Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor november, 2018

Bid dat het niet in de winter gebeurt

woensdag, 21 november, 2018

Marcus 13:14-27

14 Wanneer jullie de “verwoestende gruwel” zien staan waar hij niet hoort (lezer, begrijp dit goed), dan moet iedereen in Judea de bergen in vluchten; 15 wie op het dak van zijn huis is moet niet naar beneden gaan om nog iets uit zijn huis mee te nemen, 16 en wie op het land is moet niet naar huis gaan om zijn mantel te halen. 17 Wat zal het rampzalig zijn voor de vrouwen die in die tijd zwanger zijn of een kind aan de borst hebben! 18 Bid dat het niet in de winter gebeurt, 19 want zulke verschrikkingen als er in die tijd zullen plaatsvinden, zijn er sinds het begin van Gods schepping nooit geweest en zullen er ook nooit meer komen. 20 En als de Heer die tijd niet had verkort, zou geen enkel mens worden gered, maar omwille van de uitverkorenen die hij tot de zijnen heeft gemaakt, heeft hij die tijd verkort. 21 Als iemand dan tegen jullie zegt: “Kijk, dit is de messias, ”of: “Daar is hij, ”geloof het dan niet, 22 want er zullen valse messiassen en valse profeten komen, die tekenen en wonderen zullen verrichten om Gods uitverkorenen zo mogelijk te misleiden. 23 Jullie moeten oppassen, ik heb het jullie allemaal van tevoren gezegd. 24 Maar in de dagen na de verschrikkingen zal de zon verduisterd worden en de maan geen licht meer geven, 25 de sterren zullen uit de hemel vallen en de hemelse machten zullen wankelen. 26 Dan zal men de Mensenzoon zien komen op de wolken, bekleed met grote macht en luister. 27 Dan zal hij de engelen erop uitsturen om zijn uitverkorenen uit de vier windstreken bijeen te brengen, van het uiteinde van de aarde tot het uiteinde van de hemel. (NBV)

Nood leert bidden. Als je de verschrikkingen leest die in dit Bijbelgedeelte beschreven zijn dan kun je je dat heel goed voorstellen. De vele opstanden die tijdens en na het leven van Jezus van Nazareth in Palestina plaatsvonden maakten het leven steeds zwaarder. Uiteindelijk werd in het jaar 70 de Tempel in Jeruzalem vernietigd en werd een heel groot deel van de inwoners van Palestina verspreid over het hele Romeinse Rijk. Men kan zich voorstellen dat deze gruwelen een diepe indruk gemaakt hebben op de jonge Christengemeenten die uit Joden en Heidenen bestonden. Mensen die nog maar pas geleerd hadden zich in te zetten voor lijdenden, voor hongerigen, voor vluchtelingen. Zij hoorden de verhalen over oorlog, over mishandelingen en executies, over verkrachtingen en plunderingen. Ze hadden ook geleerd de komst van Jezus Messias te verwachten. Die Jezus van Nazareth zou immers terugkeren om de hele aarde te bevrijden van al die ellende. Groter ellende dan er in die dagen was kon men zich niet voorstellen dus die Jezus van Nazareth kon elk moment terugkomen.

Marcus neemt hier in zijn verhaal over Jezus van Nazareth gas terug. Hij herinnerde zich de waarschuwingen voor valse profeten. In de dagen van Jezus van Nazareth waren er veel messiassen. Ze beloofden de bevrijding van Palestina op allerlei manieren. Sommigen trokken met volgelingen de woestijn in om ver van de bewoonde wereld nieuwe gemeenschappen te stichten. Anderen begonnen opstanden met bloedig geweld hun volgelingen voorhoudend dat ze een teken uit de hemel zouden krijgen die de overwinning garandeerde. Jezus van Nazareth waarschuwde krachtig tegen deze valse messiassen. Ze zijn te herkennen aan de genezingen en andere wonderen die ze voor een groot publiek verrichten. Die terugkomst is wel te verwachten. Maar wanneer weten we niet. In elk geval niet als wij denken dat de rampen en de ellende op hun ergst zijn. Het kan altijd nog erger. Pas nadat het echt op z’n ergst is geweest, pas daarna komt Jezus terug. Dan pas zal de zon verduisterd worden, zullen de sterren uit de hemel vallen en zullen de hemelse machten wankelen.

Natuurkundigen voorspellen dat de aarde zal vergaan als de zon is opgebrand maar dat opbranden van de zon kan nog wel vele eeuwen op zich laten wachten. De lezers van het Evangelie van Marcus wisten dat nog niet. En of het inderdaad zal liggen aan natuurwetten weten wij ook niet. Marcus had dezelfde beschrijvingen over rampen en ellende gelezen in de boeken van de profeten Jesaja en Daniël. In onze geschiedenis meende men ook heel vaak dezelfde tekenen te herkennen, maar steeds kreeg Jezus van Nazareth gelijk. Al die ellende, al die oorlog en hongersnoden betekenen nog niet het einde van de geschiedenis. Natuurlijk mogen we bidden dat een hongersnood niet uitbreekt in de winter. Ook voor ons zijn rampen en ellende niet uitgesloten. Voor ons zijn er de slachtoffers voor wie we oog en oor mogen hebben. Wij mogen ons afvragen hoe het komt dat een klein deel op onze aarde de rampen zonder veel moeite kan doorstaan terwijl een groot deel van de aarde meer dan naar verhouding te lijden heeft van alle rampen, oorlogen en ellende. Wij zullen moeten leren wat delen is, dan zullen we ook de zwaarste tijden doorstaan. En met dat leren mogen we vandaag al beginnen.

Aan alle volken het goede nieuws

dinsdag, 20 november, 2018

Marcus 13:1-13

1 Toen hij de tempel verliet, zei een van zijn leerlingen tegen hem: ‘Meester, kijk eens, wat een enorme stenen en wat een imposante gebouwen!’ 2 Jezus zei tegen hem: ‘Die grote gebouwen die je nu ziet-wees er maar zeker van dat geen enkele steen op de andere zal blijven; alles zal worden afgebroken.’ 3 Toen hij op de Olijfberg was gaan zitten, tegenover de tempel, en Petrus, Jakobus, Johannes en Andreas alleen met hem waren, stelde Petrus hem de vraag: 4 ‘Vertel ons, wanneer zal dat allemaal gebeuren en aan welk teken kunnen we herkennen dat het zover is?’ 5 Jezus antwoordde: ‘Pas op dat niemand jullie misleidt. 6 Want er zullen velen komen die mijn naam gebruiken en zich voor mij zullen uitgeven, en ze zullen veel mensen misleiden. 7 Als jullie berichten horen over oorlog en oorlogsdreiging, wees dan niet verontrust. Die dingen moeten gebeuren, maar daarmee is het einde nog niet gekomen. 8 Het ene volk zal tegen het andere ten strijde trekken en het ene koninkrijk zal de strijd aanbinden met het andere, overal zullen er aardbevingen en hongersnoden zijn: dat is het begin van de weeën. 9 Wat jullie zelf betreft: pas goed op. Jullie zullen voor het gerecht worden gesleept en in synagogen worden gegeseld, en jullie zullen voor gouverneurs en koningen moeten verschijnen om voor hen van mij te getuigen. 10 Want eerst moet aan alle volken het goede nieuws worden verkondigd. 11 Wanneer jullie worden weggevoerd om te worden uitgeleverd, maak je dan vooraf geen zorgen over wat je zult gaan zeggen; zeg wat jullie op dat tijdstip wordt ingegeven, want jullie zijn het niet die dan spreken, maar het is de heilige Geest. 12 De ene broer zal de andere uitleveren om hem te laten doden, en vaders zullen hetzelfde doen met hun kinderen, en kinderen zullen zich tegen hun ouders keren en hen laten terechtstellen. 13 Jullie zullen door iedereen worden gehaat omwille van mijn naam, maar wie standhoudt tot het einde zal worden gered. (NBV)

Zo ver zijn we nog lang niet, dat aan alle volken op de aarde het goede nieuws is verkondigd. In de tijd dat het evangelie van Marcus werd geschreven leek het heel wat dichterbij dan vandaag. Toen geloofde men dat er zeventig volken op de wereld waren en dat eigenlijk al die volken zo ongeveer onderworpen waren aan het Romeinse Rijk. Het feit dat er overal oorlog werd gevoerd en dat er hongersnoden en aardbevingen waren droegen bij aan het gevoel dat het einde van de geschiedenis wel dichtbij zou moeten zijn. Als je nagaat hoe oud de kosmos is, hoe ver we afzitten van de oerknal, dan is die paar duizend jaar waarover we nu praten inderdaad niet veel. Maar op een mensenleven is het nog een hele tijd. Als we het gedeelte van vandaag nauwkeurig lezen dan blijkt dat we ons eigenlijk helemaal niet druk hoeven maken over al die tekenen die wijzen op een mogelijk einde van de geschiedenis.

Een aantal jaren geleden dook het verlangen het te kunnen voorspellen weer op. Gewezen werd toen op een kalender van de Maya in Zuid Amerika die af zou lopen op 21 december 2012. Volgens sommigen moest dat een heleboel betekenen. Volgens de Bijbel betekent het voor gelovigen helemaal niks. Wat veel belangrijker is is de vraag hoe je dat geloof volhoudt. Al die keurige nette schriftgeleerden in hun mooie pakken vinden het maar niks, dat voorop zetten van de minste, dat dag en nacht zorgen voor de mensen die zorg nodig hebben. Ze zullen zich er met geweld tegen verzetten. Ja zelfs binnen families zal er ruzie blijven ontstaan rond de vraag waar de familie bij hoort, bij die scherp slijpende zich duur voordoende bijbelgeleerden, of bij de mensen die alles wat ze hebben delen met hen die niets hebben, die proberen iedereen er van de overtuigen dat alleen samen leven en samen delen kan leiden tot een betere samenleving. Gelukkig hoef je je niet af te vragen hoe je dat moet uitleggen, als je behept bent met dezelfde geest als Jezus van Nazareth, de Heilige Geest noemen we dat in de kerk, dan vallen de juiste woorden je vanzelf in. Soms zul je zelfs verbaasd staan van jezelf hoe helder en overtuigend je de bevrijding van de armen kunt verkondigen.

Denk overigens niet dat Jezus van Nazareth de vier volgelingen met wie hij naar de tempel zat te kijken iets nieuws vertelde. Hij citeert hier volop uit de boeken van de profeten. Dat van die familieruzies werd bijvoorbeeld al voorspeld door de profeet Micha en Daniël had te midden van de ballingschap in Babel al opgeroepen om vol te houden in het geloof in de God van Israël ook al wordt je door iedereen er om gehaat. In de dagen van het ontstaan van het evangelie van Marcus was er alle reden om kijkend naar de Tempel na te denken over het einde van de geschiedenis. Keizer Caligula had eerst de Tempel op verschrikkelijke wijze ontwijd en in het jaar 70 zou de Tempel in Jeruzalem voorgoed verwoest worden, alleen een muur bleef staan. Die verwoesting bracht een einde aan de manier waarop de godsdienst van de God van Israël vanouds werd gevierd. Christenen bedachten toen dat hun hart de Tempel zou moeten zijn waar God zou komen wonen. En dat betekent dat overal waar we zijn, dag in dag uit, we de wil van God kunnen doen door oog en zorg te hebben voor de minsten op aarde, ook vandaag kan dat weer, ondanks alle tegenstand.

Ze verslinden de huizen van de weduwen

maandag, 19 november, 2018

Marcus 12:35-44

35 Jezus vroeg de mensen bij zijn onderricht in de tempel: ‘Hoe kunnen de schriftgeleerden beweren dat de messias een zoon van David is? 36 Zelf heeft David, geïnspireerd door de heilige Geest, gezegd: “De Heer sprak tot mijn Heer: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand, tot ik je vijanden onder je voeten heb gelegd.’ ” 37 David noemt hem Heer, hoe kan hij dan zijn zoon zijn?’ De talrijke aanwezigen luisterden graag naar hem. 38 Tijdens zijn onderricht zei hij: ‘Pas op voor de schriftgeleerden die zo graag in dure gewaden rondlopen en eerbiedig begroet willen worden op het marktplein, 39 en een ereplaats willen in de synagogen en bij feestmaaltijden: 40 ze verslinden de huizen van de weduwen en zeggen voor de schijn lange gebeden op. Over hen zal strenger worden geoordeeld dan over anderen!’ 41 Hij ging tegenover de offerkist zitten en keek hoe de mensen er geld in wierpen. Veel rijken gooiden veel geld in de kist. 42 Er kwam ook een arme weduwe, die er twee muntjes in gooide, ter waarde van niet meer dan een quadrans. 43 Hij riep zijn leerlingen bij zich en zei tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: deze arme weduwe heeft meer in de offerkist gedaan dan alle anderen die er geld in hebben gegooid; 44 want die hebben gegeven van hun overvloed, maar zij heeft van haar armoede alles gegeven wat ze had, haar hele levensonderhoud.’ (NBV)

Als het uitgangspunt van je godsdienst is dat je je naaste lief moet hebben als jezelf, dat je dus in de eerste plaats oog moet hebben voor de armen in de samenleving, voor de weduwe en de wees stond er in de Hebreeuwse Bijbel die we tegenwoordig het Oude Testament noemen, wat zie je dan als je bij het centrum van je godsdienst bent? Zie je dan scherpslijperij waar je uren over kunt debatteren? Jezus van Nazareth geeft er een voorbeeld van. Een echte theologische discussie waar gestudeerde dominees en pastoors van houden. Dikke boeken zijn er volgeschreven over vragen zoals Jezus van Nazareth hier formuleert. Soms wordt er over God, engelen, de hemel en het hiernamaals zo lang en breed gesproken dat het er op lijkt dat die discussies het belangrijkste zijn op geloofsgebied. Mensen luisteren graag naar dat soort discussies, ze doen een beroep op hun denkvermogen en als hun voorgangers en leraars er logische en fraaie redeneringen over opzetten dan lijken ze belangrijker en hun luisteraars doen dan belangrijke dingen door naar ze te luisteren of door hun dikke boeken te lezen.

Maar het heeft niks te maken met het houden van God en dus niks met het liefhebben van een naaste als jezelf. Integendeel, als je dat soort scherp slijpende voorgangers goed bekijkt zie je hun deftige zwarte en grijze pakken, hun smetteloos witte overhemden en zorgvuldig geknoopte stropdassen. Ze zijn lid van de plaatselijke Rotary clubs en zitten vooraan als er belangrijke diners worden georganiseerd of als belangrijke personen in het zonnetje moeten worden gezet. Het heet bij ons anders maar het is niet anders als in de dagen van Jezus van Nazareth. Dat verslinden van die huizen van de weduwen begrijpen we misschien niet direct. Maar als we de boeken van de profeten weer eens nalezen dan horen we weer de waarschuwing aan de rijken dat ze akker aan akker rijgen en de armen laten kreperen. In een stad als Jeruzalem waren weduwen extra afhankelijk van mensen die bereid waren hun een eigen plaats in de samenleving te geven. Zorgen dat ze ongestoord konden wonen was het eerste dat nodig was. Dus als er geen huur betaald kon worden, als de woning verkocht moest worden om te kunnen blijven eten, dan moet je de weduwe niet direct op straat zetten.

Die vrome keurige scherpslijpers met hun fraai geformuleerde lange gebeden wisten er wel raad mee. Er was toch werk genoeg? Iedereen kan toch werk vinden? Dat is toch een eigen verantwoordelijkheid? Je moet de armen toch niet belonen voor hun armoede? Het zijn de kreten die je ook vandaag de dag kunt horen als je je inzet voor de bestrijding van armoede, tegen woekerrente, voor het laten werken van mensen die lang uit het arbeidsproces zijn. Maar bijna iedere collectant voor een goed doel weet het. Als je collecteert in een arme buurt haal je meer op. Als het op delen aankomt zijn mensen met een laag inkomen meer bereid om te delen met wie het nodig heeft dan de rijken. Die houden de deur dicht en de knip op slot. En menig collectant die door stromende regen huis aan huis liep te collecteren voor een goed doel kan vertellen dat hij of zij in een eenvoudige woning werd binnengevraagd om een warm kop koffie te drinken. Jezus van Nazareth vraagt ons vandaag waar we bij willen horen, bij die mensen waar de mensen oog voor hebben omdat ze zich rijk en succesvol voordoen, of bij de mensen die oog hebben voor de armen voor de minsten. In Parijs zetten mensen hun adres en toegangscode op de sociale media onder het motto “porte ouvert”, voor iedereen die het geweld wilde ontvluchten. Zo’n eenvoudige keus kunnen we ook vandaag weer maken.

Niemand gaat U te boven

zondag, 18 november, 2018

Psalm 16

1 Een stil gebed van David. Behoed mij, God, ik schuil bij u. 2 Ik zeg tot de HEER: ‘U bent mijn Heer, mijn geluk, niemand gaat u te boven.’ 3 Maar tot de goden in dit land, de machten die ik vereerd heb, zeg ik: 4 ‘Wie u volgt, wacht veel verdriet.’ Ik pleng voor hen geen bloed meer, niet langer ligt hun naam op mijn lippen. 5 HEER, mijn enig bezit, mijn levensbeker, u houdt mijn lot in handen. 6 Een lieflijk land is voor mij uitgemeten, ik ben verrukt van wat mij is toebedeeld. 7 Ik prijs de HEER die mij inzicht geeft, zelfs in de nacht spreekt mijn geweten. 8 Steeds houd ik de HEER voor ogen, met hem aan mijn zijde wankel ik niet. 9 Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel, mijn lichaam voelt zich veilig en beschut. 10 U levert mij niet over aan het dodenrijk en laat uw trouwe dienaar het graf niet zien. 11 U wijst mij de weg naar het leven: overvloedige vreugde in uw nabijheid, voor altijd een lieflijke plek aan uw zijde. (NBV)

Vandaag zingen we een psalm van een bekeerling mee. Er staat wel boven dat het van David is maar in het boek van de Psalmen betekent dat meestal dat het in een bundel heeft gestaan die Liederen naar David heette. Het boek van de Psalmen is samengesteld uit verschillende van dat soort liederenbundels. Dat Koning David ooit afgoden heeft gediend wordt nergens verteld en is als Bijbels beeld ook zeer onwaarschijnlijk. Hij was immers als jonge knaap al tot Koning gezalfd door Samuel. En in de eerste verzen zingt de dichter hier dat hij de goden van dit land, de machten, heeft vereerd. Hij is wel tot de ontdekking gekomen dat als je dat doet je veel verdriet zal ondervinden. Het is het lied van een bekeerling en bekeerlingen maken het vorige geloof zwart en verheerlijken het huidige geloof. Maar het geloof in de God van Israël geeft daarvoor ook wel enige aanleiding als je de Psalm nauwkeurig leest. Want wanneer werd van gelovigen in de God van Israël gevraagd om als offer je eigen bloed te plengen.

Dat plengen is het op de grond laten vallen van druppels van het bloed. Soms werd er wijn geplengd, soms bloed van een offerdier, maar er zijn riten genoeg waarin gevraagd werd om je eigen bloed te plengen. Elia kwam op de Karmel priesters van Baäl tegen die dat deden. Bloed is volgens het geloof van Israël de drager van het leven en als je onvruchtbare aarde tot leven wilde brengen dan moest je bloed plengen. De profeten van Israël konden dit soort praktijken zeer fel veroordelen. De dichter van deze Psalm is dan ook tot de ontdekking gekomen dat er een beter en gemakkelijker geloof is. Namelijk dat in de God die de hemel en de aarde geschapen heeft. Die aarde is namelijk als een lieflijk land voor de mensen uitgemeten. Zelfs al laat je die aarde een jaar rusten dan nog kun je er van eten was het oude geloof van Israël. Het was een land overvloeiende van melk en honing. Tenminste als je de geboden van die God van Israël wilde volgen.

De geboden om je naaste lief te hebben als je zelf en geen slaaf te worden van je arbeid en je zwoegen op die aarde. Dan mag je er op vertrouwen dat die God je zelfs niet in de steek zal laten in het dodenrijk, zelfs als het je moeilijk gaat in het leven dan kan de navolging van die God, je naaste liefhebben als je zelf, je redding zijn, van delen wordt je immers rijker. De geboden van de God van Israël wijzen altijd naar het leven, ook in onze dagen. Het altijd maar moeten jagen op dode dingen leidt tot de dood, een doods leven. We moeten ook in onze dagen zorgen geen slaaf te worden van de economische machten, de nieuwe afgoden, de nieuwe machtigen in ons land. Daar roept deze Psalm toe op en wie mee wil zingen mag dat deze dag, als de Psalm ook de komende dagen maar naklinkt en ons tot werk voor onze naaste aanzet en tot de bevrijding van de machten van winst en profijt, zodat we leven.

U hebt de goden gestolen

zaterdag, 17 november, 2018

Rechters 18:11-31

11 Hierop vertrokken de Danieten uit hun verblijfplaats tussen Sora en Estaol. Het leger bestond uit zeshonderd gewapende mannen.
12 Ze gingen op weg en sloegen hun kamp op bij Kirjat-Jearim in Juda. Daarom wordt die plek sindsdien Machane-Dan genoemd. Het ligt iets ten westen van Kirjat-Jearim. 13 Van daar trokken ze verder door het bergland van Efraïm. Toen ze langs de plaats kwamen waar Micha woonde, 14 vertelden de vijf die het gebied verkend hadden aan hun stamgenoten dat zich in een van die gebouwen een priestergewaad en godenbeeldjes bevonden, en ook een zilveren beeld. ‘Jullie weten dus wat je te doen staat, ‘zeiden ze. 15 Ze sloegen de weg naar het huis van Micha in, waar de jonge Leviet woonde, en begroetten hem hartelijk. 16 Terwijl de zeshonderd gewapende Danieten postvatten bij de toegangspoort, 17 liepen de vijf verkenners door. Ze drongen het huis binnen en namen het priestergewaad en de godenbeeldjes mee, en ook het beeld met het zilverbeslag. De priester stond dus met de zeshonderd gewapende mannen bij de toegangspoort, 18 terwijl de vijf het huis van Micha binnengingen en het beeld met het zilverbeslag, het priestergewaad en de godenbeeldjes meenamen. ‘Wat moet dat daar?’ riep de priester. 19 ‘Stil, ‘antwoordden ze. ‘Zeg niets, maar ga met ons mee en word onze raadgever en priester. U kunt toch beter priester zijn voor een hele stam Israëlieten dan voor het huishouden van één man?’ 20 Daar stemde de priester van harte mee in. Hij nam zelf het priestergewaad, de godenbeeldjes en het zilveren beeld en sloot zich bij hen aan. 21 De Danieten vervolgden hun tocht; de vrouwen en kinderen lieten ze voorop gaan, samen met het vee en hun andere bezittingen. 22 Ze waren al een flink eind op weg, toen de inderhaast bij elkaar geroepen knechten die bij Micha woonden hen achterop kwamen 23 en tegen hen begonnen te schreeuwen. De Danieten draaiden zich om en vroegen aan Micha: ‘Wat is er aan de hand? Waarom hebt u al die mensen op de been gebracht?’ 24 ‘U hebt de goden gestolen die ik heb laten maken, ‘antwoordde Micha. ‘Ook mijn priester hebt u meegenomen. Niets heb ik meer over! Hoe kunt u dan nog vragen wat er aan de hand is?’ 25 Maar de Danieten antwoordden: ‘U kunt maar beter niet zo’n grote mond tegen ons opzetten, want wanneer deze heetgebakerde mannen zich op u storten, is het met u en uw mensen gedaan.’ 26 Hierop vervolgden de Danieten hun weg. En Micha, die inzag dat hij toch niets tegen hen kon beginnen, keerde terug naar huis. 27 Zo kwamen de Danieten met de beelden die Micha had laten maken en de priester die bij hem in dienst was geweest, bij Laïs aan. Ze overvielen de inwoners, die een rustig leven leidden en zich van geen gevaar bewust waren, doodden ze allemaal en staken de stad in brand. 28 Er was niemand die de bevolking van Laïs te hulp kwam, want Sidon lag ver weg en ze hadden geen enkele bondgenoot. Daarna herbouwden de Danieten de stad, die in de vallei van Bet-Rechob lag, en gingen er wonen. 29 Ze noemden hun stad Dan, naar hun stamvader, een van de zonen van Israël; daarvoor heette die stad Laïs. 30 Ze gaven er het zilveren godenbeeld een plaats, en Jonatan, die een zoon was van Gersom, de zoon van Mozes, werd hun priester. Na hem bleven zijn nakomelingen bij de Danieten het priesterambt vervullen, totdat de bevolking werd weggevoerd. 31 Zolang het heiligdom van God in Silo bestond, bleef het godenbeeld dat Micha had laten maken bij de Danieten. (NBV)

Er verliep een heleboel tijd tussen de geschiedenis van Micha en de Dan-nieten en het wegvoeren van het volk van Israel in de ballingschap naar Babel. Eeuwen zijn er overheen gegaan. In Babel zijn toen de geloofsverhalen van het volk opgeschreven. In het boek Rechters werden nog een paar rare oude gebruiken verklaard. Zo kennen we de verklaring voor een vierdaagse rouwperiode van de meisjes van Israel, die rouwden om de dochter van Jefta. En die lui van de stam Dan hadden ook zo iets geks. Ze hadden een paar beeldjes van wat de heidenen “goden” zouden noemen en ze hadden hun eigen priesterfamilie. Volgens dit verhaal uit het boek Rechters hadden ze die beeldjes nog gestolen ook. Die lui van Dan stonden dus niet echt goed aangeschreven. Je zou denken dat als er motoren geweest waren ze hun eigen motorclub hadden gehad. Toch is het verhaal opgeschreven. En het staat in de Bijbel.

Ook al hadden die lui van Dan rare gewoonten, en misschien zelfs een kwade reuk, ze hoorden toch bij het volk van Israel. Want hoe dan ook ze erkenden maar één Heer, de God die in de woestijn die de leer had gegeven van eerlijk delen. En dat is toch wat anders dan een motorclub die binnen ons land een eigen samenleving begint. Leuk natuurlijk als mensen hun eigen cultuur vormgeven, maar de wetten in dit land hebben we samen gemaakt. Niemand kan zeggen er niet mee te maken te hebben omdat niet werd deelgenomen aan een verkiezing. Wie niet stemt mag niet klagen, maar wie niet stemt hoort zich wel aan de wetten te houden die onze gekozenen hebben gemaakt. Als de wetten ons niet bevallen moeten we maar andere vertegenwoordigers kiezen. Hoe je er uit ziet maakt in ons land niet uit. Op motoren rondrijden mag, met een rijbewijs uiteraard en niet boven de maximum snelheid en volgens de verkeersregels die daar voor zijn.

Dat zijn regels die voor alle mensen gelden en die voor iedereen een zekere mate van veiligheid waarborgen. Dat geld voor heel veel wetten, de veiligheid van ons allemaal. De wetten tegen drugs, alcohol, geweld en dreigen met geweld, ze zijn er ten behoeve van ons allen. Denk niet dat godsdienst of cultuur mensen vrij kunnen stellen van die wetten. Zo hebben veel gemeenten de regel dat je niet onherkenbaar vermomd over straat mag lopen. Vroeger sloeg dat op mannen met bivakmutsen, tegenwoordig op vrouwen met een Boerka. Door carnaval en Sinterklaas zijn we die regel misschien vergeten. Maar regels zijn goed als ze voor het welzijn van ons allemaal zijn. Het enige dat de Bijbel van ons vraagt is de mensen te stellen boven de regels. Het hart van de leer is nu eenmaal je naaste lief te hebben als jezelf. Daar kan niemand je van af brengen. Daarom hoorden die lui van Dan met hun rare gewoonten ook bij het volk, ze deelden immers en hielden zich aan de leer van Mozes.

Er was geen koning

vrijdag, 16 november, 2018

Rechters 18:1-10

1 Er was in die tijd geen koning in Israël. De stam Dan was nog steeds op zoek naar een eigen grondgebied om zich blijvend te vestigen, want het was de enige stam van Israël waaraan nog geen grondgebied was toegevallen. 2 Vanuit hun verblijfplaats tussen Sora en Estaol hadden ze vijf van hun dapperste mannen erop uitgestuurd met de opdracht het land grondig te verkennen. Onderweg kwamen ze door het bergland van Efraïm, waar ze bij het huis van Micha overnachtten. 3 Daar viel hun het accent van de jonge Leviet op. Ze gingen naar hem toe en vroegen hem: ‘Hoe bent u hier zo terechtgekomen? Wie heeft u hierheen gehaald en wat doet u hier?’ 4 Hij vertelde hun van Micha’s aanbod. ‘Hij heeft me in dienst genomen, ‘zei hij, ‘en nu ben ik zijn priester.’ 5 Toen vroegen de Danieten: ‘Wilt u dan God voor ons raadplegen en hem vragen of onze tocht iets zal opleveren?’ 6 ‘Ga gerust verder, ‘antwoordde de priester. ‘Uw onderneming is de HEER welgevallig.’ 7 De vijf mannen trokken verder, tot ze in Laïs kwamen. Ze zagen dat de bevolking daar een rustig en onbezorgd leven leidde, net als die van Sidon. Ze hadden van niemand iets te vrezen want ze werden door niemand bedreigd, maar aan de andere kant hadden ze ook geen enkele bondgenoot. Sidon was ver weg. 8 Toen de verkenners terugkwamen bij hun stamgenoten, vroegen die hun: ‘En, hoe is het jullie vergaan?’ 9 ‘Laten we meteen ten strijde trekken, ‘antwoordden ze. ‘We hebben een gebied gevonden dat bijzonder geschikt is, dus waar zouden jullie op wachten? Treuzel niet maar ga erheen en neem het in bezit. 10 Jullie zullen er een volk aantreffen dat op geen gevaar bedacht is. Het kan niet anders of God zal jullie dat uitgestrekte gebied, waar werkelijk aan niets gebrek is, in handen geven.’ (NBV)

We kunnen het ons niet voorstellen. Een land zonder regering. Zelfs de Belgen hebben er zelfs zes. Maar een land bestaande uit 12 stammen die uit de woestijn kwamen. Die daar gingen wonen waar het goed toeven was, in een land overvloeiende van melk en honing. En als de bewoners niet wilden delen sloegen ze die inwoners dood. Want het was een land dat zeer rijk was, zoals gezegd: een land overvloeiende van melk en honing. Van Godsdienst hadden ze niet zoveel verstand. De verkenners van de stam Dan gingen te rade bij de priester van Micha die zich bij het verzilverde godenbeeld bevond. Die priester wist nog wel een plek: goed land, rijk aan oogst en weinig verzet te verwachten want de mensen die er woonden hadden geen vijanden en geen bondgenoten. Dat moest voor Dan wel goed aflopen.

Zo wordt de vestiging van een nieuw volk wel heel erg van de grond af geregeld. Geen verdragen, geen onderhandelingen, geen referendum, welnee, hier zijn we, mooi weer vandaag, we blijven. Dat gaat tegenwoordig wel anders. In Irak bijvoorbeeld, waar met behulp van veel buitenlandse geleerden over een grondwet is onderhandeld waarover gestemd mocht worden. Het leek te gaan lukken met die grondwet, maar vrede kwam er niet van. Of dat ook gaat lukken op de Antillen moeten we nog maar afwachten. Voorwaarde is natuurlijk altijd weer dat eerlijk delen. Dat geldt in Irak waar Koerden, Sjiieten, Soennieten en nog een handvol andere minderheden de macht en de rijkdom een beetje eerlijk moeten zien te verdelen. Maar dat geldt ook voor Nederland, Aruba, Curacao, Sint Maarten en de Nederlandse eilandgemeenten. Ook daar moeten we zien dat de rijkdom en de macht een beetje eerlijk verdeeld wordt. Als dat delen niet lukt dan loopt het uit op moord en doodslag.

Een aantal Nederlandse steden heeft al kennis gemaakt met jonge Antillianen met wie macht noch rijkdom wordt gedeeld en die dat ook niet te verwachten hebben. Die reageren bijna net zo als die Soennieten die macht en voorrechten kwijt raken. Hopelijk lukt het in Irak en bij ons om een eerlijke en rechtvaardige samenleving te maken opdat we in vrede kunnen leven. Er zijn politici die de jonge Antillianen geen andere toekomst weten te bieden dan een vliegreis terug naar het eiland van herkomst. Die politici beseffen kennelijk niet dat jongeren zonder toekomst uiteindelijk met geweld zich een toekomst zullen verschaffen. In de Parijse voorsteden, in het Amsterdamse Oude Westen, in de goedkopen wijken in Rotterdam en Utrecht in Engeland, overal zie je hetzelfde. Geen toekomst bieden loopt uit op geweld. Maar er wordt bij ons inmiddels ook gewerkt aan het omvormen van die wijken in prachtwijken. Als dat echt gaat met het bieden van toekomst aan jongeren dan wordt het nog wat. Met een handvol goede verkenners om het voor te bereiden moet het waarachtig wel gaan leert het Bijbelverhaal dat we hier gelezen hebben.

Moge de HEER je zegenen

donderdag, 15 november, 2018

Rechters 17:1-13

1 In die tijd leefde er in het bergland van Efraïm een man met de naam Micha. 2 Op zekere dag zei hij tegen zijn moeder: ‘Laatst is er toch elfhonderd sjekel zilver van u gestolen? U hebt toen in mijn bijzijn een vloek uitgesproken. Dat geld heb ik, ik heb het gestolen.’ ‘Moge de HEER je zegenen, mijn zoon, ‘antwoordde zijn moeder. 3 Hij gaf de elfhonderd sjekel zilver aan haar terug, maar zij zei: ‘Ter wille van mijn zoon wijd ik mijn zilver aan de HEER om er een beeld mee te laten beslaan. Hier heb je het geld terug.’ 4 Maar hij gaf het weer aan zijn moeder en zij bracht tweehonderd sjekel naar de zilversmid, die er een houten beeld mee besloeg dat in Micha’s huis kwam te staan. 5 Micha had namelijk voor zichzelf een heiligdom ingericht. Hij had een priestergewaad en verschillende godenbeeldjes laten maken en een van zijn zonen als priester aangesteld. 6 In die tijd was er geen koning in Israël; iedereen deed wat in zijn eigen ogen goed was. 7 Nu was er een jonge Leviet die verblijf hield in het stamgebied van Juda en in Betlehem woonde. 8 Op zekere dag vertrok hij uit Betlehem om een andere verblijfplaats te zoeken. Zijn weg voerde hem door het bergland van Efraïm, langs het huis van Micha. 9 ‘Waar komt u vandaan?’ vroeg Micha, en de Leviet antwoordde: ‘Ik ben een Leviet. Ik heb een tijdlang in Betlehem in Juda gewoond en nu zoek ik elders onderdak.’ 10 Toen zei Micha: ‘Kom dan bij mij wonen. Als u mijn raadgever en priester wilt worden, zal ik u tien sjekel zilver per jaar betalen en u van kleding en levensmiddelen voorzien.’ Na enige aarzeling 11 besloot de Leviet bij Micha te blijven. Micha behandelde hem als een eigen zoon 12 en stelde hem als priester aan. Zo kwam de Leviet bij Micha in huis terecht. 13 Micha dacht bij zichzelf: Nu ik een Leviet als priester in dienst heb, ben ik ervan verzekerd dat ik van de HEER niets dan goeds te verwachten heb. (NBV)

Bij de officiële viering van het 25 jarig bestaan van het CDA enkele jaren geleden sprak bisschop Hurkmans van Den Bosch. Niet zozeer over de vrees van de Gereformeerde voormalige Anti-Revolutionairen dat het CDA geregeerd zou gaan worden door de rijke Rooms katholieken van de vroegere KVP maar vooral over het verbannen van God naar de privé sfeer. Het verhaal uit het boek Rechters van vandaag lijkt daarbij aan te sluiten. Micha was een beetje louche figuur die begon met het stelen van een hoop zilver van zijn moeder. Dat zat hem toch dwars dus hij gaf het terug. Ergens konden ze zich kennelijk toch wel iets herinneren van een God die dit soort eerlijkheid op prijs zou stellen dus werd het zilver aan die God gewijd. Nu is de God van het volk Israel, die van de C in CDA, een God die niet zozeer iets voor zichzelf wil hebben, maar voor de armen in de samenleving. Net als de politici van het CDA was ook Micha dat volstrekt vergeten. Hij liet er een beeld mee bekleden. Zo’n mooi religieus beeld waar ook de Sint Jan in Den Bosch mee vol staat.

Nog een priester er bij inhuren en je hebt een “Gods”dienst. Maar het is een privé godsdienst. Niemand anders, zeker de samenleving niet, heeft er wat aan. Het is het soort godsdienst waar je elke dag mee kunt beginnen, om hem vervolgens thuis te laten als je naar je werk gaat. Bisschop Hurkmans riep de CDA politici op om vooral Godzoekers te zijn. Je ziet ze al soep opscheppen bij het Leger des Heils, of vrijwilligerswerk doen in een voedselbank. Dat bedoelde die Bisschop natuurlijk niet. Op het laatste congres dan ook geen woord over een kinderpardon dat meer dan honderdduizend mensen bezig houdt en waarvoor de kerken demonstratief hun deuren hebben open gezet. De bisschop weet het onderscheid te maken tussen het eerste gebod van God liefhebben boven alles en het tweede gebod van je naaste liefhebben als jezelf. De Bisschop wil dat de mensen vooral proberen het eerste gebod te volgen zonder het tweede in de praktijk te brengen. Een kunststuk dat door de eeuwen nog nooit gelukt is.

Jezus van Nazareth bijvoorbeeld kende het onderscheid tussen die twee geboden niet, die stelde dat het eerste gelijk was aan het tweede zoals we in het Nieuwe Testament kunnen lezen. Daarom is “Godzoeker” zijn ook niet genoeg, een verzameling mooie beeldjes en daar je zilver instoppen en dan ook nog een priester inhuren, plaatst je nog niet in het verhaal van Jezus van Nazareth. Je staat daar pas in als dat ook voor iedereen te merken is. Aan de armen die bevrijdt worden van armoede, aan de voedselbanken die overbodig worden, aan de kookboeken met soeprecepten van het Leger des Heils die over de toonbanken vliegen omdat iedereen soep gaat uitdelen in de buurt, aan de onrechtvaardige tolmuren die eindelijk afgeschaft zijn zodat in onze supermarkten de betaalbare producten liggen uit de arme landen. Aan de kinderen die hier geboren zijn of in elk geval getogen en die wij welkom heten. Aan dat appél moeten we vandaag maar gehoor geven. Dat is het pas feest, maar voor het CDA moeten we daar tenminste nog 95 jaar op wachten. Zij hopen dat het volk vergeten is waar het eigenlijk om draait.

Dan zullen ze geen honger meer lijden

woensdag, 14 november, 2018

Openbaring 7:1-17

1 Hierna zag ik vier engelen bij de vier hoeken van de aarde staan. Zij hielden de vier winden van de aarde in bedwang, om te voorkomen dat er een wind over land of op zee of door de bomen zou waaien. 2 Ik zag in het oosten een andere engel opstijgen, die het zegel van de levende God had. De vier engelen die de opdracht hadden gekregen om schade toe te brengen aan het land en de zee riep hij met luide stem toe: 3 ‘Laat het land en de zee en ook de bomen nog ongemoeid! Eerst moeten wij het zegel van onze God op het voorhoofd van zijn dienaren aanbrengen.’ 4 Toen hoorde ik het aantal van hen die het zegel droegen: honderdvierenveertigduizend in totaal, afkomstig uit elke stam van Israël. 5 Twaalfduizend uit de stam Juda die het zegel droegen, twaalfduizend uit de stam Ruben, twaalfduizend uit de stam Gad, 6 twaalfduizend uit de stam Aser, twaalfduizend uit de stam Naftali, twaalfduizend uit de stam Manasse, 7 twaalfduizend uit de stam Simeon, twaalfduizend uit de stam Levi, twaalfduizend uit de stam Issachar, 8 twaalfduizend uit de stam Zebulon, twaalfduizend uit de stam Jozef en ten slotte twaalfduizend uit de stam Benjamin die het zegel droegen. 9 Hierna zag ik dit: een onafzienbare menigte, die niet te tellen was, uit alle landen en volken, van elke stam en taal. In het wit gekleed en met palmtakken in hun hand stonden ze voor de troon en voor het lam. 10 Luid riepen ze: ‘De redding komt van onze God die op de troon zit en van het lam!’ 11 Alle engelen stonden om de troon en de oudsten en de vier wezens heen. Ze bogen zich diep neer voor de troon en aanbaden God 12 met de woorden: ‘Amen! Lof, majesteit en wijsheid, dank en eer en macht en kracht komen onze God toe, tot in eeuwigheid. Amen.’ 13 Een van de oudsten sprak mij aan: ‘Wie zijn dat daar in het wit, en waar komen ze vandaan?’ 14 Ik antwoordde: ‘U weet het zelf, heer.’ Hij zei tegen me: ‘Dat zijn degenen die uit de grote verschrikkingen gekomen zijn. Ze hebben hun kleren wit gewassen met het bloed van het lam. 15 Daarom staan ze voor Gods troon en zijn ze dag en nacht in zijn tempel om hem te vereren. En hij die op de troon zit zal bij hen wonen. 16 Dan zullen ze geen honger meer lijden en geen dorst, de zon zal hen niet meer steken, de hitte hen niet bevangen. 17 Want het lam midden voor de troon zal hen hoeden, hen naar de waterbronnen van het leven brengen. En God zal alle tranen uit hun ogen wissen.’ (NBV)

Johannes heeft aan de slachtoffers van het geweld, geweld door de Romeinen en geweld door de opstandelingen, duidelijk gemaakt dat ze nog wat geduld moeten hebben voordat eindelijk het Rijk van vrede zal aanbreken. Er zullen nog stormen over de aarde trekken die veel slachtoffers zullen maken, stormen van geweld door oorlog en opstand en stormen door natuurrampen. Maar wat dan met de mensen die het geweld van de opstand waren ontvlucht? Lang niet iedereen had aan de opstand meegedaan, juist de Christenen hadden de gewelddadige opstand veroordeeld. In Palestina hadden ze zich over het platteland verspreid en gemeenschappen gevormd waar in vrede geleefd kon worden, ook met de Romeinse bezetters.

Johannes ziet in dat ook zij blijven horen bij het volk dat het komende rijk zal erven. Zij hadden als het ware door hun gedrag een lam geslacht en het bloed op de deurposten gesmeerd waardoor zij net als de slaven ooit in Egypte gevrijwaard waren gebleven van de dood. Zij hadden de kruisdood van Jezus van Nazareth op haar juiste waarde geschat, opstand met geweld tegen de Romeinen zou alleen maar dood en ellende voortbrengen. In het leven in liefde en vrede zou Jezus van Nazareth pas voortleven en dat leven moeten alle volgelingen leven. Een geweldige menigte uit Israël hoort er dus bij. Uit elke stam een compleet volk, twaalfduizend, uit het hele volk, dus een hele wereld, honderdvierenveertigduizend. Wij zijn gewend om alles te tellen, van 1 tot oneindig, onze wiskunde kent er symbolen voor. Johannes was niet van de sekte van de tellers, hij kende de cijfers uit de Hebreeuwse Bijbel en daar zijn cijfers ook woorden en begrippen en niet alleen hoeveelheden.

Wat er dus ook zal gebeuren na de verwoesting van de Tempel, het verhaal is nog steeds bezig met de opening van het testament, de nalatenschap van het Joodse geloof, de aanhangers van vrede en verdraagzaamheid horen bij de erfgenamen. Dat is natuurlijk ook vandaag de dag nog steeds het geval. Samenwerking in Europa brengt ons al heel lang vrede op ons continent. We moeten die samenwerking dus niet op het spel zetten. Het produceren van wapens en de handel daarin maken het voeren van oorlogen en gewapende opstanden nog steeds mogelijk. We zullen samen dus nog wat harder moeten nadenken over het gemak waarmee we toestaan dat mensen geld en veel geld verdienen aan het ontwikkelen en produceren van wapens en aan de handel daarin. Vrede begint achter onze voordeur maar samen zijn we verantwoordelijk voor het bevorderen van vrede in de hele bewoonde wereld, tot aan de vier hoeken van de aarde. Elke dag mogen we daar aan werken, ook vandaag weer.

Val op ons neer!

dinsdag, 13 november, 2018

Openbaring 6:9-17

9 Toen het lam het vijfde zegel verbrak, zag ik aan de voet van het altaar de zielen van al degenen die geslacht waren omdat ze over God hadden gesproken en vanwege hun getuigenis. 10 Ze riepen luid: ‘O heilige en betrouwbare Heer, wanneer zult u de mensen die op aarde leven eindelijk straffen en ons bloed op hen wreken?’ 11 Ieder van hen kreeg witte kleren. Verder werd hun gezegd nog een korte tijd geduld te hebben, totdat ook de andere dienaren, hun broeders en zusters die net als zij zouden worden gedood, zich bij hen gevoegd zouden hebben. 12 Ik zag, toen het zesde zegel verbroken werd, hoe er een zware aardbeving kwam. De zon werd zwart als een rouwkleed en de maan werd bloedrood. 13 De sterren vielen op de aarde, zoals late vijgen die door een stormwind van de boom worden gerukt. 14 De hemel scheurde los en rolde zich als een boekrol op. Geen berg of eiland bleef op zijn plaats. 15 Koningen, machthebbers, legeraanvoerders, rijken, aanzienlijken, slaven en vrije mensen, iedereen trachtte zich te verbergen in grotten en tussen de rotsen in de bergen. 16 Ze riepen de bergen en de rotsen toe: ‘Val op ons neer! Verberg ons voor het oog van hem die op de troon zit en voor de toorn van het lam! 17 Want nu is de grote dag van hun toorn aangebroken, en wie kan die doorstaan?’ (NBV)

Johannes had een mooie toekomst geschilderd. Het Romeinse Rijk was dus niet zo onoverwinnelijk en onkwetsbaar als je zou denken op grond van de vele overwinningen die er waren geweest. Het zou eens afgelopen zijn met dat Rijk. Maar hoeveel slachtoffers zouden er nog moeten vallen? Er waren er al zoveel geweest. Johannes zal om zich heen gekeken hebben op Patmos waar in de mijnen nog dagelijks gevangenen stierven. Johannes kende natuurlijk de verhalen over de opstand die geleid had tot de verwoesting van de Tempel. In die opstand waren ook toen al vele onschuldige burgers gestorven, afgeslacht in het geweld dat een opstand met zich meebrengt. Johannes kende ook de vervolgingen van Christenen die overal in het rijk oplaaide. Hij kende ook de opvatting dat er een opstanding van de doden zou zijn en dat de misdadigers gestraft zouden worden. Was Jezus van Nazareth niet de eerste die was opgestaan uit de doden?

In de Tempel die Johannes nog in de hemel zag maar die weer op aarde zou komen werden de doden bewaard die zouden opstaan en aan wie recht zou worden gedaan. Hoe? Dat was onbekend, in het Hebreeuws was er geen woord voor, volgens Prediker zou de adem die het leven gaf aan mensen weer terugkeren naar God. De Grieken hadden er wel een woord voor, de ziel maar volgens de Joden was die ziel alleen van toepassing als het lijk van een mens nog geïdentificeerd kon worden. Johannes neemt hier maar aan dat de doden die op de opstanding wachten gekend zijn, hen zal recht worden gedaan. Maar het is nog niet zover, er moeten nog meer slachtoffers vallen, er zullen nog meer slachtoffers vallen. Johannes herinnert de mensen aan de uitroepen in het Oude Testament, aan de Psalmen die ze gezongen hadden en die ook al gezongen hadden van hoe lang het lijden van mensen nog zou moeten duren.

Wat we in elk geval nog zullen meemaken zijn de natuurrampen die we overal zien. En natuurrampen zijn vaak verre te verkiezen boven oorlogen en opstanden. Dat is zelfs vandaag de dag nog zo. De roep van hoe lang nog lijkt te verstommen met het verdwijnen van het geloof in de God van Israël. Mensen zijn zelf verantwoordelijk klinkt het dan. Maar juist de gelovigen, mensen die er van overtuigd zijn dat een aarde zonder oorlog en geweld mogelijk is, verzetten zich het hardst tegen oorlog en geweld. Het zijn geen natuurrampen, oorlog wordt gevoerd door mensen en als er niemand naar de oorlog gaat is het vrede. Oorlog wordt gevoerd met wapens en als er niemand is die wapens maakt kan er geen oorlog worden gevoerd. De roep van hoe lang nog zal het duren zet mensen op het spoor van hun eigen verantwoordelijkheid, van hun eigen aandeel in het voortduren van oorlog en geweld. Daarvoor is het geloof van Johannes nodig, het geloof dat er een aarde komt waar de God van Israël zal willen wonen, waar leed en ellende voorbij is. Elke dag mogen we die aarde dichterbij brengen door ons te verzetten tegen oorlog en geweld en onze naaste lief te hebben als onszelf, ook vandaag mag dat weer.

‘Kom!’

maandag, 12 november, 2018

Openbaring 6:1-8

1 Toen zag ik dit: het lam verbrak een van de zeven zegels en ik hoorde een van de vier wezens roepen met een geluid als een donderslag: ‘Kom!’ 2 Ik zag dit: een wit paard met een ruiter, die een boog droeg. Hij kreeg een zegekrans en trok op als een overwinnaar, de overwinning tegemoet. 3 Toen het lam het tweede zegel verbrak, hoorde ik het tweede wezen zeggen: ‘Kom!’4 Er verscheen een ander, vuurrood paard. De ruiter kreeg de opdracht om de vrede uit de wereld te verdrijven, zodat men elkaar zou afslachten. Hij kreeg een groot zwaard. 5 Toen het derde zegel werd verbroken, hoorde ik het derde wezen zeggen: ‘Kom!’ Ik zag dit: een zwart paard met een ruiter, die een weegschaal in zijn hand hield. 6 Te midden van de vier wezens hoorde ik iets als een stem zeggen: ‘Een dagloon voor een portie tarwe en hetzelfde bedrag voor drie porties gerst. Maar laat wijn en olijfolie ongemoeid.’ 7 Toen het vierde zegel werd verbroken, hoorde ik het vierde wezen zeggen: ‘Kom!’ 8 Toen zag ik een vaalgeel paard. De ruiter heette Dood, en Dodenrijk vergezelde hem. Zij kregen verlof om op een vierde deel van de aarde dood en verderf te zaaien, door middel van het zwaard, hongersnood, dodelijke ziekten en wilde dieren.(NBV)

In het boek Openbaring laat Johannes de beelden van de profeten uit de Hebreeuwse Bijbel over elkaar heen tuimelen alsof hij wil zeggen dat de hele Hebreeuwse Bijbel al gewaarschuwd heeft voor de verwoesting van de Tempel in Jeruzalem maar ook dat die verwoesting uit zal lopen op de overwinning van de God van Israël. Er is sprake van vier dieren. Dat beeld komt uit het boek van de profeet Ezechiël. Die zag een wagen uit een onweerswolk tevoorschijn komen die gedragen werd door vier dieren, dezelfde als Johannes hier beschreven heeft, rondom die dieren en die wagen waren allemaal ogen, alle godjes van de wereld hielden de mensen in de gaten. De donderwolk stond voor de oppergod van Babel, Mardoek, de dondergod. De vier dieren waren de goden van de vier hoeken van de wereld. De hele wereld was er dus aanwezig. Maar de wagen werd bestuurd door de God van Israël op zijn azuurblauwe troon. Die God stak overal bovenuit.

Die vier dieren uit het boek Ezechiël worden nu getuigen van het openen van het testament dat aangeeft wat er met de wereld moet gebeuren nu de Tempel in Jeruzalem is verwoest. Dat is het verhaal van Johannes. Het lam is het lam dat zijn bloed had vergoten zodat het volk bevrijdt zou worden van de dood. In de Christelijke gemeente zou de gekruisigde Jezus van Nazareth als de bevrijder, de Messias, de gezalfde koning van de wereld, als het lam worden aangeduid dat alle mensen van de dood heeft bevrijd. Dat lam bepaald wat er gaat gebeuren na de verwoesting van de Tempel. Maar als de zegels worden gebroken komt een ander beeld van een profeet ter sprake. Het zijn de paarden uit de Nachtspreuken van de profeet Zacharia. En telkens als een zegel wordt verbroken klinkt het als een startschot met de kracht van een donderslag “Kom”

De vier paarden staan hier voor de gevaren die het Romeinse Rijk belagen. De Parthen, buurvolken die het rijk zouden kunnen verslaan, economische tegenspoed als de prijzen de pan uit zouden rijzen, burgeroorlogen die het Rijk van binnenuit zouden kunnen verzwakken en epidemieën van besmettelijke zieken als de pest. Dat Romeinse Rijk was dus helemaal niet zo onaantastbaar en onverslaanbaar als je zou denken op grond van de geschiedenis van het Rijk en de verwoesting van de Tempel. Eigenlijk zingt Johannes hier al een Triomflied. Kijk eens wat dat Lam, wat die Christus van jullie niet allemaal tevoorschijn kan brengen. Roept het geloof in Christus dan geweld op? Dat niet, maar als je gelooft dat het goede zal overwinnen dan zie je de zwakke kanten van het kwade wat gemakkelijker en dat is wat hier gebeurt. Dat is ook wat ons mag bemoedigen in ons streven de wereld wat leefbaarder te maken voor mensen. Van onze naaste houden als van onszelf mag dus gewoon doorgaan als iedereen ons voor gek verklaard. Uiteindelijk zal het de basis worden van de wereldsamenleving. Elke morgen mogen we er gelukkig weer opnieuw mee beginnen. Ook vandaag weer.