Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor februari, 2019

Kom terug, afvallige kinderen

zondag, 17 februari, 2019

Jeremia 3:22-4:2

22 Kom terug, afvallige kinderen, ik zal jullie genezen van je ontrouw. Dan zullen jullie zeggen: “Hier zijn we, wij komen bij u terug, want u bent de HEER, onze God. 23 Het is waar, de heuvels zijn een leugen, de bergen een holle klank. Het is alleen de HEER, onze God, die Israël de overwinning geeft. 24 Zolang ons volk bestaat, heeft de god van de schande het bezit van onze voorouders verslonden, hun schapen, geiten en runderen, hun zonen en dochters. 25 Laten we ons neerwerpen in schande, laat schaamte ons bedekken. Tegen de HEER, onze God, hebben wij en onze voorouders gezondigd, vanaf onze jeugd, tot op de dag van vandaag. Wij hebben niet geluisterd naar de HEER, onze God.” 1 Israël, wanneer je op je schreden terugkeert, keer dan terug naar mij-spreekt de HEER. Heb je die afgodsbeelden weggedaan, zwerf dan niet langer rond, 2 maar zweer waarachtig, eerlijk en oprecht: “Zo waar de HEER leeft.” Dan willen alle volken worden gezegend als Israël, ze zullen zich met Israël gelukkig prijzen. (NBV)

Wat is dat nu? Kan God iets denken dat vervolgens niet gebeurd? Is God niet almachtig of moeten we de profeet Jeremia niet zo letterlijk nemen? Het antwoord op beide vragen is dat je dat inderdaad niet moet geloven of doen. God als almachtige benoemen betekent niet dat God niet kan veranderen in zijn denken. Zo wordt de God van Israël tenminste ervaren in de Bijbel, zo heeft Jeremia die God ook ervaren en daarover schrijft hij hier. Hij schrijft hier niet over historische feiten die hij van God heeft gehoord over het verloop van Gods denken, maar over de “goddelijke” betekenis van de geschiedenis van het volk zoals hij die heeft gekend en ervaren. Dat het volk God ontrouw is geworden staat inmiddels wel vast. Vanaf de dagen in de Woestijn was het volk duidelijk dat er één God van Israël was die geen andere goden naast zich duldde. Er konden best heel veel mensen in die andere goden geloven, voor het volk zou het zo moeten zijn dat ze niet bestonden. Dat houden de profeten het volk ook steeds voor, gouden en houten beelden, door mensen gemaakt, stellen niks voor, die werken niet.

En daarmee zijn we ook in onze tijd aangeland. Want ook in onze dagen zijn er stoere stemmen die beweren dat ze alles weten en alles onderzocht hebben. Niemand kan bewijzen dat God bestaat. Dat is waar, als we dat konden bewijzen hoefden we ook niet meer te geloven. Niemand kan echter ook bewijzen dat God niet bestaat, daarom blijft er niet anders over dan te geloven dat er een God is zoals beschreven is in de verhalen van het Oude en Nieuwe Testament. De “Wetenschap”, de “Zuivere Rede” als goden aanhangen, daarin geloven is dus net zo stom als geloven in die gouden en houten beelden uit de tijd van Jeremia. In de wetenschap hoef je immers niet te geloven, wat er in de wetenschap te weten is kun je dus weten, geloven hoeft daarin niet meer. Blijft de vraag wat we nu moeten met die God van Israël. Tegen Juda en Jeruzalem werd door Jeremia gezegd dat ze nieuw land moeten ontginnen, onkruid wieden en opnieuw aan de gang gaan. Maar wat moet je nu met je voorhuid van je hart? In oude tijden waren de voorhuiden van je vijanden het teken van je macht en van je overwinning.

Het volk van Abraham werd onoverwinnelijk toen ze zichzelf van hun voorhuid lieten ontdoen. Dat was de eerste betekenis van de besnijdenis. Later werd het het teken van het verbond met de God van Israël. Het volk zou zorgen voor het heb-uw-naaste-lief-als-uzelf door volgens die regel te gaan leven en de God van Israël zou zorgen voor vrede en een land waar mensen konden leven. Dat afzweren van oorlog door je onoverwinnelijk te maken, door het onmogelijk te maken dat je vijand nog aan jou zijn macht en overwinning kan afmeten is het begin van de vrede. Dat doe je niet alleen door de feitelijke besnijdenis zegt Jeremia, maar dat doe je door je manier van leven, uit al je daden en handelen moet het spreken dat je het goede wil doen en niet dan het goede. Daarom moeten we beseffen dat wetten tegen exorbitante zelfverrijking niet op zichzelf mogen staan, ze moeten gepaard gaan met een houding van een heel volk dat rechtvaardig delen stelt boven hebben en nog meer hebben. Daar kunnen we vandaag nog mee beginnen.

Niet eeuwig duurt mijn toorn

zaterdag, 16 februari, 2019

Jeremia 3:12-21
12 Roep tegen het noorden: Kom terug, ontrouw Israël-spreekt de HEER -,dan zal ik mijn woede laten varen, want ik ben vol genade, niet eeuwig duurt mijn toorn- spreekt de HEER. 13 Erken alleen dat je schuldig bent, tegen de HEER, je God, in opstand bent gekomen, dat je overal op zoek ging naar andere goden, onder elke bladerrijke boom, dat je niet naar mij geluisterd hebt- spreekt de HEER. 14 Kom terug, ontrouwe kinderen-spreekt de HEER -,want jullie behoren mij toe. Ik zal één van jullie uit elke stad nemen en twee van jullie uit elke familie, en jullie naar Sion brengen. 15 Ik zal jullie herders naar mijn hart geven, en die zullen jullie met wijsheid en inzicht weiden. 16 En als jullie in die tijd in aantal toenemen en dit land weer zullen bevolken, zal niemand meer over de ark van het verbond met de HEER spreken. Die komt in niemands gedachten op, hij wordt niet meer genoemd of gemist, en wordt niet opnieuw gemaakt. 17 In die tijd zal men Jeruzalem “Troon van de HEER” noemen. Alle volken zullen er samenstromen, ze zullen op de naam van de HEER afkomen en zich niet meer laten leiden door hun koppig en boosaardig hart. 18 In die tijd zal Juda zich bij Israël voegen, en samen zullen ze uit het noorden naar dit land komen, dat ik hun voorouders in bezit heb gegeven. 19 Ik dacht: Hoe kan ik je een plaats tussen mijn kinderen geven en je een begeerlijk land schenken, een sieraad voor de hele wereld? En ik dacht: Jullie zullen “vader” tegen mij zeggen, jullie keren je niet van mij af. 20 Maar nee, zoals een vrouw die haar man bedriegt, zo heb jij mij bedrogen, volk van Israël! -spreekt de HEER. 21 Een stem klinkt over de kale heuvels: Israël smeekt en weent. Het is een verdorven weg gegaan, is de HEER, zijn God, vergeten. (NBV)
Een prachtig optimistisch stuk uit het boek van de profeet Jeremia vandaag. Juda wordt belegerd en de bevolking van het kleine koninkrijk Israël is voor een groot deel gedeporteerd. In beide koninkrijken worden andere goden aanbeden en de God van Israël heeft zijn volk in de steek gelaten. Maar dat hoeft niet te blijven duren. Als het volk nu maar zou snappen hoezeer ze op de verkeerde weg zijn. Hoe fout het is om die stenen en houten goden die niks doen te aanbidden met al die rare riten die daar van hen worden gevraagd. Hoe nodig het is om een heel andere manier van God dienen te gaan beoefenen. Godsdienst in de Bijbel is dienst aan de naaste, aan de minste, aan de zwakste. Het eren van de God van Israël is het liefhebben van de naaste als jezelf. Als heel het volk zich daartoe zou bekeren en zou bekennen dat het nalopen van die andere goden, de goden van winst en profijt, van goud en valse beloften, fout is en met wortel en tak moet worden uitgeroeid, dan kunnen de ballingen weer terugkomen, hoe weinig er ook overgebleven zijn.
Dan zullen de koninkrijken Juda en Israël weer verenigd worden, dan komen er weer leiders van het volk die oog hebben voor de minsten in het volk, die er voor kunnen zorgen dat er ook echt eerlijk en rechtvaardig wordt gedeeld en dat alle mensen tot hun recht komen. Dan zal het volk weer groeien in aantal. Dan zal er ook niet meer over die oude kist uit de woestijn gesproken hoeven te worden omdat iedereen weet heeft van de leer van Mozes die daarop gegrift was, die richtlijn van heb uw naaste lief als uzelf is als het ware in de harten van de mensen gebeiteld. Dan zal heel de wereld weten dat in Jeruzalem een geheim wordt bewaard waar iedereen van de hele wereld in mag delen: dat als we met elkaar werkelijk en waarachtig delen, als iedereen tot zijn of haar recht komt, als we helemaal niemand vergeten, dat dan de hemel op aarde zal komen. Een geweldig visioen. In de zwartste dagen van zijn volk weet de profeet dit perspectief voor zijn volk te schilderen. En als hij daarin weet te geloven dan wordt ons gezegd dat we in vergelijkbare visioenen mogen gaan geloven. Want die God van Israël is vandaag nog steeds dezelfde als de God van Israël uit de dagen van Jeremia.
Door Jezus van Nazareth is ons dat geheim van Jeruzalem ook bekend geworden. Die heeft het ons voorgeleefd zelfs door de dood heen. Dat leven mogen wij navolgen. Elke dag opnieuw, hoe vaak het ons ook mislukt telkens weer mogen we doen als wat hier gevraagd wordt van het volk Israël in Juda en Israël, erken wat je verkeerd gedaan hebt, erken hoe vaak je de valse idols en de leer van idol en prestatie bent nagevolgd, erken hoe daardoor de schade is toegebracht aan de armsten en de minsten op aarde. Wees je bewust dat we geen eerlijke handelsakkoorden hebben, erken dat over sommige grondstoffen in arme landen oorlogen worden gevoerd omdat wij zo graag de producten hebben die daarvan gemaakt worden. Weet dat we mensen recht moeten doen, dat we moeten kiezen voor het leven, maar erken ook dat als de hongerigen gevoed zijn, de oorlogen beëindigd, als aan alle mensen recht wordt gedaan, dat dan ook voor ons de hemel op aarde komt. Erken ook dat we er nog vandaag mee kunnen beginnen.

Daarom bleven de regens uit

vrijdag, 15 februari, 2019

Jeremia 3:1-11

1 De HEER sprak: ‘Als een man van zijn vrouw scheidt en zij bij hem weggaat en de vrouw van een ander wordt, kan hij haar dan terugnemen? Wordt er dan geen smet op het land geworpen? Maar jij hebt met talloze minnaars overspel gepleegd, en je wilt toch weer bij me terugkomen? spreekt de HEER. 2 Kijk naar de kale heuvels, waar ben je níet beslapen? Je wachtte je minnaars op langs de weg, zoals een rover wacht in de woestijn. Je hebt dit land besmeurd met je overspel, je schandelijk gedrag. 3 Daarom bleven de regens uit, is de lenteregen niet gekomen. Toch hield je de brutale blik van een hoer, je toonde geen enkele schaamte. 4 Maar nú roep je mij aan. Je zegt “vader” tegen mij, en zegt: “U bent de geliefde van mijn jeugd, 5 uw woede gaat voorbij, niet eeuwig duurt uw toorn.” Zo spreek je, maar onverdroten ga je voort, je blijft je schanddaden begaan.’ 6 Tijdens de regering van koning Josia zei de HEER tegen mij: ‘Heb je gezien hoe ontrouw Israël mij geworden is? Ze pleegde overspel op elke hoge berg en onder elke bladerrijke boom. 7 Ik dacht: Als ze van dat alles genoeg heeft, komt ze wel bij me terug. Maar ze kwam niet terug. Haar afvallige zuster Juda zag 8 dat ik ontrouw Israël verstoten had en haar een scheidingsbrief gegeven had, juist omdat ze overspel had gepleegd. Maar toch liet afvallig Juda zich daardoor niet afschrikken, ze pleegde zelf ook overspel. 9 En door haar lichtzinnig overspel met goden van steen en hout wierp ze een smet op dit land. 10 Daarna kwam Israëls afvallige zuster Juda wel bij me terug, maar ze was niet oprecht, ze kwam met loze woorden-spreekt de HEER.’ 11 De HEER vervolgde: ‘Ontrouw Israël is nog rechtvaardig in vergelijking met afvallig Juda. (NBV)

Het gaat hier niet om een willekeurige straf voor de zonden die het volk begaan zou hebben. Nee het gaat hier om de tegenstelling tussen de God van Israël en de vruchtbaarheidsgoden die door dat volk werden nagelopen. Die afgoden werden vereerd met de meest absurde riten. Seksuele uitspattingen, tempelprostitutie, maar ook zelfverminking tot bloedens toe. Dat alles om vruchtbaarheid af te smeken. En voor vruchtbaarheid was lenteregen nodig. Hoe meer men die vreemde goden bad om lenteregen, hoe intensiever de riten werden beoefend voor die vreemde goden hoe minder lenteregen er kwam. En zo af en toe werd ook de God van Israël aangeroepen, met die was het volk immers begonnen en je kon nooit weten, maar de profeet wijst er fijntjes op dat de godsdienst van de vreemde goden nooit helemaal werd uitgeroeid in het volk. Zelfs in Juda, waar toch de Tempel van de God van Israël stond in hun hoofdstad Jeruzalem, werden vreemde goden meer vereerd dan de God van Israël.

Daar werd dan wel weer de eredienst van de God van Israël opnieuw ingevoerd maar ook in Juda bleef de afgodendienst bestaan. In het Noordelijk koninkrijk Israël werden de twee godsdiensten tenminste nog als gelijkwaardig naast elkaar gezet. In Juda bleef het oude bestaan en werd de godsdienst van de God van Israël als nieuwe mode ingevoerd. De twee koninkrijken worden hier afgeschilderd als twee zusters, Afvallig Juda en Ontrouw Israël, in de vertaling gaat dat beeld gedeeltelijk verloren. Ook in onze dagen merken we dat soms de godsdienst van het Christendom als een nieuw ontdekte mode wordt gepresenteerd. Vroeger waren we immers allemaal Christelijk en zou het ook nu niet ons van een groot aantal problemen verlossen als we weer een beetje meer Christelijk zouden worden heet het dan. Niet dat we het najagen van carrières en rijkdom moeten opgeven. Het superidool geloof zit immers vast gebakken in onze cultuur. Maar meditatie, gymnastiek met een goddelijk tintje en vooral het fatsoen en het zich afzetten tegen andere godsdiensten dan het christendom maken dat we weer netjes en te waarderen worden.

De werkelijke Christelijke principes, die van de God van Israël en van Jezus van Nazareth komen niet meer ter sprake. Natuurlijk leeft er bij een groot deel van het volk nog de notie dat je een ander moet helpen als die in nood zit. Bij een aardbeving als wordt het chequeboek getrokken en ruimhartig ingevuld. Maar is er al een debat geweest over de oorzaak van de armoede in de zogenaamde arme landen? Zijn er al handelsbepalingen veranderd die de arme landen kunnen helpen om straks zoveel geld te verdienen dat ze op eigen benen kunnen staan? En het is niet één volk dat smeekt om gerechtigheid, om een rechtvaardige behandeling in plaats van hulp en aalmoezen. Onze economie bloeit weer op omdat er op nieuwe afzetmarkten in India en China weer te verdienen valt. Stel je nu eens voor dat ook de miljoenen hongerenden in Afrika zoveel zouden verdienen dat ze een afzetmarkt voor ons zouden vormen. Pas eerlijk delen kan ons echt rijk maken. Het klatergoud van de race om de best presterende te zijn kan daar nooit tegenop. Laten we ons dus ook vandaag richten op de Fair Trade en zorgen voor eerlijk delen in de wereld.

Geen besef van schuld

donderdag, 14 februari, 2019

Psalm 36

1 Voor de koorleider. Van David, de dienaar van de HEER. 2 De zonde spreekt tot de goddeloze, diep in zijn hart- angst voor God kent hij niet. 3 De zonde sust zijn geweten in slaap-geen besef van schuld, geen afkeer van het kwaad.4 Hij spreekt woorden van onheil en bedrog en blijft ver van wat wijs en goed is, 5 op zijn bed bedenkt hij verderfelijke plannen, hij betreedt een verkeerde weg en het kwade verwerpt hij niet. 6 HEER, hoog als de hemel is uw liefde, tot in de wolken reikt uw trouw, 7 uw gerechtigheid is als de machtige bergen, uw rechtvaardigheid als de wijde oceaan: u, HEER, bent de redder van mens en dier. 8 Hoe kostbaar is uw liefde, God! In de schaduw van uw vleugels schuilen de mensen, 9 zij laven zich aan de overvloed van uw huis, u lest hun dorst met een stroom van vreugden, 10 want bij u is de bron van het leven, door úw licht zien wij licht. 11 Toon aan uw getrouwen gedurig uw liefde, aan de oprechten van hart uw gerechtigheid. 12 Laat de voet van hoogmoedigen mij niet vertrappen, de hand van goddelozen mij niet verjagen. 13 Daar liggen zij die verderf zaaiden-gevallen, neergestoten, zonder kracht om op te staan. (NBV)

Soms zijn de lezingen uit de Bijbel volgens het rooster van het Nederlands Bijbelgenootschap wel heel erg actueel. Vandaag gaat het over iemand die alles en iedereen de schuld geeft voor hetgeen fout gegaan bleek maar erbij blijft dat hem zelf geen enkele blaam treft, hoewel hij verantwoordelijk was. Het rooster is begin vorig jaar al opgesteld en wie kon bevroeden dat we ooit weer te maken zouden krijgen met een politicus die een fout heeft gemaakt om zijn bedrijf te redden en als de fout uitkomt iedereen daarvan de schuld geeft en zelf buiten schot wil blijven, al moet hij als politicus verdwijnen. Het is de karakteristieke houding van de zondaar zegt dit lied uit de Bijbel. Daarom wordt er gewezen op David als dienaar van de Eeuwige. Die David nam de schuld voor gemaakte fouten altijd direct op zich, ook al kun je je soms afvragen of hij de fouten wel echt zelf heeft gemaakt. Dat is dus een figuur die het tegendeel doet. En we hebben maar een paar regels nodig om zelf ook te snappen wat er van ons verwacht wordt. Ruiterlijk toegeven wat je zelf fout hebt gedaan schept ruimte om het voortaan toch echt anders te gaan doen.

De dichter van de Psalm barst dan ook los in een loflied. Een loflied op de liefde van God, op zijn trouw op zijn gerechtigheid en rechtvaardigheid. De beelden die in dit loflied worden gebruikt zijn ontleend aan de Tempel. Boven de Ark van het Verbond waken gouden cherubs met hun vleugels over de inhoud van de Ark. Die goddelijke vleugels beschermen dus ook de mensen. En wat is de inhoud van de Ark ook weer? Er liggen in stenen platen geschreven de richtlijnen voor de menselijke samenleving die zich laten samenvatten als heb God lief boven alles en je naaste als jezelf. Die richtlijnen worden in de Bijbel ook vaak vertaald als je moet de mensen tot hun recht laten komen, zeker de armen en de zwakken in je samenleving moet je kansen geven om mee te kunnen doen als gewone burgers. Bij de maaltijd die je bij de Tempel moet houden als offer, met de priesters en je familie, moet je uitdrukkelijk ook de armen en de vreemdelingen betrekken. Daar kan dus gelaafd worden aan de overvloed die er in de Tempel, het huis van God, te vinden is.

De fraaie woorden waarmee mensen die fouten hebben gemaakt die fouten op anderen af weten te wentelen benemen je soms het zich op wat er werkelijk aan de hand is. De Psalmist vraagt daarom aan zijn God de waarde van de liefde van God te blijven tonen aan hen die zijn Weg willen bewandelen. Ook de geboden van de God van Israël, de richtlijnen voor de menselijke samenleving worden een licht op ons pad genoemd. Het scheppingswoord uit Genesis “Er zij licht” wordt dan ook uitgelegd als een licht dat ons is opgegaan als inzicht in het kwade dat mensen kunnen doen. Zonder de richtlijnen van de menselijke samenleving, zonder het licht van de God van Israël, hadden we nooit ontdekt dat het afschuiven van fouten op anderen een kenmerk is van de zondaar die geen verantwoordelijkheid neemt voor eigen falen. In de brief aan de Romeinen citeert Paulus deze Psalm nog eens om te laten zien hoe hardnekkig dit kwaad kan zijn. Bij ruiterlijk toegeven en werkelijk veranderen hoort vergeving, maar zij die blijven volharden in het afschuiven op anderen dienen aangepakt te worden. Dat mogen we elke dag opnieuw doen, ook vandaag weer.

Hij richtte een groot feestmaal aan.

woensdag, 13 februari, 2019

Lucas 5:27-39

27 Daarna ging hij naar buiten en zag hij bij het tolhuis een tollenaar zitten die Levi heette. Hij zei tegen hem: ‘Volg mij!’ 28 Levi stond op, liet alles achter en volgde hem. 29 Hij richtte in zijn huis een groot feestmaal voor hem aan, waarop een groot aantal tollenaars en anderen samen met Jezus aanwezig waren. 30 De Farizeeën en hun schriftgeleerden zeiden morrend tegen zijn leerlingen: ‘Waarom eet en drinkt u met tollenaars en zondaars?’ 31 Maar Jezus antwoordde: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar wie ziek is wel; 32 ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar om zondaars aan te sporen een nieuw leven te beginnen.’ 33 Ze zeiden tegen hem: ‘De leerlingen van Johannes vasten dikwijls en zeggen hun gebeden, zoals ook de leerlingen van de Farizeeën doen, maar die van u eten en drinken maar.’ 34 Jezus zei: ‘U kunt toch niet verlangen dat de bruiloftsgasten vasten zolang de bruidegom bij hen is? 35 Maar er komt een dag dat de bruidegom bij hen wordt weggehaald, en dan is het hun tijd om te vasten.’ 36 Hij vertelde hun ook een gelijkenis: ‘Niemand scheurt een lap van een nieuwe mantel om daarmee een oude mantel te verstellen, want dan scheurt hij de nieuwe, terwijl de lap niet bij de oude past. 37 En niemand giet jonge wijn in oude leren zakken, want dan scheuren de zakken door de jonge wijn en wordt de wijn verspild, terwijl de zakken verloren gaan. 38 Jonge wijn moet in nieuwe zakken worden gedaan. 39 Maar niemand die oude wijn gedronken heeft, wil jonge; hij zegt immers: “De oude wijn is goed!”’ (NBV)

We vallen vandaag met onze neus in de boter want het gaat vandaag in onze dagelijkse lezing uit de Bijbel om een feestmaal. Of daar in elke gemeente in ons land evenveel aanleiding voor is blijft natuurlijk een vraag. Maar maaltijden zijn voor Joden en Christenen de belangrijkste religieuze gebeurtenissen. En omdat het belangrijke godsdienstige handelingen zijn moet je er voorzichtig mee omgaan. Je kunt dat wat je eet en drinkt vergoddelijken en dus dat wat je eet en drinkt gaan aanbidden. Dat is afgoderij en dat verwijt klinkt dan soms ook tussen kerken vandaag de dag vooral als kerken willen gaan uitmaken wie wel en wie niet aan de maaltijd in de kerk kan deelnemen op andere gronden dan dat men wel of niet lid is van de betreffende kerk. In de tijd van Jezus van Nazareth klonk de waarschuwing dat je moet uitkijken met wie je de maaltijd nuttigt. Dat kan niet met iedereen. Vandaag klinkt die waarschuwing ook aan advocaten bijvoorbeeld. Ze kunnen niet voor hun plezier gaan eten met zware criminelen die van ernstige misdrijven worden verdacht en voor wie ze in processen als verdediger moeten optreden. Ze krijgen dan het etiket maffiamaatje opgeplakt en dat schaadt hun optreden en geloofwaardigheid als advocaat.

We moeten dus voorzichtig zijn. Jezus van Nazareth at met Jan en alleman. In dit verhaal wordt de maaltijd hem aangeboden door een belastinginner. Langs de kant van de weg stonden tolhuisjes en iedereen die daar langs kwam moest belasting betalen. Tollenaars betaalden aan de Romeinse bezetter een pachtsom voor het mogen heffen van de tol en moesten om te leven winst maken op het heffen van die belasting. Ze werden er meestal niet arm van en waren daarom ook niet geliefd. Zo’n belasting, die voor iedereen gelijk was, drukte ook nog het zwaarst op de armsten. Bovendien werkten ze voor de bezetter en dat maakte hen nog minder geliefd. Jezus van Nazareth ging echter niet voor niks bij hen eten. Hij had al eens zo’n tollenaar zover gekregen de helft van diens bezit onder de armen te laten verdelen en terug te geven aan hen van wie te veel was afgeperst. Liefde voor mensen betekent dus mensen die niet geliefd zijn weer op het rechte pad te krijgen en te zorgen dat ze in plaats van een gehaat medemens weer een geliefd medemens worden. Als dat lukt is het feest, pas als je verdriet hebt ga je vasten.

Niet eten en drinken, of heel sober eten en drinken. Bij de volgende feestmaaltijd waardeer je die maaltijd des te meer en kan je er dubbel van genieten. Ter voorbereiding op het grootste feest van de Christelijke Kerk, Pasen, zijn mensen in de veertig dagen voor Pasen daarom ook gaan vasten, alleen de zondagen slaan ze over, dan wordt al vast een beetje Pasen gevierd. Maar op de andere dagen even terug in overvloed en wat je bespaart opzij leggen voor de armen in de wereld, om er met Pasen en na Pasen weer tegenaan te kunnen en weten welke rijkdom je eigenlijk hebt. Binnenkort begint die periode van onthouding. Ondanks alle feestgedruis die daar aan vooraf gaat weten we heel goed dat er in de wereld nog lang niet genoeg wordt gedeeld, weten we dat er in de wereld nog lang geen vrede is. Maar als je weet met minder toe te kunnen wordt het ook wat makkelijker om te delen en als je weet hoe vervelend het is helemaal niets te hebben gun je dat een ander ook helemaal niet en deel je vanzelf met die ander. Dan heb je samen feest. En vandaag kunnen we dus een feest bouwen, zorgen dat er voor anderen genoeg is.

Sta op en loop!

dinsdag, 12 februari, 2019

Lucas 5:17-26

17 Toen hij op een dag onderricht gaf, bevonden zich onder zijn gehoor ook Farizeeën en wetgeleerden die uit allerlei plaatsen in Galilea en Judea en uit Jeruzalem waren gekomen. De kracht van de Heer was werkzaam in hem, opdat hij zieken zou genezen. 18 Er kwamen een paar mannen met een verlamde op een draagbed, die ze naar binnen wilden brengen om hem voor Jezus neer te leggen. 19 Maar ze zagen geen kans om door de mensenmassa heen te komen, en dus gingen ze het dak op en lieten hem op het bed door een opening in het tegeldak naar beneden zakken tot vlak voor Jezus. 20 Toen hij hun geloof zag, zei hij tegen hem: ‘Uw zonden zijn u vergeven.’ 21 De schriftgeleerden en de Farizeeën begonnen zich af te vragen: Wie is die man dat hij deze godslasterlijke taal spreekt? Wie kan zonden vergeven dan God alleen? 22 Maar Jezus begreep wat ze dachten en zei tegen hen: ‘Vanwaar toch al die bedenkingen? 23 Wat is gemakkelijker, te zeggen: “Uw zonden zijn u vergeven” of: “Sta op en loop”? 24 Ik zal u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven.’ En hij zei tegen de verlamde: ‘Ik zeg u, sta op, pak uw bed en ga naar huis.’ 25 En onmiddellijk stond hij voor de ogen van alle aanwezigen op, pakte het bed waarop hij altijd had gelegen en vertrok naar huis, terwijl hij God loofde. 26 Allen stonden versteld en ze loofden God, en zeiden, vervuld van ontzag: ‘Vandaag hebben we iets ongelooflijks gezien!’ (NBV)

Een les om nooit te vergeten krijgen we vandaag te lezen. Als je echte vrienden hebt die ook wat voor je over hebben dan kun je in je leven ook echt opnieuw beginnen. Bijna zou je in dit verhaal lezen dat opstaan uit een verlammende situatie alleen kan als je echte vrienden hebt. De zonden worden namelijk niet vergeven aan de verlamde man die ze door het dak hadden laten heen zakken maar aan de vrienden die met hem op sjouw waren gegaan. Die staan in het eerste deel van het verhaal centraal. De les wordt uitgedeeld aan de schriftgeleerden en Farizeeën. Meestal kijken we heel negatief tegen hen aan. Dat waren mensen die het onze Jezus van Nazareth moeilijk wilden maken zo leerden we. Maar zo is het niet. De beweging van de Farizeeën was ook de uitvinder van de Synagogen. Het bestuderen van de leer van Mozes en het naleven van die leer was niet langer alleen in Jeruzalem mogelijk. In elk dorp en in elke stad werd een synagoge gesticht waar de leer kon worden bestudeerd.

Jezus van Nazareth leerde, onderwees, vaak in de Synagogen, hij las daar uit de Tora of de Profeten, de oude Hebreeuwse Bijbel. In de verhalen hiervoor benadrukt de schrijver van het Lucasevangelie dat optreden van Jezus van Nazareth in vele synagogen. De discussie die Jezus van Nazareth voert is er één binnen de synagogen en niet één van voor en tegenstanders van een bepaalde leer. Natuurlijk hebben de schriftgeleerden en Farizeeën gelijk als ze zeggen dat we niet op de stoel van God moeten gaan zitten. Alsof wij het voor het zeggen hebben als het gaat om goed en kwaad, juist het streven naar die kennis, het eten van de boom van kennis van goed en kwaad, was de wortel van de zonde. Maar Jezus van Nazareth gaat een stap verder. Bij hem gaat het altijd om de mensen zelf. De Liefde voor de mensen bepaalt zijn leer. En dan is vergeven een werkwoord. Voor vergeven moet het een en ander gebeuren. Er is iets gebeurd waardoor mensen buiten de samenleving zijn komen te staan. De vrienden konden er immers niet meer bij.

Pas als mensen weer volwaardig mee kunnen en mogen doen is er sprake van vergeving. Dus toen die vrienden zich via het dak naar binnen vochten werd hun uitsluiting opgeheven. Dat mag je best vaststellen zegt Jezus. Dat heft zelfs de meest verlammende situatie op. Sta op en loop is dan ook het bevel. Juist in het verhaal van Jezus van Nazareth moet je je altijd afvragen wie je als jouw vriend zou willen hebben als je gedwongen bent langs de kant te liggen. De mens die je als jij als vriend zou willen hebben moet je dan zelf worden voor de ander. Dat deden die vrienden hier toen ze hun verlamde vriend koste wat kost bij Jezus van Nazareth wilde brengen. Tijd dus om vrienden de worden met hen die worden buitengesloten, met mensen die geen stap meer kunnen zetten in onze samenleving. Tijd om ons naar binnen in de samenleving te vechten, desnoods via het dak. Want de mensen die ons als vrienden nodig hebben horen niet in de rand van de samenleving, die horen niet aan de kant te blijven staan of rond te zwerven in de onbruikbare delen van de samenleving, maar die horen in het hart van de samenleving geplaatst te worden. Tijd om op te staan voor de verdrukten zodat ze weer volwaardig mee kunnen doen in de samenleving. Dat is vergeving. Dat kan met name vandaag.

Het nieuws over hem verspreidde zich verder

maandag, 11 februari, 2019

Lucas 5:12-16

12 In een van de steden waar hij kwam, stond er plotseling een man voor hem die door huidvraat getekend was. Toen hij Jezus zag, liet hij zich languit op de grond vallen en smeekte hem om hulp met de woorden: ‘Heer, als u wilt, kunt u mij rein maken.’ 13 Jezus stak zijn hand uit, raakte hem aan en zei: ‘Ik wil het, word rein!’ En meteen verdween zijn huidvraat. 14 Hij beval hem er met niemand over te spreken, maar zei: ‘Ga u aan de priester laten zien en breng een offer voor uw reiniging, zoals Mozes heeft voorgeschreven, als getuigenis voor de mensen.’ 15 Maar het nieuws over hem verspreidde zich juist verder, en grote mensenmassa’s verzamelden zich om naar hem te luisteren en zich van hun ziekten te laten genezen. 16 Hijzelf trok zich geregeld terug op eenzame plaatsen om er te bidden. (NBV)

Het hielp niet, dat vragen om genezingen niet door te vertellen aan anderen. Zelfs als Jezus van Nazareth mensen vriendelijk vraagt hun mond te houden over hun genezing en gewoon weer mee te gaan doen volgens de regels zoals ook Mozes die heeft opgeschreven dan nog spreekt het zich rond en zit hij weer aan die massa’s vast. Dat offer brengen en dat laten zien door de priester staat namelijk gewoon in de wet. De leprastichting vindt het vast jammer dat de Nieuwe Bijbelvertaling ineens over huidvraat spreekt want Lepra vreet wel heel wat meer weg als het niet op tijd behandeld wordt. En met een voor ons klein bedrag kunnen heel veel mensen die besmet zijn met lepra tegenwoordig gered worden en weer gewoon mee doen in hun samenleving. Voor mensen voor wie die redding aan de late kant komt is er dan altijd nog revalidatie en aangepaste arbeid mogelijk. Alleen echter als wij ook bereid zijn via instellingen als de leprastichting een klein beetje te delen van onze rijkdom.

Of de huidvraat, waar in de Bijbel sprak van is, ook nog Lepra genoemd kan worden wordt tegenwoordig betwijfeld, het zou ook een andere huidziekte kunnen zijn. Maar hoe die genezing door Jezus van Nazareth zich ook rond sprak en een menigte mensen op de been bracht, de goedkope medicijnen van tegenwoordig brengen heel wat minder mensen in beweging en de Leprastichting moet nog dagelijks bedelen om al die mensen in arme landen te helpen, terwijl er toch heel wat meer mensen genezen kunnen worden dan in de dagen van Jezus van Nazareth door hem van huidvraat werden genezen. Want Lepra is een ziekte van armen. Ooit liepen ook in de straten van onze steden de melaatsen te bedelen. Ze droegen een ratel om medeburgers op afstand te houden en besmetting te voorkomen. Die afstand en dat buiten de gemeenschap staan speelt ook in het verhaal van Jezus van Nazareth een grote rol. Pas als Jezus van Nazareth die afstand opheft door zijn hand uit te steken kan er genezing volgen.

Zo kan dat ook bij ons, als wij onze hand uitsteken naar de armen kan genezing volgen. Voor ons breekt ook weer de tijd aan om eerlijk na te denken wat we kunnen doen voor armen in de arme landen. Zullen wij in elk geval een beroep doen op partijen in ons parlement zich extra in te spannen voor een eerlijke ontwikkelingssamenwerking, geen aalmoezen maar gerechtigheid. Ideeën als die om extra geld voor ontwikkelingssamenwerking te delen met defensie zijn niet vruchtbaar. Integendeel, dat extra voor ontwikkelingssamenwerking moet gelijk opgaan met het afschaffen van oneerlijke importbeperkingen op producten uit ontwikkelingslanden. Zij willen wel, wij moeten onze hand willen uitsteken en dan gaat de leer van Mozes, de richtlijnen van de God van Israël, de leer van eerlijk delen ook werkelijk voor ons werken. Dan kleeft er geen bloed aan onze handen omdat we de armen uitpersen maar dan zijn we pas echt rein. Dan steken we net als Jezus van Nazareth echt een hand uit om mensen bij de samenleving van de wereld te betrekken. Dan kunnen ook zij delen van wat ze hebben, offeren dus en dat stellen in het teken van die wet van samen delen. Wij kunnen er vandaag mee beginnen.

Hij was verbijsterd

zondag, 10 februari, 2019

Lucas 5:1-11

1 Toen hij eens aan de oever van het Meer van Gennesaret stond en het volk zich om hem verdrong om naar het woord van God te luisteren, 2 zag hij twee boten aan de oever van het meer liggen; de vissers waren eruit gestapt, ze waren bezig de netten te spoelen. 3 Hij stapte in een van de boten, die van Simon was, en vroeg hem een eindje van het land weg te varen; hij ging zitten en gaf de menigte onderricht vanuit de boot. 4 Toen hij was opgehouden met spreken, zei hij tegen Simon: ‘Vaar naar diep water en gooi jullie netten uit om vis te vangen.’ 5 Simon antwoordde: ‘Meester, de hele nacht hebben we ons ingespannen en niets gevangen. Maar als u het zegt, zal ik de netten uitwerpen.’ 6 En toen ze dat gedaan hadden, zwom er zo’n enorme school vissen in de netten dat die dreigden te scheuren. 7 Ze gebaarden naar de mannen in de andere boot dat die hen moesten komen helpen; nadat dezen bij hen waren gekomen, vulden ze de beide boten met zo veel vis dat ze bijna zonken. 8 Toen Simon Petrus dat zag, viel hij op zijn knieën voor Jezus neer en zei: ‘Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens.’ 9 Hij was verbijsterd, net als allen die bij hem waren, over de enorme hoeveelheid vis die ze gevangen hadden; 10 zo verging het ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten. Jezus zei tegen Simon: ‘Wees niet bang, voortaan zul je mensen vangen.’ 11 En nadat ze de boten aan land hadden gebracht, lieten ze alles achter en volgden hem. (NBV)

Opnieuw een verhaal uit het Evangelie van Lucas. We lazen al eerder in dit Evangelie en lazen toen het verhaal over Johannes de Doper die de mensen opriep een ander leven te gaan leiden, de mensen die dat wilden doopte in de Jordaan, en die vanwege zijn kritiek op Koning Herodes in de gevangenis belandde. Ook Jezus van Nazareth had zich laten dopen en met hem zou er een nieuwe wereld opengaan. Thuis in zijn eigen stad was er geen gehoor en in Kafarnaüm waar hij heengetrokken was stroomden de mensen in zulke grote getale toe dat hij het er af en toe benauwd van kreeg. Er moest dus wat anders gebeuren. Het verhaal dat we vandaag lezen vertelt welke nieuwe wending de beweging van Johannes de Doper en Jezus van Nazareth kreeg. Opnieuw werd Jezus van Nazareth in de knel gebracht door het grote aantal mensen dat op hem af kwam. Om de ruimte te krijgen, om in elk geval te kunnen spreken, charterde hij de boot van Simon die net terug was van een nacht tevergeefs vissen. Die Simon kende hij al want hij had er voor gezorgd dat de schoonmoeder van Simon weer mee kon gaan doen nadat ze een zware koortsaanval had gehad.

Simon raakte ook nu danig onder de indruk van deze vreemde leraar. Maar toen die over het vissen begon trok er een glimlach over zijn gezicht. Wij kunnen het niet meer nalezen want de vertalingen vertalen keurig met “meester”, maar de schrijver van het Lucasevangelie gebruikt hier een zeer algemeen woord voor “heer”. Een dominee uit de stad vertaalde voor zichzelf dan ook met “chef”, in een vissersdorp zou men wellicht “jawel schipper” hebben gezegd. Simon deed wat hem werd gevraagd en ving meer dan hij ooit had gedaan, niet één maar twee schepen vol. En zo goed was Simon nu ook weer niet dus vroeg hij Jezus maar om te gaan. Dat was het keerpunt, als je gelooft in jezelf, zoals Simon geloofde dat hij tenminste een goede visser was, en er niet op uit bent van een ander te profiteren maar het zelf wil redden in het leven, dan kun je andere mensen overtuigen mee te doen in het Rijk van recht en vrede. Daarmee staat Jezus van Nazareth niet meer alleen als leraar, maar begint de opleiding van zendelingen die de wereld rondtrekken om iedereen er bij te betrekken.

Vandaag worden ook wij daartoe geroepen, doe het goede en overtuig de mensen om je heen ook om het goede te doen. In onze samenleving laten mensen zich nogal eens leiden door angst, vooral door angst voor mensen die anders doen en anders geloven. Voor angst was in de dagen van Jezus van Nazareth ook genoeg reden. Het zou uiteindelijk Johannes de Doper zijn leven kosten. Maar Jezus van Nazareth trekt zich kennelijk niks aan van mensen die angst zaaien en ook zijn nieuwe volgelingen zoals Simon laten zich niet leiden door de angst voor de gevolgen. Waarom laten wij ons dan wel leiden door angst? Zijn we niet meer in staat om over het goede te praten? Of geloven we niet meer in het goede, in de mogelijkheid met andere mensen samen te leven en samen een samenleving op te bouwen waar iedereen mee kan doen. Deze week is de week van het overtuigen van mensen juist daarvoor te kiezen. Elke nieuwe dag kan het begin van een heel nieuw leven zijn, elke nieuwe dag is immers net zo nieuw als eens de eerste.

Ze hebben niets geleerd.

zaterdag, 9 februari, 2019

Jeremia 2:30-37

30 Ik heb jullie kinderen gestraft; vergeefs, ze hebben niets geleerd. Jullie zwaard verslond je profeten, als een verscheurende leeuw. 31 Let op de woorden van de HEER, Israël! Was ik voor jullie een woestijn, of een land vol duisternis? Waarom zegt mijn volk: “Wij willen niet gebonden zijn, wij komen niet meer naar u toe”? 32 Zal een meisje haar sieraden vergeten, of een bruid haar tooi? Maar mijn volk is mij sinds jaar en dag vergeten. 33 Hoe goed ken je de weg naar je minnaars, zelfs verdorven vrouwen kunnen nog iets van je leren. 34 En bovendien, je kleren zijn besmeurd met het bloed van arme, onschuldige mensen, niet van inbrekers, op heterdaad betrapt. 35 En je durft ook nog te zeggen: “Maar ik ben onschuldig, Gods toorn gaat voorbij.” Omdat je zegt: “Ik heb niet gezondigd, ” daarom klaag ik je aan. 36 Hoe snel sla jij een andere weg in. Met Assyrië ben je bedrogen uitgekomen, met Egypte overkomt je dat ook. 37 Ook Egypte zul je verlaten, ontredderd, met je handen op je hoofd. Want de HEER heeft verstoten op wie je vertrouwde, steun bieden ze niet meer.’ (NBV)

Tegenwoordig is er bijna niemand meer die een Bijbelverhaal weet te plaatsen. Jeremia was de man van de klaagliederen en Jezus liep over het water. Wie de God van Israël is en wat die van de leerlingen vraagt dat weet men niet meer. Jeremia was niet de man van de klaagliederen maar de man die het verhaal over de God van Israël weer onder de aandacht van het volk wilde brengen. Want het vergeten van dat verhaal kan voor een volk grote gevolgen hebben. Dan komen er leugenaars die vertellen dat onfatsoen en haatzaaien de Joods-Christelijke traditie vertegenwoordigen. Joden en Christenen weten beter en als ze zo af en toe laten zien wat het is om voor de armen en de minsten op te komen dan is men verrast, komt er verwondering en belangstelling. In de dagen van Jeremia waren het Priesters in Jeruzalem, priesters van heiligdommen in Betel en Dan die in hoog aanzien stonden. Zij hadden fraaie gewaden en indrukwekkende rituelen. Zij hadden prachtige beelden van de goden die werden aanbeden.

En de God van Israël? Daar was niet eens een beeld van. Een oude houten kist die niemand mocht zien en waar volgens zeggen een paar stenen platen in lagen. En niks geen indrukwekkende rituelen. Nee een maaltijd, met je familie dat ging nog, met de Priesters kon ook nog als je zelf ook deftig was, maar met de armen van de stad en de vreemdelingen dat geeft toch geen pas. Pas als er een ramp gebeurd dan wordt de God van Israël aangeklaagd. De God van Israël moet uit het publieke leven blijven in onze dagen. Nooit mag je aandacht vragen voor de minsten op de aarde, voor de armsten. En het heb uw naaste lief als uzelf als leidend principe maken van de regering en het bestuur, die regel leidend maken voor bedrijven en banken, is al helemaal taboe. Maar komt er een aardbeving dan staan dezelfde verbieders vooraan met de vraag waar de God van Israël was die de kinderen zou beschermen en de armsten onder zijn hoede zou nemen.

Vergeten zijn alle momenten dat eerlijke handelsverhoudingen moesten wijken voor het eigen gewin en het profijt van eigen ondernemingen. Vergeten zijn alle momenten dat de overdracht van noodzakelijke beschermingstechnologie afhankelijk werd gemaakt van het vermogen van de armen er voor te kunnen betalen. Niet de God van Israël is verantwoordelijk voor de gevolgen van de aardbeving, het is al helemaal geen straf voor de armen, maar een waarschuwing voor de rijken van deze aarde die eerst aan zichzelf denken en aan het vergroten van hun rijkdom en de armen afschepen met de kruimels die van hun tafels vallen. Zelfs een conferentie over armoedebestrijding in Zwitserland komt niet verder dan een gesprek over aalmoezen. Daartegen kunnen we vandaag opstaan, door te luisteren naar Jeremia en zijn oproep tot het volgen van de Weg van de God van Israël te volgen.

Een wilde ezelin

vrijdag, 8 februari, 2019

Jeremia 2:23-29

23 Hoe kun je zeggen: “Ik heb me niet besmeurd, ik liep niet achter de Baäls aan”? Kijk eens naar het Hinnomdal, besef wat je daar doet. Je bent een rusteloze kameel, die hitsig heen en weer rent, 24 een wilde ezelin, thuis in de woestijn, die elke ezel ruikt, tochtig als ze is. Wie kan haar drift aan banden leggen? Geen ezel hoeft moeite te doen, bronstig als ze is, laat ze zich makkelijk vinden. 25 Loop je voeten niet stuk, bespaar jezelf een dorstige keel. Maar jij zegt: “Laat me begaan, ik heb die andere goden lief, hen wil ik volgen.” 26 Zoals een betrapte dief te schande staat, zo staat het volk van Israël te schande, de koningen en leiders, de priesters en profeten. 27 Ze zeggen tegen een blok hout: “U bent onze vader, ” tegen een stuk steen: “U hebt ons gebaard.” Ze hebben mij de rug toegekeerd, ze kijken mij niet langer aan. Maar als ze in nood zijn, roepen ze: “Kom toch, red ons!” 28 Waar zijn dan je goden, die jullie zelf gemaakt hebben? Die moeten je maar redden uit je nood. Je hebt toch, Juda, evenveel goden als steden? 29 Waarom klagen jullie míj aan? Jullie kwamen zelf in opstand tegen mij-
spreekt de HEER. (NBV)

Waarom is het zo erg andere goden na te lopen? De rijke mensen die de Tweede Kamer en haar commissie kwamen vertellen hoe het zo gekomen is met de kredietcrisis en de ondergang van de ABN AMRO bank waren toch keurige mensen? Net in het pak, keurige stropdassen en gebruikers van fatsoenlijke taal. Het gedeelte van het boek van de profeet Jesaja dat we vandaag lezen geeft daar een beetje een antwoord op. Dat nalopen van die goden van winst en profijt gaat ten koste van arme onschuldige mensen. In de bankencrisis die de wereld had getroffen gaan er niet direct spaarders dood. Indirect soms wel. Mensen die geld bijeen hadden gebracht voor een project in een arm land en dat geld tijdelijk moesten parkeren bij een bank zodat het project van start kon gaan zochten een bank met de hoogste rente. Dat zou die arme mensen ten goede komen. Ze zijn het geld kwijt en de projecten konden geen doorgang vinden.

Geen enkel excuus werd gehoord. En de mensen met zeer buitensporig riante bonussen steken geen hand uit om de ergste nood voor de armsten te lenigen. We moeten er van leren dat we de mensen die de leiding hebben in bankwezen, bedrijfsleven en politiek niet zo gemakkelijk in hoog aanzien zetten. In de dagen van Jeremia waren het de Priesters in Jeruzalem, priesters van heiligdommen in Betel en Dan die in hoog aanzien stonden. Zij hadden toch fraaie gewaden en indrukwekkende rituelen. Zij hadden prachtige beelden van de goden die werden aanbeden. En de God van Israël? Daar was niet eens een beeld van. Een oude houten kist die niemand mocht zien en waar volgens zeggen een paar stenen platen in lagen. En niks geen indrukwekkende rituelen. Nee een maaltijd, met je familie dat ging nog, met de Priesters kon ook nog als je zelf ook deftig was, maar met de armen van de stad en de vreemdelingen dat geeft toch geen pas. Pas als er een ramp gebeurd dan wordt de God van Israël aangeklaagd. De God van Israël moet uit het publieke leven blijven in onze dagen. Nooit mag je aandacht vragen voor de minsten op de aarde, voor de armsten.

En het heb uw naaste lief als uzelf als leidend principe maken van de regering en het bestuur, die regel leidend maken voor bedrijven en banken, is al helemaal taboe. Maar komt er een aardbeving in Haïti dan staan dezelfde verbieders vooraan met de vraag waar de God van Israël was die de kinderen zou beschermen en de armsten onder zijn hoede zou nemen. Vergeten zijn alle momenten dat eerlijke handelsverhoudingen moesten wijken voor het eigen gewin en het profijt van eigen ondernemingen. Vergeten zijn alle momenten dat de overdracht van noodzakelijke beschermingstechnologie afhankelijk werd gemaakt van het vermogen van de armen er voor te kunnen betalen. Niet de God van Israël is verantwoordelijk voor de gevolgen van de aardbeving, het is al helemaal geen straf voor de armen, maar de rijken van deze aarde die eerst aan zichzelf denken en aan het vergroten van hun rijkdom en de armen afschepen met de kruimels die van hun tafels vallen. Daartegen kunnen we vandaag opstaan, door te luisteren naar Jeremia en zijn oproep tot het volgen van de Weg van de God van Israël te volgen.