Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Nu dragen wij hun schuld

Klaagliederen 5:1-22

Vandaag lezen we het vijfde klaaglied uit het boek dat de Klaagliederen van Jeremia wordt genoemd. Van a tot z wordt de ellende van Israël bezongen. In de vier klaagliederen die hiervoor staan wordt dat nog netjes op alfabet gedaan maar hier is het een chaos geworden van de 22 letters uit het Hebreeuwse alfabet, daarom heeft dit lied 22 regels, voor elke letter één. In dit lied geen mooie coupletten zoals in de vorige, bij al het leed dat wordt genoemd lijkt de zanger en dichter langzaam te verstommen, ten onder te gaan in het leed dat zich voor zijn ogen voltrekt. Het lied is gericht als noodkreet tot de God van Israël. En het begint met het uitspreken van hoop. Die lees je in de Nieuwe Bijbelvertaling van vers 2 niet meer, in oudere vertalingen zou je dat nog op het spoor kunnen komen. Hier wordt vertaald met “ons eigen land” in oudere vertalingen met “ons erfdeel” en het land dat een eeuwig erfdeel zou zijn en dat onder Jozua was verdeeld hoort elke 50 jaar terug te komen. Ook nu het aan de vreemdeling is toegevallen, het bezit aan de buitenlander. In het Jubeljaar kon elke familie weer opnieuw beginnen. Dat is belofte waaraan de dichter hier subtiel herinnert. Al de ellende die hij schildert neemt het uitzicht op de bevrijding van de ellende niet weg. Maar er is geen Koning die het jubeljaar zou kunnen uitroepen. Er is niemand meer die recht zou kunnen zoeken voor het volk, ze zijn als onmondige kinderen die geen voorspraak, geen advocaat, geen vader, meer hebben die voor ze op zou kunnen komen. Alle rechten die aan de armen waren toegekend, gratis water, gratis hout sprokkelen, zijn aan de armen ontzegd. Slavenarbeid krijgen ze, in het Hebreeuws in dezelfde woorden als de slaven ooit in Egypte. De wereldmachten waar ze steun bij dachten te zoeken waren in onderdrukkers veranderd. De profeten als Jeremia en Jesaja hadden daar al tegen gewaarschuwd maar die waarschuwingen waren in de wind geslagen. Het gevolg is dat ze nu overheerst worden door zetbaasjes van koningen die ver weg zijn, ambtenaren die het volk uitpersen ten eigen voordeel. Gevolg is dat de oogst bedreigd wordt door roversbenden, dat vrouwen worden verkracht, de vorsten opgehangen zijn en jonge jongens al aan slavenarbeid worden gezet. Met het recht dat is verdwenen zijn ook muziek en vreugde verdwenen. De plek waar ooit het recht van de armen werd gevierd, de Tempelberg Sion, is nu een woestenij geworden. Dat was de voetenbank van de God van Israël. En in uiterste wanhoop doet de dichter een beroep op de God die nooit laat varen het werk dat zijn hand begon. Denk dus niet dat het geloof in die God, het geloof in zijn bevrijding je vrijwaart van ellende. Als je niet zorgt voor het recht van de armen, de hongerigen voedt, de naakten kleed, vrede sticht, dan zal je uiteindelijk die ellende overkomen. Alleen werken aan een wereld waar de armen recht wordt gedaan brengt uiteindelijk voor die wereld de orde in de chaos die nodig is. Wij mogen daar vandaag weer aan werken, als we uit de Klaagliederen maar leren waar die ellende gelegen is.

Laat een Reaktie achter