Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Wat betekent dat, mijn heer?

maart 20, 2017

Zacharia 6:1-8

1 ¶  Opnieuw sloeg ik mijn ogen op, en daar zag ik vier wagens tussen twee bergen vandaan komen. Die bergen waren van koper. 2  Voor de eerste wagen waren voskleurige paarden gespannen, voor de tweede zwarte, 3  voor de derde witte en voor de vierde gevlekte. Het waren sterke paarden. 4  Ik vroeg aan de engel die met mij sprak: ‘Wat betekent dat, mijn heer?’ 5  Hij antwoordde: ‘Dat zijn de vier winden van de hemel, die uitrijden nadat ze hun opwachting hebben gemaakt bij de Heer van de hele aarde. 6  De wagen met de zwarte paarden rijdt uit naar het noorden, de witte paarden gaan naar het westen en de gevlekte naar het zuiden.’ 7  De paarden stonden te trappelen om uit te rijden en de aarde te doorkruisen. Zodra het bevel daartoe werd gegeven, stoven ze ervandoor, de hele aarde over. 8  Luid werd mij toegeroepen: ‘Let op, de paarden die uitrijden naar het noorden zullen ervoor zorgen dat mijn woede daar tot bedaren komt.’ (NBV)

De aarde en haar volheid is van God zingt de psalmdichter. God heeft alles met de aarde te maken maar waar God woont weten we niet echt. In de hemel zeggen we voor het gemak maar de volgende vraag is dan waard die hemel is. Op de vragen is geen antwoord, God is immers groter dan  het grootste dat wij ons kunnen denken. God gaat alle verstand te boven. De Heidense volken uit de dagen van Zacharia aanbaden nog wel eens de zon. Die zou elke morgen tussen twee koperen bergen uit zijn rustplaats opstijgen om zijn weg langs de hemel vervolgen, om in de avond weer terug te keren naar zijn nachtverblijf. Zacharia gebruikt dat beeld van die koperen bergen om te beschrijven wat hij te zien kreeg. Strijdwagens bespannen met paarden, voskleurige, zwarte, witte en gevlekte paarden. het waren sterke paarden. De lezers van dit visioen zullen in de dagen van Zacharia de rillingen over de rug hebben voelen lopen. Paarden en wagens waren geduchte strijdmiddelen waar je maar nauwelijks een militair antwoord op had.

Wat moeten die paarden en wagens, waar staan ze voor en waar gaan ze heen. Ze komen van God vandaan, daar hebben ze hun opwachting gemaakt. Het zijn de vier windstreken, in het Hebreeuws de vier winden. Voor ons de Noordenwind, de Zuidenwind, de Oostenwind en de Westenwind. Die winden waaien over de hele aarde. Soms brengen de winden het weer dat je nodig hebt. Regen als de grond dreigt uit te drogen, zon als de aarde te koud wordt, wolken om onder te schuilen, koude als de aarde rust moet hebben. De noordenwind zorgt er voor dat de woede van God tot bedaren komt. Wat wil Zacharia nu zeggen? Het bewerken van het land Israël is niet vergeefs. God zal zorgen voor het weer dat de mens nodig heeft. God doet de wind waaien waardoor het gewas kan groeien en de oogst echt iets beloofd. Maar denk er aan. God laat de winden waaien waarheen hij wil, over de rechtvaardigen en de goddelozen, over allebei.

Het zal duidelijk zijn dat de teruggekeerde ballingen zich afvroegen wat ze aan moesten met de steeds wisselende weeromstandigheden. Dat het in de dag licht wordt en in de nacht donker dat hadden ze geleerd. In Babel hadden ze het verhaal gehoord dat je die zon en die maan niet hoeft te aanbidden, God had ze aan de hemel geplaatst om verschil te maken tussen dag en nacht. Daar werd niet verteld hoe het gegaan was maar er werd verteld dat de Heidenen die de zon en de maan aanbaden en aan ze offerden het verkeerd hadden. Nu vertelt Zacharia dat die hele natuur als een God aanbidden flauwekul was. De winden en het weer stonden onder bevel van de God van Israël zelf. Als je dus een goede oogst had dan had je die van God gekregen en wat je van God gekregen had moet je delen. Want er zijn ook mensen met een slechte oogst, in onze dagen de armen, de vluchtelingen, de hongerenden in Afrika. Zij maken dat wij door God beproefd kunnen worden, zijn wij bereid te delen? Voeden wij de hongerigen, kleden we de naakten en nemen wij de vreemdelingen in ons midden op. We kunnen de schuld in elk geval niet aan het weer geven.

 

Een vliegende boekrol

maart 19, 2017

Zacharia 5:1-11

1 ¶  Opnieuw sloeg ik mijn ogen op, en daar zag ik een vliegende boekrol. 2  ‘Wat zie je?’ vroeg hij me, en ik antwoordde: ‘Ik zie een vliegende boekrol van twintig el lang en tien el breed.’ 3  Toen zei hij: ‘Dat is de vloek die rondwaart over het hele land. Aan de ene kant staat geschreven dat ieder die steelt zal worden gestraft, aan de andere kant dat ook ieder die meineed pleegt zijn straf niet zal ontlopen. 4  Ik heb die vloek uitgevaardigd-spreekt de HEER van de hemelse machten. Hij zal het huis van de dief bezoeken en het huis van eenieder die bij mijn naam een valse eed zweert. Hij zal op hun huizen rusten en ze verwoesten, zodat er geen balk of steen van heel blijft.’ 5 ¶  Weer verscheen de engel die met mij sprak. Hij zei tegen me: ‘Sla je ogen op en kijk wat daar te voorschijn komt.’ 6  ‘Wat is dat?’ vroeg ik, en hij antwoordde: ‘Dat is een meelvat; daarop houdt heel het land zijn blik gericht.’ 7  En kijk, daar ging het loden deksel open en in het vat zat een vrouw. 8  ‘Dit is de verdorvenheid, ‘zei hij, en hij duwde haar terug op de bodem van het vat en sloot het loden deksel. 9  Weer sloeg ik mijn ogen op, en daar zag ik twee vrouwen komen aanzweven met de wind in hun vleugels; ze hadden vleugels als van een ooievaar. Ze pakten het vat op en namen het met zich mee, hoog de lucht in. 10  Ik vroeg aan de engel die met mij sprak: ‘Waar brengen ze het naartoe?’ 11  Hij antwoordde: ‘Ze gaan er in Sinear een tempel voor bouwen, en wanneer die klaar is, wordt het daar op een voetstuk gezet.’ (NBV)

Zacharia schrijft aan de ballingen die teruggekeerd zijn uit Babel met de opdracht Jeruzalem weer op te bouwen en de Tempel in oude luister te herstellen. Als we de Bijbel in stukjes blijven knippen dan komen we ineens rare verhalen tegen waar we ons geen raad mee weten. Maar de Bijbel kent geen rare verhalen. In de Bijbel gaat het over hoe mensen met elkaar en met hun God om gaan. Daar gaat ook het gedeelte over dat we vandaag lezen. Het visioen van de vliegende boekrol. Dat lijkt wel een hele grote boekrol. Maar de afmetingen hebben een bijzondere betekenis. Hij is van normale lengte, in de grotten van Qumran is in 1947 ook een boekrol gevonden die net zo lang was. Maar dit is wel een heel erg brede boekrol. Zo lijkt het tenminste maar als we nog eens gaan kijken naar de afmetingen die over de Tempel worden beschreven dan is de boekrol net zo breed als het Heilige en het Allerheiligste. En van die plaatsen gaan de richtlijnen de wereld in die het volk van God had gekregen.

Want wat staat er op die boekrol volgens het gedeelte dat we vandaag lezen? De meest voor de hand liggende misdaden die iemand kan plegen. Diefstal en meineed. Het zijn dagen waarin er nauwelijks of geen sloten waren en slotenmakers niet worden genoemd. Het is een landbouweconomie met enige handel. Akkers waarop graan wordt geteeld, vruchtbomen als vijgen en granaatappels en veeteelt, koeien en schapen. Als daarvan gestolen wordt dan hebben mensen direct niet meer te eten en veroordeel je ze ter dood. Het is het ergste dat je iemand, dat je een gezin, kan aandoen. Iedereen snapt dat. Hetzelfde geldt voor meineed. In Israël was geen CSI, geen NFI, geen forensisch onderzoek bij misdrijven. Zelfs de techniek van vingerafdrukken vergelijken was nog niet uitgevonden. Een eerlijk proces hing daarom af van eerlijke getuigen. Eén getuige kon daarom ook geen veroordeling opleveren. Maar als getuigen samen spanden tegen een aangeklaagde dan ging het met het recht heel erg mis. Meineed bederft niet alleen één zaak maar zet het vertrouwen in het hele systeem op het spel.

Het hele volk is dus afhankelijk van de landbouw. Zonder landbouw krijg je nooit het brood dat je voor een dag nodig hebt. Jezus zal ons leren voor niet meer te bidden dan juist voor dat brood. Het aantasten van dat systeem is de verdorvenheid ten top. Die wordt weggestopt op de bodem van een loden vat. En als je voor verdorvenheid, voor hebzucht en praalzucht een tempel wil bouwen dan is het beeld dat voor die tempel staat het symbool van die verdorvenheid. Bedenk hierbij dat het volk de neiging had vreemde goden achterna te lopen. Ook in onze dagen is de bescherming van de rechtstaat een onderwerp dat aandacht verdient. Als de onafhankelijkheid van de rechters in het algemeen ter discussie wordt gesteld dan glijden we af en daar kan iedereen het slachtoffer van worden. Die discussie wordt ook gevoed door de aanbidding van de goden van winst en profijt. Toegang tot de rechtspraak is er eigenlijk alleen nog voor de rijken. Zacharia waarschuwt ook ons voor het afwijken van de goddelijke richtlijnen. Een waarschuwing die wij ons ter harte mogen nemen.

Wat zie je?

maart 18, 2017

Zacharia 4:1-14

1 ¶  De engel die met mij sprak kwam terug en wekte mij zoals je iemand wekt uit een diepe slaap. 2  ‘Wat zie je?’ vroeg hij, en ik antwoordde: ‘Ik zie een lampenstandaard die helemaal van goud is, met een schaal erop, en op die schaal zijn zeven lampen bevestigd, zeven lampen met elk zeven tuitjes. 3  Daarnaast staan twee olijfbomen, één rechts en één links van de schaal. 4  Wat betekent dat, mijn heer?’ 5  ‘Weet je niet wat dat betekent?’ vroeg de engel die met mij sprak, en ik antwoordde: ‘Nee, heer.’ 6  Toen zei hij: ‘Luister, dit zegt de HEER over Zerubbabel: Niet door eigen kracht of macht zal hij slagen-zegt de HEER van de hemelse machten-maar met de hulp van mijn geest. 7  Voor Zerubbabel verandert zelfs de hoogste berg in een vlakte; onder luid gejuich zal hij de gevelsteen aandragen.’ 8  Daarna richtte de HEER zich tot mij met de verzekering: 9  ‘Zerubbabel zal deze tempel eigenhandig voltooien, zoals hij hem eigenhandig heeft gegrondvest.’ Dan zullen jullie inzien dat de HEER van de hemelse machten mij naar jullie gezonden heeft. 10  Ook al hadden jullie in het begin geen vertrouwen in het werk, de ogen van de HEER zullen met welgevallen rusten op de gegraveerde steen in de handen van Zerubbabel. Die zeven lampen zijn de ogen van de HEER, die over de hele aarde rondgaan. 11 ¶  Vervolgens vroeg ik aan de engel: ‘En die twee olijfbomen links en rechts van de lampenstandaard, wat betekenen die?’ 12  En ik voegde eraan toe: ‘Wat betekenen die twee olijftakken waaruit door twee gouden buisjes de gouden olie vloeit?’ 13  ‘Weet je dat niet?’ vroeg hij. ‘Nee, heer, ‘antwoordde ik, 14  en hij zei: ‘Dat zijn de twee gezalfden, die naast de Heer van de hele aarde staan.’ (NBV)

In de Tempel  in Jeruzalem staat een kandelaar met zeven lampen. Hoe die kandelaar er precies heeft uitgezien weten we niet. Zacharia heeft het hier over een standaard met een schaal er op waarin zeven lampen zijn bevestigd. Wij zien zo’n standaard vaak als een kaarsenstandaard met 7 armen maar het zijn olielampen. Ze zijn gevuld met olie dat door een Priester is gewijd, voorbestemd om voor God te branden. Apart gezet. Voor het volk Israël niet onbelangrijk. Er is een verhaal dat de Tempel in Jeruzalem was terugveroverd op de Grieken die onder Alexander de Grote de macht van de Perzen hadden gebroken. Het duurde een week voordat er olie was die zo goed was gereinigd en gewijd kon worden om te branden voor God. In de Tempel werd een flesje gevonden waar nog olie in zat voor één dag. Toen de lampen gevuld werden was de olie niet op, dat ene flesje gaf olie voor die hele week. Naast de lampenstandaard staan twee olijfbomen.

Twee bomen die dus de olijven leveren waar de olie uit geperst kan worden voor de lamp van God. Nu zijn bomen in de Bijbel altijd iets bijzonders. Rechtvaardigen worden in de Psalmen vergeleken met bomend die geworteld zijn aan levend water. Het zijn de mensen die zich houden aan het gebod van de God van Israël te zorgen voor de armsten en de minsten, die mensen tot hun recht laten komen en een plaats geven in de samenleving. De nieuwe samenleving van teruggekeerde ballingen voor wie Zacharia schrijft heeft ook van die twee rechtvaardigen. Jozua de Hogepriester en Zerubbabel de Koning. Zij moeten zorgen voor het licht dat vanuit de Tempel over de hele aarde uitstraalt en dat aantoont wie het licht hebben gezien en wie niet, zo zijn het de ogen van de God van Israël. Reken er dus maar op dat ondanks alle tegenstand Zerubbabel het werk aan de Tempel zal laten afmaken. Uit de twee olijfbomen komt een voortdurende stroom van gewijde olie. Olie dat stroomt door gouden buisjes, daar is geen smet aan te ontdekken.

Ook daarvan geeft Zacharia ons de uitleg. Het zijn de twee gezalfden, Zerubbabel en Jozua, die naast de Heer van de hele aarde staan. Wij vinden het mooi als onze God als zo groot wordt afgeschilderd dat hij de Heer van de hele aarde wordt genoemd. Maar in het gedeelte dat we vandaag lezen heeft dat een bijzondere betekenis. Een volk dat zo in staat is uit het niets, uit de ballingschap, een nieuwe samenleving op te bouwen zou de hele aarde wel kunnen veroveren. En dat is niet de bedoeling. Want niet door eigen kracht zal de nieuwe Koning van Israël de aarde veroveren, maar door de Geest van God. De Heidenen geloven dat hun goden met de sterksten zijn, met de mensen die geslaagd zijn in het leven. Ook al gaat het je slecht de god helpt je er bovenop en zorgt dat je in plaats van tegenslag succes krijgt. Dat is een echte Heidense voorstelling van zaken. De God van Israël is te vinden bij de minsten, de zwakken, de mensen langs de kant van de weg, bij hen voor wie geen plaats is, daar moeten we die God zoeken en als we er zelf bij horen dan mogen we weten dat we God aan onze kant hebben.

Trek hem die vuile kleren uit.

maart 17, 2017

Zacharia 3:1-10

1 ¶  Vervolgens liet hij me de hogepriester Jozua zien. Deze stond voor de engel van de HEER, met aan zijn rechterhand Satan, die tegen hem pleitte. 2  De engel van de HEER zei tegen Satan: ‘De HEER zal je het zwijgen opleggen. De HEER, die Jeruzalem heeft uitverkozen, zal jou het zwijgen opleggen. Is deze Jozua niet een stuk zwartgeblakerd hout dat uit het vuur is weggerukt?’ 3  Nu was Jozua in vuile kleren voor de engel verschenen. 4  Deze zei tegen degenen die voor hem stonden: ‘Trek hem die vuile kleren uit.’ En tegen Jozua zei hij: ‘Hierbij reinig ik je van alle schuld en kleed ik je in een feestelijk gewaad.’ 5  Ik zei: ‘Ze zouden hem een nieuwe tulband moeten omdoen.’ Ze deden hem een nieuwe tulband om en kleedden hem aan in het bijzijn van de engel van de HEER. 6  De engel verzekerde Jozua: 7  ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Indien je mij gehoorzaamt en mijn voorschriften in acht neemt, indien je mijn tempel beheert en mijn voorhoven bewaakt, zal ik je opnemen in deze kring. 8 ¶  Luister, hogepriester Jozua, jij en je priesters die voor je zitten en die in staat zijn om tekens uit te leggen. Ik zal mijn dienaar sturen, de telg aan de stam van David. 9  Ik leg een steen voor je neer, Jozua, één enkele steen, waarop zeven ogen rusten. Ikzelf zal daarin een inscriptie graveren-spreekt de HEER van de hemelse machten-en in één enkele dag zal ik dit land reinigen van alle schuld. 10  Op die dag-spreekt de HEER van de hemelse machten-zullen jullie elkaar uitnodigen onder de wijnrank en onder de vijgenboom.’ (NBV)

We geloven in God en niet in de Duivel, of Satan, zoals hij hier genoemd wordt. Het is maar al te gemakkelijk om het kwaad dat we bedrijven aan een ander toe te schrijven. Niet de slang voor Adam en Eva, niet de verwarrer voor Job, niet de Satan voor de hogepriester Jozua krijgen de schuld voor het kwaad maar de mensen zelf. Natuurlijk was er twijfel aan de rechtmatigheid van het Priesterambt voor die nieuwe Priesters die te voorschijn kwamen toen de Tempel na de ballingschap herbouwd was. Ze zagen er niet uit, het waren bouwvakkers die zelf aan de herbouw van de Tempel hadden meegewerkt. Maar de boodschapper die God had gestuurd legde de verwarring het zwijgen op. Niet de kleren maken uit of iemand Priester is, niet de kleren maken uit wat iemand waard is, maar  de gehoorzaamheid aan de God van Israël. Jozua en zijn priesters hadden hun gehoorzaamheid bewezen, hun vuile kleren waren er het bewijs van dat zij gehoorzaam waren geweest aan het bevel de Tempel weer te herbouwen.

De Priester kan dus weer gewoon priester worden. Hij heeft zich weliswaar niet als Hogepriester gedragen maar de gehoorzaamheid aan de God van Israël is vele malen belangrijker. De vuile kleren worden hem dan ook uitgetrokken en daarmee is alles wat niet paste bij zijn priesterschap vergeven. Hij krijgt weer het feestkleed aan dat hoort bij de Hogepriester. Een bezoek aan de Tempel is een feest, de Priesters zijn daar de levende getuigen van. Zij vormen de koren die de psalmen zingen, zij vormen de orkesten van trompetten, harpen en luiten alle andere muziekinstrumenten die in de Bijbel worden genoemd. Het Priesterschap van Jozua is niet alleen een beloning het is ook een taak die hij te vervullen krijgt. Hij moet de Tempel beheren, zorgen dat alles er gaat zoals God het heeft bedoeld. Niet alleen het Tempelgebouw zelf, met het Heilige en het Allerheiligste waar alleen Priesters en de Hogepriester mogen komen maar ook de voorhoven waar het volk komt om offers te brengen en maaltijd te houden met de Priesters, hun familie, hun personeel, de armen en de vreemdelingen die bij hen wonen.

Vanouds had de Hogepriester ook twee stenen waarmee bij belangrijke gebeurtenissen de wil van God geraadpleegd kon worden. Vooral de koningen van Israël werden gemaand hier gebruik van de maken en niet op eigen houtje belangrijke beslissingen voor hun volk te nemen. Nu er een nieuwe koning is gekomen, Zerubbabel volgens Ezra en Nehemia, moet de Priester weer over de mogelijkheden beschikken om God te raadplegen. Hij krijgt kennelijk een soort dobbelsteen, met zeven ogen, voor elke dag 1, zeven is ook het getal van de schepping door God en door de steen te raadplegen bij belangrijke beslissingen zal God zijn schepping door zijn mensen kunnen voortzetten. Duidelijk zal zijn dat het volk dan op de zevende dag bevrijd moet worden van alle arbeid. Zo kan er een nieuwe toekomst gemaakt worden alsof er in het verleden geen fouten zijn gemaakt. Zacharia grijpt terug op oude profetieën in Israël die je ook bij profeten als Micha en Haggaï vind, een ieder heeft een eigen wijnrank en rust onder zijn vijgenboom. Als we God op die manier volgen hoeft niemand meer te kort te komen. Daar mogen we elke dag aan werken, ook vandaag weer.

Breng je in veiligheid.

maart 16, 2017

Zacharia 2:10-17

10 ‘Kom! Vlucht weg uit het land van het Noorden! spreekt de HEER. Als de vier winden van de hemel heb ik jullie verspreid-spreekt de HEER. 11 Kom nu, Sion; jullie die in Babel wonen, breng je in veiligheid.’ 12 Want de HEER van de hemelse machten, die mij zijn grootheid heeft geopenbaard en die mij gezonden heeft, zegt over de volken door wie jullie geplunderd zijn: ‘Wie aan mijn volk komt, komt aan mijn oogappel! 13 Ik zal mijn hand dreigend naar hen uitstrekken, zodat zij op hun beurt geplunderd worden door degenen die zij hadden geknecht.’ Dan zullen jullie inzien dat de HEER van de hemelse machten mij gezonden heeft. 14 ‘Jubel, Sion, en verheug je, want ik kom in jouw midden wonen-spreekt de HEER. 15 Er komt een tijd dat vele volken zich bij mij zullen aansluiten. Zij zullen mijn volk zijn, en bij jou, Sion, zal ik wonen.’ Dan zullen jullie inzien dat de HEER van de hemelse machten mij naar jullie gezonden heeft. 16 Op heilige grond zal de HEER het volk van Juda voorgoed in bezit nemen en opnieuw zal hij Jeruzalem uitverkiezen. 17 Wees stil voor de HEER, al wat leeft, want hij komt uit zijn heilige woning naar buiten. (NBV)

De ballingen uit Babel zijn teruggekeerd. Om de profeet Zacharia te begrijpen moet je eigenlijk ook de boeken Ezra en Nehemia goed doorlezen. Nehemia was een hoge ambtenaar die terugkeerde naar Jeruzalem met Israëlieten die bij hem in de buurt woonden. Maar het volk Israël was over de hele bekende wereld  verspreid geraakt. Assyriërs, Babyloniërs, Meden en Perzen, in al die landen waren ze terecht gekomen. Al die landen verkondigden dat hun goden de God van Israël had overwonnen. Maar in al die landen hadden ze vastgehouden aan hun eigen geloof, hun eigen cultuur en gewoonten. Nooit waren ze helemaal ingeburgerd. Wel hadden ze zich vrienden gemaakt. Jeremia had hun eens geschreven groentetuinen aan te leggen en ook de armen daarvan mee te laten delen.

Nu keerde God zich eindelijk tegen de volken die hem hadden beschimpt. En als God zich tegen je keert dan kun je beter niet in de buurt zijn. Daarom roept Zacharia alle ballingen op nu naar Jeruzalem en Judea te komen. Daar zijn ze veilig. Wie inderdaad Ezra en Nehemia gelezen heeft weet dat het ook een politiek verstandige oproep van Zacharia is. Het land Israël, Judea, is woest en ledig. Het moet weer opgebouwd worden en daar zijn mensen voor nodig. De terugkerende ballingen zijn dus meer dan welkom. De volken waar ze in ballingschap hadden gewoond moeten leren wat het betekent dat je land  wordt geplunderd en je bevolking wordt uitgeroeid of weggevoerd. Niet dat het volk Israël wordt opgeroepen om oorlog te gaan voeren en wraak te plegen. De wereldmachten op deze aarde maken elkaar wel af. Voor Israël is een andere taak weggelegd.

In Jeruzalem, op de berg Sion waar de Tempel is gebouwd komt God weer in het middelpunt van de wereld te staan. Daar zijn de richtlijnen voor de menselijke samenleving te vinden. Van Gij zult niet doden tot het heb uw naaste lief als  uzelf zijn weer de grondregels waar iedereen zich aan kan houden. God liefhebben boven alles, met heel je hart en heel je verstand is je naaste liefhebben als jezelf. Zelfs je vijanden mag je liefhebben. Als het volk dat echt gaat doen dan zal het zo goed gaan met het volk dat ieder volk op aarde daar wel bij zou willen horen. En Zacharia zegt dat het daar ook op zal uitlopen. Dan zal iedereen snappen dat hij het niet zo maar gezegd heeft maar dat God zelf zulke beloften doet. Als je zo naar God luistert wordt je er stil van, dan klinkt zijn Woord van Liefde zo in onze harten dat heel de aarde het zal horen. Dat is natuurlijk vandaag ook nog zo, ook vandaag mogen we laten zien dat we de minsten liefhebben, de hongerigen voeden en de naakten kleden. Elke dag mag dat opnieuw.

Weer sloeg ik mijn ogen op

maart 15, 2017

Zacharia 2:1-9

1 Weer sloeg ik mijn ogen op, en daar zag ik vier horens. 2 ‘Wat betekent dat?’ vroeg ik de engel die met mij sprak, en hij antwoordde: ‘Dat zijn de horens die het volk van Juda, Israël en Jeruzalem uiteen hebben gedreven.’ 3 Toen liet de HEER mij vier smeden zien. 4 ‘Wat komen die doen?’ vroeg ik, en hij antwoordde: ‘Met die horens hebben vreemde volken Juda uiteengedreven en zijn verzet gebroken, en nu zijn de smeden gekomen om die volken op te schrikken en de horens neer te slaan die ze hadden geheven om Juda mee uiteen te drijven.’ 5 Weer sloeg ik mijn ogen op, en daar zag ik een man met een meetlint in zijn hand. 6 ‘Waar gaat u heen?’ vroeg ik, en hij antwoordde: ‘Ik ga opmeten hoe groot Jeruzalem moet worden.’ 7 Toen verscheen de engel die met mij sprak, en een andere engel kwam hem tegemoet 8 en zei: ‘Vlug, zeg tegen die jongeman dat Jeruzalem een open stad zal blijven, niet ommuurd, vanwege het grote aantal mensen en dieren dat er zal wonen. 9 Ik zal zelf rondom de stad een muur van vuur zijn-spreekt de HEER en haar met mijn luister vullen.’ (NBV)

Zacharia steekt de bouwers van Jeruzalem en haar Tempel een hart onder de riem. Hij droomt hoe de God van Israël Judea en Jeruzalem zal beschermen. Vanouds sloegen de mensen hun ogen op naar de bergen. Daar werden de goden vereerd, daar woonden de goden die hen zouden hebben moeten beschermen. Maar in de Tempel zong men over de God van Israël waar de hulp vandaan zou moeten komen. Israël had vreemde goden nagelopen. Ze hadden zelfs tempels gebouwd voor die goden op de toppen van die bergen. Ook Mozes had zijn leer immers op een berg van zijn God gekregen? Maar dit is niet een God die je wakker moet maken. Dit is een God die met je meetrekt. Zonder die God kun je als volk overwonnen worden door de wereldmachten, met ijzeren hoorns komen ze uit alle windstreken om je land te veroveren en haar inwoners als slaven in ballingschap te brengen.

Nu had het volk haar God weer gevonden. In Babel hadden ze al die verhalen opgeschreven die vertelden hoe ze een menselijke samenleving konden opbouwen naar de richtlijnen die God had gegeven. En jawel, ze hadden mogen terugkeren met een opdracht de stad en Tempel te herbouwen. Maar is het gevaar van die wereldmachten geweken? Je mag er op rekenen droomt Zacharia. De ijzeren hoorns waarmee de wereldmachten de trots en de sterkte van Israël hadden gebroken worden nu gebruikt om die volken schrik aan te jagen, sterke smeden maakten ze tot goddelijke wapens. Geen wereldmacht is in staat om uiteindelijk de macht van de God van Israël van de aarde te verdrijven. Telkens weer in de geschiedenis is het geprobeerd, maar zo lang er gelovigen zijn die die God aanbidden en elkaar de verhalen vertellen, zolang er mensen zijn die de armen en de minsten blijven liefhebben, blijft de macht van God op aarde.

Geld dat alleen voor Jeruzalem? Zelfs in de dagen van Zacharia wordt daar aan getwijfeld. De stad Jeruzalem waar de Tempel binnen staat wordt weer opgebouwd. Twaalf poorten zou die stad krijgen. Maar zit de macht van de God van Israël daarin opgesloten? Die God gaat immers alle verstand te boven, die God is immers de schepper van hemel en aarde, van alles en iedereen die er is. Het kan dus niet zo zijn dat die God alleen heerst over een klein stukje land met een aardige stad. Alle macht in hemel en aarde komt van die God. Daarom wordt de hele aarde opgemeten om aan de te geven waar het die God om te doen is, daarom neemt die God de hele aarde in bescherming. Aan de gelovigen om te laten zien wat voor gevolg dat kan hebben door de hongerigen te voeden, de dorstigen te laven, de gevangenen de bezoeken, door vrede te stichten tussen de volken, de aarde te bewaren en te bewerken voor iedereen en iedereen daaraan mee te laten doen. Zodat de blinden zien en de doven horen. Elke dag weer.

Vannacht had ik een visioen

maart 14, 2017

Zacharia 1:7-17

7 ¶  Op de vierentwintigste dag van de elfde maand, de maand sebat, in het tweede regeringsjaar van Darius, richtte de HEER zich tot de profeet Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo. Dit is zijn relaas. 8  Vannacht had ik een visioen. Ik zag een man op een voskleurig paard. Hij stond tussen de mirtestruiken aan de oever van het diepe water, en iets verderop stonden nog meer paarden: roodvossen, goudvossen en schimmels. 9  ‘Wat betekent dat, mijn heer?’ vroeg ik, en de engel die met mij sprak antwoordde: ‘Ik zal je laten zien wat dit betekent.’ 10  De man die tussen de mirtestruiken stond zei: ‘Dit zijn de ruiters die de HEER heeft gestuurd om de aarde te doorkruisen.’ 11  De ruiters zeiden tegen de engel van de HEER, die tussen de mirtestruiken stond: ‘Wij hebben de hele aarde doorkruist. Overal is het vredig en stil.’ 12  Toen riep de engel van de HEER uit: ‘HEER van de hemelse machten, hoe lang zal het nog duren voor u erbarmen toont met Jeruzalem en de steden van Juda, waarop u nu al zeventig jaar verbolgen bent?’13  Daarop antwoordde de HEER de engel die met mij sprak met troostende en bemoedigende woorden, 14  en de engel droeg mij op te verkondigen: ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Brandend van liefde neem ik het op voor Jeruzalem en Sion, 15  en ziedend van woede ben ik op de zelfgenoegzame volken. Ik had mijn toorn immers al weer laten varen, maar zij hebben mijn volk steeds harder aangepakt. 16  Daarom-zegt de HEER keer ik vol erbarmen terug naar Jeruzalem. Mijn huis zal er worden herbouwd-spreekt de HEER van de hemelse machten-en met het meetlint in de hand zal een begin worden gemaakt met de wederopbouw van de stad.’ 17  Verder moest ik verkondigen: ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Opnieuw zullen mijn steden overvloeien van voorspoed, opnieuw zal de HEER Sion troosten, opnieuw zal hij Jeruzalem uitverkiezen.’ (NBV)

De Perzen hadden de Israëlieten in de gelegenheid gesteld Jeruzalem en de Tempel weer op te bouwen. Wat was daar het gevolg van geweest? Zacharia zag dat in een droom. Cyrus was opgevolgd door Darius. Het leven had haar gewone loop weer genomen. Maar iets moet er op aarde toch te merken geweest zijn van de vrijheid die de Israëlieten gekregen hadden om hun God te dienen en te vereren. Zacharia droomde er van. Ooit hadden de Israëlieten hun lieren in de wilgen gehangen en huilden zij aan de oevers van de rivieren van Babylon. Nu groeiden er geurige struiken, lekkerder konden ze niet zijn. Mirte, het kruid dat de lijkengeur van de dood wegneemt, het werd daarom gebruikt bij het balsemen. Daar stond een man, daar stonden paarden, maar wat was de betekenis. Het moet een boodschap van God geweest zijn vond Zacharia kennelijk.  En boodschappers van God kunnen uitleggen waar het om gaat, wij noemen ze daarom engelen en die naam heeft een hemelse klank gekregen.

De ruiters hadden de hele aarde doorkruist. Alle vier de windstreken van de aarde waren verkend, tot aan de einden der aarde. Een overal was vrede aangetroffen. De geruchten van oorlogen waren verstomd. Een wereld die zich richt naar de Tempel in Jeruzalem, naar de richtlijnen voor de menselijke samenleving kent vrede. Maar de boodschapper van God weet het beter. Israël kreeg wel de ruimte maar de volken hebben het licht dat door Israël werd getoond niet willen zien. En hoe moet het dan als ook de andere steden in Juda moeten worden herbouwd, hoe moet het nu als de akkers van Juda weer vrucht moeten dragen. Het stond al lang geschreven, de God van Israël laat nooit varen het werk dat zijn hand begon.  De terugkeer naar de richtlijnen van God was begonnen in Babel met het opschrijven van al die verhalen.  Al die verhalen die begonnen bij de Schepping, doorgingen met Noach en Abraham, Izaak en Jacob.

Die verhalen liepen uit op de bevrijding uit Egypte en het krijgen van de richtlijnen die van het volk een volk van God zouden maken. Dat werk had geleid tot de terugkeer uit de ballingschap. Dat werk had het mogelijk gemaakt tempel en stad te herbouwen. Volgens Ezra en Nehemia had heel het volk daar de goddelijke richtlijnen opnieuw gehoord. De Priesters en Levieten hadden ze opnieuw voorgelezen. En zo lang als het volk daarnaar bleef handelen zouden ook de andere steden opgebouwd worden en overvloeien over voorspoed. Pelgrims zouden weer optrekken naar Jeruzalem om de eerstelingen van de oogst te brengen en te delen met de armen, de vreemdelingen en de Priesters van de Tempel. Dat vooruitzicht van vrede is ook voor ons weggelegd, zo lang wij de volken mee proberen te krijgen in het leven volgens de richtlijnen van onze God.

 

Wees niet als jullie voorouders

maart 13, 2017

Zacharia 1:1-6

1 ¶  In de achtste maand van het tweede regeringsjaar van Darius richtte de HEER zich tot de profeet Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo: 2  ‘De toorn van de HEER heeft jullie voorouders getroffen. 3  Zeg nu tegen het volk: “Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Keer terug naar mij, dan zal ik naar jullie terugkeren-zegt de HEER van de hemelse machten. 4  Wees niet als jullie voorouders. Toen de vroegere profeten hen in mijn naam opriepen om terug te keren van hun dwaalwegen en te breken met hun kwalijke praktijken, luisterden ze niet en gaven ze aan mijn woorden geen gehoor-spreekt de HEER. 5  Waar zijn ze nu, jullie voorouders? En de profeten, leven zij eeuwig voort? 6  Toch hebben mijn woorden en de wetten die ik mijn dienaren de profeten had opgedragen te verkondigen, jullie voorouders getroffen.”’ Toen kwam het volk tot inkeer en erkende: ‘De HEER van de hemelse machten heeft vanwege onze handel en wandel met ons gedaan wat hij zich had voorgenomen.’ (NBV)

Vandaag lezen we een deel uit het 12 profetenboek, het deel van de profeet Zacharia, ook wel Zacharja genoemd. Vroeger noemden we de profeten uit dat boek de kleine profeten. In de Synagoge stonden ze op één rol. Modern onderzoek naar de Bijbel heeft aangetoond dat de 12 delen van dat boek wel naar verschillende profeten zijn genoemd maar dat de delen ook een onderlinge samenhang vertonen. Zacharia was niet zo maar iemand. Hij leefde in het tweede regeringsjaar van de perzische Koning Darius. Dat betekent dat de Tempel en Jeruzalem waren hersteld zoals de voorganger van Darius, koning Cyrus, had bevolen. Er breekt een nieuwe tijd aan waarin nieuwe profeten optreden om het volk voor te houden hoe de God van Israël de wereld wil zien in die nieuwe verhoudingen. Zacharia was daarbij een tijdgenoot van Haggaï die ook een deel van het 12 profetenboek heeft geschreven.

Zacharia was niet zo maar iemand. Hij was de zoon van Berechja, de zoon van Iddo. Die namen zeggen ons niet zo veel. Maar in het boek Nehemia komt een heel lang register voor van alle mensen die tot het volk Israël gerekend worden. Daar wordt Iddo genoemd als de grondlegger van een van de priestergeslachten. Zacharia was dus een priesterzoon en zo moeten we ook zijn deel van het boek lezen. De nieuwe Tempel stond wel in Jeruzalem en de mensen zouden daar best wel hun offers brengen voor die God die hen volgens zeggen ook uit de ballingschap had bevrijd. Maar de verwoesting van de Tempel was er niet zo maar gekomen, die ballingschap was meer dan gewone pech voor een klein volkje. Zacharia wijst op de voorvaderen van het volk die niet geluister hadden naar de waarschuwingen van de profeten uit hun tijd dat ze moesten leven naar de richtlijnen die God gegeven had.

Uiteindelijk had het volk gesnapt dat al die ellende die hen was overkomen het gevolg was van het afwijken van de richtlijnen van hun God. In Babel hadden ze alle verhalen over hun God weer eens opgeschreven. Hoe was het allemaal begonnen, met de schepping en zo, wat was er waar van de verhalen van de godsdienst van Babel? Je vindt de sporen er van in het begin van Genesis. De mens was niet geschapen om de goden een plezier te doen zoals de godsdienst van Babel verkondigde, maar God had de mens geschapen als geliefden van God. De mens had die vriendschap verstoort door gelijk te willen worden aan God. Die weg leidt tot de dood, God heeft dat steeds herhaalt en Hij houdt zich aan zijn woord. Alleen het volgen van de richtlijnen van die God, richtlijnen voor een menselijke samenleving waaraan iedereen kan deelnemen, leidt tot het leven, uiteindelijk tot een leven in eeuwigheid. Elke dag mogen we die weg opnieuw inslaan. Daar mogen we die God dankbaar voor zijn.

De HEER is koning

maart 12, 2017

Psalm 99

1 ¶  De HEER is koning-volken, beef! Hij troont op de cherubs-aarde, sidder! 2  Groot is de HEER op de Sion, verheven is hij boven alle volken. 3  Uw naam moeten zij loven, zo groot en geducht. Heilig is hij. 4  Machtige koning, die het recht bemint: u stelde rechtvaardige wetten vast. Recht en gerechtigheid in Jakob: ze zijn uw werk. 5  Breng hulde aan de HEER, onze God, en buig u neer aan zijn voeten. Heilig is hij. 6 ¶  Mozes en Aäron waren zijn priesters, ook Samuël riep zijn naam. Riepen zij tot de HEER, hij antwoordde; 7  in de wolkkolom sprak hij hen toe en zij onderhielden zijn geboden, de wet die hij hun gaf. 8  HEER, onze God, u hebt hun geantwoord. U was voor hen een God van vergeving en een God die hun misdaden strafte. 9  Breng hulde aan de HEER, onze God, en buig u neer voor zijn heilige berg. Heilig is de HEER, onze God. (NBV)

Vandaag zingen we een echt politiek lied mee. Niet een lied van goede dichters, van helden uit het verleden of van profeten, maar een lied van het volk. In andere liederen over de God van Israël gaat het vaak over de Heer uw God, daar wordt het volk aangesproken en iets verteld over de ervaringen die de dichter met de God van Israël heeft gehad. In deze psalm zingt het volk zelf. Tegen alle machthebbers in. Wie ook denkt het op aarde of een deel van de aarde voor het zeggen te hebben moet sidderen voor de God van Israël. Hier klinkt het “Heer onze God” en “Heilig is de Heer onze God”. En Heilig is hier volmaakt, lees er ook maar helend in, die hele zieke verrotte wereld met haar onderdrukking, oorlogen en geweld wordt gezond gemaakt door de God van Israël.

Waarom loopt dat volkje eigenlijk te hoop voor juist die God? Dat volk stamt toch af van slaven die aan de macht van Egypte zijn ontsnapt? Dat volkje werd toch overwonnen door wereldmachten als Assyrië, Babel en Perzië? Hun stad en hun tempel werden verwoest en bij de gratie van koning Cyrus hadden ze die weer mogen opbouwen. Wat is dan dat geroep over de God van Israël die verheven zou zijn over alle volken. Wat dan de eis dat alle volken zijn naam moeten loven, is hij werkelijk zo groot en geducht? Het antwoord wordt ook door de psalm gegeven. Het gaat om het recht en rechtvaardige wetten.

Die God van Israël heeft zijn volk richtlijnen gegeven voor een menselijke samenleving. Daar kan iedereen aan mee doen. Rijken en armen, zieken en gezonden, ouden en jongen. Zelfs de vreemdelingen zijn er welkom en ook voor hen wordt gezorgd. Dat is nog eens wat anders dan machthebbers die wetten maken die de machtigen en rijken bevoordelen, die wetten maken om herkozen te worden en meer stemmen te halen bij verkiezingen. De psalm wijst op Mozes en Aäron die de goddelijke richtlijnen aan het volk moest leren. Ze wijst op Samuël die het volk waarschuwde voor koningen zoals ook de heidenvolken hadden. Die God van Israël doorbrak de bestaande verhoudingen, bestrafte de misdaden en deed recht aan het hele volk. Daar zijn wij inmiddels ook in betrokken, ook aan ons te ijveren voor de richtlijnen voor menselijke samenleving. In deze dagen belangrijker dan ooit.

Vreugde wacht wie vrede zoeken

maart 11, 2017

Spreuken 12:20-28

20 ¶  Wie kwaad smeden, zijn een en al bedrog, vreugde wacht wie vrede zoeken. 21 ¶  De rechtvaardige wordt niet door onheil getroffen, goddelozen worden bedolven onder ellende. 22 ¶  Bedriegers zijn de HEER een gruwel, wie waarachtig handelen, zijn hem welgevallig. 23 ¶  Een verstandig mens loopt niet met zijn kennis te koop, dwazen strooien met hun dwaasheid. 24 ¶  Een vlijtig mens verwerft gezag, luiheid leidt tot slavernij. 25 ¶  Kommer maakt een mens neerslachtig, een hartelijk woord beurt hem op. 26 ¶  De rechtvaardige is beter af dan ieder ander, de goddeloze volgt een dwaalspoor. 27 ¶  Een luie jager vangt nooit wild, een vlijtig mens verwerft een kostbaar vermogen. 28 ¶  De weg van de rechtvaardigheid leidt naar het leven, een geëffend pad is het, vrij van de dood. (NBV)

Er is een nieuwe belangstelling voor eigentijdse spreekwoorden melden de liefhebbers van de taal ons. Spreekwoorden zijn korte beelden waardoor lange verhalen overbodig worden. Maar spreekwoorden kunnen ook dooddoeners worden. Door het gebruik van spreekwoorden kun je de verdere communicatie, het delen met een ander, onmogelijk maken. Het spreekwoord is algemeen aanvaard dus het is zo en met een spreekwoord in discussie gaan is nu eenmaal weinig zinvol. En over communicatie gaat het vandaag in het gedeelte dat we uit het boek Spreuken lezen. Dat Spreukenboek lijkt wel vol te staan met spreekwoorden. Luiheid leidt tot slavernij. Kort krachtig en als waarschuwing soms zeer op z’n plaats. Maar is het ook een feit? In de dagen dat het boek Spreuken ontstond wel. Wie de door God gegeven akker verwaarloosde had geen oogst voor slechte tijden en moest zich uiteindelijk verkopen als slaaf. Wij hebben niet een samenleving die zo in elkaar zit.

Dat is het makke van spreekwoorden. Als de situatie of de tijden waarin ze zijn ontstaan is veranderd dan gelden die spreekwoorden niet meer. Bij ons leidt luiheid helemaal niet tot slavernij maar misschien wel eerder tot vrijheid, tot bevrijding van de slavernij. Vlijt leidt tot slavernij. Wie mensen voortdurend wil laten produceren en consumeren kan geen vrij ogenblik toestaan, laat staan een dag waarop iedereen tegelijk vrij is van consumeren en produceren. Dus weg met de vrije zondag dan kunnen we pas echt vlijtig zijn en vlijtig zijn was goed nietwaar? Luiheid leidt immers tot slavernij? Nee dus, vlijtig is niet goed, het goede is de zorg voor de ander, is luisteren naar de ander als die kwaad is, is samen met de ander bouwen aan de menselijke samenleving, de samenleving waar ijver nuttig is om te overleven maar vrijheid, vrij zijn van verslaving en slavernij voorop staat.

De spreekwoorden van het boek Spreuken vragen om nader doordacht te worden. Het zijn niet zozeer spreekwoorden maar doordenkertjes. En een verstandig mens loopt niet met zijn kennis te koop. Een verstandig mens herkent een neerslachtig mens en heeft een hartelijk woord tot zijn beschikking om de ander op te beuren. Het loopt dus weer uit op de tegenstelling tussen de rechtvaardige en de goddeloze. De rechtvaardige laat mensen tot hun recht komen, zorgt dat iedereen mee kan doen in de samenleving, voedt de hongerigen en kleedt de naakten, zorgt voor de weduwe en de wees. De goddeloze zorgt alleen voor zichzelf, jaagt eigen plezier en eigen vermogen na. En hoe zit het dan met die jager? Als je van de jacht afhankelijk bent  voor je voedsel dan jaag je, maar je doodt niet al het wild. Het kostbaar vermogen van een natuur waarin te jagen is verwerf je door ijverig voor dat wild te zorgen. Ook die jager moet doordenken. En dat mogen we elke dag opnieuw, denken om de naaste, weten dat je van delen rijker wordt, ook vandaag mag dat weer.