Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor maart, 2018

God schiep de mens

zaterdag, 31 maart, 2018

Genesis 1:1–2:4a

1 In het begin schiep God de hemel en de aarde. 2  De aarde was nog woest en doods, en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde over het water. 3 God zei: ‘Er moet licht komen, ‘en er was licht. 4  God zag dat het licht goed was, en hij scheidde het licht van de duisternis; 5  het licht noemde hij dag, de duisternis noemde hij nacht. Het werd avond en het werd morgen. De eerste dag. 6 God zei: ‘Er moet midden in het water een gewelf komen dat de watermassa’s van elkaar scheidt.’ 7  En zo gebeurde het. God maakte het gewelf en scheidde het water onder het gewelf van het water erboven. 8  Hij noemde het gewelf hemel. Het werd avond en het werd morgen. De tweede dag. 9 God zei: ‘Het water onder de hemel moet naar één plaats stromen, zodat er droog land verschijnt.’ En zo gebeurde het. 10  Het droge noemde hij aarde, het samengestroomde water noemde hij zee. En God zag dat het goed was. 11  God zei: ‘Overal op aarde moet jong groen ontkiemen: zaadvormende planten en allerlei bomen die vruchten dragen met zaad erin.’ En zo gebeurde het. 12  De aarde bracht jong groen voort: allerlei zaadvormende planten en allerlei bomen die vruchten droegen met zaad erin. En God zag dat het goed was. 13  Het werd avond en het werd morgen. De derde dag. 14 God zei: ‘Er moeten lichten aan het hemelgewelf komen om de dag te scheiden van de nacht. Ze moeten de seizoenen aangeven en de dagen en de jaren, 15  en ze moeten dienen als lampen aan het hemelgewelf, om licht te geven op de aarde.’ En zo gebeurde het. 16  God maakte de twee grote lichten, het grootste om over de dag te heersen, het kleinere om over de nacht te heersen, en ook de sterren. 17  Hij plaatste ze aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde, 18  om te heersen over de dag en de nacht en om het licht te scheiden van de duisternis. En God zag dat het goed was. 19  Het werd avond en het werd morgen. De vierde dag. 20 God zei: ‘Het water moet wemelen van levende wezens, en boven de aarde, langs het hemelgewelf, moeten vogels vliegen.’ 21  En hij schiep de grote zeemonsters en alle soorten levende wezens waarvan het water wemelt en krioelt, en ook alles wat vleugels heeft. En God zag dat het goed was. 22  God zegende ze met de woorden: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk en vul het water van de zee. En ook de vogels moeten talrijk worden, overal op aarde.’ 23  Het werd avond en het werd morgen. De vijfde dag. 24 God zei: ‘De aarde moet allerlei levende wezens voortbrengen: vee, kruipende dieren en wilde dieren.’ En zo gebeurde het. 25  God maakte alle soorten in het wild levende dieren, al het vee en alles wat op de aardbodem rondkruipt. En God zag dat het goed was. 26 God zei: ‘Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.’ 27  God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen. 28  Hij zegende hen en zei tegen hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.’ 29 Ook zei God: ‘Hierbij geef ik jullie alle zaaddragende planten en alle vruchtbomen op de aarde; dat zal jullie voedsel zijn. 30  Aan de dieren die in het wild leven, aan de vogels van de hemel en aan de levende wezens die op de aarde rondkruipen, geef ik de groene planten tot voedsel.’ En zo gebeurde het. 31 God keek naar alles wat hij had gemaakt en zag dat het zeer goed was. Het werd avond en het werd morgen. De zesde dag. 1 Zo werden de hemel en de aarde in al hun rijkdom voltooid. 2  Op de zevende dag had God zijn werk voltooid, op die dag rustte hij van het werk dat hij gedaan had. 3  God zegende de zevende dag en verklaarde die heilig, want op die dag rustte hij van heel zijn scheppingswerk. 4 Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde. (NBV)

Wie zou dat eigenlijk wel eens hebben meegemaakt dat de aarde woest en doods was? Zouden wij het ons wel kunnen voorstellen? Misschien als we de beelden van Syrische steden zien. Een onvoorstelbare en onafzienbare hoop verwoeste huizen. Hoe vinden mensen daar ooit weer een plaats? Op die vraag geeft het gedeelte dat we vandaag lezen een antwoord. Het is geen journalistiek verslag van de geboorte van de aarde. Het is ook geen wetenschappelijke verhandeling over het ontstaan van de aarde. Het is een lied over hoe de aarde een aarde voor mensen is geworden. Want over dat verwoeste en ledige landschap zweefde de Geest van God. Wij kennen die als de Geest van de liefde, alles wat immers uit liefde gebeurd komt voort uit de Geest van de God van Israël. En wat hebben mensen allemaal wel niet nodig voor dat de woeste en doodse aarde een aarde voor mensen is geworden. Genesis betekent wording en over wording zal het in dit Bijbelboek dan ook gaan.

Allereerst hebben we licht nodig, In licht kunnen we zien, weten we weer waar we zijn, daarom zijn dag en nacht voor mensen belangrijk. In de nacht kunnen we rusten, worden we niet gestoord door het licht. Zo moeten we ook het verschil weten tussen boven en onder en tussen droog land en nat water. En als we willen weten waar we thuishoren dan moeten er dieren zijn. Grote en kleine dieren, dieren op het land, in de zee en in de lucht. Dieren waar we vriendschap mee kunnen sluiten en dieren waar we bang voor moeten zijn. Zo is in vijf stappen de chaos een halt toegeroepen en begint de aarde op een aarde voor mensen te lijken. Zo zouden we in Syrië ooit aan het werk kunnen gaan. God zag dat het goed was, maar als wij mensen weer licht kunnen geven, scheiding tussen water en land, de voordelen van dag en nacht, zon en maan als energiebronnen, zaad voor de aarde en dieren voor akkers en de zee dan zingen we samen dit lied mee. Want een prachtig lied is het over hoe mensen die aarde kregen om zich thuis te voelen. Daar kunnen alleen dichters van dromen en daarom begint de Bijbel daarmee.

God schiep de mens naar zijn evenbeeld. ze lijken dus op God, mannelijk en vrouwelijk schiep hij hen. Pas op dat je hier niet leest dat God mannen schiep en dat God vrouwen schiep, want dat staat er niet. Het onderscheid tussen mannen en vrouwen komt pas veel later in het verhaal, pas als de mens merkt dat dieren wel dat onderscheid kennen maar dat de mens aanvankelijk maar alleen was. De mens. staat er, is mannelijk en vrouwelijk geschapen. Elk mens heeft een deel mannelijke en een deel vrouwelijke eigenschappen. Heel veel later kan Paulus daarom schrijven dat in een Christelijke gemeente het onderscheid tussen mannen en vrouwen verdwenen is. Dat zogenaamde natuurlijke onderscheid hebben we er zelf van gemaakt, zo is het van oorsprong niet bedoeld.  En kan komt in het verhaal de zevende dag, de dag waarop we rusten zoals de God waarop we lijken rustte van zijn werk. Want we zijn geen slaaf geworden van de aarde, van het zorgen. Het werk, de productie en consumptie komen stil te liggen. Het scheppen stopt en we kunnen ervaren dat de schepping goed is. We zijn ook geen machines die je af en toe stil moet zetten en onderhouden. Wij staan boven de productie en consumptie en één dag per week vieren we dat samen.

U zegt het

vrijdag, 30 maart, 2018

Marcus 14:53–15:47

53 Jezus werd meegevoerd naar het huis van de hogepriester om te worden voorgeleid, en alle hogepriesters, oudsten en schriftgeleerden kwamen daar bijeen. 54  Petrus volgde hem op een afstand tot op de binnenplaats van het huis van de hogepriester, waar hij tussen de knechten ging zitten en zich warmde aan het vuur. 55  De hogepriesters en het hele Sanhedrin probeerden iemand een getuigenverklaring tegen Jezus te laten afleggen op grond waarvan ze hem ter dood konden veroordelen, maar dat lukte hun niet; 56  want hoewel veel mensen een valse verklaring aflegden, waren hun getuigenissen niet eensluidend. 57  Toen kwamen er een paar met de volgende valse verklaring: 58  ‘We hebben hem horen zeggen: “Ik zal die door mensenhanden gemaakte tempel afbreken en in drie dagen een andere opbouwen die niet door mensenhanden gemaakt is.”’ 59  Maar ook op dit punt waren de getuigenverklaringen niet afdoende. 60  De hogepriester stond op en vroeg Jezus: ‘Waarom antwoordt u niet? U hoort toch wat deze getuigen zeggen?’ 61  Maar hij bleef zwijgen en antwoordde niet. Toen vroeg de hogepriester hem: ‘Bent u de messias, de Zoon van de Gezegende?’ 62  Jezus zei: ‘Dat ben ik, en u zult de Mensenzoon aan de rechterhand van de Machtige zien zitten en hem zien komen op de wolken van de hemel.’ 63  De hogepriester scheurde zijn kleren en zei: ‘Waarvoor hebben we nog getuigen nodig? 64  U hebt de godslastering gehoord; wat is uw oordeel?’ Allen oordeelden dat hij schuldig was en de doodstraf verdiende. 65  Toen begonnen sommigen hem te bespuwen; ze blinddoekten hem en sloegen hem in het gezicht en zeiden tegen hem: ‘Profeteer nu maar!’, en ook de dienaren onthaalden hem op vuistslagen. 66 Terwijl Petrus beneden op de binnenplaats was, kwam een van de dienstmeisjes van de hogepriester voorbij. 67  Toen ze Petrus bij het vuur zag zitten, keek ze hem aan en zei: ‘Jij was ook bij die Jezus van Nazaret!’ 68  Maar hij ontkende dat en zei: ‘Ik weet niet waar je het over hebt, ik begrijp echt niet wat je bedoelt.’ Hij ging naar buiten, naar het voorportaal, en er kraaide een haan. 69  Toen het meisje hem daar weer zag, zei ze opnieuw, nu tegen de omstanders: ‘Hij is een van hen!’ 70  Maar hij ontkende het weer. En algauw zeiden ook de omstanders tegen Petrus: ‘Je bent wel degelijk een van hen, jij komt immers ook uit Galilea.’ 71  Maar hij begon te vloeken en zwoer: ‘Ik ken die man over wie jullie het hebben niet!’ 72  En meteen kraaide de haan voor de tweede keer. En Petrus herinnerde zich dat Jezus tegen hem gezegd had: ‘Voordat een haan tweemaal heeft gekraaid, zul je mij driemaal verloochenen.’ En toen hem dat te binnen schoot, begon hij te huilen. 1 ‘s Ochtends in alle vroegte kwamen de hogepriesters, de oudsten en de schriftgeleerden en het hele Sanhedrin in vergadering bijeen. Na Jezus geboeid te hebben, brachten ze hem weg en leverden hem over aan Pilatus. 2  Pilatus vroeg hem: ‘Bent u de koning van de Joden?’ Hij antwoordde: ‘U zegt het.’ 3  De hogepriesters brachten allerlei beschuldigingen tegen hem in. 4  Pilatus vroeg hem toen: ‘Waarom antwoordt u niet? U hoort toch waar ze u allemaal van beschuldigen?’ 5  Maar Jezus zei helemaal niets meer, tot verwondering van Pilatus. 6  Pilatus had de gewoonte om op elk pesachfeest één gevangene vrij te laten op verzoek van het volk. 7  Op dat moment zat er een zekere Barabbas gevangen, samen met de andere opstandelingen die tijdens het oproer hadden gemoord. 8  Een grote groep mensen trok naar Pilatus en begon hem te vragen om ook nu te doen wat zijn gewoonte was. 9  Pilatus vroeg hun: ‘Wilt u dat ik de koning van de Joden vrijlaat?’ 10  Want hij begreep wel dat de hogepriesters hem uit afgunst hadden uitgeleverd. 11  Maar de hogepriesters hitsten de menigte op om te zeggen dat hij Barabbas moest vrijlaten. 12  Toen zei Pilatus tegen hen: ‘Wat wilt u dan dat ik doe met die man die u de koning van de Joden noemt?’ 13  En ze begonnen weer te schreeuwen. ‘Kruisig hem!’ riepen ze. 14  Pilatus vroeg: ‘Wat heeft hij dan misdaan?’ Maar ze schreeuwden nog harder: ‘Kruisig hem!’ 15 Omdat Pilatus de menigte tevreden wilde stellen, liet hij Barabbas vrij. Jezus leverde hij uit om gekruisigd te worden, nadat hij hem eerst nog had laten geselen. 16  De soldaten leidden hem weg, het paleis (dat wil zeggen het pretorium) in, en riepen de hele cohort bijeen. 17  Ze trokken hem een purperen gewaad aan, vlochten een kroon van doorntakken en zetten hem die op. 18  Daarna brachten ze hem hulde met de woorden: ‘Gegroet, koning van de Joden!’ 19  Ze sloegen hem met een rietstok tegen het hoofd en bespuwden hem, en bogen onderdanig voor hem. 20  Nadat ze hem zo hadden bespot, trokken ze hem het purperen gewaad uit en deden hem zijn kleren weer aan. Toen brachten ze hem naar buiten om hem te kruisigen. 21  Ze dwongen een voorbijganger die net de stad binnenkwam, Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus, om het kruis te dragen. 22 Ze brachten hem naar Golgota, wat in onze taal ‘schedelplaats’ betekent. 23  Ze wilden hem met mirre vermengde wijn geven, maar hij nam die niet aan. 24  Ze kruisigden hem en verdeelden zijn kleren onder elkaar; ze dobbelden erom wie wat zou krijgen. 25  Het was in het derde uur na zonsopgang toen ze hem kruisigden. 26  Het opschrift met de aanklacht tegen hem luidde: ‘De koning van de Joden’. 27  Samen met hem kruisigden ze twee misdadigers, de een rechts van hem, de ander links. 29  De voorbijgangers keken hoofdschuddend toe en dreven de spot met hem: ‘Ach, kijk nu toch eens! Jij die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt, 30  red jezelf toch door van het kruis af te komen.’ 31  Ook de hogepriesters en de schriftgeleerden maakten onder elkaar zulke spottende opmerkingen: ‘Anderen heeft hij gered, maar zichzelf redden kan hij niet; 32  laat die messias, die koning van Israël, nu van het kruis afkomen. Als we dat zien, zullen we geloven!’ Ook de twee andere gekruisigden beschimpten hem. 33 Op het middaguur viel er een duisternis over het hele land, die drie uur aanhield. 34  Aan het einde daarvan, in het negende uur, riep Jezus met luide stem: ‘Eloï, Eloï, lema sabachtani?’, wat in onze taal betekent: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’ 35  Toen de omstanders dat hoorden, zeiden enkelen van hen: ‘Hoor, hij roept Elia!’ 36  Iemand ging snel een spons halen, doordrenkte die met zure wijn, stak de spons op een stok en probeerde hem te laten drinken, terwijl hij zei: ‘Laten we eens kijken of Elia komt om hem eraf te halen.’ 37  Maar Jezus slaakte een luide kreet en blies de laatste adem uit. 38  En het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot onder in tweeën. 39  Toen de centurio, die recht tegenover hem stond, hem zo zijn laatste adem zag uitblazen, zei hij: ‘Werkelijk, deze mens was Gods Zoon.’ 40  Van een afstand keken ook enkele vrouwen toe, onder wie Maria uit Magdala en Maria de moeder van Jakobus de jongere en van Joses, en Salome. 41  Toen hij in Galilea verbleef, waren deze vrouwen hem gevolgd en hadden ze voor hem gezorgd, net als vele andere vrouwen die met hem waren meegereisd naar Jeruzalem. 42 Toen de avond al gevallen was (het was de ‘voorbereidingsdag’, dat wil zeggen de dag voor de sabbat), 43  kwam Josef van Arimatea, een vooraanstaand raadsheer, die zelf ook de komst van het koninkrijk van God verwachtte. Hij raapte al zijn moed bijeen en ging naar Pilatus, die hij om het lichaam van Jezus vroeg. 44  Het bevreemdde Pilatus dat hij al dood zou zijn en hij riep de centurio bij zich, aan wie hij vroeg of Jezus al gestorven was, 45  en toen de centurio dat bevestigd had, gaf hij het lijk aan Josef. 46  Josef kocht een stuk linnen, haalde Jezus van het kruis en wikkelde hem in het linnen. Daarna legde hij hem in een graf dat in de rots was uitgehouwen en rolde een steen voor de ingang. 47  Maria uit Magdala en Maria de moeder van Joses keken toe in welk graf hij werd gelegd. (NBV)

Op Goede Vrijdag klinken de Matteüs Passion, de Johannes Passion, de Lukas Passie en wij lezen het lijdensverhaal zoals dat opgetekend is door Marcus. In de Bijbel staan dus vier verhalen over het lijden en sterven van Jezus van Nazareth en die verhalen zijn op ontelbaar vele manieren gebruikt om ze in teksten, muziek en schilderijen te verbeelden. Als je dus werkelijk wil weten wat de betekenis is van dat verhaal moet je nauwkeurig terug naar de bron. Daarbij moet je bedenken dat elke evangelist een eigen verhaal vertelt. Ook al lijken die verhalen soms heel erg veel op elkaar dan nog hebben we elk verhaal op zich niet voor niets overgeleverd gekregen. Een volgend jaar zullen we het daarom wel weer over het verhaal van een andere evangelist hebben maar dit jaar lezen we het verhaal zoals dat opgetekend is in het Evangelie van Marcus. Dat verhaal begint met een proces door de autoriteiten van de Tempel, het Sanhedrin. Voor het volk Israel waren zij de regering in oorlogstijd. Tijdens de bezetting door de Romeinen en het bestuur door Koning Herodes en Stadhouder Pontius Pilatus probeerde dat Sanhedrin het eigen karakter van Israël te bewaren.

Uit het verhaal van Marcus weten we al dat Jezus van Nazareth grote bezwaren had tegen de manier waarop de religieuze elite zich gedroeg. De armen werden armer, de Tempel was een handelsplaats voor offerdieren geworden, de uiterlijke handhaving van de wetten en regels was belangrijker dan de gevolgen voor de mensen. Maar getuigenissen over misdrijven die volgens de wetten van Mozes tot een ter doodveroordeling zouden moeten leiden vonden ze niet. Zelfs valse getuigenissen dat Jezus van Nazareth de Tempel zelf zou willen afbreken bleken niet voldoende. Maar als Jezus van Nazareth bevestigd dat hij de gezalfde Bevrijder, de messias, is, Zoon van de Gezegende, dan is dat voldoende. Dit is er weer één van de velen die een opstand wil ontketenen. De antihouding van alle aanwezigen brengt Petrus er toe te ontkennen dat hij Jezus van Nazareth kende. Zoals voorspeld, je geeft je uit jezelf niet graag bloot als iedereen tegen is. Mensen in ons land die vreemdelingen helpen hebben daar ook vaak over gezwegen, ze waren terecht bang ruzie met hun omgeving te krijgen. Na het proces van de religieuze rechtbank kwam de wereldse rechtbank, bij Pilatus. Hier bleef Jezus van Nazareth zwijgen. Dan moet het volk maar oordelen, kiezen tussen een oproerkraaier die zijn waarde in de opstand had bewezen en Jezus van Nazareth die het oproer uit de weg ging. Aan die laatste heb je niks dus die moest maar gekruisigd worden.

Die Barabbas wordt beschreven als een ijveraar, iemand die door geweld het volk probeerde te bevrijden van de Romeinen. Jezus van Nazareth was veel gevaarlijker, die probeerde via geweldloos verzet het volk weer een eigen identiteit te geven, de identiteit die ze onder koning David al hadden. Die moest dus dood. En zo gebeurt, bespot, geslagen, gemarteld, zo ging hij naar het kruis, alleen geholpen nog door de vader van Alexander en Rufus. Dat kruis was overigens niet van plastic en werd niet verlicht door ledlampjes. Het werd niet door een massa over straat gedragen. Het was een ruwhouten kruis. Daar op Golgota, de schedelplaats, waar misdadigers terecht werden gesteld, stierf hij, niet verdoofd door de wijn maar tussen misdadigers en onder het opschrift “Koning van de Joden”. Een Godverlaten dood, zo riep hij met de tekst van Psalm 22 in de taal van de straat, het Aramees, uit. Maar dat uitroepen tot Koning der Joden had alleen zijn dood tot gevolg, zijn volgelingen bleven in leven net als zijn vijanden. Dat was het grote verschil met al die anderen die zich tot messias hadden uitgeroepen. De liefde die Jezus van Nazareth had voorgeleefd en voorgeschreven hield hij tot in de dood vol. Zo kan het dus, daar mogen wij dus allemaal van profiteren. Voor ons hoeft de liefde niet op de dood uit te lopen, het voorhangsel van de Tempel is weggenomen, de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf mag nu in ons hart staan gegrift en in ons leven wonen. Ook vandaag als wij het zwartste lijden uit onze geschiedenis herdenken.

 

Neem deze beker van mij weg

donderdag, 29 maart, 2018

Marcus 14:12-52

12 Op de eerste dag van het feest van het Ongedesemde brood, wanneer het pesachlam wordt geslacht, zeiden zijn leerlingen tegen hem: ‘Waar wilt u dat wij voorbereidingen gaan treffen zodat u het pesachmaal kunt eten?’ 13  Hij stuurde twee van zijn leerlingen op pad en zei tegen hen: ‘Ga naar de stad. Daar zal een man die een kruik water draagt jullie tegemoet komen; volg hem, 14  en wanneer hij ergens binnengaat, moeten jullie tegen de heer des huizes zeggen: “De Meester vraagt: ‘Waar is het gastenvertrek waar ik met mijn leerlingen het pesachmaal kan eten?’ ” 15  Hij zal jullie een grote bovenzaal wijzen, die al is ingericht en waar alles gereedstaat; maak daar het pesachmaal voor ons klaar.’ 16  De leerlingen vertrokken naar de stad, en alles gebeurde zoals hij gezegd had, en ze bereidden het pesachmaal.17  Toen de avond was gevallen, kwam hij met de twaalf. 18  Terwijl ze aanlagen voor de maaltijd, zei Jezus: ‘Ik verzeker jullie: een van jullie, die met mij eet, zal mij uitleveren.’ 19  Ze werden bedroefd en vroegen een voor een aan hem: ‘Ik ben het toch niet?’ 20  Maar hij zei tegen hen: ‘Het is een van jullie twaalf, die met mij uit dezelfde kom eet. 21  Want de Mensenzoon zal heengaan zoals over hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Mensenzoon uitgeleverd wordt: het zou b eter voor hem zijn als hij nooit geboren was.’ 22  Terwijl ze aten, nam hij een brood, sprak het zegengebed uit, brak het brood, deelde het uit en zei: ‘Neem hiervan, dit is mijn lichaam.’ 23  En hij nam een beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun de beker, en allen dronken eruit. 24  Hij zei tegen hen: ‘Dit is mijn bloed, het bloed van het verbond, dat voor velen vergoten wordt. 25  Ik verzeker jullie: ik zal niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken tot de dag komt dat ik er opnieuw van zal drinken in het koninkrijk van God.’ 26  Nadat ze de lofzang hadden gezongen, vertrokken ze naar de Olijfberg. 27  Jezus zei tegen hen: ‘Jullie zullen allemaal ten val komen, want er staat geschreven: “Ik zal de herder doden, en de schapen zullen uiteengedreven worden.” 28  Maar nadat ik uit de dood ben opgewekt, zal ik jullie voorgaan naar Galilea.’ 29  Petrus zei tegen hem: ‘Misschien zal iedereen ten val komen, maar ik niet!’ 30  Jezus antwoordde: ‘Ik verzeker je: juist jij zult me vannacht, nog voor de haan tweemaal gekraaid heeft, driemaal verloochenen.’ 31  Maar Petrus hield met grote stelligheid vol: ‘Al zou ik met u moeten sterven, ik zal u nooit verloochenen.’ Alle anderen zeiden iets dergelijks. 32 Ze kwamen bij een olijfgaard die Getsemane heette, en hij zei tegen zijn leerlingen: ‘Blijven jullie hier zitten, terwijl ik ga bidden.’ 33  Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee. Hij voelde zich onrustig en angstig worden 34  en zei tegen hen: ‘Ik voel me dodelijk bedroefd; blijf hier waken.’ 35  Hij liep nog een stukje verder, liet zich toen op de grond vallen en bad dat dit uur zo mogelijk aan hem voorbij mocht gaan. 36  Hij zei: ‘Abba, Vader, voor u is alles mogelijk, neem deze beker van mij weg. Maar laat niet gebeuren wat ik wil, maar wat u wilt.’ 37  Hij liep terug en zag dat zijn leerlingen lagen te slapen. Hij zei tegen Petrus: ‘Simon, slaap je? Kon je niet één uur waken? 38  Blijf wakker en bid dat jullie niet in beproeving komen; de geest is wel gewillig, maar het lichaam is zwak.’ 39  Weer ging hij weg om te bidden, met dezelfde woorden als daarvoor. 40  Toen hij weer terugkwam, lagen ze opnieuw te slapen, want hun ogen vielen steeds dicht, en ze wisten niet wat ze hem moesten antwoorden. 41  Toen hij voor de derde maal terugkwam, zei hij tegen hen: ‘Liggen jullie daar nog steeds te slapen en te rusten? Het is zover: het ogenblik is gekomen waarop de Mensenzoon wordt uitgeleverd aan de zondaars. 42  Sta op, laten we gaan; kijk, hij die me uitlevert, is al vlakbij.’ 43 Nog voor hij uitgesproken was, kwam Judas eraan, een van de twaalf, in gezelschap van een met zwaarden en knuppels bewapende bende, die door de hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten was gestuurd. 44  Met hen had zijn verrader een teken afgesproken. Hij had gezegd: ‘Degene die ik kus, die is het. Neem hem gevangen en voer hem weg onder strenge bewaking.’ 45  Toen hij eraan kwam, liep hij recht op Jezus af, zei: ‘Rabbi!’ en kuste hem. 46  Ze grepen hem vast en namen hem gevangen. 47  Een van de omstanders trok een zwaard, ging de dienaar van de hogepriester te lijf en sloeg hem een oor af. 48  Jezus zei tegen hen: ‘U bent er met zwaarden en knuppels op uitgetrokken om mij te arresteren, alsof ik een misdadiger ben! 49  Dagelijks was ik bij jullie in de tempel om onderricht te geven, en toen hebben jullie me niet gevangengenomen; maar dit gebeurt omdat de Schriften in vervulling moeten gaan.’ 50  Toen lieten allen hem in de steek en vluchtten weg. 51  Een jongeman, die alleen een linnen kleed aanhad, probeerde bij hem te blijven, maar toen ook hij werd vastgegrepen, 52  liet hij het kleed in hun handen achter en vluchtte naakt weg.  (NBV)

Het is Witte Donderdag, een paar van de dagen in de Goede Week hebben eigen namen, dat begon al met Palmzondag en na Witte Donderdag krijgen we nog Goede Vrijdag en Stille Zaterdag. We lezen vandaag eigenlijk twee verhalen, het verhaal van het laatste avondmaal en het verhaal van de arrestatie. Nu is dat “Laatste Avondmaal” eigenlijk een verkeerde benaming. Het is een traditionele Joods maaltijd die onlosmakelijk verbonden is met het verhaal van de Uittocht uit Egypte. Die Uittocht begon overhaast. Nadat er een aantal plagen waren geweest waar de Farao aan voorbij was gegaan, hij had steeds de last van de slavenarbeid voor de Joden verzwaard, was op de nacht van de Uittocht elke eerstgeborene gestorven. Alleen bij de Joden was dat niet gebeurd, zij hadden de randen rond hun deuren ingesmeerd met het bloed van lammeren die ze hadden geslacht. Ze aten dat lamsvlees nog staande en brood dat niet snel bederven zou omdat het zonder gist of zuurdesem was gebakken, de ongezuurde broden of matzes.

Die broden konden ze meenemen toen ze door de Egyptenaren de woestijn werden ingejaagd. Dat eten van lamsvlees en ongezuurde broden was in de Paasmaaltijd bewaard gebleven. Het drinken van de rode wijn deed denken aan het bloed dat rond de deuren was gesmeerd en op tafel stonden bittere kruiden die aan het leed van de slavenarbeid moesten herinneren. Alleen het staan was vervangen door aanliggen, of aanzitten, men was immers thuis gekomen in het beloofde land. Jezus van Nazareth eigent zich die maaltijd toe en voegt aan de symbolen op tafel nieuwe betekenissen toe. Dat ongezuurde brood wordt gebroken en gedeeld, alles, tot aan jezelf toe, dien je voortaan te delen zoals Jezus van Nazareth zich uiteindelijk zou delen voor iedereen. Zo drink je samen de beker wijn omdat zijn bloed voorkwam dat iedereen werd gedood. Delen en kiezen voor het leven werd van die dag af het kenmerk van het Christendom en in kerken over heel de wereld zie je brood gedeeld en de beker gedeeld worden ter gedachtenis van Jezus van Nazareth.

Judas Iskariot ondertussen had er op vertrouwd dat de arrestatie en veroordeling van Jezus van Nazareth zou uitlopen op een volksopstand. Maar zoals zoveel gewelddadige autoritaire regiems was ook dit regiem uit op het zaaien van angst. Dan worden politieke tegenstanders in de nacht gearresteerd, dan verdwijnen mensen zonder een spoor achter te laten, dan zijn er geheime gevangenissen en verborgen processen. Op de Olijfberg vindt in het midden van de nacht de arrestatie plaats. Jezus van Nazareth wijst het geweld af in plaats van de opstand te leiden, een unieke daad. Dat maakt dat alle volgelingen vluchtten, al moeten ze soms hun kleren er bij achterlaten. Het is het gevolg van de geweldloosheid. Die nacht stierf er niemand. De overgave van Jezus van Nazareth redde iedereen het leven, de leider was gevangen de volgelingen konden gespaard blijven. Voor ons, Heidenen, betekent het dat de boodschap de Liefde zoals Jezus van Nazareth die voorleefde ook aan ons bekend zou worden, ook wij mogen aan die tafel van breken en delen aanzitten, totdat de hele aarde genoeg te eten heeft, totdat alle geweld gebroken is.

Armen hebt gij altijd bij u

woensdag, 28 maart, 2018

Marcus 14:1-11

1 De volgende dag zou het feest van Pesach en het Ongedesemde brood beginnen. De hogepriesters en schriftgeleerden zochten naar een mogelijkheid om hem door middel van een list gevangen te nemen en te doden. 2  Ze zeiden bij zichzelf: Tijdens het feest kan dat niet, want dan komt het volk in opstand. 3  Toen hij in Betanië in het huis van Simon-degene die aan huidvraat had geleden-aanwezig was bij een feestmaal, kwam er een vrouw binnen. Ze had een albasten flesje bij zich dat gevuld was met zeer kostbare, zuivere nardusolie. Ze brak het flesje en goot de olie uit over zijn hoofd. 4  Sommige aanwezigen zeiden geërgerd tegen elkaar: ‘Waar is deze verkwisting goed voor? 5  Die olie had immers voor meer dan driehonderd denarie verkocht kunnen worden, en dat geld hadden we aan de armen kunnen geven.’ Ze voeren tegen haar uit. 6  Maar Jezus zei: ‘Laat haar met rust, waarom vallen jullie haar lastig? Ze heeft iets goeds voor mij gedaan. 7  Want de armen zijn altijd bij jullie, en jullie kunnen weldaden aan hen bewijzen wanneer je maar wilt, maar ik zal niet altijd bij jullie zijn. 8  Wat ze kon, heeft ze gedaan: ze heeft mijn lichaam nu al met olie gebalsemd, met het oog op mijn begrafenis. 9  Ik verzeker jullie: waar ook maar ter wereld het goede nieuws verkondigd wordt, zal ter herinnering aan haar verteld worden wat zij heeft gedaan.’ 10  Toen ging Judas Iskariot, een van de twaalf, naar de hogepriesters om hem aan hen uit te leveren. 11  Toen zij dit hoorden, waren ze opgetogen en beloofden ze hem geld te zullen geven. En hij zon op een mogelijkheid om hem op een geschikt moment uit te leveren. (NBV)

Het zijn maar 11 verzen in het verhaal van wat wij tegenwoordig de Goede Week noemen maar ze zijn bijna allemaal van belang om het verband en daarmee de boodschap tussen al die verhalen te begrijpen. We waren de Goede Week zondag begonnen met de intocht van de Koning op een ezel in Jeruzalem. Vervolgens had die Koning van de vrede de handelaars uit de Tempel gemept. Daarmee had hij de autoriteiten van de Tempel uitgedaagd en tot het uiterste getergd. Die autoriteiten besloten dus om Jezus van Nazareth ter dood te brengen, of te laten brengen, als hij maar dood was. Maar hij was ook tot Koning uitgeroepen door al die mensen die met hem mee naar Jeruzalem waren gekomen om daar op de in de Tora voorgeschreven wijze het Paasfeest te vieren. Die nieuwe Koning ter dood te brengen voor het feest zou een opstand kunnen uitlokken en de Romeinen waren niet mis als het ging om een opstand te onderdrukken.

En dan gaat ons verhaal verder. Want een koning moet tot koning gezalfd worden, Christus betekent ook de gezalfde. Dat gebeurt dus niet in Jeruzalem maar in een dorp even buiten de stad, in Bethanië. Bethanië is overigens een Arameese naam die ook “huis van ellende” betekent. Daar was Jezus van Nazareth te gast bij Simon, een man die van huidvraat was genezen, ofwel die weer rein verklaard was. Daar was dus een vrouw die Jezus van Nazareth zalfde met kostbare olie. Maar moeten we de intocht als Koning nu serieus nemen? Op veel plaatsen staan in het land kerken en beelden die “Christus Koning” heten. Jezus van Nazareth en zijn volgelingen nemen het uitroepen van hem als Koning tijdens de intocht kennelijk niet zo serieus. De leerlingen vinden dat de olie beter had kunnen worden verkocht en het geld aan de armen gegeven. Jezus van Nazareth zelf accepteert de zalving als teken van zorg voor zijn lijk, alsof hij al gestorven was. Kennelijk was hij er zeer van overtuigd dat de hele beweging, om tot Koning van de Joden uitgeroepen te worden, uit zou lopen op zijn dood.

De armen waren er daarna ook nog wel. Ze zijn er nog steeds. Maar als Jezus van Nazareth en de andere leerlingen het niet serieus nemen hoe zou het dan ooit zover kunnen komen? Alleen een spontane volksopstand zou hem dat Koningschap kunnen opdringen. En omdat de autoriteiten een opstand verwachten voor het feest moest die opstand dus voor het feest worden uitgelokt. Daar zou Judas Iskariot voor zorgen. Hij zou er voor zorgen dat Jezus van Nazareth nog voor het feest gegrepen zou kunnen worden. Het zou een bittere teleurstelling voor hem worden. De samenleving is niet maakbaar en de koning van de vrede zou laten zien dat een gewelddadige opstand echt het laatste was dat hij zou willen veroorzaken. Ook voor ons geldt dus dat een opstand met geweld tegen de onderdrukkers van de armen niet in de rede ligt. Maar zorg voor de armen wordt ons zelfs hier in het verhaal over de kroning opgedragen. We hebben ze immers nog steeds bij ons, en daarmee blijven we de machthebbers, de inhalige ceo’s en bankdirecteuren aan het onrecht herinneren. Tot ook aan de armen recht wordt gedaan.

De Benjaminiet Kus

dinsdag, 27 maart, 2018

Psalm 7

1 Een klaaglied van David, dat hij voor de HEER gezongen heeft over de Benjaminiet Kus. 2 HEER, mijn God, bij u schuil ik, bevrijd mij van mijn vervolgers, red mij, 3 ze zullen mij nog verscheuren als leeuwen, mij meesleuren zonder dat iemand mij redt. 4 HEER, mijn God, als ik iets heb misdaan, als er onrecht kleeft aan mijn handen, 5 als ik goed met kwaad heb vergolden, of mijn belager zonder reden heb beroofd-6 laat dan de vijand mij achtervolgen, mij inhalen, vertreden en vertrappen in het stof, mij beroven van mijn eer en mijn leven. sela 7 Sta op, HEER, laat uw toorn ontbranden, keer u tegen de razernij van mijn belagers, kom mij te hulp, gebieder van het recht. 8 Laat u omringen door de raad van de volken en bestijg hoog boven hen uw troon, 9 HEER, rechter van de wereld. Doe mij recht, HEER, ik ben onschuldig, mij treft geen blaam. 10 Roep de goddelozen een halt toe en wees de rechtvaardige tot steun. U die hart en nieren doorgrondt bent een rechtvaardige God. 11 God is het schild dat mij beschermt, hij bevrijdt de oprechten van hart. 12 God is een rechtvaardige rechter, hij bestraft het kwaad, elke dag. 13 Maar de vijand scherpt opnieuw zijn zwaard, hij spant zijn boog en legt aan, 14 hij richt zijn wapens om te doden, zijn pijlen zijn schichten van vuur. 15 Hij draagt verderf onder het hart, zwanger van onheil baart hij bedrog. 16 Hij delft een put en diept hem uit, maar valt in de kuil die hij zelf heeft gegraven. 17 Het onheil keert zich tegen hem, het geweld komt neer op zijn eigen hoofd. 18 Ik zal de HEER om zijn rechtvaardigheid loven, de naam van de HEER, de Allerhoogste, bezingen.(NBV)

Er zijn mensen die graag de Bijbel letterlijk nemen. Ze lezen het als een geschiedenisboek. Want als het nu eens niet waar zou zijn dan raken ze in verwarring. En de eerste zin van deze Psalm is verwarrend. Of het nu echt een klaaglied is zoals andere klaagliederen uit het boek van de Psalmen zijn dat weten we niet. Het woord dat hier in het Hebreeuws staat is eigenlijk onbekend en wordt soms ook in het geheel niet vertaald. En wie was die Benjaminiet Kus? We kennen hem verder niet uit de Bijbel. In zulke gevallen gaan de geleerden op zoek in de boeken van Samuël of daar iets staat over die Benjaminiet Kus? De belangrijkste Benjaminiet waarmee David te maken heeft gehad was Koning Saul, maar ja in dat verhaal komt de naam Kus niet voor. Kus is ook de naam van een streek in Afrika, in Nubië daar kwam het goud vandaan. Daar was Absalom de zoon van David heen gevlucht toen hij in oorlog kwam met zijn vader. Een bode uit Kus kwam toen het nieuws brengen. Goed en kwaad nieuws. De vijand van David was verslagen, maar Absalom was dood. Met letterlijk nemen komen we dus niet echt veel verder.

We kunnen de Bijbel ook serieus nemen en ons steeds afvragen wat voor boodschap ons wordt verteld. De Psalm begint met een geloofsbelijdenis. Als je schuilt bij de God van Israël dan mag je vragen om bescherming en redding. En misschien heb je wel wat verkeerd gedaan. De vijand die je achtervolgd heeft je eigenlijk iets goeds gedaan maar je hebt daarop geantwoord met kwaad. In ons dagelijks leven komt dat vaker voor dan we denken. Hoe vaak klagen mensen niet over een bekeuring omdat ze te hard hebben gereden, om dezelfde dag nog treurnis uit te spreken over de slachtoffers van een dodelijk ongeluk dat veroorzaakt werd door een te hoge snelheid. Je mag blij zijn dat er ergens iemand is die je wil waarschuwen tegen dit soort ongelukken. Die bekeuring is het goede, je gaat tenminste voor een tijdje weer uitkijken, jouw kwaadheid is het verkeerde want uit boosheid kun je de waarschuwing zo negeren dat je nog harder gaat rijden en dus meer gevaar loopt.

Je kunt je belager ook zonder reden hebben beroofd, iets meegenomen waarvoor je geen toestemming vroeg en dat je niet hebt betaald, het appeltje van de appelboom in de tuin van de Pastorie. De dichter vraagt God om zijn belager nu niet direct pijl en boog te verschijn te laten brengen, een oorlog te beginnen. Als er ongemerkt iets verkeerd is gegaan dan valt dat toch uit te praten? Wij spreken tegenwoordig over een “juridisering” van de samenleving. Om het minste of geringste slepen we elkaar voor de rechter. De regering heeft dat al moeilijk gemaakt voor de armen onder ons, ons recht is immers alleen voor de rijken. Maar arm of rijk Gods weg vraagt niet om oorlog te gaan voeren maar om conflicten in liefde op te lossen. Juist als je conflicten voor wil leggen aan een rechtbank loop je grote risico’s. Wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in, wie procedeert om een koe, legt er één toe. Het uitpraten van conflicten hebben we inmiddels geprofessionaliseerd, we kunnen een beroep doen op mediators. Maar we kunnen ook een beroep doen op de God van Israël. Die gaf richtlijnen die ons vrede en recht kunnen brengen. Elke dag opnieuw.

Vergeef hem dan.

maandag, 26 maart, 2018

Marcus 11:12-25

12 Toen ze de volgende dag uit Betanië vertrokken, kreeg hij honger. 13  Hij zag in de verte een vijgenboom die in blad stond en ging erheen in de hoop iets eetbaars te vinden, maar toen hij bij de boom gekomen was, vond hij geen vruchten; het was namelijk nog niet de tijd voor vijgen. 14  Hij zei tegen de boom: ‘Nooit ofte nimmer zal er nog iemand vruchten van jou eten!’ Zijn leerlingen hoorden dit.15  Ze kwamen in Jeruzalem. Hij ging de tempel binnen en begon iedereen die daar iets kocht of verkocht weg te jagen; hij gooide de tafels van de geldwisselaars en de stoelen van de duivenverkopers omver, 16  en hij liet niet toe dat iemand voorwerpen over het tempelplein droeg. 17  Hij hield de omstanders voor: ‘Staat er niet geschreven: “Mijn huis moet voor alle volken een huis van gebed zijn”? Maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt!’18  De hogepriesters en de schriftgeleerden hoorden wat er gebeurd was en zochten naar een mogelijkheid om hem uit de weg te ruimen; ze waren bang voor hem, omdat het hele volk in de ban was van zijn onderricht. 19  Nadat de avond gevallen was, gingen Jezus en zijn leerlingen weg uit de stad.20  Toen ze ‘s morgens vroeg weer langs de vijgenboom kwamen, zagen ze dat hij tot aan de wortels verdord was.21  Petrus herinnerde zich het voorval en zei: ‘Rabbi, kijk, de vijgenboom die u vervloekt hebt, is verdord.’22  Jezus zei tegen hen: ‘Heb vertrouwen in God.23  Ik verzeker jullie: als iemand tegen die berg zegt: “Kom van je plaats en stort je in zee, ”en niet twijfelt in zijn hart, maar gelooft dat gebeuren zal wat hij zegt, dan zal het ook gebeuren. 24  Daarom zeg ik jullie: alles waarom jullie bidden en vragen, geloof dat je het al ontvangen hebt, en je zult het krijgen.25  Wanneer je staat te bidden en je hebt een ander iets te verwijten, vergeef hem dan, opdat ook jullie Vader in de hemel jullie je misstappen vergeeft.’(NBV)

Godsdienst, de dienst aan de God van Israël, en geld gaan niet samen. Toch ontkom je natuurlijk niet aan een zekere samenwerking. Een kerkgebouw moet onderhouden worden en de schilders en de dakdekkers moeten nu eenmaal ook leven. En in een gewone protestantse gemeente heeft een voorganger die de hele week rondgaat en de zieken en bejaarden bezoekt, trouwdiensten en begrafenissen leidt en op zondag ook nog preekt, ook recht op een salaris. Maar goed gaat het nooit. Of er wordt een te groot beroep gedaan op de gemeenteleden of er wordt te gemakkelijk verspild of niet goed begroot, goed gaat het nooit. De economie gaat minder, er komen steeds minder mensen in de kerk en steeds minder mensen geven minder geld. In het verhaal van vandaag gaat het nog erger. Niet alleen geeft de vijgenboom geen vruchten, de vijgenboom verdort zelfs helemaal, de tempel is verworden tot een marktplaats voor religie.

Geldwisselaars, offerdierenverkopers, het wemelt van mensen die een graantje meepikken van het religieus besef van de gemiddelde bezoekers. Ooit was de opdracht om als offer een maaltijd te houden, met mensen die dienst deden in de tempel, de levieten, met de armen en de vreemdelingen. Maar de levieten waren inzamelingen gaan houden voor hun levensonderhoud en de armen werd wijsgemaakt dat ze ook mee moesten betalen voor God. De vreemdelingen mochten er al helemaal niet meer komen. Jezus zwiept iedereen die er niet hoort de tempel uit. Dat moet een geweldige rel gegeven hebben. Als je zoiets doet voel je je natuurlijk ook heel sterk. Als iemand die zegt tegen een berg “Stort in de zee” en de berg doet het ook. Verzet tegen onrechtvaardigheid helpt. Maar de weerstand wordt ook groter. Al die mensen in onze samenleving die proberen ook samen met de vreemdelingen in ons midden een echte samenleving op te bouwen voelen zich steeds vaker bedreigd door de geweldige propaganda die TV programma’s maken voor de vreemdelingen angst die er bij een minderheid is.

Die TV programma’s doen dat onder het motto dat uiterst rechts ook gehoord moet worden maar niemand hoort ooit die grote hoeveelheid vrijwilligers die zich met taallessen, integratie in buurten, opvang van asielzoekers en rechtsbijstand bezig houden. Voor een echte rechtvaardige samenleving is nog veel werk te doen al geeft het moed te weten dat als je gelooft dat je het al ontvangen hebt je het ook zult krijgen. In de tijd van Jezus van Nazareth zullen sommigen gedacht hebben dat het hem in zijn bol geslagen is. De tijd voor vijgen was er nog niet eens en toch vervloekt hij de vijgenboom en wie wil er nu een berg verplaatsen. Handelaren uit de religie meppen helpt ook niet echt. Toch sterkt zo’n verhaal je bij het werken aan een nieuwe samenleving, hoe meer mensen er in slagen aan die samenleving samen vorm te geven hoe meer de angst voor het onbekende af zal nemen en vrede en gerechtigheid hun plaats weer zullen innemen. Vandaag dus maar weer aan die berg beginnen.

Het komende koninkrijk

zondag, 25 maart, 2018

Marcus 11:1-11

1 ¶  Toen ze Jeruzalem naderden en in de buurt waren van Betfage en Betanië bij de Olijfberg, stuurde hij twee van zijn leerlingen vooruit. Hij zei tegen hen: ‘Ga naar het dorp dat daar ligt. Zodra jullie er binnenkomen, zul je daar een ezelsveulen vastgebonden zien staan, dat nog nooit door iemand bereden is; maak het los en breng het hier. 3  En als iemand jullie vraagt waarom jullie dat doen, zeg dan: “De Heer heeft het nodig, hij zal het meteen weer terugsturen.”4  Ze gingen op weg en vonden een veulen dat buiten op straat bij een deur was vastgebonden en ze maakten het los. 5  Er stonden een paar mensen die vroegen: ‘Waarom maken jullie dat veulen los?’ 6  Ze zeiden wat Jezus hun had opgedragen te zeggen en de mensen lieten hen begaan. 7  Ze brachten het veulen naar Jezus en legden hun mantels op het dier en hij ging erop zitten. 8  Velen spreidden hun mantels uit op de weg, anderen spreidden takken met bladeren uit, die ze in het veld afhakten. 9  Allen die voor hem uit liepen of achter hem aan kwamen, riepen luidkeels: ‘Hosanna! Gezegend hij die komt in de naam van de Heer. 10  Gezegend het komende koninkrijk van onze vader David. Hosanna in de hemel!’ 11  Hij trok Jeruzalem in en ging naar de tempel. Nadat hij alles in ogenschouw had genomen, ging hij-want het was al laat geworden-met de twaalf terug naar Betanië. (NBV)

Vandaag gaat het in het leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap, dat we hier volgen, over het feest van Palmpasen. In dat verhaal bereid men zich kennelijk voor op de komst van dat nieuwe koninkrijk dat al heel lang beloofd was. Ooit, in de woestijn, was er een richtlijn en een God die zeiden dat je moest delen wat je had met elkaar. Later in de loop van de geschiedenis was er een koning David die vanuit die instelling de vijanden versloeg en vrede in het land bracht en waren er profeten geweest die steeds weer riepen dat het volk van die weg af dwaalde en dat als men op die weg terugkeerde het rijk van vrede en recht zou komen. De profeet Zacharia had zelfs gezegd dat er een zachtmoedige koning van de vrede zou komen die niet hoog te paard omringt door soldaten zijn intocht zou doen maar op een ezelsveulen. Nu was daar die Jezus van Nazareth. Die had het ook steeds over dat Koninkrijk, dat niet een Koninkrijk zou zijn zoals we dat overal in de wereld tegenkomen.

De wereld kent een koninkrijk van macht en aanzien, van economische groei ten koste van de armen in de wereld, maar niet een koninkrijk van dienen, van zorg voor de armen. Marcus vertelt het verhaal van de intocht op een geheel eigen manier. Het begint al in Jericho als Jezus gevolgd door een grote menigte optrekt naar Jeruzalem. Onderweg kwamen ze een blinde tegen die Jezus begroette als Zoon van David, de komende koning dus. Dat had hij goed gezien en hij kon als ziende mee met de stoet. Toen ze nog maar een paar kilometer van Jeruzalem waren begon Jezus van Nazareth zijn eigenlijke intocht. De ezel werd gehaald. Ze kregen de ezel mee omdat, zoals uit de Griekse tekst de lezen is, de leerlingen in het midden lieten of de eigenaar, de Keizer of Jezus van Nazareth de ezel nodig hadden. Onder het zingen van Psalm 118 begon de tocht. Jezus van Nazareth gaat naar de plaats waar de Wet van de Woestijn een centrale plek had gekregen, Jeruzalem.

De reis naar Jeruzalem werd een soort demonstratie, een met mantels versierde ezel, takken van de bomen, mantels op de grond en juichen voor het nieuwe Koninkrijk. Als je van die takken hoort denk je onwillekeurig aan het Loofhuttenfeest als er hutten van takken gebouwd worden als herinnering aan de reis door de woestijn. Dwars tegen de Romeinse bezetter wordt dat nieuwe rijk van David, het koninkrijk van vrede en recht alvast door de mensen uitgeroepen. Maar zo eenvoudig is het niet, er zal gewerkt moeten worden. Als het dus laat in de avond is geworden, en Jezus van Nazareth gezien heeft wat er van de Tempel echt is geworden, gaan ze weer terug. Vrede en recht vestigen zich niet op aarde als we er allemaal om juichen. Daarvoor is het werk van Jezus van Nazareth nodig geweest en onze navolging, ons werk voor de minsten van de aarde, elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Een groot aantal paarden en strijdwagens.

zaterdag, 24 maart, 2018

Jozua 11:1-15

1 Toen Jabin, de koning van Hasor, van Israëls zegetocht hoorde, stuurde hij boden naar Jobab, de koning van Madon, naar de koningen van Simron en Achsaf 2  en naar de overige koningen van het noorden: het bergland, de Jordaanvallei ten zuiden van het Meer van Kinneret, het heuvelland en het kustgebied van Dor in het westen. 3  Het betrof de koningen van de Kanaänieten in het oosten en het westen, de Amorieten, de Hethieten, de Perizzieten, de Jebusieten in het bergland en de Chiwwieten aan de voet van de Hermon, in de streek van Mispa. 4  Die koningen trokken met hun legers ten strijde: het was een onafzienbare menigte soldaten, zo talrijk als zandkorrels aan de zee, met een groot aantal paarden en strijdwagens. 5  Al die koningen troffen elkaar bij de bronnen van Merom, waar ze hun kamp opsloegen. Daar kwamen ze samen om de strijd aan te binden tegen Israël. 6  Maar de HEER zei tegen Jozua: ‘Je hoeft niet bang voor ze te zijn. Ik zorg ervoor dat jullie ze morgen om deze tijd allemaal dood op de grond zien liggen. Dan moet je hun paarden de pezen doorsnijden en hun strijdwagens verbranden.’ 7  Jozua ging toen met zijn leger de strijd met hen aan. De Israëlieten verrasten hen in een plotselinge aanval bij de bronnen van Merom, 8  en de HEER leverde hen uit aan Israël. Ze brachten hun een nederlaag toe en achtervolgden hen tot aan Groot-Sidon, Misrefot-Maïm en de Mispevallei in het oosten. Ze doodden hen tot er niemand meer over was. 9  En Jozua deed wat de HEER hem had opgedragen: hij liet hun paarden de pezen doorsnijden en hun strijdwagens verbranden. 10 Op zijn terugtocht ging Jozua naar Hasor. Die stad was destijds de machtigste van al die koninkrijken en dus nam Jozua haar in en doodde hij de koning. 11  Hij doodde bovendien alle inwoners. De Israëlieten brachten iedereen die er woonde om, geen mens uitgezonderd. Jozua liet Hasor in vlammen opgaan 12  en daarna nam hij de steden van de andere koningen in. Hij nam hen gevangen en doodde hen, en doodde eveneens alle inwoners. Hij bracht iedereen om, zoals Mozes, de dienaar van de HEER, had opgedragen. 13  Maar Jozua liet alleen Hasor verbranden; alle andere, nu nog bestaande steden werden door de Israëlieten niet verbrand. 14  Van deze steden maakten ze de goederen en het vee voor zichzelf buit, ze doodden echter alle mensen. Ze roeiden de inwoners zonder uitzondering uit. 15 De HEER had dit aan zijn dienaar Mozes opgedragen, en Mozes had het aan Jozua opgedragen, en Jozua voerde het uit. Hij liet niets achterwege van wat de HEER aan Mozes had opgedragen. (NBV)

De helft van het land was met veel strijd ingenomen. Ze hadden geen soldaat verloren maar het volk van Israël was er ook niks mee opgeschoten. Ze zaten weer in het kamp bij Gilgal. En er waren nog een heleboel koningen over in Kanaän, elke stad had daar een eigen koning. Die koningen sloten nu een nieuw verbond met elkaar. Dit op initiatief van de machtigste koning van allemaal. Een geweldig leger werd bijeen gebracht, ontelbare soldaten, zo talrijk als de zandkorrels aan zee. Aan welke zee? Kennelijk aan de Rietzee want er waren weer paarden en wagens die het op het volk Israël hadden voorzien. En paarden en wagens kenden ze nog uit Egypte, die hadden hen achtervolgd toen het volk door de Rietzee trok. Maar de paarden en wagens gingen toen in het doodswater van de Rietzee ten onder. Nu hadden ze een ervaren leger dat de bevelen van de God van Israël uitvoerde. Angst was er niet bij, ze waren geen vluchtelingen meer, geen slaven meer, maar een volk met een God en een volk van die God. Zo konden ze hun vijanden verslaan.

De paarden en wagens komen in de Hebreeuwse Bijbel vaker voor. Ze staan altijd voor de zucht naar oorlog, voor het verlangen met geweld anderen tot slaven te maken. De God van Israël moet er niets van hebben, altijd wordt het volk opgeroepen om de paarden en de wagens te vernietigen, altijd klinkt die oproep bovenop de roep om de vijanden te verslaan. Jozua krijgt dat bevel in dit verhaal ook en Jozua snijd de pezen van de paarden door, dan worden ze kreupel. Je kunt ook lezen dat Jozua alle banden met Egypte, met de zucht naar oorlog, geweld en onderdrukking, doorsnijdt. Het volk van Israël is niet oorlogszuchtig, het is een volk dat in vrede wil leven en wil kunnen zorgen voor de weduwen en de wezen, de armen en de vreemdelingen die bij hen wonen. Het is een volk dat weet heeft van gastvrijheid, van delen met elkaar. Daar is hun godsdienst op gebouwd, zo willen ze hun samenleving inrichten.

Er wordt over dit stuk uit het boek Jozua wel eens geroepen dat het de Bijbel neerhaalt. Hele bevolkingen worden tot de laatste persoon uitgeroeid. Wie dit stuk als geïsoleerd van de rest van de Bijbel leest krijgt die indruk. Maar de voorgaande strijd tegen de volken in Kanaän die je in de boeken Rechters, Samuël en Koningen kan lezen doet toch anders vermoeden. Pas onder Koning David breekt de vrede aan waar het volk al die tijd naar heeft gesmacht. David neemt de steden in en vestigt er garnizoenen die moeten voorkomen dat de volken uit die steden steeds in opstand komen. Jozua begint eigenlijk met het wegnemen van het kwaad door in elk geval de Koningen verantwoordelijk te stellen voor het geweld dat tegen Israël wordt gebruikt en hen te berechten. Als wij op onze geschiedenis terug kijken dan zien we dat het eeuwen heeft geduurd voordat we zo ver zijn dat leiders van volken verantwoordelijk worden gehouden voor het geweld dat ze tegen anderen hebben gebruikt. We hebben een internationaal strafhof met onafhankelijke rechters. Toch moeten we nog leren de wereld er van te overtuigen dat hier ook echt gebruik van moet worden gemaakt. Dat is een Bijbelse opdracht die we vandaag ook uit het verhaal over Jozua kunnen leren.

Terug naar het kamp bij Gilgal.

vrijdag, 23 maart, 2018

Jozua 10:29-43

29  Vervolgens trok Jozua met het hele leger van Makkeda naar Libna. Hij viel Libna aan, 30  en de HEER leverde ook die stad en haar koning aan Israël uit. Jozua doodde iedereen die er woonde, hij liet geen mens in leven. Met de koning van Libna deed hij hetzelfde als hij met de koning van Jericho had gedaan. 31  Vervolgens trok Jozua met het leger van Libna naar Lachis. Hij sloeg het beleg voor die stad en viel haar aan. 32  De HEER gaf Israël Lachis in handen; Jozua nam de stad in op de tweede dag van het beleg en hij doodde iedereen die er woonde, zoals hij in Libna had gedaan. 33  Horam, de koning van Gezer, kwam Lachis te hulp, maar Jozua versloeg hem. Hij doodde hem en zijn soldaten tot er niemand meer over was. 34  Vervolgens trok Jozua met het leger van Lachis naar Eglon. Ze sloegen het beleg voor die stad en vielen haar aan. 35  Ze namen Eglon in één dag in en doodden alle inwoners. Jozua bracht iedereen die er woonde om, zoals hij in Lachis had gedaan. 36  Vervolgens trok Jozua met het leger van Eglon naar Hebron. Ze vielen Hebron aan, 37  namen die stad in en doodden er evenals in Eglon de koning en alle inwoners. Jozua liet ook van de omliggende steden geen mens in leven, hij bracht iedereen om. 38  Op zijn terugtocht ging Jozua met het leger naar Debir. Hij viel die stad aan, 39  nam haar in en veroverde ook de omliggende steden. Hij doodde de koning en alle inwoners. De Israëlieten brachten iedereen om, Jozua liet geen mens in leven. Wat hij met Hebron en Libna en de koningen ervan had gedaan, deed hij ook met Debir en zijn koning. 40  Zo veroverde Jozua het volgende gebied: het bergland, de Negev, het heuvelland en de streek van de rotskloven. Hij liet geen enkele koning in leven, hij bracht iedereen die er woonde om, zoals de HEER, de God van Israël, had opgedragen. 41  Jozua trok van Kades-Barnea tot aan Gaza en van het hele gebied rond Gosen tot aan Gibeon, en hij doodde er iedereen. 42  Hij veroverde de gebieden van al die koningen op één veldtocht doordat de HEER, de God van Israël, voor Israël streed. 43  Daarna keerde Jozua met het leger terug naar het kamp bij Gilgal. (NBV)

Wat win je eigenlijk met een oorlog? Wat levert een succesvolle veldtocht je op? We lezen vandaag een verhaal over een succesvolle veldtocht van Jozua. Een groot veldheer. Niemand wilde het land dat overvloeide van melk en honing delen met de woestijnzwervers, maar ze werden allemaal overwonnen en uitgeroeid. En dan? Dan niks. Dan ben je weer net zo ver als je begon. Dan gaat dat hele succesvolle leger weer naar het eerste kamp dat ze als volk hadden opgeslagen, naar Gilgal. In onze dagen zien we dat ook. De troepen worden na een hevige en toch wel succesvolle oorlog teruggetrokken uit Afghanistan en uit Irak. En dan? En nu? Er wordt nog steeds net zo hard gevochten als voorheen. Individuele krijgsheren en opstandelingen hadden zich verenigd en voorzien van een aanlokkelijke slogan: De Islamitische Staat. We zijn weer net zo ver als voorheen. Net als het volk Israël. Wij menen rechtvaardige oorlogen gevoerd te hebben, Israël zo vertelt het verhaal had de God van Israël aan haar zijde. Maar alle bloedvergieten brengt je gewoon weer terug waar je begonnen was.

Is dit nu een historisch verslag van de veldtocht? Dat zou merkwaardig zijn. Wij herkennen niet alle steden en plaatsen die worden genoemd. Maar er is één streek die bijbelgetrouwe gelovigen gelijk herkennen. Dat is het land Gosen. Het hele gebied rond het land Gosen tot aan Gibeon wordt ingenomen. Maar Gosen ligt in de Nijldelta. Dat was het land dat niet door de God van Israël maar door de Farao aan het volk was gegeven. Daar waren ze tot slaven gemaakt, daar waren ze uitgetrokken uit het land van de dood, door de Riezee, op dezelfde manier waarop ze nu door de Jordaan waren getrokken. Het verhaal is dus niet een historisch verslag maar een waarschuwing. Ook al heb je de God van Israël aan je kant, ook al vecht je een rechtvaardige oorlog, de dreiging van slavernij is er altijd. Slavernij aan de machten en krachten die zich aan jou spiegelen. Machten en krachten die ook hun oorlog en opstand kunnen overgieten met een saus van godsdienst en gerechtigheid. Die net als jij zich de opdracht kunnen toemeten alle tegenstanders uit te roeien. Met die opdracht kom je geen stap verder.

De steden die worden genoemd zijn niet allemaal bekend. De namen waarmee de steden zijn aangeduid zijn in de loop van eeuwen waarin het verhaal werd doorverteld langzaam aan veranderd. Over sommige steden bestaat zelfs verwarring. Hebron bijvoorbeeld wordt later nog een keer door Kaleb, de medestander als verspieder van Jozua, veroverd voor zijn familie. Het heeft een bijzondere positie. Het zou de Koningsstad van David worden, die later Jeruzalem tot hoofdstad van het verenigde noord en zuid rijk zou maken. Jeruzalem wordt dus ook in dit verhaal niet genoemd. Er zal eerst een koning naar Gods hart moeten komen voor die bijzondere stad kan worden ingenomen. Jeruzalem heeft in dit verhaal dus eigenlijk al een bijzondere positie. Het is niet een stad die je verovert zonder dat het ergens op uit loopt. In Jeruzalem zal de Tabernakel, de tent der ontmoeting haar definitieve bestemming vinden. Daar zal die bijzondere tent door een tempel worden opgevolgd. Wie dit verhaal leest mag vragen, waar is Jeruzalem, het antwoord is dat het nog moet komen. Het verslaan van vijanden is nog iets heel anders dan het opbouwen van een land volgens de aanwijzingen van de God van Israël, daar mogen wij ook elke dag aan denken.

Blijf vastberaden en standvastig.

donderdag, 22 maart, 2018

Jozua 10:16-28

16  De vijf koningen waren gevlucht en hadden zich in een grot bij Makkeda verscholen. 17  Toen Jozua hoorde dat ze daar waren ontdekt, 18  gaf hij bevel die grot met grote stenen af te sluiten en er een wachtpost bij te zetten. 19  ‘Maar het leger mag hier niet blijven, ‘zei hij. ‘Ga de vijand achterna. Vernietig wat er nog van over is. Laat ze niet ontkomen naar hun steden nu de HEER, jullie God, ze aan jullie heeft overgeleverd.’ 20-21 En het leger van Israël keerde pas terug naar Jozua, naar de legerplaats bij Makkeda, nadat het de vijand vernietigend verslagen had, tot de laatste man, en nadat de paar vijanden die nog konden vluchten, waren ontkomen in hun vestingsteden. Van Israël was geen enkele soldaat ook maar een haar gekrenkt. 22  Nadat het leger was teruggekeerd, beval Jozua: ‘Haal die vijf koningen uit de grot en breng ze bij me.’ 23  Zijn bevel werd uitgevoerd, de vijf koningen werden bij Jozua gebracht: de koningen van Jeruzalem, Hebron, Jarmut, Lachis en Eglon. 24  Jozua liet het hele leger aantreden en riep de aanvoerders naar voren, de mannen die hem in de strijd ter zijde hadden gestaan. ‘Zet jullie voet op de nek van die koningen, ‘beval hij hun. Nadat ze dit hadden gedaan, 25  zei hij: ‘Wees niet bang en laat je door niets ontmoedigen, blijf vastberaden en standvastig. De HEER zal met alle vijanden die jullie nog moeten bevechten hetzelfde doen als met deze koningen.’ 26  En met die woorden sloeg Jozua de vijf koningen dood, waarna hij hen aan vijf bomen liet ophangen. Daar hingen ze tot de avond. 27  Bij zonsondergang gaf Jozua bevel hen van de bomen te halen, hen in de grot te gooien waarin ze zich hadden verscholen en die met grote stenen af te sluiten. Die stenen liggen er tot op de dag van vandaag. 28 Jozua had op dezelfde dag Makkeda ingenomen en de koning en alle inwoners gedood. Hij bracht iedereen die er woonde om, hij liet geen mens in leven. Met de koning van Makkeda deed hij hetzelfde als hij met de koning van Jericho had gedaan. (NBV)

Bondgenootschappen hebben weinig nut en leiden meestal tot zelfoverschatting. Een les die het volk Israël te leren had in de aanloop naar de ballingschap en een les die ze zouden moeten trekken uit de ballingschap. Het verhaal van Jozua is daarbij zeer behulpzaam. Jozua is de tegenstander van een verbond van maar liefst vijf koningen. Vijf koningen die een bondgenoot van Israël bedreigden. Niet dat Koningen zelf gaan vechten, dat laten ze aan het gewone volk over. De vijf koningen hadden zich verstopt in een grot, zoals eens David zich had verstopt in een grot toen hij op de vlucht was voor Saul. Jozua liet ze daar opsluiten. Eerst moest hun leger in de pan worden gehakt en op de vlucht worden gejaagd. De vluchtende soldaten worden in dit verhaal met rust gelaten, zij mogen vluchten naar hun steden. Natuurlijk mogen de soldaten van Israël hun vijanden niet laten ontkomen. Een al te slappe houding zou dat leger wellicht inspireren tot een herhaling van de oorlog.

Maar er vluchten toch genoeg soldaten naar hun steden. Het leger van Israël trok na de strijd terug naar het legerkamp dat inmiddels bij die grot van de Koningen was opgeslagen. Daar werden de Koningen vernederd. Zij waren het symbool voor hun koninkrijken en door de laars op de nek van de overwonnen koning te plaatsen werd de onderwerping en de verovering van hun koninkrijken uitgedrukt en bijna ritueel duidelijk gemaakt. Dan laat Jozua de Koningen ophangen aan vijf bomen. Een gruwelijk beeld. Daar hangen ze de rest van de dag. Overeenkomstig de Tora worden ze tegen de avond van de bomen afgehaald en terug in hun vluchtgrot geworpen, dood. De grot afgesloten van stenen en dat was het. Maar ook dit verhaal over een bestraffing is een les. Het was een les voor het volk niet de zwakken, de gewone mensen te straffen voor de daden van hun leiders. Een les die we ook nu nog kunnen trekken. Na de eerste wereldoorlog werden op het Duitse volk zulke strenge lasten gelegd dat het wel tot een Tweede oorlog moest leiden. Er zijn mensen die vinden dat ook de gewone mensen in Griekenland het te zwaar krijgen als gevolg van de daden van de rijken en de machtigen in hun land.

Het was ook een les voor Koning Saul. Toen die eindelijk de vaste vijand van Israël, Amelek had overwonnen liet hij het hele volk ombrengen, behalve de koning. Voor die koning had hij een losgeld willen vragen. Maar de overwinningen van Israël komen voort uit het verbond met de God van Israël en die had bevel gegeven de Koning te doden en het volk ongemoeid te laten. Het was toen Samuël geweest die de Koning van Amelek doodde. In dit verhaal van Jozua wordt het bevel van de God van Israël gevolgd. Zoals Mozes aan Jozua had opgedragen waren de volken van Kanaän overwonnen. Wie niet wilde delen van een land dat overvloeide van melk en honing moest uit dat land worden verdreven. Met wie zich niets gelegen wilde laten aan de Tora mocht men geen verbond aangaan, Israël kon wel eens andere goden gaan nalopen op grond van een verbond met vreemde volken. Het volk van Gibeon zou uiteindelijk het hout hakken voor de offers bij de Tempel en het water halen voor de rituele wassingen. Jozua deed wat Mozes opdroeg, Mozes voerde het bevel van God uit en zo werd het beloofde land het land Israël. Voor ons alle reden om onze bondgenootschappen en onze wijze van oorlogvoeren nog eens op een rij te zetten en er het licht van de Tora over te laten schijnen.