Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor juni, 2017

Tot het moment dat alle heidenen zijn toegetreden.

zaterdag, 10 juni, 2017

Romeinen 11:25-36

25  Er is, broeders en zusters, een goddelijk geheim dat ik u niet wil onthouden, omdat ik wil voorkomen dat u op uw eigen inzicht afgaat. Slechts een deel van Israël werd onbuigzaam, en dat alleen tot het moment dat alle heidenen zijn toegetreden. 26  Dan zal heel Israël worden gered, zoals ook geschreven staat: ‘De redder zal uit Sion komen, en wentelt dan de schuld af van Jakobs nageslacht. 27  Dit is mijn verbond met hen, wanneer ik hun zonden wegneem.’ 28  Ze zijn Gods vijanden geworden opdat het evangelie aan u kon worden verkondigd, maar God blijft hen liefhebben omdat hij de aartsvaders heeft uitgekozen. 29  De genade die God schenkt neemt hij nooit terug, wanneer hij iemand roept maakt hij dat niet ongedaan. 30  Zoals u God eens ongehoorzaam was, maar door hun ongehoorzaamheid Gods barmhartigheid hebt ondervonden, 31  zo zijn zij nu ongehoorzaam om door de barmhartigheid die u ondervonden hebt, ook zelf barmhartigheid te ondervinden. 32  Want God heeft ieder mens uitgeleverd aan de ongehoorzaamheid, opdat hij voor ieder mens barmhartig kan zijn. 33 ¶  Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe ondoorgrondelijk zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk zijn wegen. 34  ‘Wie kent de gedachten van de Heer, wie was ooit zijn raadsman?  35  Wie heeft hem iets gegeven dat door hem moest worden terugbetaald?’ 36  Alles is uit hem ontstaan, alles is door hem geschapen, alles heeft in hem zijn doel. Hem komt de eer toe tot in eeuwigheid. Amen. (NBV)

En dan te bedenken dat er in de geschiedenis van het Christendom mensen waren die het Oude Testament maar wilden afschaffen omdat het volk Israel afgedaan zou hebben. Niets is minder waar. Paulus schrijft hier dat er zich binnen zijn volk een scheiding heeft voltrokken zodat aan alle Heidenen het Evangelie verkondigd zal worden. En als alle Heidenen, wij dus, zullen geloven en het heb Uw naaste lief als Uzelf in de praktijk zullen brengen dan zal ook het volk waar Paulus uit voortkomt zich bekeerd blijken te hebben. Wat belangrijker is, is  hier nog eens te lezen dat wat God begonnen is hij ook zal afmaken. Zorgen om al die jonge mensen die de kerk verlaten hoeven we dus niet te hebben. We moeten ons zorgen maken over de taal die we in de kerken spreken, over de vormen die we hanteren. Soms klinkt de muziek wel erg hedendaags en op jongeren afgestemd maar de taal waarin gesproken wordt is de taal van negentiende-eeuwse opwekkingsbewegingen en zeker niet de eenentwintigste-eeuwse taal van de liefde.

Geen wonder dat ondanks de mooie muziek en ondanks de goede sfeer mensen na verloop van tijd ook daar afhaken. Ondertussen zijn de gemeenschappen van gelovigen wel uit de samenleving, uit het publieke domein,  verdwenen. Slechts af en toe en dan nog mondjesmaat vind je christenen terug. Gelukkig meestal bij de armsten en de zwaksten in de samenleving. Bij de voedselbanken en wereldwinkels, in de asielzoekerscentra, in het geven van vrijwillige taallessen aan vreemdelingen, bij telefonische hulpdiensten, in bezoekgroepen voor gevangenen, in ziekenhuizen en verpleegtehuizen sjouwend met de patiënten en bewoners. Binnen in de kerken hoor je daar vaak weinig over, zelf komen die christenen al helemaal niet aan het woord en dat is jammer. Zij hebben verhalen over hoe God werkt in deze tijd. Zij hebben verhalen over hoe het licht van God schijnt in de ogen van mensen die zij de hand hebben mogen toesteken. Die verhalen houden het verhaal over de God van Abraham, Izaäk en Jacob levend.

Wie zoekt naar het verhaal over het bestaan van God moet daar zijn oor te luisteren leggen. Dat bestaan gaat alle verstand te boven, dat bestaan beantwoord aan geen van de criteria die daar in wetenschap en filosofie voor ontwikkeld zijn, dat bestaan is alleen te vinden in de onbaatzuchtige liefde die mensen ondanks zichzelf hebben voor hun naaste. Die mensen die daarin geloven en daaraan vasthouden zijn van dag tot dag dankbaar dat ze dat mogen doen en ervaren, iets anders krijgen ze er voor terug. Ze weten dat ze de Liefde van God er niet mee verdienen. Soms zijn de mensen die ze helpen zelfs kwaad op ze, soms wordt er misbruik van hun goedheid gemaakt. Maar ze hebben de verhalen over hun God, ze hebben die nodig om het vol te houden, om door te zetten. Die verhalen zijn begonnen in de Bijbel en aan die verhalen mogen we ze leren herkennen, en ze worden verteld tot op de dag van vandaag. Een kwestie van luisteren, ook vandaag weer.

God heeft hun geest verdoofd

vrijdag, 9 juni, 2017

Romeinen 11:1-24

1 ¶  Dan is nu mijn vraag: heeft God zijn volk soms verstoten? Beslist niet. Ik ben immers zelf een Israëliet, een nakomeling van Abraham, afkomstig uit de stam Benjamin. 2  God heeft zijn volk, dat hij al van tevoren uitgekozen heeft, niet verstoten. Of weet u niet wat de Schrift over Elia zegt, hoe hij Israël bij God aanklaagt? 3  ‘Heer, uw profeten hebben ze gedood, uw altaren verwoest. Ik ben als enige overgebleven, en nu hebben ze het ook op mijn leven voorzien.’ 4  Maar hoe luidt het antwoord van God aan hem? ‘Ik heb zevenduizend mensen voor mijzelf in leven gelaten; die hebben niet voor Baäl geknield.’ 5  Zo is ook nu een klein deel over dat God uit genade uitgekozen heeft. 6  Maar wanneer ze uit genade zijn uitgekozen, dan is dat niet omdat ze de wet naleven, want in dat geval zou de genade geen genade meer zijn. 7  Wat betekent dit alles? Wat Israël heeft nagestreefd, heeft het niet bereikt; alleen zij die zijn uitgekozen hebben het bereikt. De overigen werden onbuigzaam, 8  zoals ook geschreven staat: ‘God heeft hun geest verdoofd, hun ogen blind gemaakt en hun oren doof, tot op de dag van vandaag.’ 9  En David zegt: ‘Laat hun tafel een valstrik worden, een strik, een valkuil en een straf. 10  Laat het licht uit hun ogen verdwijnen, krom hun rug voorgoed.’ 11  Maar nu vraag ik weer: ze zijn toch niet gestruikeld om ten val te komen? Dat in geen geval, maar door hun overtreding konden de heidenen worden gered en daarop moesten zij afgunstig worden. 12  Maar als hun overtreding al een rijke gave voor de wereld is en hun falen een rijke gave voor de heidenen, hoeveel rijker zal dan de gave zijn wanneer zij zich allen hebben bekeerd. 13  Ik spreek nu tot degenen onder u die uit heidense volken komen. Zeker, ik ben een apostel voor de heidenen, maar ik schat mijn taak juist dáárom zo hoog 14  omdat ik hoop afgunst bij mijn volksgenoten op te wekken en een deel van hen te redden. 15  Als God zich met de wereld heeft verzoend toen hij hen verwierp, wat zal hij dan, wanneer hij hen opnieuw aanvaardt, anders teweegbrengen dan hun opstanding uit de dood? 16  Als een klein deel van het deeg aan God is gewijd, is al het andere deeg het ook; als de wortel aan God is gewijd, zijn de takken het ook. 17  En als nu sommige takken van de edele olijfboom zijn afgebroken en u, loten van een wilde olijfboom, tussen de overgebleven takken bent geënt en mag delen in de vruchtbaarheid van de wortel, 18  dan moet u zich niet boven de takken verheffen. Als u dat doet, moet u goed bedenken dat niet u de wortel draagt, maar de wortel u. 19  Maar nu zult u tegenwerpen: ‘Die takken zijn toch afgebroken zodat ik geënt kon worden?’ 20  Zeker, ze zijn afgebroken vanwege hun ongeloof en u dankt uw plaats aan uw geloof. Wees daarom echter niet hoogmoedig, maar heb ontzag voor God: 21  als hij de oorspronkelijke takken al niet heeft gespaard, zou hij u dan wel sparen? 22  Houd daarom voor ogen dat God niet alleen goed is, maar ook streng. Hij is streng voor wie gevallen zijn, maar goed voor u-als u tenminste trouw blijft aan zijn goedheid, want anders wordt ook u afgekapt. 23  En als de Israëlieten niet volharden in hun ongeloof, zullen ook zij worden geënt, want God is bij machte hen opnieuw te enten. 24  Immers, als u die van nature een tak van de wilde olijfboom bent, tegen de natuur in op de edele olijfboom bent geënt, hoeveel eerder zullen dan zij die er van nature bij horen, op die boom worden geënt!(NBV)

Dat kan ons dus ook overkomen, dat onze geest is verdoofd en dat we het even niet meer zien zitten met dat geloof. Dat gebeurt dus met veel mensen tegenwoordig. En dat gaat soms heel langzaam. Je gaat elke zondag naar de kerk, al jarenlang, maar het werk wordt steeds drukker, je gezin wordt groter en op zaterdag zijn er tal van uiteenlopende bezigheden. Dan komt de dag dat je ook wel eens een keer wil uitslapen. Zomaar een hele morgen op je bed wil blijven liggen. En er zijn toch ook kerkdiensten op radio en tv nietwaar. Dan blijf je dus een keer thuis. En wat blijkt? Niemand die je mist, niemand die vraagt:  “waar bleef je?”. Als je dat een paar keer is overkomen ga je steeds minder en minder en steeds weer merk je dat niemand je mist, dat niemand zich afvraagt waarom je eigenlijk zo weinig meer komt. Na een tijd is het ritme thuis zo veranderd dat er eigenlijk geen plaats meer is voor de kerkdienst op zondag. Het conflict dat Paulus kende tussen Joden en Heidenen kennen wij niet meer. Wij kennen eerder het conflict tussen kerkelijken en anti-kerkelijken. Die laatsten vinden dat we ons niet moeten bemoeien met de samenleving waarin zij leven. Niet met de armoede van velen, niet met de rijkdom van enkelen, niet met de waarde van elk individueel mens die volgens kerkelijken niet als object gebruikt mag worden, niet met oorlog en vrede, niet met vrijheid en onvrijheid.

Maar gelukkig zijn er nog een heleboel mensen buiten de kerk die eigenlijk wel hun naaste lief zouden willen hebben als zichzelf. Als we die nu eens kunnen overtuigen van het feit dat dat samen veel gemakkelijker gaat dan alleen, en dat dat in die kerk bij hun in de buurt eigenlijk ook nog wel zo leuk kan zijn. Misschien moeten we ze eens meevragen, uitnodigen, zodat ze geënt kunnen worden door God. Voor ons Heidenen is het geloof in Jezus van Nazareth de eerste voorwaarde, hem na te volgen is immers gelijk aan het dienen van de God van Abraham, Izaäk en Jacob. Het je naaste lief hebben als jezelf is immers die God liefhebben boven alles. Maar dat gebod van heb je naaste lief als jezelf is een gebod dat ook de Joden hebben te volgen. Het was een Joods religieus leider die dit gebod als samenvatting van de hele Wet gaf op de vraag van Jezus van Nazareth wat het belangrijkste gebod is. Terugkijkend op de geschiedenis past het de Christenheid schuld te bekennen tegenover de Joden.  We zullen begrip moeten opbrengen voor het ongeduld dat soms spreekt uit het Nieuwe Testament. De Joodse schrijvers daarvan hadden de ontdekking die ze hadden gedaan, dat de liefde van God zich ook uithoudt door de dood heen en dat je werk voor de betere wereld geen beloning hoeft omdat het al vaststaat dat die betere wereld er komt, graag samen met alle Joden uitgedragen onder de Heidenen.

Maar kennelijk heeft God een scheiding in stand gehouden om ook de Christenen te toetsen in hun gevoel voor broederschap. We moeten dus ook voor God schuld belijden want van broederschap is geen sprake. Antisemitisme is in onze wereld aanwezig tot op de dag van vandaag en zelfs in ons parlement gaan soms stemmen op om de ontkenning van de grootste moord op Joden in de geschiedenis, de Holocaust, niet langer strafbaar te stellen. Die Holocaust zou ons ver moeten drijven van elke neiging in ons land een onderscheid te maken tussen mensen op grond van hun geloof of afkomst. Mensen horen alleen beoordeeld te worden op hun daden tegenover anderen. Goed heet dan goed, kwaad heet dan kwaad. Maar het kwaad van het maken van onderscheid op grond van geloof en afkomst krijgt meer en meer aanhang. De volgers van Jezus van Nazareth zullen moeten inzien dat bestrijding daarvan heel hard nodig is, ze komen anders in de positie die de vervolgers van Joden door de eeuwen heen hadden en die de Christenheid zo’n zwarte rand hebben gegeven. Dat nooit, aan het werk dus tegen discriminatie en angst voor de Islam.

Welkom zijn zij die goed nieuws verkondigen

donderdag, 8 juni, 2017

Romeinen 10:14–21

14  Maar hoe kunnen ze hem aanroepen als ze niet in hem geloven? En hoe kunnen ze in hem geloven als ze niet over hem hebben gehoord? En hoe kunnen ze over hem horen als hij niet verkondigd wordt? 15  En hoe kan iemand verkondigen als hij niet is uitgezonden? Het is zoals geschreven staat: ‘Welkom zijn zij die goed nieuws verkondigen.’ 16  Toch hebben slechts weinigen aan het evangelie gehoor gegeven, want Jesaja vraagt: ‘Heer, heeft iemand geloofd wat wij hebben gezegd?’ 17  Dus door te luisteren komt men tot geloof, en wat men hoort is de verkondiging van Christus. 18  Maar dan is mijn vraag: hebben ze de boodschap soms niet gehoord? Natuurlijk wel, want er staat: ‘Hun roep klinkt over heel de aarde, hun woorden tot de uiteinden van de wereld.’ 19  Maar dan vraag ik weer: heeft Israël de boodschap niet begrepen? Welnu, Mozes zegt al: ‘Ik zal jullie afgunstig maken op een volk dat geen volk is, ik daag jullie uit met een volk zonder verstand.’ 20  En bij Jesaja staat zelfs: ‘Ik heb me laten vinden door wie mij niet zochten, ik heb me bekendgemaakt aan wie niet naar mij hebben gevraagd.’ 21  Maar bij Jesaja staat over Israël: ‘Heel de dag heb ik mijn handen uitgestrekt naar mijn ongehoorzaam en opstandig volk.’ (NBV)

Met enige regelmaat voelen dagbladen zich geroepen eens een dag  alleen goed nieuws te brengen. Mensen worden moe van de verhalen over armoede en geweld, over oorlog en dreiging met oorlog, over werkloosheid en ongelukken, over aardbevingen en bosbranden. Wat is dan het goede nieuws? Dat kan per krant heel verschillend zijn. Voor de één zal mooi weer goed nieuws zijn, voor de ander een bui regen die de planten op het veld eindelijk doet groeien. Voor Paulus was het Evangelie het goede nieuws, Lucas noemde dat ooit “de bevrijding van de armen”. Een van de handschriften, in het Grieks, waaruit wij de brief van Paulus aan de Romeinen kennen heeft het over de vrede die verkondigd zou mogen worden. Dat het kan, dat het nu kan beginnen en dat de liefde vol te houden is door de dood heen zoals Jezus van Nazareth ons heeft voorgeleefd is het goede nieuws.

Maar geloven van dat goede nieuws is niet eenvoudig, dat is maar voor weinigen weggelegd. Daar hadden de profeten al last van. Paulus citeert hier het eerste vers van Jesaja 53. En natuurlijk hebben mensen de boodschap gehoord. En natuurlijk hebben de mensen het begrepen. Iedereen weet dat het Christelijk geloof inhoud dat je je naaste liefhebt als jezelf, dat je deelt met de armen, dat je de hongerigen voedt, de zieken bezoekt en de naakten kleed. Maar dat zelf doen? Daaraan meedoen? Ja iets geven in een collecte of aan een Televisie actie, dat kan nog. Maar de samenleving in de wereld zo veranderen dat iedereen genoeg te eten heeft, dat er overal gezondheidszorg is en overal een eerlijke berechting en menswaardige behandeling van gevangenen? Dat gaat ons te ver. Dat strijd met ons eigen belang. Daar hebben we het te druk voor met werken en genieten. Dan zouden we toch te veel moeten opgeven.

Jesaja had het al over een ongehoorzaam en opstandig volk en Jesaja zou nu hetzelfde kunnen zeggen. Lopen dan de kerken leeg omdat er te veel van de mensen wordt gevraagd? De meeste voorgangers durven al helemaal niets meer van de mensen te vragen. Die leggen de nadruk op persoonlijke groei, of persoonlijk behoud, of persoonlijke bevrijding van de zonden, daar komt geen naaste aan te pas laat staan de gemeenschap van heiligen. Samen staan voor het Koninkrijk van God, voor een nieuwe samenleving, voor de hemel op aarde is er in een tijd van individueel genot en persoonlijk succes niet meer bij. Dat het ook nog te maken kan hebben met de manier waarop ons volk is georganiseerd, de manier waarop alle volken samen doen kun je helemaal vergeten. We hebben het lezen van de Bijbel weer nodig om ons te herinneren waarom het ook al weer allemaal begonnen was. Het Evangelie, vrede en gerechtigheid, de bevrijding van de armen. Daar mogen we vandaag weer mee aan de slag, samen met alle gelovigen, het is meer dan ooit nodig. Dat is het echte goede nieuws voor vandaag.

Ze hebben allen dezelfde Heer

woensdag, 7 juni, 2017

Romeinen 10:1-13

1 ¶  Broeders en zusters, ik wens uit de grond van mijn hart en bid tot God dat ze zullen worden gered. 2  Ik kan van hen getuigen dat ze God vol toewijding dienen, maar het ontbreekt hun aan inzicht. 3  Omdat ze Gods gerechtigheid niet kennen, proberen ze hun eigen gerechtigheid te laten gelden en verlaten ze zich niet op Gods vrijspraak. 4  De wet vindt zijn doel in Christus, zodat iedereen die gelooft rechtvaardig zal worden verklaard. 5  Zeker, Mozes zegt over de rechtvaardigheid die op grond van de wet verkregen wordt: ‘Wie doet wat de wet voorschrijft, zal leven.’ 6  En over de rechtvaardigheid die op grond van geloof geschonken wordt staat geschreven: ‘Zeg niet bij uzelf: Wie zal opstijgen naar de hemel?’ en dat betekent: wie zal Christus naar beneden brengen? 7  Of: ‘Wie zal afdalen naar de onderwereld?’ en dat betekent: Christus bij de doden vandaan naar boven brengen. 8  Maar vervolgens zegt Mozes: ‘Het woord is dicht bij u, in uw mond en in uw hart’ en dat betekent: de boodschap van het geloof die wij verkondigen, is dicht bij u. 9  Als uw mond belijdt dat Jezus de Heer is en uw hart gelooft dat God hem uit de dood heeft opgewekt, zult u worden gered. 10  Als uw hart gelooft, zult u rechtvaardig worden verklaard; als uw mond belijdt, zult u worden gered. 11  Want de Schrift zegt: ‘Wie in hem gelooft, komt niet bedrogen uit.’ 12 ¶  En er is geen onderscheid tussen Joden en andere volken, want ze hebben allen dezelfde Heer. Hij geeft zijn rijke gaven aan allen die hem aanroepen, 13  want er staat: ‘Ieder die de naam van de Heer aanroept, zal worden gered.’ (NBV)

Veel mensen vragen zich af wat eigenlijk is, dat geloven. Zit er dan een oude man boven ergens op een wolk naar ons te kijken? Is het een spelletje om mensen bezig te houden maar waarvan de afloop al lang bekend is? Verdien je er wat mee? Moet je dan geloven dat je ook na je dood met al die vervelende mensen om je heen moet verder leven en dat nog wel tot in alle eeuwigheid? Heeft dat geloof ook nog wat te maken met vrede en medemenselijkheid of krijg je er alleen maar oorlog, aanslagen en verdere ellende door? Het zijn vragen waarop Paulus vandaag in gaat, maar wel op de manier die in zijn eigen tijd begrepen werd. Paulus had te maken met Joden en Heidenen. Voor de Joden was geloven hetzelfde als het nauwkeurig naleven van de Wet zoals ze die in leer van Mozes leerden. Voor Heidenen woonden  de Goden inderdaad ergens boven ons, op de Olympus of een plek die buiten ons bereik lag.

Die Heidense goden waren afgoden en volgens Paulus bestonden die eigenlijk niet, je moest ze in elk geval niet aanbidden. God is te groot voor ons om te weten waar die is, maar we mogen over God praten als over een God die met ons mee gaat, geen oude man op een wolk dus. Maar moet je dan niet heel nauwkeurig die Joodse Wet gaan volgen? Waarom zou je dan doen? God heeft de regels voor de menselijke samenleving gegeven aan het volk Israël. Als je daar bij wil horen dan hou je vanzelf die regels aan voor je leven. Maar al die keren dan dat je je niet heel nauwkeurig aan die regels houdt? Iedere gelovige weet dat dat wel duizend keer per dag kan voorkomen. Paulus zegt dat je je daar niet druk over moet maken. Er zijn Joden die zo de nadruk leggen op die geboden, ook voor de Heidenen, omdat ze geloven dat hoe meer je die geboden houdt hoe meer God je zal redden van de dood.

Volgens Paulus is het woord in je hart en in je mond en het enige dat je te doen hebt is het Woord van God te verkondigen in woord en daad. Daar wordt je zelf niet beter van, daardoor wordt je ook niet gered van de dood, het enige is dat door dat te doen de Naam van God groot wordt gemaakt. Kan je dat dan? Jezus van Nazareth heeft het ons voorgeleefd. Heb je naaste lief als jezelf, dat is God liefhebben boven alles. Je kunt dat niet uit je zelf, maar je kunt als je in Christus bent. Dan ga je vanzelf de hongerigen voeden, de naakten kleden, de gevangenen bezoeken, de vreemdelingen gastvrijheid verlenen en je verzetten tegen alle onrecht en onderdrukking. Vreedzaam, zonder geweld, desnoods met gevaar voor je eigen leven. Je eigen leven is immers niet meer belangrijk? Alleen de eer van God is nog belangrijk. Niemand hoeft zich op de borst te kloppen over wat die kan, maar als je geloofd dan roep je God aan om het je mogelijk te maken zijn liefde te verspreiden, ook vandaag weer.

Wie in hem gelooft, komt niet bedrogen uit.

dinsdag, 6 juni, 2017

Romeinen 9:19-33

19  Maar nu zult u vragen: ‘Waarom roept God ons dan nog ter verantwoording? Niemand gaat toch in tegen zijn wil?’20  Wie bent u eigenlijk dat u, een mens, iets tegen God zou inbrengen? Vraagt het aardewerk soms aan de pottenbakker: ‘Waarom hebt u me gemaakt zoals ik eruitzie?’ 21  Heeft de pottenbakker niet de vrijheid om van dezelfde klomp klei zowel een kostbare vaas als een alledaagse pot te maken? 22  God heeft degenen die het voorwerp van zijn toorn zijn en die hij heeft bestemd voor de ondergang, met veel geduld verdragen omdat hij zijn toorn ook wil tonen en zijn macht kenbaar wil maken. 23  En omdat hij zijn overweldigende majesteit wil tonen, heeft hij degenen die het voorwerp zijn van zijn barmhartigheid ertoe voorbestemd om in zijn majesteit te delen. 24  Hen heeft hij ook geroepen: ons, die niet alleen uit het Joodse volk afkomstig zijn, maar uit alle volken, 25 ¶  zoals ook bij Hosea staat geschreven: ‘Wat mijn volk niet was, zal ik mijn volk noemen; wie mijn geliefde niet was, zal ik mijn geliefde noemen. 26  En waar tegen hen gezegd is: “Jullie zijn mijn volk niet, ”zullen ze kinderen van de levende God worden genoemd.’ 27  En Jesaja roept over Israël uit: ‘Al zou het volk van Israël zo talrijk zijn als zandkorrels aan de zee, slechts een klein deel zal worden gered. 28  Want de Heer zal zijn woord op aarde gestand doen, onvoorwaardelijk en onverkort.’ 29  En zoals Jesaja al heeft gezegd: ‘Had de Heer van de hemelse machten ons geen nageslacht gelaten, het zou ons zijn vergaan als Sodom en Gomorra.’ 30 ¶  Wat kunnen we hieruit nu opmaken? Hoewel ze er niet naar hebben gestreefd, zijn heidenen als rechtvaardigen aangenomen, op grond van hun geloof. 31  Maar Israël, dat ernaar streefde door de wet rechtvaardig te worden, heeft dat niet bereikt.  32  Wat is daarvan de oorzaak? Ze handelden alsof het van hun daden afhing, en niet van geloof. Ze zijn over de steen gestruikeld 33  waarover geschreven staat: ‘In Sion leg ik een steen neer waarover men struikelt, een rotsblok waaraan men zich stoot. Maar wie in hem gelooft, komt niet bedrogen uit.’ (NBV)

Het idee dat God mensen heeft uitverkoren als geliefden en verworpen omdat hij ze haat heeft veel mensen in verwarring gebracht. Paulus beschrijft een deel van die verwarring. Want als God vooraf al heeft uitgemaakt of we uitverkoren worden dan wel verworpen waar zouden wij ons dan nog druk over maken? Het antwoord van Paulus is dat we ons druk moeten maken omdat we het niet weten. We hebben zelf niet de criteria in handen, we kunnen ze zelfs niet bedenken, waarlangs God tot keuzes is gekomen of zal komen. Paulus illustreert dat aan de hand van uitspraken van profeten. Een aantal jaren geleden herdacht de Protestantse Kerk de vijfhonderdste geboortedag van Johannes Calvijn, de grote reformator die een geweldige invloed heeft gehad op het denken in alle Christelijke Kerken. Aan hem wordt de leer van de voorbeschikking, de predestinatie toegeschreven. Maar het is niet zo dat eerst Calvijn ging schrijven en toen pas Paulus, het is omgekeerd.

Calvijn heeft daarover wel geschreven in zijn leerboek over het christelijk geloof de Institutie. Maar daar waar velen zijn blijven steken in de ingewikkelde theologische zinnen over die predestinatie moet je eigenlijk ook even verder lezen. Calvijn schrijft dat het denken over de voorbeschikking van God een mens doet huiveren. Je bent als mens nergens meer als je God op die manier probeert te beschrijven. En dat doet geen recht aan God, want ook Paulus schrijft eigenlijk al dat God zich niet laat vangen in ons menselijk beschrijven van hetgeen God besluit. Calvijn schrijft dat je er dus beter aan doet net te doen of er geen voorbeschikking is. God is liefde, God roept ons op de naaste lief te hebben als onszelf. In die liefde voor de naaste maakt het ons niet uit wat we er zelf wijzer van worden, het is onbaatzuchtige liefde, zelfs een beloning van God hoeft er niet van te komen. Jezus van Nazareth beschrijft in het verhaal van Matteüs de verbazing van mensen als die tot de ontdekking komen dat ze met de hulp aan hun naaste eigenlijk Jezus zelf hebben geholpen.

Die liefde alleen behoort ons dus in beweging te zetten. En of wij dan al of niet zijn uitverkoren speelt daarbij geen rol. In sommige geloofsrichtingen speelt de vraag of je uitverkoren bent een grote rol. Soms noemt met het ook wedergeboren, een ander mens geworden. Voor Calvijn speelde het antwoord op die vragen geen rol meer. De twijfel en de strijd om uitverkoren of wedergeboren te worden zijn overbodig. God beschikt in zijn oneindige liefde en je mag er van uitgaan dat daar voor jou net zoveel plaats is als jij bij jou de naaste een plaats geeft. En denk nu niet dat we de liefde van God kunnen verdienen door goed te doen. Dit jaar herdenken we dat 500 jaar geleden Maarten Luther met de Hervorming begon. Hij verzette zich heel erg sterk tegen een voor wat hoort wat geloof. Alles uit genade. Maar die genade van God, de liefde die we ervaren als we geloven maakt dat we willen dat iedereen die liefde voelt. Daarmee laten we God God, de God van liefde,en zijn wij mensen die telkens opnieuw moeten beginnen onze naaste lief te hebben als onszelf, maar dat opnieuw beginnen mag, vandaag ook.

 

Ik ben diepbedroefd

maandag, 5 juni, 2017

Romeinen 9:1-18

1  Omdat ik één ben met Christus spreek ik de waarheid, en mijn geweten, geleid door de heilige Geest, is mijn getuige dat ik niet lieg: 2  ik ben diepbedroefd en word voortdurend door verdriet gekweld. 3  Omwille van mijn volksgenoten, de broeders en zusters met wie ik mijn afkomst deel, zou ik bijna bidden zelf vervloekt te worden en van Christus gescheiden te zijn; 4  omwille van hen, de Israëlieten, die God als zijn kinderen heeft aangenomen en aan wie hij zijn nabijheid, de verbonden, de wet, de tempeldienst en de beloften heeft geschonken; 5  omwille van het volk dat van de aartsvaders afstamt en waaruit Christus is voortgekomen. God, die boven alles verheven is, zij geprezen tot in eeuwigheid. Amen. 6 ¶  God heeft zijn belofte niet gebroken. Want niet alle Israëlieten behoren werkelijk tot Israël, 7  niet alle nakomelingen van Abraham zijn ook werkelijk zijn kinderen. Er staat immers geschreven: ‘Alleen de nakomelingen van Isaak zullen gelden als jouw nageslacht.’ 8  Dat wil zeggen: ze zijn niet door hun natuurlijke afstamming kinderen van God, maar gelden als nageslacht van Abraham op grond van Gods belofte. 9  Als íets een belofte is dan zijn het deze woorden: ‘Over een jaar kom ik terug en dan heeft Sara een zoon.’ 10  Sterker nog, Rebekka was van onze vader Isaak zwanger van een tweeling, 11-12 en al voor ze geboren waren en nog niets goeds of slechts hadden gedaan, werd haar gezegd: ‘De oudste zal de jongste dienen.’ Gods besluit blijft namelijk van kracht: God kiest een mens niet uit op grond van zijn daden, maar omdat hij hem roept. 13  Zo staat er ook geschreven: ‘Jakob heb ik liefgehad, Esau heb ik gehaat.’ 14 ¶  Moeten we dan zeggen dat God onrechtvaardig is? Natuurlijk niet. 15  Hij zegt immers tegen Mozes: ‘Ik ben barmhartig voor wie ik barmhartig wil zijn, ik schenk genade aan wie ik genade wil schenken.’ 16  Alles hangt dus af van God en zijn barmhartigheid, niet van de wil of de inspanning van de mens. 17  Zo zegt hij volgens de Schrift tegen de farao: ‘Ik heb u alleen in leven gelaten om u mijn macht te tonen en om iedereen op aarde te laten weten wie ik ben.’ 18  Dus God is barmhartig voor wie hij wil en maakt halsstarrig wie hij wil. (NBV)

Paulus is zich in de loop van de tijd steeds meer af gaan zetten tegen zijn landgenoten en de Judeeërs zijn zich steeds meer gaan afzetten tegen Paulus. Paulus werd door Judeeërs als een oproerkraaier gezien, een sektariër die hun veilige bestaan in het Romeinse Rijk in gevaar bracht. De Judeeërs hadden zich daar een plaats verworven naast andere godsdiensten. Ze werden soms nog wel als atheïsten gezien omdat ze geen beeld van hun God hadden en de andere goden niet wilden aanbidden, maar omdat ze hun eigen gebedsruimtes hadden, regelmatig daar samenkwamen en konden bidden waren ze een religie, zij het van een rare soort. Die Paulus fietste daar maar doorheen. Die wilde dat die Judeese gemeenschappen zich gingen bemoeien met de Heidense wereld er om heen. Ook die Heidenen moesten mee gaan doen met de leer van Mozes, in de zin van heb-Uw-naaste-lief-als-Uzelf. Dat was volgens die Paulus het hart van de leer van Mozes en alle andere wetten en voorschriften konden ze vergeten. Die golden misschien voor de Judeeërs maar niet voor de Heidenen.

Het vormen van gemeenschappen van Judeeërs en Heidenen die met elkaar gingen delen van bezit en inkomen had tot gevolg dat die Heidenen ook de goden gingen mijden die in het Romeinse Rijk talrijk aanwezig waren. Het ergste was nog dat ze ook de beelden van de Romeinse Keizer niet meer wilden aanbidden als die zich weer eens tot god hadden uitgeroepen. Dat was gezagsondermijnend. Van die Paulus moesten ze dus steeds minder hebben, die was maar gevaarlijk. Paulus had het daar maar moeilijk mee. Hij was afkomstig uit Turkije, was wel geboren uit Judeese ouders maar had in Israel jarenlang toch heel veel moeite moeten doen om er bij te horen. Hij had zelfs voor rabbijn gestudeerd bij een van de meest vooraanstaande geleerden, Gamaliël. En nu hoorde hij er niet meer bij. Zijn verzuchtingen in het gedeelte dat we vandaag lezen worden daardoor begrijpelijk. Het volk Israël had immers van oudsher al vreemden in zich opgenomen. Het was ook vanouds God geweest die had bepaald langs welke lijnen het volk zou groeien en wie er wel en wie er niet bij zou horen.

Nu was er de kans om de hele wereld mee te krijgen, om alle volken zich te laten keren naar Jeruzalem zoals vanouds was beloofd en nu deden juist de kinderen van Israël daar niet aan mee. Dat was een geweldige teleurstelling. Het geloof in de enige God, het houden van de enige Wet die telt, moet toch voortkomen uit Israël. De kinderen van Esau, de Edomieten, waren toch ook kinderen van Abraham maar die hoorden er niet bij. Wij mogen blij zijn met een God die ons de Jood Paulus stuurde. Wij mogen dankbaar zijn dat we onze naaste lief mogen hebben als onszelf, dat we geleerd hebben te delen van hetgeen wij hebben met onze naaste. Misschien wel omdat we het ook de staat Israël moeten voordoen zodat zij het opnieuw leren en vrede sluiten met de Palestijnen. Wat de bedoeling ook moge zijn, we kunnen vandaag weer laten zien dat Paulus geen ongelijk had.

 

Welk volk ook, het is hier geboren

zondag, 4 juni, 2017

Psalm 87

1-2 Van de Korachieten, een psalm, een lied. Boven alle steden van Jakob heeft de HEER de poorten van Sion lief, zijn vesting op de heilige bergen. 3  Van u wordt met lof gesproken, stad van God. sela 4 ‘Ik noem Rahab en Babel mijn getrouwen. Filistea, Tyrus en Nubië zijn allen hier geboren.’5  Met recht kan men van Sion zeggen: ‘Welk volk ook, het is hier geboren, de Allerhoogste houdt Sion in stand.’ 6  Bij de namen van de volken schrijft de HEER: ‘Dit volk is hier geboren.’ sela 7  En dansend zingen zij: ‘Mijn bronnen zijn alleen in u.’ (NBV)

Vandaag zingen we een psalm uit de bundel van de Korachieten mee. Vroeger deed men wel alsof alle 150 Psalmen geschreven waren door David, maar daar is men vanaf gestapt. David die bedroefd aan de wateren van Babylon zit zoals in Psalm 137 staat vroeg toch wel heel veel van de verbeeldingskracht van de gelovigen. Het boek van de Psalmen is op te delen in vijf gedeelten en is samengesteld uit een aantal bundels aangevuld met een paar losse psalmen. De bundel David is een heel belangrijke naast de bundel van Korachieten. Die Korachieten waren levieten die de diensten bij de Tempel opluisterden met hun muzikale gaven. Ze zongen niet alleen ze speelden ook op allerlei instrumenten. Het optreden van de Korachieten moet een indrukwekkend schouwspel zijn geweest.

Dat de Psalmen van de Korachieten bij de Tempel in Jeruzalem hoorden blijkt ook uit de Psalm die we vandaag al lezende meezingen. Het gaat hier over de poorten van Sion. Sion is de berg in Jeruzalem waarop de Tempel van God was gebouwd. Als er dan staat dat de Heer de poorten van Sion liefheeft dan duikt de Psalm gelijk in de inhoud van de voor ons misschien wat geheimzinnige tekst. De stadspoort was in het oude Israël de plaats waar recht werd gesproken. Daar zaten de oudsten van de stad en daar kon iedereen een rechtsgeschil brengen. Levieten waren speciaal aangewezen in de steden van Israël om recht te spreken. Levieten waren het ook die bij de Tempel hielpen. De poorten van Sion waren dan ook zo ongeveer het hoogste rechtscollege van Israël. Dat kwam ook omdat juist in de Tempel de Wet van de God van Israël werd bewaard, een Wet die zich liet samenvatten in heb uw naaste lief als uzelf.

Nu was die Wet niet alleen voor Israël bedoeld. En daar zingt deze Psalm nu bij uitstek over. Met Rahab wordt hier Egypte bedoeld en Babel, Filistea en Nubië spreken voor zichzelf. Al die volken zijn geboren in de Tempel in Jeruzalem op de berg Sion. Welk volk dan ook, het is daar geboren. Nu kent de Hebreeuwse Bijbel ook verhalen over het ontstaan van volken en talen en het ontstaan van de mens. Het begon ooit met een aarde die woest en ledig was en waar God zijn scheppende Woord sprak. Daar werden mensen geschapen en toen die het ook zonder God dachten te kunnen werden ze over aarde verspreid. Toch zegt de Psalm dat ze allemaal daar zijn geboren waar de Wet van de God van Israël werd bewaard. Het is de liefde van de God van Israël die de volken heeft geschapen. Een volk kan geen volk worden als mensen niet om elkaar geven, zich in elkaar herkennen en bereid zijn samen te doen. Het meest ideale zou zijn als alle volken zich dan ook aan de Wet zouden houden van heb je naaste lief als jezelf. Wij zouden daar in elk geval ook vandaag weer mee kunnen beginnen, net als we dat elke dag kunnen, zingend.

Hun een nieuwe geest geven

zaterdag, 3 juni, 2017

Ezechiël 11:14-25

14 ¶  Daarna richtte de HEER zich weer tot mij: 15  ‘Mensenkind, het zijn je eigen broeders en zusters, je verwanten en alle andere Israëlieten in ballingschap, tegen wie de inwoners van Jeruzalem zeggen: “Blijf waar je bent, ver verwijderd van de HEER, want aan ons is het land in eigendom gegeven!” 16  Maar geef daarop dit antwoord: “Dit zegt God, de HEER: Al heb ik hen weggevoerd naar verre volken, al heb ik hen over vele landen verspreid en al kunnen ze mij in die landen niet in een tempel vereren, 17  toch zeg ik hun dit: Ik zal jullie weghalen bij die volken, ik zal jullie terugbrengen uit de landen waarover jullie verspreid zijn en ik zal jullie je land teruggeven! 18  Dan zullen zij daarheen terugkeren en alle afschuwelijke afgoden uit het land verwijderen. 19  Dan zal ik hen eensgezind maken en hun een nieuwe geest geven; ik zal hun versteende hart uit hun lichaam halen en hun er een levend hart voor in de plaats geven. 20  Dan zullen ze mijn wetten gehoorzamen en mijn regels in acht nemen. Zij zullen mijn volk zijn en ik zal hun God zijn. 21  Maar wie met heel zijn hart aan deze gruwelijkheden vasthoudt, zal ik laten boeten voor zijn wangedrag-zo spreekt God, de HEER.”’ 22 ¶  De cherubs spreidden hun vleugels uit, de wielen stonden naast hen en de stralende verschijning van de God van Israël bevond zich boven hen. 23  De verschijning van de HEER steeg op vanuit de stad, en verplaatste zich naar de berg aan de oostkant. 24  In het visioen dat God mij had gegeven, tilde de geest mij weer op en werd ik naar de ballingen in het land van de Chaldeeën gebracht. Daar verliet het visioen mij, 25  en ik vertelde de ballingen alles wat de HEER mij had laten zien. (NBV)

De gruwelen die Ezechiël gezien heeft en waarover we de afgelopen hebben gelezen kunnen alleen gevoelens van spijt en afkeer oproepen. De goddeloosheid van de bewoners van Jeruzalem, van de regeerders en de rijken maken het zeer begrijpelijk dat de God van Israël zijn handen van zijn volk had afgetrokken. Maar hoe moet het nu verder? Moeten ze zich maar bij de ballingschap neerleggen en opgaan in het land van de Chaldeeën? Uit Jeruzalem krijgen ze berichten dat ze daar niet meer welkom zijn, de achtergebleven bewoners van de stad redden zichzelf wel en zitten niet te wachten op brave ballingen die weer terug willen naar de oude tijden met een Tempel zonder godenbeeld en een godsdienst van delen met elkaar en vooral met de minsten in de samenleving. Daar zit je dan treurend aan de rivieren van Babel, Psalm 137 zingt ons daarover toe. Zo kwamen de oudsten van Juda, de oudsten van de ballingen naar Ezechiël om te vragen hoe het verder moest. Ezechiël weet dat dus niet gewoon omdat het een intelligente vent is, maar hij luistert naar het woord van God. En Ezechiël is de profeet van het zien.

Hij ziet nog eens hoe het allemaal verkeerd is gegaan, waar de fouten zijn gemaakt die geleid hebben tot de ballingschap en de berichten die ook in zijn dagen naar de ballingen werden gestuurd. Maar het zien van de fouten brengt hem ook op het zien van wat een goede afloop zou kunnen zijn. Die God immers laat nooit varen het werk dat zijn hand is begonnen. Ooit was Abram uit het Ur der Chaldeeën vertrokken om het met die God te wagen en ook in de ballingschap gedragen ze zich als kinderen van Abram. Ze mogen daarom rekenen op terugkeer naar Jeruzalem. Ze mogen zich houden aan de leer van Mozes en de richtlijnen voor de menselijke samenleving die ooit in het midden van de woestijn aan het volk waren gegeven. Hun handelen zal weer in de Geest van God mogen zijn. Ze zullen weer het volk van de God van Israël mogen zijn en de volken laten zien wat er gebeurt als je het met die God waagt en ophoudt de zelfgemaakte idolen achterna te lopen. Dan worden de hongerigen gevoed en de minsten recht gedaan.

Dan wordt de aarde weer zo gebruikt dat God ziet dat het goed is, de aarde is voor de eeuwigheid en niet voor één mensenleven. Ook wij moeten soms terug naar het verleden om voor het heden te leren. Het was nog niet zo heel lang geleden dat roken werd aangeprezen vanwege het gezond makende karakter. Niemand zal nu nog pleiten voor het vrijgeven van roken. Zo weten we dat gasvelden leeg raken, Groningers kunnen ons er alles over vertellen, ook de aardolie raakt dus eens op. Alleen de zon zal blijven schijnen overdag en in de nacht de maan. De wind zal blijven waaien en de regen blijven vallen. We zullen onze samenleving dus zo moeten inrichten dat we generaties lang dankbaar mogen blijven van dat wat God ons gegeven heeft en niet verwoesten en verkwisten wat ook in de toekomst op aarde nodig zal zijn. Dan mogen we ons weer richten naar Jeruzalem en de richtlijnen voor de menselijke samenleving die God ook ons heeft gegeven, want ook wij mochten zijn Geest ontvangen.

Jullie vrezen het zwaard?

vrijdag, 2 juni, 2017

Ezechiël 11:1-13

1 ¶  De geest tilde me weer op en bracht me naar de oostelijke poort van de tempel van de HEER. Daar zag ik vijfentwintig mannen staan, met in hun midden Jaäzanja, de zoon van Azzur, en Pelatja, de zoon van Benaja, twee leiders van het volk. 2  De HEER zei tegen mij: ‘Mensenkind, dit zijn de mannen die in deze stad onheil willen stichten en slechte raad geven. 3  Ze zeggen: “Hier hoeven voorlopig geen huizen te worden gebouwd! In deze stad horen wij thuis als vlees in een pot.” 4  Daarom moet je tegen hen profeteren, mensenkind.’ 5  Ik werd opnieuw door de geest van de HEER overweldigd, en hij droeg mij op te zeggen: ‘Dit zegt de HEER: Israëlieten, ik hoor wat jullie zeggen, ik weet wat er in jullie hoofd opkomt. 6  Jullie hebben de dood van velen in deze stad veroorzaakt en de straten met lijken gevuld. 7  Daarom-zegt God, de HEER -,de mensen die jullie hebben gedood, die zijn het vlees in de pot, maar jullie zal ik uit de stad verdrijven. 8  Jullie vrezen het zwaard? Met het zwaard zal ik jullie treffen-spreekt God, de HEER. 9  Ik zal jullie uit de stad verdrijven, ik zal vreemdelingen over je laten heersen, ik zal je straffen. 10  Door het zwaard zullen jullie omkomen, waar je ook bent in Israël zal ik je straffen, en jullie zullen weten dat ik de HEER ben. 11  De stad zal jullie pot niet zijn, en jullie zullen het vlees niet zijn: tot aan de grenzen van Israël zal ik je straffen. 12  Jullie zullen weten dat ik de HEER ben. Jullie hebben mijn geboden niet gehoorzaamd en je niet gehouden aan mijn voorschriften, maar geleefd zoals de volken om je heen.’ 13  Terwijl ik nog aan het profeteren was stierf Pelatja, de zoon van Benaja. Ik wierp me voorover en schreeuwde: ‘Ach HEER, mijn God, gaat u nu ook de rest van het volk nog vernietigen?’ (NBV)

De hoge heren van het dorp. Wij hebben geleerd tegen ze op te kijken en hoe meer we tegen ze op kijken hoe meer succes ze hebben. Elke dag weer vertellen de media ons tegen wie het meest wordt opgekeken, tegen de een omdat die zogenaamd zegt waarop het staat, tegen de ander omdat die zo integer is, tegen een derde omdat die zoveel ervaring heeft. Ezechiël heeft dat ook. Toen de oudsten van Juda hem in zijn ballingschap kwamen opzoeken kreeg hij visioenen. Over een van die visioenen lezen we vandaag. Niet zomaar een visioen, nee het gaat over belangrijke mensen, de hoge heren van Jeruzalem. Onder aanvoering van de twee leiders van het volk. Soms vraag je je bij dit soort leiders af of het woord leider met een ei of een ij geschreven moet worden. Van de leiders in dit Bijbelgedeelte wordt verteld dat er geen huizen hoeven worden gebouwd in de stad. Een stad in oorlog waar tallozen jammeren over de ellende die ze meemaken.

In de stad horen die leiders thuis als vlees in een pot, dat vinden ze tenminste zelf. Ze sudderen en genieten van de warmte en de heerlijke geuren die rond hen opstijgen. Waarom zou je anderen dat ook gunnen? Dan moet je maar belasting betalen voor mensen die er toch misbruik van maken, dan zit je met lawaai, verkeersopstoppingen en verdelingsproblemen. Nee hun eigen geluk is hun genoeg, als zij het maar goed hebben. De God van Israël maakt andere keuzes. Voor die God zijn het de mensen die jammeren om het onrecht en de ellende die het goede zijn dat de stad bevat. Die leiders hebben de straten gevuld met lijken. De mensen die zich daarom druk maken en de slachtoffers mogen in de stad blijven, die zelfvoldane leiders moeten er uit. Het was dan ook de elite van Jeruzalem die als eerste in ballingschap werd weggevoerd. De oudsten van Juda worden er nog eens aan herinnerd.

Het blijft gaan om de geboden van de God van Israël zoals die in de leer van Mozes zijn opgenomen. Heb God lief boven alles en je naaste als jezelf. Als je die geboden houdt dan wordt je een dienaar, een dienaar van iedereen die onrecht wordt aangedaan, dan ben jij er voor om mensen tot hun recht te laten komen en onophoudelijk het onrecht aan de kaak te stellen. Maar de leiders uit het gedeelte dat we vandaag lezen doen als de volken om Israël heen. Zij moeten het goed hebben, zij mogen gezien worden. Zij vertegenwoordigen het volk, eigenlijk zijn ze zelf goden die door het volk aanbeden moeten worden. Zulke leiders hebben wij ook wel. Hoe mooier hun show er uit ziet hoe beter. Wat de gevolgen zijn voor de slachtoffers van oorlog en geweld doet niet ter zake. Voor de God van Israël kunnen zulke leiders doodvallen. Ezechiël neemt dat eigenlijk niet letterlijk, dat moeten wij ook maar niet doen. Als er iemand van die leiders sterft schreeuwt Ezechiël het uit. Wie er ook sterft, wij mogen er verdriet om hebben, hoe slecht ze ook zijn.

Ze bewogen zich steeds recht vooruit.

donderdag, 1 juni, 2017

Ezechiël 10:1-22

1 ¶  Daarna zag ik dit: boven de koepel boven de cherubs was iets te zien dat leek op een troon van saffier.2  De HEER zei tegen de in linnen geklede man: ‘Ga het raderwerk waarop de cherubs rusten binnen en vul er je handen met gloeiende kolen; die moet je uitstrooien over de stad.’ Ik zag hoe de man naar binnen ging. 3  De cherubs stonden op dat moment aan de zuidkant van de tempel, en een wolk vulde de binnenhof. 4  Toen de stralende verschijning van de HEER zich verplaatste van de cherubs naar de tempelingang, vulde die wolk de tempel, en de hele hof was vol van de gloed van de verschijning van de HEER. 5  Tot in de buitenhof was het geluid te horen van de vleugels van de cherubs; het was een geluid als wanneer God, de Ontzagwekkende, spreekt. 6  Toen beval hij de man met de linnen kleren: ‘Haal nu wat vuur weg uit het raderwerk onder de cherubs.’ De man ging verder naar binnen en ging naast een wiel staan. 7  Een van de cherubs strekte zijn hand uit naar het vuur dat zich tussen hen in bevond en legde daar wat van in de handen van de in linnen geklede man, die ermee naar buiten ging. 8 ¶  Onder de vleugels van de cherubs was iets zichtbaar dat de vorm had van een mensenhand. 9  Ook zag ik vier wielen naast de cherubs staan, naast elke cherub één. De wielen glansden als turkoois 10  en hadden alle vier dezelfde vorm: ze leken op een wiel midden in een ander wiel. 11  Als ze bewogen, konden ze zonder te draaien alle vier de kanten op gaan; zonder om te draaien volgden ze het voorste wiel in de richting waarheen dat zich wendde. 12  De lichamen van de cherubs, hun rug, handen en vleugels, en ook de wielen, waren helemaal bezet met ogen; dit gold voor de vier cherubs en voor de wielen. 13  Het waren de wielen die ik eerder ‘het raderwerk’ had horen noemen.14  Iedere cherub had vier gezichten: bij de eerste was het gezicht van een cherub te zien en bij de tweede dat van een mens, bij de derde de muil van een leeuw en bij de vierde de bek van een adelaar. 15  De cherubs stegen op; het waren de wezens die ik bij het Kebarkanaal al had gezien. 16  Als de cherubs zich bewogen, gingen de wielen met hen mee, en ook als ze hun vleugels uitspreidden om van de grond op te stijgen, bleven de wielen bij hen. 17  Als de cherubs stilstonden, stonden ook de wielen stil, en als ze opstegen bleven de wielen bij hen, want een en dezelfde geest leidde de wezens en de wielen. 18  Toen ging de stralende verschijning van de HEER weg bij de tempelingang en kwam tot stilstand boven de cherubs. 19  Ik zag dat ze hun vleugels spreidden, in beweging kwamen en van de grond opstegen met de wielen naast zich. Ze gingen bij de oostelijke poort van de tempel van de HEER staan, en de stralende verschijning van de God van Israël rustte op hen. 20  Dit waren de wezens die ik al bij het Kebarkanaal had gezien, de wezens waar de God van Israël ook toen op rustte, en nu begreep ik dat het cherubs waren. 21  Ze hadden elk vier gezichten en vier vleugels, en onder die vleugels was iets zichtbaar dat de vorm had van een mensenhand. 22  Ook hun gezichten leken op de gezichten die ik bij het Kebarkanaal had gezien: ze zagen er net zo uit, het waren dezelfde wezens. Ze bewogen zich steeds recht vooruit. (NBV)

Hebben de afgoden nu gewonnen? Is het ze gelukt niet alleen het volk van de God van Israël af te pakken maar ook die God uit zijn Tempel te verdrijven? Op het eerste gezicht lijkt het er op. Als de leer van Mozes niet meer wordt gevolgd, als er alleen nog afgoden worden vereerd, tot in de Tempel van Jeruzalem toe, dan is er geen plaats meer voor de God  van Israël, dan zijn Tempel, stad en land goddeloos geworden. Maar wees voorzichtig. We lezen steeds een klein stukje uit de Bijbel en dat verhaal over het visioen van Ezechiël over de Tempel en de mensen in Jeruzalem begon bij hem thuis in Babel. Daar zaten de oudsten van Israël die hem kwamen vragen hoe het nu verder moest met hun godsdienst. Zij kennen de Tempel, met de voorhof, het heilige en het allerheiligste. In dat allerheiligste stond de Ark van het Verbond. Daarop stonden de cherubs, de onzichtbare machten en krachten uit de wereld, die zich bogen over de Ark en daarmee de God van Israël bewezen. Die mensen uit Juda spraken er vaak over als de voetenbank van God.

Toen de Tempel gebouwd was en door Salomo in gebruik was gesteld had de Tempel zich gevuld met een wolk als teken dat de God van Israël hier ontmoet kon worden. Op een altaar branden voortdurend kolen als teken van het verbond dat door Israël aan was gegaan. Wie tegen het verbond in ging kreeg vurige kolen op het hoofd gestapeld. De priesterlijke figuur die de lijdenden uit de stad van een sparend merkteken had voorzien krijgt nu de opdracht die vurige kolen over de hele stad te strooien. Ezechiël ziet dan dat de Cherubs samen een soort wagen vormden met een saffierblauwe afdekking. Hij realiseert zich zoiets eerder te hebben gezien. De cherubs hadden geleken op de godenbeelden van Babel, sfinxen met mensen of dierenkoppen. Er bovenop zat iets dat op een mens geleek. Wij weten dat de mens geschapen is naar Gods beeld en gelijkenis, ook Ezechiël had zich gerealiseerd dat God deze bijzondere wagen bestuurde.

God verliet dus de Tempel. De wolk die in de Tempel was verplaatste zich naar de wagen van de cherubs. Maar voor mensen die dag in dag uit tussen de godenbeelden van Babel verkeerden moet dit toch wel een heel bijzonder visioen geweest zijn. Werden de goden van Babel bestuurd door de God van Israël? Nog erger misschien. Een koning liet zich van tijd tot tijd op zijn troon gezeten rond dragen door slaven om de onderdanen de gelegenheid te geven hem eer te bewijzen. Waren de goden van Babel soms de slaven van de God van Israël? Wij hebben het maar gemakkelijk. Wij geloven dat er één God is en dat godenbeelden niet anders zijn dan door mensen gemaakte voorwerpen die je kunt bewonderen om hun kunstigheid, maar waarvan het aanbidden dwaasheid is. De ballingen in Babel hoorden voortdurend verhalen over de macht van de afgoden. De één zorgde voor winst voor de onderdanen, de ander zorgde voor militaire macht, een derde sprak recht ten behoeve van de rijken en er was er vast wel een die bekend stond om de snelheid waarmee die kon lopen of de schoonheid van de muziek der er werd gemaakt. Wij mogen onze idolen dus ook nog wel eens in de ogen zien. Al die mannetjes en vrouwtjes die zich zo belangrijk vinden zijn niet anders dan slaven van de God van Israël.