Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor september, 2018

Als eerste de strijd durven aan te gaan

zondag, 30 september, 2018

Rechters 10:6-18

6 Weer deden de Israëlieten wat slecht is in de ogen van de HEER: weer begonnen ze de Baäls en Astartes te vereren, en ook de goden van Aram, Sidon en Moab en de goden van de Ammonieten en de Filistijnen. Ze keerden de HEER de rug toe en dienden hem niet meer. 7  De HEER ontstak in woede en leverde hen uit aan de Filistijnen en de Ammonieten. 8  Nog datzelfde jaar begonnen zij Israël te knechten en te knevelen: achttien jaar lang onderdrukten ze de Israëlieten die aan de overkant van de Jordaan woonden, in Gilead, het gebied dat ooit aan de Amorieten had toebehoord. 9  Uiteindelijk staken de Ammonieten zelfs de Jordaan over om de strijd aan te binden met Juda, Benjamin en Efraïm. De Israëlieten kregen het zo zwaar te verduren 10 dat ze de HEER te hulp riepen en zeiden: ‘We hebben tegen u, onze God, gezondigd door u de rug toe te keren en de Baäls te dienen.’ 11  De HEER antwoordde: ‘Ik heb jullie vaak genoeg gered: van de Egyptenaren en de Amorieten, en van de Ammonieten en de Filistijnen. 12  Ook toen jullie onderdrukt werden door de Sidoniërs, de Amalekieten en de Maonieten hebben jullie mij te hulp geroepen en heb ik jullie uit hun greep bevrijd.  13  Maar telkens keren jullie mij weer de rug toe om andere goden te dienen. Daarom bevrijd ik jullie niet meer. 14  Roep die goden maar te hulp aan wie jullie de voorkeur hebben gegeven. Laten zij jullie nu maar uitkomst brengen!’ 15  Toen zeiden de Israëlieten tot de HEER: ‘Wij hebben gezondigd. Doe met ons wat u goeddunkt, alleen, bevrijd ons nog deze ene keer.’ 16  En ze deden de vreemde goden weg en dienden de HEER. Toen kon de HEER niet langer aanzien hoe moeilijk Israël het had. 17  De Ammonieten brachten een leger op de been en sloegen hun kamp op in Gilead. De Israëlieten verzamelden zich en sloegen hun kamp op in Mispa. 18  De leiders van Gilead zeiden tegen elkaar: ‘Degene die als eerste de strijd durft aan te binden met de Ammonieten, komt aan het hoofd te staan van heel Gilead.’ (NBV)

Degene die als eerste de strijd durft aan te gaan krijgt de heerschappij over heel Gilead zo besluit het stuk dat we vandaag uit de Nieuwe Bijbelvertaling lezen. Het was weer eens zo ver, ze waren vreemde goden achterna gelopen. De bekende vruchtbaarheidsgoden en de goden van de omringende volken. Het moest weer overlopen van succes en klatergoud. Waar hebben we dat meer gehoord. Volgens het verhaal werd God zelfs moe van het steeds weer moeten bevrijden. Goden en koningen moeten toch niet nodig zijn om ons te beschermen? Als we met z’n allen zorgen dat we met z’n allen gelukkig zijn, en dus eerlijk delen in plaats van op succes te letten moet het toch ook kunnen? In ons verhaal belooft het volk het nog een keer te proberen. De leider moet dan iemand worden die het nut als leider ook bewijst. Iemand die als eerste de vijand durft aan te pakken.

We zouden zulke leiders ook wel willen hebben nietwaar, mensen die de problemen ook oplossen. Die zorgen voor eerlijk delen in plaats van de rijken bevoordelen. Maar we krijgen leiders die show voorop zetten. Politici spreken elkaar in het parlement aan of ze straatjongens zijn. Vroeger hoorde je nog wel eens over parlementair taalgebruik, je moet er niet aan denken dat je elkaar de hele dag met het tegenwoordige parlementaire taalgebruik aanspreekt. Politici zetten de inhoud en programma’s op de tweede plaats en mooie praatjes en demagogie op de eerste plaats. We moeten de vreemde goden van winst en profijt kennelijk nalopen.

Het klinkt zo mooi nietwaar, televisiedemocratie met spannende debatten in plaats van detectiveseries. Ondersteund door de oprispingen van enkelen in de sociale  media. In America is dit soort persoonsdemocratie verworden tot een rituele scheldpartij en een wedstrijd moddergooien. Verreweg de meeste Amerikanen bemoeien zich er niet meer mee en gaan niet stemmen. Met alle gevolgen van dien. Een louche ondernemer die ook televisieartiest was is president geworden. De armen kunnen kreperen. De oorlogen die worden gevoerd zijn er niet om recht en gerechtigheid te brengen. En in de wereld wordt meer en meer haat en afgunst gezaaid. We zoeken dus leiders die de strijd aan durven gaan om mensen te bevrijden van onderdrukking en armoede, van leugens en  egoïsme.

Naar het onblusbare vuur

zaterdag, 29 september, 2018

Marcus 9:42-50

42  Wie een van de geringen die in mij geloven van de goede weg afbrengt, zou beter af zijn als hij met een molensteen om zijn nek in zee gegooid werd. 43  Als je hand je op de verkeerde weg brengt, hak hem dan af: je kunt beter verminkt het leven binnengaan dan in het bezit van twee handen naar de Gehenna te moeten gaan, naar het onblusbare vuur. 44 45  Als je voet je op de verkeerde weg brengt, hak hem dan af: je kunt beter kreupel het leven binnengaan dan in het bezit van twee voeten in de Gehenna geworpen worden. 46  47  En als je oog je op de verkeerde weg brengt, ruk het dan uit: je kunt beter met één oog het koninkrijk van God binnengaan dan in het bezit van twee ogen in de Gehenna geworpen worden, 48  waar de wormen blijven knagen en het vuur niet dooft. 49  Iedereen moet met vuur gezouten worden. 50  Zout is goed! Maar als het zout zijn kracht verliest, hoe zullen jullie het zijn kracht dan teruggeven? Zorg dat jullie het zout in jezelf niet verliezen en bewaar onder elkaar de vrede.’ (NBV)

Ten zuiden en ten westen van Jeruzalem lag het dal Hinnom. Hier brandde dag en nacht een groot vuur waar al het afval van Jeruzalem in werd verbrand. Vanouds was hier een offerplaats voor de afgod Moloch. Daar werden kinderen als offer in het vuur geworpen. Ook werden er lijken van veroordeelde misdadigers verbrand, ze hoefden dan niet begraven te worden. De plaats werd Gehenna genoemd en was zo verschrikkelijk dat Gehenna ook de naam van het dodenrijk werd. Als Jezus van Nazareth over de Gehenna spreekt dan heeft hij het over een verschrikkelijke plaats die al zijn toehoorders helder voor ogen stond. Je kunt dus beter je handen af hakken dan als misdadiger in het vuur van de Gehenna geworpen worden. Zo verschrikkelijk moet het voor je zijn als je niet meer de Weg volgt van het houden van je naaste als van jezelf.

Mensen van die weg afbrengen is wel het ergste dat je kan doen. Toch heeft ook dat onblusbare vuur van die verschrikkelijke plaats Gehenna iets goeds. Het reinigt de stad zoals zout het voedsel reinigt en behoed voor bederf. Al het dode afval in de stad laten rotten maakt de stad onleefbaar. In het Italiaanse Napels kunnen ze daar over meepraten. Daar werd het afval niet meer opgehaald. Het werd zo erg dat het leger moest worden ingezet om de stad weer schoon te maken, de stad dreigde anders onleefbaar te worden. Zo was het ook met Jeruzalem en het Gehenna zorgde er voor dat de stad het afval kwijt kon. Daarom moeten wij er voor zorgen het zout in onszelf niet te verliezen. Dat betekent dat je telkens weer de Weg op moet gaan van Jezus van Nazareth. Dat je eens van die weg afdwaalt is erg. Maar niet onherroepelijk, op elk moment kan ieder van ons zich weer omkeren.

Bekeren heette dat opnieuw beginnen ook wel, om weer die Weg op te gaan. In elke gemeenschap van mensen die zich niet om zichzelf maar om de ander als eerste bekommeren dien je de vrede te bewaren. Onderlinge strijd kost immers energie die ten koste gaat van de zorg voor de minsten, het laat ook niet zien hoe een samenleving waarin iedereen kan meedoen en waar oog en oor is voor de minsten er uit kan zien. Maar oog en oor voor de minsten in de wereld is waar Jezus van Nazareth ons om vraagt. Daar is zijn vader, daar is God zelf te vinden. Bij de slachtoffers van de voortdurende strijd in Somalië, bij de hongerenden in Zuid Soedan, bij de Rohingya in Birma en al die andere landen waar mensenrechten worden geschonden, bij de armen in Europa, bij de vreemdelingen onder ons die worden buitengesloten, bij de kinderen op de wereld die worden uitgebuit en misbruikt. Daar horen wij ook te zijn want hen verwaarlozen is het ergste wat ons kan gebeuren. Vandaag hoeft verwaarlozen dus niet meer.

De minste van allemaal willen zijn

vrijdag, 28 september, 2018

Marcus 9:30-41

30 Ze vertrokken uit die streek en reisden door Galilea, maar hij wilde niet dat iemand dat te weten kwam,  31  want hij was bezig zijn leerlingen onderricht te geven. Hij zei tegen hen: ‘De Mensenzoon wordt uitgeleverd aan de mensen. Die zullen hem doden, maar na drie dagen zal hij uit de dood opstaan.’ 32  Ze begrepen deze uitspraak niet, maar durfden hem geen vragen te stellen. 33  Ze kwamen in Kafarnaüm. Toen ze in huis waren, vroeg hij hun: ‘Waarover waren jullie onderweg aan het redetwisten?’ 34  Ze zwegen, want ze hadden onderweg met elkaar getwist over de vraag wie van hen de belangrijkste was. 35  Hij ging zitten en riep de twaalf bij zich. Hij zei tegen hen: ‘Wie de belangrijkste wil zijn, moet de minste van allemaal willen zijn en ieders dienaar.’ 36  Hij pakte een kind op en zette het in hun midden neer; hij sloeg zijn arm eromheen en zei tegen hen: 37  ‘Wie in mijn naam één zo’n kind bij zich opneemt, neemt mij op; en wie mij opneemt, neemt niet mij op, maar hem die mij gezonden heeft.’ 38  Johannes zei tegen hem: ‘Meester, we hebben iemand gezien die in uw naam demonen uitdreef en we hebben geprobeerd hem dat te beletten omdat hij zich niet bij ons wilde aansluiten.’ 39  Jezus zei: ‘Belet het hem niet. Want iemand die een wonder verricht in mijn naam kan onmogelijk het volgende moment kwaad van mij spreken. 40  Wie niet tegen ons is, is voor ons. 41 Ik verzeker je: wie jullie een beker water te drinken geeft omdat jullie bij Christus horen, die zal zeker beloond worden. (NBV)

Ieders dienaar willen zijn, daar draait het om bij Jezus van Nazareth. En dat is niet eenvoudig. Daar moet je voor studeren lijkt het wel. Jezus van Nazareth neemt in dit verhaal immers zijn leerlingen mee naar huis om hen te onderrichten. Eerder had Marcus ons al verteld dat Jezus van Nazareth in Kafernaüm was gaan wonen. In de verhalen die bij Marcus voor het verhaal van vandaag staan had Jezus van Nazareth steeds last gehad van grote mensenmenigten die genezing bij hem zochten of gewoon achter hem aan liepen om te horen wat hij te zeggen heeft. Maar aan populariteit heeft Jezus van Nazareth kennelijk een broertje dood. Verering door de massa loopt altijd uit op de dood van degene die vereerd wordt. Of die kan het niet aan of de massa raakt teleurgesteld en dood het idool of die wordt door de concurrentie gedood, maar dood gaat het idool. Jezus van Nazareth is voor alles realist, hij weet dat het hem ook zo zal vergaan.

Maar hij weet ook dat zoveel liefde van God niet definitief dood kan gaan. Dus als het definitief lijkt, na drie dagen, het getal van de volmaaktheid, dan komt die liefde weer tot leven. Dan staat het op tegen de dood. Daar zijn ook die leerlingen voor. Die moeten leren zichzelf uit te schakelen. Niet zij zijn belangrijk maar de mensen die de liefde nodig hebben. Daar moet je op letten. Jezus van Nazareth wijst op de zwaksten in elke samenleving, de kinderen. Die hebben nog geen weet van goed en kwaad, die leven nog als in het paradijs. Die zijn het eerst slachtoffer van honger, oorlog en geweld. Die zijn het zwaarste slachtoffer van misbruik, van uitbuiting en gebruik door volwassenen voor persoonlijk gewin of persoonlijk genot. Wie een kind opneemt en het daarmee voor het kind opneemt, neemt Jezus van Nazareth op en neemt het daarmee voor zijn liefde op.

Eigenlijk zegt Jezus van Nazareth dat wie zo doet zorgt dat hij opstaat uit de dood die het nalopen en de verering hem gebracht hadden. Daarom ook hoef je mensen die zorgen voor armen, die het opnemen voor kinderen, die pal staan voor de vrede, die het kwade uit de wereld proberen te verdrijven, niet te veroordelen als ze niet in Jezus van Nazareth geloven. Ze doen evengoed wat hij had bedoeld dat er gedaan moet worden. Je moet juist de mensen bestrijden die zeggen te geloven in Jezus van Nazareth maar het kwaad in de wereld laten voortbestaan. Mensen die niet willen delen omdat honger de verantwoording van de hongerige zou zijn, mensen die het niet opnemen voor kinderen omdat het hun kinderen niet zijn. Mensen die kinderen uitwijzen naar landen waar ze nooit zijn geweest. Die mensen moeten we bestrijden wegens onmenselijkheid. En als we dat weten te doen dan weten we dat wie niet voor de Weg van Jezus van Nazareth is, wie het niet opneemt voor zijn mensen, die is tegen hem, en dus ook tegen ons.

 

Een vrouw heeft hem gedood

donderdag, 27 september, 2018

Rechters 9:50–10:5

50 Enige tijd later trok Abimelech op tegen Tebes. Hij belegerde de stad en nam haar in. 51  In het midden van de stad stond een versterkte toren, en daarin namen de burgers van de stad hun toevlucht, zowel mannen als vrouwen. Ze vergrendelden de poort en klommen naar het dak. 52  Abimelech bestookte de toren van dichtbij. Toen hij de poort naderde om de toren in brand te steken, 53  gooide een vrouw een maalsteen op zijn hoofd, waardoor zijn schedel werd verbrijzeld. 54  Hij kon nog net zijn wapendrager roepen en vragen: ‘Trek je zwaard en dood mij, zodat er niet van mij gezegd zal worden: “Een vrouw heeft hem gedood.”’ Zijn wapendrager doorstak hem, en hij stierf. 55  Toen het leger van Israël zag dat Abimelech dood was, keerden de soldaten naar huis terug. 56  Zo vergold God Abimelech het kwaad dat hij tegen zijn vader had begaan door zijn zeventig broers te doden, 57  en liet hij ook het kwaad van de burgers van Sichem op hun eigen hoofd neerkomen. Zo werd de vloek van Jotam, de zoon van Jerubbaäl, aan hen voltrokken. 1 Na Abimelech kwam Tola, die optrad als bevrijder van Israël. Hij was een zoon van Pua, de zoon van Dodo, en behoorde tot de stam Issachar. Maar hij woonde in Samir, in het bergland van Efraïm. 2  Drieëntwintig jaar was hij rechter over Israël. Toen stierf hij en werd begraven in Samir. 3  Na hem kwam Jaïr uit Gilead. Tweeëntwintig jaar was hij rechter over Israël. 4  Hij had dertig zonen, die allemaal een ezelshengst als rijdier hadden en aan het hoofd van een nederzetting stonden. Tot op de dag van vandaag worden deze dorpen in Gilead de Dorpen van Jaïr genoemd. 5  Na zijn dood werd Jaïr begraven in Kamon. (NBV)

Wij kennen natuurlijk onze Kenau Simonsd Hasselaar en Trijntje Rembrandsdochter uit de geschiedenisboekjes. Op de wallen van respectievelijk Haarlem en Alkmaar hielpen zij de Spanjaarden te verdrijven die de pas verworven godsdienstvrijheid kwamen bestrijden. Op de achtergrond speelde natuurlijk een belastingprobleem, de bevolking weigerde de zogenaamde tiende penning te betalen en kwam daar tegen in opstand. In Haarlem liep het beleg uit op een bloedbad waarbij de burgers rug aan rug gebonden in het Spaarne werden geworpen maar in Alkmaar begon de victorie en ook dit jaar op 8 oktober zal dat uitbundig gevierd worden. Ook de Bijbel kent dat soort vrouwen. We hebben het al eens over Jael gehad die het volk van generaal Sisera bevrijde en in het bovenstaande gedeelte komt een anonieme vrouw voor die met een maalsteen het volk bevrijde van Abimelech.

Die Abimelech kan nog wel zo dapper zijn en zijn wapendrager het vonnis  laten voltrekken, dat hielp niet. het was inderdaad een vrouw die hem heeft gedood. Eind van de koningen weer voor een tijdje. Jarenlang deed het volk het vervolgens zonder regering. Wij kunnen ons dat niet meer voorstellen. Natuurlijk wordt er gesproken over Tola en daarna over Jaïr maar dat waren rechters, bevrijder wordt er van Tola zelfs gezegd. Als er weer rovers kwamen om de oogst te roven bliezen ze op de ramshoorn en wezen het volk de weg om het gericht te voltrekken. Macht kwam er niet aan te pas en het aanzien werd ontleend aan daden niet aan de positie. Wetgeving was ook niet nodig want er was een wet. Een wet die uitstekend voldoet voor een volk, tot op de dag van vandaag, de wet van heb je naaste lief als jezelf.

En die naasten zijn niet je buren uit de villawijk maar de minsten uit de goedkope volksbuurten waar reparatie van straten en straatverlichting lang kan uitblijven. Waar als je daar woont en werkloos wordt je moeilijk werk kunt vinden alleen al op grond van je naam of je postcode. Daar voelen mensen zich soms gedwongen uit stelen te gaan, niet goed natuurlijk, maar als de mensen uit de villawijk niet willen delen met de mensen uit de volksbuurten dan komen ze het halen. Mensen uit de villawijken die uit stelen gaan hebben dat veel en veel minder nodig, die zouden dan ook dubbel gestraft moeten worden. Recht en gerechtigheid is er volgens de Bijbel niet als mensen zich tot koning kronen en oorlog gaan voeren maar recht en gerechtigheid bloeien daar waar zorg is voor de minsten en de armen. Abimelech merkte dat pas toen het te laat was.

Kom maar op met je leger

woensdag, 26 september, 2018

Rechters 9:22-49

22 Drie jaar had Abimelech het in Israël voor het zeggen. 23  Toen zaaide God onenigheid tussen Abimelech en de burgers van Sichem, zodat de burgers van Sichem hun belofte van trouw aan Abimelech braken. 24  Dat was om de moord op de zeventig zonen van Jerubbaäl te wreken op hun broer Abimelech, die hen had gedood, en op de burgers van Sichem, die hem daarbij hadden geholpen. 25  Om Abimelech te benadelen, lieten de burgers van Sichem een groep mannen zich hoog in de bergen verdekt opstellen; vanuit hun hinderlaag beroofden die iedereen die daar langskwam. Dit kwam Abimelech ter ore. 26  In diezelfde tijd kwam Gaäl, de zoon van Ebed, met zijn verwanten in Sichem aan, en de burgers van Sichem schonken hem hun vertrouwen. 27  Ze gingen weer naar hun wijngaarden, plukten de druiven en persten die uit. Daarna hielden ze een oogstfeest, en tijdens het feestmaal in de tempel van hun god begonnen ze Abimelech te beschimpen. 28  Gaäl zei: ‘Wie is die Abimelech eigenlijk? Waarom zou een stad als Sichem onderworpen zijn aan de zoon van Jerubbaäl en Zebul, zijn gevolmachtigde? Zouden wij er niet beter aan doen de nakomelingen van Chamor te dienen, de vader van Sichem, in plaats van Abimelech? 29  Als ik het hier voor het zeggen had, zou ik Abimelech afzetten. Ik zou tegen hem zeggen: “Kom maar op met je leger, hoe groot het ook is!”’ 30  Zebul, de stadscommandant van Sichem, werd woedend bij het horen van deze woorden. 31  Heimelijk stuurde hij boden naar Abimelech om hem te zeggen: ‘Gaäl, de zoon van Ebed, is met zijn verwanten naar Sichem gekomen, en nu stoken zij de stad tegen u op! 32  Kom daarom vannacht nog met uw leger hierheen en stel u verdekt op in het veld. 33  Doe morgen bij zonsopgang een aanval op de stad. Als hij dan met zijn manschappen vanuit de stad tegen u uitrukt, kunt u uw kans grijpen.’ 34  Diezelfde nacht betrok Abimelech met zijn leger vier verdekte stellingen in de buurt van Sichem. 35  Toen Gaäl de volgende morgen in de stadspoort verscheen, kwamen Abimelech en zijn soldaten uit hun stellingen te voorschijn. 36  Gaäl zag hen en zei tegen Zebul: ‘Kijk, daar komt een leger aan vanuit de bergen.’ Zebul antwoordde: ‘Dat is de schaduw van de bergen, die u voor een leger aanziet.’ 37  Maar Gaäl hield vol: ‘Nee, kijk maar, er komt een leger aanzetten vanaf de Gerizim, en daarginds komt nog een eenheid aan van de kant van de Waarzeggerseik.’ 38  Toen zei Zebul tegen hem: ‘U moest toch zo nodig zeggen: “Wie is die Abimelech eigenlijk, dat wij aan hem onderworpen zouden zijn?” Hier is het leger waarover u zo laatdunkend hebt gesproken. Vooruit, bind nu de strijd maar met hem aan!’ 39  Gaäl rukte uit aan het hoofd van de burgers van Sichem en bond de strijd aan met Abimelech. 40  Abimelech sloeg hem terug en joeg hem op de vlucht. Het slagveld was tot aan de stadspoort toe met lijken bezaaid. 41  Abimelech woonde in Aruma; Gaäl en zijn verwanten werden door Zebul uit Sichem verbannen. 42  De volgende dag gingen de inwoners van Sichem weer aan het werk op het land. Toen Abimelech hiervan op de hoogte werd gesteld, 43  verdeelde hij zijn leger in drie groepen en stelde zich verdekt op in het veld. Zodra hij de mensen de stad uit zag komen, overviel hij hen. 44  Terwijl Abimelech met zijn groep een aanval op de stadspoort deed en die bezette, overmanden de twee andere groepen de mensen op het land. 45  Na een dag van strijd nam Abimelech de stad in. Hij doodde er iedereen, maakte de stad met de grond gelijk en bestrooide de resten met zout. 46  Toen de inwoners van Migdal-Sichem dit vernamen, trokken zij zich terug in de versterkte toren bij de tempel van El-Berit. 47  Abimelech werd ervan op de hoogte gesteld dat de inwoners van Migdal-Sichem zich hadden verschanst. 48  Hij ging met al zijn manschappen de Salmon op. Daar kapte hij met zijn bijl wat kreupelhout, legde de takken op zijn schouder en gaf zijn soldaten bevel vlug zijn voorbeeld te volgen. 49  Ook de soldaten kapten allemaal een bos takken en volgden Abimelech terug naar beneden. Ze plaatsten hun takkenbossen tegen de versterking en staken die in brand, zodat de mensen daarbinnen in de vlammen omkwamen. Zo vonden ook alle inwoners van Migdal-Sichem de dood, ongeveer duizend mannen en vrouwen.(NBV)

Het loopt altijd weer op oorlog uit. De ene koning tegen de andere heerser. En elk weet een leger op de been te brengen. Als er niemand naar de oorlog zou gaan was er ook geen slagveld nietwaar. In dit verhaal begint het met de koning zelf, die iedereen afslacht voor hij de troon bestijgt. Als dat de norm is hoeft het niet verbazen als anderen dat navolgen. Dus begint iemand een roversbende, snel klaar, snel rijk. En dan is er ook vast iemand die net zo machtig als de koning gevonden wil worden, macht, rijkdom en aanzien trekken immers altijd. De hele zaak loopt dan weer geweldig uit de hand en het land ligt bedekt met lijken. Het verhaal uit het boek Rechters is eeuwen oud, maar het had vandaag in de krant kunnen staan. De regering van Nederland deelt wapens uit in Syrië aan strijdgroepen die ook mensen ondersteunen die terreurdaden uitvoeren. Hoe moeten we nu Nederlanders straffen die voor de terreurorganisaties hebben gevochten.

Wie de belangen van de Verenigde Staten volgens de Verenigde Staten schaadt kan een leger verwachten. Amerika eerst begint met de rijkdom van Amerika met niemand willen delen, handelsoorlogen zijn het gevolg. Handelsoorlogen zijn het soort oorlogen waarvan over ter wereld, ook in Amerika, de armsten het eerst slachtoffer worden. Dat soort leiders en koningen heb je dus in het geheel niet nodig om een vreedzaam leven te leiden. We hebben het al over Ehu en Othniël gehad, en over Deborah en over Gideon, die gaven een andere richting aan. Gideom weigerde om koning te worden na zijn overwinningen op de plunderaars. Over de Bijbel wordt wel eens gezegd dat het vol oorlogen en slachtingen staat en dat we het daar toch niet over zouden moeten hebben. Maar op dit moment, als U dit leest, zijn er op de wereld 34 gewelddadige conflicten aan de gang.

Over die conflicten zouden we het dus moeten hebben want de wereldgemeenschap zou haar stinkende best moeten doen om deze conflicten tot een einde te brengen en er vrede te brengen. Zelf kunnen we daar aan bijdragen door hard te protesteren tegen wapenleveranties zoals die van onze eigen regering. Maar ook tegen voorwaarden die de Wereldbank op verzoek van Nederland op gaat leggen aan arme landen voordat de schulden worden kwijtgescholden. Die voorwaarden maken dat wij van die kwijtschelding rijker worden doordat ze daar geen tariefmuren mogen oprichten, dat er een rijke klasse gaat ontstaan omdat de Wereldbank eerlijk delen nu eenmaal verbiedt. Eerlijke handel heet in Nederland nu eenmaal Fair Trade, en dat zijn kleine aparte winkeltjes die gedreven worden door gedreven vrijwilligers. Help ze maar dan help je ook een beetje de oorlog de wereld uit.

 

Wie hebben ze liever als heerser

dinsdag, 25 september, 2018

Rechters 8:33–9:21

33  Na de dood van Gideon begonnen de Israëlieten opnieuw achter de Baäls aan te lopen. Ze verhieven Baäl-Berit tot god 34  en vergaten de HEER, hun God, die hen had bevrijd van de hen omringende vijanden. 35  Ook bewezen ze de familie van Jerubbaäl niet de verschuldigde dankbaarheid voor al het goede dat hij, Gideon, voor Israël had gedaan. 1 Abimelech, de zoon van Jerubbaäl, ging naar Sichem, waar de familie van zijn moeder woonde, en zei tegen zijn ooms en zijn neven: 2  ‘Leg de burgers van Sichem de vraag voor wie ze liever als heerser hebben: de zeventig zonen van Jerubbaäl gezamenlijk of één man, die bovendien hun bloedverwant is.’ 3  Toen zijn ooms zijn vraag voorlegden aan de burgers van Sichem, spraken die hun voorkeur uit voor Abimelech, met als argument dat hij familie van hen was. 4  Ze gaven hem zeventig sjekel uit de tempel van Baäl-Berit. Met dat geld huurde Abimelech een legertje gewetenloze avonturiers. 5  Daarmee ging hij naar Ofra, naar het huis van zijn vader, waar hij zijn broers, de zeventig zonen van Jerubbaäl, stuk voor stuk ter dood bracht op een en dezelfde steen. Alleen Jotam, de jongste, wist te ontkomen, want hij had zich verstopt. 6  Daarop kwamen de burgers van Sichem en Bet-Millo bij de eik bij het gedenkteken in Sichem bijeen en riepen Abimelech tot koning uit. 7 Toen Jotam dit vernam, ging hij de Gerizim op en riep met stemverheffing vanaf de top: ‘Hoor mij aan, burgers van Sichem, en God zal u verhoren! 8  Eens gingen de bomen eropuit om een koning te kiezen. Ze vroegen de olijfboom: “Wilt u onze koning zijn?” 9  Maar de olijfboom antwoordde: “Zou ik ophouden mijn olie af te staan, waarmee mensen en goden worden vereerd, om wat te wuiven boven de andere bomen uit?” 10  Toen vroegen ze het aan de vijgenboom: “En u, wilt u onze koning zijn?” 11  Maar de vijgenboom antwoordde: “Zou ik ophouden mijn zoete vruchten af te staan, om wat te wuiven boven de andere bomen uit?” 12  Toen vroegen ze het aan de wijnstok: “En u, wilt u onze koning zijn?” 13  Maar de wijnstok antwoordde: “Zou ik ophouden mijn sap af te staan, dat goden en mensen verblijdt, om wat te wuiven boven de andere bomen uit?” 14  Ten slotte vroegen de bomen aan de doornstruik: “En u, wilt u onze koning zijn?” 15  En de doornstruik antwoordde: “Als u mij werkelijk tot uw koning wilt zalven, kom dan maar hier, in mijn schaduw is het goed toeven. Maar zo niet, dan zal er uit mijn takken een vuur komen dat de ceders van de Libanon zal verteren.” 16  Welnu, burgers van Sichem, als u te goeder trouw gehandeld hebt toen u Abimelech tot koning uitriep, als u Jerubbaäl en zijn familie de verschuldigde dankbaarheid hebt bewezen, als u mijn vader naar zijn verdienste hebt beloond 17  hij is immers voor u ten strijde getrokken, hij heeft voor u zijn leven op het spel gezet, hij heeft u bevrijd uit de greep van Midjan, 18  maar u bent vandaag tegen mijn familie in opstand gekomen, u hebt de zonen van mijn vader, zeventig man, op een en dezelfde steen ter dood gebracht, u hebt Abimelech, de zoon van zijn slavin, tot uw koning uitgeroepen omdat hij familie van u is-, 19  als u kortom vandaag te goeder trouw gehandeld hebt ten opzichte van Jerubbaäl en zijn familie, dan wens ik u veel geluk met Abimelech en hem met u! 20  Maar zo niet, dan zal er uit Abimelech een vuur komen dat de burgers van Sichem en Bet-Millo zal verteren, en er zal uit de burgers van Sichem en Bet-Millo een vuur komen dat Abimelech zal verteren.’ 21  Daarop nam Jotam de vlucht. Hij week uit naar Beër en bleef daar wonen, buiten bereik van zijn broer Abimelech. 22  Drie jaar had Abimelech het in Israël voor het zeggen. (NBV)

Sterke leiders hebben we nodig. We horen dat vandaag de dag ook nog wel. Wie heeft in het debat over de algemene beschouwingen de meeste leiderschap getoond, Klaver of Rutte ? Alsof het belangrijk is, of de inhoud niet belangrijker is. Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat inhoud inderdaad meestal niet belangrijk is. Aan de Universiteit van Nijmegen hebben ze, al weer lang geleden, een aantal mensen naar hun voorkeur gevraagd, vonden ze Wiegel of van Thijn beter. Vervolgens kregen de mensen een opname van beide politici te zien en werd er gevraagd wie er een beter verhaal had, Wiegel of van Thijn. Het bleek dat de mensen die Wiegel beter hadden gevonden ook zijn verhaal beter vonden en mensen die van Thijn beter hadden gevonden vonden ook van Thijn beter. Wat de mensen niet echt door hadden was dat beide politici letterlijk hetzelfde verhaal hadden gehouden. “Een beter verhaal” was er dus helemaal niet.

Door al die koningen door de eeuwen heen, en directeuren en minister-presidenten aangevuld met kapiteins en generaals zijn we er in gaan geloven dat je per se één mens als baas moet hebben. De Bijbel leert dat het zonder ook zou kunnen, alleen wij willen dat niet. De mensen van Sichem trappen er ook weer in. Wie wil er nu 70 bazen, één is beter, en het liefst één van het eigen volk. Abilmelech, zijn naam betekent immers al zoon van de koning. Joram, de jongste zoon van Gideon prikt er fijntjes doorheen met zijn beroemde fabel over de bomen in het bos. De bomen kijken wel uit om koning te worden. Ze dragen vrucht, geven schaduw, verschaffen genot, kortom, behalve de doornenstruik, hebben ze allerlei goede taken en eigenschappen. Een koning is alleen maar koning. En wie wil er nu een doornenstruik als koning.

Als je per se een sterke leider wil hebben hou je er altijd een doornenstruik aan over, die is nergens anders geschikt voor. Laten we dus vooral goed opletten wat die politici met ons voor hebben. Al die partijen hebben internetpagina’s, op sommige staat welke leuke bijeenkomsten ze organiseren, op andere staat wat ze willen bereiken, wat ze met ons en de samenleving voorhebben. Ga maar eens surfen langs de bomen van ons politieke bos. En de politiek voorhouden wat het goede is en niet dan het goede kan ook. Vragen om een referendum over de uitbreiding van het kinderpardon. Het kan toch niet zo zijn dat kinderen die hier zijn geboren en getogen, de basisschool hebben afgerond toch worden gedeporteerd naar een voor hen vreemd land, waar armoede heerst en ze blootgesteld worden aan geweld en onderdrukking. Of hebben wij een doornstruik als staatssecretaris?

 

Hij zal zich over u ontfermen

maandag, 24 september, 2018

Deuteronomium 13:7-19

7 Wanneer iemand-uw volle broer, uw zoon of uw dochter, of de vrouw die u bemint, of uw beste vriend-u in het geheim probeert over te halen om andere goden te dienen, goden die u nog niet kende en ook uw voorouders niet, 8 goden van de naburige volken, vlakbij of ver weg of waar ook ter wereld, 9 luister dan niet naar zo iemand en geef niet toe; wees onverbiddelijk, heb geen medelijden met hem en houd hem niet de hand boven het hoofd. 10-11 U moet hem ter dood brengen; samen met uw volksgenoten moet u hem stenigen tot de dood erop volgt, en zelf moet u de eerste steen werpen. Dat is zijn straf, want hij heeft geprobeerd u te vervreemden van de HEER, uw God, die u uit de slavernij in Egypte heeft bevrijd. 12 Het hele volk van Israël moet daardoor worden afgeschrikt, zodat dergelijke wandaden zich niet herhalen. 13 Wanneer in een van de steden die u van de HEER, uw God, krijgt om u daar te vestigen, het gerucht de ronde doet 14 dat er onder uw volk nietswaardige figuren zijn opgestaan die de andere inwoners van hun stad tot ontrouw hebben aangezet en hen naar andere goden hebben laten overlopen-goden die u onbekend zijn-, 15 dan moet u navraag doen, een onderzoek instellen en de zaak tot op de bodem uitzoeken. Als blijkt dat het waar is, als onomstotelijk vaststaat dat zoiets afschuwelijks bij u heeft plaatsgevonden, 16 dan moet u de inwoners van die stad ter dood brengen. De hele stad, iedereen die er woont, en alle dieren moeten onvoorwaardelijk aan de HEER worden gewijd en gedood worden, 17 en alle goederen van de stad moeten op het plein bijeengebracht worden. Daarna moet u de stad en de goederen in brand steken, als een brandoffer voor de HEER, uw God. De stad wordt zo voor eeuwig tot een ruïne gemaakt, ze mag nooit meer herbouwd worden. 18 Van de goederen waarop de ban van de HEER rust mag u niets verduisteren. Als u zo handelt zal de woede van de HEER bekoelen en zal hij u genadig zijn. Hij zal zich over u ontfermen en u in aantal doen toenemen, zoals hij uw voorouders onder ede heeft beloofd. 19 Want dan bent u de HEER, uw God, gehoorzaam: u leeft de geboden na die ik u vandaag voorhoud en u doet wat goed is in zijn ogen. (NBV)

Het boek Deuteronomium gaat er heel sterk van uit dat er binnen het volk Israël geen koningen en koninkjes zullen zijn. Er zijn geen mensen die je de wet kunnen voorschrijven. Dat betekent dat je je ook niet kunt verschuilen achter autoriteiten die je wel zullen uitleggen hoe het moet in het leven. In het gedeelte van vandaag staat dat die mensen in je omgeving, die je af willen brengen van de richtlijnen van de God van Israël, dood kunnen vallen, ze bestaan niet meer voor je. Hun bezittingen mogen tot stof vergaan, je wilt er niks meer mee van doen hebben. Een discussie over de vraag of de richtlijnen van de God van Israël eigenlijk nog wel past is er zelfs niet bij, wie zo begint dient uit de gemeenschap weggestreept te worden. Het staat er keihard, zo hard dat we tegenwoordig denken dat we er geen boodschap meer aan hoeven te hebben. We slaan mensen die anders denken dan wij toch niet zomaar dood, dat doen we zelfs niet met de ergste misdadigers.

Maar roepen we wel voldoende dat mensen die het helemaal bij het verkeerde eind hebben wat ons betreft kunnen doodvallen? Het lijkt er niet op. Mensen die ons angst aan willen jagen voor medeburgers omdat die wat anders geloven krijgen ruim de aandacht. Ze kunnen hun valse argumenten breed uitmeten in tal van TV programma’s die overvloedig worden herhaald en uitbundig geciteerd in onze kranten. De boodschap van de Bijbel dat we helemaal niet bang hoeven te zijn en dat er één Heer van deze wereld is en dat dat de God van Israël is hoor je nauwelijks. Die boodschap past kennelijk niet meer in onze huidige samenleving. Dat we onze naaste lief moeten hebben, dat we zelfs onze vijanden lief moeten hebben, wordt afgedaan als soft, zwak en slappe kost. Dat het liefhebben van de naaste zelfs de dood kan overwinnen en door de dood heen volgehouden kan worden wordt daarbij niet gehoord. Angst en haat worden ons voorgehouden als te horen bij onze geschiedenis. Dat eerbied en tolerantie daarbij horen en zorg voor de minsten, mag je niet meer vinden. Het wordt tijd de harde kant van het boek Deuteronomium maar wat meer serieus te nemen.

Want het gaat niet alleen om directe verwanten of vrienden en kennissen waar je mee zou moeten breken als ze je af brengen van de zorg voor de minsten en daarmee van het dienen van de God van Israël. Het gaat om hele steden waar mensen wijs gemaakt zijn dat de een beter is dan de ander en dat je de ander maar op mag leggen hoe zich te kleden en hoe zich te uiten. Natuurlijk moeten belemmeringen om samen te kunnen leven weggenomen worden, maar die neem je weg door bereid te zijn samen te delen, alles wat je hebt samen te delen. Want het liefhebben van de naaste als jezelf is juist volgens het boek Deuteronomium het liefhebben van God boven alles. Angst speelt daarbij geen rol. Bij de maaltijd die je als bewijs van de eer aan God moet houden op de plaats waar die regel van heb je naaste lief wordt bewaard moeten juist ook de vreemdelingen worden uitgenodigd. Niet de vreemde goden staan centraal maar de God van Israël en angst voor vreemde goden en andere godsdiensten is er al helemaal niet voor wie geloofd in de God van Israël. Die God heeft ons in Jezus van Nazareth laten zien dat er geen kracht of macht in hemel of op de aarde zo sterk is als die God. Daarom laten we doodvallen een ieder die ons daarvan afbrengt, ook vandaag weer.

 

Blijf de HEER, uw God, volgen.

zondag, 23 september, 2018

Deuteronomium 12:29–13:6

29  Straks zal de HEER, uw God, voor u de volken uitroeien die nu nog het land bewonen dat voor u bestemd is. Als u het eenmaal in bezit hebt gekregen en er bent gaan wonen, 30  zorg er dan voor dat die volken, die voor u zijn uitgeroeid, niet alsnog uw ondergang worden. Wees niet nieuwsgierig naar hun goden en vraag u niet af: Hoe hebben die volken hun goden vereerd? Zo willen wij het ook doen! 31  Nee, de HEER, uw God, verbiedt u dat. Want zij hebben voor hun goden alles gedaan wat de HEER verafschuwt; ze hebben zelfs hun zonen en dochters als offer voor hen verbrand. 1 U daarentegen moet alles wat ik u gebied strikt naleven; voeg er niets aan toe en doe er ook niets van af. 2 Wanneer een profeet of een droomuitlegger uit uw midden een teken of een wonder voorspelt, 3 dat vervolgens uitkomt, en hij verbindt daaraan een oproep om andere, u onbekende goden te volgen en te dienen 4 luister dan niet naar wat hij zegt. Want de HEER, uw God, wil u daarmee op de proef stellen, om te ontdekken of u hem wel met hart en ziel liefhebt. 5 Blijf de HEER, uw God, volgen en heb alleen voor hem ontzag. Leef zijn geboden na en luister naar hem; dien alleen hem en blijf hem toegedaan. 6 En die profeet of droomuitlegger moet ter dood gebracht worden omdat hij u wilde opzetten tegen de HEER, uw God, die u uit Egypte heeft weggehaald en u uit de slavernij heeft bevrijd. Die man heeft immers geprobeerd u af te brengen van de weg die de HEER, uw God, u had gewezen. Zo moet u het kwaad dat zich bij u aandient in de kiem smoren. (NBV)

Waarom zou je toch die God van Israël blijven volgen? Er zijn toch ook andere manieren om vruchtbaarheid te krijgen. Er zijn toch ook andere waarzeggers die de waarheid kunnen brengen? In onze dagen hebben we fluisteraars van allerlei soort en instraalsters en astrologen die allemaal ons kunnen vertellen wat overledenen van ons willen, wat onze toekomst zal zijn en welke beslissingen we het beste kunnen nemen. Het volgen van de God van Israël is maar één van de vele mogelijkheden. Mozes waarschuwt zijn volk daar voor. Voor gelovigen in de God van Israël is er maar één weg en dat is de Weg die de God van Israël in zijn woord heeft gewezen. In onze dagen kunnen we zeggen dat je niet Christelijk kan zijn en met fluisteraars, instralers, astrologen of andere etherische voorspellers in zee gaan, die twee sluiten elkaar uit en zijn elkaars tegenpolen.

Levert het volgen van de God van Israël dan wat op? Is het zo dat beter volgen en meer gehoorzamen je beschermt tegen ziekte, werkloosheid, armoede, ongeluk, oorlog en onderdrukking? Wie het gedeelte van vandaag goed leest heeft begrepen dat ook dat niet het geval is. Je volgt de God van Israël omdat die je heeft liefgehad, omdat die de regen laat neerdalen op gelovigen en ongelovigen, omdat de God van Israël heeft laten zien wat recht en gerechtigheid is, omdat zijn zoon heeft voorgeleefd dat liefde zelfs door de dood heen houdbaar is en leven geeft. Er is met de God van Israël geen handeltje te drijven zoals met andere goden het geval is. Als je je persoonlijkheid opoffert dan belonen de goden van winst en profijt je. Als je je vrijheid van arbeid opoffert en op zeven dagen van de week wil werken dan belonen de goden van winst en profijt je. Dat wordt ons voorgehouden en wie de ene dag in de week voor iedereen vrij wil hebben als teken dat iedereen bevrijd is van de slavernij van de arbeid, dan wordt je voor ouderwets versleten en ben je een bedreiging voor de welvaart van het land.

In het gedeelte van vandaag wordt de ondergang van de volken van Kanaän aangekondigd. Die ondergang heeft te maken met hun godsdienst. Hoe dat precies zit is volgens het verhaal van Mozes niet interessant, dat moeten we ons niet afvragen. Er wordt één zaak genoemd die tot de gruweldaden hoort die de ondergang van volken teweeg brengt. Dat is het offeren van kinderen, zonen en dochters. Vlak voor het volk veel later in ballingschap zal worden gevoerd protesteren profeten als Jeremia ook tegen de kinderoffers die door het volk Israël gebracht werden. We weten dat ook in de Duitse concentratiekampen kinderen levend in het vuur werden geworpen. Wij doden geen kinderen meer uit religieuze overwegingen. Maar letten we genoeg op de kinderen in onze omgeving? Er sterven kinderen aan mishandeling omdat hun omgeving uit privacy overwegingen onverschillig blijft. Maken we “Privacy” tot een god aan wie offers moeten worden gebracht? We rukken gezinnen uiteen en sturen kinderen die hier groot geworden zijn naar een land waar ze geboren zijn maar nooit opgegroeid zijn, omdat we ons land voor onszelf willen houden. Hebben we ons grondgebied tot een god gemaakt waaraan offers moeten worden gebracht? Het zijn vragen die Deuteronomium ons stelt en waarop we een antwoord moeten geven, elke dag weer, ook vandaag.

Ga zorgvuldig te werk

zaterdag, 22 september, 2018

Deuteronomium 12:13-28

13  Denk erom dat u geen brandoffers brengt op een willekeurige plaats. 14  Alleen op de plaats die de HEER in een van uw stamgebieden kiest mag u offers brengen en aan uw andere verplichtingen voldoen. 15  Maar verder mag u, naar de mate waarin de HEER, uw God, u zal zegenen, dieren slachten en vlees eten wanneer u maar wilt, overal waar u woont. Iedereen mag dat, rein of onrein, zoals dat ook geldt voor het eten van gazellen of herten. 16  Onthoud u alleen wel van het bloed; laat dat als water op de grond weglopen. 17  Het is niet toegestaan om in uw eigen woonplaats een feestmaal aan te richten van de tienden van uw koren, wijn en olie, of van uw eerstgeboren runderen, schapen en geiten, van uw gelofteoffers, uw vrijwillige gaven en de andere heffingen.  18  Want dat mag alleen gebeuren ten overstaan van de HEER, uw God, op de plaats die hij uitkiest. Dat geldt voor ieder van u, voor uw zonen en dochters, uw slaven, uw slavinnen, en voor de Levieten die bij u in de stad wonen. In tegenwoordigheid van de HEER, uw God, zult u genieten van de vrucht van uw arbeid. 19  Maar vergeet, zolang u in dat land woont, de Levieten niet. 20-21 Wanneer de HEER, uw God, u de beschikking heeft gegeven over het hele gebied dat hij u beloofd heeft, ligt de plaats die hij zal kiezen om er zijn naam te laten wonen misschien te ver weg. In dat geval kunt u, als u zomaar eens vlees wilt eten, dat toch met een gerust hart doen. U mag runderen, schapen of geiten die u van de HEER hebt gekregen, slachten zoals ik u heb voorgeschreven, en het vlees eten wanneer u wilt, overal waar u woont. 22  Net zoals u gazellen of herten vrijuit mag eten, mag dat ook met zulk vlees, en dat geldt voor iedereen, rein of onrein. 23  Maar wees er wel op bedacht dat u zich van het bloed onthoudt, want bloed is leven; vlees met leven erin mag u niet eten. 24  Nogmaals, onthoud u van bloed, laat het als water op de grond weglopen. 25  Als u dit ter harte neemt, zal het u en uw nageslacht goed gaan, want dan doet u wat goed is in de ogen van de HEER. 26  Maar alle gaven die de HEER toekomen en alles wat u hem hebt toegezegd, moet u meenemen naar de plaats die hij zal uitkiezen. 27  Van de brandoffers moet u zowel het vlees als het bloed offeren op het altaar van de HEER, uw God. Bij uw vredeoffers moet alleen het bloed tegen het altaar worden gegoten, en mag het vlees gegeten worden. 28  Ga zorgvuldig te werk in alles wat ik u vandaag heb voorgehouden. Daar zullen u en uw nageslacht tot in lengte van dagen wél bij varen, omdat u dan doet wat goed is in de ogen van de HEER, uw God. (NBV)

De discussie over het eten van vlees, ook offervlees, komen we vele eeuwen later weer tegen in de brieven van Paulus. Wie goed dit gedeelte uit het boek Deuteronomium leest zal zien dat het eten van vlees, gewoon vlees of offervlees, nooit een probleem kan zijn voor het volk Israël. Eten en drinken is een gewone menselijke bezigheid. Die heeft God al lang geschonken en die hoef je met offers dan ook niet voortdurend opnieuw bij God te verdienen. Dat was voor andere godsdiensten dus heel anders. Je moet in veel godsdiensten zorgen dat je de verbinding tussen wat je geschonken is en de godheid tot uiting brengt, als het ware een handeltje voeren met de god die je wil aanbidden. De God van Israël verwerpt dat verre van zich.  Er zijn maar twee beperkingen die in dit gedeelte worden gegeven. De eerste is dat je geen bloed mag eten. Daar moet je goed op letten bij het slachten en het bereiden van vlees.  Wij, eters van bloedworst, staan daar nog even raar van te kijken maar het heeft te maken met de opvattingen die mensen hadden in de tijd dat de Bijbel is ontstaan over de manier waarop het leven in elkaar zat.

Ze hadden namelijk heel goed gezien dat een levend wezen zonder bloed niet kon leven. Als een mens of een dier gewond raakte en daardoor een overmatig bloedverlies leed dan stierf die mens of dat dier. Daar is ook vandaag de dag nog helemaal niks in veranderd. Daarom was men er van overtuigd dat het leven gedragen werd door het bloed. En als je het leven van een dier neemt dan moet je daar eerbiedig mee om gaan. Eigenlijk moet je dat leven weer teruggeven aan de God die het leven aan dat dier had gegeven. Daarom het voorschrift het bloed van een geslacht offerdier over het altaar te gieten. Is er geen altaar in de buurt dan moet je het bloed over de grond laten lopen. Daarmee geef je het leven terug aan God. Die eerbied voor het leven zit ook in andere gedeelten uit de Bijbel daar waar het gaat over de manier van slachten, ritueel slachten noemen we dat tegenwoordig. Ook daar gaat het over de eerbied voor het leven dat je neemt. Eigenlijk zou al ons vlees zo geslacht moeten worden om ons die eerbied weer bij te brengen.

De tweede beperking is in het vieren van feestmaaltijden. De opdracht om feestmaaltijden te houden in de centrale plaats waar God wordt aanbeden wordt hier herhaald. Nu is niet direct sprake van de Tempel in Jeruzalem maar is ook plaats voor heiligdommen per stam. Er zouden er in Israël lange tijd een aantal naast elkaar bestaan. Pas laat groeide het besef dat er voor Israël maar één heiligdom kon zijn, de Tempel in Jeruzalem. Hier gaat het om de aard en het doel van de feestmaaltijd. Het is de belijdenis van het geloof van Israël in de God van Israël en de trouw aan zijn verbond. Dat geloof ging immers om te delen van wat je hebt met hen die niets hebben. Met de armen, de slaven, de vreemdelingen die je helpen, de levieten die zorgen voor de rechtspraak, met hen deel je wat je ook met je familie deelt. Dat is het hart van het geloof in de God van Israël, heb God lief boven alles en dat doe je door je naaste lief te hebben als jezelf. Ook daarin is tot op vandaag geen verandering gekomen. Delen mag niet alleen, voor gelovigen geldt dat delen moet, elke dag opnieuw.

 

Vier dan feest

vrijdag, 21 september, 2018

Deuteronomium 12:1-12

1 Dit zijn de wetten en regels waaraan u zich moet houden zolang u leeft in het land dat de HEER, de God van uw voorouders, u in bezit geeft. 2  De volken die u zult verdrijven, vereren hun goden op heuveltoppen en hoge bergen en onder bladerrijke bomen. U moet hun gewijde plaatsen met de grond gelijk maken, 3  hun altaren slopen en hun gewijde stenen verbrijzelen; hun Asjerapalen moet u verbranden en hun godenbeelden in stukken hakken. Er mag niets overblijven dat aan die goden herinnert. 4  Het is u verboden om de HEER, uw God, op allerlei plaatsen te vereren. 5 ¶  U mag u daarvoor alleen naar de plaats begeven die hij in een van uw stamgebieden zal kiezen om er zijn naam te laten wonen. Ga dus naar de plaats waar hij woont 6  en neem de dieren mee die u voor de brandoffers en vredeoffers hebt bestemd, en ook uw tienden en andere heffingen, de offers die u brengt ter nakoming van een gelofte en uw vrijwillige gaven, en uw eerstgeboren runderen, schapen en geiten. 7  Richt daar ten overstaan van de HEER, uw God, een feestmaal aan en geniet met uw familie van de zegeningen waarmee hij uw inspanningen heeft beloond.  8  Wij zijn hier nu gewend dat iedereen offert naar het hem goeddunkt, maar dat mag niet zo blijven. 9  Weliswaar bent u nu nog niet binnen de veilige grenzen van het gebied dat de HEER, uw God, u zal geven, 10  maar straks steekt u de Jordaan over om u in het land dat de HEER u in eigendom geeft, te vestigen. Als hij u eenmaal vrede heeft gegeven door u te verlossen van de vijanden die u omringen, en u leeft er ongestoord, 11  dan mag u zich alleen maar naar de ene plaats begeven die de HEER, uw God, zal uitkiezen om er zijn naam te laten wonen. Ga daar met alles wat u moet afdragen heen: de dieren voor uw brandoffers en vredeoffers, uw tienden en andere heffingen, en de bijzondere offers die u ter nakoming van een gelofte aan de HEER brengt. 12  En vier dan feest ten overstaan van de HEER, samen met uw zonen en dochters, uw slaven, uw slavinnen, en de Levieten bij u in de stad, die immers geen grondgebied hebben zoals u. (NBV)

Het boek Deuteronomium heeft de vorm van een lange toespraak. De boeken Genesis, Exodus, Numeri en Leviticus zijn afgesloten en het volk Israël staat op het punt het beloofde land binnen te trekken. Mozes, hun leider bij de bevrijding uit Egypte en bij de tocht door de woestijn, neemt afscheid. Hij haalt nog eenmaal herinneringen op aan alles wat er is gebeurd en hij vertelt wat er straks nodig zal zijn in het land dat overvloeit van melk en honing. Het volk, dat zich pas in die woestijn heeft gevormd als volk, zal een heel ander volk moeten zijn dan de volken die nu al vruchtbare landen bewonen. Dat verschil is het beste te zien aan de manier waarop het volk Israël haar godsdienst belijdt. Geleerden wijzen er op dat Israël heel lang verschillende plaatsen heeft gehad om de God van Israël te dienen. Pas heel laat in haar geschiedenis is de Tempel in Jeruzalem aangewezen als de enige plek waar de God van Israël gediend moest worden. Op deze plek in de Bijbel is er voor gezorgd dat er ook een Bijbelse grond voor te vinden was. Maar hoe het ook zij, hier lezen we waarom die godsdienst van Israël zo vreemd en anders was en dat is voor ons het belangrijkste.

De godsdienst van de volken van Kanaän was een vruchtbaarheidsgodsdienst. De goden woonden boven in de hemel en als je dus wat gedaan wilde hebben dan moest je op een hoge berg zijn dan was je dichter bij de goden en zouden ze eerder naar je luisteren. De goden zorgden voor vruchtbaarheid en dus zou je die goden ook kunnen vinden bij de meest vruchtbare bomen, weelderige bomen staat er in het Hebreeuws, daar werden de goden van Kanaän aanbeden. Hoe de goden hun vruchtbaarheid konden schenken werd in de godsdienst van Kanaän ook duidelijk gemaakt. De aarde was een vrouw die Asjeera heette, en natuurlijk ook werd aanbeden. Die vrouw moest door de goden bevrucht worden zoals een man een vrouw bevruchtte. Om de goden te laten zien hoe dat moest sloegen ze op de hoeken van de akkers Asjeera palen in de grond waar offers werden gebracht, als je hier je vruchtbaarheid zou schenken dan staat je een grote beloning te wachten werd aan de goden gezegd.

De God van Israël was niet in de hemel. In de woestijn ging hij voor het volk uit en beschermde hij de achterhoede van het volk. De vruchtbaarheid van het land was niet afhankelijk van de God van Israël. De regen die de vruchtbaarheid bracht viel voor goeden en kwaden. Een volk was pas vruchtbaar als het wist te zorgen voor de zwakken en de minsten in de samenleving. Daarom moest men weten te delen, dat waren de ware offers. Dat delen was een feest op zich, daarom moest je met de offers een feestmaaltijd houden. Niet op je akkers, zelfs niet op je dorp, maar daar waar de richtlijn van heb uw naaste lief als jezelf werd bewaard. Daar moest die maaltijd ook uitlopen op een feest voor je familie, de armen, de vreemdelingen in je midden, je slaven en de Levieten, die de godsdienst vorm gaven en zorgden voor de rechtspraak, het handhaven van recht en gerechtigheid vooral voor de zwaksten. Tot vandaag de dag mogen we op die manier onze godsdienst vormgeven, delend en zorgend met en voor de minsten in onze samenleving. Dat is pas een feest.