Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor januari, 2018

Een mens heeft het verlangen goed te doen

woensdag, 31 januari, 2018

Spreuken 19:13-29

13 Een dwaze zoon is voor zijn vader een ramp, het geruzie van een vrouw is als een dak dat altijd lekt. 14 Je huis en rijkdom erf je van je voorouders, maar een vrouw met inzicht krijg je van de HEER. 15 Als je lui bent, verslaap je je tijd, als je laks bent, zul je honger lijden. 16 Wie de geboden naleeft, behoudt zijn leven, wie de weg van de HEER veracht, zal sterven. 17 Wie barmhartig is voor een arme leent aan de HEER, die zal hem zijn weldaad vergoeden. 18 Tuchtig je zoon, dan is er hoop, zorg ervoor dat hij niet sterft. 19 Wie doldriftig is, zal moeten boeten, als je hem zijn woede toestaat, neemt die enkel toe. 20 Luister naar raad, laat je onderwijzen, uiteindelijk maakt het je wijs. 21 Een mens maakt allerlei plannen, wat wordt uitgevoerd, is het plan van de HEER. 22 Een mens heeft het verlangen goed te doen, je kunt beter arm dan onbetrouwbaar zijn. 23 Ontzag voor de HEER beschermt je leven, je kunt rustig gaan slapen, er overkomt je niets. 24 Een luiaard laat zijn hand in de schaal rusten, hij brengt hem zelfs niet naar zijn mond. 25 Sla je een spotter, dan wordt die onervarene verstandig, kastijd je een verstandig mens, dan groeien zijn kennis en inzicht. 26 Wie zijn vader mishandelt en zijn moeder wegjaagt, is een slechte zoon die zich misdraagt. 27 Mijn zoon, luister maar niet langer naar mijn onderricht
als je mijn wijze woorden in de wind wilt slaan. 28 Een onbetrouwbare getuige spot met het recht, een goddeloze zwelgt in onrecht. 29  Voor spotters staat de straf al vast, voor de rug van dwazen ligt de stok al klaar. (NBV)

Er moet gewerkt worden. Tenminste volgens het Spreukenboek. Gaan geloven in de God van Israël is pas het begin. Begin van alle wijsheid en die wijsheid is, zoals we al eerder lazen, dat je je naaste lief moet hebben als jezelf. Voor luiheid is daarbij geen plaats, je verslaapt je tijd en als je laks bent, onverschillig dus ook, dan zul je honger lijden. Nee het gaat om het naleven van de richtlijnen, het gaan van de weg van de Heer staat er zo deftig in de Bijbel. Maar dat deftige is gewoon een manier van vertalen, dat gebeurde nu eenmaal door deftige gestudeerde heren en dames. Want de arme is de vertegenwoordiger van God in ons leven. Als we barmhartigheid laten zien, onze hand uitsteken naar de outcast, dan lenen we aan God. En van een God mogen we verwachten dat die met rente terugbetaald.

Nu niet direct denken dat je rijker zult worden van het helpen van de armen, of dat je gezonder zult worden of langer zult leven, dat je geen tegenslag meer in het leven zult tegenkomen. Integendeel. Ook in onze dagen wordt de voortdurende onbaatzuchtige aandacht en zorg voor de minsten in de samenleving belachelijk gemaakt, in sommige landen bestraft zelfs. Wat we krijgen, met rente, is een betere wereld, in plaats van de ongelukkige arme die je tegenkwam krijg je een gelukkig mens die weer verder kan in het leven, aan wie recht is gedaan en die een plaats in de samenleving heeft ingenomen. Verwacht dus zelfs geen dankbaarheid. Zorg dat je je eigen kinderen ook in die geest opvoedt.

In de vorige vertaling stond hier dat je je zoon moet kastijden wanneer er nog hoop is. Tuchtigen klinkt wat milder, al betekent het hetzelfde. In de Naardense Bijbel die dicht bij de grondtekst probeert de Bijbel in het Nederlands te vertalen wordt gesproken over “vermanen”. Het gaat er in alle vertalingen en dus in de Bijbel om, dat je je kinderen niet moet laten doodvallen zolang er nog hoop is dat ze gaan meewerken aan die nieuwe aarde. Aan woedende medemensen, ook aan woedende kinderen, heb je dus niks, zelf kwaad worden en je kind slaan is daarom uit den boze. Maar zwijg niet over fouten omdat je geen conflict wil. Als er fouten gemaakt worden heb je een conflict en herstellen is dan geboden. Zo grijpt dat boek Spreuken ondanks zijn schijnbare oppervlakkige spreekwoorden diep in in ons leven van alle dag. Gelukkig dat we elke dag weer opnieuw mogen beginnen, ook vandaag weer.

Een arme komt alleen te staan.

dinsdag, 30 januari, 2018

Spreuken 19:1-12

1 Beter een arme die onberispelijk leeft dan een slinkse leugenaar-die is dwaas. 2 IJver zonder kennis leidt tot niets, wie overijld te werk gaat, maakt al snel een blunder. 3 Dwaasheid brengt een mens op de verkeerde weg, dan keert hij zich verbitterd tegen de HEER. 4 Rijkdom maakt veel vrienden, een arme komt alleen te staan. 5 Een valse getuige blijft niet ongestraft, wie leugens verkondigt, gaat niet vrijuit. 6 Velen dingen naar de gunst van een voornaam persoon, ieder is de vriend van een vrijgevig mens. 7  Een arme wordt door al zijn broers gehaat, meer nog door zijn vrienden, ze gaan hem uit de weg; als hij een beroep op ze doet, is dat tevergeefs. 8 Wie zijn verstand gebruikt, heeft zijn leven lief, wie zich laat leiden door inzicht, is geluk op het spoor. 9 Een valse getuige blijft niet ongestraft, wie leugens verkondigt, gaat te gronde. 10 Weelde past niet bij een dwaas, nog minder past het dat een slaaf heerst over vorsten. 11  Een verstandig mens houdt zijn woede in toom, het siert hem als hij fouten door de vingers ziet. 12  Als het brullen van een leeuw, zo is de woede van een koning, als dauw op het gras, zo is zijn goedgunstigheid. (NBV)

Het gedeelte dat we vandaag lezen uit het boek Spreuken gaat over de arme. Op het eerste gezicht is het weer zo’n losse verzameling spreekwoorden maar als je je realiseert dat armen bevrijd willen worden van hun armoede dat zijn de verschillende spreuken niet zo vreemd. Ze waarschuwen de armen om niet met list en bedrog te proberen zich te bevrijden van de armoede. Ze roepen de rijken op de armen niet langer te isoleren maar hen te bevrijden van de armoede. Dat kan ook voor de rijken voordelig zijn, iedereen is immers een vriend van een vrijgevig persoon. En ook rijken kunnen arm worden is een waarschuwing die je herhaaldelijk in de Bijbel tegenkomt. In de Bijbel komt het begrip arme meestal als een positief begrip voor. Mensen zijn niet zelf schuldig aan hun armoede. Luiheid, bandeloosheid, verkwisting zijn gedragingen die voor de rijken leiden tot armoede en daardoor een straf zijn voor de rijken, dwaas gedrag noemt de Spreuken dat.

Maar armen zelf zijn je broeders en zusters die je tot hulp moet komen. Nog sterker, armen hebben dezelfde rechten als rijken en zullen tot hun recht moeten komen. Ze hebben talenten, eigenschappen die een verrijking zijn voor de samenleving, verrijking dus ook voor de rijken, en alleen daarom al zouden ze bevrijd moeten worden van hun armoede. Dat delen je rijker maakt is juist in onze dagen zeer sterk te merken. In onze dagen wordt gepleit voor de verlaging van uitkeringen, met name voor hen die hun leven lang al beperkingen hebben voor  werk. De steun aan de armsten in de wereld heeft de afgelopen zestig jaar ook niet echt geholpen klinkt het dan. Nu het bedrijfsleven inspringt groeien economieën pas en komen er dus nieuwe welvarende landen.

Dat het bedrijfsleven vraagt om een gezonde, gevoede, opgeleide bevolking wordt dan vergeten. Juist gezondheidszorg, landbouw en voeding, scholing waren met name de kernpunten van ontwikkelingssamenwerking. Daarnaast is ook vaak gezorgd voor een moderne infrastructuur, voor wegen, voor banken, voor havens, voor een stabiel bestuur. Dat is kennelijk zo goed gelukt dat nu het bedrijfsleven kansen ziet om nieuwe markten aan te boren en geld te verdienen. Armen zijn er echter nog steeds, want delen staat nog altijd niet voorop, in tegendeel dus. Het gaat om de winst en die is in arme landen met gezonde arbeiders beter te halen dan hier. Aan een rechtvaardige inkomensverdeling moeten we dus nog werken, elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Hij stak zijn hand uit

maandag, 29 januari, 2018

Marcus 1:32-45

32  ‘s Avonds laat, toen de zon al was ondergegaan, brachten de mensen alle zieken en bezetenen naar hem toe; 33  alle inwoners van de stad hadden zich bij de deur van het huis verzameld. 34  Hij genas vele zieken van allerlei kwalen en hij dreef veel demonen uit, maar stond ze niet toe om iets te zeggen, want ze wisten wie hij was. 35  Vroeg in de ochtend, toen het nog helemaal donker was, stond hij op, ging naar buiten en liep naar een eenzame plek om daar te bidden. 36  Maar Simon en de anderen die bij hem waren, gingen hem vlug achterna, 37  en toen ze hem gevonden hadden zeiden ze tegen hem: ‘Iedereen is naar u op zoek!’ 38  Toen zei hij: ‘Laten we ergens anders heen gaan, naar de dorpen hier in de omtrek, zodat ik ook daar het goede nieuws kan brengen. Daarvoor ben ik immers op weg gegaan.’ 39  In heel Galilea bracht hij het nieuws in de synagogen en dreef hij demonen uit. 40 ¶  Er kwam iemand naar hem toe die aan huidvraat leed; hij smeekte hem om hulp en zei, terwijl hij op zijn knieën viel: ‘Als u wilt, kunt u mij rein maken.’ 41  Jezus kreeg medelijden, stak zijn hand uit, raakte hem aan en zei: ‘Ik wil het, word rein.’ 42  En meteen verdween zijn huidvraat en hij was rein. 43  Jezus stuurde hem weg met de ernstige waarschuwing: 44  ‘Denk erom dat u tegen niemand iets zegt, maar ga u aan de priester laten zien en breng het reinigingsoffer dat Mozes heeft voorgeschreven, als getuigenis voor de mensen.’ 45  Maar toen de man vertrokken was, ging hij overal breeduit rondvertellen wat er gebeurd was, met als gevolg dat Jezus niet langer openlijk in een stad kon verschijnen, maar op eenzame plaatsen buiten de steden moest blijven. Toch bleven de mensen van alle kanten naar hem toe komen.(NBV)

Geleerden hebben het bij het lezen van het Evangelie van Marcus over het Messias geheim. Dat Jezus van Nazareth de bevrijder van Israël, de Messias, de Christus was, moest geheim blijven. Toch stroomden de mensen toe en ging het gerucht over hem door heel het land staat er voortdurend. Wat moest er dan geheim blijven? Wellicht toch de politieke betekenis van de persoon van Jezus van Nazareth. Uiteindelijk zou boven zijn hoofd aan het kruis het opschrift “Koning der Joden” verschijnen. De enige reden die de Romeinen konden hebben om hem ter dood te brengen. En Jezus van Nazareth was nu een maal niet een Koning zoals wij dat gewend waren in zijn dagen. Geen machtsgreep met behulp van een sterk leger. Geen geslaagde gewelddadige opstand. Maar een volk dat anders met elkaar gaat leven. Dat voor elkaar gaat zorgen, de minsten gaat helpen en altijd bereid is alles met elkaar te delen. Dat alle angst voor de dood heeft verloren en niet meer voor zichzelf leeft maar voor een ander. Daarvoor moest het volk zich bekeren zoals Johannes had geroepen en moesten ze eerst leren om zo te gaan leven. Jezus van Nazareth had het er maar druk mee, zelfs de rust van een stille plek werd hem nauwelijks gegund.

Soms is een hand uitsteken naar iemand gemakkelijk. Je hoeft er geen moeite voor te doen en ze zeggen evengoed dank je wel. Maar het kan ook zijn dat er gevaar bij komt kijken. Wie iemand uit het water haalt die dreigt te verdrinken wordt in elk geval nat maar loopt soms ook zelf gevaar. Veel mensen blijven daarom maar veilig op de kant staan te kijken en zien dan hoe iemand verdrinkt. Voor die mensen die zichzelf wel in de waagschaal stellen is er het Carnegie heldenfonds, die worden op voordracht van hun burgemeester in het zonnetje gezet. Ze zijn een voorbeeld voor onze samenleving want zonder mensen die een hand uitsteken kunnen we niet. Vrijwilligers die zieken verzorgen, we noemen hen mantelzorgers, maken dat zieken nog verzorgd worden. Voor de zorg van zieken, ouderen en zwakken is geen geld meer. Dat zeggen ze tenminste, er is natuurlijk geld genoeg maar zij die dat geld in overvloed hebben willen het niet delen, zeker niet voor zorg. Als ze zelf zorg nodig hebben dan huren ze wel wat in. Delen is er niet bij. Daarom zijn de mantelzorgers te prijzen. Zonder beloning zorgen ze voor zieken, zwakken of ouderen in hun directe omgeving.

Ook Jezus van Nazareth steekt de hand uit in het verhaal zoals dat door Marcus is opgeschreven. Eerst aan een vrouw, de schoonmoeder van Petrus, dan ook aan een melaatse. Wat we vroeger als melaatsheid lazen wordt in de Nieuwe Bijbelvertaling “huidvraat” genoemd, echt Lepra of melaatsheid hoeft het niet geweest te zijn. Lepra is een in Afrika nog steeds veel voorkomende ziekte en een hand uitsteken naar de Leprastichting is daarom zeer aan te bevelen. Voor Jezus van Nazareth moest het gewoon worden dat mensen weer mee kunnen doen in de samenleving. Je gewoon laten herkeuren door de priesters, zoals Mozes voorschreef, en dan weer aan het werk. Maar nee, mensen die een hand uitsteken moeten nu eenmaal in het zonnetje worden gezet, ze zijn een uitzondering. Wij kunnen er ook voor zorgen dat die uitzondering de regel wordt. Als we allemaal beginnen elke dag tenminste één keer, en elke week een aantal uren de hand uit te steken naar een ander, naar iemand die dat nodig heeft, dan wordt dat delen met elkaar binnen de kortste keren ook een gewoonte. Dan is ook Jezus van Nazareth geen uitzondering meer, wordt onze wereld herschapen in een wereld waar voor iedereen een plaats is.

Zwijg en ga uit hem weg!

zondag, 28 januari, 2018

Marcus 1:16-31

16  Toen Jezus langs het Meer van Galilea liep, zag hij Simon en Andreas, de broer van Simon, die hun netten uitwierpen in het meer; het waren vissers. 17  Jezus zei tegen hen: ‘Kom, volg mij! Ik zal van jullie vissers van mensen maken.’ 18  Meteen lieten ze hun netten achter en volgden hem. 19  Iets verderop zag hij Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes, die in hun boot bezig waren met het herstellen van de netten, 20  en direct riep hij hen. Ze lieten hun vader Zebedeüs met de dagloners achter in de boot en volgden hem. 21  Ze gingen op weg naar Kafarnaüm, en op de eerstvolgende sabbat ging Jezus naar de synagoge en onderwees er de mensen. 22  Ze waren diep onder de indruk van zijn onderricht, want hij sprak hen toe als iemand met gezag, niet zoals de schriftgeleerden. 23 ¶  Er was in de synagoge ook een man die bezeten was door een onreine geest, en hij schreeuwde: 24  ‘Wat hebben wij met jou te maken, Jezus van Nazaret? Ben je gekomen om ons te vernietigen? Ik weet wel wie je bent, de heilige van God.’ 25  Jezus sprak hem streng toe en zei: ‘Zwijg en ga uit hem weg!’ 26  De onreine geest deed de man stuiptrekken en verliet hem met een luide schreeuw. 27  Iedereen was zo verbijsterd dat ze tegen elkaar zeiden: ‘Wat is dit allemaal? Een nieuwe leer met groot gezag! Zelfs als hij onreine geesten een bevel geeft, wordt hij gehoorzaamd.’ 28  Het nieuws over Jezus verspreidde zich algauw overal in Galilea. 29 ¶  Toen ze uit de synagoge kwamen, gingen ze rechtstreeks naar het huis van Simon en Andreas, samen met Jakobus en Johannes. 30  Simons schoonmoeder lag met koorts in bed, en ze spraken met Jezus over haar. 31  Hij ging naar haar toe, pakte haar hand vast en hielp haar overeind. Toen verliet de koorts haar, en ze begon voor hen te zorgen. (NBV)

Cynisme is heel moeilijk te bestrijden. Vooral door vriendelijke mensen die het goed bedoelen. Je probeert mensen ergens warm voor te maken en dan maakt iemand een cynische opmerking. Je zamelt geld in voor mensen die te weinig hebben om te eten en dan hoor je:” ach, hebben die mensen honger, nou dan hebben ze ook wat minder ruimte nodig, spaart huur uit en dan hebben ze ook geld om te eten.” Voor Marcus zijn die mensen bezeten van een onreine geest. Jezus van Nazareth de “Heilige van God” noemen is niet minder dan een geloofsbelijdenis die we best mogen herhalen, maar omdat je niks met Jezus van Nazareth te maken wil hebben en zelfs roept dat hij je wil vernietigen is die uitspraak juist in het leerhuis, de synagoge, cynisch. Het draait het goede om tot het kwade. Jezus van Nazareth wilde maar al te graag de boze geesten vernietigen en riep mensen op radicaal anders te gaan leven. Dat hebben we hiervoor gelezen. Er waren dan ook genoeg mensen die aan die oproep gehoor gaven, een aantal worden bij name genoemd.

Cynici aanspreken als zijn ze bezeten van een boze geest vraagt nogal wat moed en persoonlijkheid. Gehaaide politici die cynisch opmerken niet te willen betalen voor het bijbrengen van het verhaal van Jezus van Nazareth aan kleine kinderen kun je toch moeilijk beschuldigen bezeten te zijn. Dat zijn ze overigens wel, het zijn over het algemeen fundamentalistische ongelovigen die dat geloof in niks aan iedereen willen opleggen. Dat kinderen ook op openbare scholen normen en waarden aangeleerd horen te krijgen en dat die normen en waarden ergens vandaag komen vergeten ze. Dat door ouders gestichte scholen waar de normen en waarden ontleend worden aan de goddelijke richtlijnen uit de Woestijn geen cent méér krijgen dan die openbare scholen en dat aan kinderen verder exact hetzelfde geleerd moet worden wordt verzwegen. Het is uiteindelijk niet meer, en niet minder dan een boosaardige poging de goddeloosheid tot algemeen geldende norm te verheffen.

Dat in onze samenleving opvattingen over hoe we met elkaar omgaan uit heel verschillende culturen en achtergronden komen en dat we onze eigen achtergrond dus heel goed moeten kennen om met anderen om te gaan ontgaat ze. Het wordt dus tijd deze boze geesten te weerstaan en uit te drijven. Goddeloosheid is in onze samenleving een te respecteren opvatting maar die opvatting bestaat gelijkwaardig naast het geloof in het Koninkrijk van God en de leer van liefde en rechtvaardigheid als norm voor de samenleving. Moeten we daarom opgewonden raken? Koortsig om ons heen slaan om het kwade te verdrijven? Het is wat fundamentalisten soms doen, geweld gebruiken om de eigen opvatting aan anderen op te leggen. Zo niet de volgelingen van Jezus van Nazareth. Marcus beschrijft ons het voorbeeld dat gegeven wordt. De koorts had de schoonmoeder van Petrus verlamd. Hij hielp haar overeind en bracht haar weer in beweging. Niet langer koortsig en uitputtend, maar zorgend, voor de mensen direct in haar omgeving. Zo mogen wij ook zorgen, elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

Kom tot inkeer

zaterdag, 27 januari, 2018

Marcus 1:1-15

1 ¶  Het begin van het evangelie van Jezus Christus, Zoon van God. 2  Het staat geschreven bij de profeet Jesaja: ‘Let op, ik zend mijn bode voor je uit, hij zal een weg voor je banen. 3  Luid klinkt een stem in de woestijn: “Maak de weg van de Heer gereed, maak recht zijn paden!”’ 4  Dit gebeurde toen Johannes de Doper naar de woestijn ging en de mensen opriep zich te laten dopen en tot inkeer te komen, om zo vergeving van zonden te verkrijgen. 5  Alle inwoners van Judea en Jeruzalem stroomden toe en lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, terwijl ze hun zonden beleden. 6  Johannes droeg een ruwe mantel van kameelhaar met een leren gordel; hij leefde van sprinkhanen en wilde honing. 7  Hij verkondigde: ‘Na mij komt iemand die meer vermag dan ik; ik ben zelfs niet goed genoeg om me voor hem te bukken en de riem van zijn sandalen los te maken. 8  Ik heb jullie gedoopt met water, maar hij zal jullie dopen met de heilige Geest.’ 9 In die tijd kwam Jezus vanuit Nazaret, dat in Galilea ligt, naar de Jordaan om zich door Johannes te laten dopen. 10  Op het moment dat hij uit het water omhoogkwam, zag hij de hemel openscheuren en de Geest als een duif op zich neerdalen, 11  en er klonk een stem uit de hemel: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde.’ 12  Meteen daarna dreef de Geest hem de woestijn in. 13  Veertig dagen bleef hij in de woestijn, waar hij door Satan op de proef werd gesteld. Hij leefde er te midden van de wilde dieren, en engelen zorgden voor hem. 14 Nadat Johannes gevangen was genomen, ging Jezus naar Galilea, waar hij Gods goede nieuws verkondigde. 15  Dit was wat hij zei: ‘De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij: kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws.’ (NBV)

Vandaag beginnen we te lezen in het Goede Nieuws verhaal zoals Marcus dat heeft opgeschreven. Dit verhaal wordt in het algemeen aangemerkt als het oudste van de vier Evangeliën. Het is duidelijk dat Matteüs en Lucas in elk geval dit Evangelie al hebben gekend toen hun Evangelie werd geschreven en dat het Evangelie van Johannes veel later werd geschreven. Wie die Marcus is weten we niet precies. Wat zijn goed nieuws verhaal inhoudt weten we des te beter. Marcus begint niet met een geboorteverhaal maar sluit aan bij een verhaal over een vroeg optreden van Jezus van Nazareth. Marcus beschrijft eerst een profeet die wel zeer populair moet zijn geweest. Er staat dat alle inwoners van Judea en Jeruzalem zich lieten dopen door Johannes. Nu waren er in die tijd allerlei profeten en messiassen die allemaal meer of minder populair waren, maar volgens de Bijbel stak die Johannes er met kop en schouders boven uit. Hij riep de mensen op om tot inkeer te komen en als teken daarvan zich te laten dopen.

Johannes greep daarbij terug op de oude Bijbelse profeten als Maleachi en Jesaja die opgeroepen hadden als volk weer te gaan leven volgens de richtlijnen die de God van Israël ooit in de woestijn aan het slavenvolk had gegeven, in “je naaste liefhebben als jezelf” kon dat worden samengevat. Johannes voedde de algemene verwachting dat er een bevrijder, Messias, zou komen die het volk Israel zou bevrijden van de bezetting door de Romeinen. Of hij kon vermoeden dat die bevrijding zo heel anders zou verlopen als in het algemeen werd verwacht vermeld de geschiedenis niet. Marcus beschrijft hoe Jezus van Nazareth een visioen krijgt dat hij wel eens die Messias zou kunnen zijn en zich terugtrekt in de Woestijn om met die gedachte in het reine te komen. Pas nadat Johannes gevangen is genomen, door koning Herodes, trad Jezus van Nazareth op. De enorme populariteit van Johannes was dus uitgelopen op zijn gevangenschap.

Maar de enorme populariteit van de boodschap van Johannes moest toch betekenen dat het Koninkrijk van God niet ver zou moeten zijn. Als immers iedereen tot inkeer komt en gaat leven volgens de Goddelijke richtlijn eerlijk te delen, volgens rechtvaardigheid en liefde, dan breekt vanzelf het Koninkrijk van God aan. Dat was het goede nieuws dat Jezus van Nazareth ging vertellen. Wij weten dat hij het Goede Nieuws ook ging leven, mensen genezend en vertellend over hoe je dat Koninkrijk kunt binnen gaan. Dat leven volgens het goede nieuws hield zelfs niet op met zijn dood, ja tegen de dood kwam de opstanding. Dat maakt dat wij er allemaal deel aan mogen hebben. We mogen ook tot inkeer komen en niet langer gaan leven voor onszelf maar voor onze naaste die ons juist nu zo hard nodig heeft. Dat is ook vandaag nog steeds het Goede Nieuws, het allerbeste nieuws voor iedereen.

Als een schild beschut hen uw genade.

vrijdag, 26 januari, 2018

Psalm 5

1 Voor de koorleider. Bij het spel op de schalmei. Een psalm van David. 2 Hoor mijn woorden, HEER, sla acht op mijn klagen. 3 Luister naar mijn hulpgeroep, mijn koning en mijn God, tot u richt ik mijn bede. 4 In de morgen, HEER, hoort u mijn stem, in de morgen wend ik mij tot u en wacht. 5 U bent een God die zich niet verheugt in het kwaad, bij u is de misdaad niet welkom. 6 Gewetenlozen houden geen stand onder de blik van uw ogen. U haat allen die onrecht doen, 7 leugenaars richt u te gronde. U verafschuwt, HEER, wie bedriegt en bloed vergiet. 8 Maar ik mag door uw grote liefde uw huis binnengaan, van ontzag vervuld mij buigen naar uw heilige tempel. 9 Leid mij langs mijn belagers, HEER, door uw gerechtigheid, maak effen de weg die u mij wijst. 10 Onwaarheid komt uit hun mond, onheil huist in hun hart, een open graf is hun keel, gespleten is hun tong. 11 Laat hen boeten, God, laat hen in hun eigen valkuil lopen. Verstoot hen om hun grote wandaden, want ze zijn opstandig tegen u. 12 Er is vreugde bij allen die schuilen bij u, eeuwige jubel omdat u hen beschermt, wie uw naam beminnen juichen u toe! 13 U zegent de rechtvaardigen, HEER, als een schild beschut hen uw genade. (NBV)

Vandaag zingen we een klaaglied met de kerk mee. Een lied dat zich laat begeleiden op de hobo, de klank daarvan komt nog het dichtst bij dat van de schalmei. De  psalm komt uit de bundel David, een verzameling liederen die ook door Koning David gedicht zouden kunnen zijn. Uiteindelijk had David zijn hele leven te maken met vijanden, tot in zijn eigen gezin toe. Hij maakte in zijn leven ook wel de nodige fouten maar weigerde ook vaak om misbruik te maken van omstandigheden die hem macht gaven over zijn vijanden. Daar waar de mogelijkheid tot vrede zich voordeed maakte hij daar maximaal gebruik van. Dat het achteraf niet hielp en zijn vijanden toch vijanden bleven deed daaraan niet af.

Al het goede bestaat uit drieën luidt het spreekwoord. Maar uit deze psalm blijkt dat ook het kwaad uit drieën kan bestaan. Drie maal vertelt de psalmist wat God niet kan hebben. Het kwaad maakt God niet blij, misdaad is niet welkom, God haat zelfs allen die onrecht doen. Geen wonder dan ook dat gewetenlozen niks moeten hebben van de God van Israël. Dus moeten ze ook niks hebben van mensen die steeds met die God komen aanzetten. Leugenaars laten zich niet zo maar ontmaskeren. Bloedvergieten wordt heel vaak goedgepraat als zogenaamde bescherming van de samenleving. Het blijft jammer dat mensen vaak toch zo gevoelig zijn voor het zoete spreken van de haatzaaiers.

De dichter weet echter ook hoe goed het is bij de God van Israël te zijn. In zijn vrije bewerking van deze Psalm besluit Huub Oosterhuis  met de eerste regel van het zesde vers van ons volkslied: Mijn schild ende betrouwen zijt Gij God. De psalmist buigt dan ook voor de Tempel. “Daar woont hij zelf” zal de dominee zeggen maar in die Tempel staat geen beeld van die God. Het is een God die met je meetrekt dus als woning waar hij niet meer uit komt kun je de Tempel niet beschrijven. In die Tempel wordt wel het Woord van God bewaard. De richtlijnen voor de menselijke samenleving die het volk in de woestijn had ontvangen. Een richtlijn die je kan volgen als een licht op je pad. De weg die dat licht je brengt maakt dat je kan juichen. Dat licht mogen ook wij elke dag over onze weg laten schijnen.

Wie geneest een zieke geest?

donderdag, 25 januari, 2018

Spreuken 18:12-24

12 Wie zichzelf in de hoogte steekt, komt ten val, bescheidenheid gaat aan eerbetoon vooraf. 13 Wie antwoordt zonder eerst te luisteren, handelt dwaas en maakt zichzelf belachelijk. 14 Door geestkracht overwint een mens zijn ziekte,  maar wie geneest een zieke geest? 15 Een verstandig mens verwerft kennis, een wijze is gespitst op inzicht. 16 Wie geschenken uitdeelt, opent deuren voor zichzelf, hij verschaft zich toegang tot de machtigen. 17 Wie als eerste pleit, lijkt zijn recht te krijgen, maar dan komt zijn tegenstander, en die vecht het aan. 18 Het lot kan een geschil beslechten, het bemiddelt zelfs tussen de grootste heethoofden. 19 Een verongelijkte broer is ontoegankelijker dan een vesting, ruzie is als een vergrendelde toren. 20 Als een mens iets goeds zegt, heeft hij een gevoel van welbehagen, hij voedt zich met de vruchten van zijn mond. 21 Woorden hebben macht over leven en dood, wie zijn tong koestert, plukt daarvan de vruchten. 22 Wie een vrouw gevonden heeft, heeft iets goeds gevonden, hij ontvangt de gunst van de HEER. 23 Een verschoppeling bidt en smeekt, de rijkaard antwoordt hem hooghartig. 24 Wie veel vrienden heeft, raakt snel geruïneerd, een echte vriend is meer waard dan een broer. (NBV)

In het Nieuwe Testament lezen we dat Jezus van Nazareth boze geesten uitdreef. Hij gaf zelfs zijn leerlingen de macht boze geesten uit te drijven. In onze dagen hebben we niet zoveel meer met boze geesten. We spreken over psychiatrische aandoeningen die dan in meer of minder ernstige mate kunnen voorkomen. Veel van die aandoeningen zijn terug te herleiden op angst. Soms als angst die ooit voorkwam maar waarvan de reactie op die angst als symptoom van een afwijking blijft bestaan, soms als een blijvende angst voor het leven of voor wat dan ook. In de hele Bijbel wordt angst voortdurend bestreden, het “vreest niet” klinkt in allerlei variaties. Wie de “genezingen” van Jezus van Nazareth en zijn apostelen nog eens naleest ziet dat mensen ineens weer mee kunnen doen in hun samenleving. In een maatschappij die onderdrukt wordt door een wrede bezetter moet je wel heel vrij van angst zijn en een heel gezonde geest hebben wil je gewoon weer mee kunnen gaan doen.

Het boek Spreuken wijst eigenlijk ook op de aanwezigheid van de “zieke geest” die mensen tegenhoudt zich als wijze te gedragen. De angst voor verlies van bezit, van toekomst, van een gewaardeerde plaats in de samenleving drijft mensen tot een handelen dat ze eigenlijk verwerpen. De angst voor vreemdelingen of het vreemde kan dat nog versterken. Zogenaamd slimme politici spelen in op die angst en proberen daar hun voordeel mee te doen, wijze politici bestrijden die angst ook al lopen ze het risico daar zelf verlies door te lijden. De roep om openheid naar de wereld, zonder angst te durven rondkijken, geschenken uitdelend aan wie ze nodig heeft, klinkt door het hele boek Spreuken in een bijzondere vorm. Veel van de verhalen uit de Bijbel gaan over die onbaatzuchtige gastvrijheid maar hier staat het nog eens zo dat het algemeen toepasbaar wordt.

Dat uitdelen van geschenken moet je overigens niet gebruiken om vrienden mee te krijgen. Wie veel vrienden heeft raakt snel geruïneerd, het boek Spreuken is ook niet zonder humor. Het relativeert ook. Zo zijn gelijk hebben en gelijk krijgen twee verschillende dingen. Soms heeft het weinig zin je energie te verspillen en het krijgen van gelijk. Volgens Spreuken kun je dan net zo goed het lot werpen, kruis of munt zeggen wij dan, dat lost ook de meest ernstige conflicten op. Je kunt beter letten op je woorden en het goede blijven zeggen en het goede blijven doen. Van de rijken hoef je het niet verwachten, maar de zorg voor de minsten, voor de zwakken levert je ook volgens het boek Spreuken uiteindelijk de rijkdom en de vrede op waar elk mens eigenlijk op uit is. Gelukkig maar dat wij dat elke dag opnieuw mogen proberen, ook vandaag weer.

Ze zijn een sprankelende beek

woensdag, 24 januari, 2018

Spreuken 18:1-11

1 Een zelfzuchtig iemand volgt alleen zijn eigen wil, hij gaat de strijd met alle wijsheid aan. 2 Een dwaas is niet geïnteresseerd in inzicht, hij wil alleen zijn eigen mening kwijt. 3 Waar goddeloosheid is, is verachting, een schanddaad gaat gepaard met smaad. 4  De woorden van een goed mens zijn als diepe wateren, ze zijn een sprankelende beek, een bron van wijsheid. 5 Het is niet goed een goddeloze te bevoorrechten en het recht van een rechtvaardige te schenden. 6 De woorden van een dwaas zaaien tweedracht, wat hij zegt leidt tot een vechtpartij. 7  Met zijn woorden stort een dwaas zichzelf in het verderf, hij zet een valstrik voor zichzelf met wat hij zegt. 8 De woorden van een lasteraar neemt men gulzig in zich op, als een lekkernij die de buik verzadigt. 9 Wie lui is in zijn werk, werkt aan zijn eigen ondergang. 10 De naam van de HEER is een sterke toren, de rechtvaardige snelt erheen, en is veilig. 11 Een rijkaard denkt dat zijn bezit een vesting is, achter een muur waant hij zich veilig.(NBV)

De verzen uit gedeelte dat we vandaag in het Spreukenboek lezen hebben meer onderling verband dan je op het eerste gezicht zou zeggen. In de eerste drie verzen komen achtereenvolgens de zonderlinge, de dwaze en de slechte mens voor. Om dan te wijzen op het gesproken woord, van een goed mens, van een rechter, van een dwaas en van een lasteraar. Wat goed klinkt hoeft dus niet altijd goed te zijn. Als je een onderling verband legt tussen de verzen dan zie je dat het doel dat mensen drijft verschillend kan zijn maar dat een eigen agenda kan betekenen dat wat op het eerste gezicht rechtvaardig en logisch klinkt bij nadere beschouwing, vooral als blijkt waar men op uit is, wel eens slecht en onrechtvaardig kan zijn. De laatste verzen uit het gedeelte van vandaag zijn een omarming. Eerst wie lui is en tot slot wie rijk is maar alles moet bewaken. Ondergang en val verbinden beiden.

Daar tussenin de vaste burcht van de gelovige en de schijnzekerheid van de rijke. In de Nieuwe Bijbelvertaling staat natuurlijk de sterke toren maar die moet je denken in de zin van het lied van Luther: “Een vaste burcht is onze God, een toevlucht voor de zijnen”. Die God trekt met ons mee, die God laat het licht schijnen over de zwakken, de minsten op aarde. Die God zorgt dat mensen die langs de kant van de weg zijn komen te liggen weer mee kunnen gaan doen en tot hun recht komen. Als er tenminste gelovigen zijn die de stem van die God willen horen en die God willen volgen op zijn Weg naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Uit de manier waarop die God een sterke toren wil zijn blijkt ook de schijnveiligheid van de rijke. Naastenliefde is niet te koop. Een muur bouwen van je rijkdom brengt je niet verder in het leven, je wordt een slaaf van je rijkdom.

Er zijn in ons land gelukkig tallozen die zich bezig houden met de zorg voor de zwakken. Denk maar aan de vrijwilligers in ziekenhuizen en verzorgingscentra, de mensen in de voedselbanken en Fair Trade winkels. De schrijvers voor Amnesty, de geldinzamelaars voor talloze projecten in ontwikkelingslanden en al die anderen die op de een of andere manier in eigen dorp, straat of stad zich inzetten voor een betere leefomgeving, aan het kader in vakbonden dat strijd voor rechtvaardige verhoudingen in het werk. Er zijn er bijna te veel om op te noemen. Toch hoor je ze maar zelden, ze vragen bijna nooit om maatschappelijke erkenning, om voorrang in het maatschappelijk verkeer. Ze zijn bescheiden en als ze geëerd worden vanwege de vele jaren dat ze hun vaak moeilijke en ondankbare werk hebben volgehouden hoor je ze zeggen dat ze het deden omdat ze het zo fijn vonden. Ook die mensen staan in de Bijbel, ze staan in verband met eerbetoon, daar horen ze, maar dat zoeken ze niet. We mogen dankbaar zijn dat we ons er elke dag bij aan mogen sluiten, ook vandaag weer.

Iemand met inzicht is bezonnen.

dinsdag, 23 januari, 2018

Spreuken 17:16-28

16 Welk nut heeft geld in de hand van een dwaas? Dom als hij is, kan hij toch geen wijsheid kopen. 17 Een vriend is je altijd toegedaan, je broer is geboren om te helpen in tijden van nood. 18 Wie al te makkelijk een handslag geeft, wie zomaar borg staat voor een ander, ontbreekt het aan verstand. 19 Wie van ruzie houdt, doet een ander graag geweld aan, wie een grote mond opzet, zoekt zijn eigen ondergang. 20 Wie onbetrouwbaar is, vindt geen geluk, wie een valse tong heeft, stort zichzelf in het verderf. 21 Wie een dwaas verwekt, zal verdriet ervaren, er is geen vreugde voor de vader van een dwaas. 22 Een vrolijk hart bevordert een goede gezondheid, een sombere geest verzwakt het lichaam. 23 Een goddeloze haalt een buidel geld te voorschijn, hij koopt om en kromt de paden van het recht. 24 Een verstandig mens heeft wijsheid op het oog, een dwaas staart weg in wazige verten. 25 Een dwaze zoon is een groot verdriet voor zijn vader, bitterheid voor haar die hem heeft gebaard. 26 Het is verwerpelijk om een onschuldige een boete op te leggen, een edel mens zweepslagen geven is in strijd met het recht. 27 Een verstandig mens is karig met zijn woorden, iemand met inzicht is bezonnen. 28  Een zwijgende dwaas wordt beschouwd als verstandig, men denkt dat hij wijs is als hij zijn mond houdt.

De verzameling vermaningen uit het Spreukenboek laat zich gemakkelijk oppervlakkig lezen. Het is als het spreekwoordenboek maar dan zonder de uitleg er bij. Dat komt eigenlijk omdat het boek Spreuken zelf al uitleg is. Het is de uitleg van de filosofie van de God van Israël. Hoe zit het eigenlijk in het gewone leven van alledag en waar zou je op moeten letten zijn de vragen die hier aan de orde zijn. Wij lezen de Bijbel nog wel eens als een boek met regels van wat mag en wat niet mag. Maar dat is een heel verkeerde manier van lezen. Volgens Paulus bijvoorbeeld gaat het in de Bijbel om het bereiken van vrijheid, zorgen dat je nergens van afhankelijk bent. Denk dan maar eens aan de rol van het geld in ons dagelijks leven. Daar zijn we van afhankelijk voor eten en drinken, maar dat verdienen we door te werken. Maar als we ook voor ons recht, voor ons geluk, voor onze liefde afhankelijk worden van geld dan gaat het met ons leven toch de verkeerde kant op. En dat is nu net de boodschap die je vandaag in het Spreukenboek kan lezen.

Het eerste vers van vandaag gaat overigens over de rechtspraak. Recht en gerechtigheid zijn sleutelbegrippen in de hele Bijbel, je komt ze voortdurend tegen. De rechtvaardige is iemand die de ander recht doet, tot zijn of haar recht laat komen. De goddeloze brengt de ander schade toe en staat alleen op zijn eigen recht. Een rechtvaardige rechter komt op voor de zwakken en laat ook hen tot hun recht komen. In ons rechtssysteem ontbreekt dat nog wel eens, al te gemakkelijk wordt soms van mensen verwacht dat ze zichzelf kunnen verdedigen en in het kinderrecht wordt bijna blindelings uitgegaan van de roddel en achterklap die rapporteurs van kinderbescherming en jeugdzorg de rechters voorleggen. Maar wijsheid is niet te koop, wijsheid en inzicht zijn ook niet voor te schrijven. Je kunt de wijsheid van de God van Israël alleen voorhouden en voorleven.

Voor dat voorhouden reikt Spreuken nu deze soms oppervlakkig lijkende verzen aan. In moeilijke situaties is het soms raadzaam je even terug te trekken en in het boek Spreuken op zoek te gaan naar het bij de situatie passende vers. Door dat voor te houden kan iemand aan het denken worden gezet, kan iemand zich nog eens bezinnen op waar die eigenlijk mee bezig is en ander gedrag gaan vertonen. Dwingen heeft geen zin, ruzie maken is een ander geweld aan doen. Overtuigen en voorleven zijn de twee middelen die het spreukenboek aanbeveelt. En voor ouders en kinderen opvoeden. Want een dwaas verwek je door je kind verkeerd op te voeden. Ook daar is het voorleven een belangrijk element. Maken we het leven nu niet somber en zwaar? Welnee, volgens de Spreuken bevordert een vrolijk hart een goede gezondheid. Juist het vermogen begrip voor een ander op te brengen, iemand tot zijn of haar recht laten komen, een hand uitsteken om iemand die gevallen is weer op te laten staan verlichten het alledaagse bestaan en laten het weer even stralen. Wij mogen daar elke dag weer opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer.

Staak de strijd voordat hij losbarst.

maandag, 22 januari, 2018

Spreuken 17:1-15

1 Beter een stuk droog brood en vrede dan een huis vol met voedsel en ruzie. 2 Een verstandige slaaf verdrijft een onwaardige zoon, hij deelt samen met de broers in de erfenis. 3 De smeltkroes toetst het zilver, de oven toetst het goud, de HEER toetst het hart. 4 Een boosdoener is gespitst op kwaadaardige woorden, een bedrieger luistert graag naar verderfelijke taal. 5 Wie een verschoppeling bespot, beledigt zijn schepper, wie zich over iemands ongeluk verheugt, blijft niet ongestraft. 6 Kleinkinderen zijn voor grootouders de kroon op hun leven, kinderen zijn trots op hun voorouders. 7 Verheven woorden passen niet bij een dwaas, leugens des te minder bij een edel mens.8 Wie steekpenningen uitdeelt, denkt edelstenen uit te delen, zo hoopt hij overal succes te hebben. 9 Wie vriendschap zoekt, dekt fouten toe, wie ze telkens oprakelt, verliest zijn vrienden. 10 Een verstandig mens wordt meer geraakt door een verwijt dan een dwaas door honderd slagen.11 Een kwaadaardig mens is alleen op ruzie uit, er wordt een onheilsbode op hem afgestuurd. 12  Beter dat je een berin ontmoet die beroofd is van haar jongen dan een dwaas met al zijn dwaasheid. 13 Als je telkens goed met kwaad vergeldt,
verdwijnt het kwaad nooit uit je huis. 14 Wie een ruzie begint, ontketent een stortvloed; staak de strijd voordat hij losbarst. 15 Wie een goddeloze vrijspreekt en wie een rechtvaardige beschuldigt, beiden zijn de HEER een gruwel. (NBV)

Vandaag weer zo’n schijnbaar losse verzameling vermaningen uit het Spreukenboek. Wij zijn dat niet meer zo gewoon. Wij kennen conventies, fatsoensregels, die kun je houden of overtreden maar ze schaden verder niemand. De staat kent daarbij ook nog wetten waar iedereen zich aan moet houden. En dan zijn er ook nog wetten die ook in het wetboek van de staat staan maar die iedereen bijna als van nature kent, zoals je mag niet doden en je mag niet stelen. De staat mag soms wel doden, al hebben we dat ook liever niet. Het volk Israël kende toch ook van die wetten? Wat moeten we dan met de vermaningen van het boek Spreuken? Het volk Israël kende zeker wetten maar dat zijn niet de wetten zoals onze Staat die kent. Het zijn meer de wetten die we van nature kennen en die worden samengevat in “Heb uw naaste lief als uzelf”. De geschiedenis die God met Israël is gegaan, een andere als wij uit geschiedenisboekjes kennen, is er een van staat, naar leerhuis en synagoge, naar gemeente, van een religieuze politiek naar een ethische religie.

En ethiek is de beschrijving van het handelen van elk individu, van het maken van de keuzes ten goede. En daar gaat het in het gedeelte uit het boek Spreuken van vandaag ook over. De eerste vermaningen die echt opvallen zijn de “beter dan” spreuken. Meestal zijn die tegengesteld aan wat we zo in het dagelijks leven gewend zijn. Beter een stuk droog brood dan een huis vol met voedsel klinkt als een dwaze uitspraak, maar beter vrede dan ruzie is al heel wat verstandiger en als je een huis vol voedsel maar met ruzie moet inruilen voor wat minder eten maar vrede dan wordt het al aantrekkelijker. Dat geldt ook voor de andere “beter dan” uitspraken in dit gedeelte. Je moet er even over nadenken en dan valt soms het kwartje en is het zo dwaas nog niet. Het boek Spreuken is niet voor niks wijsheidsliteratuur, wijsheid als begin van de kennis van de God van Israël en begin van hoe om te gaan met heb uw naaste lief als uzelf.

De andere vermaningen die echt opvallen gaan over de tegenstelling verstandig en onverstandig. Nu zul je onverstandig niet zo vaak tegenkomen. Spreuken spreekt dan vaker over onwaardig, schande brengend. En met iemand die je schande brengt deel je niet zo graag. Een slaaf, deel uitmakend van de familie, die verstandig is in de zin van de Bijbel, daar deel je graag mee. Die zoekt zichzelf niet die zoekt het belang van de familie. Het is een slaaf als die van Abraham, die op reis ging om een vrouw voor Izaaäk te zoeken en met Rebecca thuis kwam. Zo’n slaaf mag meedelen in de erfenis. Spreuken roept ons ook in dit gedeelte op om het belang van de ander, van de minste allereerst, voorop te stellen. Die wijsheid mogen we ons elke dag weer opnieuw eigen maken, ook vandaag weer.