Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor oktober, 2017

De HEER heeft Jakob uitgekozen

woensdag, 18 oktober, 2017

Psalm 135

1 ¶  Halleluja! Loof de naam van de HEER, loof hem, dienaren van de HEER, 2  u die staat in het huis van de HEER, in de voorhoven van het huis van onze God. 3 Loof de HEER, want hij is goed, bezing zijn naam, zo lieflijk van klank. 4  De HEER heeft Jakob uitgekozen, Israël als zijn kostbaar bezit. 5 ¶  Ik weet het: groot is de HEER, onze Heer overtreft alle goden. 6  De HEER maakt alles wat hij wil in de hemel en op de aarde en in de diepten van de oceanen. 7  Wolken wekt hij aan de einder der aarde, bliksems maakt hij en de regen valt, de wind laat hij los uit zijn schatkamers. 8  Hij trof de eerstgeborenen van Egypte, van mens en van dier, 9  en deed wonderen en tekenen- in je midden, Egypte-voor de farao en al zijn dienaren. 10  Hij trof vele volken en doodde machtige koningen:11  Sichon, koning van de Amorieten, en Og, koning van Basan, en alle koningen van Kanaän. 12  Hun land gaf hij in bezit, in bezit aan Israël, zijn volk. 13  Uw naam, HEER, blijft in eeuwigheid, van u, HEER, zal men spreken, van geslacht op geslacht. 14  Want de HEER doet recht aan zijn volk en ontfermt zich over zijn dienaren. 15 ¶  Goden van andere volken zijn van zilver en goud, gemaakt door mensenhanden. 16  Ze hebben een mond, maar kunnen niet spreken, ze hebben ogen, maar kunnen niet zien, 17  ze hebben oren, maar kunnen niet horen; er komt geen adem uit hun mond. 18  Zoals zij, zo worden ook hun makers, en ieder die op hen vertrouwt. 19  Huis van Israël, prijs de HEER, huis van Aäron, prijs de HEER,  20  huis van Levi, prijs de HEER, wie de HEER vrezen, prijs de HEER. 21  Geprezen zij de HEER op de Sion, hij die zijn woning heeft in Jeruzalem. Halleluja! (NBV)

Vandaag zingen we een lofpsalm. Een vrolijk lied op de Uittocht van Israël uit Egypte en de verovering van het beloofde land Kanaän. Niet een machtig volk als Egypte was gekozen maar een klein, zwak slavenvolk als Israël. Voor dat volk waren al die wonderen gedaan, waren al die plagen op Egypte afgestuurd en waren uiteindelijk alle eerstgeborenen gedood. Die waren door de Egyptenaren aan hun eigen goden opgedragen, de eerstgeborenen van Israël waren als offer in de Nijl geworpen, maar de God van Israël had de rollen omgedraaid en laten zien wie de machtigste was, wie de Heer van hemel en van de aarde was. Als je de Hebreeuwse tekst van deze psalm leest valt het op dat het taalgebruik heel veel lijkt op dat van het boek Deuteronomium en veel minder op het taalgebruik van het boek Exodus. Zoals we de psalm nu in de Bijbel aantreffen komt die naar alle waarschijnlijkheid uit een latere tijd, wellicht zelfs uit de tijd van de ballingschap.

En dan wordt de nadruk uit de psalm op al die natuurgebeurtenissen die door God worden veroorzaakt ook duidelijk. Veel van de plagen van Egypte hadden immers te maken met de natuur en de relatie die in de godsdienst van Egypte werd gelegd tussen zogenaamde goden en de loop van de natuur. Het volk Israël had altijd al de neiging om godsdiensten na te lopen die de goden vroegen om de loop van de natuur te beïnvloeden. De God van Israël had dat altijd verboden. Profeten en Priesters waren er tegen opgestaan en telkens weer was het volk opgeroepen om van die weg af te keren. De enige manier om vruchtbaar te zijn en een vruchtbaar jaar te krijgen was delen. Sparen in tijden van overvloed en samen delen in tijden van schaarste. Dat zou het volk pas sterk en welvarend maken. Als je je daar aan zou houden dan zou de God van Israël dat belonen. Dan hoef je overigens nooit bang te worden dat je te kort zou komen. Al die griezelige offerrituelen die de vreemde godsdiensten meebrachten, tot tempelprostitutie en tempelhomoseksualiteit toe, waren dan niet nodig.

Seksualiteit was niet langer gericht op de vruchtbaarheidsriten voor vreemde goden maar op de liefde voor je partner. En als je niet bang hoeft te zijn voor goden dan ontstaat er ook ruimte voor humor. Dan zie je dat de beelden van die goden die zo plechtig worden aanboden van zilver en goud zijn, dat ze stommetje spelen en dat uiteindelijk de aanbidders van die goden er net zo uit gaan zien, het worden de mummies van Egypte, ook die zwijgen. Alleen de God die een Tempel heeft in Jeruzalem valt te vertrouwen. Als je de regels van die God navolgt, en dat navolgen is ook het aanbidden van die God, dan kom je niks te kort. Je moet dan wel zorgen dat je dat als volk doet. Pas als een volk samen deelt en samen spaart dan kan iedereen de slechte tijden door komen, dan is iedereen bevrijd van de angst voor het weer, de angst voor de toekomst, de angst voor de dood. Dan hebben ook de weduwen en de wezen een toekomst. En als je ook nog de vreemdelingen er bij weet te betrekken dan wordt het volk pas echt gelukkig. In de Tempel worden die regels bewaard en daar wijst het slot van de Psalm ook heen, daar mogen wel elke dag weer opnieuw mee beginnen, ook vandaag.

Zodat jullie smelten.

dinsdag, 17 oktober, 2017

Ezechiël 22:17-31

17 ¶  De HEER richtte zich tot mij: 18  ‘Mensenkind, het volk van Israël is mij niet meer waard dan de slakken die overblijven wanneer koper en tin, ijzer en lood samen in een oven worden gesmolten; niets dan schuim is ervan over. 19  Daarom-dit zegt God, de HEER: Omdat jullie nu niet meer dan schuim zijn, breng ik jullie in Jeruzalem bijeen. 20  Zilver, koper, ijzer, lood, tin: het gaat allemaal de oven in, en het vuur wordt aangeblazen om het te laten smelten. Net zo zal ik jullie in mijn hevige woede bijeenbrengen en jullie laten smelten in het vuur; 21  ik zal jullie in Jeruzalem samenbrengen, ik zal het vuur van mijn woede over je heen blazen zodat jullie smelten. 22  Zoals zilver wordt gesmolten in een oven, zo zullen jullie smelten in de stad, en jullie zullen weten dat ik, de HEER, mijn toorn over jullie heb uitgestort.’ 23 ¶  De HEER richtte zich tot mij: 24  ‘Mensenkind, zeg tegen Jeruzalem: “Je bent als een land dat niet is gereinigd; toen ik je vervloekte, bleef de regen uit. 25  De vorsten in de stad waren als leeuwen die grommend hun prooi verscheuren: ze verslonden mensen, ze roofden schatten en kostbaarheden, veel vrouwen maakten ze tot weduwen. 26  De priesters deden mijn wetten geweld aan, wat aan mij was gewijd ontheiligden ze, ze maakten geen onderscheid tussen wat heilig is en wat niet, ze leerden niemand het verschil tussen rein en onrein en de sabbat hielden ze niet in ere. Zo werd mijn naam door hen ontwijd. 27  De leiders in de stad waren als wolven die hun prooi verscheuren. Door bloed te vergieten, door mensen te gronde te richten, joegen ze hun eigen gewin na. 28  De profeten pleisterden alles met hun witkalk dicht, hun visioenen waren bedrieglijk en hun voorspellingen vals, ze zeiden: ‘Dit zegt God, de HEER  … ’-terwijl de HEER niet had gesproken. 29  Het volk gaf zich over aan uitbuiting en diefstal, het onderdrukte de machtelozen en de armen, het buitte de vreemdelingen uit en deed hun geen recht. 30  Ik heb gezocht naar iemand die een muur om de stad kon bouwen, die voor het land in de bres wilde springen opdat het niet zou worden vernietigd-maar zo iemand heb ik niet gevonden. 31  Dus vervloekte ik hen, met het vuur van mijn toorn vernietigde ik hen, ik liet hun daden op hun eigen hoofd neerkomen-zo spreekt God, de HEER.”’ (NBV)

Die arme vertegenwoordigers van de ballingen die naar Ezechiël gekomen zijn om te horen waarom Jeruzalem en de Tempel helemaal verwoest zijn en hoe het nu verder moet met de mensen die in de God van Israël zijn blijven geloven als hun God. Ze kregen uitgebreid te horen hoe slecht hun volk wel niet had gehandeld. Als oudsten in het volk hadden ze zich daartegen niet verzet. Alle volken deden immers zo en waarom het volk van Israël dan niet? Maar in tegenstelling tot al die andere volken had het volk Israël ook nog een heel bijzondere God. Dat was een God die niet aan het land was gebonden, maar het land en alles wat er werd geoogst aan het volk had gegeven. Hij immers had de hemel en aarde gemaakt hadden ze geloofd. Maar met die God hadden ze afgesproken geen andere goden te aanbidden. Met die God hadden ze afgesproken gerechtigheid en recht te betrachten. Met die God hadden ze afgesproken de weduwen en de wezen eerlijk te behandelen, net als de minsten, net als de vreemdelingen die niet mochten worden uitgebuit.

Die God had met ze afgesproken dat ze geen slaven meer hoefden te zijn. Eén dag in de week hield alle werk op, alle werk voor de mensen, dus ook voor de meiden en de knechten, dus ook voor de slaven, dus ook voor de vreemdelingen, zelfs voor de dieren die voor hen een deel van het werk uitvoerden. Die ene dag hadden ze afgeschaft. Het was een mooie dag om te gaan kopen en als je koopt dan heb je verkopenden nodig, die moeten werken en als die werken dan kunnen de anderen ook werken. Zo waren ze weer slaven gemaakt van het werk. Dat hun God een volk had bevrijd van slavernij bleek nergens meer uit. Het werd een samenleving van de sterken, die roofden wat ze konden en omdat ze leken op de welvarende volken in de wereld waren er profeten die de oude woorden in een nieuw jasje herhaalden, de rijken moesten rijk worden, dan konden armen meer aalmoezen krijgen. Mooie beelden en mooie altaren bewezen de schoonheid die God had gegeven en verdraagzaamheid waarmee ze leefden.

Van het verbond dat God met het volk had gesloten bleef niks meer over. Maar er gloorde in de woorden van Ezechiël een sprankje hoop. De God van Israël had zijn hoop niet opgegeven. Ezechiël gebruikt het beeld van de hoogovens. Metaal wordt in zeer hete vuren gesmolten. Het stroomt uit het erts en kan als edelmetaal worden behandeld. Goud, zilver, ijzer, tin, alle soorten edelmetalen komen vrij. Die kunnen vrij komen als het gesteente waarin ze zaten achterblijft, als alle vuil en alle ongerechtigheden worden weggegooid. En daar is die ballingschap voor bedoeld. Dat geeft de kans anders te gaan leven, weer terug te keren tot het verbond dat ze met God hadden gesloten. Als het hen lukte de minsten te steunen, gerechtigheid te betrachten, eerlijk te delen met de zwaksten van het volk, dan zouden ze weer terugkeren naar het land Israël, dan zouden ze Jeruzalem weer mogen herbouwen. De belofte is dus eigenlijk dat als ook wij de armen rijker maken en de rijken armen ons land welvarender wordt. De nieuwe regering is dat niet van plan, misschien dat ook wij als Ezechiël weer moeten gaan spreken. De vrije zondag moet gewoon weer terug.

Oordeel over de bloedstad

maandag, 16 oktober, 2017

Ezechiël 22:1-16

1 ¶  De HEER richtte zich tot mij: 2  ‘Mensenkind, oordeel over de bloedstad, oordeel en laat haar al haar gruweldaden beseffen. 3  Zeg: “Dit zegt God, de HEER: Je bent een stad van bloedvergieten, en daarom is je tijd gekomen! Je bent een stad vol afgodsbeelden en daardoor ben je onrein. 4  Je bent schuldig door al het bloed dat je hebt vergoten, je bent onrein door de afgodsbeelden die je hebt gemaakt. Daarom zijn je dagen geteld en is de grens van je jaren bereikt. Ik zal je uitleveren aan de hoon en spot van alle volken en landen. 5  Dichtbij en ver weg zullen ze zich vrolijk over je maken, want je naam is bezoedeld, en groot is de verwarring binnen je muren. 6  Israëls vorsten hebben er hun macht misbruikt en bloed vergoten, 7  kinderen hebben er hun vader en moeder veracht, vreemdelingen zijn er uitgebuit en weduwen en wezen zijn er onrechtvaardig behandeld. 8  Wat aan mij was gewijd, is door jou geminacht, en de sabbat heb je niet in ere gehouden. 9  Door je bewoners werd kwaad gesproken, bloed vergoten en ontucht gepleegd, er werden offermaaltijden gehouden op de bergen. 10  Mannen bezoedelden hun vaders bed en misbruikten onreine, menstruerende vrouwen. 11  De een heeft met de vrouw van een ander geslapen, een tweede zijn schoondochter met ontucht bezoedeld, een volgende heeft zijn zuster, de dochter van zijn vader, verkracht. 12  Voor geld heb je bloed vergoten, je hebt je vooraf rente laten betalen en toeslag achteraf, je hebt anderen schade berokkend en uitgebuit, en mij ben je vergeten-spreekt God, de HEER. 13  Ik sla mijn handen in woede op elkaar omdat je woekerwinsten maakt, en omdat er binnen je muren bloed vergoten wordt. 14  Zal je hart het houden, zullen je handen sterk blijven wanneer ik tegen je optreed? Ik, de HEER, heb gesproken, en dit is wat ik zal doen: 15  Ik zal je verdrijven naar verre landen en verspreiden onder vreemde volken; ik zal een einde maken aan je onreinheid. 16  Alle volken zullen zien hoe je wordt ontwijd, en dan zul je beseffen dat ik de HEER ben.”’ (NBV)

Eerbiedig waren de oudsten van Israël, van de ballingen in Babel, naar de profeet Ezechiël gekomen. Het waren vrome mannen, ze geloofden in de God van Israël. Het volk had heimwee naar het eigen land. Als ze aan Jeruzalem dachten dan schoten ze vol. Een prachtige stad was dat geweest. Nu mochten ze wonen op het platteland, aan kanalen en rivieren. Nu mochten ze werken voor de Koning van Babel. Nu hadden ze een gerucht gehoord dat Jeruzalem helemaal verwoest was, dat zelfs de Tempel van Salomo, het mooiste gebouw op de wereld steen voor steen was afgebroken. Samen waren ze naar Ezechiël gekomen. Die profeet had verteld dat de God van Israël zelfs in de ballingschap met hen meegetrokken was. Maar als dat zo was, waar moesten ze aan het eind van de ballingschap naar terugkeren als hun stad Jeruzalem verwoest was. Ezechiël had daarop wel een antwoord.

Jeruzalem betekent stad van vrede. En het volk Israël geloofde dat het leven van mensen en dieren huisde in het bloed. Nu in Jeruzalem was het bloed rijkelijk gaan vloeien. Eerbied voor het leven was er ver te zoeken. Eerbied voor de God van Israël ook. Overal waren afgodsbeelden verschenen. Overal werden vreemde goden aanbeden. Sommige van die goden schenen te eisen dat je je eigen bloed moest laten vloeien voor hen en zo sneden de gelovigen zich in armen en benen. Het ergste was misschien dat men zelfs kinderoffers had durven brengen. Van de gerechtigheid die de God van Israël aan het volk had meegegeven bleef niets mee over. Vreemdelingen werden uitgebuit, weduwen en wezen onrechtvaardig behandeld. Denk niet dat de tijden veranderd zijn. Het ergste was wellicht de vrijheid voor mannen hun lust te bevredigen zoals zij dat goed vonden. Vrouwen waren tot voorwerpen geworden.

Of ze nu met hun vaders waren getrouwd, of met een zoon, of ze zuster waren, of moesten worden ontzien omdat tijdens hun maandelijkse periode ook iets van hun leven aan het verliezen waren, het maakte allemaal niks uit, de mannelijke lust moest bevredigd worden. Ook moesten er winsten gemaakt worden, winstmaximalisatie net als in onze dagen. Dat wat de mensen toeviel, dat wat ze wisten te verdienen werd niet ervaren als van de God van Israël ontvangen, maar gebruikt om het eigen leven te verfraaien. De ballingschap is het antwoord op de schandelijke praktijken uit het heilige Jeruzalem. Een volk dat zich zo gedraagt verdient geen Jeruzalem. Aan ons de vraag waarin wij onszelf herkennen. Worden ook bij ons vrouwen gebruikt als voorwerpen waar mannen hun lust mee kunnen bevredigen? Buiten wij onze buitenlandse werknemers ook uit? Zorgen we nog wel voor de weduwen en de wezen, in onze dagen de minsten in de samenleving, de gehandicapten, de ouderen? Elk woord van de profeet Ezechiël moet ons aan het denken zetten, ook vandaag nog.

Terug in je schede!

zondag, 15 oktober, 2017

Ezechiël 21:33-37

33 Jij, mensenkind, moet profeteren. Zeg: “Dit zegt God, de HEER, over de Ammonieten en over hun schande, ”zeg: “Zwaard, om te slachten ben je getrokken, om te verwoesten ben je geslepen, bliksemen zul je, zwaard! 34 Ze zeggen dat je niets voorstelt en ze doen valse voorspellingen. Toch zul je die goddeloze en ontaarde mensen de hals doorsnijden. Voor hen is de dag van de afrekening gekomen. 35 Terug in je schede! Daar waar je gemaakt bent, in het land waar je vandaan komt, zal ik je straffen. 36 Mijn toorn zal ik over je uitstorten, het vuur van mijn woede zal ik over je heen blazen, en ik zal je aan barbaren overleveren, aan mannen die dood en verderf zaaien. 37 Je zult aan het vuur ten prooi vallen, overal in het land zal bloed vloeien en je naam zal niet meer worden genoemd-ik, de HEER, heb gesproken.”’ (NBV)

In het zwaardlied van Ezechiël werd duidelijk dat Babylon bij de wegsplitsing niet de weg naar Rabba van de Ammonieten zou nemen maar de weg naar Jeruzalem omdat het volk Israël andere goden achterna was gaan lopen en zelfs de tempel in Jeruzalem daarmee had ontheiligd. Ontlopen de Ammonieten nu de straf die ze als Heidens volk en vijand van het Israël van de God van Israël verdienen? Die Ammonieten hadden lachend het zwaardlied meegezongen. Dat godje van Israël, waar die Israëlieten toch nog trouw aan hadden gezworen had niks voorgesteld. Dat volkje rond Jeruzalem had geen enkele kans tussen sterke volken, sterk zoals de Ammonieten zich sterk waanden.

We kennen de kleine volken die zich sterker achten dan de wereldmachten. Die roepen dat ze die grote machten wel even klein zullen maken. We kennen ook de leiders van de wereldmachten die daarin gaan geloven. Dat als een klein arm land roept dat ze de grootmacht klein zullen krijgen zij moeten laten zien dat de grootmacht groter is dan elke andere macht. In onze dagen maakt de hele wereld zich grote zorgen over de wederzijdse grootspraak waar dit in kan eindigen. Voor we het weten zijn we meegesleurd in een echte oorlog die niemand anders op de wereld wil. Jezus van Nazareth heeft niet voor niets gewaarschuwd dat wie het zwaard opneemt ook door het zwaard zal vergaan.

Ezechiël vertelt aan de oudsten van het volk dat ze niet jaloers op de Ammonieten hoeven te worden. Ook al kiest de koning van Babylon voor de weg naar Jeruzalem. Als hij met Jeruzalem klaar is dan zal hij ook de Ammonieten onder handen nemen. Juist een volk dat zo gemakkelijk aan grootspraak doet daagt ook de wereldmacht uit. Daarna moet het afgelopen zijn. Het zwaard moet weer in de schede. Ook Babylon zal zonder vrede te stichten uiteindelijk aan oorlog en geweld ten onder gaan. De laatste koning van Babylon die een feestmaal voor de elite hield en daarvoor het goud en zilver uit de Tempel in Jeruzalem gebruikte wordt verder nergens in de geschiedenisboeken vermeld. Vrede stichten en vrede bewaren daar gaat het om. Ook wij kunnen daaraan bijdragen.

Zet af die kroon!

zaterdag, 14 oktober, 2017

Ezechiël 21:23-32

23 De HEER richtte zich opnieuw tot mij: 24 ‘Mensenkind, teken twee wegen waarlangs het zwaard van de koning van Babylonië kan gaan. Beide wegen komen uit hetzelfde land. Maak aan het begin van de twee wegen, die beide naar een stad leiden, een open plek. 25 Langs de ene weg gaat het zwaard naar Rabba in Ammon, langs de andere naar het versterkte Jeruzalem in Juda. 26 Op de splitsing van de weg, aan het begin van de twee wegen, staat de koning van Babylonië, en hij vraagt om een teken. Hij schudt de pijlen, hij raadpleegt zijn godenbeeldjes, hij bekijkt de lever. 27 Rechts ligt het lot van Jeruzalem. Hij zal de stad met stormrammen aanvallen, hij zal zijn mond openen in een strijdkreet, hij zal zijn stem in krijgsgeschreeuw verheffen. Hij laat de stormrammen tegen de poorten beuken, hij maakt een bestormingsdam, hij werpt een belegeringswal op. 28 De Judeeërs zullen denken dat dit een valse voorspelling is, ze hebben immers eden van trouw gezworen! Maar hun schuld komt aan het licht, ze zullen gegrepen worden. 29 Dit zegt God, de HEER: Omdat jullie zelf mij aan je schuld hebben herinnerd, omdat jullie misdaden aan het licht zijn gekomen en al jullie zonden en wandaden zichtbaar zijn, omdat jullie zelf mij aan je gedrag hebben herinnerd-daarom zullen jullie in handen van de vijand vallen. 30 En wat jou betreft, goddeloze, ontaarde vorst van Israël: voor jou is de dag van de afrekening gekomen. 31 Dit zegt God, de HEER: Weg met je tulband, zet af die kroon! Niets blijft hetzelfde, wat laag is wordt hoog, wat hoog is wordt laag. 32 Puin, puin, niets dan puin blijft er over, maar eerst moet hij nog komen aan wie ik het oordeel toevertrouw. (NBV)

Ezechiël is de profeet van het beeld. De woorden die een profeet uitspreekt moet hij ook laten zien. Ezechiël wordt dan ook wel gezien als een zeer moderne profeet. Ook wij leven immers in een beeldcultuur. Ezechiël had al eens een maquette gemaakt van de belegerde stad Jeruzalem. Geleerden denken dat bij het zwaardlied dat aan dit gedeelte vooraf gaat ook echt gezongen en gedanst is. Nu moet de profeet een landkaart maken. De vertegenwoordigers van de ballingen, de oudsten, die naar Ezechiël waren gekomen om zijn mening te vragen over de totale verwoesting van de stad waar ze van hadden gehoord. Zou de God van Israël daar niet een stokje voor willen steken. Ezechiël zwijgt eerst. Hij tekent een weg uit een land, die weg splitst zich in tweeën. De ene weg gaat naar Rabba van de Amorieten de andere weg gaat naar het versterkte Jeruzalem. Op de splitsing staat de Koning van Babylon. Welke weg zal hij nemen?

Zo’n Heidense Koning neemt niet zomaar een beslissing. Daar gaan rituelen aan vooraf. Een bundel pijlen wordt losgelaten en de manier waarop ze uiteen gevallen zijn moet de richting bepalen. Daar blijft het niet bij, waarzeggende priesters moet een lever lezen, de vorm van de lever, de loop van de aderen in de lever geven aanwijzingen over de te nemen beslissing. En dan zijn er nog de huisgoden die geraadpleegd worden. Hoe de Heidense Koning ook raadpleegt. Er is maar één mogelijke uitkomst. De weg naar Jeruzalem ligt voor hem open. Die stad zal hij aanvallen en belegeren. Nu zijn voorspellingen van een bundel pijlen, een lever en wat huisgoden natuurlijk onzin. Belachelijk Heidens gedoe om achteraf de goden van een eventuele mislukking de schuld te kunnen geven. En als je wint dan mag het volk meer offers brengen aan die goden. De inwoners van Jeruzalem zullen zich dan ook geen zorgen maken over de uitkomst van de Heidense voorspellingen. Zij horen bij de God van Israël.

Maar ze vergissen zich. Ze hebben in Jeruzalem afgoden altaren opgericht. Zelfs in de Tempel wilden ze beelden neerzetten. De eden van trouw aan de God van Israël gingen niet over het gebod geen andere goden te aanbidden. Door die afgoderij zelfs in de Tempel te brengen maak je dat ook de God van Israël dat gedrag op haar waarde kan schatten. Het zijn niet domme burgers die niet anders weten, het is de elite in Jeruzalem, de Koning met zijn kroon en de hogepriester met zijn tulband voorop. God zal die wereld, waarin de armen worden onderdrukt en de weduwe en de wees onrecht wordt aangedaan, omkeren. Wat hoog is wordt laag. De enige manier om dit tegen te houden is een totale zuivering en recht betrachten aan de ontrechten. Is het bij ons anders? Luisteren onze machthebbers ook liever naar de tabakslobby en de fossielebrandstofindustrie? Zijn ze doof voor de wetenschap die God onze geleerden heeft gegeven en daarom verworden tot klimaatsceptici. Het wordt tijd dat we gaan inzien hoe de wereld in elkaar zit en uit die wereld op te staan.

Er is een zwaard gewet

vrijdag, 13 oktober, 2017

Ezechiël 21:13-22

13 De HEER richtte zich tot mij: 14 ‘Mensenkind, profeteer, zeg: “Dit zegt de Heer: Er is een zwaard gewet, er is een zwaard geslepen 15-16 om te slachten is het gewet, om te bliksemen is het gescherpt. Moeten wij ons erover verheugen dat de staf van mijn zoon al het hout veracht? Het zwaard is gescherpt om te worden gegrepen. Het is gewet, het is geslepen, moordenaars grijpen het vast.” 17 Schreeuw het uit, mensenkind, en sla je op je heup, want het zwaard treft mijn volk, het verwondt Israëls vorsten, mijn volk wordt door het zwaard geveld. 18 Het volk wordt beproefd, en wat als ook de staf die al het hout veracht er niet meer is? -zo spreekt God, de HEER. 19 Mensenkind, profeteer, sla je handen op elkaar, en laat het zwaard tweemaal, driemaal zijn werk doen. Het is een zwaard dat klieft, dat velen doorboort, dat diep in hen doordringt. 20 De schrik slaat hun om het hart, velen struikelen en vallen! Het zwaard stuur ik af op hun steden, verwoestend doet het zijn werk. Ja, het is gemaakt om te bliksemen het is gewet om te slachten. 21 Doe een uitval naar rechts, val aan naar links, waarheen je maar gestuurd wordt!22 Ook ik sla mijn handen op elkaar, ik zal mijn woede koelen. Ik, de HEER, heb gesproken.’ (NBV)

Vandaag zingen we een zwaardlied met de profeet mee. Zwaardliederen vinden we in sommige landen nog in de folklore. Ze gaan dan meestal ook met dansen gepaard. Kruiselings worden twee zwaarden over elkaar en daar wordt dan een loflied op gezongen en gedanst. De zwaarden van vijanden deren ons niet en de zwaarden van onszelf zullen de vijanden ombrengen. Eigen volk eerst en wij zijn de besten. Maar zo is het zwaardlied van de profeet niet. Het lijkt eerder een parodie op de zwaardliederen van koningen en legerleiders. Want het volk wordt beproefd. Je kunt wel oorlog voeren en vijanden vernietigen, maar wie bouwt de stad Homs weer op? Die stad ligt in puin door de bommen die er door de strijdende partijen op zijn gegooid.

De vijand lijkt hier overwonnen, maar het gewone volk dat niet mee deed aan de strijd, de strijd ook niet heeft gewild, is het slachtoffer. De soldaten zijn weg en zij staan er alleen voor. In de dagen van Ezechiël lieten de koningen alle bomen omhakken. Vruchten van bomen, olijven, citrusvruchten, noten, waren er niet meer zodat er honger in het land kwam en de armen geen wintervoorraden konden aanleggen. De staf van de koning die alle bomen aanwees om gekapt te worden maakt het niet alleen de vijand moeilijk maar maakt het eigen volk tot slachtoffer. De vijand verjagen is mooi, maar niet genoeg. Twee of drie maal zal de vijand terugkomen. Elke keer dat de vijand terugkomt vallen er slachtoffers. Alleen de angst regeert uiteindelijk nog.

De zwaarden zijn alleen gewet om te slachten. Van de richtlijn “Gij zult niet doden” heeft niemand nog gehoord. Zwaarden brengen dood en verderf. Bommenwerpers zaaien dood en verderf. Kanonnen bulderen dood en verderf, als de juiste munitie is gebruikt. In onze dagen kun je oorlog voeren op verre afstand, kruisraketten en drones worden vanaf verre plaatsen bestuurd. Ze zaaien dood en verderf. Geen van die wapens, geen van die vliegtuigen zaait vrede, de vrede van God. Gods kinderen, de minsten, de armen, de weduwen en de wezen, worden het eerste slachtoffer. Wij willen ze niet opnemen, wij weigeren hen vrede te brengen en de kans een toekomst op te bouwen. Willen we luisteren naar de profeet en het anders gaan doen? Dan zouden we daar vandaag mee kunnen beginnen.

Er gaat een onheilsboodschap rond!

donderdag, 12 oktober, 2017

Ezechiël 21:1-12

1 Weer richtte de HEER zich tot mij: 2 ‘Mensenkind, richt je blik naar het zuiden, klaag het aan en profeteer tegen het struikgewas daar. 3 Zeg: “Luister naar de woorden van de HEER ! Dit zegt God, de HEER: Ik steek je in brand, en het vuur zal al het levende en dorre hout verteren. De laaiende vlam zal niet doven, alle gezichten, in noord en zuid, zullen erdoor worden verschroeid, 4 en alles wat leeft zal weten dat ik die vlam heb aangestoken. Het vuur zal niet doven!”’ 5 Ik antwoordde: ‘Ach HEER, mijn God, zullen ze dan niet zeggen: “Hij spreekt in raadselen, die man!”’ 6 De HEER richtte zich tot mij: 7 ‘Mensenkind, richt je blik op Jeruzalem en klaag de heiligdommen aan, profeteer tegen het land van Israël. 8 Zeg: “Dit zegt de HEER: Ik keer me tegen je, ik trek mijn zwaard uit de schede en ik zal je inwoners uitroeien, de schuldigen en de onschuldigen. 9 Van het zuiden tot het noorden roei ik iedereen uit, de schuldigen en de onschuldigen. Daarom laat ik mijn zwaard uit de schede komen, 10 en alles wat leeft zal weten dat ik, de HEER, mijn zwaard getrokken heb! Het keert niet meer in de schede terug.” 11 En jij, mensenkind, kerm! Kerm van verdriet waar zij bij zijn, kerm als een gebroken man. 12 Als ze je dan vragen: “Waarom kerm je zo?” zeg dan: “Er gaat een onheilsboodschap rond! De angst zal alle mensen om het hart slaan, hun armen zullen slap langs hun lichaam hangen, ze worden wanhopig, het water loopt hun langs de benen. Het komt, het zal gebeuren! zo spreekt God, de HEER.”’ (NBV)

In het zuidelijk gedeelte van het land Israël ligt de Negev woestijn. In oude dagen was dat het zuidelijk gedeelte van Juda, het Zuidrijk met als hoofdstad Jeruzalem. Tegenwoordig is door bevloeiing en irrigatie een groot deel van Negev weer vruchtbaar gemaakt. Dat het mogelijk was gewassen te verbouwen in de woestijn wisten de Israëli uit hun geschiedenis. Ook de Judeeërs en na hen de Nabateërs hadden het dorre Zuidland omgetoverd tot een vruchtbaar gebied. De woestijn had inderdaad gebloeid als een roos. Maar Juda had zich afgekeerd van de God van Israël en de grond was weer verdord en het struikgewas was opgeschoten. In de ballingschap krijgt de profeet Ezechiël de opdracht de ballingen uit Juda duidelijk te maken hoe het zal gaan met hun land. Dat zal dus niet goed aflopen. De hele dorre boel zal in brand vliegen. Het vuur van de God van Israël zal de eens zo vruchtbare woestijn weer tot woestijn maken met vuur. Dat vuur zal de laatste trots van het volk Israël verteren. Het is hetzelfde vuur als het vuur dat in de dagen van Elia de altaren van de Baäl op de Karmel verteerde en het offer dat Elia had gebracht aanstak. Zo zal het volk weten dat het vuur dat hun struikgewas vernietigt en de dorre boel van de verwaarloosde woestijn opruimt van de God van Israël zelf afkomstig is.

Maar zal het volk dan de valse goden afzweren en zich weer richten op de God van Israël? Vergeet het maar. Tot zijn verbijstering komt de profeet tot het inzicht dat die rampen het volk helemaal niet tot inkeer brengen. Zelfs in de ballingschap is er nog de neiging zich maar aan te passen aan de afgodendienst van Babel. Het leger van Babel zal daarom nog eens optrekken. Zij hebben tot doel ook het laatste aan opbrengst uit het land buit te maken. Voor Ezechiël is het een teken dat de God van Israël met het zwaard opruiming laat houden in een hardnekkig volk dat keer op keer afgoden vereerd. Alle heiligdommen die er gevonden worden in Juda zullen daarom vernietigd worden. En zoals de regen neerdaalt op de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen zo zal het zwaard ook de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen treffen. Allen zullen getroffen worden.  Een boodschap die door de eeuwen heen veel vragen heeft opgeroepen. Elders in de Bijbel  belooft God immers dat de rechtvaardigen gespaard zullen blijven en nu komen ze net zo om door het zwaard als de onrechtvaardigen. Ezechiël ziet de realiteit van alle oorlogen.

Altijd zijn er onschuldigen die er ook het slachtoffer van worden. Altijd zullen die onschuldigen onze eerste aandacht moeten trekken. Altijd zullen die onschuldigen de reden moeten zijn om geen oorlog te voeren, om wapens in de wereld om te smeden tot ploegscharen. De Bijbel geeft hier geen antwoord op de vraag waarom ook de onschuldigen slachtoffer moeten worden van de slachtpartij die het leger van Babel zal aanrichten. Wij hebben in onze dagen ook niet het antwoord op de vraag waarom IS kon ontstaan en waarom er geen andere weg lijkt te zijn dan bommen te gooien. Eigenlijk is er ook maar één antwoord: “Gij zult niet doden” Elk wapen dat geproduceerd wordt, elk wapen dat verhandeld wordt draagt bij aan de dood van onschuldigen. Niet alleen het bezit van wapens zal daarom moeten uitsterven maar ook de handel in wapens en de productie er van. Zo ver zijn we nog niet, wapenbeurzen vinden zelfs in onze steden plaats, openlijk en met toestemming van de overheid. Daar kunnen we ook tegen ageren, daar zullen we ons misschien ook wel tegen moeten verzetten, elke  dag weer.

Alleen op mijn heilige berg

woensdag, 11 oktober, 2017

Ezechiël 20:39-44

39  Luister, volk van Israël! Dit zegt God, de HEER: Loop maar achter je afgoden aan, ga daar rustig mee door als jullie niet naar mij willen luisteren, maar mijn heilige naam zullen jullie niet langer met je offers en afgoden ontwijden. 40  Want alleen op mijn heilige berg, op de verheven berg van Israël-spreekt God, de HEER mag het volk van Israël mij dienen, iedereen, uit het hele land. Daar zal jullie gedrag mij met vreugde vervullen. De kostbaarste offers, het beste wat jullie te geven hebben, moet aan mij worden gewijd. 41  Wanneer ik jullie heb weggeleid bij de volken waartussen jullie nu leven, zullen jullie mij als een geurig offer met vreugde vervullen. Ik zal jullie bij elkaar brengen vanuit de landen waarover jullie nu verstrooid zijn, en zo de volken laten zien dat ik heilig ben. 42  Als ik jullie naar je land breng, het land dat ik onder ede aan je voorouders beloofd had, zullen jullie beseffen dat ik de HEER ben. 43  Daar zullen jullie denken aan de daden waarmee je jezelf onrein hebt gemaakt. Jullie zullen van jezelf walgen vanwege al het kwaad dat jullie hebben gedaan. 44  En dan, volk van Israël, als ik met jullie doe wat past bij mijn naam en niet wat bij jullie slechte en verderfelijke daden past, zullen jullie beseffen dat ik de HEER ben-zo spreekt God, de HEER.”’ (NBV)

De kritiek van God op zijn volk lijkt zich vooral te concentreren op het voormalige Noordrijk Israël. Die Heilige Berg staat immers in Jeruzalem, het is de berg Sion waar de Tempel stond. Toen het rijk van David en Salomo zich splitste in een Noordrijk en een Zuidrijk had de Koning van het Noordrijk twee tempels laten bouwen waar het volk van het Noordrijk aan de God van Israël kon offeren. Omdat hij geen Ark van het Verbond had en omdat in Tempels nu eenmaal beelden van een God behoren te staan had hij twee gouden stierkalveren laten maken die als punt van aanbidding van de God van Israël moesten dienen. Het was een afgodendienst die de mensen rond de Tempel in Jeruzalem een gruwel was. Ezechiël was opgeleid tot priester van de Tempel in Jeruzalem en hij was zich als geen ander bewust van de werking van de beeldendienst. Die afgoderij had zich overigens ook in het Zuidrijk gevestigd. Tot in Jeruzalem toe waren de beelden van de Baäl en de Asjerapalen verschenen. De kritiek die hier wordt geleverd geldt dus beide rijken. Maar die kritiek bevat ook een lichtpuntje. Er komt kennelijk weer een tijd dat de Tempel herbouwd zal zijn, dat daar weer de God van Israël, de Heilige Israëls wordt aanbeden. Dat moet de oudsten die bij Ezechiël om raad hadden aangeklopt toch moed hebben gegeven.

Ezechiël vertelt de oudsten dat de God van Israël nog steeds van plan is Israël te gebruiken als licht voor de volken. Maar God zal duidelijker onderscheid maken tussen de dienst die Hij verlangt en de dienst die de drekgoden verlangen. Drekgoden is de letterlijke vertaling van de term voor de afgoden die Ezechiël gebruikt. De Statenvertaling heeft dat zeer plastisch overgenomen. De Tempel op de Berg Sion wordt een lichtpunt voor alle volken van de wereld. Het beste van wat mensen te bieden hebben is daarvoor nog niet goed genoeg. Dan pas zal de God van Israël een welgevallen hebben aan zijn volk. De term welgevallen is bijzonder voor Ezechiël, die smijt niet licht met dit soort vrolijke termen. Op nog een andere plaats in dit boek komt deze term voor en ook dan gaat het er om dat de dienst aan de God van Israël op een zuivere manier plaatsvind. Als die nieuwe Tempel klaar is dan is het verleden niet zomaar vergeten en vergeven. Niks zand erover en we beginnen opnieuw alsof er niks gebeurd is. Wij praten vaak gemakkelijk over vergeven. Maar hier wordt duidelijk dat voor de God van Israël vergeven pas kan als het volk duidelijk heeft gemaakt geleerd te hebben van het verleden en op een andere manier met God verder te willen.

Zo wordt het verhaal over het bezoek van de Oudsten aan Ezechiël ook voor ons steeds belangrijker. Ook wij willen graag raad van de God van Israël over wat we moeten doen. Het antwoord er op staat in de Bijbel, daar wordt het verhaal verteld over onderdrukking en bevrijding, over een God die zorgt voor de minsten, die bij de zwakken is en over de afgoden die er voor de rijken zijn, die je zelf moet maken, de hypes die je gevangen kunnen houden. Slaaf zijn van die goden is een lastering voor de God van Israël, alsof bevrijding niet mogelijk is. Daar licht ook dat grote belang dat aan de Sabbat wordt gehecht. Pas één dag in de week waarop iedereen het werk staakt maakt dat de bevrijding van de goden van winst en profijt zichtbaar wordt. Daarmee wordt ook zichtbaar dat de samenleving bezig is zich in te richten zoals de richtlijnen voor de menselijke samenleving van de God van Israël, zoals de Tora, aangeeft. Misschien moeten we wel stakingen gaan uitroepen als de vrije zondag onder invloed van de afgodendienaars helemaal uit onze samenleving verdwenen is. Niet om God te dienen, maar om de zwaksten te bevrijden uit de slavernij, het geldt nog steeds de arbeid te bevrijden. Elke dag mogen we weer opnieuw met die Tora beginnen. Ook vandaag weer.

Ik zal jullie koning zijn

dinsdag, 10 oktober, 2017

Ezechiël 20:27-38

27 ¶  Spreek daarom opnieuw tegen het volk van Israël, mensenkind, zeg hun: “Dit zegt God, de HEER: Jullie voorouders hebben mij ook verder nog met hun ontrouw bespot. 28  Ik bracht hen naar het land dat ik hun onder ede beloofd had, maar bij elke heuvel en bij iedere schaduwrijke boom die ze zagen, offerden ze hun vee en krenkten ze mij met hun offers. Daar brachten ze hun geurige reukoffers en daar plengden ze hun wijnoffers. 29  Ik vroeg: ‘Wat is dat toch voor plek waar jullie heen gaan om te offeren?’ Sinds die tijd wordt zo’n plek offerhoogte genoemd.” 30  Zeg daarom tegen het volk van Israël: “Dit zegt God, de HEER: Is het niet zo dat jullie jezelf nog altijd onrein maken, net zoals jullie voorouders deden? En plegen jullie niet tot op de dag van vandaag overspel met hun afschuwelijke goden? 31  Maken jullie jezelf niet nog altijd onrein met jullie offergaven, door je eigen kinderen als offer te verbranden en afgoden te vereren? En moet ik mij dan door jullie laten raadplegen, volk van Israël? Zo waar ik leef, ik zal mij beslist niet door jullie laten raadplegen! 32  Wat jullie willen, zal zeker niet gebeuren. Jullie denken dat je kunt worden als de volken die in andere landen wonen en goden van hout en steen vereren! 33 ¶  Zo waar ik leef-spreekt God, de HEER -,ik zal jullie koning zijn, een koning die met sterke hand en opgeheven arm zijn toorn over jullie uitstort. 34  Uit de landen waarover jullie verstrooid zijn, uit de volken waartussen jullie wonen, zal ik je bijeenbrengen en wegvoeren, met sterke hand en opgeheven arm. Ik zal mijn toorn over jullie uitstorten 35  en je de woestijn van de volken injagen. Daar zullen jullie oog in oog met mij komen te staan en zal ik jullie aanklagen. 36  Zoals ik jullie voorouders in de woestijn van Egypte heb aangeklaagd, zo zal ik ook jullie aanklagen-spreekt God, de HEER. 37  Ik zal je onder mijn herdersstaf dwingen en je houden aan de verplichtingen van ons verbond. 38  Wie tegen mij in opstand komen en rebelleren, zal ik scheiden van de anderen: ik zal hen wegleiden uit hun ballingschap, maar niet om hen naar hun eigen land terug te brengen. Jullie zullen weten dat ik de HEER ben. (NBV)

Er zijn profeten die de terugkeer uit de ballingschap als een feest hebben beschreven. Dan zal het gebeuren dat Jeruzalem weer wordt opgebouwd. Een stad met twaalf poorten, twaalf plaatsen waar recht wordt gesproken, waar iedereen tot zijn of haar recht kan komen. In midden in die stad, op de berg Sion staat dan de Tempel van de God van Israël. Niet een Tempel met een beeld van die God, niet met altaren waarop je het eten kunt klaarmaken dat die God in leven houdt. Maar met de richtlijnen voor de menselijke samenleving, de levensleer die iedereen vrede en recht garandeert, die duidelijk maakt dat er voor alle mensen op aarde voldoende is en waar iedereen kan oefenen in het delen dat nodig is om iedereen tot zijn of haar recht te komen. Er wordt een feest geschetst waar iedereen op aarde wel aan mee zou willen doen en het eind van het visioen van profeten als Jesaja is dan ook dat alle volken zich wenden tot Jeruzalem en ook hun samenleving gaan inrichten zoals in de richtlijnen uit de Tempel staat beschreven.

De feestdagen die het volk Israël in Jeruzalem en rond de Tempel kunnen vieren laten alvast zien hoe het zou zijn als alle volken op aarde mee zouden willen doen. Elke week wordt het werk gestaakt, elke week laat het volk zien blind en onvoorwaardelijk te vertrouwen op hun Koning, de God van Israël en geen slaaf te zijn van welke macht of kracht op aarde dan ook. Maar Ezechiël bouwt realiteit in zijn visioen in. De harde werkelijkheid die het volk in haar geschiedenis heeft moeten leren. Ze waren in een land net als andere volken. En in plaats van een volk te worden waar andere volken zich aan zouden gaan spiegelen spiegelden ze zichzelf aan andere volken. Bij elke  oude boom en elke heuvel in het veld gingen ze offeren, aan vreemde goden, aan goden die zich zichzelf maakten van hout, zilver en goud. Soms vertelden ze verhalen bij de hopen steen die ze tegenkwamen, verhalen over de geschiedenis die het volk en haar voorvaderen hadden gehad met de God van Israël. En dan gingen ze bij die steenhopen offeren, de richtlijnen voor de menselijke samenleving speelden geen rol meer.

Zo zou het niet nog een keer gaan, sprak Ezechiël in de Naam van zijn God. Uit de woestijn van de volken zou het volk weer verzameld worden staat er letterlijk. In die woestijn moesten ze dus eerst leren wat het echt betekent als je de God van Israël wil vereren. Dat heeft niet veel te maken met fraaie godsdienstigheid, niets met fraaie kleding, met mooie liederen, met geheven handen, met praise of worship. Dat heeft te maken met recht en gerechtigheid, met vrede op aarde en in mensen een welbehagen. Dat zal dat nieuw gevormde volk moeten laten zien, daar zal dat nieuw gevormde volk ook op afgerekend worden, daar mogen ze voor of tegen kiezen. Maar alleen zij die echt mee willen doen zijn thuis in dat beloofde land. Alleen als je een menselijke samenleving inricht volgens de Tora, de richtlijnen van de God van Israël dan zal je land overstromen van melk en honing. Dan is natuurlijk ook zo voor de Heidenen die zich via Jezus van Nazareth hebben aangesloten bij die beweging voor een aarde voor de mensen. Ook wij zullen onze samenleving moeten inrichten volgens die richtlijnen. Het lijkt er nog lang niet op. Wij kopen liever wapens dan dat we zorg verlenen aan ouderen, zieken en gehandicapten, wij sluiten onze grenzen voor vreemdelingen in plaats van ze op te nemen en te behandelen als onze eigen burgers. Maar ook wij kunnen uit deze woestijn optrekken naar het beloofde land, we kunnen vandaag nog op weg gaan.

Houd de sabbat in ere

maandag, 9 oktober, 2017

Ezechiël 20:13-26

13  Maar ook in de woestijn was het volk van Israël opstandig. Ze hielden zich niet aan mijn wetten en negeerden mijn regels, die leven brengen aan iedereen die zich eraan houdt, en hielden de sabbat niet in ere. Daarom wilde ik daar in de woestijn mijn woede over hen uitstorten en hen vernietigen. 14  Ik deed het niet, want ik wilde mijn naam niet ontwijden bij de volken die hadden gezien hoe ik hen had weggeleid. 15  Wel zwoer ik in de woestijn de eed dat ik hen niet naar het land zou brengen dat ik hun geven wilde, een land dat overvloeit van melk en honing, de parel onder de landen van de wereld. 16  Ze leefden immers niet naar mijn voorschriften, ze negeerden mijn wetten en hielden zich niet aan de sabbat: hun hart ging uit naar hun afgoden. 17  Toch richtte ik het volk niet te gronde, daar in de woestijn, ik vernietigde het niet, want ik had medelijden met hen. 18  Ik zei daar tegen hun kinderen dat ze niet moesten leven volgens de wetten en regels van hun ouders, en zich niet moesten inlaten met hun afgoden: 19  ‘Ik, de HEER, ben jullie God: onderhoud mijn wetten en regels, en leef ze na. 20  Houd de sabbat in ere; dat zal voor jullie en mij het teken zijn waaraan te zien is dat ik, de HEER, jullie God ben.’ 21  Maar ook hun kinderen gedroegen zich opstandig. Ze hielden zich niet aan mijn wetten en regels, die leven brengen aan iedereen die zich eraan houdt; ze volgden ze niet op. Ze hielden de sabbat niet in ere, en daarom wilde ik daar in de woestijn mijn toorn over hen uitstorten en mijn woede op hen koelen. 22  Ik zag daarvan af, omdat ik mijn naam niet wilde ontwijden bij de volken die hadden gezien hoe ik hen had weggeleid. 23  Wel zwoer ik in de woestijn dat ik hen zou verspreiden onder vreemde volken en verstrooien in verre landen, 24  omdat ze mijn regels en wetten negeerden en zich niet aan de sabbat hielden, maar de afgoden van hun ouders aanbaden. 25  Ik gaf hun zelfs slechte wetten, en regels die leidden tot de dood. 26  Met hun eigen offergaven maakte ik hen onrein, hun eerstgeboren kinderen liet ik hen offeren, opdat ze in ontzetting zouden beseffen dat ik de HEER ben.” (NBV)

Het is zo moeilijk om in vrijheid te leven, geen slaaf te worden van welke macht of kracht in de wereld dan ook. De God van Israël had de profeet opgedragen de oudsten die bij hem om raad waren gekomen nog eens de geschiedenis voor te houden. En de profeet doet dat netjes. Over het gouden kalf heeft hij het niet, maar wel over het besluit van de God van Israël dat de generatie die uitgetrokken was uit Egypte het beloofde land niet zou binnentrekken. Hun kinderen zouden dat land beërven. Die wisten niet van slavernij, die konden de samenleving inrichten zoals God dat bedoelt had. Een land maken waar iedereen zou zorgen dat iedereen mee zou kunnen doen, waar gedeeld werd van de oogst, waar recht en gerechtigheid zou heersten en waar geen andere goden zouden worden gediend dan de God van Israël. Maar ze konden de vrijheid niet aan. Ze hadden huisgoden en als het even zo uitkwam de Baäls en Asjeera’s van de volken van Kanaän. Ze eigenden zich zilver en goud toe bij de verovering van het land. En ze hielden de Sabbat niet.

Wie oppervlakkig de tekst leest krijgt gemakkelijk de indruk dat de Profeet nog even de reis door de woestijn oplepelt. Maar de oudsten weten wel beter. Zij weten waarom zij in ballingschap moeten leven. Waarom de lieren in de wilgen hangen en ze moeten huilen als ze aan Jeruzalem moeten denken. Samen zullen ze Psalm 137 gezongen hebben. In een oprecht verlangen weer een eigen land te bewonen, een eigen volk te kunnen zijn. Maar ze horen van kinderoffers, ze horen de echo’s van de verwijten die profeten als Jeremia en Jesaja hadden gemaakt, de waarschuwingen van Hosea en Micha en al die anderen die in profetenscholen probeerden het geloof van Israël in een wereld van vrede en recht overeind te houden. Maar nog steeds hielden ze de Sabbat niet. In de dagen van de ballingschap werd uiterlijk vertoon belangrijk. Ze moesten de spijswetten weer houden, ook al zou dat betekenen dat ze zoals Daniël en zijn vrienden alleen maar groente konden eten. Ze moesten de Sabbat weer houden, al het werk een hele dag lang staken. In ballingschap was dat echt staken tegen de machthebbers in.

Waarom was dat uiterlijk vertoon zo belangrijk? Konden ze met een uiterlijke religie de genade van de God van Israël verkrijgen? Nee toch? Nee inderdaad niet. Die God had zijn handen afgetrokken van dit volk. Dit volk dat zelfs de meest kwade regels had ingevoerd, het offeren in het vuur van levende kinderen. de Profeet wijst er op dat ook toen de God van Israël het volk had laten gaan. Zelf had het volk tot inkeer moeten komen en beseffen dat de God van Israël zulke offers niet vraagt. Niet gevraagd had van Abraham, al was het voor de aartsvader een harde proef geweest. Maar God had  het ook niet gevraagd van de slaven in Egypte die het bloed van een lam aan de deurposten mochten smeren om te voorkomen dat hun eerstgeborenen de dood vonden. Ze hadden niet geluisterd. En zouden ze nu naar raad luisteren? Ook in onze dagen laten we ons zo gemakkelijk slaaf maken, slaaf van produceren en consumeren. Een zondag als Sabbat voor heel het volk? Ouderwets en religie. Maar de Zondag is er niet voor God, die rust zelf wel, de zondag is er voor de mensen die zich uitputten maar voor een rechtvaardige samenleving, voor delen van wat is toegevallen geen tijd meer hebben. Wij lopen liever de hypes achterna, de goden van klatergoud die vandaag schitteren maar morgen vergeten zijn. De raad die we kunnen krijgen ligt in heel dat verhaal van Israël. Waar ging het goed en waar ging het fout. Wie echt wil ziet hoe het zit en zorgt dat het vandaag nog anders gaat in deze wereld.