Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor december, 2017

De HEER is onze gerechtigheid.

zondag, 31 december, 2017

Jeremia 33:12-26

12  Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Er zullen in dit verwoeste land, waar mens noch dier meer leeft, rond alle steden weiden zijn, waar de herders hun schapen en geiten zullen laten rusten. 13  In de steden van het bergland, het heuvelland en de Negev, in het gebied van Benjamin, in de omgeving van Jeruzalem en rond de steden van Juda zullen de schapen onder de tellende hand van de herder doorgaan-zegt de HEER. 14  De dag zal komen-spreekt de HEER dat ik de belofte die ik het volk van Israël en Juda heb gedaan, gestand zal doen. 15  Op die dag, in die tijd, zal ik aan Davids stam een rechtmatige telg laten ontspruiten, die recht en gerechtigheid in het land zal handhaven. 16  Dan wordt Juda verlost en de inwoners van Jeruzalem zullen in vrede leven. En de naam van de stad zal zijn “De HEER is onze gerechtigheid.” 17 ¶  Want dit zegt de HEER: Er zal altijd een nakomeling van David op de troon van Israël zitten 18  en er zullen altijd Levitische priesters zijn die mij dienen, die brandoffers zullen brengen, graanoffers zullen opdragen en vredeoffers zullen bereiden.’ 19  De HEER richtte zich tot Jeremia: 20  ‘Dit zegt de HEER: Als mijn verbond met de dag en de nacht kon worden tenietgedaan, zodat de dag en de nacht niet meer op tijd zouden aanbreken, 21  dan zou ook mijn verbond met mijn dienaar David kunnen worden tenietgedaan. Dan zou er geen nakomeling van David op zijn troon zitten. Dan zou ook mijn verbond met mijn dienaren de Levitische priesters kunnen worden verbroken. 22  Ontelbaar zijn de sterren aan de hemel en de zandkorrels aan de zee, even ontelbaar zal ik de nakomelingen maken van mijn dienaar David en van de Levieten die mij dienen.’ 23  De HEER richtte zich tot Jeremia: 24  ‘Heb je gehoord wat de mensen zeggen? “De HEER heeft de twee volken die hij had uitgekozen, verworpen.” Ze schrijven mijn volk af en zien het niet langer als een volk. 25  Maar dit zegt de HEER: Ik heb een verbond met de dag en de nacht gesloten en de hemel en de aarde aan vaste wetten onderworpen. 26  Zomin als ik die zal verwerpen, zal ik het nageslacht van Jakob en van mijn dienaar David verwerpen. Ik zal altijd een van zijn nakomelingen laten heersen over het nageslacht van Abraham, Isaak en Jakob. Ik zal hun lot ten goede keren en mij over hen ontfermen.’ (NBV)

Geleerden vragen zich af of het gedeelte dat we vandaag lezen eigenlijk wel in de Bijbel thuishoort. Toen namelijk de Bijbel in het Grieks werd vertaald, de vertaling van de 70, de Septuagint, is het gedeelte dat we vandaag lezen vanaf vers 14 daar niet in opgenomen. De ballingen die de Bijbel, of delen van de Bijbel, uit hun hoofd leerden kenden dit gedeelte wel en aangezien men later zo dicht mogelijk bij de Hebreeuwse Bijbel van de ballingen wilde komen is het gedeelte van vandaag toch in de Bijbel terechtgekomen. Maar tot op de dag van vandaag is er discussie over welke tekst je nu als uitgangspunt moet nemen om de Bijbel in je eigen taal te vertalen. De vertalers van de Nieuwe Bijbelvertaling hebben bijvoorbeeld een andere tekst tot uitgangspunt genomen dan de vertalers van de Herstelde Statenvertaling en soms kan dat tot verhitte discussies leiden over wat er nu eigenlijk in de Bijbel staat.

De tekst vanaf vers 14 gaat over het herstel van de Tempel in Jeruzalem en vooral van de dienst in de Tempel. In de eerste twee verzen van het gedeelte van vandaag lijkt het er juist op dat die Tempeldienst voortaan geen rol meer zou spelen. De Wet van Israël bepaalde namelijk dat er een belasting van een tiende van de opbrengst van het werk zou moeten worden betaald. Voor het innen van de belasting op schaapskudden waren daarvoor tellers aangesteld. Zij telden de schapen op hun vingers en elk tiende schaap was voor de Tempel. In de tekst van vandaag worden de schapen door de herders geteld. Om misverstanden te voorkomen moet er dus aan toegevoegd worden dat de Tempeldienst wel degelijk in ere hersteld zal worden. Zeker als de beloofde Koning uit het geslacht van David weer op de troon van Israël zal komen.

Er is in dit Bijbelgedeelte dus al een begin van een andere manier van denken te bespeuren. Niet langer is de Tempeldienst alleen afhankelijk van Priesters en Levieten, maar het volk zelf speelt er een beslissende rol in. Kunnen zij het verbond met de God van Israël houden? Net als bij het bouwen van de muren om de vijand tegen te houden zullen ze ook zelf verantwoordelijkheid moeten nemen voor het onderhoud van de Tempel en het houden van de Wet die daar werd bewaard. Na de verwoesting van de Tempel in het jaar 70 zal de gedachte opkomen dat de richtlijnen van God in ieders hart geschreven zal moeten zijn en dat ieder persoon een Tempel voor God zou moeten zijn. Bedoeld wordt dat in iedere gelovige de Geest van God moet wonen die iedere gelovige op het spoor zet van de dienst aan de minsten, aan het houden van maaltijd met de armen en de vreemdelingen, want uiteindelijk ook volgens de profeet Jeremia brengt dat ons tot een land dat echt overvloeit van melk en honing. Ook in onze dagen kunnen we er nog elke dag opnieuw mee beginnen, ook in het komende nieuwe jaar.

Ik zal de wonden van de stad verbinden

zaterdag, 30 december, 2017

Jeremia 33:1-11

1 ¶  De HEER richtte zich voor de tweede maal tot Jeremia, die nog steeds in het kwartier van de paleiswacht gevangen zat: 2  ‘Dit zegt de HEER, die de aarde heeft gemaakt, die haar heeft gevormd en gegrondvest, wiens naam is HEER: 3  Roep mij aan, en ik zal je antwoorden, ik zal je grote, wonderlijke dingen bekendmaken, dingen die je volkomen onbekend zijn. 4  Dit zegt de HEER, de God van Israël, over de huizen van deze stad en het paleis van de koningen van Juda, die worden afgebroken om een bolwerk op te werpen tegen de belegeringswallen en het aanvalsgeweld, 5  maar waarvan de stenen in de strijd tegen de Chaldeeën de lijken bedekken van hen die ik in mijn grote woede heb gedood, omdat ik mij van deze stad heb afgewend vanwege al het kwaad dat de inwoners hebben gedaan 6  dit zegt de HEER: Ik zal de wonden van de stad verbinden en haar herstellen, ik geef de inwoners blijvende vrede en voorspoed. 7  Ik breng een keer in het lot van Juda en Israël en maak ze weer tot het volk van vroeger. 8  Ik zal het volk reinigen van alle wandaden waarmee het tegen mij gezondigd heeft. Ik zal het alle wandaden vergeven waarmee het willens en wetens tegen mij gezondigd heeft. 9  Jeruzalem zal mij weer vreugde geven en mij lof en roem brengen bij alle volken op aarde. Die zullen horen hoeveel geluk en voorspoed ik Jeruzalem schenk, en huiveren van ontzag. 10 ¶  Dit zegt de HEER: Jullie zeggen over dit land dat het een woestenij is, dat er mens noch dier meer leeft. Maar in de steden van Juda en de straten van Jeruzalem, die nu verwoest zijn, waar mens noch dier meer leeft, 11  zullen vreugdezangen klinken, zullen bruid en bruidegom van blijdschap zingen, zal te horen zijn: “Loof de HEER van de hemelse machten, want hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw.” Er zullen dankoffers worden gebracht naar de tempel van de HEER, want ik keer het lot van Juda ten goede en maak het weer als vroeger-zegt de HEER. (NBV)

Toen in Augustus 1573 de Spaanse troepen op Alkmaar aan trokken waren de muren rond de stad nog niet helemaal klaar. Onder leiding van de Alkmaarsche ingenieur Adriaan Antonisz. werden in allerijl de muren rond de stad versterkt met bouwmateriaal afkomstig van de afbraak van Rooms Katholieke kloosters en andere gebouwen. De ingenieur had zich laten inspireren door het verhaal uit Jeremia dat we vandaag lezen. Ook daar werden de muren van de stad versterkt door de afbraak van belangrijke gebouwen en paleizen. In Alkmaar leidde dat tot het ontzet van 8 oktober 1573. In Jeruzalem uiteindelijk tot de herbouw van de stad. Vanuit zijn gevangenschap ziet Jeremia hoe de reactie van de stad zal leiden tot herstel van de onafhankelijkheid en het verdwijnen van de bedreiging die de stad ondervindt. Jeremia was een ras optimist. Hij had al een stuk akker in bezet gebied gekocht als teken van vertrouwen in bevrijding van de bezetting. Een vertrouwen waartoe sommige  Palestijnse Christenen in Israël ook vandaag oproepen. De onwettige bezetting van hun land kan niet eeuwig duren, ook aan hen zal de God van Israël recht verschaffen.

Nu ziet Jeremia hoe rijke huizenbezitters, akkoord gingen met het gebruik van het bouwmateriaal van hun huizen voor de afwenteling van de bedreiging, voor de versterking van de muren rond de stad. Die eigen inzet van mensen was veel belangrijker dan de bondgenootschappen met buurvolken en wereldmachten die koning Sedekia sloot en waarmee hij dacht de bedreiging te kunnen afwenden. Voor Jeremia is er maar één verbond en dat is met de God van Israël, die moet je lief hebben boven alles en dat doe je door je naaste lief te hebben als jezelf. In onze dagen zijn het de superrijken die aanbieden om iets meer belasting te betalen zodat de koopkracht van de grote massa van de mensen op peil kan blijven en de dreiging van een nieuwe economische crisis kan worden afgewend. Ook de politieke vertegenwoordigers van de rijken hebben het nu over stijging van lonen, uiteindelijk moeten de allerzwaksten, de Wajongers fors inleveren.

Maar mensen die zich maar net aan de armoede hebben ontworsteld zijn altijd bang weer tot armoede te vervallen. Zij zijn het die het oplossen van problemen bij anderen proberen te leggen, de zieken kunnen zichzelf ook best verzorgen, de werklozen kunnen ook als zelfstandigen aan de slag als er geen banen meer zijn, de armen moeten de buikriem maar aantrekken en als armen buiten je gezichtsveld vallen hoef je er al helemaal niets meer aan te doen. De Bijbel wijst die angst af. Niet het krampachtig vasthouden aan eigen bezit, aan eigen inkomen en maatschappelijke positie zal je verrijken, maar delen met de armsten. Jeremia ziet daarvoor de eredienst in de Tempel weer in ere komen. De citaten die hij geeft van “Loof de HEER van de hemelse machten” en zo zijn gebruikelijk formuleringen uit de Tempeldienst. Daar wordt de leer bewaard van heb uw naaste lief als uzelf. Om die dienst zal ons leven moeten draaien, elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

 

Want ik zal hun lot ten goede keren

vrijdag, 29 december, 2017

Jeremia 32:26-44

26 Hierop richtte de HEER zich tot Jeremia: 27  ‘Ik ben de HEER, de God van al wat leeft. Is er ook maar iets dat voor mij onmogelijk is? 28  Dit zegt de HEER: Ik geef deze stad in handen van de Chaldeeën, koning Nebukadnessar van Babylonië zal haar innemen. 29  De Chaldeeën, die de stad bestormen, zullen haar binnendringen en haar platbranden: alle huizen waar de Israëlieten op de daken voor Baäl wierook hebben gebrand en aan andere goden wijnoffers hebben gebracht. Ze hebben me daarmee gekrenkt. 30  Israël en Juda hebben van meet af aan gedaan wat slecht is in mijn ogen. Israël heeft mij voortdurend gekrenkt met wat het zelf gemaakt heeft-spreekt de HEER. 31  Jeruzalem heeft, vanaf de dag dat het werd gebouwd tot op de dag van vandaag, voortdurend mijn toorn gewekt. Daarom vaag ik het weg. 32  Israël en Juda, de koningen, leiders, priesters en profeten, alle inwoners van Juda en Jeruzalem, hebben al het mogelijke kwaad gedaan en mij daarmee gekrenkt. 33  Ze hebben mij niet gehoorzaamd, maar mij de rug toegekeerd. Hoewel ik hen telkens weer onderwees, luisterden ze niet naar mijn terechtwijzingen. 34  Ze hebben de tempel waaraan mijn naam verbonden is met gruwelijke afgodsbeelden ontwijd, 35  en in het Hinnomdal offerhoogten voor Baäl gebouwd om er hun zonen en dochters aan Moloch aan te bieden. Ze hebben Juda met die gruweldaad tot zonde aangezet. Ik heb dat nooit geboden, ik heb dat nooit gewild. 36  Maar toch-dit zegt de HEER, de God van Israël, over deze stad, waarover jullie zeggen: “Door het zwaard, de honger en de pest valt ze de koning van Babylonië in handen”: 37  Ik zal de inwoners samenbrengen uit alle landen waarheen ik ze in mijn grote woede en toorn verdreven heb, ze terugbrengen naar deze stad en ze er in vrede laten wonen. 38  Zij zullen mijn volk zijn en ik zal hun God zijn. 39  Ik zal hen één van hart en één van zin maken, zodat ze altijd ontzag voor mij zullen hebben en het hun en hun nageslacht goed zal gaan. 40  Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten, ik keer mij nooit meer van hen af en zal hen altijd zegenen. Ik zal hen met ontzag voor mij vervullen, zodat zij zich nooit meer van mij zullen afkeren. 41  Ik zal er weer vreugde in vinden hen te zegenen en zal hen voorgoed in dit land planten. Met hart en ziel zal ik dat doen. 42  Dit zegt de HEER: Zoals ik over dit volk al dit grote onheil heb gebracht, zo zal ik het al het goede brengen dat ik hun beloof. 43  Jullie zeggen dat dit land een woestenij is, zonder mens of dier, en dat het in handen van de Chaldeeën gegeven is, maar er zullen weer akkers worden gekocht. 44  Men zal ervoor betalen en in aanwezigheid van getuigen koopcontracten opstellen en verzegelen, in het gebied van Benjamin, in het gebied rond Jeruzalem, in de steden van Juda, van het bergland, het heuvelland en de Negev. Want ik zal hun lot ten goede keren-spreekt de HEER.’ (NBV)

We kunnen in het Evangelie naar Marcus gelezen hoe Johannes de doper een massabeweging ontketende. Jezus van Nazareth had die overgenomen nadat Johannes was gearresteerd. De druk van de massa was zo erg dat hij nauwelijks nog tijd had om te eten. Die massabeweging liep uit op een triomftocht op weg naar Jeruzalem. Een paar van de zendelingen die waren aangesteld haalden een veulen en daar ging het. De mensen rukten de takken van de palmbomen en legden die op de grond. Daarom heet de zondag waarop dit verhaal in de kerk wordt herdacht Palmzondag. De feestelijkheid die uit dit verhaal spreekt doet je bijna vergeten dat het volk zuchtte onder de zware bezetting van de Romeinen. De godsdienstige  en bestuurlijke elite van het land had zich wel aangepast. Het tempelbestuur, het Sanhedrin, keek wel uit de Romeinen tegen de haren in te strijken, en de koning van Judea, Herodes was een vazal van de Keizer.

De situatie in het land in de tijd van Johannes en Jezus verschilde niet erg veel van die in de tijd van Jeremia. Toen was er een belegering van Jeruzalem, stond de verwoesting voor de deur. De godsdienstige en bestuurlijke elite reageerde zoals zoveel belegerde elites doen, ze willen oorlog voeren ook al kost dat alleen maar veel levens. De eer is in zulke gevallen altijd een goede smoes. In Jezus tijd noch in de tijd van Jeremia werden de levens geteld die de houding van de elite kostte. Jeremia verwierp de zinloze oorlog, Jezus verwierp de opstand, zoals ook hij het gewelddadige verzet van de Zeloten had verworpen. Jeremia wilde terug naar de goddelijke richtlijnen uit de Woestijn. Jezus wilde naar de herdenking van de uittocht uit Egypte, naar de bevrijding uit de slavernij.

Die bevrijding zou uiteindelijk ook de bevrijding van de bezetting in de tijd van Jeremia betekenen en voor Jezus ook de bevrijding van de Romeinen betekenen. Voor ons betekent het op weg gaan met die richtlijnen dat niemand ons kan afhouden van het verspreiden van liefde. In onze eigen buurt, in ons eigen dorp of stad en in ons land en de wereld. Armen, zwakken, zieken en vreemdelingen genoeg. Wat de politiek of de publieke opinie ook zegt, wij kunnen onze eigen weg gaan. We hebben de belofte waarop ook Jeremia zich verlaat. Eens worden er weer akkers gekocht en verkocht, eens is er een samenleving van recht en gerechtigheid waarin iedereen mee mag doen en niemand tekort komt. Al moeten de stenen in de straat er van getuigen zei Jezus.

 

U bewijst uw liefde aan duizenden

donderdag, 28 december, 2017

Jeremia 32:16-25

16  Nadat ik het koopcontract aan Baruch, de zoon van Neria, gegeven had, bad ik tot de HEER: 17  “Ach HEER, mijn God, u hebt met uw grote kracht, met uw machtige arm, de hemel en de aarde gemaakt. Voor u is niets onmogelijk. 18  U bewijst uw liefde aan duizenden, u laat voor de schuld van de ouders ook de kinderen boeten, u bent de grote, machtige God, uw naam is HEER van de hemelse machten. 19  Uw besluiten zijn indrukwekkend, uw daden machtig. U let aandachtig op de levensweg van de mensen en beloont ieder naar zijn daden. 20  U hebt in Egypte tekenen en wonderen verricht, en verricht die tot op de dag van vandaag in Israël en onder heel de mensheid, zodat uw naam nu overal gevestigd is. 21  U hebt uw volk Israël met angstaanjagende tekenen en wonderen uit Egypte weggeleid, met sterke hand en opgeheven arm, 22  en u hebt hun dit land gegeven, dat u hun voorouders onder ede had beloofd: een land dat overvloeit van melk en honing. 23  Uw volk trok het binnen en nam het in bezit, maar gehoorzaamde u niet. Ze leefden uw wet niet na, volgden uw geboden niet op. Daarom werd deze ellende hun deel. 24  De belegeringswal reikt al tot de stadsmuur, de stad staat op het punt te worden ingenomen. Ze valt in handen van de Chaldeeën, die haar bestormen. Het zwaard, de honger en de pest brengen haar ten val. Wat u hebt aangekondigd, ziet u nu zelf gebeuren. 25  Toch hebt u, HEER, mijn God, mij gezegd de akker te kopen en in aanwezigheid van getuigen te betalen. En dat terwijl de stad in handen van de Chaldeeën valt.”’ (NBV)

Jeremia ziet de stad Jeruzalem vallen voor zijn ogen. Volgens het verhaal over Jezus van Nazareth sprak ook die vlak voor zijn intocht een rede uit die lijkt op het klaaglied van Jeremia. Als je het bovengenoemde Bijbelgedeelte goed leest dan zie je dat het niet zozeer om de stenen en de huizen gaat, zelfs niet om de mensen, al worden de doden en gewonden zeer betreurd, maar het gaat om de leer van Mozes die in het hart van Jeruzalem staat. Die leer, neergelegd in de heilige kist, meegedragen uit de woestijn waar de leer werd ontvangen, geeft Jeruzalem haar betekenis. Die leer is in de steek gelaten door de mensen en dat betekent de verwoesting van Jeruzalem. Als mensen niks meer voor elkaar over hebben dan gaat de samenleving verloren. Lopen we die kans ook na zo lange tijd? Jazeker, als we de samenleving van ieder voor zich en allemaal zelf verantwoordelijk gaan kiezen krijgen precies waar Jeremia zo beducht voor was. Dan krijgen de armen te horen dat ze zelf maar werk moeten zoeken, dat ze sterk genoeg zijn om voor zichzelf te zorgen.

De overheid is er dan alleen nog voor om ze dat te vertellen, om ze een zetje te geven. Jeremia pakt het anders aan. Hij vertrouwt op de God van Israël want met liefde voor mensen is niets onmogelijk. Ontbreekt die liefde in de samenleving dan gaat het goed mis. In de tekst staat een schijnbare tegenstelling. God bewijst zijn liefde aan duizenden maar laat voor de schuld van de ouders ook de kinderen boeten. Het kan niet anders. Er is nu eenmaal geen liefde zonder God schreef Paulus eens en het is aan mensen om aan die liefde gestalte te geven. Gebeurt dat niet dan verkilt de samenleving en gaan er mensen aan dood, ook de kinderen worden daar het slachtoffer van, ieder wordt nu eenmaal beloont naar zijn daden. Jeremia wijst nog eens op de bevrijding van het volk uit Egypte. Dat ging niet zonder slag of stoot. De rampen die Egypte trof namen de mensen op de koop toe. De slavernij van Israël was nu eenmaal een teken van superioriteit van de mensen en goden van Egypte.

Dat ook de dood van eerstgeborenen hen niet zou bevrijden van de rampen openden uiteindelijk de ogen en deden hen de slaven uit Egypte verjagen. Die slaven gingen een volk vormen en kregen een leer die richtlijnen voor een menselijke samenleving zou bevatten, samengevat in heb uw naaste lief als uzelf. Maar mensen dachten dat die armen hen alleen maar zouden verzwakken, de zorg voor de armen werd net als in onze dagen als een last verwoord. Voor het volk Israël was het gevolg dat machtige naties hen belegerden en zouden overwinnen, het volk werd in ballingschap gevoerd. Het hoeft niet zover te komen. Als we weer een samenleving weten te vormen waar vreemdelingen gastvrij worden ontvangen, waar mensen weer mee mogen doen en een toekomst krijgen, waar voor de zwakken gezorgd wordt en de zorg voor armen een eer is en niet een last, dan worden ook wij rijker, dan komen ook wij te wonen in een land dat overvloeit van melk en honing. We kunnen er vandaag nog mee beginnen.

 

Eens zullen opnieuw akkers worden gekocht

woensdag, 27 december, 2017

Jeremia 32:1-15

1 ¶  In het tiende regeringsjaar van koning Sedekia van Juda (het achttiende regeringsjaar van Nebukadnessar, de koning van Babylonië) richtte de HEER zich tot Jeremia. 2  De troepen van Nebukadnessar belegerden Jeruzalem en de profeet Jeremia zat gevangen in het kwartier van de wacht, dat tot het paleis van de koning van Juda behoorde. 3  Koning Sedekia had hem daar gevangengezet omdat hij had geprofeteerd: ‘Dit zegt de HEER: Ik geef deze stad in handen van de koning van Babylonië; hij zal haar innemen. 4  Koning Sedekia van Juda zal niet aan de Chaldeeën ontsnappen, maar aan de koning van Babylonië worden uitgeleverd. Hij komt oog in oog met hem te staan en zal persoonlijk met hem spreken. 5  Daarna wordt hij naar Babel gevoerd, waar hij zal blijven totdat ik naar hem omzie-spreekt de HEER. Alle verzet tegen de Chaldeeën zal nutteloos zijn.’ 6  Jeremia zei: ‘De HEER richtte zich tot mij met de woorden: 7  “Chanamel, de zoon van je oom Sallum, is naar je onderweg om je te vragen zijn akker in Anatot van hem te kopen, omdat jij als losser de plicht hebt die in de familie te houden.” 8  Het gebeurde zoals de HEER had gezegd. Mijn neef Chanamel kwam naar het kwartier van de paleiswacht en vroeg mij: “Koop alsjeblieft mijn akker in Anatot, in het gebied van Benjamin. Jij hebt als losser het recht van eerste koop, jij kunt hem in de familie houden.” Ik begreep dat dit een opdracht van de HEER was 9  (9-10) en kocht de akker van mijn neef Chanamel uit Anatot. Ik stelde een koopcontract op, verzegelde dat in aanwezigheid van getuigen en betaalde Chanamel zeventien sjekel zilver, die ik afwoog in een weegschaal. 10 11  Ik gaf zowel het verzegelde contract, waarin de bepalingen en voorwaarden waren vastgelegd, als het open contract 12  aan Baruch, de zoon van Neria, de zoon van Machseja. Dat deed ik ten overstaan van mijn neef Chanamel en de getuigen, die het contract mede hadden ondertekend, en in aanwezigheid van alle Judeeërs die zich in het kwartier van de paleiswacht bevonden. 13  In hun bijzijn gaf ik Baruch de volgende opdracht: 14  “Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Stop deze contracten, zowel het gesloten als het open contract, in een kruik; dan blijven ze lange tijd in goede staat. 15  Want dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Eens zullen in dit land opnieuw akkers, huizen en wijngaarden worden gekocht.” (NBV)

In het Bijbelgedeelte van vandaag gaat het over een “losser”. Jeremia, hij hangt weliswaar niet aan het kruis maar hij zit in de gevangenis. Zijn eigen koning heeft hem opgesloten en de stad waar hij woont wordt belegerd door een wel zeer machtige vijand. Wij zouden die Jeremia toch voor gek verklaren als hij dan een akker gaat kopen. Je geld verberg je, of tenminste bewaar je in tijden van onzekerheid. Zo niet Jeremia, die koopt. Nou was het niet zomaar een akker en niet zomaar een koop. Het was eigenlijk een geloofsbelijdenis. Die leer van Mozes uit de woestijn zou uiteindelijk overwinnen geloofde Jeremia, en vanwege dat geloof zat hij gevangen. Hij vertrouwde niet op de lokale politici, koning Sedekia en zijn raadgevers. Hij vertrouwde op die leer van recht en gerechtigheid, van “gij zult niet doden” en zo. Die vijand was zo sterk dat het stom was om daartegen mensenlevens op te offeren. Nee er was een betere optie.

Toen het volk Israel het land Kanaän binnengetrokken was had men het land zorgvuldig verdeeld onder alle families. Als de familie het land kwijt zou zijn geraakt kreeg men het na 50 jaar weer terug maar men had altijd het eerste recht het land weer terug te kopen. Van dat land moest men immers leven. En daar bouwde Jeremia nu op, een koop als de zijne stelde de toekomst veilig. Toch is die koop door Jeremia vreemd. Priesters en levieten waren namelijk uitgesloten van de verdeling van het land, met hen moest gedeeld worden, zij moesten onafhankelijk recht kunnen spreken. Veel en veel later zouden ook Maria en Jozef er op vertrouwen en naar hun akker gaan om daar hun zoon geboren te laten worden. De overlevering zegt ook nog dat Judas zijn 30 zilverlingen wegwierp op de akker van Jeremia voor hij zich verhing. Voor Palestijnen is de koop door Jeremia dan ook een zeer vreemd verhaal. Voor de stichting van de staat Israël werd massaal land gekocht door Joden uit de hele wereld.

Op dat land werden nederzettingen van Joden gebouwd en zodra de Verenigde Naties hadden besloten dat het land Palestina verdeeld moest worden in een Joodse en een Palestijnse staat bleek al het land dat ze in goed vertrouwd hadden verkocht ineens in het buitenland te liggen. Jeremia werd daardoor een kolonisator. Ook nu wordt er in de “bezette gebieden”, in het land Palestina dus, land gekocht door Israëli die het vervolgens niet willen laten besturen door de regering van een onafhankelijk Palestina, dat al in 1948 door de toen aanwezig Joden op grond van de besluiten van de VN werd uitgeroepen. Een moderne theologe heeft onlangs door een nieuwe uitleg van het verhaal van Jeremia en gesprekken tussen christenen van Joodse en Palestijnse afkomst geprobeerd van dit verhaal weer een verhaal van hoop voor de armen te maken. Het is te hopen dat haar boek snel in een Nederlandse vertaling beschikbaar komt. Want het is ook aan ons om aan het onrecht dat gegroeid is in het land Palestina een einde te maken, net als Jeremia zijn volk voorhield.

Het goede doen

dinsdag, 26 december, 2017

Titus 3:1-14

1 ¶  Herinner allen eraan dat ze overheid en gezag moeten erkennen en gehoorzaam moeten zijn, bereid om altijd het goede te doen, 2  dat ze van niemand mogen kwaadspreken, vredelievend en vriendelijk moeten zijn en zich tegenover iedereen zachtmoedig moeten gedragen. 3  Ook wij waren eens onverstandig, ongehoorzaam, op de verkeerde weg, slaaf van allerlei begeerten en lusten. Ons leven stond in het teken van boosaardigheid en afgunst, we verafschuwden en haatten elkaar. 4  Maar toen zijn de goedheid en mensenliefde van God, onze redder, openbaar geworden 5  en heeft hij ons gered, niet vanwege onze rechtvaardige daden, maar uit barmhartigheid. Hij heeft ons gered door het bad van de wedergeboorte en de vernieuwende kracht van de heilige Geest, 6  die hij door Jezus Christus, onze redder, rijkelijk over ons heeft uitgegoten. 7  Zo zijn wij door zijn genade als rechtvaardigen aangenomen en krijgen we deel aan het eeuwige leven waarop we hopen. 8  Deze boodschap is betrouwbaar. Ik wil dat je hierover met overtuiging spreekt, opdat zij die op God vertrouwen zich erop toeleggen het goede te doen. Daar heeft iedereen baat bij. 9 ¶  Maar houd je verre van dwaze speculaties en geslachtsregisters en dat geruzie en geredetwist over de wet, want dat is allemaal nutteloos en dwaas. 10  Wie na twee keer te zijn terechtgewezen nog steeds verdeeldheid zaait, moet je uit de gemeente verwijderen; 11  je weet dat zo iemand het spoor volkomen bijster is en door te zondigen zichzelf veroordeelt. 12  Zodra ik Artemas of Tychikus naar je toe heb gestuurd, moet je bij mij in Nikopolis komen. Ik heb besloten daar de winter door te brengen. 13  Rust Zenas, de rechtsgeleerde, en Apollos goed toe voor hun reis, zodat het hun aan niets ontbreekt. 14  Laten ook onze mensen leren zich in te spannen om het goede te doen waar dat dringend nodig is. Zo maken ze zich nuttig. 15  Allen die bij mij zijn, groeten je. Groet al onze vrienden in het geloof. Genade zij met jullie allen. (NBV)

De brief aan Titus werd, net als de andere boeken van het Nieuwe Testament, geschreven in een tijd dat de nieuwe religie van Jezus aanhangers, Christenen genoemd, nog verdacht waren. Wilden ze niet een nieuw Koninkrijk stichten? Hadden ze niet maar één Heer en dat was dan niet de Goddelijke Keizer? Gemakkelijk konden deze Christenen voor oproerkraaiers worden aangezien. Offeren in de tempels was er niet bij. Onderscheid tussen slaven en heren, tussen mannen en vrouwen, was in hun midden weggevallen. In wat  geschreven werd moest men daarom voorzichtig zijn. Het ging weliswaar om de bevrijding van de gebondenen, om recht voor de armen, maar niet met geweld en revolutie. In een wereldrijk als het Romeinse zou dat volstrekte onzin geweest zijn. Je kon beter uitgaan van gehoorzaamheid aan de overheid. Als de overheid de brief aan Titus in handen zou krijgen dan lijkt dit gedeelte uit het derde hoofdstuk een keurige oproep.

Lijkt zeg ik want kijk eens goed. Er staat dat je ook voor de overheid altijd bereid moet zijn het goede te doen. Dat is niet zoals we het langzaam gewoon zijn gaan vinden. Zijn we het ergens niet mee eens dan reageren we vaak als reaguurders, we schelden er wat op los op het internet. Van Christenen wordt iets anders verwacht. In het gedeelte van vandaag staat daarom een moeilijk beeld, het beeld van de wedergeboorte. Gemakkelijk roepen Christenen dat ze wedergeboren Christenen zijn, maar als je ze vraagt naar de vruchten van hun wedergeboorte dan gaan ze stamelen. Meestal worden de armen en de zwakken er niet beter van. Toch wordt dat bedoeld.  Alle  mensen worden door de brief aan Titus opgeroepen om het goede te doen. Daarover moet Titus met overtuiging spreken. Ons ontbreekt het daaraan nogal eens.

Er zijn duizenden voorbeelden van mensen die geraakt worden door armoede en ellende en spontaan in hun eigen omgeving geld gaan inzamelen om die ellende om te keren in het goede. Of het nu komt door oorlog of door een natuurramp of zelfs gewoon door de domheid van de mensen die in nood zijn dat maakt dan niet uit. Als hulp nodig is moet hulp geboden worden zo redeneren mensen die geraakt worden door het lot van anderen. Het goede doen kan dus, ook vandaag.  Het goede doen kan, het goede doen helpt, en het goede doen is nuttig ook vandaag, ook om ons heen. De winter heerst ook de komende week nog in heel veel vluchtelingenkampen waar mensen in tentjes wonen. Bij ons zijn er de voedselbanken en U bent er ook nog. We moeten er samen voor zorgen dat het kerstverhaal over vrede op aarde en in mensen een welbehagen niet al op Tweede Kerstdag is uitverteld.

De heilzame leer

maandag, 25 december, 2017

Titus 2:1-15

1 ¶  Maar jij moet verkondigen wat overeenkomt met de heilzame leer. 2  Oudere mannen moeten sober, waardig en bezonnen zijn, en gezond in het geloof, de liefde en de volharding. 3  Ook oudere vrouwen moeten zich ingetogen gedragen, ze mogen niet kwaadspreken of verslaafd zijn aan wijn. Ze moeten goede raad weten te geven, 4  en de jonge vrouwen voorhouden dat ze hun man en kinderen moeten liefhebben, 5  dat ze ingetogen, kuis, zorgzaam in het huishouden en vriendelijk moeten zijn, en dat ze het gezag van hun man moeten erkennen. Dan wordt het woord van God in ere gehouden. 6  Roep ook jonge mannen op in alles ingetogen te zijn. 7  Geef zelf met goede daden het voorbeeld, laat je leer zuiver en waardig zijn, 8  en verkondig de heilzame, onbetwistbare boodschap, zodat onze tegenstanders beschaamd staan en niets kwaads over ons kunnen zeggen. 9  Slaven moeten in alles het gezag van hun meester erkennen en het hem naar de zin maken. Ze mogen hem niet tegenspreken 10  of van hem stelen, maar moeten laten zien dat ze volkomen betrouwbaar zijn. Dan verhogen ze in alles wat ze doen het aanzien van de leer van God, onze redder. 11 Gods genade is openbaar geworden tot redding van alle mensen. 12  Ze leert ons dat we goddeloze en wereldse begeerten moeten afwijzen en bezonnen, rechtvaardig en vroom in deze wereld moeten leven, 13  in afwachting van het geluk waarop wij hopen: de verschijning van de majesteit van de grote God en van onze redder Jezus Christus. 14  Hij heeft zichzelf voor ons gegeven om ons van alle zonde vrij te kopen, ons te reinigen en ons tot zijn volk te maken, dat vol ijver is om het goede te doen. 15 ¶  Gebruik je gezag om dit te verkondigen, moedig aan en wijs terecht. Laat niemand op je neerkijken. (NBV)

Vandaag is het Kerstfeest en met de kerk van alle tijden lezen we in de brief aan Titus waar het bij dat feest om gaat. Titus werkte voor de Kretenzers. We kennen Kreta van de verhalen over de Minotaurus, de Stiermens die in een groot doolhof werd gehouden en waar jonge mannen en vrouwen aan geofferd werden. We kennen ook de verhalen over het stierspringen waarmee de jonge mannen van Kreta hun mannelijkheid konden bewijzen. Het zijn allemaal verhalen over een volk dat bezeten was door angst voor vruchtbaarheid. Vrouwen hadden alle reden om te roepen: Metoo. Maar kijk dan eens naar wat er staat over oudere mannen. Dat het geen dronkaards moeten zijn lijkt voor de hand te liggen, de Romeinen konden overigens zeer uitgebreid genieten van zeer verfijnde maaltijden, die hoefden echt niet te wachten op Kerstmis. Soberheid is dus zo gek nog niet. Gezond in geloof en in de liefde en de volharding. Wat een merkwaardige opsomming lijkt het. Geloof gaat nog maar liefde en volharding. De meeste van geloof, hoop en liefde is de liefde volgens Paulus, een liefde zo heet het die zichzelf niet zoekt. Liefde voor de mensen. En vanuit die liefde kan een slaaf gehoorzaamheid aan zijn meester gevraagd worden. Vrouwen kan gevraagd worden het tegendeel van liederlijkheid uit te stralen.

Als je goed kijkt krijgen mannen en vrouwen, jongeren en ouderen, slaven en vrijen dezelfde adviezen van Paulus. Van het aanbrengen van een soort rangorde, waarbij de een de baas over de ander is, is geen sprake, allen hebben de mogelijkheid om reclame te maken voor het nieuwe leven. Allen wordt gevraagd die mogelijkheid aan te grijpen. In Christus is geen onderscheid tussen mensen en nu wordt aan Titus gevraagd dit ook in zijn nieuwe gemeente in praktijk te brengen. Die vraag kan ook aan ons worden gesteld. Dan moeten wij onszelf afvragen of we in onze gemeenten onderscheid maken tussen mensen op grond van hun sociale status, hun sekse of seksuele geaardheid of hun leeftijd. Voor allen geld immers dat geloof, hoop en liefde uitgestraald moet worden en voor ons samen of iedereen daar wel voldoende de kans voor krijgt. Het woord “Vroom” betekent in Oud Nederlands “Dapper”, je vindt het terug in het Wilhelmus, “Dat ik zo vroom mag blijven¦, den tirannie verdrijven” Vroom heeft tegenwoordig de bijbetekenis van “over godsdienstig”, maar soms moet je ook wel dapper zijn om je godsdienst uit te durven dragen. Dat is misschien ook wel een verklaring voor het radicaliseren van godsdienstige jongeren, christenen en islamieten. Het is een goed gevoel dapper te moeten zijn voor een goede zaak, je godsdienst.

Voortdurend gericht zijn op het goede doen, steeds maar weer hameren op recht voor de armen, op zorg voor de zwakken, is een taak. Dat je daarbij af en toe afhaakt, af en toe verzaakt, is een gegeven. Het verhaal dat Jezus van Nazareth met zijn leven heeft verteld maakt dat je elk moment opnieuw mag beginnen. Zelfs het korte optreden van Stefanus was niet vergeefs, het mag ons elk jaar op de Tweede Kerstdag weer tot voorbeeld dienen. Dat verhaal over het goede doen mogen we doorvertellen en we hoeven ons niet te laten afschrikken door de minachting waarmee geloof in rechtvaardigheid vaak wordt benaderd. Integendeel, mensen die menen het voor het zeggen te hebben in deze wereld hebben het eigenlijk mis. Als je in een tijd waarin de tering naar de nering gezet moet worden smalend doet over een voorstel om de allerrijksten iets meer mee te laten betalen aan de voorzieningen waar ook zij van profiteren dan lijk je wel sterk en machtig maar je bent eigenlijk alleen maar zwak. De wegen waarover auto’s rijden, de treinen waarin mensen zich laten vervoeren, de veiligheid die burgers geboden wordt zijn voorzieningen waar iedereen van profiteert. Mogen de rijken voor het instandhouden misschien wat meer bij mogen dragen dan de armen?

Praatjesmakers en bedriegers

zondag, 24 december, 2017

Titus 1:1-16

1 Van Paulus, dienaar van God, apostel van Jezus Christus, met de opdracht om Gods uitverkorenen tot geloof te brengen en tot de kennis van de ware vroomheid, 2  die hoop geeft op het eeuwige leven dat God, die niet liegt, vóór alle tijden heeft beloofd. 3  Hij heeft de tijd bepaald waarop zijn woord door de verkondiging bekendgemaakt werd, en deze verkondiging is mij nu in opdracht van God, onze redder, toevertrouwd. 4  Aan Titus, mijn waarachtig kind in ons gemeenschappelijk geloof. Genade en vrede van God, de Vader, en van Christus Jezus, onze redder! 5 Ik heb je op Kreta achtergelaten om, volgens mijn richtlijnen, de resterende zaken te regelen en in elke stad oudsten aan te stellen: 6 onberispelijke mannen, die maar één vrouw hebben, en gelovige kinderen die niet kunnen worden beschuldigd van schandelijk gedrag en ongehoorzaamheid. 7  Een opziener moet als beheerder van Gods huis onberispelijk zijn: hij mag niet eigenzinnig optreden, niet driftig zijn, niet te veel drinken, niet gewelddadig zijn en niet hebzuchtig; 8  hij moet juist gastvrij zijn, goedwillend, bezonnen, rechtvaardig, toegewijd en beheerst. 9  En hij moet zich houden aan de betrouwbare boodschap die in overeenstemming is met de leer, zodat hij in staat is om anderen met heilzaam onderricht te bemoedigen en dwarsliggers terecht te wijzen. 10  Want er zijn veel ongehoorzame mensen, praatjesmakers en bedriegers, vooral onder Joodse gelovigen. 11  Hun moet de mond worden gesnoerd; ze richten hele families te gronde door uit schandelijk winstbejag de verkeerde dingen te onderwijzen. 12  Een van hun eigen profeten, zelf een Kretenzer, heeft gezegd: ‘Kretenzers zijn onverbeterlijke leugenaars, gemene beesten, vadsige vreters.’ 13  Dát is pas een waar woord! Wijs hen daarom streng terecht, zodat ze een heilzaam geloof krijgen, 14  zich niet langer interesseren voor Joodse verzinsels en zich geen regels laten opleggen door mensen die zich van de waarheid hebben afgekeerd. 15  Voor wie rein zijn, is alles rein; maar voor wie bezoedeld en ongelovig zijn, is niets rein, want zowel hun verstand als hun geweten is bezoedeld. 16  Ze belijden dat ze God kennen, maar hun daden weerspreken dat. Weerzinwekkend zijn ze, onwillig en niet in staat tot ook maar iets goeds. (NBV)

Vandaag beginnen we te lezen in de brief die gecomponeerd werd alsof Paulus schreef aan zijn assistent Titus, maar de brief is van een tijd na het leven van Paulus en misschien ook wel Titus. We krijgen een kijkje in de opbouw van een nieuwe godsdienst in een bestaande wereld. Een nieuwe godsdienst die langzaam een vaste plaats tussen de andere godsdiensten had gekregen. Tegenwoordig ontlenen sommige mannen aan de opdracht aan Titus het recht om vrouwen uit te sluiten van ambt van voorganger. Het is daarbij vreemd dat dat vooral gebeurt door mannen die geen enkele vrouw hebben, en ook niet willen of mogen hebben, laat staan ook nog gelovige kinderen die niet kunnen worden beschuldigd van schandelijk gedrag en ongehoorzaamheid. Die uitsluiting van vrouwen slaat dan ook nergens op en is zeker niet Bijbels zoals we bij het lezen van echte brieven van Paulus al hebben ontdekt. Titus werkt volgens deze brief op Kreta en Kretenzers hadden zo hun eigen geloof en gewoonten. Één man met meerdere vrouwen en een hele sleep ongeregelde kinderen was kennelijk geen uitzondering. Daar konden, en kunnen nog steeds, de meest wilde verhalen over de ronde doen die geen reclame zouden vormen voor de nieuwe godsdienst. En reclame voor die nieuwe godsdienst daar moest het om gaan.

De schrijver van de brief aan Titus heeft de wetenschap overigens een citaat gegeven waar lang op is gestudeerd: “Alle Kretenzers zijn leugenaars, zei de Kretenzer” Deze zin kan dus niet. Of de Kretenzer liegt en dan is hij een leugenaar, maar zijn niet alle Kretenzer leugenaars, of de Kretenzer liegt niet en dan zijn alle Kretenzers leugenaars maar dan liegt hij dus ook en zijn niet alle Kretenzers leugenaars. Volgens de schrijver van deze brief liegt deze valse profeet dus. De briefschrijver kan behoorlijk tekeer gaan tegen deze valse profeten en valse leraars. Ik heb er al eens eerder op gewezen dat er in de Bijbel forse scheldpartijen tegen profiteurs voorkomen. De daden zijn uiteindelijk toonaangevend voor het waarheidsgehalte. Worden de armen er beter van, komt er echte rechtvaardigheid en vrede? Is er echt sprake van een welbehagen in mensen? Komend kerstfeest zullen we weer veel vrome woorden horen over een zielig kindje in een kribbe, over die arme Maria en Jozef en een volle herberg. Dat laatste staat overigens niet in de Bijbel maar ja dat er geen plaats was moet toch verklaard worden. Zelfs de stal komt niet in de Bijbel voor. Alleen de voederbak, kribbe, zeiden we vroeger. Daar werd de baby ingelegd, in doeken gewikkeld, net als Jezus van Nazareth later zelf in het graf gelegd zou worden.

Morgen zweven er weer engeltjes door het luchtruim en lagen er herdertjes bij nachte. Vrome predikers maken de mensen kleiner, het leed groter, en de stal warmer, of kouder, dan vriest het en hagelt het en sneeuwt het rond de Middellandse Zee. De armen worden weggepoetst in preken van Anton Piek die met kerst bekeken kunnen worden in een christelijke Efteling. Het zijn de sprookjes die bij het jaargetijde horen. Dat de schapen in Israël van mei tot september in het veld bleven was door de geleerden even vergeten. Een waarschuwing zo vlak voor kerst is dus zeker op z’n plaats. De brief aan Titus waarschuwt voor iets dat Joodse verzinsels genoemd wordt. In de tijd dat de brief is geschreven wilde men graag de Griekse godsdiensten verenigen met de Joodse Godsdienst. Dan gaat het ineens over je eigen geluk, over praten met je voorouders, praten met geesten. Dan gaat het over toekomstvoorspellingen, over de taal van de sterren. Voor deze briefschrijver moet je alleen letten op de daden. Daarom: als je mee wil doen met het verhaal van Jezus van Nazareth en wil helpen de wereld te bevrijden van bedrog, onderdrukking, onrecht en armoede dan heeft ook het kerstverhaal daarin een eigen betekenis.

Jeruzalem zal nooit meer worden afgebroken

zaterdag, 23 december, 2017

Jeremia 31:31-40

31  De dag zal komen-spreekt de HEER dat ik met het volk van Israël en het volk van Juda een nieuw verbond sluit, 32  een ander verbond dan ik met hun voorouders sloot toen ik hen bij de hand nam om hen uit Egypte weg te leiden. Zij hebben dat verbond verbroken, hoewel ze mij toebehoorden-spreekt de HEER. 33  Maar dit is het verbond dat ik in de toekomst met Israël zal sluiten-spreekt de HEER: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en hem in hun hart schrijven. Dan zal ik hun God zijn en zij mijn volk. 34  Men zal elkaar niet meer hoeven te onderwijzen met de woorden: “Leer de HEER kennen, ”want iedereen, van groot tot klein, kent mij dan al-spreekt de HEER. Ik zal hun zonden vergeven en nooit meer denken aan wat ze hebben misdaan. 35 Dit zegt de HEER, die de zon heeft gemaakt als het licht voor de dag, de maan en sterren als de lichten voor de nacht, die de zee opzweept, zodat de golven bruisen, wiens naam is HEER van de hemelse machten: 36  Pas als deze orde ophoudt te bestaan- spreekt de HEER bestaat ook Israël niet meer, is het niet meer voor altijd mijn volk. 37  Dit zegt de HEER: Zoals de hoogte van de hemel niet gemeten wordt, de diepte van het fundament der aarde niet gepeild, zo verwerp ik niet het nageslacht van Israël om alles wat het heeft misdaan- spreekt de HEER. 38  De dag zal komen-spreekt de HEER dat Jeruzalem wordt herbouwd en aan mij wordt gewijd. Dan loopt de muur weer vanaf de Chananeltoren tot aan de Hoekpoort, 39  en vanaf dat punt zal hij worden verlengd naar de Gareb, en dan een bocht naar Goa maken. 40  Hij zal om de vallei lopen waar de doden worden begraven en de as wordt uitgestrooid, en verder om alle akkers tot aan het Kidrondal. Van daar loopt hij naar de hoek van de Paardenpoort in het oosten. Heel dit gebied zal aan de HEER zijn gewijd, en Jeruzalem zal nooit meer worden afgebroken en verwoest.’ (NBV)

Jeremia blijft proberen de ballingen een hart onder de riem te steken. Houd moed. Ook al heeft de bezetter de muren van de stad neer laten halen er komt een dag dat de stad weer in alle glorie zal herrijzen. Natuurlijk zegt hij er bij wat daarvoor de voorwaarden zijn. Het volk moet weer doen wat afgesproken is. Bereid zijn de afgesproken belasting te betalen en te delen wat je verdient. Dan pas kun je samen zorgen voor de armen en de zieken. Roepen dat je wil dat er in verzorgingstehuizen minder mensen op één kamer komen te liggen en tegelijk de belastingen willen verlagen kan niet. Roepen dat er beter voor scholieren gezorgd moet worden en tegelijk de belastingen verlagen kan ook niet. En roepen dat de veiligheid op straat groter moet worden en tegelijk de belastingen verlagen kan helemaal niet.  Denken aan jezelf en niet aan je naaste is kennelijk de slagzin van velen in deze verlichte dagen.

De liberalen die ooit ieder individueel mens de kans wilden geven zich te ontplooien moeten maar weten wat ze stemmen. Was de samenleving in liberale zin nu juist bedoeld om iedereen zo veel mogelijk kansen te geven of om de sterken, de slimmen en de brutalen de kans te geven zoveel mogelijk van de anderen te profiteren? Het verhaal van Jeremia is voorlopig wel duidelijk. Houd je aan de goddelijke richtlijnen uit de woestijn, heb God lief boven alles door je naaste lief te hebben als jezelf. Daar stond ook in dat je moet zorgen dat de vreemdelingen er bij horen. Het voortdurende geschimp op vreemdelingen  heeft oude en eerbiedwaardige politici er toe gebracht te waarschuwen voor een groeiende kloof in de samenleving, voor een agressief wij en zij gedrag, een gedrag dat uit kan lopen op moord en doodslag. Die waarschuwing nemen steeds meer mensen ter harte.

Mensen die in het verhaal van de bevrijding uit de slavernij zoals Israël overkwam en in het verhaal van Jezus willen meedoen hadden het al door. Misschien komt er een beweging op gang die ons uit de huidige donkere tijden kan brengen. De roep om bang te zijn voor de Islam heeft geleerde theologen er toe gebracht om nog eens de leer van de Islam te bestuderen. We blijken in dezelfde God te geloven. We praktiseren ons geloof weliswaar op verschillende manieren maar de zorg voor de armen, de compassie is in beide geloven een pijler en vrede is iets wat beide geloven nastreven. Alleen wie de vreedzame samenleving gewijd aan de God van Israël te na komt kan op gewelddadig verzet rekenen, dat geldt ook voor beide geloofsrichtingen. Het nieuwe jaar kunnen we dus beginnen zonder angst, zonder haat en met het voornemen van dit nieuwe jaar een jaar van samen leven, samen werken en samen delen te maken. Niet alleen in ons land, maar in een verenigd Europa en met al onze broeders en zusters over de hele wereld.

 

Woonplaats van gerechtigheid

vrijdag, 22 december, 2017

Jeremia 31:23-30

23  Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik zal hun lot ten goede keren, en dan zal in de steden van Juda, in het hele land, opnieuw te horen zijn: “Moge de HEER je zegenen, Jeruzalem, woonplaats van gerechtigheid, heilige berg!” 24  Stedelingen, boeren en herders zullen weer in Juda wonen. 25  Wie dorstig zijn, zal ik verkwikken; wie uitgeput zijn, geef ik kracht.’  26  Hierop ontwaakte ik en sloeg mijn ogen op. De slaap had mij goedgedaan. 27 ¶  ‘De dag zal komen-spreekt de HEER dat ik Israël en Juda zal inzaaien met mensen en met dieren. 28  Zoals ik niet aarzelde om hen uit te rukken en te verwoesten, af te breken, kwaad te doen en te vernietigen, zo zal ik niet aarzelen om hen te planten en op te bouwen-spreekt de HEER. 29  Dan zal men niet meer zeggen: “Als de ouders onrijpe druiven eten, krijgen de kinderen stroeve tanden,” 30  maar zal wie zondigt om zijn eigen zonden sterven. Wanneer iemand onrijpe druiven eet, zullen zijn eigen tanden stroef worden. (NBV)

Het moet wel een hele mooie stad zijn als van die stad gezegd kan worden dat het een woonplaats van gerechtigheid is. Op dit moment is dat voor de wereld buiten Nederland de stad Den Haag. Daar is de rechtbank gevestigd die geschillen tussen staten berecht. Daar staat het Vredespaleis als symbool van internationaal recht. Maar in Den Haag is ook het Internationaal Strafhof waar oorlogsmisdrijven en misdaden tegen de menselijkheid kunnen worden berecht. Vooruitlopend daarop was er tot nu toe het Joegoeslavië Tribunaal en is een tijd geleden voormalig dictator Charles Taylor in Den Haag door het Strafhof berecht omdat hij verdacht werd van misdrijven tegen de menselijkheid en strafbare schendingen van Internationaal recht. Hij is inmiddels veroordeeld. Machtigen moeten zich ook verantwoorden.

Machtige landen hebben nog steeds de neiging zich te onttrekken aan die Haagse rechtspraak. Zij vinden dat ze zelf het recht mogen maken en uit mogen maken wat recht en wat onrecht is. Ze beschermen ook hun leiders, ambtenaren en militairen die het door hun ontworpen recht op de door hun goedgekeurde manier uitvoeren. Jeremia voorspelt dan ook dat uiteindelijk het recht niet geschreven moet blijven in wetboeken en verdragen zoals ook in het volk Israel het geval was, maar dat het recht moet wonen in de harten van de mensen. Onrecht moet voor ons onverdraaglijk worden. De mensen die in het verhaal van Jezus van Nazareth mee willen doen geloven dat met hem de richtlijnen uit de woestijn zijn gaan wonen in de harten van de mensen, mensen willen hun naasten liefhebben als zichzelf. Jezus van Nazareth leefde die richtlijnen tot in de dood toe. Met hem is de voorspelling van Jeremia uitgekomen.

Maar als het bij hem gebleven zou zijn had die voorspelling weinig waarde gehad. De voorspelling van Jeremia komt pas uit als die richtlijnen van recht en rechtvaardigheid ook in onze harten gaan wonen. Als ook wij geen minuut meer kunnen leven met onrecht wie dan ook aangedaan. Als eerlijk delen de voorwaarde is om wat dan ook te krijgen. Dat internationale recht in Den Haag is dan maar een klein begin. Voor de armen en de vreemdelingen in ons eigen land woont het recht zeker niet in Den Haag. Voor hen wonen daar kleine angstige politici voor wie het eigen bezit en de eigen macht vaak belangrijker is dan recht en rechtvaardigheid. Ze kunnen daar wonen omdat ze door ons zijn gekozen. Ze kunnen angst haat en verdeeldheid zaaien omdat wij ze dat laten doen. Tijd dus om daar verandering in te brengen, zodat ons land echt een woonplaats van gerechtigheid wordt.