennaam, de mens heette Adam en verwekte nageslacht. Het werd een zoon, Kaïn, niet dat Eva gedacht had een man te baren, uitdrukkelijk stelt ze dat het gebeurde met behulp van God. Zo blijven we alles krijgen van God, we krijgen het om te delen, niet om er zelf beter van te worden. Dat is het verhaal over het goede, in dat verhaal mogen we ook elke dag weer meedoen.

Eindelijk een gelijk aan mij

april 8, 2018

Genesis 2:18-25

18 God, de HEER, dacht: Het is niet goed dat de mens alleen is, ik zal een helper voor hem maken die bij hem past. 19  Toen vormde hij uit aarde alle in het wild levende dieren en alle vogels, en hij bracht die bij de mens om te zien welke namen de mens ze zou geven: zoals hij elk levend wezen zou noemen, zo zou het heten. 20  De mens gaf namen aan al het vee, aan alle vogels en alle wilde dieren, maar hij vond geen helper die bij hem paste. 21 Toen liet God, de HEER, de mens in een diepe slaap vallen, en terwijl de mens sliep nam hij een van zijn ribben weg; hij vulde die plaats weer met vlees. 22  Uit de rib die hij bij de mens had weggenomen, bouwde God, de HEER, een vrouw en hij bracht haar bij de mens. 23  Toen riep de mens uit: ‘Eindelijk een gelijk aan mij, mijn eigen gebeente, mijn eigen vlees, een die zal heten: vrouw, een uit een man gebouwd.’24  Zo komt het dat een man zich losmaakt van zijn vader en moeder en zich hecht aan zijn vrouw, met wie hij één van lichaam wordt. 25  Beiden waren ze naakt, de mens en zijn vrouw, maar ze schaamden zich niet voor elkaar. (NBV)

De uitroep die je hier boven ziet staan die hoor je tegenwoordig maar weinig meer. Mannen roepen dat niet als ze vrouwen zien, vrouwen roepen dat niet als ze mannen zien. Tegenwoordig doen we of mannen en vrouwen zeer verschillen. In het Hebreeuws klinken de woorden voor man en vrouw echter bijna hetzelfde en dat maakt dat wat hier gezegd wordt, een gelijk aan mij, een bijzondere lading krijgt die we niet uit het oog moeten verliezen. In Bijbelse zin, in de Christelijke gemeente, spelen de verschillen tussen man en vrouw geen rol. Ze worden één lichaam, want ze zijn van oorsprong één lichaam en zo keken ze van oorsprong ook naar elkaar. Ze zullen dan ook samen de opdracht te krijgen zich te vermenigvuldigen en de aarde te bevolken.

Van begin af aan is de mens dus niet geschapen als individu maar als meervoud. En dat de mens dan één vlees worden? Een grote Joodse geleerde gaf aan dat man en vrouw samen kinderen krijgen en in die kinderen is het ene vlees dat ze geworden zijn zeer zichtbaar. Het verhaal van Genesis gaat over de schepping, waar komt alles vandaag en waar gaat alles heen. Er ongelijkheid van mensen aan ontlenen is dus niet aan de orde. Wie dat doet legt een eigen verlangen in de Bijbelse teksten. Zelfs de liefde voor mensen van het eigen geslacht die mensen soms hebben speelt hier geen rol. Waar mensen op moeten letten is op het doorgeven van liefde aan de volgende generatie. In onze dagen kan dat ook middels adoptie, een middel waar juist liefde mee kan worden doorgegeven.

In het verhaal van Genesis begint de mens te zingen als die de helper ontmoet die God gebouwd heeft. Die vrouw is een mens zoals een mens is, van hetzelfde gebeente, van hetzelfde vlees, de vrouw. En wie is dan de helper van wie? God heeft de mens geschapen, man en vrouw schiep hij hen. God schiep niet de mens om later een fout te herstellen door een vrouw te scheppen. De mens hoort bij de aarde, de mens kan de helper onder de dieren zoeken. De mens is kennelijk één van de dieren. Maar de mens is net zo vreemd van de dieren als alle soorten dieren vreemd zijn voor elkaar. Zo komt het dat een mens is geroepen tot een dierlijke taak, voortplanten. Elk dier plant zich voort en zo is de mens ook geschapen. Niet iets om je voor te schamen maar iets om dankbaar voor te zijn. En elke positieve bijdrage aan de aarde helpt die voortplanting. Je hoeft je dus nooit voor je zelf te schamen.

 

God schiep de mens

april 7, 2018

Genesis 2:4b-17

4b In de tijd dat God, de HEER, aarde en hemel maakte, 5  groeide er op de aarde nog geen enkele struik en was er geen enkele plant opgeschoten, want God, de HEER, had het nog niet laten regenen op de aarde, en er waren geen mensen om het land te bewerken; 6  wel was er water dat uit de aarde opwelde en de aardbodem overal bevloeide. 7  Toen maakte God, de HEER, de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen. 8 ¶  God, de HEER, legde in het oosten, in Eden, een tuin aan en daarin plaatste hij de mens die hij had gemaakt. 9  Hij liet uit de aarde allerlei bomen opschieten die er aanlokkelijk uitzagen, met heerlijke vruchten. In het midden van de tuin stonden de levensboom en de boom van de kennis van goed en kwaad. 10  Er ontspringt in Eden een rivier die de tuin bevloeit. Verderop vertakt ze zich in vier grote stromen. 11  Een daarvan is de Pison; die stroomt om heel Chawila heen, het land waar goud gevonden wordt. 12  (Het goud van dat land is uitstekend, en er is daar ook balsemhars en onyx.) 13  De tweede rivier heet Gichon; die stroomt om heel Nubië heen. 14  De derde rivier heet Tigris; die loopt ten oosten van Assyrië. De vierde ten slotte is de Eufraat. 15  God, de HEER, bracht de mens dus in de tuin van Eden, om die te bewerken en erover te waken. 16 Hij hield hem het volgende voor: ‘Van alle bomen in de tuin mag je eten, 17  maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven.’ (NBV)

De Hebreeuwse Bijbel is veel minder droog en plechtig dan uit onze deftige Nederlandse vertalingen blijkt. Het Hebreeuws maakt vaak gebruikt van woordspelingen. Zo’n woordspel begint hier al in het begin van het gedeelte dat we vandaag lezen uit de Nieuwe Bijbelvertaling. In het Nederlands horen of lezen we die woordspelingen helemaal niet meer terug. Ook niet in de Naardense Bijbel, of de Herziene Statenvertaling, of de vorige vertaling van het Bijbelgenootschap, of de Oude Statenvertaling. Het Nederlands laat dat nu eenmaal niet toe. Ook in Engelse, Duitse of Franse vertalingen of de oude Vulgaat zijn de Hebreeuwse woordspelingen niet terug te vinden. Dat moet ons extra voorzichtig maken met het letterlijk nemen van de vertaalde teksten. Wie losse teksten uit de Bijbel wil gebruiken moet zowel de grondtekst als de wijze van vertaling nauwkeurig verantwoorden bij het gebruik en die verantwoording wordt helaas maar al te vaak vergeten waardoor sommigen eerder hun eigen Bijbel schrijven dan het Woord van God overbrengen.

Wat is dan dat bijzondere woordspel dat hier plaatsvind. Dat begint met het uitgangspunt, de aarde, die was opnieuw in het verhaal woest en ledig, droog en dor zelfs want het had nog niet geregend. Maar in dit stuk zijn de woorden mens, aarde, land, aardbodem en akker allemaal woorden die in het Hebreeuws op elkaar lijken. De aarde moet bewerkt worden maar de mens ook, die de levensadem van God krijgt. En als dan de tuin is afgepaald en er bomen met vruchten opschieten dan moet de aarde bewerkt worden zodat er dieren ontstaan waarover de mens kan heersen. Dan moet vervolgens de mens bewerkt worden zodat die niet langer alleen is. Dat zijn dus geen losse gebeurtenissen maar uit de manier waarop het verhaal ons wordt verteld is het één proces, het verhaal over de wording van de mens en zijn verhouding tot de aarde.

Waar die ideale tuin overigens gelegen heeft is niet helemaal duidelijk. De meest stoutmoedige opvatting is dat de schrijver hier namen noemt die de tuin plaatsen in het midden van het land van de ballingschap. Daar waar het volk Israël na de verwoesting van de Tempel en Jeruzalem heengevoerd was lag het land, de bloedrode akker, waar de bloedrode mens uit gevormd was. Niet om de goden te dienen zoals de Babyloniërs geloofden, maar om de geliefden van God te zijn. Geliefden omdat zij zijn geboden zouden onderhouden. De mens wordt immers geroepen om te kiezen voor het leven en weg te blijven bij de kennis van goed en kwaad. Paulus zou zeggen dat we het goede moeten doen en niet dan het goede. Dat begon al bij het begin. Daar ging het om en daar gaat het om, ook vandaag nog. Ook dit verhaal spoort ons aan geen onderscheid tussen mensen te maken, niet de ene hoger te stellen dan de ander, geen oordeel over elkaar uit te spreken en je niet voor elkaar te schamen. Dat goede kunnen we elke dag opnieuw doen, ook vandaag weer.

 

Je hebt geen kwaad meer te vrezen.

april 6, 2018

Sefanja 3:9-20

9  Dan zal ik de lippen van de volken rein maken, zij zullen de naam van de HEER aanroepen, ze zullen hem dienen, zij aan zij. 10  Van over de rivieren van Nubië zullen zij die ik verstrooid heb mij komen vereren en mij hun offergaven brengen. 11  Op die dag hoef je je niet meer te schamen voor alle daden waarmee je tegen mij in opstand kwam. Wie van overmoed vrolijk is laat ik uit je midden verdwijnen, op mijn heilige berg zul je niet meer hoogmoedig zijn. 12  Ik zal een arm en zwak volk binnen je muren achterlaten dat in de naam van de HEER een toevlucht vindt. 13  Wie er van Israël overblijven, zullen niet langer onrecht doen, ze zullen geen leugens spreken, uit hun mond zal geen bedrieglijke taal meer klinken. Ze zullen weiden en rustig liggen, en niemand die ze stoort. 14  Jubel, vrouwe Sion, zing van vreugde, Israël, juich met heel je hart, vrouwe Jeruzalem! 15  De HEER heeft het vonnis over jou tenietgedaan en je vijand verdreven. De HEER, de koning van Israël, is in je midden, je hebt geen kwaad meer te vrezen. 16  Op die dag zal men tegen Jeruzalem zeggen: ‘Wees niet bang, Sion! Laat de moed niet zinken!’ 17  De HEER, je God, zal in je midden zijn, hij is de held die je bevrijdt. Hij zal vol blijdschap zijn, verheugd over jou, in zijn liefde zal hij zwijgen, in zijn vreugde zal hij over je jubelen. 18  Alle treurenden zal ik bijeenbrengen, verzamelen wie op je feesten moesten ontbreken. Hun vernedering drukte zwaar op de stad. 19  In die tijd zal ik afrekenen met je verdrukkers, de kreupelen zal ik redden, de verstrooiden bijeenbrengen. En hen die in de hele wereld werden veracht zal ik met eer en roem overladen. 20  In die tijd breng ik jullie terug. Ik zal jullie verzamelen, je zult met eer en roem overladen worden door alle volken op aarde. Met eigen ogen zullen jullie zien hoe ik je lot ten goede keer-  zegt de HEER. (NBV)

“Door het vuur van mijn woede vergaat heel de aarde” was de laatste regel van het lied dat we gisteren lazen. Maar dat is niet de laatste regel die van dit lied van Sefanja in de Bijbel staat. Vandaag lezen we het tweede deel dat onlosmakelijk bij het eerste deel hoort. Gaat het in het eerste deel over de kansen die we krijgen om die verwoesting van de aarde te ontlopen, vandaag gaat het over de aarde zoals die zal ontstaan als we die kansen ook grijpen. Dan klinken niet meer de namen van de afgoden, dan wordt er niet meer geroepen om winst en profijt. Dan klinkt alleen de naam de van God van Israël, die er zijn zal zoals hij er zal zijn. Nubië, of Ethiopië zoals vroeger werd vertaald, of Koesj zoals het in het Hebreeuws heette, was het land aan de rand van de aarde, verder kon je niet gaan en vanaf die uiterste rand van de wereld komen de mensen om mee te delen van het goede aan hen die het nodig hebben. Want de offergaven aan de God van Israël zijn de goede daden die je doet voor de minste van zijn kinderen, de minste van de mensen op aarde.

Mooi is natuurlijk dat er geen scheiding wordt gemaakt tussen brave mensen die nooit iets verkeerd deden en mensen die alleen voor zichzelf hadden geleefd, niemand hoeft zich meer te schamen voor de verkeerde dingen die gedaan zijn, voor de keren dat je de armen voorbij bent gelopen, dat je je eigen plezier belangrijker vond dan het lot van de hongerigen. Aan het eind van de ballingschap zijn er in Jeruzalem alleen nog slachtoffers van bezetting en ballingschap te vinden. Maar het zijn dan wel de mensen die weer weet hebben van het heb Uw naaste lief als Uzelf en dat in de praktijk brengen. Dat zijn de mensen waar het goede van uit gaat en die daardoor niets meer te vrezen hebben. Daar mag in de Tempel over gezongen worden, want die Tempel staat op de berg Sion in het midden van Jeruzalem.

Dan breekt de bevrijding aan van armoede, onderdrukking en geweld, dan wordt er gedanst in de straten zoals in onze dagen gedanst wordt in de straten van steden waar de mensen hun dictators hebben verjaagd om opnieuw te beginnen met een echte rechtvaardige samenleving. Juist die armen waar iedereen in de wereld op neerkijkt, waar je geen militaire bondgenootschappen mee kunt sluiten, waar je geen handel mee kunt drijven omdat ze er te arm voor zijn, zullen bewondering en respect afdwingen. Hun idealen van recht en rechtvaardigheid, van vrijheid en eerlijkheid zullen respect afdwingen en navolging krijgen. Wij zijn het zelf die het mogen navolgen, elke dag weer opnieuw, zeker ook vandaag als we er weer op uit gaan om hongerigen te voeden en naakten te kleden. Vandaag zullen we het weer mogen zien.