Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Je eigen kwaad zal je straffen

februari 7, 2019

Jeremia 2:14-22

14 Is Israël een knecht, is het soms als slaaf geboren? Waarom is het dan een weerloze prooi? 15 Leeuwen briesen ertegen, heffen een machtig gebrul aan. Ze maken van het land een woestenij, de steden zijn verwoest, ontvolkt. 16 Manschappen uit Memfis en Dafne stropen je heuvels kaal. 17 Je hebt het aan jezelf te wijten, je hebt de HEER, je God, verlaten toen hij je leidde op je weg. 18 Nu dan, waarom ga je naar Egypte, wil je water drinken uit de Nijl? Waarom ga je naar Assyrië, wil je water drinken uit de Eufraat? 19 Je eigen kwaad zal je straffen, je eigen ontrouw keert zich tegen je. Weet wel: doordat je mij verlaten hebt, voor mij geen ontzag meer hebt, loopt het jammerlijk met je af- spreekt de HEER, de God van de hemelse machten. 20 Je brak je juk steeds weer in stukken, rukte je riemen los en zei: “Ik wil niet dienstbaar zijn.” Maar op elke hoge heuvel, onder elke bladerrijke boom, lag je als een hoer te wachten. 21 Ik heb je geplant als een edele druif, een prachtige stek, maar wat ben je geworden? Een verwilderde wijnstok, woekerende ranken! 22 Ook al was je je kleren met zeep, en met een overvloed aan loog, je schandvlek blijf ik zien- spreekt God, de HEER. (NBV)

Er zijn in onze dagen talloze verslavingen. Mensen die als vrije gezonde mensen geboren zijn raken volledig afhankelijk van hetgeen ze aan verslaafd zijn. Op die manier moet je de vraag verstaan die aan het begin van het stuk staat dat we vandaag lezen. Israël was immers bevrijdt door de God van Israël, die ze het land had gegeven overvloeiende van melk en honing. En nu komt de leeuw van Assyrië die de steden verwoest en ontvolkt en van het land een woestenij maakt. En de soldaten uit Egypte, van Memfis in het zuiden tot Dafne in het Noorden, stropen de heuvels kaal. En die laatste vertaling, van die heuvels is eigenlijk jammer. Er staat namelijk dat de schedel kaalgevreten wordt. En aangezien Israël hier als vrouw wordt aangesproken herinnert dat direct aan de gewoonte om gevangen genomen vrouwen kaal te scheren als teken dat ze slaaf gemaakt waren.

Dat Israël een speelbal is geworden heeft het aan zichzelf te wijten. Van recht doen aan allen, van zorg voor de zwaksten en de minsten in het land was al lang geen sprake meer, integendeel, ieder zorgde voor zichzelf op de eerste plaats. Vrijheid voor het individu, geen regels, geen moreel appel, geen betrokkenheid meer bij elkaar en dus geen stabiliteit. Verdragen met grootmachten moesten de veiligheid waarborgen. De Egyptische Nijlgod en de Assirische god van de Eufraat moesten beurtelings meer veiligheid bieden dan de God van Israël. Dat daardoor de onveiligheid alleen maar toenam werd niet gezien en niet geloofd. Het juk van de Wet van heb uw naaste lief als uzelf werd afgeworpen, de riemen van behandel een ander zoals je zelf wilt worden behandeld werden doorgesneden.

Het gevolg was dat Israël een speelbal werd van alle godsdiensten en culturen die haar de baas wilden zijn. Een verwilderde wijnstok werd het, het lijkt nog wel vruchtbaar maar de vruchten zijn niet meer te eten en ongeschikt voor de wijn. Het vuil dat het nalopen van andere goden op de kleren achterlaat is niet meer weg te wassen of uit te poetsen. De kameel en de ezelin worden gebruikt om aan te duiden dat ook Israël zich overgaf aan de Tempelprostitutie die gewoon was in Kanaän en onderdeel uitmaakte van de godsdienst van Baäl. Godsdienstigheid gemeten aan seksuele potentie wordt in de Bijbel altijd als een gruwel afgeschilderd, vooral als die seksuele activiteiten helemaal niet passen bij de gelovigen die er toe verplicht worden. De Bijbel roept de religie op zich niet met seksualiteit bezig te houden. Als twee mensen van elkaar houden dan moeten mensen daar niet tussen komen. Die oproep klinkt ook vandaag nog, jammer dat het nodig is.

Roep Jeruzalem toe

februari 6, 2019

Jeremia 2:1-13

1 De HEER richtte zich tot mij: 2 ‘Roep Jeruzalem toe: Dit zegt de HEER: Ik weet nog hoe je me liefhad in je jeugd, van me hield als mijn bruid, hoe je me volgde door de woestijn, dat land waar niet wordt gezaaid. 3 Israël is aan de HEER gewijd, het is de eerste vrucht van zijn oogst. Wie het verslindt, laadt schuld op zich, hij wordt door onheil getroffen- spreekt de HEER. 4 Luister naar de woorden van de HEER, volk van Jakob. Stammen van Israël, luister allemaal! 5 Dit zegt de HEER: Welk onrecht heb ik jullie voorouders gedaan dat ze mij hebben verlaten, dat ze achter nietige goden aan liepen en zelf nietswaardig werden? 6 Zij zeiden niet: “Waar is de HEER, die ons uit Egypte heeft bevrijd, die ons heeft geleid door de woestijn, door een land van steppen en ravijnen, een land zo dor en duister, een land waar niemand doorheen trekt, waar geen mensen wonen.” 7 Ik leidde jullie naar een land vol boomgaarden, een rijke oogst aan vruchten wachtte jullie daar. Jullie kwamen er-en bezoedelden mijn bezit, mijn eigen land werd mij een gruwel. 8 De priesters zeiden niet: “Waar is de HEER?” De hoeders van de wetten kenden mij niet. De herders kwamen tegen mij in opstand. De profeten lieten zich door Baäl leiden en liepen achter goden aan van wie geen hulp was te verwachten. 9 Daarom klaag ik jullie nogmaals aan, en de kinderen van je kinderen klaag ik aan- spreekt de HEER. 10 Ga naar de Griekse eilanden, vraag na, trek naar Kedar, onderzoek: is zoiets ooit gebeurd, 11 heeft ooit een volk zijn goden ingeruild? En goden zijn het nog niet eens! Maar mijn volk heeft zijn eer verruild voor iets dat geen hulp bieden kan. 12 Hemel, wees ontzet! Huiver, sidder en beef! – spreekt de HEER. 13 Twee wandaden heeft mijn volk begaan: het heeft mij verlaten, de bron van levend water, en het heeft waterkelders uitgehouwen, kelders vol scheuren, waarin het water niet blijft staan. (NBV)

Waarom zou de profeet Jeremia nu uitgerekend naar Jeruzalem gestuurd moeten worden om het volk op te roepen weer de Weg te gaan van de God van Israël? In Jeruzalem was toch de Tempel en Jeremia was toch een Priester, in elk geval de zoon van een Priester en afkomstig uit een Priesterstad? Allemaal waar, maar we weten uit de geschiedenis van Koning Josia, die opgetekend staat in het eerste boek Koningen, dat men in Jeruzalem totaal vergeten was waar die Tempel eigenlijk over ging en wat de geschiedenis was van het volk met die God van Israël. Jeremia begint dan ook daar aan te herinneren. Hij spreekt over die wonderlijke tocht door de woestijn. Toen had het volk te eten zonder dat er gezaaid en geoogst werd, toen heeft het volk de God van Israël voor het eerst ontmoet. Toen heeft die God beloofd het volk te beschermen en een land te geven dat zou overvloeien van melk en honing.

En dat land was er gekomen, van dat land werd Jeruzalem immers de hoofdstad. Maar de voorouders van de tijdgenoten van Jeremia hadden die God verlaten. Zelfs de Priesters waren die God ontrouw geworden en waren Priesters van de god Baäl geworden, de god van winst en profijt, wiens beeld vruchtbaarheid moest brengen. Dat de God van Israël zelf het land had geschapen dat vruchtbaar was werd vergeten. En dat vergeten had ernstige gevolgen. De eerstelingen van de oogst, zo vertelt Jeremia, werden zelf opgegeten. En die eerstelingen van de oogst moesten nu juist gedeeld worden met de armen, met de priesters, met de vreemdelingen die onder het volk woonden. Met het vergeten van dat delen begon het verlaten van de God van Israël. En het is onbegrijpelijk dat men dat kon doen. Ga naar de Griekse eilanden staat er en trek naar Kedar. Wij zouden tegenwoordig zeggen dat je de hele wereld zou kunnen afzoeken en dan vindt je nog geen volk dat zijn God had ingeruild voor een god die niks kan doen. Want die afgoden, Baäl voorop, zijn eigenlijk helemaal geen goden.

Al dat streven om carrière te maken, om de populariteitsrace te winnen, om de eerste de beste te worden, om rijk te worden en steeds rijker, om steeds grotere bonussen binnen te halen, leidt helemaal niet naar meer geluk, naar meer genieten van het leven. Integendeel, het leidt tot afgunst, tot diefstal, tot inhaligheid, tot een leven van leegheid met materiele zaken, tot ziekten en verslaving, tot eenzaamheid in lege relaties die alleen om het materiële gewin draaien. De waarschuwingen van Jeremia zijn ook in onze dagen hoogst actueel. De afkeer van de zorg voor de armen, voor de zwaksten, voor de minsten, die in onze dagen hoogtij viert maakt dat het delen niet meer vanzelfsprekend is. Dat rechtdoen aan mensen nooit hulp zal vervangen. En hulp is goed in nood, maar recht doen aan mensen door eerlijke en rechtvaardige verhoudingen, eerlijke handelsverhoudingen voorop, kan pas echte gerechtigheid, vrede en vreugde brengen. Al het andere is gelijk aan het bouwen van waterkelders waar scheuren in ontstaan. Beter is het waterbronnen te slaan, die blijven stromen. En zorgen voor rechtvaardige verhoudingen daar kunnen we vandaag weer opnieuw mee beginnen, de Weg van de God van Israël.

Ik zie een amandeltwijg

februari 5, 2019

Jeremia 1:11-19

11 De HEER richtte zich tot mij: ‘Wat zie je, Jeremia?’ Ik antwoordde: ‘Ik zie een amandeltwijg.’ 12 ‘Dat zie je goed, ‘zei de HEER, ‘zo snel als een amandelboom in het voorjaar uitbot, zo snel laat ik mijn woorden uitkomen.’ 13 De HEER richtte zich opnieuw tot mij: ‘Wat zie je?’ Ik zei: ‘Ik zie een gloeiend hete kookpot die vanuit het noorden overhelt.’ 14 De HEER zei: ‘Vanuit het noorden zal onheil over alle inwoners van dit land worden uitgestort. 15 Ik roep de volken van alle koninkrijken uit het noorden op-spreekt de HEER. Ze zullen dit land binnenvallen en hun tronen voor de poorten van Jeruzalem zetten, rondom de muren en om alle andere steden van Juda. 16 Ik zal het volk vonnissen voor al het kwaad dat het heeft gedaan. Ze hebben mij verlaten, wierook gebrand voor andere goden en geknield voor wat ze zelf gemaakt hebben. 17 Jij, Jeremia, maak je gereed en zeg hun alles wat ik je opdraag. Laat je door hen geen angst aanjagen, anders zal ik jou angst aanjagen in hun bijzijn. 18 Ik maak je nu tot een vestingstad en een ijzeren zuil, tot een bronzen muur om stand te houden tegen het hele land: de koningen en leiders van Juda, de priesters en het volk. 19 Ze zullen je bestrijden, maar niet verslaan, want ik zal je ter zijde staan en je redden-spreekt de HEER.’ (NBV)

Wij kennen ze als sneeuwklokjes. Van die bloemen die te vroeg zijn. Als de sneeuw er nog ligt komen ze al boven de grond uit en zoeken ze het zonlicht. In Israël hadden ze de amandelboom. Vroeg in het voorjaar was dat de eerste boom die in bloei kwam. En net als het sneeuwklokje bij ons was de amandelboom in Israël het onbetwistbare teken dat de lente er aan kwam. Hoe koud het ook nog was, hoe fel de voorjaarsstormen ook nog te keer konden gaan, de lente kwam er aan. Een prachtig beeld voor de belofte van de God van Israël dat, ondanks alle ellende die we in de wereld zien, de hemel op aarde zal neerdalen. Jeremia had in zijn dagen zo’n beeld nodig. Want als hij goed keek zag hij niets dan dreiging groeien voor zijn land en zijn volk. De richtlijn van de God van Israël, het heb Uw naaste lief als Uzelf, was vergeten. Overal werd afgodendienst bedreven. En rondom klonterden de volken samen tot machtige rijken. Vooral in het noorden werd de dreiging voor kleine volkjes als Juda steeds groter. Dat kon nooit goed aflopen. Er zou een dag komen dat Israël, dat zelfs Juda, niet meer zou bestaan en dat vreemde volken zouden heersen over Jeruzalem.

Een volk dat geen respect meer kan afdwingen door te zorgen voor de minsten en de zwaksten in zijn samenleving zal behandeld worden net als alle andere volken die bezetters kennen en vreemde heersers. Het beeld van de overhellende pot kokend water op een vlammend vuur zegt genoeg. Als je je door de wind van het noorden laat verwarmen dan zul je bij het noorden moeten horen. Die windstreken moet je dus niet zo letterlijk nemen maar als je meegaat in een cultuur van haat en eigenwaan dan zul je overheerst worden door een cultuur die je vreemd is en die haat zaait en van eigenwaan druipt. Het is de jonge Jeremia angstig te moede als hij beseft dat hij deze boodschap van onheil en ondergang moet brengen aan zijn volk en vooral aan de leiders van zijn volk. Maar de God van Israël maakt hem sterk, een vestingstad, een ijzeren zuil, een bronzen muur. Hij kan tegenstand verwachten maar uiteindelijk zal hij onverslaanbaar blijken. Het zijn beelden die in scherp contrast lijken te staan met het beeld uit het begin van dit verhaal.

Een bronzen muur tegenover een bloeiende amandeltwijg, een ijzeren zuil tegenover ons sneeuwklokje. Maar dat contrast is maar schijn. Zoals de amandeltwijg en het sneeuwklokje een geweldige kracht in zich moeten hebben om tegen de winterkou in toch tot bloei te komen zo schuilt in de jonge Jeremia, en dus in alle jongeren, een geweldige kracht als ze de mensen op roepen om de weg van de wereld te verlaten en de Weg van de God van Israël te volgen. Niet langer zal vruchtbaarheid, zullen winst en profijt, voorop moeten staan, maar de zorg voor de minsten op aarde zal het handelen van mensen en volken moeten bepalen. Ja de zorg voor de aarde zelf moet centraal staan. Delen zal het werkwoord moeten zijn dat hebben verdrijft. Niet de prachtigste technologische uitvindingen die de mode van vandaag bepalen maar het voeden van de hongerigen en het kleden van de naakten zullen de wereldwijde aandacht moeten hebben. Als dat gebeurd zal ook bij ons onweerstaanbaar de lente aanbreken, dwars tegen alle winterkou in. We kunnen er vandaag nog mee beginnen.

Ik ben te jong

februari 4, 2019

Jeremia 1:1-10

1 Hier volgen de woorden van Jeremia, de zoon van Chilkia, afkomstig uit een priestergeslacht uit Anatot in het gebied van Benjamin. 2 De HEER richtte zich tot hem in het dertiende jaar dat koning Josia, de zoon van Amon, over Juda regeerde. 3 Ook sprak hij tot hem tijdens de regering van koning Jojakim, de zoon van Josia, en in de jaren daarna, tot het einde van het elfde regeringsjaar van Sedekia, de zoon van Josia. In de vijfde maand van dat jaar werd Jeruzalem in ballingschap gevoerd. 4 De HEER richtte zich tot mij: 5 ‘Voordat ik je vormde in de moederschoot, had ik je al uitgekozen, voordat je de moederschoot verliet, had ik je al aan mij gewijd, je een profeet voor alle volken gemaakt.’ 6 Ik riep: ‘Nee, HEER, mijn God! Ik kan het woord niet voeren, ik ben te jong.’ 7 Maar de HEER antwoordde: ‘Zeg niet: “Ik ben te jong.” Richt je tot iedereen naar wie ik je zend en zeg alles wat ik je opdraag. 8 Wees voor niemand bang, want ik zal je ter zijde staan en je redden-spreekt de HEER.’ 9 En de HEER strekte zijn hand uit, raakte mijn mond aan en zei tegen mij: ‘Hiermee leg ik mijn woorden in jouw mond. 10 Nu, op deze dag, geef ik je gezag over alle koninkrijken en volken, om ze uit te rukken en te verwoesten, om ze te vernietigen en af te breken, op te bouwen en te planten.’ (NBV)

Hier beginnen we te lezen in het boek van de profeet Jeremia. Die kwam uit Anatot, een stadje ten noordoosten van Jeruzalem waar allemaal priesters woonden. De priesters kwamen uit de stam Levi en die had in de dagen van Jozua geen eigen grond gekregen. Wel waren er een paar steden aangewezen waar ze mochten wonen. Het volk moest er voor zorgen dat ze in leven bleven. Daar waren ook de offers voor bedoeld die aan God gebracht moesten worden. Doordat de Priesters niet zelf hun eten konden verbouwen werd iedereen gedwongen om te leren delen. De dagen waarin Jeremia leefde waren ronduit spannend. Het land Israël was in twee delen uiteengevallen, een rijk Israël in het Noorden, met als hoofdstad Samaria en een rijk Juda in het zuiden met als hoofdstad Jeruzalem. Toen Jeremia begon te profeteren was Josia koning van Juda. Het was een tijd van godsdienstige woelingen. Jeremia was nog opgevoed in de leer van de God van Israël die het volk uit de slavernij van Egypte had geleid, maar van die godsdienst was in Israël weinig over.

Toen Jeremia al vijf jaar bezig was te profeteren drong het verhaal over die God pas door in het paleis van koning Josia. Die liet weer eens de Tempel in Jeruzalem restaureren. In de muur van de Tempel werd een boek gevonden waarin wetten stonden en een verhaal over de ontmoeting van het volk met die God in de woestijn. Geleerden zijn van mening dat dit verhaal gaat over het boek Deuteronomium. Josia herstelde toen de godsdienst van de God van Israël. Dat er ten tijde van Jeremia profeten nodig waren die het volk weer konden vertellen over het heb uw naaste lief als uzelf is dus duidelijk. Bovendien was er een dreigende militaire macht van Egypte waardoor het volk ook weer onder de heerschappij, dus als slaven, van Egypte zou kunnen worden. Waar Jeremia geroepen werd om te profeteren staat niet in het verhaal. Wel hoe. Hij hoorde de stem van God. En die God kende hem al voor hij werd geboren. De manier waarop hier over de relatie van God met Jeremia wordt verteld lijkt in het Hebreeuws wel op de manier waarop ook de intieme liefde tussen twee mensen in de Bijbel wordt beschreven. Ze kennen elkaar staat er dan vaak.

God heeft de mens dus kennelijk al lief voordat de mens zelfs nog maar bestaat. En God roept een mens altijd al tot profeet. Mensen hebben altijd de mooiste smoezen om het maar niet over de Weg van de God van Israël te hebben. Altijd maar wijzen op de minsten op de aarde, op de armsten, op de slachtoffers van oorlog en geweld, op de slachtoffers van de streken van de rijken en de machtigen, maakt je niet populair. Ook Jeremia vindt het maar niks dat hij geroepen wordt. Hij vindt zich te jong. Maar volgens de God van Israël ben je dus kennelijk nooit te jong om je hand uit te steken naar mensen die hulp meer dan ooit nodig hebben. De klimaatspijbelaars zijn ook profeten door God geroepen. En zeker niet te jong om ons te wijzen op onze aarzeling het leven aan te passen aan de toekomst. Er zijn ook rijken en machtigen die roepen dat ze jong zijn. God niet. En dan vinden je lippen woorden die je zelf niet had kunnen bedenken. Dat was een ervaring die ook Jeremia had, die wij kunnen hebben als we er vandaag weer mee beginnen.

Doe recht aan weerlozen

februari 3, 2019

Psalm 82

1 Een psalm van Asaf. God staat op in de hemelse raad, hij spreekt recht in de kring van de goden: 2 ‘Hoe lang nog oordeelt u onrechtvaardig en kiest u partij voor wie kwaad doen? sela 3 Doe recht aan weerlozen en wezen, kom op voor verdrukten en zwakken, 4 bevrijd wie weerloos zijn en arm, red hen uit de greep van wie kwaad wil. 5 U toont geen inzicht, geen begrip, en doolt in duisternis rond, de aarde wankelt op haar grondvesten. 6 Ooit heb ik gezegd: “U bent goden, zonen van de Allerhoogste, allemaal.” 7 Toch zult u sterven als mensen, ten val komen als aardse vorsten.’ 8 Verhef u, God, spreek recht op aarde, alle volken behoren u toe. (NBV)

Een mooi lied. Je ziet het voor je. Een vergadering van goden, die hebben geen licht nodig, die stralen het zelf wel uit. Maar zullen velen denken: er is toch maar één god? Voor de armen wel, die hebben in die vergadering van goden maar één god die er voor hen is, dat is de God van Israël. En dan schud men het hoofd, want het blijft een rare voorstelling van zaken. En dat is ook zo. Wij geloven al een aantal eeuwen aan één God, daar waar er meer goden zijn is nog een primitieve samenleving, met ziekten en modder en zo, waar de riolering nog ontbreekt. Dat was in de oudheid anders. Als je in de gunst stond van een god dan was je rijk en welvarend. Dan leek je eigenlijk het meest op de god die door jou wordt gediend. In één van de Psalmen staat dan ook dat we kinderen van God genoemd zullen worden. Jezus van Nazareth zal dat veel later herhalen.

Hier zijn het goden die als mensen zullen sterven. Het zijn dus geen onsterfelijke goden. Wij hebben ook zo’n godenvergadering. Deftig noemen we dat het economisch forum in Davos. Daar lopen de allerrijkste en allermachtigste mensen van de wereld rond. Niet om hun eigen positie ter discussie te stellen maar om zich af te vragen hoe ze al die armere mensen aan het werk kunnen krijgen om de problemen in de wereld op te lossen. Want het is toch erg dat er mensen van honger omkomen, dat er geen gezondheidszorg is, dat mensen dom blijven en niet leren lezen en schrijven. De allerrijksten geven graag aan goede doelen. Natuurlijk kleinigheden als je het vergelijkt met hun vermogens maar toch, de goede doelen zijn er blij mee. Dit jaar stond er iemand op die een andere aanpak voorstelde. Betaal uw belastingen, doe niet meer aan belastingontwijking en al helemaal niet meer aan belastingontduiking.

Hij veroorzaakte paniek. Want belasting betalen betekent dat je de zeggenschap over je geld aan anderen overdraagt, aan veel armere mensen die het onderling zullen verdelen. Dan verdwijnt je privevliegtuig omdat die vervuilt en lawaai maakt. Dan wordt je prive-eiland open gesteld voor toeristen, omdat de mooie natuur voor iedereen bestaat. Dan is het afgelopen met de jacht op wilde dieren. Dan gaan er allemaal mogelijkheden verloren om geld te verdienen. Want die dure medicijnen maken die weerlozen dan zelf wel. Die God van Israël roept maar een eind weg. Bevrijden van de armoede, hoe bestaat het, recht doen aan weerlozen en wezen, vooral die wezen die de armoede ontvlucht zijn. Je laat de mensen die niet rijk kunnen worden toch niet hun eigen gang gaan en uitmaken hoe hun samenleving in elkaar moet zitten? En wezen die niet alleen de armoede maar ook de aalmoezen ontvluchten. De dichter van deze psalm kiest onvervaard partij. De God van Israël moet de baas zijn. Betaal uw belastingen, ontwijk en ontduik niet.

Toen bedaarde de woede van de koning.

februari 2, 2019

Ester 7:1-8:2

1 Zo waren de koning en Haman weer bij koningin Ester te gast. 2 Ook op deze tweede dag zei de koning, terwijl de wijn geschonken werd, tegen Ester: ‘Wat wilt u vragen, koningin Ester? Het zal u gegeven worden. Wat is uw wens? Al was het de helft van mijn rijk, uw wens zal vervuld worden.’ 3 Koningin Ester antwoordde: ‘Majesteit, als u mij goedgezind bent en als het de koning goeddunkt, schenk mij en ook mijn volk dan het leven; dat is wat ik wil vragen, dat is mijn wens. 4 Want we zijn verkocht, mijn volk en ik, om gedood te worden en volledig te worden uitgeroeid. Als we waren verkocht als slaven en slavinnen, dan zou ik hebben gezwegen, want zo’n ramp zou de belangen van de koning niet schaden.’ 5 ‘Wie is die man, waar is die man die zijn zinnen erop heeft gezet om zoiets te doen?’ vroeg koning Ahasveros aan koningin Ester. 6 En Ester antwoordde: ‘Die meedogenloze vijand, dat is die ellendeling daar, Haman!’ Haman kromp ineen van angst voor de koning en de koningin. 7 Woedend stond de koning van tafel op en ging de paleistuin in. Maar Haman bleef, om koningin Ester om zijn leven te smeken, want hij besefte dat hij van de koning niets goeds te verwachten had. 8 Toen de koning uit de paleistuin terugkwam in het vertrek waar de maaltijd werd gehouden, had Haman zich juist laten neervallen op de bank waarop Ester lag. ‘Ook nog de koningin aanranden in mijn aanwezigheid?!’ riep de koning uit. Nauwelijks had hij deze beschuldiging geuit of men bedekte Hamans gezicht. 9 Charbona, een van de eunuchen die de koning dienden, zei: ‘Staat er bij Hamans eigen huis niet al een paal van vijftig el hoog, die Haman heeft neergezet voor Mordechai, dezelfde Mordechai die de koning ooit zo’n grote dienst heeft bewezen?’ ‘Hang hem daaraan, ‘zei de koning. 10 Zo werd Haman aan de paal gehangen die hij had laten klaarzetten voor Mordechai. Toen bedaarde de woede van de koning. 1 Diezelfde dag nog schonk koning Ahasveros de bezittingen van Haman, de vijand van de Joden, aan koningin Ester. En Mordechai kreeg vrij toegang tot de koning, want Ester had verteld in welke relatie hij tot haar stond. 2 De koning deed de zegelring af die hij Haman had afgenomen en gaf die aan Mordechai. En Ester gaf Mordechai het beheer over Hamans bezittingen. (NBV)

Het is een mooi Carnavalsverhaal dat in alle eeuwen een grote populariteit heeft gekregen. Het arme weesmeisje uit een vreemd land Ester wordt Koningin, en de wrede hooghartige regeerder Haman hangt aan de paal die hij voor zijn vijand had opgericht. Kan het? mooier? Nou het zou mooier kunnen. Waar blijft de vergeving in dit verhaal? Zulke subtiliteiten passen natuurlijk niet een Carnavalsverhaal. Het Joodse Purimfeest kent net zulke feesten en verkleedpartijen als ons eigen Carnaval. Hoewel het het enige feest is dat niet aan een bijzondere gebeurtenis in het jaar is gekoppeld, begin van de oogst of het einde daarvan bijvoorbeeld, maar het volgens het verhaal valt op een datum die ooit door het lot is bepaald, valt het altijd in het voorjaar.

Voor het seizoen van zaaien, planten, maaien en oogsten begint mogen de armen nog eenmaal uit de band springen. Alle overgebleven voedsel uit de wintertijd moet nu echt worden opgemaakt anders is het bedorven. Daarom volgt er in de Christelijke traditie ook een vastentijd op het Carnaval. Met het laatste beetje uit de winter moeten we de tijd tot de eerste vruchten van het land overbruggen tot het feest van de ongezuurde broden. Voor echte dictators is dit verhaal een blijvende waarschuwing. Altijd zijn er mensen uit hun directe omgeving die als de tijd rijp is hen kunnen aanwijzen als de aanstichters van wreedheden. Voor de onderdrukten kan het hoop betekenen. De dictator in dit verhaal wordt immers ontmaskerd en krijgt de straf die hij zelf heeft uitgedacht.

Zijn slachtoffer kreeg de eer die door de beul voor zichzelf was uitgedacht. Maar is het noodlot afgewend als de dictator verdwenen is? In de viering van ons Carnaval weten we dat het maar spel is. De prins Carnaval kan wel de sleutels van de stad krijgen, hij is daarmee nog niet echt de baas over de samenleving. Zijn Raad van Elf kan wel in de meest deftige pakken door de straten trekken ze zijn daarmee nog niet het bestuur van de stad. Drie dagen verdwijnt het onderscheid tussen arm en rijk, hoog en laag, geschoold en ongeschoold, heiden en Jood, man en vrouw, jong en oud, maar na die drie dagen weet iedereen weer de plaats die zogenaamd in de samenleving moet worden ingenomen. Alsof het een wet van Meden en Perzen is, een heidense wet die onveranderlijk is. Vandaag vieren we mee met de val van de dictator, maar wanneer de opstanding en bevrijding komt van de armen moeten we nog even afwachten.

Is er iemand in de hof?

februari 1, 2019

Ester 6:1-14

1 Die nacht kon de koning niet in slaap komen. Daarom gaf hij bevel de kronieken te brengen, het boek met de gedenkwaardige gebeurtenissen van het rijk. Daaruit liet hij zich voorlezen. 2 Op zeker moment kwam men bij het gedeelte waarin stond dat Mordechai iets had onthuld over Bigtan en Teres, twee eunuchen die de koning als lijfwacht dienden, en wel dat zij een plan hadden beraamd om koning Ahasveros om het leven te brengen. 3 ‘Welk eerbewijs of welke onderscheiding is daarvoor aan Mordechai gegeven?’ vroeg de koning. ‘Er is hem niets gegeven, ‘antwoordden zijn kamerdienaars. 4 Daarop vroeg de koning: ‘Is er iemand in de hof?’ Nu was Haman zojuist in de buitenhof van het paleis gekomen om de koning te zeggen dat hij Mordechai aan de paal moest hangen die Haman voor hem had laten klaarzetten. 5 De kamerdienaars antwoordden dus: ‘Ja, Haman staat in de hof te wachten.’ ‘Laat hem binnen, ‘zei de koning. 6 Toen Haman binnengekomen was, vroeg de koning hem: ‘Wat moet er gedaan worden als de koning iemand eer wil bewijzen?’ Haman dacht bij zichzelf: Aan wie zou de koning meer eer willen bewijzen dan aan mij? 7 En hij antwoordde de koning: ‘Als de koning iemand eer wil bewijzen … 8 Er zou een koninklijk gewaad moeten worden gehaald dat de koning zelf heeft gedragen en een paard waarop de koning zelf heeft gereden en dat een koninklijke kroon op het hoofd heeft. 9 Dat gewaad en dat paard moeten worden toevertrouwd aan een van de rijksgroten van de koning, aan iemand die tot de adel behoort. En die moet dan degene aan wie de koning eer wil bewijzen het gewaad omhangen, hem op het paard over het stadsplein laten rijden en, voor hem uit gaand, roepen: “Dit valt eenieder ten deel aan wie de koning eer wil bewijzen!”’ 10 Daarop zei de koning tegen Haman: ‘Haal snel het gewaad en het paard waarover u hebt gesproken en handel op de voorgestelde manier met de Jood Mordechai, die dienst doet in de Koningspoort. Laat niets van wat u hebt voorgesteld achterwege.’ 11 Haman haalde het gewaad en het paard, hing Mordechai het gewaad om en liet hem over het stadsplein rijden. En terwijl hij voor hem uit ging, riep hij: ‘Dit valt eenieder ten deel aan wie de koning eer wil bewijzen!’ 12 Mordechai ging hierna terug naar de Koningspoort. Maar Haman haastte zich naar huis, treurend, het hoofd bedekt. 13 Aan zijn vrouw Zeres en aan al zijn vrienden vertelde hij wat hem was overkomen. Zijn raadgevers en zijn vrouw zeiden daarop tegen hem: ‘Als die Mordechai, van wie je nu voor het eerst hebt verloren, tot het Joodse volk behoort, kun je niet tegen hem op; je zult het volledig van hem verliezen.’ 14 Ze waren nog niet uitgesproken, of daar waren de eunuchen van de koning al, die Haman zo snel mogelijk naar het feestmaal brachten dat Ester had bereid. (NBV)

We leren vandaag hoe het de hooggeplaatsten in het land kan vergaan. Zelfs onze democratisch benoemde ministers zullen dat moeten leren. Haman was zo’n hooggeplaatste, de allerhoogste na de koning. In het voorgaande is dat duidelijk gemaakt. Iedereen moest voor hem buigen als hij het paleis betrad. Mordechai was niet zo hoog als Haman, hij werkte bij de Koninklijke Rechtbank en weigerde te buigen voor deze hooggeplaatste mens. Haman had daarop de koning overgehaald een wet te tekenen waarbij alle volksgenoten van Mordechai, de Joden dus, gedood zouden mogen worden. Een maaltijd met Koningin Ester voelde als een beloning voor de eer die hij verdiende. Maar met Carnaval worden de rollen graag omgedraaid. De grootste zot wordt Prins en krijgt de sleutel van de stad.

Zo ook in het verhaal van Israel en het Ester verhaal is immers een carnavalsverhaal. Vooruitlopend op de Holocaust wet van Haman had deze alvast een paal laten oprichten om Mordechai aan te hangen. Hij haastte zich naar het paleis om de Koning om toestemming te vragen. Maar die Koning was nog eens in de kronieken gaan neuzen. Hij had de krant van de laatste tijd nog eens doorgenomen zouden wij zeggen. En daarin stond nog het bericht dat Ester, zijn lieve koninginnetje, hem namens haar oom Mordechai had gewaarschuwd voor een complot tegen het leven van de Koning. Burgers, die zo opletten en terroristische aanslagen weten te voorkomen, moeten worden beloond nietwaar. Haman, als liefhebber van pracht en praal, weet vast een goede beloning te verzinnen.

En jawel, gekleed in een Koninklijke mantel en op het Koninklijke paard wordt Mordechai door de stad gereden terwijl Haman als een dienstknecht het paard bij de teugel houdt en roept hoe goed die Mordechai wel niet is. Je zien het voor je, een echte carnavalsoptocht. Joodse commentaren op dit verhaal maken het nog erger. Het mooiste commentaar laat Haman treuren omdat zijn dochter zich van het dak had gestort. Ze had daar staan kijken hoe haar vader geëerd zou worden en schrok van de omkering. Haman had een doek over zijn hoofd getrokken zodat ze uit spot de nachtemmer over de paardenknecht had uitgestort en daarna pas had gemerkt dat dit haar vader was. Wij lachten om het verhaal en weten dat wie zijn naaste dient het meest wordt geëerd. Als nu onze ministers zich als dienaren van de zwaksten in de samenleving weten op te stellen dan wordt die samenleving misschien een klein beetje beter.

Vrolijk met de koning aan tafel gaan

januari 31, 2019

Ester 5:1-14

1 Toen de derde dag aangebroken was, hulde Ester zich in een koninklijk gewaad en ging naar de binnenhof van het koninklijk paleis. Daar bleef ze staan, tegenover de troonzaal. In de zaal zat de koning op zijn koninklijke troon, tegenover de ingang. 2 Zodra hij koningin Ester in de hof zag staan, voelde hij zo veel genegenheid voor haar dat hij haar de gouden scepter toestak die hij in zijn hand hield. Ester ging naar voren en raakte het uiteinde van de scepter aan. 3 Toen vroeg de koning haar: ‘Wat is er, koningin Ester? Wat is uw wens? Al was het de helft van mijn rijk, het zal u gegeven worden.’ 4 En Ester antwoordde: ‘Als het de koning goeddunkt, laat hij dan vandaag nog samen met Haman bij mij komen en deelnemen aan de feestelijke maaltijd die ik voor hem heb bereid.’ 5 Daarop gaf de koning bevel om Haman zo snel mogelijk te halen. ‘We zullen doen, ‘zei hij, ‘wat Ester verzoekt.’ Zo kwamen de koning en Haman om deel te nemen aan de maaltijd die Ester had bereid. 6 Toen de wijn geschonken werd, zei de koning tegen Ester: ‘Wat wilt u vragen? Het zal u gegeven worden. Wat is uw wens? Al was het de helft van mijn rijk, uw wens zal vervuld worden.’7 ‘Wat ik wil vragen, wat ik wens … ’antwoordde Ester, 8 ‘als de koning mij goedgezind is en als de koning genegen is mij te geven wat ik wil vragen en mijn wens te vervullen, laat de koning dan nogmaals met Haman bij mij komen en deelnemen aan een feestmaal dat ik voor hen zal bereiden. Morgen zal ik op de vraag van de koning antwoord geven.’9 Haman verliet het paleis die dag vrolijk en goedgehumeurd. Maar zodra hij in de Koningspoort Mordechai zag, die niet opstond en niet van ontzag voor hem beefde, werd hij woedend. 10 Hij beheerste zich echter en ging naar huis. Daarop liet hij zijn vrienden bij zich komen en Zeres, zijn vrouw. 11 Hij wees hun op zijn geweldige rijkdom, het grote aantal zonen dat hij had en de eervolle positie die de koning hem had gegeven door hem boven alle rijksgroten en hoge functionarissen te plaatsen. 12 ‘En daar komt nog bij, ‘zei Haman, ‘dat koningin Ester een feestmaal heeft bereid waarvoor ze behalve de koning niemand anders dan mij heeft uitgenodigd. En ook voor morgen ben ik door haar gevraagd, samen met de koning. 13 Maar dit betekent allemaal niets voor mij zolang ik Mordechai, die Jood, in de Koningspoort zie zitten.’ 14 Zijn vrouw Zeres en al zijn vrienden zeiden toen tegen hem: ‘Laat een paal neerzetten van vijftig el hoog en zeg morgenochtend tegen de koning dat Mordechai daaraan moet worden gehangen. Dan kun je daarna vrolijk met de koning aan tafel gaan.’ Dat voorstel beviel Haman, en hij liet de paal klaarzetten. (NBV)

Het boek Ester zit van maaltijden aan elkaar. Een koning die maanden achtereen kon feesten, een koningin die eigen feesten houdt en niet bij de koning wil komen, die koning die daarna voor zijn nieuwe geliefde een feestmaal aanricht en nu Ester die de Koning en zijn nieuwe gunsteling een aantal keren te eten uitnodigt. Door de koning uit te nodigen stemt ze hem gunstig, want ze was er immers voor plezier en gehoorzaamheid, en door ook Haman uit te nodigen geeft ze die een gevoel van onschendbaarheid en belangrijkheid. Mannetjes die zich god wanen zijn daar nu eenmaal extra gevoelig voor. Ondertussen is de maaltijd wel het middel waarmee mensen met elkaar communiceren en wat de verhouding tussen mensen duidelijk maakt. Het boek Ester hangt van belangrijke maaltijden aan elkaar. En wie de Bijbel leest weet dat het delen van eten en drinken uiteindelijk vooruitloopt op de komst van het Koninkrijk van Recht en Vrede. En om recht en vrede gaat het ook in het verhaal van Ester.

In het verhaal van het volk Israel is de maaltijd de herinnering aan de bevrijding uit de slavernij in Egypte, in het verhaal van Jezus van Nazareth is de maaltijd de herinnering van de bevrijding van de dood, niets en niemand hoeft ons te weerhouden te delen, van wat we hebben en wat we zijn, met hen die niets hebben, of waarvan men vindt dat ze niets zijn. In het gebed dat Jezus ons heeft geleerd is alles wat we echt nodig hebben om te leven het dagelijks brood. Al het andere gaat om anderen. Onze wens is daarom net als die van Ester, dat we samen mogen eten en dat we er voor mogen zorgen dat iedereen aan onze maaltijd kan deelnemen. In ons eigen land blijft dat eten met iedereen nog even gevoelig, maar hoe meer mensen uit hun schulp kruipen en ook met de vreemdeling weten te eten, ja zelfs met een vijand als Haman, dan breekt ook in ons land de vrede aan.

Nooit zullen mannetjes als Haman zich afvragen wat anderen eigenlijk drijft. Het lijkt of de hele wereld alleen maar om henzelf draait. Ze vinden zichzelf zo goed dat het lijkt of ze geen enkele fout meer kunnen maken. Maar Haman heeft ook gezorgd dat we een spreekwoord hebben gekregen als “hoogmoed komt voor de val”. Die hoogmoed blijkt hier natuurlijk uit de rede die hij afsteekt tegen zijn vrouw en zijn vrienden. Om te beginnen pronkt hij met zijn vruchtbaarheid, die tot uitdrukking komt in zijn rijkdom en het aantal zonen dat hij heeft. Verder pronkt hij met zijn positie en het feit dat de koningin speciaal voor hem een maaltijd heeft aangericht. Maar iemand die zo hoog opgeeft van zichzelf kan het niet hebben dat een ander niet voor hem wil buigen. Het opkijken naar succes, glamour en klatergoud kan ons duur komen te staan.

Al is dat tegen de wet.

januari 30, 2019

Ester 4:9-17

9 Hatach ging naar Ester terug en bracht haar Mordechais woorden over. 10 Ester droeg Hatach op om Mordechai het volgende te antwoorden: 11 ‘Alle dienaren van de koning en de inwoners van alle provincies van het koninkrijk weten dat er maar één wet geldt voor iedere man of vrouw die zonder ontboden te zijn naar de koning gaat en in de binnenhof komt: die persoon wordt ter dood gebracht. Alleen degene wie de koning zijn gouden scepter toesteekt, brengt het er levend af. Wat mijzelf betreft, ik ben nu al in geen dertig dagen bij de koning ontboden.’ 12 Esters woorden werden aan Mordechai overgebracht. 13 Toen liet Mordechai het volgende antwoord aan Ester geven: ‘Beeld je maar niet in dat jij, omdat je in het koninklijk paleis woont, als enige van alle Joden zult ontkomen. 14 Als jij nu je mond niet opendoet, nu het moment daar is, komt er van een andere kant wel uitkomst en redding voor de Joden. Maar jij en je vaders familie komen dan om. Wie weet ben je juist koningin geworden met het oog op een tijd als deze.’ 15 Toen liet Ester het volgende antwoord aan Mordechai geven: 16 ‘Roep alle Joden die in Susa wonen bij elkaar en vast voor mij: eet niet en drink niet, overdag niet en ‘s nachts niet, drie dagen lang. Ook ik zal op die manier vasten met mijn dienaressen. En na die voorbereiding zal ik naar de koning gaan, al is dat tegen de wet. Moet ik omkomen, goed, dan zal ik omkomen.’ 17 Mordechai ging weg en deed wat Ester hem had opgedragen. (NBV)

Het is aan elk van ons persoonlijk om te beslissen wat te doen. Natuurlijk het Evangelie gaat over het Koninkrijk van Jezus van Nazareth, het eerste deel over het volk Israel, maar of we deel uitmaken van dat Koninkrijk, of mee doen in het verhaal van Israel hangt af van wat we zelf doen. Dat kan risico’s in zich hebben. Een aantal jaren geleden was er de oproep om allemaal tegelijk 1 uur het licht uit te doen als demonstratie dat we graag in een duurzame wereld willen leven en niet langer de consumptie van stroom opgedrongen willen krijgen. Tegen die demonstratie was veel verzet, er werd zelfs gedreigd met het stilleggen van het hele elektriciteitsnet en grote schade zou ons deel worden als we stopten met consumeren. Ook al was dat stoppen maar 1 uur. Toch was het aan elk van ons of we wel of niet wilden meedoen.

Ester kiest uiteindelijk voor haar volk als dat volk tenminste mee wil doen. Samen de overvloed opgeven en je voorbereiden op de strijd om te overleven. Dat lijkt op samen het licht uitdoen voor 1 uur. Ester is bereid het risico te nemen dat er bij hoort en voor haar betekende dat mogelijk haar leven verliezen. Voor ons was het een risico op een paar uur, of misschien een paar dagen zonder stroom. Wij kunnen in elk geval nu begrepen hebben hoe afhankelijk we zijn geworden van stroomproducenten en stroomleveranciers. Zijn zij de goden die ons in leven houden? Of wordt het tijd te zorgen dat niet zij de macht over ons hebben en wordt het dus tijd ons weer te stellen onder de macht van de Liefde, ook voor komende generaties.

Steeds vaker wordt duidelijk dat de Bijbel vraagt aan welke kant we staan. Maken we groene kerken in de discussie over de klimaatverandering? Hangen we de regenboogvlag uit als teken dat wij niet vragen naar een seksuele geaardheid? Doen wij mee met de doorlopende kerkdienst in de Bethelkapel voor een rechtvaardig kinderpardon?
Als je dat zo op schrijft dan lijkt het er op dat veel mensen zich van ons afkeren. Maar de dienst in de Bethelkapel leerde ons hele andere dingen. Dat de ene richting van Christendom meedeed weerhield al die andere richtingen er niet van om ook mee te doen. Zelfs atheïsten en humanisten melden zich. En wie met de bezoekers sprak kwam er achter dat velen helemaal nooit naar een kerk gaan maar nu hun ideaal van kerkzijn herkenden in deze oecumenische humanitaire kerkelijke actie. Ester maakt misschien ook wel zoiets mee. Wij kunnen er elke dag op vertrouwen.

Ze moet hem om genade smeken

januari 29, 2019

Ester 4:1-8

1 Toen Mordechai vernam wat er was gebeurd, scheurde hij zijn kleren, hulde zich in een rouwkleed en wierp stof over zijn hoofd. Zo ging hij de stad door, terwijl hij luid en bitter klaagde. 2 Voor de Koningspoort bleef hij staan, want het was niet toegestaan deze in rouwkleding binnen te gaan. 3 In alle provincies heerste onder de Joden diepe rouw zodra het bevel en de wet van de koning er bekend werden: ze vastten, huilden en weeklaagden, en velen hulden zich in een rouwkleed en legden zich neer in het stof. 4 Esters dienaressen en de eunuchen die haar dienden, brachten Ester op de hoogte. De koningin was hevig geschokt en liet Mordechai kleren brengen, opdat hij die zou dragen in plaats van zijn rouwkleed. Maar hij wilde ze niet aannemen. 5 Toen ontbood Ester Hatach, een van de eunuchen die de koning haar als persoonlijke dienaar had gegeven. Ze droeg hem op uit te zoeken wat de reden was van Mordechais gedrag. 6 Dus ging Hatach naar Mordechai, die op het stadsplein voor de Koningspoort stond. 7 Mordechai vertelde hem alles wat hem was overkomen. Ook wist hij hem precies mee te delen hoeveel zilver Haman beloofd had te zullen afdragen aan de koninklijke schatkist als hij de Joden mocht uitroeien. 8 Bovendien gaf hij hem een afschrift van de wet die in Susa was uitgevaardigd, waarin stond dat ze moesten worden omgebracht. Dat moest Hatach aan Ester laten zien om haar op de hoogte te brengen. ‘En, ‘zei hij, ‘verzoek haar met klem naar de koning te gaan. Ze moet hem om genade smeken en bij hem voor haar volk pleiten.’ (NBV)

Hoe maak je nu duidelijk dat je het ergens niet mee eens bent of dat je je bedreigd voelt. Het verhaal over Ester geeft een duidelijk voorbeeld, hul je zelf in rouwkleren. Nadat Haman zijn zin had gekregen en het volk dat zich niet aan de wetten van Ahasveros wenste te houden op papier had laten uitroeien hulde dat volk zich in rouw. Zelfs Mordechai bracht het op dat te doen bij de ingang van de plek waar het conflict was begonnen, de Poort van de Koning. Daar had hij geweigerd te buigen voor Haman, daar stond hij nu met gescheurde kleren en stof op zijn hoofd terwijl hij luid en bitter klaagde. Het moet een vreemd gezicht zijn geweest. Als ze het zo op je gemund hebben dan zorg je toch dat je niet opvalt, dat het net lijkt of je er niet bijhoort. Maar nee, iedereen lijkt mee te doen met deze manier van protesteren.

Opkomen voor de vreemdelingen onder ons wekt niet altijd sympathie. De angst voor vreemdelingen is groot. Zoals Haman spreekt over een volk dat zich niet naar de wetten van de Koning wil voegen, zo spreekt Wilders over een godsdienst die niet bij de onze zou passen. Een kwart van je pas geslachte schaap of koe weggeven aan de armen, zoals in de Islam de gewoonte is, past niet in de traditie zoals Wilders en de zijnen onze traditie kennen. Nemen we het risico meer van ons christendom te herkennen in de weggeef traditie van de Islam dan in het zaaien van angst door Wilders? Ester kiest uiteindelijk voor haar volk als dat volk tenminste mee wil doen. Samen de overvloed opgeven en je voorbereiden op de strijd om te overleven.

Mordechai vertrouwt er op dat Ester zal kiezen voor haar volk en niet voor haar bevoorrechte positie. De wet van Haman betekent immers dat ook zij weigert om de wetten van Ahasveros te volgen? En die weigering had Koningin Wasti haar positie gekost. Mordechai vraag via de persoonlijke dienaar van Ester haar om haar bevoorrechte positie in de waagschaal te zetten. Hij blijkt overigens goed op de hoogte. Hij heeft niet alleen weet van een wet die algemeen is afgekondigd maar hij weet ook voor hoeveel zilver Haman het genoegen van de wet heeft gekocht. Eerder had hij al gehoord over een complot tegen Ahasveros. Die Mordechai heeft iets van een klokkenluider zoals wij die tegenwoordig kennen. Ook die hebben steun nodig van de onwetenden. Zij zetten hun positie op het spel om maatschappelijk kwaad aan de orde te stellen. Een veilige plek als het Huis voor Klokkenluiders kan helpen maar nog meer kan helpen dat wij als onwetenden de klokkenluiders beschermen. Ester is daarvoor ons dagelijks voorbeeld.