Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor mei, 2017

Neem je vernietigingswapens mee.

woensdag, 31 mei, 2017

Ezechiël 9:1-11

1 ¶  Toen hoorde ik hem luid roepen: ‘Kom te voorschijn, jullie die de stad gaan straffen, en neem je vernietigingswapens mee.’ 2  En ik zag hoe zes mannen uit de richting van de noordelijke bovenpoort kwamen, alle zes met een dodelijk wapen in hun hand. Er was ook nog een man bij hen in linnen kleren, die een schrijverskoker aan zijn gordel droeg. De mannen gingen naast het bronzen altaar staan. 3  De stralende verschijning van de God van Israël bewoog zich van de cherubs waarboven hij troonde naar de ingang van de tempel, en hij riep de in linnen geklede man met de schrijverskoker bij zich. 4  De HEER zei tegen hem: ‘Maak een ronde door Jeruzalem, en zet een merkteken op het voorhoofd van iedereen die jammert en klaagt om de gruwelijke dingen die er in de stad gebeuren.’ 5 ¶  Tegen de zes anderen hoorde ik hem zeggen: ‘Ga achter hem aan, trek ook door de stad en dood iedereen. Jullie moeten geen medelijden tonen, jullie mogen geen medelijden kennen. 6  Oude mensen, jonge mannen en vrouwen, moeders en kinderen-jullie moeten ze allemaal ombrengen, behalve de mensen die het merkteken dragen. Begin bij mijn heiligdom.’ En ze begonnen bij de zeventig oudsten, die voor de tempel stonden. 7  Hij zei tegen de mannen: ‘Dood alle mensen in de voorhoven zodat de tempel onrein wordt, en ga dan naar buiten!’ Ze gingen naar buiten en trokken moordend door de stad. 8  Terwijl zij moordend rondtrokken bleef ik achter, en ik wierp me voorover op de grond en schreeuwde: ‘Ach HEER, mijn God, gaat u, nu uw woede Jeruzalem treft, alle Israëlieten vernietigen die er nog zijn?’ 9  Hij antwoordde: ‘De schuld die het volk van Israël en Juda op zich heeft geladen is onmetelijk groot. Het land is vol bloed, de stad vol onrecht, want ze denken bij zichzelf: De HEER heeft het land verlaten, de HEER ziet ons niet. 10  Ik zal dan ook geen medelijden tonen, ik zal geen medelijden kennen; ik zal hen voor hun daden laten boeten.’ 11  De in linnen geklede man met de schrijverskoker aan zijn gordel kwam terug en bracht verslag uit: ‘Ik heb gedaan wat u mij hebt bevolen.’ (NBV)

De afgoderij waarover we gisteren gelezen hebben kan natuurlijk niet zonder gevolgen blijven. Als het volk de God van Israël niet meer als God wil hebben dan zal het moeten voelen en zien hoe het gaat met de goddelozen zoals die overal in de wereld te vinden zijn.  Er komen zeven mannen waarvan er 6 een wapen en de zevende een schrijverskoker heeft. In zes dagen werd de chaos uit het begin een mensenland en op de zevende kon men rusten. Als wij hier lezen dat de mannen naast het bronzen altaar staan dan heeft dat voor velen van ons geen bijzondere betekenis. Dat bronzen altaar was immers van Salomo? Maar ons was niet meer opgevallen dat koning Achaz dat bronzen altaar terzijde had geschoven en vervangen door een stenen altaar naar Assyrisch model. Het is duidelijk dat de zeven mannen weer terug willen keren naar de godsdienst zoals die was overeengekomen met de God van Israël. Moet het volk van Israël nu worden uitgeroeid? Is er nergens genade te vinden?

De Godsdienst van Israël is geen voor-wat-hoort-wat-geloof. De leer van Mozes is onuitvoerbaar voor mensen als ze wordt opgevat als opgelegde wetten, zoals de wereld opgelegde wetten kent. Maar de goddeloosheid kan niet zonder gevolgen blijven. Daar lijden mensen onder. Want goddeloosheid en afgoderij leiden tot onrecht en onderdrukking. De goden van deze wereld, de goden van winst en profijt en van de eerste de beste, beloven een directe bevrediging van de behoeften naar macht en welvaart. Daar houdt de God van Israël zich niet mee bezig. Die zoekt mensen die de hongerigen voeden, de dorstigen laven, de blinden laten zien en de doven laten horen, de gevangenen bezoeken en de armen recht verschaffen. Voordat er begonnen wordt met welke vernietiging dan ook moeten de zes mannen met vernietigingswapens eerst de stad in om de slachtoffers van het onrecht en de goddeloosheid op te zoeken. Die slachtoffers krijgen een merkteken en moeten gespaard blijven.

Wat is dit voor een God die jongeren, kinderen, mannen en vrouwen, ouderen en jongeren laat doden? Moet je dat zo maar nemen? Moet je zelfs blij zijn dat de dood het gevolg is van goddeloosheid en onrecht? Ezechiël meent van niet. Zo kan zijn God niet zijn! Hij schreeuwt het uit tegen die God en probeert God op andere gedachten te brengen. Dat is vergeefs, het is niet de God van Israël die het leed over de ongelovigen heeft veroorzaakt maar het zijn de gelovigen zelf. Van de inwoners van Jeruzalem mag toch worden verwacht dat zij de herinnering hebben bewaart aan de leer van Mozes, die eerste vijf boeken van ons Oude Testament. Daar wordt toch worden opgeroepen recht te betrachten, je niet te verrijken ten koste van anderen. Daar wordt toch duidelijk dat het niet de eerste de beste is waar die God zich over ontfermt, maar de minste de zwakste de armste. Daar mag je toch van leren dat alles wat je hebt van God is gekregen om een wereld te scheppen waar alles wordt ingezet om de hongerigen te voeden en geweld en onderdrukking te voorkomen dan wel te bestrijden. Dat is een boodschap van God die we ook vandaag nog mogen horen en die ons in beweging mag zetten.

Je zult nog meer gruwelijks zien.

dinsdag, 30 mei, 2017

Ezechiël 8:1-18

1 ¶  In het zesde jaar, op de vijfde dag van de zesde maand, toen ik in mijn huis zat met de oudsten van Juda tegenover me, werd ik opnieuw gegrepen door de hand van God, de HEER. 2  Dit is wat ik zag: een gedaante als van vuur. Vanaf wat zijn lendenen leken te zijn naar beneden toe zag ik vuur, en naar boven toe een schittering, glanzend als wit goud. 3  Hij strekte iets uit dat de vorm had van een hand en pakte me bij mijn haren beet. In dit goddelijk visioen tilde de geest me op, tussen hemel en aarde, en bracht me naar Jeruzalem, naar de ingang van de noordelijke binnenpoort, waar het afschuwelijke godenbeeld staat dat de woede van de HEER wekt. 4  Daar zag ik de stralende verschijning van de God van Israël, zoals ik die ook in het dal had gezien. 5  Hij zei tegen mij: ‘Mensenkind, kijk nu naar het noorden.’ Ik keek naar het noorden en zag daar buiten de poort een altaar staan; het godenbeeld dat de woede van de HEER wekt stond in de toegang. 6  ‘Mensenkind, zie je wat ze doen? Zie je hoe vreselijk het volk van Israël zich hier misdraagt en mij uit mijn eigen heiligdom verdrijft? En je zult nog meer gruwelijks zien.’ 7 ¶  Hij bracht me naar de ingang van de tempelhof. In de muur was een gat. 8  Hij zei tegen me: ‘Mensenkind, kruip daar doorheen.’ Dat deed ik, en aan de andere kant kwam ik bij een deur. 9  ‘Ga naar binnen om te kijken naar de verschrikkelijke dingen die ze daar doen, ‘zei hij. 10  Toen ik binnen was en rondkeek, zag ik op de muren om me heen allerlei afbeeldingen van de afgoden van het volk van Israël, van kruipende beesten en andere dieren, stuk voor stuk onrein. 11  Zeventig oudsten van het volk van Israël, met in hun midden Jaäzanja, de zoon van Safan, stonden ervoor, ieder met zijn wierookschaal in de hand, en er steeg een wolk van wierook op. 12  Hij vroeg me: ‘Heb je gezien, mensenkind, wat de oudsten van het volk van Israël doen, daar in het duister, in die zaal vol afbeeldingen? De HEER ziet ons niet, denken ze, de HEER heeft het land verlaten.’ 13 ¶  ‘Ik zal je nog meer van hun gruwelijke daden laten zien, ‘zei hij, 14  en hij bracht me naar de ingang van de noordelijke poort van de tempel van de HEER. Daar zaten vrouwen die rouwden om de god Tammuz. 15  ‘Heb je het gezien, mensenkind?’ vroeg hij mij. ‘En nog gruwelijker dingen zal ik je laten zien!’ 16  Hij bracht me naar de binnenhof van de tempel van de HEER. Bij de ingang, tussen de voorhal en het altaar, stonden ongeveer vijfentwintig mannen. Ze stonden met hun rug naar de tempel, met hun gezicht naar het oosten, en ze bogen zich in aanbidding neer voor de zon. 17  ‘Heb je het gezien, mensenkind?’ vroeg hij mij. ‘En al deze afgodendienst waaraan het volk van Juda zich overgeeft is blijkbaar nog niet genoeg: ze vullen het land met geweld, ze beledigen mij steeds opnieuw, zie hoe schaamteloos ze mij bespotten! 18  Ik zal mijn woede op hen koelen: ik zal geen medelijden tonen, ik zal geen medelijden kennen, en al roepen ze nog zo hard om mij, ik zal niet naar hen luisteren.’ (NBV)

Komende zondag vieren we weer het feest van de vurige tongen. Het Pinksterfeest. Of dat voor ons echt een feest is moet maar blijken. Voor Ezechiël waren die vurige tongen geen feest. Hij zat met de oudsten van Juda in zijn huis. We weten dat de ballingen zich vaak afvroegen waarom God hun eigenlijk verlaten had. Aan het volk Israël was toch voor eeuwig het land Kanaän beloofd? Ezechiël was nu niet direct een profeet van toespraken, geen profeet die plechtig sprekend het woord van de Heer doorgaf. Hij was de profeet van de beeldverhalen. Hij zag iets en kon dat beeldend beschrijven. In het gesprek kreeg hij daarom een visioen. God greep hem en bracht hem terug naar Jeruzalem. Bij de noordelijke poort stond een afschuwelijk afgodsbeeld. Er stond zelfs een altaar voor. Het volk wilde niet langer het volk van de God van Israël zijn maar koos voor andere goden. Maar ze hadden de Tempel toch nog die voor de God van Israël gebouwd was en waar het verbond tussen God en Israël werd bewaard? Nu God liet Ezechiël maar even in die Tempel rondkijken.

Op de muren binnen in de Tempel hadden ze afbeeldingen aangebracht, niet zomaar afbeeldingen maar beelden van onreine dieren. Dat was niet voor het mooi maar dat was een godsdienst. De oudsten van het volk en de hogepriester stonden er voor met wierookschalen. Er werden reukoffers gebracht voor de dieren, die God van Israël had geen beeld en kon hen dus ook niet zien. Maar denk je dan als die hoge heren zich teruggetrokken hebben in een bijna geheime kamer in de Tempel zou het volk zelf niet het verbond met God bewaren? Nu bij de Noordelijke ingang van de Tempel hebben de vrouwen een oorverdovend treurlied aangeheven. Voor Tammoz, de vruchtbaarheidsgod die een half jaar in de onderwereld is en een half jaar kan zorgen voor groen en vruchtbaarheid. Hij moet weer  naar de onderwereld en daarom wordt getreurd. Ja dat zijn vrouwen, maar de mannen zijn toch wijzer? Die mannen blijken in de voorhof te staan, waar de offers aan de God van Israël werden gebracht. Die mannen buigen zich nu voor de zon, opdat de zon mag blijven opgaan als de zon een nacht rust heeft genomen. Dat God de zon heeft gemaakt zijn ze vergeten.

Het is dus de afgodendienst die gemaakt heeft dat Israël goddeloos werd en dus niet meer beschermd. Is het in onze dagen anders? Wij zetten alles op zij voor de beste wielrenner van de wereld, wij organiseren wedstrijden voor de beste tatoeëerder, zanger of zangeres, dansers, kok, bakker, kledingontwerpsters en noem maar op. We noemen ze idolen en als we het nieuws geloven dan zijn ze belangrijker dan wat dan ook. Belangrijker dan slachtoffers van oorlog en geweld, belangrijker dan vluchtelingen die verdrinken, belangrijker dan de armen in Afrika die sterven van de honger. Zijn wij ook vergeten dat ook ons de boodschap is gebracht dat we geen andere goden nodig hebben dan de God van Israël, die zijn Zoon zond om de dood te overwinnen? Zijn we vergeten dat we geroepen zijn tot gerechtigheid, tot het voeden van de hongerigen, het laven van de dorstigen, het kleden van de naakten, het bezoeken van de gevangenen, het troosten van de bedroefden? Zou daar het nieuws niet mee moeten worden geopend? Een vraag waar ieder van ons elke dag weer een antwoord op kan geven. Ook vandaag weer.

Volg niet het kwade na maar het goede

maandag, 29 mei, 2017

3 Johannes

1 ¶  Van de oudste. Aan mijn geliefde broeder Gajus, die ik werkelijk liefheb. 2  Geliefde broeder, ik hoop dat het u in alle opzichten goed gaat en dat u gezond bent. Dat het uw ziel goed gaat weet ik, 3 ¶  want tot mijn grote blijdschap kwamen hier telkens weer broeders die van uw trouw aan de waarheid getuigden; ze vertelden dat u de weg van de waarheid volgt. 4  Niets verheugt mij meer dan te horen dat mijn kinderen de weg van de waarheid volgen. 5  Geliefde broeder, uw trouw blijkt uit alles wat u voor de broeders doet, zelfs al kent u hen niet. 6  Ten overstaan van de gemeente hebben zij van uw liefde getuigd. Wees zo goed hen voor de verdere reis uit te rusten op een wijze die God waardig is. 7  Ze zijn immers omwille van de Naam op reis gegaan en hebben van de ongelovigen niets aangenomen. 8  Daarom horen wij zulke mensen gastvrij te ontvangen en zo mee te werken aan de verkondiging van de waarheid. 9 ¶  Ik heb hierover al aan de gemeente geschreven, maar Diotrefes, die daar de dienst wil uitmaken, trekt zich niets van ons aan. 10  Als ik kom, zal ik zijn gedrag ter sprake brengen. Die man verspreidt laster over ons, en daar laat hij het niet bij: hij weigert de broeders te ontvangen, en houdt degenen tegen die dat wel willen en verjaagt hen uit de gemeente. 11  Geliefde broeder, volg niet het kwade na maar het goede. Wie goed doet komt uit God voort; wie kwaad doet heeft God niet gezien. 12 ¶  Van Demetrius is door iedereen een goed getuigenis gegeven, ook door de waarheid zelf. Ook wij doen dat, en u weet dat ons getuigenis betrouwbaar is. 13  Er is nog veel dat ik zou willen zeggen, maar dat wil ik niet doen met pen en inkt. 14  Ik hoop u spoedig te zien; dan kunnen we elkaar persoonlijk spreken. 15 Vrede zij met u. De vrienden hier groeten u. Groet elk van de vrienden bij u persoonlijk.

Vandaag lezen we opnieuww een compleet Bijbelboek in één keer uit. Dat is niet zo moeilijk want ook dit boek is een zeer klein Bijbelboekje, eigenlijk maar één hoofdstuk. Het is de derde brief van Johannes, de derde brief die in het Nieuwe Testament is opgenomen en die is toegeschreven aan de apostel Johannes die ook het Evangelie op zijn naam heeft net als het boek Openbaring. Op het eerste gezicht is het maar een kattebelletje en je vraagt je af wat je er in de moderne gemeente mee zou moeten. Het is gericht aan een zekere Gajus en gaat over een zekere Diofrenes. Is het roddel, kwaadsprekerij? Het lijkt er een beetje op. Want die Gajus en die Diofrenes lijken elkaar wel te kennen, zouden wellicht tot één gemeente kunnen behoren, of in elk geval tot gemeenten die bij elkaar in de buurt liggen. Hoe het ook zij het gaat in de brief kennelijk over hun gedrag. Dat gedrag wordt door de schrijver tegenover elkaar gezet. Wat de één goed doet doet de ander helemaal verkeerd. De één neemt rondreizende predikers op en verzorgd ze. Aan de een kan de schrijver vragen om ze voldoende leeftocht mee te geven zodat ze ook verder kunnen reizen. De ander wijst rondreizende predikers de deur en verwijdert medegelovigen uit de gemeente die wel voor die vreemdelingen zorgen.

En met die tegenstelling krijgt het briefje ook voor de kerk van vandaag een zeker nut. Het gaat in elk geval niet om individuele gelovigen, maar gelovigen die naar een kerk gaan mogen zich wel even afvragen wat voor soort kerkgemeenschap zij hebben. Is het een kerkgemeenschap die op de kerk van Gajus lijkt, of is het een kerkgemeenschap die op de kerk van Diofrenes lijkt? Als je als gelovige vreemd in een stad op zondag naar een kerk wil gaan dan herken je de gemeenten al snel als behorend tot die van Gajus of die van Diofrenes. In de één staat er iemand bij de deur die je welkom heet en het kerkboek of de orde van dienst aanreikt en in de ander kijkt men je argwanend aan of je komt om de collectezak te stelen. Nu moet een gemiddelde kerkgemeenschap dat helemaal zelf weten. Erger wordt het natuurlijk als een gemeenschap zich helemaal afsluit voor de buitenwereld. Als ook contacten tussen de leden en hun familieleden ontmoedigd of zelfs verboden worden.

Ook al doen ze zich christelijk voor, uit dit kleine briefje van Johannes leren we direct, klaar en helder, dat zo’n gemeenschap niet deugt, dat alles er aan verkeerd is. Ze gaan verder dan Diofrenes en die wordt al als verkeerd afgeschilderd. We hoeven er dus niet aan te twijfelen dat het verbieden van contacten met mensen die buiten een gemeenschap staan verkeerd is, hoe liefdevol en beschermend die gemeenschap zich ook opstelt. Johannes prijst uitbundig allen die openstaan voor nieuwe contacten, voor mensen van buiten en hen op weten te nemen. Natuurlijk weten we wel dat het uiteindelijk gaat om een samenleving waarin iedereen mee zal doen en iedereen mee mag doen. Maar het belang van zo’n briefje van Johannes is dat we leren dat het al begint in een zeer vijandige omgeving. Want die eerste Christengemeenten hadden, soms zeer onverwacht, met enige regelmaat te maken met vervolgingen, soms heel wrede. Als je dan nog gastvrij en open weet te blijven is dat des te meer opmerkelijk, volgens dit briefje dus ook des te meer te prijzen. Laten we daaraan ook nu een voorbeeld nemen en gastvrij en open zijn, ook in onze gemeenten.

 

Laten we elkaar liefhebben

zondag, 28 mei, 2017

2 Johannes

1 ¶  Van de oudste. Aan de uitverkoren vrouw en haar kinderen, die ik werkelijk liefheb-en niet alleen ik, maar allen die de waarheid hebben leren kennen 2  op grond van de waarheid die in ons blijft en bij ons zal zijn tot in eeuwigheid. 3  Genade, barmhartigheid en vrede zullen bij ons zijn, van God, de Vader, en van Jezus Christus, de Zoon van de Vader, in waarheid en liefde. 4  Ik was zeer verheugd te merken dat verscheidene van uw kinderen de weg van de waarheid volgen, in overeenstemming met het gebod dat de Vader ons gegeven heeft. 5 ¶  En nu heb ik een verzoek aan u. Ik houd u in deze brief geen nieuw gebod voor, maar een gebod dat ons vanaf het begin bekend is: laten we elkaar liefhebben. 6  Liefhebben houdt in dat we leven volgens Gods geboden. Volgens dit gebod, dat u vanaf het begin gehoord hebt, moet u leven. 7 ¶  Er zijn veel dwaalleraren in de wereld verschenen die de komst van Jezus Christus als mens niet belijden. Dat nu is de verleider, de antichrist! 8  Wees op uw hoede en verspeel niet wat we bereikt hebben, maar zorg dat u het volle loon ontvangt. 9  Wie niet bij de leer van Christus blijft maar verder wil gaan, heeft God niet. Wie bij die leer blijft, heeft zowel de Vader als de Zoon. 10 ¶  Als er iemand bij u komt die deze leer niet uitdraagt, ontvang hem dan niet in uw huis en groet hem niet, 11  want wie zo iemand groet, is medeplichtig aan zijn kwalijke praktijken. 12 ¶  Hoewel ik u nog veel te zeggen heb, wil ik dat niet doen met inkt op papyrus. Ik hoop naar u toe te komen en persoonlijk met u te spreken; dan zal onze vreugde volkomen zijn. 13  De kinderen van uw uitverkoren zuster groeten u. (NBV)

Vandaag lezen we een heel Bijbelboek in één keer. Dat is overigens niet een heel zware opgave want deze tweede brief van Johannes telt één hoofdstuk en 13 verzen. Het is dus zeker niet het langste boek uit de Bijbel. Maar het heeft een belangrijke boodschap. Jezus van Nazareth moeten we volgen als echt mens. Dat hij een gewoon mens was is de garantie van het waarachtige van de verkondiging. Ieder die van Jezus van Nazareth een God wil maken en daarmee zijn menszijn wil ontkennen die verkondigt het Evangelie van de Bijbel niet. De kerk heeft lang met de vraag geworsteld of Jezus van Nazareth een mens of God zelf was. Uiteindelijk heeft de Kerk er voor gekozen om allebei voor waar aan te nemen. God kennen we uit het verhaal van het Oude Testament, maar God kennen we ook in de mens Jezus van Nazareth. Daarbij kwam dan nog dat we God ook kennen uit de Heilige Geest, de Geest van God, in zijn Geest mogen we doen wat hij ons heeft gevraagd, elkaar liefhebben.

Deze brief komt uit dezelfde school als het Evangelie van Johannes. Ze sluit aan bij een discussie die ontstond in de scholen van Griekse Filosofen. Daar wordt een scherpe scheiding gemaakt tussen de geestelijke wereld en de materiële wereld.  Over die scheiding hoor je ook tegenwoordig nog wel. Die geeft ruimte aan instralingen, influisteringen, en contacten met geesten die je niet ziet. Het Nieuwe Testament verwerpt al die speculaties over de scheiding tussen de geestelijke wereld en onze wereld. Al in zijn Evangelie heeft Johannes geschreven dat het Woord vlees is geworden en onder ons heeft gewoond. Niks geestenwereld, niks scheiding maar een rechtstreeks contact tussen God en mensen. Met de komst van de Heilige Geest heeft God duidelijk willen maken in elk van ons te willen wonen.

Daar heb je dus geen medium of geestenfluisteraar voor nodig, in tegendeel, dat soort figuren houdt je maar van God af. Want centraal staat het houden van het gebod van Heb Uw Naaste Lief als Uzelf. In het uitvoeren van dat gebod wordt je als het ware één met God zelf. Daarom is het ook zo belangrijk om Jezus van Nazareth als mens te blijven zien. Want alleen als Jezus van Nazareth ook een echt mens was kunnen wij, echte mensen, hem navolgen in zijn liefde voor de minsten in de samenleving. Zijn overwinning op de dood maakt het voor ons ook mogelijk niet meer bang te zijn voor alle machten en krachten die de liefde in deze wereld tegen willen houden. Een angst voor vreemde religies en andere volken, voor vreemdelingen die onder ons wonen, is dus door Jezus van Nazareth helemaal niet nodig. Zijn liefde zal uiteindelijk overwinnen, daar mogen wij aan bijdragen. Dat is ook de boodschap van dit kleine briefje van Johannes, aan een vrouw geschreven overigens.

U hebt zijn glans gedoofd

zaterdag, 27 mei, 2017

Psalm 89:39-53

39 Toch hebt u hem verstoten en verworpen, uw toorn over uw gezalfde uitgestort, 40 het verbond met uw dienaar versmaad, zijn kroon vertrapt en ontwijd. 41 U hebt de wallen van zijn stad gesloopt, al zijn vestingen afgebroken, 42 voorbijgangers beroofden hem, naburige volken bespotten hem. 43 U gaf zijn tegenstanders de overhand, zijn vijanden verheugden zich, 44 u beroofde zijn zwaard van zijn scherpte, u hield hem niet staande in de strijd. 45 U hebt zijn glans gedoofd, zijn troon omver geworpen, 46 de dagen van zijn jeugd verkort, hem met schande overdekt. sela 47 Hoe lang nog, HEER? Bent u voor altijd verborgen, blijft het vuur van uw woede branden? 48 Gedenk mij en mijn vluchtig bestaan, de nietige mens, door u geschapen.49 Leeft er iemand die de dood niet zal zien, die ontkomt aan de greep van het dodenrijk? sela 50 Waar is uw liefde van vroeger, Heer, hebt u David geen trouw gezworen? 51 Gedenk, Heer, dat uw dienaren worden bespot, dat ik lijd onder de hoon van vele volken. 52 Uw vijanden, HEER, bespotten mij, spotten met uw gezalfde, waar hij ook gaat. 53 Geprezen zij de HEER in eeuwigheid. Amen, amen.(NBV)

Wie het verhaal van Koning David kent weet dat zelfs die koning uiteindelijk niet heel zijn leven de koning is gebleven die God had gewild. Hij kreeg te maken met de pest toen hij een volkstelling liet uitvoeren, alsof God er niet voor  kon zorgen dat zijn volk groot en sterk werd. Hij kreeg te maken met opstandige zonen en verraderlijke generaals, hij stuurde een officier de oorlog in en wel zo dat hij zou omkomen zodat hij met diens weduwe kon trouwen en hij voerde uiteindelijk toch meer oorlogen dan nodig was om zijn volk vrede te brengen. Door die oorlogen mocht hij niet de Tempel bouwen die hij zo graag in zijn hoofdstad had gezet. David moest leren dat hij een mens was, dat niet zijn eerzucht en heerszucht de overhand mochten krijgen, juist omdat hij Koning was.  De heerser die in de Bijbel door God wordt gewaardeerd en geliefd is altijd de dienende heerser, de heerser die recht en gerechtigheid brengt en de vrede nastreeft. Door dat niet na te streven gaat uiteindelijk de dynastie van Koning David ten onder en wordt Jeruzalem verwoest, het volk in ballingschap gevoerd en lijkt het met het volk Israël afgelopen.

Al die ellende kun je terug horen in dit laatste deel van deze Psalm. De ellende van een volk mag je dus best onder woorden brengen. En als je goed leest in dit laatste gedeelte van deze Psalm dan zie je dat zelfs in de Bijbel die ellende aan God wordt toegeschreven. Want moet die ellende voor altijd duren? God heeft het toch met de zwakken, met de lijdenden? Die vraag wordt ook aan God gesteld. Maar de psalmdichter wend zich niet van God af. Het gaat toch uiteindelijk om het vertrouwen in God. Die ellende zal niet eeuwig duren. Dat is niet het laatste woord. Het laatste woord is het prijzen van de Heer en dat prijzen kun je als Jeruzalem weer is hersteld, als het volk uit ballingschap is teruggekeerd, als de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf weer in het hart van het volk is gezet, als recht en gerechtigheid weer hersteld zijn en vrede is gesticht. Natuurlijk is het slot van deze Psalm ook de traditionele keurige afsluiting van een reeks Psalmen zoals ze in de Tempel werden gezongen, maar er wordt net even meer gezongen als alleen Amen. En het contrast tussen de laatste zin van deze Psalm en wat er voor staat is groot.

Dat kun je niet zomaar over je lippen krijgen na de opsomming van al die ellende. Daarom eindigt de Psalm met een noot van hoop. Het hoeft niet over te zijn en misschien maken wij het nog wel mee. Daarmee krijgt deze psalm ook voor ons een extra betekenis. Ook wij roemen graag op alles wat we voor elkaar hebben gekregen. We geven hoge bedragen uit aan ontwikkelingssamenwerking, we helpen tegen hoge prijs andere volken vrede te vinden, tallozen onder ons doen aan vrijwilligerswerk en helpen mensen en de samenleving leefbaar te houden. Ze horen thuis in het eerste deel van de Psalm die we de afgelopen dagen hebben gelezen. Maar we worden tegen vreemdelingen opgezet, we verwaarlozen kinderen van ouders met een lager inkomen, we houden onrechtvaardige handelsovereenkomsten in stand, we geven miljarden uit aan wapensystemen die we alleen in oorlog kunnen gebruiken, we verkopen wapens aan regeringen die hun volk onderdrukken. Er valt ook nog heel veel in onze samenleving te verbeteren. En de hoop waarmee de psalm besluit maakt dat we met dat verbeteren en het volhouden van het goede vandaag weer verder mogen.

Door uw gerechtigheid

vrijdag, 26 mei, 2017

Psalm 89:20-38

20 Ooit hebt u in een visioen gesproken tot uw getrouwen en gezegd: ‘Ik heb hulp geboden aan een held, een jongen uit het volk verheven. 21 In David vond ik een dienaar, ik zalfde hem met heilige olie. 22 Mijn hand geeft hem steun, mijn arm maakt hem sterk, 23 geen vijand zal hem overvleugelen, geen boosdoener hem bedwingen, 24 zijn belagers zal ik voor zijn ogen verslaan, zijn haters vermorzelen. 25 Mijn trouw en mijn liefde vergezellen hem, door mijn naam zal hij in aanzien stijgen. 26 Zijn linkerhand leg ik op de zee, zijn rechterhand op de rivier. 27 Hij zal tot mij roepen: “U bent mijn vader, mijn God, de rots die mij redt!” 28 Ik maak hem tot mijn eerstgeborene, tot de hoogste van de koningen der aarde. 29 Mijn liefde zal hem altijd beschermen, hecht is mijn verbond met hem. 30 Zijn dynastie houd ik voor altijd in stand, zijn troon zolang de hemel duurt. 31 Als zijn zonen zich afkeren van mijn wet, niet leven naar mijn voorschriften, 32 mijn wetten schenden, mijn bevelen niet opvolgen, 33 dan zal ik hen tuchtigen voor hun misdaden, hun zonden bestraffen met slagen. 34 Maar mijn liefde zal ik hem niet afnemen, mijn trouw aan hem niet breken, 35 ik zal mijn verbond niet schenden, mijn woorden niet herroepen. 36 Eens heb ik dat bij mijn heiligheid gezworen, nooit breek ik mijn woord aan David. 37 Zijn dynastie zal altijd voortleven, zijn troon voor mij staan als de zon, 38 als de maan die standhoudt voor eeuwig, trouwe getuige aan de hemel.’ sela (NBV)

Hoewel deze Psalm gaat over David, de koning van Israël, de beste koning die ze ooit hebben gehad, zingt dezelfde Psalm dat niet David maar God op de troon van Israël zit. Het is dan ook een lied op de successen van Israël. Dat ging pas goed als er gerechtigheid en recht in het land heerste. Dan konden de armen, die vanouds het eerst onderdrukt worden, zich weer oprichten. De waarheid komt dan aan het licht en door de liefde kunnen mensen die het nodig hebben ook echt geholpen worden. Als een volk door heeft dat het door die God van Israël komt dan kan dat volk ook weer juichen voor die God. In ons land lijkt het er vaak op dat het geloof in de God van Israël alleen maar gaat over wat fatsoenlijke mensen niet meer mogen. Vooral bloot mag niet meer en elkaar stevig de waarheid zeggen dat mag ook niet. Maar over het uitbuiten van armen, de exorbitante zelfverrijking bij Banken en grote bedrijven wordt gezwegen. De oneerlijke handelsverhoudingen die arme boeren tot stoppen dwingen en duizenden in Afrika in honger laten worden zelfs verdedigd, we moeten onze eigen rijkdom beschermen.

De gerechtigheid waarover deze Psalm zingt is dan ook bij ons meer dan nodig, ook in onze wereld moeten mensen zich oprichten die nu nog onderdrukt en uitgebuit worden. Het arme volk heeft altijd al een visioen, een droom gehad, van een held, een bevrijder die zou opstaan en de onderdrukkers zou bevrijden. De dichter van de Psalm denkt daarbij natuurlijk aan David maar ook in onze dagen lopen mensen maar al te graag leiders na die hen de hemel beloven. Dat is gevaarlijk, David liep er aanvankelijk voor weg, en ook David had de nodige fouten in zijn leven. De successen van David waren volgens deze Psalm de successen van God en daarom kunnen wij alleen spreken over leiders die ons zouden kunnen bevrijden als ze de wetten van de God van Israël in ons midden zouden zetten, de belangrijkste wet het heb Uw naaste lief als Uzelf. In Israël waren alle eerstgeborenen aan God gewijd, dat wat je het eerste krijgt was niet voor jezelf maar was voor God die het kon gebruiken om gerechtigheid te doen, om de zwakken te helpen. De eerstelingen van de oogst waren dan om de hongerigen te voeden.

Maar David was geen eersteling, hij was de jongste van zeven broers. Hij werd eersteling gemaakt zingt de Psalm. Daarmee kunnen we allemaal eerstelingen worden, daarmee kan iedereen gewijd worden aan de God van Israël en bestemd worden om de onderdrukten te bevrijden, om de armen gerechtigheid te doen, om de hongerigen te voeden. Dan kan iedereen een plaats krijgen in de dynastie van David, opvolger worden van de koning van vrede en gerechtigheid. Die koningen, opvolgers van David die zich niet aan die heerschappij van de God van Israël onderwerpen, die zichzelf verrijken, de armen onderdrukken, de vreemdelingen vernederen, zullen uit de dynastie verwijderd worden staat hier. Want, zo staat er, de liefde van de God van Israël voor zijn volk, voor alle volken, zal niet verminderen, God blijft trouw aan wat zijn hand begon. Een troostrijke Psalm, een troost die ons nieuwe moed mag geven om ook vandaag weer te werken aan die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, een aarde waar God zelf zal wonen.

Van u ook de aarde

donderdag, 25 mei, 2017

Psalm 89:1-19

1 ¶  Een kunstig lied van de Ezrachiet Etan. 2 Van uw liefde, HEER, wil ik eeuwig zingen, van uw trouw getuigen, geslacht na geslacht. 3 Ik belijd: uw liefde houdt eeuwig stand, uw trouw hebt u in de hemel gevestigd. 4 ‘Ik heb met mijn uitverkorene een verbond gesloten, aan mijn dienaar David gezworen: 5 Uw dynastie zal ik voor eeuwig vestigen, uw troon in stand houden, geslacht na geslacht.’ sela 6 HEER, laat de hemel dit wonder prijzen, laat de kring van hemelingen u loven om uw trouw. 7 Want wie daar boven kan de HEER evenaren, wie van de goden zich meten met de HEER, 8 met God, zeer geducht in de raad van de hemelingen, gevreesd bij allen die hem omringen? 9 HEER, God van de hemelse machten, HEER, wie is zo sterk als u? Trouw omhult u als een mantel. 10 U heerst over de hoog rijzende zee-verheffen zich haar golven, u brengt ze tot rust. 11 U hebt Rahab verpletterd en doorboord, met krachtige arm uw vijanden verstrooid.12 Van u is de hemel, van u ook de aarde, de wereld met alles wat er leeft, hebt u gegrond, 13 het noorden, het zuiden, u hebt ze geschapen, Tabor en Hermon bejubelen uw naam. 14 Uw arm verricht heldendaden, krachtig is uw hand, geheven uw rechterarm, 15 uw troon rust op recht en gerechtigheid, liefde en waarheid staan in uw dienst. 16 Gelukkig het volk dat van uw roem getuigt en leeft, HEER, in het licht van uw gelaat. 17 Juichend roepen zij uw naam, dag aan dag, door uw gerechtigheid richten zij zich op. 18 U bent de glans van onze kracht, door uw gunst verhoogt u ons aanzien. 19 Aan de HEER danken wij ons schild, aan de Heilige van Israël onze koning.

We zingen vandaag met de hele kerk een prachtig loflied op de God die met je meetrekt, de God van Israël, die ook met ons meetrekt. Liefde en trouw zijn de sleutelwoorden van dit loflied en de manier waarop die God zijn liefde heeft getoond is in het sluiten van zijn verbond. Heel vaak vatten we in het kerkelijk spraakgebruik dat verbond op als het verbond dat die God met zijn volk op de Sinaï heeft gesloten maar dat is toch te kortzichtig. Wie de Bijbel goed leest ontdekt dat God telkens weer met zijn mensen opnieuw een verbond sluit. Steeds is dat verbond afgestemd op de mensen en de omstandigheden waarin die mensen zijn komen te verkeren. Dat begon al met Eva die als belofte kreeg dat een nakomeling van haar die vreselijke slang de kop zou intrappen zodat er geen verleiding meer zou zijn het kwade te doen en alleen het goede zou overblijven. Ook Noach kreeg na de zondvloed de belofte dat nooit meer de hele aarde verwoest zou worden door een overstroming, als teken daarvan geldt de regenboog.

En Jezus van Nazareth beloofde zijn volgelingen dat hij met hen zou zijn al de dagen tot het einde van de geschiedenis. In dit lied gaat het over het verbond tussen de God van Israël en de Koning van Israël bij uitstek, David. In Koningen zoals David was kunnen we voor altijd het verbond van God met de mensen herkennen staat er eigenlijk. En van David weten we dat hij de armen in bescherming nam, dat hij wel veel oorlogen voerde maar altijd om zijn volk te beschermen en om vrede te winnen, dat hij recht en gerechtigheid betrachtte en dat hij niet voor zijn fouten wegliep maar ondanks zijn fouten vasthield aan het verbond met de God van Israël. Hij stelde de Wet van Israël, die ze in de woestijn hadden ontvangen, heb Uw naaste lief als Uzelf, in het midden van het volk, in de hoofdstad Jeruzalem.

Over zo’n verbond mag alles en iedereen juichen, want met de aanstelling en het voorbeeld van een dergelijke koning is elk monster dat de zwakken kan bedreigen verslagen. Hier wordt dat monster Rahab genoemd in de literatuur een verschrikkelijk monster, maar ook soms de aanduiding voor Egypte het doodsland dat het volk in slavernij hield, zoals zoveel machthebbers mensen in hun greep en in slavernij proberen te houden. Wie er ook door mensen tot god of godje wordt uitgeroepen, de idolen en de sterren uit onze dagen, de materiële doelen als winst en profijt waaraan alles ondergeschikt gemaakt moet worden, alles en iedereen en alle doelen die je je kunt voorstellen dienen onderworpen te worden aan die God. Uit dat verbond blijkt dat het moet gaan om de zwaksten in de wereld, de hongerigen, de lammen, de blinden, de weduwen en de wees, de armen. Die worden bevrijd door een regering als die van David, daar mogen we aan werken, ook vandaag weer.

Laat hen allen één zijn

woensdag, 24 mei, 2017

Johannes 17:20-26

20 ¶  Ik bid niet alleen voor hen, maar voor allen die door hun verkondiging in mij geloven. 21  Laat hen allen één zijn, Vader. Zoals u in mij bent en ik in u, laat hen zo ook in ons zijn, opdat de wereld gelooft dat u mij hebt gezonden. 22  Ik heb hen laten delen in de grootheid die u mij gegeven hebt, opdat zij één zijn zoals wij: 23  ik in hen en u in mij. Dan zullen zij volkomen één zijn en zal de wereld begrijpen dat u mij hebt gezonden, en dat u hen liefhad zoals u mij liefhad. 24 ¶  Vader, u hebt hen aan mij geschonken, laat hen dan zijn waar ik ben. Dan zullen zij de grootheid zien die u mij gegeven hebt omdat u mij al liefhad voordat de wereld gegrondvest werd. 25  Rechtvaardige Vader, de wereld kent u niet, maar ik ken u, en zij weten dat u mij hebt gezonden. 26  Ik heb hun uw naam bekendgemaakt en dat zal ik blijven doen, zodat de liefde waarmee u mij liefhad in hen zal zijn en ik in hen.’ (NBV)

De machtsstrijd die je overal op alle terreinen in de samenleving kunt zien zou je niet in de christelijke kerk moeten tegenkomen. Toch is die er al bijna vanaf het begin. Eerst ging het nog om het gelijk en om het uitfilteren van opvattingen die meegenomen werden uit de Heidense cultuur en die te handig waren om los te laten. We zagen daar gisteren nog een voorbeeld van toen we lazen over de strijd tussen God en de Duivel. De vertalers van de Nieuwe Bijbelvertaling hebben zich daar laten verleiden gebruik te maken van Heidens taalgebruik dat niet afkomstig is uit het verhaal van Israel of Jezus van Nazareth. Maar om aan ons Heidenen iets uit dat verhaal duidelijk te maken ontkom je daar niet altijd aan. Het heeft door de eeuwen heen vele misverstanden opgeleverd en tot vele ruzies geleid.

Erger wordt het natuurlijk als het gaat om de vraag wie er in de kerk de baas is. Als voorgeschreven wordt hoe mensen moeten leven en als mensen, die elkaar geen kwaad doen, maar niet precies volgens de regels van de kerkleiding leven, buiten de kerk worden gezet. In het verleden werden christenen zelfs door christenen gedood, verminkt, verbannen. Het verzet er tegen speelde een belangrijke rol bij het ontstaan van ons land. Ook sinds de reformatie hebben christenen de eenheid niet weten te bewaren. Telkens laaien conflicten opnieuw op en tot in de kleinste kerkgenootschappen toe ontstaan scheuren. De eenheid tussen Hervormden, Gereformeerden en Lutheranen van een paar jaar geleden is dan ook een wonder. Een open kerk waar mensen met vele achtergronden en opvattingen elkaar vasthouden rond het woord van God. Het heeft de waardering voor geloof en christendom veranderd.

Meer en meer mensen staan neutraal en niet meer afwijzend. Juist door het vermogen het verhaal van Jezus van Nazareth op vele manieren, voor veel soorten mensen, te vertellen stijgt de waardering voor dat wonderlijke verhaal. Daarbij komt dat je mensen uit de kerken nog altijd daar vindt in de samenleving waar de nood het hoogste is. Bij asielzoekers die tussen onze bureaucratische molens vermalen werden, bij de armen uit onze eigen samenleving, in de zorg voor de arme delen van de wereld, de strijd voor eerlijke handelsverhoudingen, op bezoek bij de gevangenen, voedsel en kleding verzamelend voor slachtoffers van rampen, troost biedend aan slachtoffers van geweld, roepend om recht en gerechtigheid. Bij die beweging kun je je elke dag aansluiten, daarvoor hoef je niet per se lid van een kerk te zijn maar bedenk wel dat je samen sterker staat.

Opdat de Schrift in vervulling ging

dinsdag, 23 mei, 2017

Johannes 17:9-19

9  Ik bid voor hen. Ik bid niet voor de wereld, maar voor de mensen die u mij hebt gegeven, omdat zij van u zijn 10  alles wat van mij is, is van u, en alles wat van u is, is van mij-en omdat in hen mijn grootheid zichtbaar geworden is. 11 ¶  Ik ben al niet meer in de wereld, ik ga naar u toe, maar zij blijven wel in de wereld. Heilige Vader, bewaar hen door uw naam, de naam die u ook aan mij gegeven hebt, zodat zij één zijn zoals wij één zijn. 12  Zolang ik bij hen was heb ik hen door uw naam, die u mij gegeven hebt, bewaard en over hen gewaakt: geen van hen is verloren gegaan behalve hij die verloren moest gaan, opdat de Schrift in vervulling ging. 13  Nu kom ik naar u toe, en ik zeg dit terwijl ik nog in de wereld ben, opdat zij vervuld worden van mijn vreugde. 14  Ik heb hun uw woord gegeven. De wereld haat hen, omdat ze niet bij de wereld horen, zoals ook ik niet bij de wereld hoor. 15  Ik vraag niet of u hen uit de wereld weg wilt nemen, maar of u hen wilt beschermen tegen de duivel. 16  Ze horen niet bij de wereld, zoals ik niet bij de wereld hoor. 17 ¶  Heilig hen dan door de waarheid. Uw woord is de waarheid. 18  Ik zend hen naar de wereld, zoals u mij naar de wereld hebt gezonden. 19  Ik heb mij geheiligd omwille van hen, zo zullen ook zij door de waarheid geheiligd zijn. (NBV)

Komende zondag heeft de zondag in het kerkelijk jaar een wel bijzondere bijnaam, het is de wezenzondag. Niet omdat er op die zondag extra aan de wezen wordt gedacht maar omdat in het kerkelijk jaar de volgelingen van Jezus van Nazareth in het verhaal juist op deze zondag als wezen zijn achtergebleven. Zeg nu zelf, Jezus van Nazareth is opgenomen bij God en de uitstorting van de Geest vieren we pas de week er na. Op deze zondag zouden de volgelingen van Jezus van Nazareth in de Tempel bij elkaar zitten om lofliederen te zingen, of in een huis bij elkaar zitten om te bidden. Nu zo’n gebed lezen we vandaag. Het afscheidsgebed van Jezus van Nazareth. Daar waarin hij vraagt om bescherming tegen het boze. De Nieuwe Bijbelvertaling vertaalt met de duivel, maar ja, we geloven nu eenmaal in God en niet in de duivel en in andere vertalingen komen we steeds de vertaling het boze tegen.

Die tegenstelling tussen God en de Duivel komt eigenlijk uit een Perzische godsdienst die helemaal gebaseerd was op een voortdurende strijd tussen de goede God en de kwade Duivel. Die strijd is de Bijbel vreemd. God is van begin af de sterkste en is de Heer, de enige Heer, van hemel en aarde. Daarom is gehoorzaamheid leven in God en ongehoorzaamheid goddeloos leven. Wat de volgelingen van Jezus van Nazareth bijzonder maakt is dat zij niet met elkaar omgaan zoals in de wereld met elkaar wordt omgegaan. Er is geen heerser, want God is immers Heer, er is geen na-ijver, geen jaloezie, geen concurrentie. Het enige dat telt is het brengen van de boodschap van bevrijding. Iedereen mag meedoen, iedereen hoort er bij en zo begint een nieuw soort koninkrijk.

Natuurlijk ligt het gevaar van macht en winst op de loer. De goden die wij tegenwoordig zo goed kennen zijn ook de kerken binnengeslopen. Toen de vorige Paus in Latijns Amerika was leek de gehoorzaamheid aan de kerk belangrijker dan eerlijk delen met de armen, iedereen mag meedoen, maar wel tot zover de kerk het toelaat. Hoe anders bij Jezus van Nazareth. Daar is de gemeenschap heilig, ofwel één en heel, daar is geen boven en geen beneden, niemand die zich beter acht dan een ander. Daar heerst de liefde voor elkaar. Zo leven is het ook als wezen uit te houden en als de Geest, die Jezus van Nazareth dreef, losbarst in ons, berg je dan maar, dan wordt dat naar de hele bewoonde wereld gebracht. Precies zoals het in het verhaal van Israel was verteld.

 

Ik heb de wereld overwonnen.

maandag, 22 mei, 2017

Johannes 16:29–17:8

29  Toen zeiden de leerlingen: ‘Ja, nu spreekt u rechtstreeks en niet in beelden. 30  Nu begrijpen we dat u alles weet en dat niemand u iets hoeft te vragen, nu geloven we dat u van God bent gekomen.’ 31  Jezus vroeg: ‘Nu geloven jullie? 32  Er komt een tijd, en die tijd is er al, dat jullie uiteengedreven worden, dat ieder zijn eigen weg gaat en mij alleen achterlaat. Maar ik ben niet alleen, want de Vader is bij mij. 33  Ik heb dit gezegd opdat jullie vrede vinden bij mij. Jullie zullen het zwaar te verduren krijgen in de wereld, maar houd moed: ik heb de wereld overwonnen.’ 1 ¶  Zo sprak hij. Daarna sloeg Jezus zijn ogen op naar de hemel en zei: ‘Vader, nu is de tijd gekomen, toon nu de grootheid van uw Zoon, dan zal de Zoon uw grootheid tonen. 2  Hij heeft van u macht over alle mensen ontvangen, de macht om iedereen die u hem gegeven hebt het eeuwige leven te schenken. 3  Het eeuwige leven, dat is dat zij u kennen, de enige ware God, en hem die u gezonden hebt, Jezus Christus. 4  Ik heb op aarde uw grootheid getoond door het werk te volbrengen dat u mij opgedragen hebt. 5  Vader, verhef mij nu tot uw majesteit, tot de grootheid die ik bij u had voordat de wereld bestond. 6 ¶  Ik heb aan de mensen die u mij uit de wereld gegeven hebt uw naam bekendgemaakt. Zij waren van u, maar u hebt hen aan mij gegeven. Ze hebben uw woord bewaard, 7  en nu begrijpen ze dat alles wat u mij hebt gegeven, van u komt. 8  Ik heb de woorden die ik van u ontvangen heb aan hen doorgegeven, zij hebben ze aanvaard en nu weten ze echt dat ik van u gekomen ben, en ze geloven dat u mij hebt gezonden. (NBV)

Eindelijk beginnen de leerlingen van Jezus het te snappen. De beelden die ze steeds gehoord hebben worden klare taal. Bijna Jip en Janneke taal. Dat iemand de wereld gaat verlaten snappen wij ook. Niemand heeft het eeuwige leven. Je kunt een beweging starten en daar de sterke leider van willen zijn die luistert naar het volk en doet wat het volk zegt, maar je vergeet dan dat je dood zult gaan. In de jaren 30 van de vorige eeuw was er zo’n beweging in Duitsland en vandaag de dag proberen ze zo’n beweging in Nederland op te zetten. Maar ook hier stelt niemand de vraag hoe het moet als de leider dood is. De vorige beweging, nog pas een paar jaar geleden, die afhing van een sterke leider eindigde in een moord op die leider. Daarmee verliep de beweging. De beweging die nu weer gestart werd begon al met een klein ongeluk van de leider, als zou het een waarschuwing kunnen zijn. Maar niemand vraagt zich af hoe het zou moeten als de leider verdwenen is. Hij wordt daarom al jaren zwaar bewaakt.

In de beweging van Jezus van Nazareth ging het anders. Hij had de wereld overwonnen, hij was niet langer afhankelijk van de manier waarop het in de wereld toegaat. Zijn leiderschap was dienstknechtenwerk. De manier waarop hij het had gedaan kan ook door zijn leerlingen gevolgd worden, tot op vandaag de dag toe. Dat mannetjesmakerij, en ook van vrouwen maken ze dat soort mannetjes, alleen tot ijdelheid en daarmee tot leegheid leidt moet de geschiedenis toch wel duidelijk gemaakt hebben. Een beweging die haar leden tot zoutend zout maakt hoeft niet bang te zijn verloren te gaan als de leider de wereld heeft verlaten. Elk lid verspreid het licht en werft weer nieuwe volgelingen, nieuwe mensen die de Weg willen gaan. Dat iets van God komt blijft moeilijk te geloven, je kunt het gevaar daarom misschien maar beter uit de weg gaan. Dat de volgelingen van Jezus gevlucht zijn toen hij gevangen werd genomen is hen nooit kwalijk genomen.

Alleen wat vrouwen bleven hem volgen tot aan het kruis en het graf, ze bleven zelfs in de nacht tegenover het graf. Maar die vrouwen werden niet als een gevaar beschouwd en verder genegeerd. Marcus verteld zelfs dat ze niet werden geloofd en in verwarring heen gingen. Wat echt van God komt is dat onderling de vrede wordt bewaard. De beweging van Jezus van Nazareth ging en gaat niet zo als de bewegingen in deze wereld. Daarom blijven er in de geschiedenis telkens weer mensen opstaan die de aandacht vestigen op de minsten onder ons. Telkens weer worden we schijnbaar opgeschrikt door verhalen over moorden, verkrachtingen, hongersnoden en armoede. Maar telkens weer mogen we beseffen dat de Weg van Jezus van Nazareth ons de mogelijkheid geeft er wat aan te doen. Of er wat aan gedaan wordt hangt inderdaad van ons af, ook al krijgen we het soms zwaar te verduren.