Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor augustus, 2018

Ik zal er zijn geeft rust

dinsdag, 21 augustus, 2018

Rechters 6:25-40

25 Diezelfde nacht zei de HEER tegen Gideon: ‘Neem de stier van je vader, dat prachtbeest dat nu al zeven jaar gespaard is. Sloop het altaar dat je vader voor Baäl heeft opgericht en hak de Asjerapaal die ernaast staat om. 26  Bouw voor de HEER, je God, een altaar op het hoogste punt van het ommuurde terrein, zoals het hoort. Maak met het hout van de omgehakte Asjerapaal een vuur om de stier te offeren.’ 27  Gideon nam tien van zijn knechten mee en deed wat de HEER hem had opgedragen. Uit vrees voor zijn familie en stadsgenoten durfde hij het niet overdag te doen, daarom deed hij het ‘s nachts. 28  De volgende ochtend zagen de inwoners van de stad dat het altaar van Baäl was afgebroken en dat de Asjerapaal ernaast was omgehakt. Ze zagen ook dat de stier was geofferd, en wel op een nieuw altaar. 29  Ze vroegen zich af wie dat gedaan kon hebben, en na enig onderzoek kwamen ze erachter dat Gideon, de zoon van Joas, de schuldige was. 30  Toen eisten ze van Joas: ‘Lever uw zoon aan ons uit. Hij moet sterven, want hij heeft het altaar van Baäl gesloopt en de Asjerapaal omgehakt.’ 31  Maar Joas zei tegen de mensen die bij zijn huis te hoop waren gelopen: ‘U wilt het voor Baäl opnemen? U wilt hem te hulp komen? Wie het voor Baäl opneemt, zal nog voor de ochtend sterven! Als Baäl een god is, zal hij wel voor zichzelf opkomen wanneer iemand zijn altaar heeft gesloopt.’ 32  En hij gaf Gideon de naam Jerubbaäl, en zei: ‘Laat Baäl het maar tegen hem opnemen omdat hij zijn altaar heeft gesloopt.’ 33 Weer sloten de Midjanieten, de Amalekieten en andere woestijnvolken uit het oosten zich aaneen. Ze staken de Jordaan over en sloegen hun tenten op in de vallei van Jizreël. 34  Toen kwam de geest van de HEER over Gideon. Hij blies op de ramshoorn om de afstammelingen van Abiëzer onder de wapenen te roepen 35  en zond boden naar het gebied van Manasse om daar iedereen op te roepen. Hij stuurde ook boden naar de stammen Aser, Zebulon en Naftali, en ook die voegden zich bij hem. 36  Toen zei Gideon tegen God: ‘Ik wil graag weten of het werkelijk uw bedoeling is door mijn toedoen Israël te bevrijden, zoals u hebt gezegd. 37  Daarom leg ik hier op de dorsvloer een wollen vacht. Als er morgenochtend dauw ligt op de wol terwijl de grond eromheen droog is, dan weet ik zeker dat u inderdaad door mijn toedoen Israël zult bevrijden.’ 38  En zo gebeurde het. De volgende morgen wrong Gideon de wol uit. En er kwam water uit, wel een kom vol. 39  Toen zei Gideon tegen God: ‘U moet niet kwaad op me worden als ik nog één keer aandring, maar ik wil nog een laatste proef nemen: nu moet de wol droog blijven en de grond eromheen nat zijn van dauw.’ 40  Die nacht deed God wat Gideon had gevraagd: de wol bleef droog en de grond eromheen werd nat van dauw. (NBV)  

Je moet maar durven. Die Gideon ging in tegen alles wat het fatsoen, het geloof en de normen en waarden van de mensen om hem heen van hem vroegen. Hij sloeg het altaar van de hoofdgod van de vruchtbaarheid in stukken, hij hakte de heilige paal, die de vruchtbaarheid van het land van zijn vader moest garanderen, het was een soort bewaakgod, in stukken en stookte daarmee een vuur, hij offerde een stier maar niet de eerste de beste maar de tweede. Een stier met het symbool van de heerschappij van de Ene over de hele aarde, een stier van zeven jaar. Dat doe je niet zo maar, Gideon deed het in de nacht. Hij vernietigde alles waar de mensen van geloofden dat het hun bestaan op orde hield en het voortbestaan garandeerde, stiekum dus.

Maar de mensen ontdekten wie het had gedaan en riepen hem ter verantwoording. Nou was de heilige paal van de vader van Gideon, dus die liep het risico. Het was die vader die de juiste keuzes ging maken. Als er een bewaakgod was die beledigd was dan moest die maar het juiste proces voeren. En als je de processen aan de afgoden overlaat dan komt er niets van terecht. Het achterna lopen van de afgoden van onze tijd kan overigens wel de nodige slachtoffers eisen. Al jaren worden misdrijven tegen kinderen groot opgeblazen. Alsof niet elk leven evenveel waard is wordt een moord op kind extra groot uitgemeten. De afgod van het succes en de afgod van de sensatie vragen een offer, een verdachte en een levenslange veroordeling.

De veiligheid van onze kinderen zou de veroordeling van een dader vragen, maar als die veroordeling ingewikkeld is en het offer aan de god van succes in de weg staat gebeurt er niks. Zeker  als Kerkelijke gemeenschappen binnen hun gemeenschap met ernstige schendingen van kinderen worden geconfronteerd dan is er zo’n groot conflict met het beeld van fatsoen dat een kerk wil uitstralen dat je misbruik van kinderen maar liever in de doofpot stopt. Ook aanzien en fatsoen kunnen goden zijn met een altaar, soms worden er kinderen op geofferd.  Gideon ging nog eens na of de natuur wel echt zo natuurlijk was, een onbehandelde schapenvacht trekt alle vocht aan, ook al is de lucht droog, een gewassen schapenvacht blijft droog, ook al is de lucht vochtig. Inderdaad zo is het, het volk kan bevrijd worden van de afgoden. Laten we voor de veiligheid van onze kinderen hopen dat het opnieuw lukt.

Waar blijft hij dan?

maandag, 20 augustus, 2018

Rechters 6:11-24

11 Toen kwam er een engel van de HEER. Hij nam plaats onder de terebint bij Ofra, op het land van Joas, een afstammeling van Abiëzer. Joas’ zoon Gideon was juist bezig tarwe te dorsen. Om te zorgen dat de Midjanieten de tarwe niet zouden zien, deed hij dat in de wijnpers. 12  De engel van de HEER vertoonde zich aan hem en zei: ‘De HEER zij met je, dappere krijgsman.’ 13  ‘Mag ik u vragen, ‘antwoordde Gideon, ‘als de HEER ons werkelijk bijstaat, waarom overkomt dit ons dan allemaal? Waar blijft hij dan met zijn wonderbaarlijke daden, waarover onze voorouders hebben verteld? Uit Egypte heeft hij ze geleid, zeiden ze toch? Nu trekt hij zich in elk geval niets van ons aan en zijn we overgeleverd aan de Midjanieten!’ 14  Toen wendde de HEER zich tot Gideon en zei: ‘Toon je moed en bevrijd Israël, dat is mijn opdracht.’ 15  ‘Mag ik u vragen, ‘antwoordde Gideon, ‘hoe zou ik Israël kunnen bevrijden? Mijn familie heeft in onze stam, Manasse, niets in te brengen, en ikzelf ben de jongste van de familie.’16  De HEER antwoordde: ‘Dat kun je omdat ik je bijsta. Je zult de Midjanieten verslaan alsof je met niet meer dan één man te doen had.’ 17  Toen zei Gideon: ‘Heer, als ú het bent die tot mij spreekt en ik uw gunst geniet, geef me dan een teken. 18  Gaat u vooral niet weg, ik wil iets halen om u aan te bieden.’ ‘Goed, ‘antwoordde de HEER, ‘ik blijf hier totdat je terugkomt.’ 19  Gideon ging snel naar huis, maakte een geitenbokje klaar en bakte ongedesemd brood van een efa tarwebloem. Hij legde het vlees in een mand en goot het kookvocht in een kom, bracht het naar degene die onder de terebint zat te wachten en bood het hem aan. 20  De engel van God zei tegen hem: ‘Leg het vlees en de broden hier op dit rotsblok en giet het kookvocht erover uit.’ Gideon deed wat hem gevraagd was. 21  Toen raakte de engel van de HEER met het uiteinde van zijn staf het voedsel aan en meteen laaide er een vuur uit het rotsblok op dat het vlees en de broden verteerde. Tegelijk was ook de engel van de HEER verdwenen. 22  Toen begreep Gideon dat het een engel van de HEER was geweest, en hij riep uit: ‘Nee, HEER! Nee, mijn God! Ik heb oog in oog gestaan met een engel van de HEER!’ 23  Maar de HEER stelde hem gerust: ‘Je hoeft niet bang te zijn, je zult niet sterven.’ 24  Gideon bouwde op die plek een altaar voor de HEER, en noemde het ‘De HEER geeft rust’. Tot op de dag van vandaag staat dat altaar op het land van de afstammelingen van Abiëzer in Ofra. (NBV)

Waar blijft die God van Israël die toch beloofd heeft in goede en kwade dagen met je mee te trekken? Een vraag die vaak wordt gesteld in grote nood. Waar is de God die het volk Israel uit de slavernij van Egypte heeft geleid. Nou was Mozes daar de grote leider van het volk dat van die God eigenlijk maar een paar simpele regels had gekregen, regels waar ze maar steeds van afweken. Toen Gideon dan ook de oproep hoorde om terug te keren naar die simpele regels stelde hij dezelfde vraag. En het antwoord was weer even simpel: ” doe het zelf”. Iets te simpel, Goden doen toch wonderen nietwaar. Dus haalde Gideon de gebruikelijke offeranden van huis, een beetje deftig, en het werd op een altaar gelegd. Maar de boodschapper van God stak er een vuurtje onder, at het op en verdween. Zo stond het ook in het verhaal over de richtlijnen uit de woestijn, met het altaar en de tafel met brood.

De offers waren voor de priesters. Je hoeft de God van Israël niet in leven te houden met offers, Gideon was een slimme vogel, om de Midjanieten te misleiden dorste hij het graan in een wijnpers. En hij was ook zo slim om zich het oude verhaal van die richtlijnen uit de woestijn te herinneren. Die God was het, die God die geen beelden wilde, die de offers voor de priesters bestemde, die woonde in een tent waar alleen een kist in stond. Een kist met daarin de stenen waarop het contract stond dat die God met het volk had gesloten, hou van je naaste zoals je van jezelf houdt. Heel anders dan de goden van de volken om Gideon heen, die beelden hadden op de akkers.

De goden van goud en beloften, van vruchtbaarheid en winst, de goden die mensen in alle tijden graag achterna lopen. Nog één obstakel was er. Gideon en zijn famillie waren maar gewone boeren, niks van aanzien en zeker geen erkende leiders. Maakt niks uit zegt het verhaal. Iedereen die er in geloofd kan er aan meedoen kan er tegen in opstand komen, tegen de onderdrukking, tegen de diefstal, tegen de profiteurs. Genoeg is genoeg. En dat is ook het motto van de demonstraties tegen de etnische tweedeling in onze samenleving. Willen we echt in een land wonen waar onze burgerrechten worden afgepakt omdat we bang gemaakt worden voor elkaar? Nee toch? Genoeg is genoeg. Je hebt voor het verzet tegen haat zaaien en tweedeling geen leiders nodig. Je kunt er gewoon mee beginnen door een maaltijd te houden met de armen, het personeel van je Kerk, en met de vreemdelingen die in de buurt wonen zeggen de richtlijnen uit de woestijn.

In bergspleten en grotten

zondag, 19 augustus, 2018

Rechters 6:1-10

1-2 Maar de Israëlieten deden wat slecht is in de ogen van de HEER. Daarom leverde hij hen uit aan het volk van Midjan, dat hen zeven jaar achtereen kwam plunderen. Uit angst voor de Midjanieten richtten de Israëlieten in bergspleten, grotten en op andere moeilijk bereikbare plekken schuilplaatsen in. 3  Elk jaar wanneer het gewas op het veld stond, kwamen de Midjanieten, de Amalekieten en nog andere woestijnvolken uit het oosten aanzetten en vielen ze Israël binnen. 4  Ze sloegen er hun tenten op en vernietigden de oogsten, tot helemaal in Gaza. Niets lieten ze voor de Israëlieten over om van te leven, nog geen schaap, geen rund en geen ezel. 5  Als een zwerm sprinkhanen kwamen ze aanzetten met hun vee en hun tenten: een onafzienbare massa mensen en kamelen die het land binnenviel en alles verwoestte. 6  Door toedoen van Midjan verviel Israël tot bittere armoede, en het volk riep de HEER te hulp. 7 Toen de Israëlieten de HEER tegen de Midjanieten te hulp riepen, 8  stuurde hij een profeet, die hun zei: ‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Ik ben het die jullie uit Egypte heeft geleid, ik heb jullie verlost uit de slavernij. 9  Ik heb jullie bevrijd uit de greep van de Egyptenaren en van de volken die jullie hier bedreigden; die heb ik voor jullie weggejaagd en ik heb jullie hun land gegeven. 10  En ik heb jullie gezegd: Ook al wonen jullie nu in het land van de Amorieten, hun goden mogen jullie niet vereren want ik, de HEER, ben jullie God. Maar jullie hebben niet geluisterd naar wat ik zei.’ (NBV)

Als je wordt onderdrukt wordt je ook vindingrijk. Het volk Israël had zich weer afgewend van de God die hen uit het slavenhuis had bevrijd, alles ging weer zoals het altijd al in Kanaän was gegaan. Het volk Israel werd onderdrukt door de Midjanieten. Jaar op jaar kwamen die het volk plunderen tot er niets meer over bleef, nog geen schaap of ezel. En dat in het land overvloeiende van melk en honing. Zeven jaar staat er en dat is van het ene Sabbatsjaar naar het andere. Dat Sabbatsjaar was een heel jaar de bevrijding van de arbeid vieren. Maar, zo zegt het verhaal, het volk was de uittocht uit de slavernij en de tocht door de woestijn vergeten. De wet van eerlijk delen en van de ander houden als van jezelf was vergeten. En als je niet wilt delen komen ze het wel halen.

Begin jaren 70 van de vorige eeuw  werd in Chili de wereldhandelsconferentie gehouden, de UNCTAD. Toen werd al voorspeld dat het aantal economische vluchtelingen zou toenemen als we de armoede, in wat toen genoemd werd de derde wereld, niet zouden bestrijden. Ook de conflicten zouden toenemen en we zouden horen van honger en massasterfte. Van aids wist nog niemand, maar de voorspellingen zijn allemaal uitgekomen. Jan Pronk werd in 1973 minister van ontwikkelingssamenwerking en hij zorgde er voor dat Nederland het eerste land, en tot voor kort het enige land, werd dat zich hield aan de afspraak om een vast percentage van de rijkdom af te staan aan de armen. Inmiddels is die standaard losgelaten. Diezelfde Jan Pronk heeft een aantal jaren geleden een boek gepubliceerd onder de titel “Willens en Wetens”.

Als je wilt weten wat die profeet, waarover het in dit stuk uit Rechters gaat, het nou eigenlijk over heeft, moet je dat boek eens lezen. Eén van de zaken, die de armoede goed illustreert, is het gegeven dat 2 miljard mensen geen toilet hebben en dus niet weten waar ze hun behoefte moeten doen. Dat wat we vandaag horen over overstromingen in de arme delen van de wereld, is voor veel rivieren en meren in de derde wereld al jaren heel gewoon. Er komt weer een conferentie van de Verenigde Naties aan over armoe. Volgens Jan Pronk, maar ook volgens die profeet uit Rechters, moeten we zelf zorgen voor de bevrijding van armoede. Wellicht dat een linkse lente helpt. Die lente begint op internet, en met de bevrijding kunt U vandaag nog beginnen in de Wereldwinkel of de Fair Trade shop.

Tyrus, Sidon en Decapolis

zaterdag, 18 augustus, 2018

Marcus 7:24-30

24 Hij ging weg en vertrok naar de omgeving van Tyrus. Daar nam hij zijn intrek in een huis, en hoewel hij niet wilde dat iemand dat te weten zou komen, lukte het hem niet onopgemerkt te blijven. 25  Integendeel, er kwam al meteen een vrouw die over hem gehoord had naar hem toe, en zij viel voor zijn voeten neer. Ze had1 een dochter die door een onreine geest bezeten was. 26  Deze vrouw was van Syro-Fenicische afkomst en geen Jodin; ze smeekte hem om bij haar dochter de demon uit te drijven. 27  Hij zei tegen haar: ‘Eerst moeten de kinderen genoeg te eten krijgen; het is niet goed om de kinderen hun brood af te pakken en het aan de honden te voeren.’ 28  De vrouw antwoordde: ‘Heer, de honden onder de tafel eten toch de kruimels op die de kinderen laten vallen.’ 29  Hij zei tegen haar: ‘Dat hebt u goed gezegd. Ga naar huis, de demon heeft uw dochter al verlaten.’ 30  En toen ze thuiskwam, lag haar kind op bed en bleek de demon verdwenen te zijn. (NBV)

Als je in eigen land geen rust krijgt, als de mensen ze je zo lastig vallen dat je met je leerlingen zelfs geen tijd krijgt je handen te wassen voor het eten dan moet je iets anders verzinnen om tot rust te komen. Het buitenland is dan een goed alternatief. Alleen was er in de tijd van Jezus van Nazareth geen echt buitenland voorhanden. Alles waar ze heen konden behoorde tot het Romeinse Rijk. Het leek wel een beetje op het Europa van tegenwoordig. Je kunt er doorheen rijden zonder een douane of grenscontrole tegen te komen. Dat je in een ander land bent merk je aan de vorm van de huizen, de verkeersborden en de taal die er gesproken wordt. Dat was in de omgeving van Jezus van Nazareth niet anders. Alleen spraken ze daar in de buurt allemaal Aramees of Grieks. Geschreven werd er in het Grieks en in dat Grieks kennen we ook het Evangelie van Marcus.

Maar zouden die buitenlanders Jezus van Nazareth ook met rust laten? Marcus laat ons weten dat het niet het geval was. Ook buitenlanders hoorden er bij. Niet zomaar, de Goddelijke richtlijnen waren immers gegeven aan het volk Israël en de vruchten van die richtlijnen waren dan ook voor hen bestemd. Maar daar waar in overvloed gegeten wordt vallen kruimels van de tafel waar anderen nog heel goed van mee kunnen eten. Zo komen er ook buitenlanders naar ons land om hier mee te eten van de kruimels die bij ons van tafel vallen. Ze houden over het algemeen niet hun hand op maar doen het werk waar bij ons geen mensen meer voor te porren zijn. Het is alleen jammer dat er zo verkrampt angstig op wordt gereageerd. In onze tuinbouw is er veel werk voor veel mensen voor maar een paar manden per jaar, de oogst.

Daarvan kun je hier geen bestaan opbouwen en als je dat werk gaat doen veroordeel je jezelf tot jaren uitkering, onderbroken door af en toe een paar maanden werk. Er zijn arme landen waar mensen wonen die best een heel jaar zouden kunnen leven van wat hier in een paar maanden in de oogst te verdienen valt. We durven het alleen niet aan om dat te organiseren. We laten ons regeren door angst en het geschreeuw van een paar laffe angsthazen die een vreemde godsdienst als excuus aanvoeren voor hun geschreeuw. Geloven in de macht van de God van Israël doen ze niet.  Als ze werkelijk zouden geloven dan zouden ze zich inspannen om van onze wereld een wereld te maken waar honger en dorst zijn uitgebannen, waar armoede verdwenen is en overal de vrede is uitgebroken. De Bijbel noemde dat soort gelovigen de mensen die hongeren en dorsten naar gerechtigheid. Voorlopig zullen we nog wel even honger moeten lijden maar we mogen geloven dat het uiteindelijk de richting uit zal gaan die de Bijbel beloofd. Aan het werk dus.

Toepasselijk op huichelaars

vrijdag, 17 augustus, 2018

Marcus 7:1-23

1 Ook de Farizeeën en enkele van de schriftgeleerden die uit Jeruzalem waren gekomen, hielden zich in zijn nabijheid op. 2  En toen ze zagen dat sommige leerlingen brood aten met onreine handen, dat wil zeggen, met ongewassen handen 3  (de Farizeeën en alle andere Joden eten namelijk pas als ze hun handen gewassen hebben, omdat ze zich aan de traditie van hun voorouders houden, 4  en als ze van de markt komen, eten ze pas als ze zich helemaal gewassen hebben, en er zijn nog allerlei andere tradities waaraan ze zich houden, zoals het schoonspoelen van bekers en kruiken en ketels), 5  toen vroegen de Farizeeën en de schriftgeleerden hem: ‘Waarom houden uw leerlingen zich niet aan de tradities van onze voorouders en eten ze hun brood met onreine handen?’ 6  Maar hij antwoordde: ‘Wat is de profetie van Jesaja toch toepasselijk op huichelaars als u! Er staat immers geschreven: “Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van mij; 7  tevergeefs vereren ze mij, want ze onderwijzen hun eigen leer, voorschriften van mensen.” 8  De geboden van God geeft u op, maar aan tradities van mensen houdt u vast.’ 9  En hij vervolgde: ‘Mooi is dat, hoe u Gods geboden ongeldig maakt om uw eigen tradities overeind te houden! 10  Heeft Mozes niet gezegd: “Toon eerbied voor uw vader en uw moeder,” en ook: “Wie zijn vader of moeder vervloekt, moet ter dood gebracht worden”? 11  Maar u leert dat iemand tegen zijn vader of moeder mag zeggen: “Alles wat van mij is en voor u van nut had kunnen zijn is korban”’ (wat ‘offergave’ betekent), 12  ‘waarmee u hem niet toestaat nog iets voor zijn vader of moeder te doen, 13  en zo ontkracht u het woord van God door de tradities die u doorgeeft; en u doet nog veel meer van dit soort dingen.’ 14  Nadat hij de menigte weer bij zich had geroepen, zei hij: ‘Luister allemaal naar mij en kom tot inzicht. 15  Niets dat van buitenaf in de mens komt kan hem onrein maken, het zijn de dingen die uit de mens naar buiten komen die hem onrein maken.’ 16 17  Toen hij een huis was binnengegaan, weg van de menigte, vroegen zijn leerlingen hem om uitleg over deze uitspraak. 18  Hij zei tegen hen: ‘Begrijpen ook jullie het dan nog niet? Zien jullie dan niet in dat niets dat van buitenaf in de mens komt, hem onrein kan maken 19  omdat het niet in zijn hart, maar in zijn maag komt en in de beerput weer verdwijnt?’ Zo verklaarde hij alle spijzen rein.20  Hij zei: ‘Wat uit de mens komt, dat maakt hem onrein. 21  Want van binnenuit, uit het hart van de mensen, komen slechte gedachten, ontucht, diefstal, moord, 22  overspel, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, laster, hoogmoed, dwaasheid; 23  al deze slechte dingen komen van binnenuit, en die maken de mens onrein.’ (NBV)

Er zijn verschillende manieren om al die regels die op wetten lijken in de Bijbel te benaderen. Je kunt ze als wetten lezen zoals mensen wetten maken. Mensen maken wetten die als een last worden ervaren. In onze dagen spreken we dan van regeldruk die verminderd moet worden, tenminste als het om regels gaat die onszelf raken, regels die alleen anderen raken moeten worden aangescherpt. Maar het volk Israël kreeg haar regels in de Woestijn. Toen was er geen land en geen volk dat in steden en op een platteland leefde. Het verhaal van die regels gaat over een groep ontvluchte slaven en die regels waren bedoeld om ze als een bevrijd volk te laten leven. Het waren richtlijnen waarlangs het leven zich kon ontwikkelen. Maar wetten zoals mensen die maken leggen het leven vast. Vooral de farizeeën probeerden de wetten uit het Oude Testament zo nauwkeurig mogelijk na te komen alsof het wetten van mensen waren. Jezus van Nazareth leek het vaak niet zo nauw met die wetten te nemen. In het verhaal van vandaag raakt hij in conflict over de reinheidswetten.

Je handen wassen voor het eten is een gezonde regel. De Farizeeën wijzen er dus kennelijk niet ten onrechte op dat de leerlingen van Jezus zich daar niet aan houden. Maar ze kijken niet naar het waarom van dit breken van de wet. Die leerlingen hadden het druk. Overal waar Jezus van Nazareth kwam stroomden mensen bij elkaar en werden talloze mensen genezen. Soms hadden ze geen tijd zelfs om fatsoenlijk te eten. De richtlijnen van God laten zich samenvatten in het heb je naaste lief als jezelf. Maar hebben die Farizeeën het nog wel over handen wassen? In het Grieks staat dat de handen gewassen worden met de vuist. Een rare uitdrukking maar bedoeld om duidelijk te maken dat het gaat om rituele wassingen, geen echte. De Farizeeën wasten ritueel alle heidendom van het eten af. Daarmee lieten ze zien beter te zijn dan anderen. God liefhebben is zorgen voor mensen, niet jezelf beter vinden dan een ander. Dat is ook de achtergrond van die Korban. Als je alles wat je hebt bestemd voor de Tempel kan je er niemand meer mee helpen, als het na je dood naar de Tempel gaat dan lijk je wel heel vroom maar je leeft er des te beter van.

Het Evangelie van Marcus is geen journalistiek verslag van het leven van Jezus van Nazareth. Het verhaal is opgeschreven na de verwoesting van de Tempel in het jaar 70. De bedoeling was om die verhalen over Jezus van Nazareth te vertellen die de pas gevormde gemeenten van gelovigen, konden helpen om het geloof in Jezus van Nazareth en zijn manier van leven vast te houden. Ook in dit gedeelte gaat het over zaken die na de verwoesting van de Tempel belangrijker zouden worden. De komst van grotere aantallen niet Joden, Heidenen als wij, leverden een probleem op. Moesten die ook mee gaan doen met de ingewikkelde spijswetten van de Joden? Uiteindelijk hadden de apostelen na veel strijd besloten dat die dwang nu juist in strijd was met de Weg van Jezus van Nazareth. Daarvan vindt je hier de weerslag. Niet wat de mens binnen gaat maakt onrein maar wat uit de mens komt. Voor ons lijkt dat vanzelfsprekend te zijn. De Weg van Jezus van Nazareth was de armen en verdrukten als maatstaf te nemen, werd hen recht gedaan dan gaat het goed, werden zij het slachtoffer dan gaat het slecht. Laten we dat vandaag ook doen, uit de mens komen slechte dingen, wees gewaarschuwd.

 

Omdat ze hardleers waren

donderdag, 16 augustus, 2018

Marcus 6:45-56

45 Meteen daarna gelastte hij zijn leerlingen in de boot te stappen en alvast naar de overkant te varen, naar Betsaïda; intussen zou hijzelf de menigte wegsturen. 46  Nadat hij afscheid van de mensen had genomen, ging hij de berg op om er te bidden. 47  Bij het vallen van de avond was de boot midden op het meer, en hij was alleen aan land. 48  Toen hij zag dat de leerlingen door de hevige tegenwind maar nauwelijks vooruitkwamen, hoe hard ze ook roeiden, liep hij tegen het einde van de nacht over het meer naar hen toe, en hij wilde hen voorbijlopen. 49  Toen ze hem over het water zagen lopen, dachten ze dat hij een geestverschijning was en ze schreeuwden het uit. 50  Ze hadden hem allemaal gezien en raakten in paniek. Maar hij sprak hen meteen aan en zei: ‘Blijf kalm! Ik ben het, wees niet bang.’ 51  Hij stapte bij hen in de boot en de wind ging liggen. Zijn leerlingen waren helemaal van hun stuk gebracht. 52  Ze waren niet tot inzicht gekomen door wat er met de broden was gebeurd, omdat ze hardleers waren. 53  Nadat ze waren overgestoken, kwamen ze bij Gennesaret aan land en daar legden ze aan. 54  Toen ze uit de boot stapten, werd hij meteen herkend. 55  In het hele gebied ontstond een druk komen en gaan van mensen, die zieken op draagbedden meenamen naar elke plaats waarvan ze hoorden dat hij daar was. 56  Overal waar hij kwam, in dorpen, steden en gehuchten, legden ze de zieken op het plein. Ze smeekten hem of ze ten minste de zoom van zijn kleed mochten aanraken. En iedereen die hem aanraakte, werd gered en genas. (NBV)

Je hoort Jezus van Nazareth zuchten in dit verhaal. De leerlingen waren twee aan twee op stap geweest. Een succesreis die diepe indruk had gemaakt tot aan het hof van koning Herodes toe. Van heinde en ver waren de mensen op ze afgekomen, zo veel dat ze zelfs bang werden dat er niet genoeg te eten was, maar Jezus had ze geleerd samen te werken en op elkaar te vertrouwen, dat had gewerkt. Nu was het eind van de dag gekomen. Nu leek de vakantie aangebroken waar ze zo’n behoefte aan hadden. Jezus zou de mensen naar huis sturen en alleen tot rust komen en wat bidden. De leerlingen stapten alvast in de boot en zouden naar de overkant van het meer varen. Nou ontgaat ons iets, omdat voor ons zo’n meer niet die betekenis meer heeft die het voor de vissers uit Galilea had. In de Joodse verhalen staat de zee, het meer, voor het dodenrijk, voor de chaos waaruit God ooit de hemel en de aarde had gemaakt, voor de wanorde.

Die zee, dat meer, was van zichzelf dus al bedreigend en nam die dreigende gestalte zeker aan als de valwinden van de heuvels het water opzweepten. Maar hoe zat het ook al weer, moet je je in tijden van nood door angst laten regeren of door samenwerken? Jezus van Nazareth kwam naar ze toe om ze te helpen en berispte ze om hun angst. In het verhaal van Jezus van Nazareth, zoals Marcus ons dat vertelt gaat samenwerking ver boven de angst die we kunnen voelen. In deze dagen wordt ons angst aangepraat voor het helpen van zusters en broeders die gevlucht zijn voor armoede, geweld en onderdrukking. Als we hen weer op de been helpen zouden wij arm worden. Zou het dan niet waar zijn dat vijf broden en twee vissen genoeg zijn om een volk te eten te geven? Of moeten we ons laten regeren door de angst. We moeten toch langzamerhand weten dat ruim 50 jaar van eerlijk delen ons allemaal kansen heeft gegeven.

We moeten toch langzamerhand weten dat iedere keer als de rijken rijker en de armen armer gemaakt worden de ellende in de samenleving ook toeneemt. Voor de rijken is de oplossing de vluchtelingen nog armer te maken.  De rijken, die geen of nauwelijks belasting betalen, verzekeren zich ondertussen voor een extra, wat vroeger ingaand, pensioen, trekken de premie van de belasting af en betalen opnieuw nauwelijks belasting over dat extra pensioen. Zelfs progressief democraten proberen ons dat als een eerlijke oplossing te verkopen. Maar ja, we zijn net volgelingen van Jezus, hardleers dus. Die leerlingen hoorden het “Vrees niet!” Zij maakten mee hoe het kwaad werd bestreden en mensen weer mee konden doen aan de samenleving. Hun eigen schulden werden kwijtgescholden op dezelfde manier als zij de schulden van anderen kwijtscholden. Daar zullen wij ook voor moeten werken. En bang voor de vluchtelingen hoeven we niet te zijn als arm en rijk eerlijk weten te delen.

Gerechtigheid en waarheid

woensdag, 15 augustus, 2018

Efeziërs 5:3-20

3 Laat er bij u geen sprake zijn van ontucht of zedeloosheid, of van hebzucht-deze dingen horen niet bij heiligen. 4  Ook dubbelzinnige, oppervlakkige en platvloerse taal is ongepast-spreek liever woorden van dank. 5  Want u moet goed weten dat iemand die in ontucht leeft, zedeloos of hebzuchtig is-dat is allemaal afgoderij-geen deel kan hebben aan het koninkrijk van Christus en van God. 6  Laat u door niemand met loze woorden misleiden, want wie God ongehoorzaam is, wordt getroffen door zijn toorn. 7  Gedraag u dus niet zoals zij, 8  want eens was u duisternis maar nu bent u licht, door uw bestaan in de Heer. Ga de weg van de kinderen van het licht. 9  Het licht brengt goedheid voort en gerechtigheid en waarheid. 10  Onderzoek wat de wil van de Heer is. 11  Neem geen deel aan de vruchteloze praktijken van de duisternis maar ontmasker die juist, 12  want wat daar in het verborgene gebeurt, is te schandelijk voor woorden. 13  Maar alles wat door het licht ontmaskerd wordt, wordt openbaar, 14  en alles wat openbaar wordt, is zelf licht. Daarom staat er: ‘Ontwaak uit uw slaap, sta op uit de dood, en Christus zal over u stralen.’ 15  Let dus goed op welke weg u bewandelt, gedraag u niet als dwazen maar als verstandige mensen. 16  Gebruik uw dagen goed, want we leven in een slechte tijd. 17  Wees niet onverstandig, maar probeer te begrijpen wat de Heer wil. 18  Bedrink u niet, want dat leidt tot uitspattingen, maar laat de Geest u vervullen 19  en zing met elkaar psalmen, hymnen en liederen die de Geest u ingeeft. Zing en jubel met heel uw hart voor de Heer 20  en dank God, die uw Vader is, altijd voor alles in de naam van onze Heer Jezus Christus. (NBV)

Als je zomaar dit gedeelte uit de brief van Paulus leest dan zul je ongemerkt wensen dat het eens waar zou kunnen zijn. Natuurlijk, oppervlakkige en platvoerse taal kan onder omstandigheden leuk lijken maar wie van andere mensen houdt weet dat het eigenlijk alleen vervelend is. Echte humor is opbouwend, kan een spiegel voorhouden en brengt de waarheid aan het licht. En over het licht gaat het ook in dit stuk. Het licht brengt goedheid voort en gerechtigheid en waarheid zegt Paulus. En dan gaat het om wat wij tegenwoordig transparantie noemen. Doorzichtigheid. Waarom neemt men die beslissing over jou die zo onrechtvaardig aanvoelt? Waarom is de situatie van die vreemdeling geen schrijnend geval? Waarom is het ene kind van vreemde afkomst wel ingeburgerd en het andere hier geboren kind niet? Onze Raad van State heeft bijvoorbeeld over de toepassing van het criterium schrijnend vastgesteld dat dat nagemeten moet kunnen worden.

Het moet duidelijk zijn voor iedereen wanneer iets wel of iets niet schrijnend is en dat een minister of staatssecretaris niet naar willekeur of eigen smaak moet kunnen handelen maar op grond van objectieve rechtsregels moet handelen. Die transparantie, dat in het licht houden van beslissingen is dus wat Paulus hier bedoeld. Meewerken aan onrechtvaardige praktijken noemt Paulus in één adem goddeloos. Paulus roept ons ook op  klokkenluiders te zijn. Mensen die kennis hebben van onrechtvaardige praktijken en die naar buiten brengen, aan het licht brengen, ontmaskeren dus, zijn mensen die hun zogenaamde Christenplicht vervullen. In onze samenleving moeten we ook zo veel jaar na de brief van Paulus nog leren om klokkenluiders serieus te nemen en te beschermen tegen de gevolgen.

Dus als we zelf geen onrechtvaardige situaties kennen die aan het licht moeten worden gebracht kunnen we in elk geval bondgenoten worden van klokkenluiders. Als iemand iets aan het licht brengt de samenleving vragen om die persoon te belonen en in bescherming te nemen, via ingezonden brieven in kranten en druk op het parlement. Daarom is ook de onafhankelijke pers die bronnen kan beschermen zo belangrijk. Die pers is een instrument dat wij hebben om antwoord te geven op de oproep van Paulus de vruchteloze praktijken van de duisternis aan het licht te brengen. Troost moet het ons wel geven te weten dat we nog steeds in een slechte tijd leven en dat drank geen oplossing biedt. Niet in de tijd van Paulus en niet vandaag de dag. Genoeg om weer aan te kunnen werken vandaag. En zing gerust onder het werk.

Opbouwende woorden

dinsdag, 14 augustus, 2018

Efeziërs 4:25–5:2

25  Leg daarom de leugen af en spreek de waarheid tegen elkaar, want wij zijn elkaars ledematen. 26  Als u boos wordt, zondig dan niet: laat de zon niet ondergaan over uw boosheid, 27  geef de duivel geen kans. 28  Laat wie steelt niet meer stelen, maar eerlijk de kost verdienen door zelf hard te werken om iets weg te kunnen geven aan wie het nodig heeft. 29  Laat geen vuile taal over uw lippen komen, maar alleen goede en waar nodig opbouwende woorden, die goed doen aan wie ze hoort. 30  Maak Gods heilige Geest niet bedroefd, want hij is het stempel waarmee u gemerkt bent voor de dag van de verlossing. 31  Laat alle wrok en drift en boosheid varen, alle geschreeuw en gevloek, en alle kwaadaardigheid. 32  Wees goed voor elkaar en vol medeleven; vergeef elkaar zoals God u in Christus vergeven heeft. 1 Volg dus het voorbeeld van God, als kinderen die hij liefheeft, 2  en ga de weg van de liefde, zoals Christus, die ons heeft liefgehad en zich voor ons gegeven heeft als offer, als een geurige gave voor God. (NBV)

Was het maar zo eenvoudig, niet meer liegen, niet meer stelen, niet meer boos worden, maar goed zijn voor elkaar en vol medeleven. Paulus roept op om het voortaan anders te gaan doen, maar velen zullen zeggen dat Paulus wel erg kort door de bocht is. Let op, Paulus schrijft aan de gemeente in Efeze, nu ja aan elke gemeente van Christenen. Die zijn dus al een nieuwe weg in hun leven ingeslagen, de weg van de liefde. En dan gaat het er alleen nog om op te bouwen en niet af te breken en te veroordelen. Dan gaat het om vergeven. Niet dat vergeven van zand er over en we vergeten het maar het vergeven van samen gaan we er voor zorgen dat het niet meer kan gebeuren. Zo schreef de Protestantse Kerk in Nederland al een paar keer brieven aan de regering en met name aan staatssecretaris Harbers over onze broeders en zusters die naar ons land zijn gevlucht. In plaats van hen te straffen, in de gevangenis te stoppen of de straat op te sturen zou je ze beter aan een goede toekomst kunnen helpen, misschien niet in Nederland, maar als je ze helpt scheelt het hen en ons een heleboel ellende.

Zo is Kerk-in-actie, de sociale organisatie van de PKN, alvast begonnen de kerkleden op te roepen groene stroom te gaan gebruiken. Want het opmaken van fossiele brandstoffen zonder voor vervanging te zorgen zal de kloof tussen arm en rijk alleen maar vergroten, wij helpen nu al de armen in de wereld door ons eigen leven en onze eigen energieconsumptie ander in te richten. Maar er is meer nodig. Economische rechtvaardigheid ook op internationaal niveau om maar eens wat te noemen. Er is nu eenmaal een verband tussen onze rijkdom en overconsumptie en de armoede en het lijden in de zuidelijke landen. Europese exportsubsidies en importtarieven moeten daarom zo snel mogelijk worden afgeschaft. Mensen die de grondstoffen produceren waar wij van genieten verdienen een even goed loon als wij krijgen. Om het milieu te sparen zijn ook maatregelen nodig die de rijken treffen, Opbouwende woorden zijn het, in de geest van Paulus en de Messiaanse beweging waar hij mensen warm voor liet lopen. Oproepen tot vrede en gerechtigheid, overal in de wereld.

In die beweging mogen we meedoen, omdat we vinden dat iedereen aan die beweging zou moeten kunnen meedoen. Samen bouwen we een nieuwe samenleving op omdat we vinden dat iedereen daaraan mee zou moeten kunnen doen. Een samenleving moet een plek zijn waar mensen samen moeten kunnen leven. En samen leven vraagt wat van mensen. Dan ben je betrokken op elkaar. Dan zijn vermaningen geen uitingen van boosheid maar pogingen om vrede te bewaren. In onze dagen wantrouwen we het als mensen op elkaar betrokken raken. De ander heeft toch niks met mij te maken? De ander hoeft mij toch niet de weg te wijzen en zich te bemoeien met mijn beslissingen? In de hulpverlening is daardoor de term bemoeizorg ontstaan. Als iemand dreigt te vereenzamen, te verwaarlozen, te vervreemden van het leven, dan zullen er mensen moeten zijn die dat opmerken en daar wat aan doen. Hulpverleners inschakelen, de overheid attenderen of de ander aanspreken en duidelijk maken dat er grenzen zijn in het afsluiten van elkaar. Dat is geen bemoeien om normen en waarden op te leggen, om gedrag voor te schrijven, maar het een bemoeien om mensen weer de vrijheid te geven zichzelf te zijn ook in contacten met anderen. Paulus ziet een samenleving als een lichaam, daar is een hoofd dat denkt, een mond die voet en handen en voeten om voor het lichaam te zorgen. Zo mogen wij met onze naaste omgaan, elke dag opnieuw.

 

Voortdurend vernieuwd moeten worden

maandag, 13 augustus, 2018

Efeziërs 4:17-24

17 Op gezag van de Heer zeg ik u dus met klem: ga niet langer de weg van de heidenen met hun loze denkbeelden. 18  In hun geest heerst duisternis en ze zijn vervreemd van het leven met God, omdat ze hem niet kennen en hun hart voor hem gesloten hebben. 19  Afgestompt als ze zijn, geven ze zich over aan losbandigheid en storten ze zich in allerlei zedeloze praktijken. 20  Maar zo hebt u Christus niet leren kennen! 21  U hebt toch over hem gehoord, u hebt toch onderricht over hem gekregen? Door Jezus wordt duidelijk 22  dat u uw vroegere levenswandel moet opgeven en de oude mens, die te gronde gaat aan bedrieglijke begeerten, moet afleggen, 23  dat uw geest en uw denken voortdurend vernieuwd moeten worden 24  en dat u de nieuwe mens moet aantrekken, die naar Gods wil geschapen is in waarachtige rechtvaardigheid en heiligheid. (NBV)

Die keurige Paulus is natuurlijk wel erg saai. Zo te keer te gaan tegen losbandigheid. De boog kan toch niet altijd gespannen blijven? En dat nieuwe Koninkrijk van Jezus van Nazareth waar hij zo bevlogen over kan schrijven was toch een koninkrijk van louter vreugde en niet van bekrompenheid? Maar waar heeft Paulus het hier over. Over de losbandigheid van de wereld. We kennen dat toch. Daar zijn andere mensen net voorwerpen. Die neem je in je hand en die gebruik je zoals het jou goed dunkt. Of het nu een auto, een fiets, een glas bier of een partner is. Zelfs kinderen en dieren worden op die manier gebruikt. In de tijd van Paulus was dat niet anders dan in onze tijd. Natuurlijk, het is altijd een minderheid die zich overgeeft aan de uitwassen van een losbandige samenleving. Maar ook de meerderheid is niet actief bezig met het tegendeel van die losbandigheid. Dat is aan de leiband lopen van de absolute onvoorwaardelijke liefde.

In die nieuwe samenleving kan geen ander mens een object, een voorwerp van plezier, zijn. Daar is een ander mens om van te houden als van jezelf. Daar is het hoogste plezier die ander het hoogste plezier te bezorgen. Dan hoeft de boog inderdaad niet altijd gespannen te blijven. Dan gaat het er niet om wat er allemaal wel niet mag en hoe je de grenzen daarvan opzoekt maar dan gaat het er om wat je samen allemaal wel niet aan goeds kunt bereiken en beleven hoe je het goede vermeerderd en nog eens vermeerderd tot er niets dan goeds overblijft. Daar is dus niets saai aan. Dat is een avontuur waar je elk moment mee kunt beginnen maar waar je de loop en de afloop nooit van kunt voorspellen.

Het is dan ook een avontuur waarvoor je jezelf voortdurend zult moeten vernieuwen, voortdurend weer opnieuw in dienst moeten stellen van de liefde voor de ander. Ook als het lijkt of je zelf er niks voor terug krijgt. Natuurlijk kan dat alleen als je werkelijk gelooft dat plezier, dat het goede, ook voor jou is weggelegd. Je kunt immers alleen veel van een ander houden als je ook veel van jezelf houdt. De ander heeft pas veel waarde als je je zelf ook veel waarde weet toe te dichten. Maar het verlost je niet van problemen, de ander heeft die ook, iedereen kan een geliefde verliezen, iedereen kan werk verliezen. In zijn grote lied over de Liefde zingt Paulus dat de liefde zichzelf niet zoekt. Het gaat altijd om de ander die het nog minder heeft dan jij. Paulus stelt de losbandigheid gelijk aan de liefdeloosheid. De Liefde immers is het cement dat mensen samenbindt. Met die Liefde kun je en moet je zelf beginnen, vandaag en elke dag opnieuw.

Vol liefde uitgekozen

zondag, 12 augustus, 2018

Efeziërs 4:1-16

1  Ik, die gevangen zit omwille van de Heer, vraag u dan ook dringend de weg te gaan die past bij de roeping die u hebt ontvangen: 2 wees steeds bescheiden, zachtmoedig en geduldig, en verdraag elkaar uit liefde. 3  Span u in om door de samenbindende kracht van de vrede de eenheid te bewaren die de Geest u geeft: 4  één lichaam en één geest, zoals u één hoop hebt op grond van uw roeping, 5  één Heer, één geloof, één doop, 6  één God en Vader van allen, die boven allen, door allen en in allen is. 7  Aan ieder van ons is genade geschonken naar de maat waarmee Christus geeft. 8  Daarom staat er: ‘Toen hij opsteeg naar omhoog, voerde hij gevangenen mee en schonk hij gaven aan de mensen.’ 9  ‘Hij steeg op’ wat betekent dat anders dan dat hij ook is afgedaald naar wat lager ligt, naar de aarde? 10  Hij die is afgedaald is dezelfde als hij die opsteeg, tot boven de hemelsferen, om alles met zijn aanwezigheid te vullen. 11  En hij is het die apostelen heeft aangesteld, en profeten, evangelieverkondigers, herders en leraren, 12  om de heiligen toe te rusten voor het werk in zijn dienst. Zo wordt het lichaam van Christus opgebouwd, 13  totdat wij allen samen door ons geloof en door onze kennis van de Zoon van God een eenheid vormen, de eenheid van de volmaakte mens, van de tot volle wasdom gekomen volheid van Christus. 14  Dan zijn we geen onmondige kinderen meer die stuurloos ronddobberen en met elke wind meewaaien, met wat er maar verkondigd wordt door mensen die tot alles in staat zijn wanneer ze anderen listig en doortrapt op een dwaalspoor willen brengen. 15  Dan zullen we, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, samen volledig toe groeien naar hem die het hoofd is: Christus. 16  Vanuit dat hoofd krijgt het lichaam samenhang, en wordt het ondersteund en bijeengehouden door alle gewrichtsbanden. Ieder deel draagt naar vermogen bij tot de groei van het lichaam, dat zo zichzelf opbouwt door de liefde. (NBV)

In de Grieks-Romeinse wereld, waar Paulus rondreisde, gingen de meest fantastische theorieën rond over de aard van de geestelijke en materiële wereld. Te veel theorieën vaak om te weerleggen en te weerspreken. Ook in de Joodse wereld waar Paulus toe behoorde waren sporen van die speculaties terug te vinden. Ook in onze dagen horen we over persoonlijke verhoudingen tot Jezus, over kosmisch evenwicht, over energiebanen en innerlijke evenwichtspunten en momenten van persoonlijke groei. Paulus schuift al die mooie begrippen hier met een ferme beweging aan de kant. Het gaat om de Liefde, en in de Liefde vormen we een hechte gemeenschap die die Liefde ook uitstraalt naar de samenleving. Dat is de reden dat kerkelijke vrijwilligers vele jaren hun werk voor de voedselbanken, de asielzoekers, de uitkeringsgerechtigden, de gevangenen, de zieken en invaliden en de derde wereld volhouden. Onophoudelijk leven ze in de Liefde zoals ze die van Jezus van Nazareth hebben geleerd.

Die Protestantse vrijwilligers vormen in hun, vaak kleine, kerkelijke gemeenschappen hechte groepen en horen er zondag in zondag uit over spreken en zingen. Stap gerust eens zo’n Protestantse Kerk binnen en vraag wat ze doen voor de armen en verdrukten in eigen stad, land en in de wereld. Je zult verstelt staan. De collecte voor de diaconie is daarin alleen een liturgische, dus symbolische, handeling om aan te geven waar het op aan komt. Paulus beschrijft die gemeenschap als een lichaam. Wij zeggen dan graag dat we handen en voeten willen geven aan die prachtige woorden. Het moet immers niet bij woorden alleen blijven maar vooral blijken uit de daden, uit de vruchten die het voortbrengt. Een kerkelijke gemeente waar het alleen gaat om een persoonlijke band met Christus of met God, waar dan ook vaak en lang en hardop in het openbaar wordt gebeden, belijdt niet de Messias waar Paulus aan de gemeente in Efeze over heeft geschreven.

Paulus schrijft over een gemeente waarin ieder naar vermogen, en dan niet alleen geldelijk vermogen, een plaats heeft en waar de Liefde het samenbindend element vormt. Juist in die gemeenschap krijgt de Bevrijder gestalte en wordt de bevrijding mogelijk. Zoals het volk Israel ooit in de woestijn ontdekte dat je alleen kunt overleven als je werkelijk alles voor elkaar over hebt, zo kent de Christelijke gemeente de gemeenschap met elkaar door de Liefde. In de loop van de geschiedenis is dat geloof in het bouwen van een nieuwe samenleving, een nieuw soort samenleving ook, verworden tot een voor wat hoort wat geloof. Als ik nu goed doe dan wordt er voor mij ook goed gedaan. Ik krijg leven na de dood, ik krijg gezondheid of maatschappelijke voorspoed. Maar dat is niet de bedoeling. Het geloof in de komst van die nieuwe samenleving door Jezus, door de God van Israël is genoeg. Dat geloof zet je in beweging, niet om er zelf beter van te worden maar om de Naam van God groot te maken. Het is geweldig die samenleving die alle mensen te wachten staat. Daarvoor ga je door het vuur. En iedereen mag daarin meedoen, zonder inburgeringscursus of toelatingsexamen.