Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Want ik zal hun lot ten goede keren

Jeremia 32:36-44
 
In de dagen van Jeremia was het volk Israël aangeland in de donkerste dagen van haar geschiedenis. Er was er een belegering van Jeruzalem, verwoesting stond voor de deur. De godsdienstige en bestuurlijke elite reageerde zoals zoveel belegerde elites doen, ze willen oorlog voeren ook al kost dat alleen maar veel levens. De eer is in zulke gevallen altijd een goede smoes. Noch in de dagen van Jezus van Nazareth noch in de tijd van Jeremia werden de levens geteld die de houding van de elite kostte. Ook in onze dagen verzwijgen de machthebbers liever de dode vrouwen en kinderen die slachtoffer zijn van een oorlog, zelfs bij de oorlog in Afghanistan die gevoerd zou moeten worden om de bevolking te helpen in vrede en vrijheid te leven. Jeremia verwierp de zinloze oorlog, Jezus van Nazareth verwierp de opstand tegen de Romeinen. Jeremia wilde terug naar de Wet van de Woestijn. Jezus van Nazareth wilde naar de herdenking van de uittocht uit Egypte, naar de bevrijding uit de slavernij. Die bevrijding zou uiteindelijk de terugkeer uit de ballingschap in de tijd van Jeremia betekenen en voor Jezus van Nazareth de bevrijding van de Romeinen. De dood heeft immers niet het laatste woord in ons leven. In de dagen van Jeremia had het volk Israël elk krediet bij God verspeeld door de beelden in de Tempel, de beelden op de akkers en vooral door de kinderoffers aan Moloch. Maar bij de verwerping van het volk blijft het niet. Er blijven mensen die zich inzetten voor de Wet van de God van Israël, je naaste liefhebben als jezelf, daarom klinkt de belofte dat ooit de mensen uit ballingschap zouden terugkeren om een nieuwe kans voor het volk te krijgen. Ook voor Jezus van Nazareth was de dood niet het laatste woord. Zijn liefde, zijn weigering zich met geweld te verzetten tegen zijn vijanden, zelf aan het kruis vroeg hij vergiffenis voor hen, betekende dat hij tastbaar en voelbaar in het midden van zijn volgelingen verscheen. Het werk dat de God van Israël ooit is begonnen, van de chaos op de aarde een mensenland te scheppen, laat hij niet los. Voor ons betekent het dat we geroepen zijn op weg te gaan met die Wet, dat niemand ons kan afhouden van het verspreiden van liefde. In onze eigen buurt, in ons eigen dorp of stad en in ons land en de wereld overal waar wij het willen aanpakken. Armen, zwakken, zieken en vreemdelingen genoeg. Wat de politiek of de publieke opinie ook zegt, wij kunnen onze eigen weg gaan. Het is geen liefdadigheid. In het uitsteken van handen naar de zwaksten dient altijd de verkondiging te zitten. Mensen dienen behandeld te worden zoals je zelf behandeld zou willen worden. Onze broeders en zusters horen niet langs de kant van de weg te liggen. Onze kinderen horen geen honger te lijden en dus geen kind op deze wereld. We hebben de belofte waarop ook Jeremia zich verlaat. Eens worden er weer akkers gekocht en verkocht, eens is er een samenleving van recht en gerechtigheid waarin iedereen mee mag doen en niemand tekort komt. God zal er weer vreugde in vinden om goeds uit de mensen voort te brengen en aan een ieder een land geven overvloeiende van melk en honing. Al moeten de stenen in de straat er van getuigen zei Jezus van Nazareth toen hij op een ezel gezeten gehuldigd werd als koning van Israël.

Laat een Reaktie achter