Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Laat me weten waarom u mij bestrijdt.

juni 14, 2018

Job 9:25–10:7

25 Mijn dagen gaan sneller dan een ijlbode; ze vliegen voorbij zonder enige vreugde. 26  Ze spoeden langs als rieten boten, als een adelaar die wegschiet naar zijn prooi. 27  Als ik zeg: “Laat ik mijn geklaag nu staken en een vrolijker gezicht zetten, ” 28  dan blijft mijn pijn me angst aanjagen en weet ik: nooit verklaart u mij onschuldig. 29  Ik zal veroordeeld worden; waarom zou ik nog vruchteloos verder zwoegen? 30  Al zou ik me wassen met sneeuw en mijn handen reinigen met loog, 31  u zou mij in een put gooien; zelfs mijn kleren zouden van me walgen. 32  Hij is geen mens, zoals ik, anders zou ik hem kunnen antwoorden, als we samen voor de rechter stonden. 33  Was er maar iemand die tussen ons rechtsprak, die over ons beiden zijn gezag kon laten gelden. 34  Dan zou zijn hand mij niet meer straffen en zijn verschrikking mij niet meer overweldigen. 35  Dan zou ik spreken zonder hem te vrezen- maar nee, dat is mij niet vergund. 1 Vervuld van afschuw voor het leven laat ik mijn klacht de vrije loop en zal ik spreken uit het bitterst van mijn ziel. 2  Tegen God zal ik zeggen: “Veroordeel mij niet, laat me weten waarom u mij bestrijdt. 3  Doet het u goed mij te verdrukken, te verachten wat uw handen hebben voortgebracht en de plannen van de goddelozen te begunstigen? 4  Hebt u de ogen van een mens, ziet u zoals mensenogen zien? 5  Zijn uw dagen als de dagen van een sterveling, uw jaren als de levensdagen van een mens? 6  Zoals u naar mijn fouten speurt, zoals u probeert te ontdekken wat ik heb misdaan! 7  U weet dat ik niet schuldig ben, maar niets kan mij uit uw macht bevrijden. (NBV)

Vertalen is een kunst, er zijn er zelfs die zeggen dat vertalen verraden is. De Statenvertaling had het in het gedeelte dat we vandaag lezen nog over een “loper” en de Naardense Bijbel spreekt al over een “renner”. Maar sinds de Bijbelvertaling uit 1951 staat hier “ijlbode” genoemd. Een moderne dominee zou het misschien over een “fietskoerier” hebben. Als in een flits gaan de dagen voorbij wil het in elk geval uitdrukken en zeker in de zomertijd herkennen veel mensen dat wel. Vakantie gaat immers sneller dan de saaie routine van alle dag. Job bedoeld dit overigens negatief. Job weet dat God hem veroordeelt, waarom weet hij niet, God is nu eenmaal machtig en Gods wegen zijn ondoorgrondelijk, tegen God kun je niet op. Job veroordeelt God niet, ondanks alle tegenslag liet hij God niet in de steek.

Op God is volgens Job geen antwoord mogelijk. God is geen mens als Job zelf, stelt Job vast God kun je dus niet antwoorden alsof je een mens antwoord geeft. God kan je schuldig verklaren en dan maakt het niet uit of je deugt of juist niet. Kijk maar eens om je heen zegt Job. De aarde is gegeven in de hand van de goddelozen en met de Prediker zegt hij dat als je kijkt naar de plaats van het recht je alleen onrecht ziet, het aangezicht van de rechters is bedekt. De vrienden van Job negeren het leed dat Job overkomt. Dat leed is niet alleen het verlies van vrouw en kinderen, het verlies van bezit en gezondheid, maar het meest lijdt Job onder het verlies van zijn God als beschermer. Onrecht en kwaad heersen op aarde en heeft God daar zelf de hand in? Als God het goede is dan zou God toch moeten laten zien waarom dat lijden zonder onderscheid mensen treft.

Het wil er bij Job niet in dat God zijn eigen werk zou willen vernietigen. Als dat zo zou zijn dan is er reden God aan te klagen. De reden een klacht tegen God in te dienen omdat hij niet laat weten wat Job nu eigenlijk verkeerd heeft gedaan. Zoals zijn vrienden benadrukken dat er iets moet zijn dat de woede van God over Job heeft opgewekt. Job vraagt God hem niet te veroordelen voordat Job weet wat hij verkeerd heeft gedaan. De weg van God te volgen was immers het enige dat Job in rijkdom en in armoede in leven heeft gehouden. Job beseft dat zijn leven gegeven is door God, uit dankbaarheid stelde hij zijn leven in dienst van die God en zelfs in het bitterst van zijn ellende laat hij die God niet los. Niets kan Job ook uit de macht van God bevrijden, ook al antwoord God niet, is er geen verklaring voor zijn lijden, dat God liefde blijft valt niet te bestrijden. Daar mogen wij ons ook aan vasthouden, elke dag opnieuw.

Ontelbaar zijn de wonderen die hij verricht.

juni 13, 2018

Job 9:1-24

1 Hierop antwoordde Job: 2  ‘Zeker, ik weet dat het zo is, hoe kan een mens in zijn recht staan tegenover God? 3  Als je met hem een rechtsgeding wilt aangaan, heb je niet één op de duizend maal een weerwoord. 4  Hoe wijs van hart, hoe sterk een mens ook is, God kan hij nimmer straffeloos trotseren. 5  Hij verplaatst bergen, voor men het merkt; in zijn woede stoot hij ze omver. 6  De aarde schudt hij van haar plaats, zodat haar zuilen wankelen. 7  De zon houdt op te schijnen als hij het beveelt, en hij sluit de sterren weg, verzegeld. 8  Hij spant het hemelgewelf, hij alleen, en wandelt op de hoog oprijzende zee. 9  De Grote Beer heeft hij gemaakt, en Orion, de Plejaden en de sterren van het zuiden. 10  Hij doet grote, ondoorgrondelijke dingen, ontelbaar zijn de wonderen die hij verricht. 11  Hij gaat mij voorbij en ik zie hem niet, hij glipt langs mij heen en ik merk het niet. 12  Als hij iets wegrukt, wie weerhoudt hem dan? Wie zal hem zeggen: “Wat doet u?” 13  God houdt zijn woede niet in toom; zelfs Rahabs helpers moeten voor hem buigen. 14  Hoe kan ik mijn stem dan laten horen, hoe kan ik dan de juiste woorden vinden? 15  Al sta ik in mijn recht, een weerwoord heb ik niet, ik kan slechts mijn rechter om genade smeken. 16  Als ik hem zou roepen en hij antwoordde, zou ik niet geloven dat hij naar me luisterde. 17  Hij teistert mij als een stormwind, zonder reden brengt hij mij steeds nieuwe wonden toe. 18  Hij laat me nooit op adem komen, hij vervult mij met een diepe bitterheid. 19  Gaat het om kracht, dan is hij de sterkste, gaat het om recht, dan zegt hij: “Wie daagt mij voor de rechter?” 20  Ook al heb ik geen schuld, mijn eigen mond zal me veroordelen. Ook al ben ik onschuldig, hij zal mij schuldig verklaren. 21  Ik ben rechtschapen-maar mijn leven telt niet meer, ik veracht mijn bestaan. 22 Hij maakt geen onderscheid, en daarom zeg ik: “Onschuldige of goddeloze, beiden vernietigt hij.” 23  Als plotseling een ramp verderf zaait, spot hij met de wanhoop van onschuldigen. 24  De aarde wordt gegeven aan de goddelozen, het gezicht van haar rechters wordt bedekt. Als niet hij dit doet, wie dan? (NBV)

Job geeft het niet op. Ook al proberen zijn vrienden hem te overtuigen zich schuldig te gaan voelen, Job niet. Hij ziet op tegen God. Hoe machtig is zijn God wel niet, maar hoe onbegrijpelijk ook. De goeden moeten misschien onder de kwaden lijden, lijden doen ze in elk geval. In de Libanon zijn christenen, Sjiiten,  Soeniten, ongelovigen, mannen, vrouwen, kinderen, jongeren en ouderen zonder onderscheid slachtoffer van de bombardementen, slachtoffer van de oorlog. Iedereen kan het zien en iedereen roept er schande over. De Libanezen worden langzamerhand moedeloos van hun gastvrijheid. Zij weigeren geen slachtoffers van oorlog, geweld en extremisme. Maar niemand die een hand naar hen uitsteekt en ook een aantal vluchtelingen in het eigen land opneemt. Veel mensen voelen zich schuldig over de situatie daar. En geld geven aan de Stichting Vluchteling is natuurlijk goed.

Maar schuldgevoel is geen leidraad voor het gedrag. Ontzag voor God, en we leerden al eerder dat dat betekent liefde voor de naaste, is het vaste uitgangspunt. Job die vreemdelingen bij zijn maaltijd uitnodigde als hij bang was dat zijn kinderen dat vergeten zouden kunnen zijn. Onbaatzuchtige liefde betonen. Dat betekent in het dagelijks leven van gewone mensen ook wel eens nee zeggen. Er zijn altijd mensen die van je willen profiteren. Die je zomaar opbellen en dan doen of je dom bent en je familie tekort doet als je je stroom, of je telefoon, of je hypotheek, of je vakantiekaart, of hun product niet direct bij ze koopt. Ze spelen handig in op je schuldgevoel, je bent immers niet iemand die je geliefden tekort wil doen. Ook ouders kunnen door op het schuldgevoel van kinderen te spelen veel van ze gedaan krijgen. Moeder hoeft toch geen vreemde in huis te dulden, de dochter kan het huishouden er toch wel bij doen nu moeder oud en ziek is?

Door op schuldgevoel te reageren doen we anderen en onszelf tekort. Het is geen onbaatzuchtige liefde meer die ons drijft, evenveel van de ander houden als van onszelf, we kopen nu schuldgevoel af. Dat geldt ook bij sommige godsdiensten die je wijs willen maken dat God je pas een kans geeft als je je schuldig voelt over je zonden. Zo is het niet, het ontzag voor God, zoals Job hier verwoord. Het geloof dat het enige dat je hebt je liefde is, kan je voortdrijven, dat moet genoeg zijn. Er is geen macht of kracht die je kan afhouden van de liefde voor God, dus ook van de liefde voor de naaste. Volgens Job moeten zelfs de helpers van de voor de Babyloniërs grootste hemelmacht, Rahab, buigen voor de God van Job. Zo kunnen wij dat ook voelen. Er zijn voor de minsten, de hongerigen voeden en de naakten kleden is de zin van ons leven. Daar richten we ons op en niets en niemand kan ons er van af houden, zelfs niet als ziekte, dood en verlies ons deel zijn.

Komt riet tot wasdom zonder water?

juni 12, 2018

Job 8:1-22

1 Toen nam Bildad uit Suach het woord: 2  ‘Hoe lang blijf je deze dingen nog verkondigen? Al die woorden van je-ze zijn niets dan wind. 3  Is God dan onrechtvaardig? Zou de Ontzagwekkende het recht verdraaien? 4  Als je kinderen tegen hem gezondigd hebben, gingen zij te gronde aan wat zij zelf misdeden. 5  Als jij je zelf tot God zult wenden en de Ontzagwekkende om genade smeekt, 6  als je rein bent, en rechtschapen- dan zal hij het voor je opnemen en zal de gerechtigheid weer wonen in je huis. 7  En al was je verleden onbeduidend, je toekomst zal des te grootser zijn. 8 Ga bij eerdere geslachten te rade, bouw voort op de wijsheid van je voorouders. 9  Wij zijn hier pas sinds gisteren en wij weten niets; ons leven op aarde is zo vluchtig als een schaduw. 10  Zij zullen tot je spreken en je onderrichten, je laten delen in de kennis van hun hart: 11  Kan papyrus gedijen buiten het moeras, komt riet tot wasdom zonder water? 12  Nog in de knop, te vroeg voor de oogst, verdort het en droogt uit, eerder dan het oevergras. 13  Dat is het lot van hem die God vergeet, de hoop van de trouweloze gaat teloor. 14  Herfstdraad-daarop verlaat hij zich, een huis van spinrag is zijn toevlucht. 15  Als hij er schuilt, houdt het geen stand, grijpt hij het vast, dan stort het in. 16  Toch gedijt hij, bloeiend in de zon, zijn loten spreiden zich over de tuin. 17  Zijn wortels woekeren rond de stenen, ze dringen zelfs door de rotsen heen. 18  Maar dan wordt hij weggerukt en men verloochent hem: “Ik heb je nooit gezien.” 19  Dit nu is de vreugde van zijn leven: in zijn plaats spruiten anderen uit de grond. 20 Maar nooit zal God onschuldigen verachten, nooit zal hij hem die kwaad doet sterken. 21  Eens zal hij je mond weer vullen met gelach, de vreugde van je lippen laten klateren. 22  Hen die je haten zal hij met schande overladen, de huizen van de goddelozen worden weggevaagd.’ (NBV)

Vandaag keren we terug tot het boek Job, het typisch oosters verhaal rond de vraag waarom ook goede mensen leed overkomt. In het vorige hoofdstuk heeft Job betoogd dat hij zelf toch geen schuld kon hebben aan de dood van zijn kinderen, het verlies van zijn bezit en de zweren op zijn lichaam. Nu neemt zijn tweede vriend het woord. De eerste vriend had vertelt dat er misschien toch een fout in het gedrag van Job school ook al was Job zich niet bewust waar die fout zat. De tweede vriend heeft het over de rook die er toch niet kan zijn zonder vuur. Job doet er beter aan vergeving te vragen, als hij onschuldig is krijgt hij dat ook. Hij moet zich daarom bij voorbaat schuldig verklaren. Maar is dat rechtvaardig?  Zijn alle wielrenners dopinggebruikers omdat enkelen worden betrapt? Zijn alle inwoners van de Libanon terroristen omdat een kleine groep vluchtelingen uit Palestina raketten afvuren op Israel? We oordelen zo gemakkelijk. Natuurlijk moet Israel zich verdedigen tegen terroristen. Maar is onderhandelen en vrede sluiten niet beter dan vechten?

We lezen ook een serie open deuren. Cliché uitspraken die waar lijken en diepzinnig, maar op zich onzin zijn. Wij kennen ook zulke open deuren. Geld maakt niet gelukkig is er zo een. Job weet wel anders want hij is alles kwijtgeraakt. Geld maakt wel degelijk gelukkig als je geld hebt kun je delen en de vreugde van hen die onverwacht verder kunnen in het leven is het ultieme geluk. De vraag is of het najagen van geluk het hoogste doel in het leven moet zijn. Volgens de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring is dat wel het doel waarnaar ieder mens moet kunnen streven. Christenen zijn echter meestal ongelukkig. Zij lijden aan het lijden van de wereld, als ze al niet zelf lijden. Ze hongeren en dorsten naar gerechtigheid staat er ergens. Dat is nu ook waar de vriend van Job de mist in gaat. Volgens hem hebben de mensen die zich ellendig voelen dat aan zichzelf te wijten. God immers is rechtvaardig, God zal immers de onschuldigen niet verachten, nooit zal God degene die hem verachten sterk maken. Het tegendeel is waar.

De Psalmist had het al door, hun ogen puilen uit van vet zong hij over zijn vijanden. Zo is het vandaag de dag nog steeds. De Amerikanen die het najagen van geluk als hoogste doel in het leven hebben hadden in een eerdere versie van de onafhankelijkheidsverklaring het verwerven van bezit als hoogste doel. Vandaar hun materialisme zullen sommigen zeggen, maar ook onder ons wordt bezit vaak verward met geluk. Daarom is de overheid ooit begonnen met het bevorderen van het eigen woningbezit. Dat haalt bijna niemand. De meeste mensen ruilen de huur van een woningcorporatie in voor de huur van de bank. Dat laatste heet hypotheek en haalt de solidariteit uit de volkshuisvesting. Het wordt zwaar gesubsidieerd, zo zwaar dat jongeren die willen starten op de woningmarkt daar geen gelegenheid meer voor krijgen als ze niet heel veel geld verdienen. De nadruk op bezit zullen we moeten vervangen door de nadruk op delen en op het vormgeven van een samenleving. Dat kan elke dag, ook vandaag weer.

 

Zelfs de mus vindt een huis

juni 11, 2018

Psalm 84

1 ¶  Voor de koorleider. Op de wijs van De Gatitische. Van de Korachieten, een psalm. 2 Hoe lieflijk is uw woning, HEER van de hemelse machten. 3 Van verlangen smacht mijn ziel naar de voorhoven van de HEER. Mijn hart en mijn lijf roepen om de levende God. 4 Zelfs de mus vindt een huis en de zwaluw een nest waarin ze haar jongen neerlegt, bij uw altaren, HEER van de hemelse machten, mijn koning en mijn God. 5 Gelukkig wie wonen in uw huis, gedurig mogen zij u loven. sela 6 Gelukkig wie bij u hun toevlucht zoeken, met in hun hart de wegen naar u. 7 Trekken zij door een dal van dorheid, het verandert voor hen in een oase; rijke zegen daalt als regen neer. 8 Steeds krachtiger gaan zij voort om in Sion voor God te verschijnen. 9 HEER, God van de hemelse machten, hoor mijn gebed, luister naar mij, God van Jakob. sela 10 God, ons schild, zie naar ons om, sla goedgunstig het oog op uw gezalfde. 11 Beter één dag in uw voorhoven dan duizend dagen daarbuiten, beter op de drempel van Gods huis dan wonen in de tenten der goddelozen. 12 Want God, de HEER, is een zon en een schild. Genade en glorie schenkt de HEER, zijn weldaden weigert hij niet aan wie onbevangen op weg gaan. 13 HEER van de hemelse machten, gelukkig de mens die op u vertrouwt. (NBV)

Vandaag zingen we mee met de drempelwachters van de Tempel, de Korachieten, die in het boek van de Psalmen hun eigen verzameling hebben. Het gaat op een onbekende melodie, de Gatitische, die melodie is in de tijden verloren gegaan. De Psalm bezingt de heerlijkheid van de Tempel. De voorhoven van de Tempel waren voor de meeste Israëlieten de plaats waar ze het dichtst bij het Heiligste van hun volk waren. Dat was niet een beeld van hun God. Wat ze zeker wisten was dat daar de richtlijnen werden bewaard die ooit in de woestijn aan Mozes waren gegeven. De richtlijnen die zich samen lieten vatten in het heb Uw naaste lief als Uzelf. Dat kwamen ze ook weer oefenen in de Tempel. De voorschriften waren immers dat ze een paar keer per jaar op moesten trekken naar de Tempel om daar een maaltijd te houden met de hele familie, inclusief al het personeel en de slaven, de dienaren in de Tempel, de armen en de vreemdelingen uit hun stad of dorp. Het was daar dus een voortdurend feestgedruis want niemand liet zich graag zo’n feestelijke maaltijd ontgaan.

De Korachieten moesten er op letten dat alles goed bleef gaan, dat er geen beelden van afgoden de Tempel werden binnengesmokkeld bijvoorbeeld. In de Bijbel staan diverse voorbeelden van perioden waarin ook vreemde goden werden aanbeden in de Tempel. Zo’n kist met stenen platen die je niet eens mag zien spreekt natuurlijk niet erg aan. Dat je in de ogen van je naaste het beeld van God kunt zien wordt ook in onze dagen maar al te gemakkelijk vergeten. De psalm straalt een zekere onbezorgdheid uit. Zelfs de mus vindt een huis en de zwaluw een nest waarin ze haar jongen neerlegt, maak je dus geen zorgen voor de dag van morgen. Dat is zeker zo op een plaats waar altijd iedereen welkom is aan de maaltijd, waar iedereen altijd bereid is te delen. Veel en veel later zou Jezus van Nazareth deze Psalm aanhalen in een waarschuwing en geruststelling. De Zoon van de mensen heeft zelfs geen plaats om zijn hoofd neer te leggen vulde hij het citaat van de mus en de zwaluw aan.

Je wordt er niet rijk van als je onvoorwaardelijk de naaste liefhebt. Tegelijkertijd is het een geruststelling, nooit zal je immers iets ontbreken zingt een andere psalm. Zeker als je het aandurft met de minsten om te gaan, de mensen die buiten de samenleving gezet zijn. Als je niet bang bent, je angst weet te overwinnen zoals de Bijbel zegt, zul je merken dat vreemdelingen, illegalen en asielzoekers incluis, vaak verrassend gastvrij zijn. Ze horen bij de armsten in ons land, maar er is altijd een plek aan tafel. Het lijkt voor velen zelfs een eer te zijn een gast een maaltijd voor te zetten, zonder er overigens iets voor terug te verwachten. Wij mogen ons dat ook wel eens bedenken als we deze Psalm meezingen. En wie zijn of haar huis als een Tempel beschouwt mag vandaag de deur openzetten om een maaltijd te houden met de familie, de armen en de vreemdelingen.

 

Ze schoten op en groeiden

juni 10, 2018

Marcus 4:1-9

1 Weer ging hij naar het meer om de mensen te onderwijzen; er kwam een enorme menigte om hem heen staan. Daarom ging hij in de boot op het meer zitten, terwijl de menigte op de oever bleef staan. 2  Hij onderwees hen uitvoerig en sprak hen toe in gelijkenissen. Hij zei: 3  ‘Luister. Iemand ging eens naar zijn land om te zaaien. 4  Tijdens het zaaien viel een deel van het zaad op de weg, en de vogels kwamen en aten het op. 5  Een ander deel viel op rotsachtige grond, waar maar weinig aarde was, en het schoot meteen op omdat het niet diep in de grond kon doordringen; 6  en toen de zon opkwam verschroeide het jonge groen, en omdat het geen wortel had droogde het uit. 7  Weer ander zaad viel tussen de distels, en de distels schoten op en verstikten het en het bracht geen vrucht voort. 8  Maar er waren ook zaadjes die in goede grond vielen en wel vrucht voortbrachten: ze schoten op en groeiden en droegen vrucht. Sommige leverden het dertigvoudige op, andere het zestigvoudige en weer andere het honderdvoudige.’ 9  En hij zei: ‘Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren!’ (NBV)

Vandaag lezen we de gelijkenis van Jezus over zaadjes die in de akker vallen en vrucht dragen. Het meest vruchtbaar zijn natuurlijk de vrouwen onder ons. In de Bijbel vindt je veel verhalen over bevrijding die beginnen met verhalen over de vrouwen die daarin een rol spelen. Mozes zou het volk Israel uit de slavernij in Egypte leiden en aan het begin van het verhaal over Mozes gaat het over zijn moeder, zijn zuster en een Egyptische prinses. De zuster van Mozes speelde ook later nog een belangrijke rol. Aan het begin van het verhaal van Jezus van vandaag staat zijn moeder. Het is eigenlijk een verhaal over hoop en wanhoop. We hopen natuurlijk allemaal dat ons streven in het leven ook wat opbrengt. Veel mensen zeggen dan dat ze de wereld voor hun kinderen een beetje beter willen achterlaten als ze de wereld hebben aangetroffen.

Voor de agrariërs was er de tijd van zaaien en planten aan en de hoop op een goede oogst. Nu de meeste agrariërs verdwenen zijn heeft de Protestantse kerk in de jaarlijkse bid en dankdagen voor het gewas ook de arbeid daar bij betrokken. En natuurlijk is het goed om met elkaar af te spreken, en daarbij stil te staan, dat dat zaaien, oogsten en werken tot zegen zal zijn, ofwel ten goede komt aan de armsten in de samenleving. En in onze dagen kan dat heel direct en tastbaar door een flink deel van gewas en inkomen te bestemmen voor de voedselbanken, als een winkel 2 producten voor de prijs van 1 geeft kun je dat extra product gemakkelijk even langsbrengen. Vrouwen weten dat over het algemeen al wel, maar vrouwen moeten vandaag weer eens stilstaan bij wat ze eigenlijk waard zijn.

Veel vrouwen stellen zich nog te dienstbaar en onderdanig naar hun mannen op. Omdat ze vaak zo weinig van zichzelf houden komt er van de liefde voor hun naaste ook maar weinig terecht. Je moet ook van jezelf houden om veel te houden van je naaste. De gelijkenissen van Jezus van Nazareth gaan over het Koninkrijk van God en dat Koninkrijk is er nog niet. Toch kunnen we er van leren voor ons eigen handelen. Zaad dat op vruchtbare grond valt levert eindelijk ook wat op. Die vruchtbare grond is natuurlijk de liefde. Hoe meer liefde hoe meer opbrengst. Maar de opbrengst op vruchtbare grond is niet direct 100 procent, nee 30 en 60 procent kunnen ook. Er zijn mensen die er niet aan durven te beginnen. De hongerigen eten geven, de dorstigen laven, de gevangenen bezoeken. Het klinkt soms zwaar en veel. Maar een glimlach voor een van de buren, het dank je wel voor de zorgverleenster, ook dat zijn uitingen van liefde voor de naaste. En ook die uitingen zijn vruchtbaar, elke dag opnieuw.

Als een gemeenschap innerlijk verdeeld is

juni 9, 2018

Marcus 3:20-35

20  Hij ging terug naar huis, en weer verzamelde zich een menigte, zodat ze zelfs niet de kans kregen om te gaan eten. 21  Toen zijn verwanten hiervan hoorden, gingen ze op weg om hem, desnoods onder dwang, mee te nemen, want volgens hen had hij zijn verstand verloren. 22 Ook de schriftgeleerden die uit Jeruzalem gekomen waren, zeiden: ‘Hij is bezeten door Beëlzebul, ‘en: ‘Dankzij de vorst der demonen kan hij demonen uitdrijven.’ 23  Toen hij hen bij zich geroepen had, sprak hij tot hen in gelijkenissen: ‘Hoe kan Satan zichzelf uitdrijven? 24  Als een koninkrijk innerlijk verdeeld is, kan dat koninkrijk niet standhouden; 25  als een gemeenschap innerlijk verdeeld is, zal die gemeenschap niet kunnen standhouden. 26  En als Satan tegen zichzelf in opstand is gekomen en verdeeld is, kan ook hij niet standhouden, maar gaat hij zijn einde tegemoet. 27  Bovendien kan niemand het huis van een sterkere binnengaan om zijn inboedel te roven, als hij die sterkere niet eerst vastgebonden heeft; pas dan kan hij zijn huis leeghalen. 28  Ik verzeker u: alle wandaden en godslasteringen, hoe erg ook, kunnen de mensen worden vergeven, 29  maar wie lastertaal spreekt tegen de heilige Geest, krijgt in alle eeuwigheid geen vergeving, want zo iemand is schuldig aan een onuitwisbaar vergrijp.’ 30  Dit omdat ze gezegd hadden: ‘Hij is bezeten door een onreine geest.’ 31 Intussen waren zijn moeder en zijn broers aangekomen. Ze stuurden iemand naar binnen om hem te halen. Zelf bleven ze buiten wachten. 32  Er zat een groot aantal mensen om hem heen, en die zeiden tegen hem: ‘Uw moeder en uw broers staan buiten en zoeken u.’ 33  Hij antwoordde: ‘Wie zijn mijn moeder en mijn broers?’ 34  Hij keek de mensen aan die in een kring om hem heen zaten en zei: ‘Jullie zijn mijn moeder en mijn broers. 35  Want iedereen die de wil van God doet, die is mijn broer en zuster en moeder.’ (NBV)

Die Jezus van Nazareth leek wel gek. De toeloop naar zijn huis was zo groot dat hij niet eens toekwam aan een fatsoenlijke maaltijd. Iedereen leek wel deel te willen hebben aan zijn nieuwe Koninkrijk van de Liefde. Fatsoenlijke mensen trokken het gedrag van Jezus overigens direct in het kwade, het kwade maakt je immers schijnbaar sterk. Van het goede dat je wil doen is nog wel eens misbruik te maken, van het kwade dat je wil doen lukt dat meestal niet. Jezus gaat er direct tegen te keer. Het uitdrijven van het kwade kan niet kwaad zijn, zorgen dat iedereen kan meedoen aan de nieuwe samenleving van liefde en rechtvaardigheid is geen zaak voor het kwade, daar is voor het kwade zelfs geen plaats. Als dat zo zou zijn dan was het een gespleten gemeenschap, en een gespleten gemeenschap is geen gemeenschap. Wij kennen dat maar al te goed. Als iedereen hetzelfde doet voelen we ons veilig, dan weten we waar we aan toe zijn. Als er enkelingen zijn die van dat gemeenschappelijk gedrag afwijken dan weten we ze nog wel als zonderlingen te plaatsen.

Maar als er grote groepen zijn die er andere gebruiken en gewoonten op na houden dan wordt het eng. Dan voelen we ons snel bedreigd. Als we dan ook niet erg geloven in de waarde van wat we zelf aan gewoonten hebben dan wordt het helemaal eng, die anderen zouden zich eens beter kunnen voelen. We hebben dan een keus uit twee mogelijkheden. Of we zetten ons af tegen die vreemden, of we proberen er samen een nieuwe samenleving van te maken. Kiezen voor de eerste mogelijkheid levert een innerlijk verdeelde gemeenschap op, die houdt dus geen stand volgens Jezus van Nazareth, de tweede levert een nieuwe samenleving op, een samenleving waarin iedereen weer mag meedoen. Hopelijk laten al die mensen die zich nu door angst voor het nieuwe, voor het andere, laten verleiden op tijd voor de volgende verkiezingen hun angst varen. Het sprookje van de maagdelijke geboorte van Jezus en de bijna goddelijkheid van zijn moeder Maria moet eigenlijk ook maar eens uit zijn. Het doet afbreuk aan het verhaal, het goede nieuws, dat Jezus van Nazareth wil verspreiden. Jezus van Nazareth had een moeder. Maria zegt het verhaal. En hij had een aantal broers. Andere handschriften als die voor de Nieuwe Bijbelvertaling zijn gebruikt spreken zelfs van broers en zusters. Die maagd was gewoon een oude manier om een jonge vrouw aan te spreken. Uit de discussie die in dit deel van het verhaal ontstaat blijkt dat Jezus van Nazareth echte broers heeft. Eén van de broers zou volgens het verhaal dat door Lucas in Handelingen is opgetekend nog een belangrijke rol in de eerste gemeente in Jeruzalem spelen.

Maar vandaag houden we ons bezig met het belang van de familie. Die moeder en broers dringen zich niet op aan Jezus. Het was zo druk in het huis van Jezus dat hij immers nauwelijks de tijd had om te eten. Ze blijven daarom op een afstand. Er zijn echter altijd mensen die denken het fatsoen te dienen. Je familie gaat voor, je familie gaat voor de armen, de zieken, de zwakken, de mensen die buitengesloten zijn. Maar niet bij Jezus. Het goede nieuws is dat al die mensen mee mogen doen en dus familie zijn, net zo belangrijk en net zoveel aandacht waard. Moeder Maria moet het er maar mee doen zou je zo denken. Maar al voor de geboorte van haar beroemde zoon zong ze van een wereld waar de machtigen van de troon gestoten werden en de onvruchtbaren vruchtbaar zouden zijn. De omgekeerde wereld. Van een protest van de familie is in dit verhaal dan ook geen sprake, de familie voelde zich kennelijk in het geheel niet beledigd maar wist haar plaats. De verering van Maria als meer dan andere mensen, zoals in sommige schijnbaar christelijke kerken, slaat dan ook nergens op. De energie en het geld dat daarin gestoken wordt kan beter gestoken worden in de armen. Voedselbanken moeten mensen weigeren omdat ze geld, mensen en voedsel tekort komen. Haal de Mariabeelden maar uit de kerken, verkoop het goud en de diamanten waarmee ze zijn bekleed en besteed het aan een wereld waar de familie van Jezus, de onderkant van onze samenleving, weer de boventoon voert.

Hij sprak hen bestraffend toe

juni 8, 2018

Marcus 3:7-19

7  Jezus week met zijn leerlingen uit naar het meer, en een grote menigte uit Galilea volgde hem. Ook uit Judea 8  en Jeruzalem, uit Idumea en het gebied aan de overkant van de Jordaan en uit de omgeving van Tyrus en Sidon kwamen veel mensen naar hem toe, omdat ze hadden gehoord wat hij allemaal deed. 9  Hij zei tegen zijn leerlingen dat ze een boot voor hem gereed moesten houden, om te voorkomen dat hij door de menigte onder de voet zou worden gelopen. 10  Allerlei zieken verdrongen zich om hem aan te raken, want hij had al veel mensen genezen. 11  Telkens als de onreine geesten hem zagen, vielen ze voor hem neer en schreeuwden: ‘Jij bent de Zoon van God!’ 12  Hij sprak hen bestraffend toe, en verbood hun bekend te maken wie hij was. 13 Hij ging de berg op en riep al degenen bij zich op wie hij zijn keuze had laten vallen, en ze kwamen naar hem toe. 14  Hij stelde twaalf van hen aan als apostel; ze moesten hem vergezellen, en hij wilde hen ook uitzenden om het goede nieuws bekend te maken. 15  Ze kregen de macht om demonen uit te drijven. 16  De twaalf die hij aanstelde, waren achtereenvolgens Simon, die hij de naam Petrus gaf, 17  Jakobus, de zoon van Zebedeüs, Johannes, de broer van Jakobus (aan deze twee gaf hij de naam Boanerges, wat ‘zonen van de donder’ betekent), 18  Andreas, Filippus, Bartolomeüs, Matteüs, Tomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, Taddeüs, Simon Kananeüs 19  en Judas Iskariot, die hem heeft uitgeleverd. (NBV)

Iedereen mocht meedoen met het nieuwe Koninkrijk van Jezus. Overal vandaan stroomden de mensen toe, zieken raakten hem aan om genezen te worden, konden zij ook weer meedoen. De toeloop werd zo groot dat Jezus in een boot moest gaan staan om de mensen te kunnen toespreken. Godslasteraars die het kwaad met hem voorhadden maakten het rumoer nog groter dan het al was. Die werden dan ook bestraffend toegesproken. Jezus wilde niet groter dan de mensen zijn, iedereen moest echt kunnen meedoen. Dat is tegenwoordig wel anders. Kijk maar eens naar de verkiezingscampagnes,  dan krijgen we weer die strijd tussen een aantal mensen die zichzelf als persoon de betere vinden dan een ander. Dat het gaat om een vreedzame en rechtvaardige samenleving waarin ook de minsten en de zwaksten onder ons mee kunnen doen wordt vergeten. Zelfs de apostelen van Jezus hadden het overigens nog wel eens over wie onder hen de meeste kon zijn.

De twaalf apostelen. Ze zijn een begrip geworden in taal en cultuur. Marcus heeft ze op deze manier in zijn verhaal opgenomen. De andere schrijvers van evangeliën zijn er wat genuanceerder over. Het getal twaalf heeft een bijzondere betekenis. Als je 12 mensen aanstelt om het goede nieuws te vertellen dan mag je gelijk zeggen dat je het hele volk Israel het goede nieuws hebt vertelt. En daar gaat het om. Daarom krijgen ze ook de kracht om demonen uit te drijven, want de kwade krachten onder de mensen waren volgens het verhaal van Marcus voortdurend bezig Jezus in een kwaad daglicht te stellen. Dat kwade daglicht is nog steeds een beproefd middel om de publieke opinie te bespelen. In Amerika leeft de huidige president er van. Politieke tegenstanders, landen die hun eigen belang voorop stellen en vooral de pers die een eerlijke weergave van de staat van het land probeert te geven, worden afgeschilderd als nietsnutten, dieven en leugenaars.

In ons land zijn vreemdelingen zijn vaak het slachtoffer van moddergooien. Als Nederlanders wat te snel sympathie lijken op te brengen dan zijn de vreemdelingen criminelen die hun cultuur en geloof en ons willen opdringen. Of oorlogsmisdadigers die hun eigen land ontvluchten om daar hun straf te ontlopen. Alle Afghaanse mannen zijn zo tot oorlogsmisdadiger verklaard hoewel in hun eigen land niemand hen wil vervolgen of bestraffen en er tegen individuen vaak ook geen enkel bewijs is voor wat voor misdrijf dan ook. Ook wij moeten dus kijken wie er met modder gooit, het kwaad in de wereld verspreid en  dat aan zoveel mogelijk mensen duidelijk maken. Ook wij zijn dan verspreiders van het goede nieuws, het Koninkrijk waaraan iedereen kan mee doen, is echt dichterbij dan je denkt.

 

Zwakken en armen zuchten onder het geweld

juni 7, 2018

Psalm 12

1 Voor de koorleider. Op de wijs van De achtste. Een psalm van David. 2 Grijp in, HEER ! Niemand is nog trouw,  geen mens spreekt nog waarheid. 3 Ze beliegen elkaar allemaal, vals en verraderlijk is hun woord. 4 HEER, snijd hun valse tongen af, snoer de monden vol grootspraak 5 die zeggen: ‘Met onze tong zijn we sterk, onze mond helpt ons, wie kan ons aan?’6 Zwakken en armen zuchten onder het geweld-‘ Om hen sta ik op, ‘zegt de HEER, ‘ik breng de redding die zij verlangen.’7 De woorden van de HEER zijn zuiver als zilver, gesmolten in de smeltkuil, gelouterd tot zevenmaal toe. 8 Behoed hen, HEER, bescherm hen steeds tegen dat volk. 9 Overal sluipen verraders rond en onder de mensen verbreidt zich het kwaad.(NBV)

Vandaag zingen we een roep om bevrijding met de Bijbel mee. Wie er bevrijd moeten worden? Ze worden in deze Psalm niet met name genoemd. Maar van wie er bevrijd moet worden wel. Van de leugenaars en de grootsprekers moeten we bevrijd worden. En daarvan wil iedereen wel bevrijd worden, daarvan moet de hele samenleving bevrijd worden. De zwakken en de armen zuchten onder het verbale geweld van de leugenaars en grootsprekers. Wie kijkt naar de woorden van God die ziet dat die zuiver zijn, zuiver als het gezuiverde edelmetaal dat we kennen, zeven maal is het gesmolten en van de verontreinigingen ontdaan zingt de Psalm ons toe. Juist door die zuiverheid van het Woord van de God van Israël kan die opstaan tegen dat volk.

Je mag dan ook gerust vragen waar we het dan over hebben. De armen in onze samenleving kennen ze wel. Het zijn de rijken die roepen in tijden van grote werkloosheid dat het eenvoudig is voor iedereen om werk te vinden. Dat de uitkeringen te hoog zijn en dat er daardoor zo’n hoge werkloosheid is en het geringe aantal banen maar een bijkomende factor is. Dat lage uitkeringen de koopkracht van het volk vermindert en dat daardoor de economische motor van consumptie en productie tot stilstand komt wordt verzwegen. Dat het vertrouwen van consumenten daalt en aankopen worden uitgesteld juist bij onzekerheid over uitkeringen en pensioenen hoor je maar van een heel enkele econoom Dat samen delen zoals de Bijbel ons voorhoudt ons rijker maakt hoor je bijna helemaal niet meer. Nee de chronisch zieken moeten de mogelijkheden om zelfstandig te leven worden afgenomen.

Dat bemiddelingsbureaus frauderen en niet de patiënten ontgaat menigeen. Dat controle op de toeslagen van de belastingdienst volledig zijn wegbezuinigd wordt verzwegen. Controle moet je immers alleen op de armen uitoefenen, daarvoor moet je de vreemdelingen in je midden gewoon in de gevangenis zetten. De grootspraak en de leugens van de rijken vliegen je dag in dag uit om de oren. Pas laat in de avond zie je een enkele keer de rijen voor de voedselbanken of de zielige oudere werknemers die geen werk meer kunnen vinden. Dat het de rijken zijn die niet willen delen, niet willen afzien van buitensporige beloningen als bonussen en exorbitante salarissen hoor je nergens meer. Tijd om de Bijbel te laten spreken, daar klinkt nog dat je de naaste lief moet hebben als jezelf, dat is de maatstaf die in elk bedrijf en elke organisatie moet worden aangelegd. Dan gaat ons land weer bloeien. Elke dag opnieuw kunnen we deze maatstaf aanleggen, ook vandaag weer.

In het dodenrijk worden de goddelozen stil

juni 6, 2018

Job 3:1-26

1 Daarna opende Job zijn mond en vervloekte de dag van zijn geboorte. 2  Hij zei: 3  ‘Laat de dag dat ik geboren ben vergaan, en ook de nacht die zei: “Een jongen is verwekt.” 4  Laat die dag een dag van duisternis worden, laat God in de hemel er geen acht op slaan. Laat die dag niet baden in het licht. 5  Laat het diepste donker hem omhullen, een dichte wolk hem bedekken en een zonsverduistering hem teisteren. 6  Laat het donker die nacht wegnemen, zodat hij geen dag van het jaar vergezelt, en geen plaats vindt in de reeks van maanden. 7  Laat die nacht onvruchtbaar worden-een nacht waarin geen vreugdekreet opklinkt. 8  Laten zij die het licht wekken die dag vervloeken, zij die het wagen om Leviatan te verstoren. 9  Zelfs de ochtendsterren zullen niet verschijnen, die dag verwacht vergeefs de komst van het licht en zal nooit de wimpers van het morgenrood zien. 10  Hij opende de deuren van mijn moeders buik, hij hield het ongeluk niet voor mij verborgen. 11 Waarom ben ik niet in haar schoot gestorven, niet gestikt toen ik ter wereld kwam! 12  Hadden knieën mij maar niet ontvangen en borsten mij maar niet gezoogd! 13  Dan zou ik nu geborgen in de aarde liggen, dan zou ik geen zorgen hebben, ik zou slapen, 14  omringd door koningen en raadsheren, bouwers van paleizen, al vergaan tot puin, 15 tussen machtigen die goud bezaten en die hun huis met zilver vulden. 16  Was ik maar als een misgeboorte weggestopt, als een kind dat het licht nooit heeft gezien. 17  In het dodenrijk worden de goddelozen stil, zij die uitgeput zijn, vinden daar hun rust. 18  Gevangenen worden niet meer opgejaagd, de stem van de drijver horen ze niet meer. 19  Daar zijn hoog en laag verzameld en is de slaaf vrij van zijn meester. 20 Waarom geeft God het licht aan ongelukkigen, het leven aan verbitterden? 21  Zij wachten op de dood die uitblijft, ze zoeken naar hem, meer dan naar schatten; 22  hun vreugde kent geen grenzen, ze jubelen als ze hun graf gevonden hebben. 23  Waarom geeft God het licht aan hem voor wie de weg verborgen blijft, wie hij de weg verspert? 24  Ik heb geen ander voedsel dan verdriet, mijn klachten stromen in een vloed van tranen. 25  Wat ik vreesde, komt nu over me, wat mij angst aanjoeg, heeft me getroffen. 26  Ik vind geen vrede, vind geen kalmte, mijn rust is weg-onrust bevangt mij.’ (NBV)

Voor Job maakt het aanbreken van een nieuwe dag niet meer uit. Hij wenste wel dat hij dood was, ja zelfs nooit geboren was, ja zelfs nooit verwekt was. Maakt Job er nu een einde aan? Dat lijkt toch hetgeen hij wil? Nee, over die gedachte staat in het hele boek Job in het geheel niets. Hoe ver Job ook heen is, het leven is te kostbaar om te verliezen. Het lijkt er eerder op dat Job zo somber wordt omdat hij zijn leven dreigt te verliezen aan ziekte en rampspoed. Er staat iets over hen die het wagen de Leviatan te verstoren. We kennen dat monster niet maar sommige vertalers vermoeden het dat het wijst naar de krokodillen die in de Nijl voorkomen. Tegen de ochtend maakt de warmte van de zon ze wakker waarna ze op zoek gaan naar voedsel. Voor iemand zo zwak en ziek als Job zou dat een nieuwe bedreiging zijn. De dag is geen bevrijding maar een nieuwe kans op rampen. We denken er vaak zo gemakkelijk over, achter de wolken schijnt de zon, na regen komt zonneschijn.

Je wordt er moe van. Alles doe je goed, je probeert zelfs dingen goed te maken die misschien verkeerd zijn gegaan. Zonder naar resultaat voor jezelf te vragen doe je goed. En dan kom je in de grootste ellende. Job wordt er wanhopig van. Je kunt dan maar beter dood zijn. Want in de dood is iedereen weer gelijk. Daar is geen onderscheid tussen de armen en rijken, tussen slaven en vrijen. Daar geldt de wet van recht en rechtvaardigheid weer, de dood is immers voor iedereen. Jeremia schreef er ook al over. Die was niemands schuldeiser en had bij niemand schulden toch klaagde hij er over door iedereen te worden vervloekt. Jeremina beklaagde zijn moeder dat zij hem moest baren, Job vindt het beter dat dat maar nooit was gebeurt. Veel vrijwilligers die zich met vluchtelingen bezig houden voelen Zich dezer dagen precies als Job, en misschien Jeremia. Ze kennen mensen die zo angstig waren voor vervolging dat ze nooit en tegen niemand de volledige waarheid vertelden.

Pas na jaren ontstond er een vertrouwen, soms ook op basis van een gedeeld geloof in het verhaal van Israel en van Jezus van Nazareth. In dat vertrouwen kwamen de verhalen los die waren zij van  begin af aan verteld direct tot een vluchtelingenstatus hadden geleid. Nu dreigen die mensen te worden uitgezet vanwege het niet helemaal vertellen van de waarheid tegen mensen in dreigende uniformen en onverschillige vermoeide ambtenaren.  Je moet elkaar kunnen vertrouwen maar vertrouwen moet je winnen. Wij willen het vertrouwen niet winnen van vreemdelingen die dat vertrouwen wellicht nodig hebben. Onze politici zijn niet te vertrouwen, maar zij zijn als wijzelf, zij vertegenwoordigen ons immers. Daarom zitten er ooit vooraanstaande politici in de gevangenis. Zijn nietsnutten en zakkenvullers nu arm omdat alles hen is afgenomen. Maar ook die zuivering hielp niet. Kinderen die hier zijn geboren en opgegroeid worden uit hun basisschool geplukt om naar een hen onbekend en bedreigend land gestuurd. Ooit hoorden we de oproep voor het leven te kiezen, die oproep klinkt ook tot Job, en de treurenden onder ons.

Ondanks alles zondigde Job niet

juni 5, 2018

Job 2:1-13

1 Op een dag kwamen de hemelbewoners hun opwachting maken bij de HEER, en ook Satan maakte bij hem zijn opwachting. 2  De HEER vroeg aan Satan: ‘Waar kom je vandaan?’ Hij antwoordde: ‘Ik heb rondgezworven en rondgedoold op aarde.’ 3  De HEER vroeg aan Satan: ‘Heb je ook op mijn dienaar Job gelet? Zoals hij is er niemand op aarde: hij is rechtschapen en onberispelijk, hij heeft ontzag voor God en mijdt het kwaad. Ja, hij is nog even onberispelijk als altijd, en jij hebt mij ertoe aangezet hem zonder reden te gronde te richten.’ 4  Hierop zei Satan: ‘Zijn leven is hem alles waard. Daarvoor geeft hij zijn hele bezit. 5  Maar als u uw hand naar hem uitstrekt en zijn lichaam aantast, zal hij u ongetwijfeld in uw gezicht vervloeken.’ 6  Toen zei de HEER tegen Satan: ‘Goed, doe met hem wat je wilt, maar spaar zijn leven.’ 7 Hierop vertrok Satan en overdekte Job van voetzool tot kruin met kwaadaardige zweren. 8  Job pakte een potscherf om zich te krabben, terwijl hij in het stof en het vuil zat. 9  Zijn vrouw zei tegen hem: ‘Waarom blijf je zo onberispelijk? Vervloek God toch en sterf.’ 10  Maar Job zei tegen haar: ‘Je woorden zijn de woorden van een dwaas. Al het goede aanvaarden we van God, zouden we dan het kwade niet aanvaarden?’ Ondanks alles zondigde Job niet en sprak hij geen onvertogen woord. 11 Drie vrienden van Job, Elifaz uit Teman, Bildad uit Suach en Sofar uit Naäma, hoorden van de rampspoed die hem had getroffen, en ze besloten hem op te zoeken. Onderweg ontmoetten ze elkaar, en samen gingen ze naar hem toe om hun medeleven te tonen en hem te troosten. 12  Toen ze Job vanuit de verte zagen herkenden ze hem niet, en ze barstten uit in luid geweeklaag, ze scheurden hun kleren en wierpen stof omhoog over hun hoofd. 13  Zeven dagen en zeven nachten bleven ze naast hem op de grond zitten zonder iets tegen hem te zeggen, want ze zagen hoe vreselijk hij leed. (NBV)

Als we al het goede van God krijgen zullen we dan het kwade niet op de koop toe nemen? Het is de geloofsbelijdenis van Job. Het doen van de liefde, het vasthouden aan recht en rechtvaardigheid is niet altijd eenvoudig. Als je alles kwijt bent, zoals Job en dan ook nog ziek wordt lijkt het of het leven zinloos wordt. Zelfs je vrouw wil eigenlijk dat je sterft. Wat moet je ook met zo’n man. Voor Job blijft de zin van het leven zitten in vasthouden aan eerlijk delen, aan respect voor het leven. Hij wordt daarin in eerste instantie gesteund door zijn vrienden die bij hem zijn. Troost is dan ook niet het spreken van mooie woorden, troost is doen wat God heeft beloofd, Ik Zal Er Zijn, noemde God zich toen naar zijn naam werd gevraagd. Zo zijn die vrienden er dus ook. Dit is toch wel een heel andere manier van omgaan met rechtvaardigheid als we vandaag in het nieuws meemaken.

Dat er zijn is in onze samenleving vaak wegbezuinigd. Ja, die vrienden zijn van harte welkom. Ze worden mantelzorgers genoemd. Mensen die om niet de zorg verlenen waar anders duur voor moet worden betaald. En dat betalen dat gaat dus niet, dan gaan de zorgkosten stijgen. Als we de uren die mantelzorgers in de zorg steken zouden moeten betalen dan was de zorg nu al onbetaalbaar. En die mantelzorgers zijn niet de rijken. Als je voldoende geld hebt dan huur je particuliere hulp in. Als je geen geld heb dan ben je gedwongen om je zelf in te zetten. Mensen met minder geld hebben het dus gemakkelijker om de Weg van de God van Israël te volgen zoals Jezus van Nazareth ons dat heeft voorgedaan.

Maar de Bijbel gaat over eerlijk delen. Job heeft dat ons voorgedaan. Zijn bezit kwam niet van hem zelf. Het was geen verdienste maar een geschenk. Wij hebben geen rijken, geen leiders van grote ondernemingen die hun positie, hun rijkdom, zien als een geschenk van God. Zij menen er recht op te hebben. Maar het recht op rijkdom bestaat niet. De Bijbel is overigens niet tegen rijkdom maar tegen armoede. En de houding van Job die alles als een geschenk van God aanvaart is een voorbeeld daarvan. Job ervaart het overigens niet lijdzaam zonder protest, maar dat komt later in het verhaal. Voor ons is het waarschijnlijk tijd om te veranderen misschien, ook al lijkt dat moeilijk, een lot als Job is dan wellicht toch beter.