Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Wij hebben dat land in bezit genomen

Deuteronomium 3:12-22

12 Wij hebben dat land in bezit genomen, en ik heb het gebied met alle steden vanaf Aroër op de rand van het Arnondal tot halverwege het bergland van Gilead toegewezen aan de stammen Ruben en Gad. 13  De rest van Gilead en heel Basan, het rijk van Og, het hele gebied van Argob, heb ik aan de helft van de stam Manasse toegewezen. (Heel Basan wordt ook wel het land van de Refaïeten genoemd.) 14  Jaïr, een nakomeling van Manasse, veroverde het gebied van Argob tot aan de grens met Gesur en Maächa en noemde Basan de Dorpen van Jaïr, naar zichzelf, en zo heet het tot op de dag van vandaag. 15  Aan Manasses zoon Machir wees ik dus Gilead toe. 16  De stammen Ruben en Gad gaf ik het stuk ten zuiden van Gilead tot aan het Arnondal, vanaf het midden van de Arnon, die een natuurlijke grens vormt, tot aan het dal van de Jabbok, de grens met het land van de Ammonieten. 17  Verder de Jordaanvallei, met de Jordaan als natuurlijke grens, tussen het Meer van Kinneret en de Zoutzee, ofwel de Dode Zee, tot aan de rotskloven van de Pisga aan de oostkant daarvan. 18  Ik heb u toen het volgende opgedragen: ‘De HEER, uw God, heeft u dit land gegeven om het in bezit te nemen. Nu moeten uw weerbare mannen als voorhoede voor uw broeders, het volk van Israël, uit trekken. 19  Alleen uw vrouwen, kinderen en vee-ik weet hoeveel vee u hebt-mogen in de steden blijven die ik u heb toegewezen, 20  totdat de HEER ook uw broeders vrede heeft gegeven en ook zij het land in bezit hebben genomen dat de HEER, uw God, hun geeft aan de overkant van de Jordaan. Pas dan mag ieder van u teruggaan naar zijn eigen grond, die hij van mij heeft gekregen.’ 21 Jozua heb ik toen op het hart gedrukt: ‘Jij hebt met eigen ogen gezien wat de HEER, je God, met die twee koningen heeft gedaan. Precies zo zal de HEER doen met alle vorsten die je na de oversteek zult treffen. 22  Je hoeft niet bang voor hen te zijn, want het is de HEER, je God, zelf die voor jullie strijdt.’ (NBV)

In het verhaal over de verovering van Israël wordt  een onderscheid gemaakt tussen de verovering en het in bezit nemen. Mozes vertelt hier dat het land dat verovert werd op Sihon en Barak ook door het volk in bezit werd genomen. En wat doet het volk er vervolgens mee? Mozes laat zien wat de bedoeling is. Het land wordt gedeeld. Onder de stammen en onder de families. De stam Ruben en de stam Gad krijgen voldoende land om zich daar te vestigen. Machir, de zoon van Manasse krijgt het overblijvende deel. Manasse was geen zoon van Jacob maar een kleinzoon. Hij was een zoon van Jozef, de onderkoning van Egypte die het volk van Jacob van de hongerdood had gerecht. Die Jozef had twee zonen, Efraïm en Manasse die elk een stam binnen Israël hadden gevormd. Het nageslacht van Jozef kreeg daarmee meer dan de afstammelingen van de andere broers. Machir krijgt hier al bijna evenveel als Ruben en Gad.

Er staat dat God hen het land heeft gegeven om het in bezit te nemen. Maar het Hebreeuws speelt hier weer eens met woorden. De woorden die hier worden gebruikt kwamen we al tegen in Genesis 2 en 3. Daar wordt de aarde aan Adam gegeven om het in bezit te nemen. Maar dat in bezit nemen betekent ook om te rusten. De aarde moet dus een rustplaats voor de mens worden, een lusthof waarvan genoten kan worden. Natuurlijk genieten van de opbrengst van de aarde. Maar ook al zou de opbrengst achterwege blijven dan blijft er nog genoeg over om van de genieten. In de eerste vier boeken van Mozes kwam zelfs de richtlijn voor om elke zeven jaar het land een jaar rust te geven en te leven van wat er spontaan op groeit. Elke dwang om meer en nog meer te produceren blijft wordt het volk Israël ontnomen. Dat land, en dus ook de opbrengst is bedoeld om te delen. Als dat land dus een rustplaats is geworden voor Ruben, Gad en Machir moeten de weerbare mannen zich verzamelen en onder leiding van Jozua om ook het land aan de overzijde van de Jordaan in bezit te nemen.

Pas als dat is gebeurd dan mogen de mannen van Ruben, Gad en Machir terugkeren naar het land dat hen gegeven is. Vrouwen en kinderen mogen er alvast blijven. Daarom was het ook van belang geweest dat bij de verovering het voedsel niet werd verbrand of vernietigd maar dat ze het voedsel in bezit hadden genomen. Daar kunnen vrouwen en kinderen nu gebruik van maken. Ook hier speelt het delen dus een belangrijke rol. En dan de komende militaire campagne. Dat was tegen die reuzen die de verkenners van de eerste generatie  hadden gezien. Nu er waren al reuzen van de Refaïten verslagen en was hun land in bezit genomen. Angst is dus niet nodig. Ook niet voor ons als wij ons willen inzetten voor gerechtigheid, daar waar mensen ten onder dreigen te gaan aan onderdrukking en geweld. Op dit moment klinkt de roep van de Rohingia. Laten we om gehoor voor hen vragen.

Laat een Reaktie achter