Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor oktober, 2017

Tel de sterren

dinsdag, 31 oktober, 2017

Genesis 15:1-21

1 ¶  Enige tijd later richtte de HEER zich tot Abram in een visioen: ‘Wees niet bang, Abram: ikzelf zal jou als een schild beschermen. Je loon zal vorstelijk zijn.’ 2 ¶  ‘HEER, mijn God, ‘antwoordde Abram, ‘wat voor zin heeft het mij te belonen? Ik zal kinderloos sterven, en alles wat ik bezit zal het eigendom worden van Eliëzer uit Damascus. 3  U hebt mij immers geen nakomelingen gegeven; daarom zal een van mijn dienaren mijn erfgenaam worden.’ 4  Maar de HEER sprak opnieuw tot hem: ‘Nee, niet je dienaar zal jouw bezittingen erven, maar een kind dat jijzelf zult verwekken.’ 5  Daarop leidde hij Abram naar buiten. ‘Kijk eens naar de hemel, ‘zei hij, ‘en tel de sterren, als je dat kunt.’ En hij verzekerde hem: ‘Zo zal het ook zijn met jouw nakomelingen.’ 6  Abram vertrouwde op de HEER en deze rekende hem dit toe als een rechtvaardige daad. 7 ¶  Ook zei de HEER tegen hem: ‘Ik ben de HEER, die jou heeft weggeleid uit Ur, uit het land van de Chaldeeën, om je dit land in bezit te geven.’ 8  ‘HEER, mijn God, ‘antwoordde Abram, ‘hoe kan ik er zeker van zijn dat ik het in bezit zal krijgen?’ 9  ‘Haal een driejarige koe, ‘zei de HEER, ‘een driejarige geit, een driejarige ram, een tortelduif en een jonge gewone duif.’ 10  Abram haalde al deze dieren, sneed ze middendoor en legde de twee helften van elk dier tegenover elkaar. Alleen de vogels sneed hij niet door. 11  Er kwamen gieren op de kadavers af, maar Abram joeg ze weg. 12 ¶  Toen de zon op het punt stond onder te gaan, viel Abram in een diepe slaap. Opeens werd hij overweldigd door angst en diepe duisternis. 13  Toen zei de HEER: ‘Wees ervan doordrongen dat je nakomelingen als vreemdeling zullen wonen in een land dat niet van hen is en dat ze daar slaaf zullen zijn en onderdrukt zullen worden, vierhonderd jaar lang. 14  Maar ik zal hun onderdrukkers ter verantwoording roepen, en dan zullen ze wegtrekken, met grote rijkdommen. 15  Wat jou betreft: je zult in vrede met je voorouders worden verenigd en in gezegende ouderdom begraven worden. 16  Pas de vierde generatie zal hierheen terugkeren, want pas dan hebben de Amorieten zo veel misdaden bedreven dat de maat vol is.’ 17 ¶  Toen de zon ondergegaan was en het helemaal donker was geworden, was daar plotseling een oven waar rook uit kwam, en een brandende fakkel die tussen de dierhelften door ging. 18  Die dag sloot de HEER een verbond met Abram. ‘Dit land, ‘zei hij, ‘geef ik aan jouw nakomelingen, van de rivier van Egypte tot aan de grote rivier, de Eufraat: 19  het gebied van de Kenieten, Kenizzieten en Kadmonieten, 20  de Hethieten, Perizzieten en Refaïeten,21  de Amorieten, Kanaänieten, Girgasieten en Jebusieten.’ (NBV)

De volkeren waar Abram mee in contact kwam in dat vreemde doch vruchtbare land Kanaän waren allemaal bezig met vruchtbaarheid. Vruchtbare landerijen, vruchtbaar vee, veel kinderen het was allemaal belangrijk. Ze hadden er ook allemaal goden voor. Een god voor het land, een god voor het vee, een god voor kinderen, een god voor de handel, een god voor de regen en noem maar op. Abram had een God voor de hele wereld en hij had nog maar één koning ontmoet die ook zo’n God had. Maar die koning was ook gelijk priester in een tempel met offers en zo. Abram vertrouwde op het visioen dat hij had gekregen dat hij uiteindelijk een kind zou verwekken die het land dat hij had zou erven. Dat vertrouwen moest genoeg zijn, al hoorde er zo’n raar offer bij. Maar het offer dat Abram bracht was gespeend van theatraal godsdienstig vertoon. Dat offer was het offer van delen wat je hebt. Daarmee begon de godsdienst van het volk Israel, met het delen van het offer. Dat delen is een godsdienstoefening dat elk volk nog steeds nodig heeft.

Die dromen over een God en vele volken laten Abram maar niet los. Hij zou het begin zijn van een groot volk, maar kinderen heeft hij niet, hij zou het land erven waar hij nu in rondtrok maar hij had nog geen snipper land in eigendom en godsdienstige rituelen had hij ook al niet. Dan droomt hij dat het nog wel heel lang kan duren voordat de dromen zoals hij ze heeft uitkomen. Wel tot de vierde generatie. Dat is wel vierhonderd jaar. Tot die tijd zullen zijn nakomelingen zelfs in slavernij gehouden worden. Wij weten inmiddels dat het volk Israel 400 jaar in Egypte verbleef en toen uittrok door de woestijn, daar haar godsdienst vorm en inhoud gaf en toen pas het beloofde land veroverde. Abram moet blij geweest zijn te zien dat dat delen van het offer door God zelf werd opgelost. En de onderdrukkers worden altijd en overal ter verantwoording geroepen.

Wij kijken misschien raar aan tegen die oude verhalen over het sluiten van een verbond. Om dat verhaal goed te begrijpen moet je toch even kijken naar de gewoonten uit de dagen van Abraham. Als er tussen koningen een verbond werd gesloten ging dat gepaard met delen. Vee dat geofferd werd werd geslacht en gedeeld en de bondgenoten liepen er tussendoor om duidelijk te maken dat zij de delen van de rijkdom voortaan gezamenlijk zouden hebben. Hoe uitgebreider het verbond hoe meer vee er werd geofferd. Op die manier gaat de God van Abram nu ook een verbond met zijn knecht aan. Van knechtschap, van meerdere en mindere is dus geen sprake meer. God en Abram zijn gelijkwaardige bondgenoten geworden. Ook al wijst niets er op Abram mag er op vertrouwen dat zijn bondgenoot het verbond ook zal nakomen. Zijn wereld zal een wereld van vrede en recht worden. Gericht op delen en niet meer gericht op vruchtbaarheid. Abram begint te ontdekken waar het om gaat. Nu wij nog.

Hij was een priester van God

maandag, 30 oktober, 2017

Genesis 14:13-24

13 ¶  Dit werd door een vluchteling aan Abram gemeld, die bij de eiken van de Amoriet Mamre woonde, de broer van Eskol en Aner; Mamre en zijn broers hadden met de Hebreeër Abram een bondgenootschap gesloten. 14  Toen Abram hoorde dat zijn neef gevangengenomen was, bracht hij allen op de been die in zijn huis opgegroeid waren en met de wapens konden omgaan-driehonderdachttien in getal-en achtervolgde Kedorlaomer en diens bondgenoten tot aan Dan. 15  ‘s Nachts viel hij hen met zijn mannen van verschillende kanten tegelijk aan, versloeg hen en achtervolgde hen tot aan Choba, dat ten noorden van Damascus ligt.16  Alle buitgemaakte bezittingen heroverde hij. Ook zijn neef Lot wist hij veilig terug te brengen, met al zijn bezittingen, evenals de vrouwen en de andere krijgsgevangenen. 17 ¶  Toen Abram na zijn overwinning op Kedorlaomer en de andere koningen terugkeerde, kwam de koning van Sodom hem tegemoet in de Sawevallei, de Koningsvallei. 18  En Melchisedek, de koning van Salem, liet brood en wijn brengen. Hij was een priester van God, de Allerhoogste, 19  en sprak een zegen over Abram uit: ‘Gezegend zij Abram door God, de Allerhoogste, schepper van hemel en aarde.20  Gezegend zij God, de Allerhoogste: uw vijanden leverde hij aan u uit.’  Abram gaf aan Melchisedek een tiende van wat hij had heroverd. 21 ¶  De koning van Sodom verzocht Abram hem de mensen terug te geven, de bezittingen mocht Abram houden. 22  Maar Abram antwoordde hem: ‘Ik zweer bij de HEER, bij God, de Allerhoogste, de schepper van hemel en aarde, 23  dat ik volstrekt niets wil aannemen van wat uw eigendom is, nog geen draad of schoenriem. U zult niet kunnen zeggen: “Ik ben het die Abram rijk heeft gemaakt.” 24  Ik vraag alleen een vergoeding voor wat mijn dienaren hebben verbruikt, en het deel van Aner, Eskol en Mamre, die zich bij mij hebben aangesloten; laat hen nemen wat hun toekomt.’ (NBV)

Die koningen van Irak en Iran worden verslagen door Abram die ze tot in de Libanon achtervolgt. Abram redt Lot staat er dan ook vaak boven dit verhaal. Voor je famillie moet je wat over hebben nietwaar. Abram heeft ook een verdrag gesloten. Dit verdrag is met de eigenaar van de grond waarop Abram zijn tenten had geslagen en met zijn broers. Dit verdrag blijkt een verdrag van onderlinge hulp en bijstand en is niet gericht op macht. Maar bij oorlog hoort oorlogsbuit, zo was het, zo is het en zo lijkt het altijd geweest te zijn. Niet helemaal altijd. Abram ziet er al bij de eerste oorlog die er in de Bijbel wordt beschreven van af om oorlogsbuit mee te nemen. Iedereen krijgt terug wat een ieder ontstolen is. Alleen de bondgenoten van Abram worden beloond.

Daarom heeft de overlevering hier ook die merkwaardige priester koning Melchizedek ingevoegd. Abram had in Charan een visioen van een God gehad die hem op weg naar Kanaän stuurde. Nu ontmoet hij een Koning die zich priester noemt van diezelfde God. Een God die niet alleen bij de stad van die Koning hoorde maar bij de hele hemel en de hele aarde. Zo geloofde Abram ook in zijn God. Heel langzaam begint het door te dringen dat veroveren tot lijden voert en dat delen het meeste opbrengt. Delen van land, delen van goederen, delen van hulp, brengt uiteindelijk vrede en voorspoed. Je kunt niet alle rampen en ongelukken op de wereld voor zijn en voorkomen.  Maar je kunt wel voortdurend op het welzijn van mensen bedacht zijn. Dan is de zorg voor mensen geen last.

Dan verzet je  je tegen belastingverlaging als er geen geld zou zijn voor zeldzame medicijnen, wijkverpleging, verplegenden in verpleegtehuizen, goede en eerlijke salarissen voor onderwijzers en leraren. Je doet dat vanzelf als je net als Abram die onbekende God volgt en niet uit bent op eigen gewin. Als mensen je niks kunnen schelen dan ga je over de schreef en breng je mensen in gevaar. Dan krijgen mensen het gevoel dat ze kunnen doodvallen als ze oud, ziek en eenzaam zijn. Dan is je inzet en zorg voor de kinderen die de toekomst van ons land vormen van geen waarde. Abram, wilde van de buit van de oorlog geen cent hebben. Hij was al rijk genoeg en dat legertje van ruim driehonderd man betaalde hij uit eigen zak. Alleen zijn bondgenoten werd recht gedaan. En zijn verpleegkundigen en onderwijs gevenden ook niet onze bondgenoten?

Lot woonde namelijk in Sodom.

zondag, 29 oktober, 2017

Genesis 14:1-12

1 ¶  Toen Amrafel koning van Sinear was, Arjoch koning van Ellasar, Kedorlaomer koning van Elam en Tidal koning van Goïm, 2  brak er oorlog uit tussen hen en koning Bera van Sodom, koning Birsa van Gomorra, koning Sinab van Adma, koning Semeber van Seboïm en de koning van Bela, het huidige Soar. 3  De laatsten trokken gezamenlijk op naar de Siddimvallei, nu de Zoutzee. 4  Twaalf jaar waren zij aan Kedorlaomer onderworpen geweest, maar in het dertiende jaar waren ze in opstand gekomen. 5  In het veertiende jaar rukte Kedorlaomer op, samen met de koningen die zijn bondgenoten waren, en zij versloegen de Refaïeten in Asterot-Karnaïm, de Zuzieten in Ham, de Emieten in Sawe-Kirjataïm 6  en de Chorieten in het bergland waar zij woonden, het Seïrgebergte; ze rukten op tot aan El-Paran, aan de rand van de woestijn. 7  Daarna keerden ze terug over En-Mispat, het huidige Kades, en onderwierpen met harde hand het hele gebied van de Amalekieten en ook de Amorieten die in Chaseson-Tamar woonden. 8-9 Toen trok de koning van Sodom ten strijde, samen met de koning van Gomorra, de koning van Adma, de koning van Seboïm en de koning van Bela, het huidige Soar. In de Siddimvallei leverden deze vijf koningen slag met de vier andere: koning Kedorlaomer van Elam, koning Tidal van Goïm, koning Amrafel van Sinear en koning Arjoch van Ellasar. 10  In de Siddimvallei waren talloze aardpekbronnen. Toen de koningen van Sodom en Gomorra moesten vluchten, kwamen ze daarin terecht. De anderen vluchtten het gebergte in. 11  Hun tegenstanders maakten alles buit wat de inwoners van Sodom en Gomorra bezaten, ook hun hele voedselvoorraad. Daarna trokken ze weg. 12  Ook Lot, de zoon van Abrams broer, voerden ze weg, met al zijn bezittingen; Lot woonde namelijk in Sodom. (NBV)

We kijken tegenwoordig niet meer op van een oorlog meer of minder. Als er één woord van Jezus in onze dagen op gaat dan is het dat we zullen horen van oorlogen en geruchten van oorlogen. Vandaag lezen we echter het verhaal van de allereerste oorlog tussen koningen en vorsten, tenminste de eeerste die we in de Bijbel beschreven zien. En het gaat niet om de minsten want al herkennen we de namen van al die koningen en landen niet het gaat volgens de geleerden om de Koningen van Irak en Iran die zich verbinden om de Koningen van Sodom en Gomorra in Palestina weer aan zich te onderwerpen. Twee van de vijf koningen waren eerst schatplichtig aan Irak en Iran en wilden zich daaraan onderwerpen. Ze hadden met elkaar een verdrag gesloten. Maar kleine landjes die met elkaar verdragen sluiten om zich tegen de wereldmachten verzetten verliezen het meestal.

Wie in de ballingschap dit verhaal heeft gelezen zal ongetwijfeld terugdenken aan de koningen van Juda en Israël die ook het heil zochten in het sluiten van verdragen met buurvolken tegen de wereldmachten. Sommige koningen losten de problemen op door belasting te betalen aan de wereldmacht die het sterkste was maar iedere keer stonden er koningen op die zich daaraan wilden onttrekken. Een beroep doen op de God van Israël, de God van Abram, Izaäk en Jacob, was er niet bij. Is dat verstandig? De buurvolken van Israël stamden af van de familie van Abram, net als Israël zelf van Abram afstemde. De vraag is dus wat er gaat gebeuren als de neef van Abram, Lot ook in de oorlog  tussen de vijf vorsten van Kanaän en de wereldmachten verstrikt raakt.

Die koningen van Sodom en Gommora waren hebberig. Hun steden lagen in vruchtbaar gebied. Lot, de neef van Abram had die vruchtbare vlakte gekozen om zijn vee te weiden. Abram had zich teruggetrokken in de bergen en woondde bij de Eiken van Mamre. Lot was in Sodom gaan wonen. Die eiken van Mamre waren Heilige bomen. Maar door er te gaan wonen liet Abram zien dat die bomen geen macht hadden over mensen. Hij had immers een andere God. Voor die God had hij zo hier en daar een altaar gebouwd, op het altaar geofferd om vervolgens het altaar te vergeten en verder te trekken. Hij koos niet voor rijkdom ten koste van anderen. De Koningen van Sodom en Gommora wilden af van de schatting die ze moesten betalen en wilden gaan profiteren van de oliebronnen in de buurt. Zou dit een waarschuwing aan ons zijn om van aardolie geen god te maken? Die Koningen vonden er de dood in.

Zo gingen ze uiteen.

zaterdag, 28 oktober, 2017

Genesis 13:2-18

2  Abram was bijzonder rijk: hij had veel vee, zilver en goud. 3  Vanuit de Negev trok hij geleidelijk verder, tot aan Betel, tot aan de plaats tussen Betel en Ai waar zijn tent vroeger al had gestaan 4  en waar hij toen een altaar had gebouwd. Daar riep Abram de naam van de HEER aan. 5 ¶  Ook Lot, die met Abram was meegekomen, bezat schapen, geiten, runderen en tenten. 6  Beiden bezaten zo veel vee dat er te weinig land was om bij elkaar te blijven wonen.7  Hierdoor ontstond er ruzie tussen de herders van Abrams vee en de herders van Lots vee, en ook woonden in die tijd de Kanaänieten en de Perizzieten nog in het land. 8  Daarom zei Abram tegen Lot: ‘Waarom zouden we ruziemaken, jij en ik, of jouw herders en de mijne? We zijn toch familie? 9  Het is maar beter dat we uiteengaan. Het hele land ligt voor je open. Als jij naar links gaat, ga ik naar rechts; als jij naar rechts gaat, ga ik naar links.’ 10 ¶  Lot liet zijn blik rondgaan en zag hoe rijk aan water de hele Jordaanvallei was; voordat Sodom en Gomorra door de HEER werden verwoest, was de vallei tot aan Soar toe even waterrijk als de tuin van de HEER en als Egypte. 11  Daarom koos Lot voor zichzelf de Jordaanvallei en trok in oostelijke richting. Zo gingen ze uiteen. 12  Abram bleef in Kanaän wonen, maar Lot sloeg zijn tenten op bij de steden in de vallei. Zijn woongebied strekte zich uit tot aan Sodom; 13  de mensen daar waren slecht, ze zondigden zwaar tegen de HEER. 14 ¶  Nadat Lot was weggegaan, zei de HEER tegen Abram: ‘Kijk eens goed om je heen, kijk vanaf de plaats waar je nu staat naar het noorden, het zuiden, het oosten en het westen. 15  Al het land dat je ziet geef ik aan jou en je nakomelingen, voor altijd. 16  En ik zal je zoveel nakomelingen geven als er stof op de aarde is: ze zullen even ontelbaar zijn als alle stofdeeltjes op de aarde. 17  Kom, doorkruis het land in zijn volle lengte en breedte, want aan jou zal ik het geven.’ 18  Toen brak Abram op en ging wonen bij de eiken van Mamre, bij Hebron. Daar bouwde hij een altaar voor de HEER. (NBV)

Door de woestijn trok Abram terug naar dat land Kanaän. Daar woonden ook nog mensen en daar waren zelfs mensen die zich in dorpen en steden hadden gevestigd. Voor veehouders zoals Abram moet dat een vreemde cultuur geweest zijn. Telkens als het gras op was trok zijn gezelschap verder. De herders leiden het vee naar grazige weiden en zochten rustig water uit om het vee te drinken te geven. Er komt ruzie uit. Denk hierbij niet dat Abram en Lot zelf met de herdersstaf achter de kudden aantrok. Beiden hadden een groot aantal herders in dienst. Die herders samen konden als het nodig is ook een legertje vormen. Er dreigde dus oorlog tussen de herders van Abram en de herders van Lot. Twee herdersvorsten samen in Kanaän kan dus niet. De ballingen in Babel, net als zij die terugkeerden zullen later beseffen dat de scheiding van het land in Juda en Israël de kansen van het volk niet groter had gemaakt.

Voor dat het echt oorlog wordt stelt Abram voor uit elkaar te gaan. Lot heeft daarbij de eerste keus. De neef van Abram kiest voor de vallei langs de rivier waar het water het rustigst is en de grond het vruchtbaarst. Daar waren ook de grootste steden. Abram blijft in de heuvels waar minder mensen waren en dus minder concurrentie te verwachten viel. De God van Abram belooft hem dat hele gebied in de toekomst. Een vreemde belofte. Goden waren goden voor de plaats waar ze waren. Er werd een beeld neergezet en daar woonde die god, voor het gebied rond dat beeld mocht die god zorgen. Abram trok rond, aan een God die streek of plaatsgebonden was had hij niks. Abram bouwde daarom af en toe een altaar maar liet dat altaar ook weer net zo gemakkelijk in de steek. Als hij eenmaal geofferd had hoefde hij niet meer terug naar dat altaar. Voor nomaden een rustgevend idee zo’n God die met je meetrok en je visioenen gaf van een rijke toekomst.

Wij hebben het meer op tijdelijke goden. Hypes noemen we ze ook wel. Goden die beloften doen voor de korte termijn en je rijkdom en welvaart beloven als je maar genoeg aan hen offert. Wie niets heeft te offeren, of investeren, wordt ook niet door die goden beloont. Zelfs de regering gedraagt zich soms als zo’n tijdelijke god. Bij het aantreden van een dergelijke regering klinken de mooiste beloften, als de regeringstermijn voorbij is krijgt het buitenland de schuld dat aan de beloften niet voldaan is. Die God van Abram, waarvan verteld wordt dat die er al voor het begin van de aarde was, gaat over eerlijk delen, over keuzes maken met respect voor mensen. Abram koos niet voor niets de heuvels waar weinig mensen woonden. Hij viel niemand lastig, stelde zich niet op als concurent. Als je onze politici hoort dan lijken de armen, de zieken en gehandicapten het wel expres te doen, hun zorg wordt dan ook een last genoemd. De zorg is geen last maar een voorrecht, dan maar wat minder welvaart, dan maar de bergen. De eiken bij Mamre waren heilige eiken, maar ook in heilige huisjes kun je gewoon wonen.

Hij kreeg schapen en geiten, runderen, ezels

vrijdag, 27 oktober, 2017

Genesis 12:10–13:1

10 ¶  Eens brak er in het land hongersnood uit. Abram trok naar Egypte om daar tijdelijk te gaan wonen, want de hongersnood was zeer zwaar. 11  Toen hij op het punt stond Egypte binnen te trekken, zei hij tegen zijn vrouw Sarai: ‘Luister, ik weet heel goed dat jij een mooie vrouw bent. 12  Als de Egyptenaren je zien, zullen ze denken: Dat is zijn vrouw, en dan zullen ze jou in leven laten, maar mij zullen ze doden. 13  Zeg daarom dat je mijn zuster bent, dan kom ik er dankzij jou misschien goed vanaf en loopt mijn leven geen gevaar.’ 14 ¶  Inderdaad was Abram nog maar nauwelijks in Egypte of de Egyptenaren zagen dat Sarai een bijzonder mooie vrouw was. 15  Ook de officieren van de farao merkten haar op. Ze vertelden de farao zo enthousiast over haar dat hij de vrouw naar zijn paleis liet overbrengen. 16  En vanwege haar werd Abram door de farao met geschenken overladen: hij kreeg schapen en geiten, runderen, ezels, slaven en slavinnen, ezelinnen en kamelen. 17  Maar de HEER trof de farao en zijn hof met zware plagen om wat er gebeurd was met Abrams vrouw Sarai. 18  Toen ontbood de farao Abram. ‘Wat hebt u mij aangedaan!’ zei hij. ‘Waarom hebt u me niet verteld dat ze uw vrouw is? 19  Waarom hebt u gezegd dat ze uw zuster is? Nu heb ik haar tot vrouw genomen. Hier is uw vrouw weer, neem haar mee en verdwijn!’ 20  En op bevel van de farao werd Abram, met zijn vrouw en al zijn bezittingen, onder geleide het land uit gebracht. 1 ¶  Vanuit Egypte trok Abram, met zijn vrouw en zijn bezittingen, weer naar de Negev. Lot ging met hem mee. (NBV)

Er breekt een hongersnood in Kanaän uit. Dat zal niet voor de eerste keer zijn maar het is zeker niet de laatste keer. Abram gaan met zijn hele gevolg naar Egypte. En ook zijn kleinzoon Jacob zal uiteindelijk in Egypte terecht komen. De achterkleinzoon van Abram had toen maatregelen genomen om Jacob en zijn gevolg in leven te houden. Abram was nog afhankelijk van de Farao. Een wel heel erg machtig man. Zo’n man die de vrouwen uit kon kiezen die hij wilde en waar niemand zich tegen zou kunnen verzetten. Als zo’n vrouw getrouwd was dan werd de man gedood. Een thema dat we veel later ook bij Koning David tegenkomen. Abram is bang dit lot te moeten ondergaan. Zijn knappe vrouw Saraï moet maar doen of ze zijn zuster is, dan zullen ze Abram niet doden als ze Saraï willen hebben. En dat willen ze, ze is van Abram en hij krijgt schapen, geiten en schapen en nog meer. Hij wordt rijkelijk beloond voor het gebruik van zijn “zuster”.

Als die Farao niet vreselijk ziek was geworden was Abram misschien wel omgebracht omdat hij zo’n mooie vrouw had, al dat uitgekomen zou zijn. In de Bijbel wordt overspel vaak niet als een zonde tegen de echtgenoot gezien maar een zonde tegen God, wat God verbindt mag door mensen niet gescheiden worden. De Farao herkent de ziekte van zijn hof als een straf van de God van Abram en hij schrikt geweldig Abram wordt overladen met geschenken de woestijn ingestuurd, zoals later overigens het hele volk Israel overladen met geschenken de woestijn wordt ingestuurd nadat de Farao en zijn volk de nodige rampen zijn overkomen. Een belangrijk verhaal over de Aartsvader die zijn vrouw voor zijn zuster laat doorgaan. Want het wordt wel drie maal verteld.

Abram haalt de truuk nog een keer uit in Gerar met de koning daar, ene Abimelech, en ook de zoon van Abram, Isaak, haalt in Gerar de truuk uit als hij zijn vrouw Rebekka voor zijn zuster laat doorgaan als het volk wat al te opdringerig wordt. Het is en blijft een mannenverhaal. Vrouwen zijn er kennelijk alleen om je lust mee te bevredigen. Als die vrijheid er is of gegeven wordt dan ontvangt de man die het mogelijk maakt een ruime beloning. Wij noemen zulke mannen in onze dagen graag souteneurs. De vrouwen worden vaak gedwongen of met bedrog tot de betaalde omgang met mannen gedwongen. Bedriegen om rijk te worden is dus kennelijk een heel gewone zaak, ook de aartsvaders deden het. Maar het moet duidelijk zijn dat de God van Israël dit afwijst en bestraft. Abram wordt er wel rijk van, maar hij wordt de woestijn in gestuurd. Pas vanuit de woestijn kan hij het beloofde land bereiken.

 

Een bron van zegen zul je zijn

donderdag, 26 oktober, 2017

Genesis 11:27–12:9

27 ¶  Dit is de geschiedenis van Terach en zijn nakomelingen. Terach verwekte Abram, Nachor en Haran. Haran verwekte Lot; 28  hij stierf nog tijdens het leven van zijn vader Terach, in Ur, een stad van de Chaldeeën, in zijn geboorteland. 29  Abram en Nachor trouwden allebei. Abrams vrouw heette Sarai, Nachors vrouw heette Milka; zij was een dochter van Haran, die naast Milka nog een dochter had, Jiska. 30  Sarai was onvruchtbaar, zij kreeg geen kinderen. 31  Terach verliet Ur, de stad van de Chaldeeën, en nam zijn zoon Abram met zich mee, evenals zijn kleinzoon Lot, de zoon van Haran, en zijn schoondochter Sarai, Abrams vrouw. Samen gingen ze op weg naar Kanaän. Maar toen ze in Charan waren aangekomen, bleven ze daar wonen.32  Terach leefde tweehonderdvijf jaar. Hij stierf in Charan. 1 ¶  De HEER zei tegen Abram: ‘Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat ik je zal wijzen. 2  Ik zal je tot een groot volk maken, ik zal je zegenen, ik zal je aanzien geven, een bron van zegen zul je zijn. 3  Ik zal zegenen wie jou zegenen, wie jou bespot, zal ik vervloeken. Alle volken op aarde zullen wensen gezegend te worden als jij.’4-5 Abram ging uit Charan weg, zoals de HEER hem had opgedragen. Hij was toen vijfenzeventig jaar. Hij nam zijn vrouw Sarai mee en Lot, de zoon van zijn broer, en ook alle bezittingen die ze hadden verworven en de slaven en slavinnen die ze in Charan hadden verkregen. Zo gingen ze op weg naar Kanaän. Toen ze daar waren aangekomen, 6 ¶  trok Abram het land door tot aan de eik van More, bij Sichem. In die tijd werd het land bewoond door de Kanaänieten.7  Maar de HEER verscheen aan Abram en zei: ‘Ik zal dit land aan jouw nakomelingen geven.’ Toen bouwde Abram op die plaats een altaar voor de HEER, die aan hem verschenen was. 8  Daarvandaan trok hij naar het bergland dat oostelijk van Betel ligt, en ergens ten oosten van Betel en ten westen van Ai sloeg hij zijn tent op. Hij bouwde er een altaar voor de HEER en riep er zijn naam aan. 9  Steeds verder reisde Abram, in de richting van de Negev. (NBV)

We stammen niet allemaal van Abram of zelfs diens stamvader Sem af maar de kinderen van Abram en de zonen en dochters van Sem zijn wel onze neven en nichten. Daarmee zijn Joden en Islamieten familie van Christenen, Hindoes en Boeddhisten. Er is geen enkele reden om je meer of minder te voelen dan de ander. Kritiek op elkaar hoort dan ook kritiek binnen de familie te zijn. Natuurlijk zijn er ook families die elkaar uitmoorden of iets aandoen. We spreken dan toch steeds over ontwrichte families. In harmonieuze families kan je elkaar de waarheid zeggen zonder gevaar te lopen. De uitspraak “de ander ben je zelf” wordt ook in stuk in de Bijbel bevestigd. Misschien is het deze week daarom ook tijd om broers en zusters opnieuw te ontmoeten. In diverse plaatsen worden er regelmatig interreligieuze ontmoetingen georganiseerd, aarzel niet om er aan mee te doen.

We lezen dus het beroemde begin van het verhaal over Abram. Een God inspireerde hem om verder te trekken dan zijn vader en de rest van zijn famillie had gedaan. Die waren al van Ur naar Charan getrokken maar Abram met zijn vrouw en gevolg trok verder naar het voor hen kennelijk onbekende Kanaän in de overtuiging dat het ergens goed voor was. Want zeg nou zelf wat heb je er aan als je beloofd wordt dat alle volken ooit jaloers op je zullen worden. Hoe God tot Abram sprak blijft onbekend. Ook hoe de godsdienst van Abram er eigenlijk uitzag. Bedenk wel, de 10 woorden, die het volk Israel in de woestijn op gang dreef naar het beloofde land, waren er nog niet, ook de Heilige Tent en alles wat daarbij hoort was er niet. Abram bouwde wel altaren voor God maar wat hij daar op offerde blijft ook onbekend en of die nieuwe God die hem voortdreef daar eigenlijk wel van gediend was blijft ook in het verborgene. Het enige wat we weten is dat Abram naar een nieuw land trok en daar een beetje ging rond trekken.

Zoiets als de Batavieren die ooit de Rijn af kwamen zakken en hier de Kaninefaten tegen kwamen maar desalniettemin onze voorouders werden. Wij lezen dit verhaal met de kennis die we achteraf gekregen hebben. Wij weten wel van de goddelijke richtlijnen uit de Woestijn en hoe die in de Tempel in Jeruzalem werd bewaard en hoe de wereld uiteindelijk zal moeten leren dat alle volken zich naar Jeruzalem moeten keren. Hier is het begin. Er op uit trekken om op een andere manier te gaan leven. Als een bron van alle goeds, want dat is een zegen zijn toch. Zoals dezer dagen mensen er op uittrekken om ingrijpen in de verdrinkingen op de Middellandse Zee te vragen. Waar dat op uitloopt weten ze niet maar in Amerika en in Den Haag en elders op de wereld lopen mensen de deur bij de heersers van de wereld plat om te pleiten voor de vluchtelingen en slachtoffers. Wij kunnen in ons land laten zien hoe je vluchtelingen een menselijk bestaan kunt laten opbouwen. Als we dat goed doen dan nemen andere volken dat misschien wel van ons over en kunnen alle vluchtelingen en veilige plek op de wereld krijgen.

Roep de wijze vrouwen bijeen

woensdag, 25 oktober, 2017

Jeremia 9:16-25

16  Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Kijk rond, roep de klaagvrouwen, vraag of ze komen, roep de wijze vrouwen bijeen. 17  Zeg: Laten ze zich haasten om voor ons een klaaglied te zingen. Dan vloeien onze tranen, dan baden onze ogen in water. 18  Hoor, er klinkt een klaaglied uit Sion: “Ach, wij zijn te gronde gericht, hoe groot is onze schande. Wij moeten ons land verlaten, ze hebben onze huizen verwoest.” 19  Vrouwen, luister naar de woorden van de HEER, open je oren, hoor wat hij zegt. Leer jullie dochters weeklagen, leer elkaar dit klaaglied: 20  “De dood is door onze vensters binnengeklommen, hij is onze paleizen binnengedrongen. Hij maait de kinderen neer in de straten, roeit de jeugd uit op de pleinen.” 21  Dit zegt de HEER: De lijken liggen als mest op het land, als halmen achter de maaiers, door niemand opgeraapt. 22  Dit zegt de HEER: De wijze moet zich niet beroemen op zijn wijsheid, de sterke niet op zijn kracht, de rijke niet op zijn rijkdom. 23 ¶  Wil iemand zich op iets beroemen, laat hij zich erop beroemen dat hij mij kent, inziet dat ik, de HEER, dit land liefde schenk, rechtvaardigheid en recht, want daar schep ik behagen in- spreekt de HEER. 24  De tijd zal komen-spreekt de HEER dat ik de besnedenen straf: 25  Egypte, Juda, Edom, Ammon, Moab en al die woestijnbewoners met hun kaalgeschoren slapen. Want al die volken zijn net als Israël onbesneden van hart. (NBV)

Jeremia moet professionals inhuren om duidelijk te maken hoe erg het met Israël gesteld is. Klaagvrouw was een gerespecteerd beroep voor vrouwen in Israël. Ze huilden, scheurden hun kleren, bestrooiden hun hoofden met as en zongen de klaagliederen die het verdriet over de overledene onder woorden brachten. Daarnaast moest Jeremia ook de wijze vrouwen bijeen roepen. De titel “wijze vrouw” wordt maar een enkele keer in de Bijbel genoemd. Men raadpleegt dan een wijze vrouw zoals ook wel een profetes wordt geraadpleegd. Soms is de grens tussen wijze vrouw en tovenares vervaagd, maar wijze vrouw was onmiskenbaar een ambt in de godsdienst van Israël. Dat er alleen mannen aan het woord kwamen is dus onzin. Wijze  mannen komen in de Hebreeuwse Bijbel overigens niet voor.

De klaagvrouwen krijgen een bijzondere taak opgedragen. Het gaat niet om een belangrijk persoon die overleden is, maar het gaat om een heel volk dat ten onder gaat. De klaagliederen moeten dan ook niet blijven bij de beroepszangeressen, zij gaan immers na de begrafenis weer naar huis, maar de klaagliederen moeten een vast en vanzelfsprekend onderdeel worden van het dagelijks leven. Overal is de dood binnengeklommen. Kinderen sterven in de straten, jeugd hangt rond op pleinen en wordt daar uitgeroeid. De dood treft zo veel mensen dat van begraven en rouwen geen sprake meer kan zijn. Je kunt dag en nacht klaagliederen zingen en dan nog heb je het verdriet dat er is niet genoeg plaats gegeven.

De enige die ontkomt aan de vernietiging is degene die er blijk van geeft de God van Israël te kennen. Die kent de God die geen andere goden voor zijn aangezicht duldt. Die kent de God van Israël als de God die mensen liefheeft en rechtvaardigheid betracht ook aan de armen en de weduwen en de wees. Rechtvaardigheid en recht daar draait het bij die God om. Mooie godsdienstigheid, grote offers, besneden zijn, het telt allemaal niet mee. Ook de volken rondom Israël kennen de gewoonte dat mannen worden besneden. Maar net als het volk Israël zijn die volken onbesneden van hart. Ze lopen andere goden achterna, ze bevoordelen de rijken en onderdrukken de armen. Profeten hadden opgeroepen de richtlijnen van de God van Israël, voor recht en gerechtigheid, te laten graveren in je hart. Paulus zal  dat later herhalen. Daar is geen sprake van. Voor ons ook een waarschuwing. Zijn wij gericht op ons eigen belang of zetten wij de armen, de gehandicapten, de vreemdelingen, de slachtoffers van onderdrukking, aanranding en geweld voorop.

Hun tong is afgericht op liegen

dinsdag, 24 oktober, 2017

Jeremia 9:1-15

Ach, had ik maar een nachtverblijf in de woestijn. Ik zou mijn volk verlaten, van hen weggaan.’ ‘Ze zijn allen even trouweloos, het is een bende bedriegers. 2  Ze spannen hun tong als een boog, ze schieten met bedrog en onbetrouwbaarheid. Hun macht in het land neemt almaar toe, ze stapelen wandaad op wandaad en willen van mij niets weten- spreekt de HEER. 3  Wees allen op je hoede voor vrienden, verlaat je niet op je broers. Elke broer bedriegt als Jakob, elke vriend strooit lasterpraat rond. 4  De een bedriegt de ander, de waarheid spreken ze niet. Hun tong is afgericht op liegen, ze kunnen niet anders meer. 5  Onderdrukking volgt op onderdrukking, bedrog op bedrog. Ze willen van mij niets weten- spreekt de HEER. 6  Daarom-dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik ga hen smelten en zuiveren. Wat kan ik anders doen met mijn volk? 7  Hun tong is een moordende pijl, hun mond spreekt bedrieglijke woorden. Ze doen allervriendelijkst tegen elkaar, maar leggen heimelijk een valstrik. 8  Zou ik hen hierom niet straffen? -spreekt de HEER. Zou ik mij niet wreken op een volk dat zoiets doet?’ 9  ‘Ik weeklaag om de bergen, om de weidegronden hef ik een klaaglied aan. Ze zijn verwoest, niemand trekt er nog doorheen, niemand hoort nog kudden blaten. Vogels en vee, alles is op de vlucht.’ 10  ‘Ik maak Jeruzalem tot een ruïne, tot een oord voor jakhalzen. Ik maak Juda’s steden tot een woestenij, waar niemand meer kan wonen. 11  Wie inzicht heeft, moet dit doorgronden, wie naar de HEER geluisterd heeft, moet het verkondigen.’  ‘Waarom wordt dit land te gronde gericht, verschroeit het als een woestijn, waar niemand nog doorheen trekt?’ 12 ¶  De HEER zei: ‘Omdat ze de wet die ik hun voorgehouden heb niet in acht hebben genomen. Ze hebben niet naar mij geluisterd en niet volgens mijn wet gehandeld, 13  maar hebben zich laten leiden door hun koppige hart. Ze zijn achter de Baäls aan gelopen, zoals ze van hun voorouders hebben geleerd. 14  Daarom-dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik geef dit volk alsem te eten en giftig water te drinken, 15  en ik zal hen verstrooien onder volken die zij en hun voorouders nooit hebben gekend. Ik zal hen achtervolgen met het zwaard, totdat ik hen vernietigd heb. (NBV)

De afgodendienst maakt het volk van Israël tot een volk als alle anderen. Het kwaad dat wordt bedreven is dus geen teken van de kwaadaardigheid van Israëlieten maar van de verdorvenheid waar de God van Israël alle volken wil bevrijden. Het gedeelte van vandaag wordt nog wel eens een enkele keer misbruikt door antisemieten die dan roepen van zie je wel hoe slecht die Joden zijn. Onzin dus. De God van Israël heeft zich een volk gekozen om alle andere volken te laten zien dat het echt mogelijk is om in vrede en welvaart te leven volgens de richtlijnen van die God. Eén van die richtlijnen is het “Gij zult niet doden.” Maar het volkje dat door God werd verkozen was een klein slavenvolk. Het werd in Egypte zwaar onderdrukt en bijna uitgeroeid. Het bewoonde uiteindelijk een landje dat geklemd lag tussen de wereldmachten uit de tijd van Jeremia. Het volgen van de richtlijnen van die God is voor de andere volken heel raar. Je moet toch een sterke krijgsmacht hebben om je tegen het geweld uit de wereld te beschermen.

Machtige bondgenoten horen daar ook bij. In onze dagen wordt dat nog vaak verwezen naar de afloop van de Tweede Wereldoorlog, toen vele volken samenwerkten om het Nazi regiem dat in Europa de macht had gegrepen ten val te brengen. We vergeten vaak te kijken naar de oorzaak van de Tweede Wereldoorlog. Hoe is het mogelijk dat een verstandig en goed opgeleid volk een zo sterk verdorven ideologie aan de macht had helpen brengen. Die oorzaak was mede gelegen in de onrechtvaardige behandeling die de overwinnaars van de Eerste Wereldoorlog de Duitse verliezers gaven. Na de Tweede Wereldoorlog werd dat anders gedaan. Ook Duitsland deelde mee in de hulp van de geallieerden. In de Bijbel is het niet doden een kant van de medaille maar kan niet los gemaakt worden van het betrachten van recht en gerechtigheid. Het heb uw naaste lief als uzelf is vergeten en daardoor zoekt het arme deel van de bevolking gemakkelijk haar steun bij een andere godsdienst als die van de elite. Die godsdienst wordt dan mode en het leed van de afgodendienst is daar.

Wat is nu het antwoord van de God van Israël? Algehele vervolging? Achtervolging tot aan de uithoeken van de aarde? Wie dat in het gedeelte van vandaag leest gaat voorbij aan het doel dat de God van Israël voor deze verschrikkingen geeft. Hij gaat het volk smelten en zuiveren. Allen die zich blijven gedragen als de andere volken zullen voortaan bij die andere volken horen. En de volken van deze wereld voeren voortdurend oorlog met elkaar. Daar is onrecht en onderdrukking te vinden, daar is niemand zeker van zijn leven. Uiteindelijk zal er een minderheid overblijven die ondanks alles, tegen alle verschrikkingen in, blijven vasthouden aan de goddelijke richtlijnen voor een menselijke samenleving. Als die gelovigen weer een volk zijn geworden dat vasthoud aan het vertrouwen op de God van Israël en geen andere goden aanbid dan komt dat volk weer terug naar Jeruzalem. Voor mensen die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, de vredestichters en de zorgers voor armen en de mensen aan de kant van de weg, is er dus hoop. Uiteindelijk zal de liefde overwinnen. Daar mogen we ook vandaag nog op rekenen.

Mijn hart is ziek

maandag, 23 oktober, 2017

Jeremia 8:18-23

18  ‘Mijn lach versluiert mijn verdriet, mijn hart is ziek. 19  Uit een ver land schreeuwt mijn volk om hulp: “Is de HEER niet op de Sion, oefent hij daar zijn koningschap niet uit?”’ ‘Waarom hebben ze mij met andere goden getergd, met nietige afgodsbeelden?’20  ‘De graanoogst is voorbij, de fruitoogst is geweest, en wij zijn niet gered.’21  ‘Getroffen ben ik door de wond van mijn volk, ik ga in het zwart gehuld, ontzetting grijpt mij aan. 22  Er is toch balsem in Gilead, daar zijn toch heelmeesters? Waarom geneest mijn volk dan niet? 23 Ach, was mijn hoofd maar een waterval, mijn oog een bron van tranen: dag en nacht zou ik huilen over de doden van mijn volk. (NBV)

Nood doet bidden is een spreekwoord dat we graag gebruiken bij rampen of vreselijke gebeurtenissen. Dan roepen we wel de hulp van God in. Als je er even over nadenkt dan snap je dat het te laat is om God om hulp te vragen als de ramp al is gebeurd. De dijken in Zeeland werden door mensen verwaarloosd in de jaren 40 en 50 van de vorige eeuw en pas na de ramp in 1953 gingen we bidden. Al voor de tweede wereldoorlog waren er waarschuwingen maar zolang het goed gaat dan luisteren we niet naar waarschuwingen, de rijken zouden het meeste moeten bijdragen aan bescherming en die kun je toch niet blijven vragen? Wij zetten de rijken en de grote bedrijven liever op een voetstuk en nemen ze als voorbeeld voor ons leven. De Bijbel schrijft ons iets anders voor als richtlijn voor een menselijke samenleving.

Als we echt een samenleving willen waarin geen armen meer zijn, waar niemand voor zijn of haar tijd sterft, waar kinderen in vrede kunnen opgroeien en alle kans hebben zich te ontwikkelen dan zullen we anders moeten omgaan met bewondering en bezit. Bewondering voor mensen, rijke mensen, succesvolle mensen is eigenlijk het maken van afgodsbeelden. In de Bijbel wordt het woord idolen gebruikt en wij hebben zelfs wedstrijden in wie de beste idool kan zijn. Onze idolen zouden de zwakken en de armen moeten zijn. De vrouwen die als objecten worden gebruikt en bejegend. Iedereen zou daar tegen op moeten komen, mannen en vrouwen, jongeren en ouderen. Alle mensen die aan de kant van de samenleving worden gezet zouden onze aandacht moeten hebben, net zo lang dat we de samenleving zo hebben ingericht als in de richtlijnen voor de menselijke samenleving is aangewezen.

Hetzelfde geld voor bezit. Het hebben van veel bezit wordt gezien als een menselijke verdienste. Maar wie nauwkeurig kijkt naar de samenleving  ziet dat hard werken soms veel oplevert maar soms ook veel ellende veroorzaakt. In de zwaarste beroepen zijn mensen het eerst versleten. Maar die zware beroepen leveren zeker niet de hoogste inkomens op. Rijkdom komt dus ergens anders vandaan. In de Bijbel staat dat we in elk geval net moeten doen of alles wat ons toevalt van God afkomstig is. Voor gelovigen in de God van Israël en zijn zoon Jezus van Nazaret is dat ook zo. Als je je rijkdom gekregen hebt dan mag je het ook teruggeven. Dat doe je door alles wat je hebt te delen met hen die niets hebben. In de dagen van Jeremia werden die richtlijnen vanuit Gilead verkondigd, daar waren de heelmeesters voor de bedreigingen. Maar tot verdriet van God luisterden de mensen niet. Laten wij God vreugde geven, door de zorg voor de minsten, het respect voor  de vreemdelingen op ons te nemen, ook vandaag.

Wij zijn wijzen

zondag, 22 oktober, 2017

Jeremia 8:4-17

4  Zeg tegen hen: Dit zegt de HEER: Als iemand valt, staat hij toch op? Als iemand afdwaalt, keert hij toch terug? 5  Waarom blijft dit volk dan dwalen, waarom blijft Jeruzalem ontrouw, houdt het vast aan bedrog, weigert het terug te keren? 6  Ik heb goed naar hen geluisterd-wat ze zeggen is gelogen. Niemand heeft berouw over het kwaad, niemand zegt: “Hoe kon ik dit ooit doen?” Ze hollen steeds maar door als een paard dat zich in de strijd stort. 7  De ooievaar aan de hemel, de tortelduif en de gierzwaluw kennen de tijd van hun trek, maar mijn volk kent niet de orde van de HEER. 8  Hoe durven jullie te zeggen: “Wij zijn wijzen, wij hebben de wet van de HEER”? De pen van de schrijvers heeft hem vervalst. 9  De wijzen zullen te schande staan, ten einde raad, ze lopen in een val. Ze hebben de woorden van de HEER verworpen, wat voor wijsheid rest hun nog? 10  Daarom geef ik hun vrouwen weg, hun akkers geef ik aan veroveraars. Want iedereen, van groot tot klein, is op eigen voordeel uit, van profeet tot priester, ieder pleegt bedrog. 11  Ze verklaren de wond van mijn volk lichtvaardig voor genezen, ze zeggen: “Alles gaat naar wens.” Nee, niets gaat naar wens! 12  Schamen zij zich voor hun wandaden? Integendeel, ze weten niet wat schaamte is. Daarom komen ze ten val, de een na de ander, op het moment dat ik ze straf komen ze ten val- zegt de HEER. 13 ¶  Als ik wil oogsten-spreekt de HEER zijn er geen druiven aan de wijnstok, geen vijgen aan de vijgenboom, en zijn de bladeren verdord. Mijn geboden overtraden zij steeds.’14  ‘Waarom talmen wij nog langer? Verzamelen! Laten we ons verschansen in de vestingsteden, onze ondergang afwachten, want de HEER, onze God, heeft ons voor de ondergang bestemd. Hij heeft ons giftig water te drinken gegeven, omdat wij gezondigd hebben tegen de HEER. 15  Wij hoopten op vrede, maar vrede bleef uit, wij verwachtten genezing, maar angst overviel ons. 16  De vijand is al in Dan. Wij horen de paarden snuiven, bij het gehinnik van de hengsten beeft het hele land. De vijand is het land binnengevallen. Al wat leeft wordt door hem verslonden, elke stad en ieder die daar woont.’17  ‘Giftige slangen stuur ik op jullie af, waartegen geen bezwering helpt; dodelijk is hun beet-spreekt de HEER.’ (NBV)

Jeremia begon te spreken onder Koning Josia van Juda. Die Koning had de opdracht gegeven de Tempel in Jeruzalem te restaureren. Door de nadruk die het volk was gaan leggen op de aanbidding van de goden van de buurvolken was ook het Tempelgebouw verwaarloosd. Maar de Tempel trok nog steeds volk naar Jeruzalem en dat was voordelig. Tijdens die restauratie was er iets wonderlijks gebeurd. De priesters van de Tempel hadden in de muur van de Tempel een rol gevonden die daarin was ingemetseld. Zo’n rol zouden wij tegenwoordig een boek noemen maar toen schreven ze op perkament dat opgerold werd als men er niet uit las. Josia had samen met de priesters de rol gelezen en ontdekt dat daar de richtlijnen van God voor een menselijke samenleving stond. Die richtlijnen zouden voortaan moeten worden gevolgd had Josia bevolen. Maar hielp dat ook echt? Kwam het volk op haar kwade wegen terug?

Jeremia houdt zijn volk voor dat het opvalt dat niemand berouw heeft van het kwaad dat werd bedreven. Integendeel men blijft gewoon doen wat men deed. De dienst in en aan de Tempel was wel wat beter geworden maar gebeurde gewoon naast de gebruikelijke afgodendienst. Men had nu immers “de Wet” de richtlijnen van de God van Israël en de offers die daarin stonden werden ook gebracht, de Priesters hadden weer hun mooie gewaden en de Levieten mochten weer prachtige muziek maken en hun psalmen zingen. Dat moet toch goed zijn? Natuurlijk werk je op de Sabbat gewoon door. Natuurlijk moeten schuldenaren hun schulden betalen en de inners van vorderingen moeten ook leven dus die mogen best het tienvoudige van de schuld aan de schuldenaren in rekening brengen. Natuurlijk moeten de weduwen werken en bedelen en niet altijd voor hun kinderen zorgen. Op straat is voor de kinderen wel wat te vinden.

Jeremia stelt tot zijn schrik vast dat de voorspoed die het volk heeft aan de afgoden wordt toegeschreven en dat het leed dat het volk bedreigt aan de God van Israël wordt toegeschreven. Terecht roept Jeremia uit, jullie luisteren op geen enkele manier naar wat de God van Israël van jullie wil. Gerechtigheid voor de armen is ver te zoeken, de weduwen worden onderdrukt en de vreemdelingen uitgebuit. Maar je kunt nu wel flink zijn en je muren versterken maar je angst is terecht. Jullie hebben je zover van God afgekeerd dat er geen enkele reden meer is voor de God van Israël om jullie als zijn volk te zien en te beschermen. Die God is eerder op de hand van volken en legers die het volk kunnen straffen, zo straffen dat alleen de mensen overblijven die zijn blijven vasthouden aan de richtlijnen van die God. Ook wij hebben wel eens het gevoel dat onze identiteit bedreigd wordt. Een samenleving gebouwd op liefde en respect, zeker voor de minsten en de vreemdelingen, kan ons pas echt beschermen.