Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor januari, 2018

Alles is mij toegestaan.

zondag, 21 januari, 2018

1 Korintiërs 6:12-20

12 ¶  U zegt: ‘Alles is mij toegestaan.’ Maar niet alles is goed voor u. Zeker, alles is mij toegestaan, maar ik mag me door niets laten beheersen. 13  U zegt: ‘Het voedsel is er voor de buik en de buik is er voor het voedsel, en God zal aan beide een einde maken.’ Maar bedenk dat het lichaam er niet is om ontucht mee te plegen: het is er voor de Heer en de Heer is er voor het lichaam. 14  God heeft de Heer opgewekt, en door zijn macht zal hij ook ons opwekken. 15  Weet u niet dat uw lichaam een deel is van het lichaam van Christus? Zou ik dan van de delen van zijn lichaam de lichaamsdelen van een hoer maken? Dat nooit! 16  Of weet u niet dat wie zich met een hoer verenigt samen met haar één lichaam wordt? Want de Schrift zegt: ‘Zij zullen één lichaam zijn.’ 17  Maar wie zich met de Heer verenigt wordt met hem één geest. 18  Ga ontucht uit de weg! Geen enkele andere zonde die een mens kan begaan tast het lichaam aan, maar wie ontucht pleegt zondigt tegen het eigen lichaam. 19  Of weet u niet dat uw lichaam een tempel is van de heilige Geest, die in u woont en die u ontvangen hebt van God, en weet u niet dat u niet van uzelf bent? 20  U bent gekocht en betaald, dus bewijs God eer met uw lichaam.  (NBV)

Dat is nog eens een mooie tekst uit de Bijbel: “alles is mij toegestaan.” Die Christenen komen altijd met nieuwe regeltjes, geboden en verboden, je moet van alles en je mag niks. Kennelijk staan er ook andere zaken in de Bijbel en het werkt bevrijdend als je beseft dat de grote Paulus, de man van de vele brieven, aan zijn gemeente in Kortinthe schrijft dat alles is toegestaan. Maar niet alles is nuttig schrijft hij er achteraan. Dat hadden we natuurlijk ook zelf wel kunnen bedenken. Wie goed nadenkt weet dat goed voor jezelf zorgen nuttiger is dan jezelf verwaarlozen. Teveel alcohol, stevig roken, drugs gebruiken, het zijn allemaal zaken die zeer plezierig kunnen zijn maar die niet echt nuttig zijn voor een gezond en welvarend bestaan, zaken die je dus maar beter in de hand kan houden. En daar gaat het in dit gedeelte van de brief aan de Korintiërs over: wordt geen slaaf, van niks en niemand.

In de eerste plaats heeft Paulus het hier over de seksualiteit. Hij had al geschreven dat iedereen een Tempel is van de Geest van de God van Israël. Als je weet hebt van het Tempel zijn dan kun je iets betekenen voor anderen, dan heb je oog voor de minsten, dan bevrijd je anderen van armoede, geweld, honger en uitzichtloosheid. Dan gaan de lammen weer lopen en de blinden weer zien, dan krijgen mensen weer een toekomst. Maar word je dan zelf slaaf? Ben je dan een slaaf van je eigen lustgevoel? Heb je dan een ander mens nodig om je eigen lust te bevredigen? Wil je zelf als voorwerp behandeld worden? Nee toch! Wie anderen als zuster en broeder behandeld, anderen liefheeft als zichzelf die kan de ander al helemaal niet meer behandelen als object, als voorwerp, die kan ook met zichzelf geen hoererij bedrijven. Paulus heeft nog wel eens van die ingewikkelde zinnen nodig maar het is eigenlijk heel eenvoudig. Wie net als Jezus van Nazareth van mensen wil houden die kan mensen niet vernederen en ten eigen bate gebruiken.

Paulus gebruikt hier beelden die uit de slavenhandel afkomstig zijn. Wij kennen dat niet meer uit de dagelijkse praktijk. Als wij naar onze wekelijkse warenmarkt gaan dan is daar geen podium meer waar mannen en vrouwen, kinderen en grijsaards, te koop worden aangeboden alsof het potten en pannen zijn die je in je huis zou kunnen gebruiken. In de dagen van Paulus was dat heel gewoon. Binnen de Christelijke gemeente viel het onderscheid tussen slaven en vrijen weg. Paulus roept nu ons op ons ook van onze eigen verslavingen te bevrijden, we zijn immers vrijgekocht betoogd hij. Zoals slaven konden worden vrijgekocht zo zitten ook wij niet meer vast aan regels en geboden, niet van binnen uit en niet van buiten af. We zijn vrije mensen, niemand is onze baas, niemand heeft ons in eigendom, we hebben één Heer, dat is God zelf. Het heeft verreikende gevolgen let maar eens op vandaag hoe vaak je het gevoel hebt dat iets moet in plaats van dat het mag. En bevrijd je van dat moeten, je wil zelf dat dingen goed gedaan worden, daar kies je in vrijheid voor.

Waarom lijdt u niet liever onrecht?

zaterdag, 20 januari, 2018

1 Korintiërs 6:1-11

1 ¶  Hoe durft u onderlinge rechtsgeschillen voor ongelovigen te brengen in plaats van voor de gelovigen! 2  Weet u dan niet dat Gods heiligen over de wereld zullen oordelen? En als u over de wereld zult oordelen, zou u dan niet in staat zijn om te oordelen over de meest onbeduidende rechtsgeschillen? 3  Weet u niet dat wij over engelen zullen oordelen? Dan kunnen we dat toch zeker ook over alledaagse zaken? 4  Wilt u werkelijk uw alledaagse geschillen aanhangig maken bij mensen die bij de gemeente geen aanzien genieten? 5  U moest u schamen. Is er dan niet één wijs mens onder u die tussen broeders en zusters uitspraak kan doen? 6  Is het werkelijk nodig dat de een de ander voor het gerecht sleept, en nog wel voor dat van ongelovigen? 7  Het is al treurig genoeg dat er rechtsgeschillen bij u voorkomen. Waarom lijdt u niet liever onrecht? Waarom laat u zich niet liever benadelen? 8  In plaats daarvan begaat u zelf onrecht en benadeelt u anderen, en dan nog wel broeders en zusters. 9 ¶  Weet u niet dat wie onrecht doet geen deel zal hebben aan het koninkrijk van God? Vergis u niet. Ontuchtplegers noch afgodendienaars, overspeligen, schandknapen noch knapenschenders, 10  dieven noch geldwolven, dronkaards, lasteraars noch uitbuiters zullen deel hebben aan het koninkrijk van God. 11  Sommigen van u zijn dat ooit geweest, maar u bent gereinigd, u bent geheiligd, u bent rechtvaardig verklaard in de naam van de Heer Jezus Christus en door de Geest van onze God. (NBV)

Het zoeken van een eerlijke rechterlijke uitspraak is geen voor de hand liggende zaak. Paulus verwijt zijn gemeenteleden in Korinthe dat ze tegen elkaar processen voeren bij de Heidenen. Nu is dat niet zo vreemd. Als je een rechtsgeschil hebt dan leg je dat voor aan onafhankelijke rechters en bij een uiteindelijk uitspraak leg je je neer. Waarom gaat Paulus hier dan zo tegen te keer? Het antwoord vinden we om ons heen en in het Oude Testament. In die Hebreeuwse Bijbel wordt herhaaldelijk geklaagd over de kwaliteit van de rechtspraak. Rechters laten zich beïnvloeden door de maatschappelijke status van de partijen. De meest invloedrijke, de machtigste en de rijkste, krijgen dan gelijk. Dat terwijl het uitgangspunt zou moeten zijn dat het recht voor allen gelijk is. Maar rijken kunnen nu eenmaal de beste advocaten inhuren en hebben daarom altijd een voorsprong. In de Romeinse Rechtspraak werd die gelijkheid gesymboliseerd door de godin Justitia die het zwaard van de rechters heeft en een blinddoek voor de ogen.

In de Heidense rechtspraak, de verkeerde rechtspraak komt echter ook omkoping voor. Verschillende profeten waren daar in de geschiedenis al tegen te hoop gelopen en in het boek Prediker komt de verzuchting voor dat wie naar de plaats van het recht kijkt onrecht ziet. Is dat in onze dagen anders? Niet meer. De rechten die je moet betalen om een proces te voeren zijn zo hoog geworden dat mensen met een wat lager inkomen een te groot deel van hun inkomen aan deze zogenaamde griffierechten moeten betalen om nog een proces te kunnen voeren. Rechters en advocaten zijn vergeefs te hoop gelopen tegen deze ongelijkheid. Rijke firma’s en mensen met een hoog inkomen kunnen het zich gemakkelijk permitteren de armen te dagen voor de rechtbank. Zij lopen dus voortdurend de kans het recht aan hun zijde te vinden omdat er een verschil is in inkomens en vermogenspositie. De Bijbel noemt dat onrecht, Paulus voegt daar aan toe dat een gemeente van Jezus van Nazareth daar niets mee te maken moet willen hebben.

Moet je dan maar in eigen kring rechtbanken organiseren om tenminste een eerlijke en Christelijke rechtspraak te garanderen? Paulus gruwt er van in het gedeelte dat we vandaag lezen. Het zijn immers broeders en zusters die geschillen met elkaar willen uitvechten. En wat voor indruk moet een jonge gemeente wel maken op de buitenwereld als de leden er van elkaar tot op het bot willen bevechten via rechtsgedingen? Daar is toch niets te vinden van onderlinge liefde en solidariteit? Daar merk je toch niks van het elkaar liefhebben als jezelf? Als je weet hebt van goed en kwaad en er van overtuigd bent dat ook de ander weet heeft van goed en kwaad dan moet je toch in goed onderling overleg een oplossing voor je geschil weten te vinden? De hedendaagse praktijk van de mediatie gaat daar eigenlijk ook van uit. Eigenlijk, zegt Paulus, zou je aan het onderling oplossen van conflicten kunnen laten zien wat voor rijkdom een Christelijke gemeente in haar midden heeft. Dat geldt natuurlijk ook vandaag de dag, al zou de diaconie misschien toch de absurd hoge griffiekosten wat vaker voor haar rekening kunnen nemen bij de armen. Maar onderlinge conflicten in de gemeente zou je ook onderling moeten kunnen oplossen.

Verwijder wie kwaad doet uit uw midden.

vrijdag, 19 januari, 2018

1 Korintiërs 5:1-13

1 Het is algemeen bekend dat er een geval van ontucht bij u is dat zelfs bij de heidenen niet voorkomt: er is iemand die met de vrouw van zijn vader leeft. 2  En u blijft maar trots op uzelf. Zou u niet eerder geschokt en bedroefd moeten zijn en degene die dit doet uit uw midden moeten verwijderen? 3-4 Wat mijzelf betreft, in persoon ben ik afwezig, maar in de geest ben ik aanwezig; en alsof ik bij u was, heb ik in de naam van onze Heer Jezus de man die dit doet al veroordeeld. Wanneer u en ik dus in de geest bij elkaar zijn, en de kracht van onze Heer Jezus bij ons is, 5  moet u die persoon aan Satan uitleveren. Dan gaat zijn huidige bestaan verloren, opdat hij zal worden gered op de dag van de Heer. 6  U hebt geen enkele reden om zo zelfvoldaan te zijn. Weet u niet dat al een beetje desem het hele deeg zuur maakt? 7 Doe de oude desem weg en wees als nieuw deeg. U bent immers als ongedesemd brood omdat ons pesachlam, Christus, is geslacht. 8  Laten we daarom het feest niet vieren met de oude desem van kwaad en ontucht, maar met het ongedesemde brood van reinheid en waarheid. 9 ¶  Ik heb u in mijn vorige brief gezegd dat u niet moet omgaan met ontuchtplegers, 10  maar dat betekent niet dat u alle ontuchtplegers die er in de wereld zijn, of alle geldwolven, uitbuiters en afgodendienaars moet mijden. Dan zou u de wereld moeten verlaten. 11  Wat ik bedoel is dit: u mag niet omgaan met iemand die zichzelf een broeder of zuster noemt, maar in feite een ontuchtpleger is, een geldwolf, afgodendienaar, lasteraar, dronkaard of uitbuiter. Met zo iemand mag u beslist niet eten. 12  Waarom zouden we over buitenstaanders oordelen? U hoeft toch alleen te oordelen over leden van de gemeente? 13  Over de buitenstaanders zal God oordelen. Maar binnen de gemeente geldt: ‘Verwijder wie kwaad doet uit uw midden.’ (NBV)

De media staan vol met verhalen over misdrijven van seksuele aard die gepleegd zijn binnen een kerkelijke context. Om allerlei redenen trekken de misdrijven gepleegd binnen het kader van de Rooms Katholieke Kerk daarbij de meeste aandacht. Maar ook in Protestantse kringen duiken verhalen van seksueel misbruik van tijd tot tijd op. Zeker als het gaat om misbruik van kinderen zijn er geen woorden voorhanden om er ook maar een klein beetje begrip voor op te brengen, dit soort misdrijven kan niet hard genoeg veroordeeld worden. Toch is het vreemd te merken dat kerken geneigd zijn om niet de adviezen van de Bijbel te volgen. Hierboven staat een citaat uit het slot van het stukje dat we vandaag uit de brief aan de gemeente van Korinthe lezen. Het is een vertaling uit het Grieks. Maar of je de dader nu boze, boosdoener of kwaaddoener noemt zoals de Statenvertaling, de vertaling uit 1951 en de Herstelde Statenvertaling doen, het advies wordt er niet anders van: uit uw midden verdrijven.

De reden van dit hard klinkende advies maakt Paulus ook duidelijk. Een gemeente wordt juist op dit soort misdrijven aangekeken. Het is als het gist in het brood. Je vindt het bijna niet terug, brood bevat maar weinig gist, maar brood zonder gist is toch heel iets anders. Zo werkt één kwaaddoener door in het beeld dat men heeft van de Christelijke gemeente. Een gemeente waarin het verschil tussen mannen en vrouwen, slaven en vrijen, Joden en Grieken zou moeten zijn verdwenen. In de dagen van Paulus was dat al een radicale breuk met de bestaande samenleving. Maar het is geen verzameling van mensen die er maar op los leven, die alleen uit zijn op bevrediging van hun eigen behoeften en verlangens en daarvoor willekeurig wie ook kunnen gebruiken. Integendeel, het wegvallen van de verschillen die Paulus noemt maakt dat mensen altijd respect voor elkaar hebben, de ander beschouwen als zichzelf en de ander dus niet aandoen wat men zichzelf niet aangedaan wil worden. Men heeft elkaar lief als zichzelf.

Paulus schrijft dit naar aanleiding van een zonde die hem ter ore is gekomen. Welke zonde dat is wordt ons niet helemaal duidelijk, het gaat om iemand die met de vrouw van zijn vader leeft. Dat zou toch heel mooi kunnen zijn, als vader gestorven is en een zoon neemt de verzorging en de bescherming van zijn stiefmoeder op zich nadat deze weduwe geworden is dan is dat toch een mooie daad. Het moet dus iets anders geweest zijn dat de verbazing en verontwaardiging van Paulus heeft gewekt. Paulus gebruikt hier een woord dat uit het Grieks beter met hoererij kan worden vertaald. En een seksuele relatie met je stiefmoeder is streng verboden in de Joodse wet en werd ook in de Romeinse   wet niet getolereerd. Paulus laat er geen misverstand over bestaan, zoiets hoort binnen de Christelijke gemeente niet thuis, zo doen wij dat niet. Dat betekent niet dat we de regels aan iedereen willen opleggen. Christenen doen wel eens of dat wel het geval is. Maar wat buiten de gemeente gebeurd is aan God om over te oordelen. Binnen de gemeente gelden liefde en respect als uitgangspunten. En daaraan is ook vandaag nog niks veranderd. Zeker voor misbruikers van kinderen geldt dus gewoon het advies van Paulus: schop ze de kerk uit!

Sta op, HEER, en red mij

donderdag, 18 januari, 2018

Psalm 3

1 ¶  Een psalm van David, op de vlucht voor zijn zoon Absalom. 2 HEER, hoe talrijk zijn mijn belagers, velen vallen mij aan, 3 velen zeggen van mij: ‘God zal hem niet redden.’ sela 4 U, HEER, bent een schild om mij heen, u bent mijn eer, u houdt mij staande. 5 Roep ik tot de HEER om hulp, hij antwoordt mij vanaf zijn heilige berg. sela 6 Ik ga liggen, val in slaap en word wakker-de HEER beschermt mij. 7 Ik vrees de tienduizenden niet die mij aan alle kanten omringen. 8 Sta op, HEER, en red mij, God, sla mijn vijanden in het gezicht, breek de tanden van de wettelozen. 9 Bij u, HEER, is redding, uw zegen rust op uw volk. sela

Vandaag lezen we een psalm van onverwachte tegenslagen. We doen dat tegen de achtergrond van de verhalen over David, zoals ze opgetekend zijn in de boeken van Samuël. David kennen we als de grote koning van Israël, de koning naar Gods hart. Denk nu niet dat die David een gemakkelijk leven heeft gehad. Voordat hij koning werd moest hij vluchten voor zijn voorganger Saul. Het ging zelfs zo ver dat zich met zijn leger moest verhuren aan de vijanden. Toen hij eenmaal koning was ging het hem ook niet voor de wind. De ene na de andere zoon kwam tegen hem in opstand. Vooral de opstand van Absalom was zeer pijnlijk en zelfs op de vlucht doken er mensen op die het kwaad voor hadden met David. Geen wonder dat de traditie deze psalm plaatst in de tijd dat David op de vlucht was voor Absalom.

Ondanks alle tegenslag blijft de dichter van deze psalm vertrouwen op God. Hoewel het voortdurend een zaak is van één tegen velen blijft die ene beweren dat God beschermt. Voor ons kan dat zeer vreemd in de oren klinken. Hoeveel onschuldigen verliezen in onze dagen het leven aan onderdrukking en geweld. En hoe vaak hoor je dan niet dat er geen God kan bestaan omdat er niet wordt ingegrepen in alle leed die onschuldige mensen kan overkomen. Dat God ingrijpt in menselijk handelen komt in de Bijbel maar zeer zelden voor. Het zijn altijd mensen die de weg van God moeten volgen en dan merken dat die weg uitloopt op dat wat God heeft beloofd. Zonder dat er mensen zijn die zich begeven op de weg van God, opstaan tegen alle onrecht mensen aangedaan, blijft het onrecht bestaan en blijven onschuldigen verliezen.

Hoewel de Psalm gaat over één slachtoffer van vele vijanden is de redding door God niet een redding voor de enkeling maar voor het hele volk. De redding komt dan ook niet van God die als een Donar bij de Germanen op een paard over de wolken rijdt en met bliksemschichten de vijanden belaagd maar komt van een God die zulke goede richtlijnen heeft gegeven dat als een heel volk zich daarnaar richt alle onrecht verdwijnt. Dat kan zo mooi worden, zegt de Bijbel, dat alle volken die manier van leven over zullen nemen en daardoor alle onrecht en onderdrukking op aarde gaan uitbannen. Als je dus ellende overkomt, als je geliefden verliest, als je kinderen tegen je samenspannen, bedenk dan dat er één weg is die een uitweg biedt. De richtlijn van heb je naaste lief als jezelf, ja heb zelfs je vijanden lief. Als we iedereen daarin mee kunnen krijgen dan maken we een begin met het uitbannen van onrecht en geweld. We kunnen er elke dag opnieuw mee beginnen, ook vandaag.

De HEER bepaalt de maatstaf van het recht

dinsdag, 16 januari, 2018

Spreuken 16:1-15

1 Een mens stelt zich veel vragen, de HEER geeft het antwoord. 2  Een mens kiest in zijn eigen ogen altijd de juiste weg, de HEER toetst wat hem innerlijk beweegt. 3 Vertrouw bij je werk op de HEER,  en je plannen zullen slagen. 4  De HEER heeft alles wat hij heeft gemaakt zijn doel gegeven, de goddelozen heeft hij voor de ondergang bestemd. 5 De HEER verafschuwt hooghartige mensen, ze worden hoe dan ook gestraft. 6  Zonden worden toegedekt door liefde en trouw, wie ontzag heeft voor de HEER mijdt het kwaad. 7   Als de weg die iemand gaat de HEER behaagt, doet hij zelfs zijn vijand vrede met hem sluiten. 8 Beter een schamel bezit, rechtvaardig verworven, dan een grote rijkdom, verkregen door onrecht. 9 Een mens stippelt zijn weg uit, de HEER bepaalt de richting die hij gaat. 10 De koning spreekt Gods oordeel uit, wanneer hij rechtspreekt, faalt hij niet. 11 De HEER bepaalt de maatstaf van het recht, hij stelt de gewichten en balans vast. 12  Koningen verfoeien goddeloosheid, rechtvaardigheid schraagt hun troon. 13 Een koning schept behagen in oprechte woorden, wie de waarheid spreekt, is hem dierbaar. 14  De woede van de koning is een bode van de dood, een wijze brengt hem tot bedaren. 15  Het stralende gezicht van de koning brengt leven, als een voorjaarsregen is zijn gunstbewijs. (NBV)

Vandaag lezen we uit het boek Spreuken. Op het eerste gezicht lijkt het een losse verzameling uitspraken te zijn, een soort spreekwoorden. Een deel van de teksten uit het boek Spreuken heeft haar weg dan ook gevonden naar onze taal als een spreekwoord. Het gebruik van die meeste spreekwoorden is zo versleten dat we ze nauwelijks meer herkennen en nauwelijks de betekenis als een Bijbelse boodschap in kunnen zien. Toch is het boek Spreuken geen spreekwoordenboek, zelfs geen verzameling. Het zijn stellingen met een grote samenhang die belangrijke thema’s van elke samenleving behandelen. In de wandeling noemt men het boek Spreuken “wijsheidsliteratuur”. Een filosofisch traktaat zouden we misschien tegenwoordig zeggen, geschikt voor de maand van de spiritualiteit. Er is over nagedacht en de resultaten van het overdenken van de samenleving vindt je terug in dit boek. Een boek dat ook zelf aanleiding geeft om te overdenken dus. Uitgangspunt is dat het begin van echte wijsheid het ontzag voor de God van Israël is. De God die de mensen uitdaagt hun naaste lief te hebben als zichzelf.

Die uitdaging bepaald ook deze inleiding op de rest van het boek. Hier begint iets nieuws. Het zal vervolgens gaan over de Koning. Nu had men in Israël een koning die de wetten maakte voor het land maar tevens de hoogste rechter was in het land en moest toezien op de handhaving van de godsdienst. In de geschiedenis van Israël, zoals beschreven in de boeken Koningen en Kronieken, kunnen we lezen hoe vaak koningen in Israël in de fout gingen, zowel met de wetgeving als de rechtspraak en zeker met de handhaving van de godsdienst. De verzen die we vandaag lezen voeren ons van de verhouding tussen God en mens naar de verhouding tussen Koning en zijn onderdanen. Voor Koning mogen wij tegenwoordig ook rustig regering en parlement lezen. Zij maken immers de wetten en moeten zorgen dat er rechtvaardig recht gesproken wordt en dat elke burger in het land tot zijn of haar recht kan komen.

Het zal niet verbazen dat ook het boek Spreuken de nadruk legt op het gaan van de Weg van de God van Israël. Je kunt als mens nog zoveel plannen maken of ze uitkomen moet je maar afwachten. Beter is je te richten op recht en gerechtigheid, op de zorg voor de armen, voor de minsten. Als je plannen maakt in de Geest van de God van Israël, plannen om de armoede uit je omgeving te bannen, plannen om te zorgen voor de minsten, dan zul je merken dat die plannen eigenlijk altijd slagen. Plannen om zelf rijk te worden willen nog wel eens mislukken, plannen om gelukkig te worden falen eigenlijk altijd, geluk komt altijd buiten jezelf om, meestal ondanks jezelf. Maar als je mensen, alle mensen, met liefde benaderd, dat willen vijanden zelfs wel instemmen met vrede. Daarom geldt voor de Koning wat voor ieder mens moet gelden, dat God de maatstaf geeft voor het recht, elke maatregel en elke wet zal in zich moeten hebben dat er sprake is van eerlijk delen en zorg voor de zwakste en de minste. Om te kijken of het waar is kan het boek Spreuken een handig hulpmiddel zijn. We mogen er gelukkig ook elke dag opnieuw weer aan werken, ook vandaag weer.

 

Heel de aarde, juich voor God

maandag, 15 januari, 2018

Psalm 66

1 Voor de koorleider. Een lied, een psalm. Heel de aarde, juich voor God, 2  bezing de eer van zijn naam, breng hem eer en lof. 3  Zeg tot God: ‘Hoe ontzagwekkend zijn uw daden, uw vijanden kruipen voor u, zo groot is uw macht. 4  Laat heel de aarde voor u buigen en zingen, uw naam bezingen.’ sela 5  Kom en zie de werken van God, zijn daden vervullen de mens met ontzag: 6  hij heeft de zee veranderd in droog land, zijn volk trok te voet door de rivier. Laten wij ons dan in hem verheugen: 7  machtig heerst hij voor eeuwig, zijn ogen waken over de volken. Laat niemand zich tegen hem verzetten. sela 8 Prijs, o volken, onze God, laat luid uw lof weerklinken, 9  hij heeft ons het leven gegeven en onze voeten voor struikelen behoed. 10  U hebt ons beproefd, o God, ons gezuiverd, gezuiverd als zilver, 11  ons in een vangnet gedreven, ons een zware last op de schouders gelegd. 12  Mensen zijn over ons heen gereden, wij zijn door vuur en door water gegaan, maar u bracht ons naar een land van overvloed. 13 Ik zal met offers uw huis binnengaan en doen wat ik u beloofd heb, 14  wat mijn lippen hebben toegezegd, mijn mond in nood heeft gesproken: 15  ‘Vetgemeste schapen zal ik u aanbieden, een geurig offer van rammen, ik zal stieren en bokken slachten.’ sela 16  Kom en hoor wat ik wil vertellen, ieder die ontzag heeft voor God, hoor wat hij voor mij heeft gedaan. 17  Toen mijn mond hem aanriep, lag een lofzang op mijn tong. 18  Had ik kwaad in mijn hart gevonden, de Heer had mij niet gehoord. 19  Maar God heeft mij gehoord, hij heeft geluisterd naar mijn gebed. 20  Geprezen zij God, hij heeft mijn gebed niet afgewezen, mij zijn trouw niet geweigerd. (NBV)

Zo, met deze psalm kunnen we er even tegenaan. De werken van God zijn groots. Nou niet denken dat het om individuen gaat, om een individuele redding, of vrede in je hart of zo, nee het gaat om de volken die de weg van God zouden moeten volgen. In deze dagen is dat wel extra belangrijk. We komen net uit de financiële crisis en als elk volk voor zich een oplossing probeert te vinden dan zijn er alleen oplossingen voor de sterksten, voor de rijksten en dat bedoelt deze Psalm dus echt niet. Alle volken op aarde zullen moeten opkomen voor de armen, voor de zwakken. De rijken moeten bereid zijn om werkelijk te delen, want pas als de hulp voor de armen op gang komt durven mensen in zee te gaan met plannen voor vrede. Die voorwaarden, die door dat slavenvolk in de woestijn werden ontdekt en die ze voortaan toeschreven aan hun bijzondere God, een God die met ze meetrok, die er voor iedereen was, en waarvan je je geen beeld kon vormen, die werken juist voor de armen en kunnen hen bevrijden van de ellende die ze is overkomen.

Het komt er op aan vol te houden. De volken van de aarde zullen werkelijk schouder aan schouder moeten gaan staan en bereid zijn ook internationaal de regels die ze samen opstellen te controleren en af te dwingen. Oude vijandschappen mogen daarbij niet tellen Je vijanden liefhebben zou Jezus dat ooit eens noemen en we weten hoe moeilijk dat is. Na meer dan 70 jaar is elk jaar de aanwezigheid van Duitsers bij de herdenking van de Tweede Wereldoorlog nog steeds een gevoelige zaak. We zullen dus naast de armen moeten blijven staan, niet bij elke oprisping van geweld roepen dat het bewijst dat het toch niet gaat, zo van “zie je wel”. Zoals over de piraten en de chaos in Somalië zo gemakkelijk gezegd wordt.

De zwaarste straffen zijn aan piraten in Somalieland gegeven, maar dat land wordt door de westerse naties niet erkend en niemand weet waarom niet. Ondertussen zullen we nog steeds een proces van vrede en veiligheid in Afghanistan op gang moeten brengen. Daar gaat het nog steeds om een land dat klem zit in een oorlog tussen vijanden op basis van ideologie, de ene overtuiging tegen de andere. Gesprekken over en weer, respect voor opvattingen en zorg voor eerlijk delen zijn daar nog altijd niet aan de orde. Het kan wel, dat wat met God werd bereikt in de woestijn, dat wat de dichter van deze psalm tot zingen bracht, belooft dat ook in Afghanistan en al die landen waar oorlog woedt een begin van vrede kan worden gemaakt. Maar alle volken zullen mee moeten willen doen.

Dat ze de wereld in bezit zouden krijgen

zondag, 14 januari, 2018

Romeinen 4:13-25

Immers, niet door de wet ontvingen Abraham en zijn nageslacht de belofte dat ze de wereld in bezit zouden krijgen, maar door de gerechtigheid die het geloof schenkt. 14  Als men op grond van de wet erfgenaam zou zijn, zou het geloof zijn betekenis hebben verloren en de belofte zijn ontkracht. 15  De wet maakt namelijk alleen dat God straft, want zonder wet is er ook geen overtreding. 16  Maar de belofte had alles te maken met vertrouwen omdat ze een gave van God moest zijn, want alleen zo kon ze voor heel het nageslacht blijven gelden. Niet alleen voor wie de wet heeft, maar ook voor wie op God vertrouwt zoals Abraham, die de vader van ons allen is. 17 ¶  Er staat immers geschreven: ‘Ik heb je een vader van vele volken gemaakt.’ En hij is dit ten overstaan van God, op wie hij vertrouwde, die de doden levend maakt en in het leven roept wat niet bestaat. 18  Hoewel het eigenlijk niet kon, bleef Abraham hopen en geloven dat hij de vader van vele volken zou worden, zoals hem was beloofd: ‘Zo talrijk zullen je nakomelingen zijn.’ 19  En zijn geloof verzwakte niet toen hij, ongeveer honderd jaar oud, besefte dat zijn krachten hem hadden verlaten en Sara niet langer vruchtbaar was. 20  Hij twijfelde niet aan Gods belofte; zijn geloof verloor hij niet, integendeel, hij werd erin gesterkt en bewees zo eer aan God. 21  Hij was ervan overtuigd dat God bij machte was te doen wat hij had beloofd, 22  en dat werd hem als een daad van gerechtigheid toegerekend. 23 ¶  En dit is niet alleen voor hem geschreven, 24  maar ook voor ons, want ook wij zullen als rechtvaardigen worden aangenomen omdat we geloven in hem die Jezus, onze Heer, uit de dood heeft opgewekt: 25  hij die werd prijsgegeven om onze zonden en werd opgewekt omwille van onze rechtvaardiging. (NBV)

De brief van Paulus aan de Romeinen bracht de Duitse monnik Maarten Luther er in 1517 toe zijn stellingen te formuleren en aan de slotkapel van Wittenberg te spijkeren om een academische discussie uit te lokken. Het was het begin van het Protestantisme en een kerkhervorming die tot op vandaag de dag bestaat. Maar waar ging die discussie over en is die ook vandaag nog relevant? Bron van de discussie was de passage uit de brief die we vandaag lezen. “Rechtvaardiging door het geloof alleen” heet het in oude termen. Alleen als we vasthouden aan de droom van de rechtvaardige wereld dan zullen we die wereld ook in bezit krijgen schrijft Paulus. Het is de droom van Martin Luther King die blanke en zwarte kinderen hand in hand ziet lopen in een vruchtbaar land waar iedereen bij mag horen en alle kinderen gelijke kansen hebben om zich te ontwikkelen.

Het is de droom waar Barack Obama op hamerde in zijn eerste race naar de presidentsverkiezingen in Amerika. Het was de droom waaraan Abraham vast hield toen hij de belofte had een vader van vele volkeren te worden. Die droom van Abraham begon met één zoon. In de dagen van Maarten Luther was er de zogenaamde Roomse Kerk die beweerde dat zij alleen de rechtvaardiging kon verschaffen. Niet het geloof, het vertrouwen, op het uitkomen van die droom maar de beslissing van de Kerk. Daarvoor kon zelfs de kerk worden omgekocht. Als je genoeg betaalde kreeg je zelfs meer rechtvaardiging. Die kerk had verzonnen dat er een vagevuur zou zijn waar elke zonde uitgebrand zou moeten worden. Hoe meer je betaalde hoe korter je in dat vagevuur zou hoeven te blijven. Maarten Luther ontdekte dat het allemaal leugen en bedrog was. Paulus had immers geschreven dat alleen het geloof tot rechtvaardiging leidt en dat alleen God die rechtvaardiging kon geven. Daar komt geen kerk aan te pas.

Juist als je gelooft in de komst van de rechtvaardige samenleving, waar honger en dorst zijn gestild, waar tranen zijn gedroogd, waar blinden zien en lammen lopen kun je niet wachten om er mee te beginnen. Dat je soms moe wordt van al die mensen die het goede in kwaad veranderen door het goede in eigen winst en profijt om te zetten wordt je vergeven als je blijft vasthouden aan die droom. Elk moment mag je er weer opnieuw mee beginnen, niet omdat rechtvaardiging van jezelf het doel zou kunnen of moeten zijn maar omdat je het niet kan hebben dat ergens op de wereld nog een mens lijdt onder onrechtvaardigheid. Omdat we het niet kunnen hebben dat we onze samenleving zo inrichten dat niet iedereen mee kan doen en mee in onze rijkdom kan delen. Daarom slaan we ook vandaag weer de hand aan de ploeg, daar is nog rechtvaardiging genoeg voor.

De vader van alle onbesnedenen

zaterdag, 13 januari, 2018

Romeinen 4:1-12

1 ¶  Wat moeten wij nu zeggen over onze stamvader Abraham? 2  Indien hij als een rechtvaardige zou zijn aangenomen op grond van zijn daden, dan had hij zich daarop kunnen laten voorstaan. Maar niet tegenover God, 3  want wat zegt de Schrift? ‘Abraham vertrouwde op God, en dat werd hem als een daad van gerechtigheid toegerekend.’ 4  Iemand die zijn loon verdient, krijgt het niet als een gunst maar als een recht. 5  Maar iemand zonder verdienste, die echter vertrouwt op hem die de schuldige vrijspreekt, wordt vanwege zijn vertrouwen rechtvaardig verklaard. 6  Zo prijst ook David de mens gelukkig die door God rechtvaardig wordt verklaard zonder dat hij enige verdienste heeft: 7  ‘Gelukkig is de mens wiens onrecht is vergeven, wiens zonden zijn bedekt; 8  gelukkig is de mens wiens zonden de Heer niet telt.’ 9 ¶  Prijzen deze woorden een besneden of een onbesneden mens gelukkig? We zagen al dat Abrahams vertrouwen hem werd toegerekend als een daad van gerechtigheid. 10  Maar wanneer gebeurde dat? Toen hij al besneden was of daarvoor? Het laatste, toen hij nog niet besneden was. 11  De besnijdenis ontving hij later als een bezegeling en teken dat hij als onbesnedene rechtvaardig was omdat hij op God vertrouwde. Zo werd hij de vader van alle onbesnedenen die geloven, zodat ook zij als rechtvaardigen konden worden aangenomen. 12  En hij werd eveneens de vader van hen die besneden zijn, althans van hen die zich niet alleen hebben laten besnijden maar ook onze vader Abraham volgen in het geloof dat hij als onbesnedene bezat. (NBV)

Joden en Moslims beschouwen zich als kinderen van Abraham. Ze zijn immers besneden. De mannenmacht is overgegaan op de ene Heer en als teken daarvan is hun mannelijkheid ingekort. In een oorlog was het ooit de gewoonte de voorhuid van de verslagen soldaten af te snijden als teken van buit en de grote van de overwinning. De besnedenen werden door hun besnijdenis onoverwinnelijk. Maar hoe moet het dan met de Heidenen die zich bij de Weg van Jezus van Nazareth aansluiten? Die besnijdenis was in de dagen van Paulus een belangrijk onderwerp. De discussie was in Rome opgelaaid na de terugkeer van Judeeërs die eerst verbannen waren geweest. Die werden geconfronteerd met een groot aantal Heidenen die zich ineens aan de Wet van de Liefde, van heb je naaste lief als jezelf, gingen houden. Moesten die Heidenen dan niet ook besneden worden? Volgens Paulus, daarin gesteund door de andere Apostelen, hoefde dat niet.

We spreken over Judeeërs omdat pas enkele eeuwen later de gelovigen uit Israël die Jezus van Nazareth niet erkenden gedwongen werden een eigen religie te vormen. Zij schreven de Talmoed en sindsdien kennen we naast het Christendom met veel stromingen ook het Jodendom met veel stromingen. Paulus probeert te onderbouwen dat de Heidenen uit de beweging van de Weg, de beweging van Christenen, zich niet hoeven te laten besnijden met het verhaal van Abraham. Die liet zich uiteindelijk besnijden toen hij in Kanaän een plaats had gevonden. Maar die was al op weg gegaan gedreven door een ervaring dat er een andere manier van leven mogelijk moest zijn als hij in Ur en later in Haran had ervaren. Een andere God had hem geroepen. Niet een God die bij een plaats of een land hoorde, maar een God die met hem meetrok en hem medemenselijkheid en erbarmen voorhield. Een God ook die niet vroeg om je zoon te offeren maar genoegen nam met een schaap, dat je vervolgens zelf mocht opeten. Het besef dat je het met die nieuwe manier van geloven moet wagen werd Abraham tot gerechtigheid aangerekend.

Abraham had geen beeld van die nieuwe God, had geen tempel, en aanbidden was er ook niet bij. Toch had die God onverwacht voor vruchtbaarheid gezorgd. Toen alle hoop op vruchtbaarheid verloren scheen was de zorg voor de vreemdelingen die langskwamen uitgelopen op nieuw leven, op een eigen zoon voor Abraham en Sara als begin van een groot volk. Zo zijn in de ogen van Paulus, Judeeërs, Joden. Moslims en gelovige Heidenen allemaal kinderen van Abraham. Die besnijdenis doet daarbij niet terzake. Het gaat om mensen die hun naaste lief hebben als zichzelf. Om mensen die bereid zijn te delen met de hongerigen, de naakten te kleden, de zieken te verzorgen, de armen te bevrijden. In dat Rome met zijn vele slaven viel het onderscheid tussen Jood en Heiden weg, maar ook het onderscheid tussen slaaf en vrije, tussen man en vrouw, tussen arme en rijke. In die nieuwe gemeenschap van mensen van de Weg van Jezus van Nazareth waren geen vreemdelingen meer, alleen nog broeders en zusters. Gaan wij nog steeds diezelfde weg als kinderen van Abraham, samen met onze broeders en zusters?

Er is geen mens rechtvaardig

donderdag, 11 januari, 2018

Romeinen 3:9-20

9  Wat betekent dit alles? Zijn we als Joden nu bevoordeeld? Niet in alle opzichten, want ik heb immers al heel duidelijk gemaakt dat allen, zowel de Joden als de andere volken, in de macht van de zonde zijn. 10  Zo staat er ook geschreven: ‘Er is geen mens rechtvaardig, zelfs niet één, 11  er is geen mens verstandig, er is geen mens die God zoekt. 12  Allen hebben ze zich afgewend, heel de mensheid is verdorven. Er is geen mens die nog het goede doet, er is er zelfs niet één. 13  Hun keel is een open graf, hun tong is bedrieglijk, achter hun lippen schuilt het gif van een adder, 14  hun mond is vol vervloeking en venijn. 15  Ze haasten zich om bloed te vergieten, 16  brengen ellende en vernietiging. 17  De weg van de vrede kennen ze niet, 18  angst voor God kennen ze niet.’ 19 Wij weten dat de wet in alles wat hij zegt alleen tot degenen spreekt die aan de wet zijn onderworpen. Maar uiteindelijk wordt ieder mens het zwijgen opgelegd en staat de hele wereld schuldig voor God. 20  Daarom is voor hem geen sterveling onschuldig omdat hij de wet naleeft, want juist de wet leert ons de zonde kennen. (NBV)

Paulus lijkt aardig te kunnen doordraven. Er is geen mens die nog het goede doet beweert hij, helemaal niemand. Hij noemt de keel van de mensen een open graf, ze hebben een bedrieglijke tong en achter hun lippen schuilt het gif van een adder. Het is maar goed dat hij ook zichzelf daarin betrekt want zo zout hadden we het nog niet gegeten. Schrijft Paulus nu onzin? Dat ook weer niet, hij pepert de betweters in wat we eigenlijk al lang weten. Dat wat Paulus hier schrijft moeten we allereerst plaatsen in de strijd tussen de Judeeërs uit de gemeente en de Heidenen uit de gemeente. Veel Judeeërs beweerden dat je alleen behouden kon worden als je ook Judeeër werd, als je je dus liet besnijden en de strenge spijswetten ging houden. Paulus bestrijdt die opvatting. Juist als je Judeeër bent en opgevoed bent in de opvatting dat je de Thora van Mozes naar de letter moet houden loop je de kans in strijd te komen met de Thora. Volgens de Thora is het overtreden van de kleinste leefregel al overtreden van de hele Thora, dus het risico is groot.

Bovendien, wie weet wat overtreden is. De Rabbijnen hadden vastgesteld dat er voor elke wet wel 70 manieren waren om de Thora uit te leggen en al die manieren waren waar. Dus het nakomen van de Thora werd wel een heel moeilijke zaak en zo bezien was er niemand onschuldig. Aan de andere kant konden ook de Heidenen die de Weg van Jezus van Nazareth wilden gaan zich er niet mee af maken dat ze door van hun naaste te houden als van henzelf behouden zouden worden. Ze maakten zich van tijd tot tijd evengoed kwaad, ze zagen best wel eens iemand over het hoofd, ze deden echt niet aan iedereen recht, ze moesten toch ook vele malen per dag opnieuw beginnen met het houden van de naaste. Daarom stelt Paulus hier dat noch Judeeërs noch Heidenen zich er op kunnen beroepen God aan hun zijde te hebben. Maar als de hele wereld schuldig voor God staat moeten we er dan maar mee op houden? Moeten we erkennen dat ook de weg van de liefde doodloopt? Moeten we aannemen dat dat meetrekken van God met mensen die de armen willen bevrijden geen zin heeft, eigenlijk ook niet waar is?

In dit stuk van Paulus staat maar de ene kant. We lezen steeds maar van die kleine stukjes om ons bewust te maken van het hele verhaal. Dit stuk van het verhaal heeft twee boodschappen. Ten eerste de boodschap dat je je niet kunt beroepen op je kennis van de Bijbel. Hoeveel teksten je ook kunt citeren, het maakt je geen beter mens, hoeveel psalmen je ook kunt zingen, het maakt je er niet minder schuldig om in de ogen van God. Ten tweede dat je je ook niet kunt beroepen op je ijveren voor de armen en ontrechten in de wereld. Hoe hard je ook werkt voor Amnesty International of in de Fair Trade winkel, er zijn altijd mensen die je over het hoofd ziet. Er zijn altijd verkeerde politieke opvattingen waar je maar niet tegen in gaat. Iedereen moet elke dag weer vele malen opnieuw beginnen. Het mooie is dat het mag, dat je steeds opnieuw op weg mag gaan, en steeds weer meer mensen mag meenemen, ook vandaag weer. En het allermooiste is dat ondanks ons struikelen en stamelen die nieuwe wereld er zal komen, dat er een tijd komt dat er geen honger is, geen onderdrukking en oorlog, dat het overal vrede is. Ondanks ons mensen komt het, wij mogen er aan meewerken, nu al.

Ieder mens is onbetrouwbaar

woensdag, 10 januari, 2018

Romeinen 3:1-8

1 ¶  Wat hebben de Joden dan nog voor op anderen? Heeft het enig nut dat men besneden is? 2  Zeer zeker, en in ieder opzicht. In de eerste plaats zijn het de Joden aan wie God zijn woord heeft toevertrouwd. 3  Maar wat is daarvan de zin? Wanneer sommigen van hen God ontrouw zijn geworden, zal dat dan geen einde maken aan Gods trouw?  4  Natuurlijk niet. Ieder mens is onbetrouwbaar, maar God is betrouwbaar, zoals ook geschreven staat: ‘U blijkt rechtvaardig wanneer u rechtspreekt, u overwint wanneer u vonnist.’  5  Maar wanneer het onrecht dat wij doen bewijst dat God rechtvaardig is, is het dan niet zo-ik redeneer nu zoals anderen zouden doen-dat God onrechtvaardig is wanneer hij ons toch nog veroordeelt?6  Dat in geen geval. Hoe kan God anders rechter van de wereld zijn? 7  Maar wanneer door mijn onbetrouwbaarheid Gods trouw alleen maar toeneemt en daardoor ook zijn eer, waarom word ik dan toch nog als een zondaar veroordeeld? 8  Kunnen we niet beter het kwade doen, opdat het goede eruit voortkomt? Er wordt gezegd dat wij dat beweren, maar wie ons zo belastert zal zijn gerechte straf niet ontlopen. (NBV)

En als je dan steeds opnieuw mag beginnen, zoals we hier vrijwel elke dag schrijven, kun je er dan niet beter mee ophouden? Waarom je er vandaag druk om maken, om je naaste, als je dat morgen ook nog kan doen? Waarom het zorgen voor de naaste niet aan God overlaten, God is de zijnen toch trouw? Wij gaan toch steeds de fout in? Waarom dan je nog inspannen? Het zijn ook de vragen die Paulus naar zijn hoofd geslingerd krijgt. Hij krijgt ze van twee kanten. De Joden verwijten hem te weinig aan de Wet van Mozes vast te houden en de Heidenen verwijten hem steeds maar met die Joodse Wet aan te komen. Maar het antwoord is duidelijk. We hebben het over de Thora die ooit in de woestijn aan de Joden is gegeven met als hart van de Thora het heb je naaste lief als jezelf. Wie aan de vervulling van de Thora mee gaat doen hoort er bij en wie die als wet voorschrijft of naast zich neerlegt hoort er niet bij. De genade van God is dat je er bij mag horen en je steeds weer opnieuw kunt aansluiten.

Maar dat betekent niet dat je met dat aansluiten kunt wachten tot het jou uitkomt? Niemand weet wat er morgen komt, ja niemand weet dag of uur van sterven. En sterven is het uiterste. Op tal van plaatsen in de Bijbel wordt er op gewezen dat je naaste liefhebben ook kan betekenen dat je een naaste hebt die jou liefheeft op het moment dat je het het meeste nodig hebt. Als het in het leven tegenzit, als je ziek bent. Dan kunnen mensen die jij tot hun recht hebt laten komen er ineens onverwacht voor jou zijn. Je hoeft het niet te verwachten, je kunt er niet op rekenen maar soms heel onverwacht ervaar je hulp en steun waar je nu net niet op gerekend had. Daarom kun je ook niet meer zonder. Als je eenmaal de onbaatzuchtige liefde voor je naaste in jezelf hebt ontdekt, als je eenmaal de honger en dorst naar gerechtigheid hebt gevoeld dan weet je dat je zonder die liefde niet meer kunt.

Dan weet je ook dat je die honger niet meer kunt stillen en die dorst niet meer kan lessen door er maar op los te eten en te drinken. Zoals het meest losbandige carnaval in het teken staat van de vastentijd en daar onlosmakelijk mee verbonden is, is het leven van een gelovige in de Weg van Jezus van Nazareth onlosmakelijk verbonden met het delen van alles in het leven met de mensen die dat nu juist nodig hebben. Als je gericht bent op het goede en niets dan het goede dan komt het kwade niet eens meer bij je op. Pas als je terugkijkt op je handelingen dat merk je dat je weer mensen over het hoofd hebt gezien, dat je ondoordacht iemand gekwetst hebt misschien. Dan kun je niet rusten voordat je het goed hebt gemaakt, dan valt er niet te slapen voordat je het onrecht hebt hersteld. Het kwade doen in plaats van het goede is dan helemaal niet aan de orde, maar zelf weten we dat we evengoed te vaak onbetrouwbaar zijn. Juist omdat het ons om het goede gaat.