Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor april, 2017

Wat de Geest wil brengt leven en vrede

donderdag, 20 april, 2017

Romeinen 8:1-11

1 ¶  Dus wie in Christus Jezus zijn, worden niet meer veroordeeld. 2  De wet van de Geest die in Christus Jezus leven brengt, heeft u bevrijd van de wet van de zonde en de dood. 3  Waartoe de wet niet in staat was, machteloos als hij was door de menselijke natuur, dat heeft God tot stand gebracht. Vanwege de zonde heeft hij zijn eigen Zoon als mens in dit zondige bestaan gestuurd; zo heeft hij in dit bestaan met de zonde afgerekend, 4  opdat in ons wordt volbracht wat de wet van ons eist. Ons leven wordt immers niet langer beheerst door onze eigen natuur, maar door de Geest. 5  Wie zich door zijn eigen natuur laat leiden is gericht op wat hij zelf wil, maar wie zich laat leiden door de Geest is gericht op wat de Geest wil. 6  Wat onze eigen natuur wil brengt de dood, maar wat de Geest wil brengt leven en vrede. 7  Onze eigen wil staat vijandig tegenover God, want hij onderwerpt zich niet aan zijn wet en is daar ook niet toe in staat. 8  Wie zich door zijn eigen wil laat leiden, kan God niet behagen. 9  Maar u leeft niet zo. U laat u leiden door de Geest, want de Geest van God woont in u. Iemand die zich niet laat leiden door de Geest van Christus behoort Christus ook niet toe. 10  Als Christus echter in u leeft, bent u door de zonde weliswaar sterfelijk, maar de Geest schenkt u leven, omdat u door God als rechtvaardigen bent aangenomen. 11  Want als de Geest van hem die Jezus uit de dood heeft opgewekt in u woont, zal hij die Christus heeft opgewekt ook u die sterfelijk bent, levend maken door zijn Geest, die in u leeft. (NBV)

Paulus maakt nog al eens tegenstellingen die wij zo niet kennen. Hier maken we kennis met de tegenstelling tussen wat wij willen en wat de Geest wil. Als we doen wat wij willen dan gaat het verkeerd en als we doen wat de Geest van God, of de Geest van Jezus van Nazareth ons ingeeft dan gaat het goed. Je zou toch zeggen dat gewone, eenvoudige mensen altijd het goede willen. Want wie wil er nou ruzie met de buurman, wie wil er nu stelen of de boel oplichten, of roven en moorden. Natuurlijk zijn er boeven en die moeten gevangen gezet worden en gestraft voor hun daden, maar het aantal boeven onder ons is altijd maar een kleine minderheid. De meesten van ons willen het goede, willen zelfs best helpen als het er op aan komt. Maar gaan we voor het goede ook door het vuur? Toen het Pinksterfeest werd toen kwam de Geest over de volgelingen van Jezus van Nazareth die bij elkaar zaten in Jeruzalem en toen zagen de mensen tongen als van vuur. Sinds die tijd gingen ze door het vuur voor het goede. Nu, wij meestal niet. Ze mogen schelden wat ze willen op onze allochtone buurvrouw, bij ons mag ze rustig op de koffie komen, maar ons te weer stellen tegen die grootsprekers die zo bang zijn voor een vreemd geloof en een vreemdeling doen we niet.

En we laten al die mensen die onze allochtone buurvrouw niet kennen dus rustig op die laffe angsthazen stemmen. We gaan niet door het vuur voor een samenleving waar ook de vreemdelingen aan tafel mogen plaatsnemen, zonder op te houden vreemdeling te zijn. We kennen ook de verhalen van mensen die op een donkere koude winteravond in het water vielen en waar  tientallen mensen bij stonden te kijken en te wachten tot de brandweer te laat zou komen om ze uit het water te halen. Samen door het vuur gaan voor het goede is er dan ineens niet bij. En natuurlijk willen we promotie en meer verdienen, dat er dan collega’s moeten worden ontslagen is jammer maar onvermijdelijk. En natuurlijk willen we goedkope kleding, dat die door jonge kinderen in barre omstandigheden is gemaakt weten we niet en willen we eigenlijk ook niet weten. Ook willen we goedkoop en gemakkelijk te maken voedsel, dat er geen enkele eerbied meer is voor het leven van dieren en de grondstoffen die we van God kregen snel worden opgemaakt kunnen wij ook niet helpen.

We zijn God niet en doen niet alles goed is ons excuus en sommigen van ons hebben vroeger nog op de catechisatie geleerd dat de mens niet bekwaam is tot enig goed en slechts geneigd tot alle kwaad. Een mooi excuus dat volledig uit haar verband gehaald prima kan dienen om onze onverschilligheid tegenover het kwade ook nog een vroom tintje te geven. We zijn inderdaad God zelf niet en daarom wijst Paulus maar weer eens op Jezus van Nazareth, dat was ook een mens, die wel deed wat God vroeg, houden van je naaste als van jezelf. Die zag de lijdende mens langs de kant van de weg en hield de liefde vol zelfs door de dood heen. Loop nu niet weg met de overtuiging dat Jezus zo goed kon zijn omdat hij God was, nee God heeft zijn zoon gezonden om ons te laten zien dat het ook voor ons is weggelegd, leven in het goede, niet dan het goede nastreven. In zijn geest mogen wij ook leven. Alleen moeten we wat wij gewoon vinden vervangen door wat we leren van Jezus van Nazareth. Gelukkig dat we daar elk moment weer opnieuw mee mogen beginnen.

Ons leven moet vrucht dragen voor God

dinsdag, 18 april, 2017

Romeinen 7:1-12

1 ¶  Weet u dan niet, broeders en zusters-ik spreek immers tot mensen die de wet kennen-, dat de wet alleen gezag over een mens heeft zolang hij leeft? 2  Een getrouwde vrouw is door de wet gebonden aan haar man zolang hij leeft, maar wanneer hij sterft is zij van deze verplichting ontslagen. 3  Als ze zich zolang haar man in leven is met iemand anders inlaat, noemt men haar overspelig. Maar sterft haar man, dan is ze niet langer aan de wet gebonden, dan pleegt ze geen overspel wanneer ze de vrouw van een andere man wordt. 4  Zo bent ook u, broeders en zusters, dood voor de wet dankzij de dood van Christus en behoort u nu een ander toe: hem die uit de dood is opgewekt. Ons leven moet vrucht dragen voor God. 5  Toen we ons nog lieten leiden door onze eigen wil, werd ons bestaan beheerst door zondige hartstochten die de wet in ons opriep en droeg het alleen vrucht voor de dood. 6  We waren aan de wet geketend, maar nu zijn we bevrijd; we zijn dood voor de wet, zodat we niet meer de oude orde van de wet dienen, maar de nieuwe orde van de Geest. 7 ¶  Moeten we nu vaststellen dat de wet hetzelfde is als de zonde? Absoluut niet. Ik ben me echter pas door de wet bewust geworden van de zonde. Ik zou immers niet weten wat begeerte was als de wet niet zei: ‘Zet uw zinnen niet op wat van een ander is.’ 8  Maar de zonde heeft van het gebod gebruikgemaakt om begeerten in mij op te wekken, want zonder de wet is de zonde krachteloos. 9  Eens leefde ik zonder de wet, maar door de komst van het gebod kwam de zonde tot leven 10  en daardoor stierf ik. Het gebod, dat tot leven had moeten leiden, bleek juist tot mijn dood te leiden. 11  De zonde heeft gebruik gemaakt van het gebod: ze heeft mij misleid en mij door het gebod gedood. 12  Kortom, de wet zelf is heilig en de geboden zijn heilig, rechtvaardig en goed. (NBV)

Je hoort Paulus grommen als het over de wet gaat zoals die in zijn tijd werd beleefd. Want het was niet meer de Joodse Wet van de Woestijn. Dat was de Tora, die je in beweging zette. Door die Tora kon je samen de Woestijn doorkomen. In de woestijn moet je immers onvoorwaardelijk op elkaar kunnen rekenen, dan moet je er zeker van zijn dat de mensen om je heen je niets willen aandoen en de mensen om je heen moeten op jou kunnen vertrouwen. Dat is niet een soort wet waar je de regeltjes van moet kennen maar een soort richtlijn waarvan je de bedoeling in je vingers moet hebben. Die beleving was verdwenen. Het was de beleving van Romeinse Wet geworden. Die wet bestaat uit regeltjes en uitleg van regeltjes en vonnissen over de toepassing van de regeltjes en uitleg van de vonnissen over het toepassen van de regeltjes. Daar is elke menselijkheid uit verdwenen. De verhalen over die wet klinken altijd wel redelijk maar net zo gemakkelijk merk je aan den lijve hoe onmenselijk die regeltjes geworden zijn. Dat is de manier van leven waar Paulus stelling tegen neemt. Zijn manier van leven gaat uit van de Geest. Als je de dingen doet in de Geest van Liefde dan gaan ze heel anders. Dan speelt de vraag wat goed is voor een mens en wat niet. Dan speelt niet de vraag wat goed is voor jezelf zonder aan anderen te denken maar dan speelt alleen de vraag wat goed is voor de ander zonder aan jezelf te denken.

Dan gaat het niet om die ander waar je nog wat van te verwachten zou kunnen hebben, om de ander waarmee het ook goed gaat, maar dan gaat het om de ander die het nodig heeft, de minsten onder ons. Want als we er in slagen het met de minsten op de wereld beter te laten gaan dan gaat het beter met de hele wereld. Dat voelt aan als een bevrijding, niet meer gevangen te zitten in regeltjes en uitleg van regeltjes maar vrij te zijn en te mogen handelen uit Liefde. Het vraagt om een vorm van argeloos leven. Argeloos is iemand die iets doet zonder er bij na te denken of het mag of dat het wel zo hoort. Het enige dat telt is of het goed is en of het plezier geeft. Als je dus altijd argeloos het goede doet dan doe je nooit iets verkeerd. Zo beleeft Paulus ook de slavernij van de wet. De wet dwingt je om je altijd af te vragen wat er goed is en wat er fout is. In het verhaal over hoe God vanaf het begin met mensen om is gegaan staat dat God de mens verbiedt om te eten van de boom van kennis van goed en kwaad. Het was kennelijk de bedoeling dat de mens argeloos zou blijven en het goede zou doen alleen omdat het goed was en omdat het plezier zou geven. Kennis van goed en kwaad levert de zonde op. Niet dat de wet verkeerd was of is.

Als iedereen in het verkeer willekeurig aan de linkerkant of de rechterkant van de weg zou rijden dan komen we geen van allen veel verder. Het is daarom goed een keuze in de wet vast te leggen en mensen die zich daaraan niet houden daarop aan te spreken. Maar of je in de wet vastlegt dat er links of rechts gereden wordt is een kwestie van smaak. Wie landen ziet waar niet rechts maar links gereden wordt zal zien dat het verkeer dat niet veel anders is dan bij ons, het beweegt zich alleen aan de andere kant van de weg. Zo zijn er veel wetten en regels die ook het tegendeel zouden kunnen zijn. Zelfs de regel die Paulus citeert over de begeerte kan anders worden uitgelegd. Iemand die honger heeft zal zijn zinnen zetten op voedsel. Dat het voedsel van een ander is zal niet uitmaken. Leven is belangrijker dan begeerte, of afzien van begeerte. Als wij pleiten voor rechtvaardige handelsverhoudingen dan geven we stem aan het verlangen van de armsten in de wereld gelijke kansen te krijgen als de rijken al hebben. Die gevangenschap in de wet kan  eerlijke mensen met goede bedoelingen tot misdadigers tegen de mensheid maken. Daarom zoeken we met Paulus naar de vrijheid van de Liefde. De vrijheid die ons is voorgeleefd door Jezus van Nazareth. Bij die vrijheid gaat het om de liefde tot de minsten op aarde, daarbij kiezen we voor het leven en nemen argeloos op de koop toe wat daarvoor nodig is.

In dienst van zedeloosheid en onrecht

maandag, 17 april, 2017

Romeinen 6:15-23

15  Betekent dit nu dat we vrijuit mogen zondigen omdat we niet onder de wet staan, maar onder de genade leven? Absoluut niet. 16  Wanneer u zich als slaaf in iemands dienst stelt, weet u toch dat u hem moet gehoorzamen? Wanneer u de zonde dient, leidt dat tot de dood; wanneer u God gehoorzaamt, leidt dat tot vrijspraak. 17  Maar God zij gedankt: u was slaven van de zonde, maar nu gehoorzaamt u van ganser harte de leer waaraan u zich hebt toevertrouwd, 18  en bevrijd van de zonde hebt u zich in dienst gesteld van de gerechtigheid. 19  Ik druk me zo gewoon mogelijk uit, omdat het anders uw begrip te boven gaat. Zoals u zich ooit in dienst stelde van zedeloosheid en onrecht om een wetteloos leven te leiden, zo stelt u zich nu in dienst van de gerechtigheid om heilig te leven. 20  Toen u nog slaven van de zonde was, was u niet gebonden aan de gerechtigheid. 21  Wat hebt u daarmee geoogst? Dingen waarvoor u zich nu schaamt, want ze leiden tot de dood. 22  Maar nu, bevrijd van de zonde en in dienst van God, oogst u toewijding aan hem en zelfs het eeuwige leven. 23  Het loon van de zonde is de dood, maar het geschenk van God is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Heer. (NBV)

Als je oppervlakkig naar het Christelijk geloof kijkt dan wordt het leven een luilekkerleven volgens dat geloof. De mens is immers niet bekwaam tot enig goed en slechts geneigd tot kwaad en God vergeeft keer op keer opnieuw. Oppervlakkig gezien zou je dus kunnen doen wat je wilt, genieten wat er te genieten valt zolang je maar vertrouwt op de genade van God dat uiteindelijk alles wel goed zal komen. Paulus bestrijd deze oppervlakkigheid. Hij moest wel want een geschreven wet met talloze regeltjes, jurisprudentie en interpretaties was volgens hem niet voldoende om de samenleving tot stand te brengen die God voor ogen had gestaan, een samenleving waar aan ieder mens recht wordt gedaan en waar dus geen honger en armoede, geen onderdrukking en slavernij meer zal zijn. En dus kun je er ook niet op los leven als je gelooft in de weg van Jezus van Nazareth om tot die goddelijke samenleving te komen.

Je in dienst stellen van gerechtigheid daar gaat het om volgens Paulus. Dan moeten we ons dus voortdurend bekommeren om de mensen die onrecht wordt gedaan. De mensen die niet kunnen concurreren met de gemechaniseerde, door wetenschap gestuurde, gesubsidieerde landbouw uit het rijke westen bijvoorbeeld. De overschotten van die landbouw maken dat boeren die niet hebben kunnen mechaniseren, niet kunnen leunen op wetenschap en geen subsidie krijgen voor hun producten, failliet gaan en zelfs hun landgenoten niet kunnen voeden. Dag in dag uit schreeuwt dat onrecht tegen de hemel en gelovigen zijn geroepen om die schreeuw in deze wereld stem te geven. Want zedeloosheid is niet alleen seksuele zedeloosheid, ongeremdheid in het met elkaar lichamelijk omgaan. De zedeloosheid en het onrecht waar Paulus het over heeft zit ook in de handelsverhoudingen die mensen de dood in drijven. Natuurlijk zit die zedeloosheid ook in mensenhandel, ook in het exploiteren van mensen als objecten. Al die zaken leiden tot de dood.

In elk dorp, in elke stad, in elk land, in de hele wereld zijn we dus geroepen om mensen op te sporen die nog uitgebuit, onderdrukt en genegeerd worden. Uit de opstanding uit de dood moeten we leren dat we mensen in dodende omstandigheden moeten laten opstaan tot leven. Dat is de echte genade van God dat we weten dat het kan, dat het zin heeft en dat het zelfs de enige zin is van het leven: dat allen leven. Daarbij gaat het er niet om of we er zelf beter van worden. De genade van God is niet een soort beloning voor het goede dat we doen. Het goede dat we doen kunnen we niet laten, kunnen en mogen we doen, vanwege die genade van God, dat we dat kunnen mogen is de genade van God waarvoor we dankbaar mogen zijn. We weten dat het helpt, dat het mensen tot leven brengt, dat het mensen in de gelegenheid stelt zelf bij te gaan dragen aan de gemeenschap van mensen, dat tranen worden gedroogd, dat lammen gaan lopen en blinden gaan zien. Van die genade mogen we leven elke dag opnieuw.

 

Wie zoek je?

zondag, 16 april, 2017

Johannes 20:1-18

1 ¶  Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, kwam Maria uit Magdala bij het graf. Ze zag dat de steen van de opening van het graf was weggehaald. 2  Ze liep snel terug naar Simon Petrus en de andere leerling, van wie Jezus veel hield, en zei: ‘Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald en we weten niet waar ze hem nu neergelegd hebben.’ 3  Petrus en de andere leerling gingen op weg naar het graf. 4  Ze liepen beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf. 5  Hij boog zich voorover en zag de linnen doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen. 6  Even later kwam Simon Petrus en hij ging het graf wel in. Ook hij zag de linnen doeken, 7  en hij zag dat de doek die Jezus’ gezicht bedekt had niet bij de andere doeken lag, maar apart opgerold op een andere plek. 8  Toen ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, het graf in. Hij zag het en geloofde. 9  Want ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat hij uit de dood moest opstaan. 10  De leerlingen gingen terug naar huis. 11 ¶  Maria stond nog bij het graf en huilde. Huilend boog ze zich naar het graf, 12 en daar zag ze twee engelen in witte kleren zitten, een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind van de plek waar het lichaam van Jezus had gelegen. 13  ‘Waarom huil je?’ vroegen ze haar. Ze zei: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze hem naartoe gebracht hebben.’ 14  Na deze woorden keek ze om en zag ze Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. 15  ‘Waarom huil je?’ vroeg Jezus. ‘Wie zoek je?’ Maria dacht dat het de tuinman was en zei: ‘Als u hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u hem hebt neergelegd, dan kan ik hem meenemen.’ 16  Jezus zei tegen haar: ‘Maria!’ Ze draaide zich om en zei: ‘Rabboeni!’ (Dat betekent ‘meester’.) 17  ‘Houd me niet vast, ‘zei Jezus. ‘Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar mijn broeders en zusters en zeg tegen hen dat ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.’ 18  Maria uit Magdala ging naar de leerlingen en zei tegen hen: ‘Ik heb de Heer gezien!’ En ze vertelde alles wat hij tegen haar gezegd had. (NBV)

Vandaag lezen we het thuis het verhaal van Pasen uit het Evangelie van Johannes. Daar staat het weer een beetje anders in als in de andere drie Evangelieën. Het is zo’n merkwaardig verhaal dat we er vanouds niet genoeg van kunnen krijgen. Uiteindelijk gingen de volgelingen van Jezus van Nazareth weer naar huis maar zelfs daar liet het verhaal ze niet los. Dat graf was leeg, daar was hun Jezus van Nazareth niet. Die enorme persoonlijkheid, die Lazarus na een aantal dagen nog uit zijn grafspelonk had geroepen, die in Naïn een jongen van zijn doodsbed had doen opstaan, die het dochtertje van de Romeinse hoofdman Jaïrus van haar bed had doen opstaan, die lag niet in het graf. De steen was weg, de doeken opgevouwen, het verhaal was uit. Het liet ze niet los. Er was iets in hun leven grondig veranderd. Dit was niet meer het leven dat ze gewend waren. Achteraf wisten ze wat er verkeerd was. Ze hadden niet meer nagedacht over het verhaal van Israel. Aan de verhalen over de richtlijnen die in de Woestijn aan het volk waren gegeven. Hoe profeten steeds weer hadden gezegd dat het verhaal van die onvoorwaardelijke liefde ook door de dood heen zou moeten gaan.

Dat de angst voor dictatoren, voor machtige koningen en grote legers, voor martelingen en onderdrukking je nooit zou moeten afbrengen van het volgen van de weg van God, van die goddelijke richtlijnen uit de Woestijn, van de weg van de Liefde. Ik ben die weg had die Jezus ze ooit gezegd. En tot op het kruis toe had hij om anderen gedacht. Had hij zelfs een moordenaar getroost en hem een eeuwig leven beloofd. Hij had zijn moeder getroost. Hij had gevraagd om het de soldaten en priesters niet aan te rekenen dat ze hem aan kruis hadden geslagen. Nooit op een enkel moment had hij zijn vervolgers vervloekt, nee hij had ze de kans gegeven terug te komen op hun weg van geweld en verdrukking om opnieuw te beginnen. Dat was het volhouden van de weg van Liefde door de dood heen. wie daarin gelooft kan niet meer op de oude manier aan het werk. Winst en profijt doen er immers niet meer toe. Macht en aanzien tellen niet meer. Alleen de liefde voor de naaste, voor de zwaksten in deze wereld, heeft waarde.

Er zijn altijd van die mensen die zich niet kunnen neerleggen bij het onvermijdelijke. Het verhaal was uit. Maar die Maria uit Magdala bleef rondhangen bij dat graf. Huilend en treurend. En waarom huilen? Dood is dood, begraven is begraven. Niemand die dat kan veranderen. Of toch? Iemand die je aanspreekt, die je naam noemt, die bij je is. Ook al heeft een geliefde afscheid moeten nemen als er iemand bij je is die van je houdt, die je naam noemt, dan ben je niet meer echt alleen. Daarom was het troosten van de bedroefden ook één van de opdrachten van Jezus aan zijn leerlingen. Zorgen dat iedereen kan blijven meedoen aan de samenleving. Als iemand door verdriet alleen dreigt te blijven moet dat doorbroken worden. Op die manier ging Jezus met de mensen om en in die omgang met mensen mogen we net als Maria van Magdala Jezus herkennen. Overal in elke stad en in elk dorp zijn er ook vandaag mensen mee bezig die je hulp en inzet meer dan welkom zullen heten. Groet ze in de naam van Jezus van Nazareth en ga meedoen.

U bent woedend op mij geweest

zaterdag, 15 april, 2017

Jesaja 12:1-6

1 ¶  Op die dag zul je zeggen: “Ik zal u loven, HEER. U bent woedend op mij geweest, maar uw toorn is geweken, u troost mij. 2  God, hij is mijn redder. Ik heb een vast vertrouwen, ik wankel niet, want de HEER is mijn sterkte, hij is mijn beschermer, hij heeft mij redding gebracht.’3  Vol vreugde zullen jullie water putten uit de bron van de redding. 4 ¶  Op die dag zullen jullie zeggen: ‘Loof de HEER, roep zijn naam uit. Maak alle volken zijn daden bekend, verkondig zijn verheven naam. 5  Zing een lied voor de HEER: wonderbaarlijk zijn zijn daden. Laat heel de aarde dit weten. 6  Jubel en juich, inwoners van Sion, want groot is de Heilige van Israël, die in jullie midden woont.” (NBV)

We zingen vandaag een lied mee van de Profeet Jesaja. We kennen natuurlijk de liedbundel in de Bijbel die we de Psalmen noemen en die bij elkaar staan in het Bijbelboek de Psalmen, maar verspreid door de hele Bijbel staan er nog tal van andere liederen. Vandaag zingen we een bijzonder loflied. Het bezingt de vreugde van de bevrijding. Op de plaats waar het staat in het boek van de profeet Jesaja is er nog helemaal geen sprake van bevrijding. Jesaja heeft wel geschreven dat die komt die bevrijding, het volk zal ooit terugkeren uit de ballingschap, maar het is nog lang niet zover. Maar Jesaja weet al wel hoe het volk zal gaan zingen als het zover is en dat mogen we vandaag meezingen. Want hier loopt het op uit, op de bevrijding en het zingen van liederen. Nu zul je denken dat er nog een heel boek Jesaja volgt, maar dat lijkt maar zo. Het boek van de profeet Jesaja bestaat uit een paar verschillende boeken die in tijd op elkaar volgen en waarvan de inhoud steeds op elkaar lijkt zodat ze in de loop van de tijd bij elkaar in een boek terecht zijn gekomen. Dit lied sluit het oudste deel van het boek van de profeet Jesaja af.

En net als na de doortocht door de Schelfzee toen het volk Israël ontsnapt was aan de Farao en op de drempel van de woestijn stond wordt er gezongen van bevrijding. Jesaja is namelijk helemaal niet zo somber over de ballingschap. Dat is wel erg, dat had wel niet gemoeten maar het kan ook betekenen dat het volk eindelijk leert zich bij de God van Israël te houden en de weg van de God van Israël te gaan. Die Weg loopt uit op de heerschappij van de God van Israël over heel de wereld. Die heerschappij komt als eerst het volk Israël en vervolgens alle volken geleerd hebben hun naaste lief te hebben als zichzelf. Daarvoor moest het volk Israël eerst door de woestijn. Daar in de woestijn maakte het kennis met de God van Israël en met de Wet van heb Uw naast lief als Uzelf. Daar bouwde het de tent der ontmoeting waar het volk of haar afgevaardigden samen kwamen om na te gaan hoe het verder moest door de woestijn. Op de rand van de ballingschap vraagt de profeet Jesaja zich hetzelfde af als het volk op de rand van de woestijn. Kun je je toevertrouwen aan die God die je niet kunt zien maar die beloofd heeft met je mee te gaan de woestijn door?

De profeet zingt hier over een vast vertrouwen dat bij hem niet wankelt. De koning uit zijn tijd, Achaz, had tegen alle waarschuwingen in wel getwijfeld en bondgenootschappen gesloten met de verkeerde wereldmachten. Die hadden verloren en nu was het volk overgeleverd aan een bondgenootschap van Efraïm en Assyrië. Voor ons is de vraag of wij vandaag na de dood van Jezus, ja alleen met het vooruitzicht op de opstanding uit de dood met diezelfde God door willen gaan. Durven wij het aan om in een tijd waarin het individu voorop staat, waar het eigen gelijk overheerst, waar succes en persoonlijke groei de enige godsdiensten lijken, het te doen met het heb Uw naaste Lief als Uzelf. Durven wij het aan het op te blijven nemen voor de hongerigen op aarde, voor de ontrechten, voor de slachtoffers van oorlog en geweld, voor de verworpenen der aarde? Durven we te blijven geloven dat de dood niet het laatste woord heeft? We weten dat de keuze voor de weg van Go zal leiden tot een betere wereld en eigenlijk weten we ook dat er geen andere keuze is. We kunnen persoonlijk nooit zo groot groeien dat die betere wereld gemaakt kan worden, dat maken moeten we aan God overlaten, vanaf vandaag kunnen we het alleen maar voor de mensen opnemen, dat moet genoeg zijn.

Hier is hij, de mens

vrijdag, 14 april, 2017

Johannes 18–19

1 ¶  Nadat Jezus dit alles gezegd had, ging hij met zijn leerlingen naar de overkant van de Kidronbeek. Daar liep hij een olijfgaard in, met zijn leerlingen. 2  Judas, zijn verrader, kende deze plek ook, want Jezus was er vaak met zijn leerlingen samengekomen. 3  Judas ging ernaartoe, samen met een cohort soldaten en dienaren van de hogepriesters en de Farizeeën. Ze waren gewapend en droegen fakkels en lantaarns. 4  Jezus wist precies wat er met hem zou gebeuren. Hij liep naar hen toe en vroeg: ‘Wie zoeken jullie?’ 5  Ze antwoordden: ‘Jezus uit Nazaret.’ ‘Ik ben het, ‘zei Jezus, terwijl Judas, zijn verrader, erbij stond. 6  Toen hij zei: ‘Ik ben het, ‘deinsden ze achteruit en vielen op de grond. 7  Weer vroeg Jezus: ‘Wie zoeken jullie?’ en weer zeiden ze: ‘Jezus uit Nazaret.’ 8  ‘Ik heb jullie al gezegd: “Ik ben het, ”‘zei Jezus. ‘Als jullie mij zoeken, laat deze mensen dan gaan.’ 9  Zo gingen de woorden in vervulling die hij gesproken had: ‘Geen van hen die u mij gegeven hebt, heb ik verloren laten gaan.’ 10  Daarop trok Simon Petrus het zwaard dat hij bij zich had, haalde uit naar de slaaf van de hogepriester en sloeg hem zijn rechteroor af; Malchus heette die slaaf. 11  Maar Jezus zei tegen Petrus: ‘Steek je zwaard in de schede. Zou ik de beker die de Vader mij gegeven heeft niet drinken?’ 12  De soldaten met hun tribuun en de Joodse gerechtsdienaars grepen Jezus en boeiden hem. 13 ¶  Ze brachten hem eerst naar Annas, de schoonvader van Kajafas. Kajafas was dat jaar hogepriester 14  en hij was het die de Joden had voorgehouden: ‘Het is goed dat één man sterft voor het hele volk.’ 15  Simon Petrus liep met een andere leerling achter Jezus aan. Deze andere leerling kende de hogepriester en ging met Jezus het paleis van de hogepriester in, 16  maar Petrus bleef buiten bij de poort staan. Daarop kwam de andere leerling, de kennis van de hogepriester, weer naar buiten; hij sprak met de portierster en nam Petrus mee naar binnen. 17  Het meisje sprak Petrus aan: ‘Ben jij soms ook een leerling van die man?’ ‘Nee, ik niet, ‘zei hij. 18  De slaven en de gerechtsdienaars stonden zich te warmen bij een vuur dat ze hadden aangelegd omdat het koud was; ook Petrus ging zich erbij staan warmen. 19  De hogepriester ondervroeg Jezus over zijn leerlingen en over zijn leer. 20  Jezus zei: ‘Ik heb in het openbaar tot de wereld gesproken. Ik heb steeds onderricht gegeven op plaatsen waar de Joden bij elkaar komen, in synagogen en in de tempel, en nooit heb ik iets in het geheim gezegd. 21  Waarom ondervraagt u mij? Vraag het toch aan de mensen die mij gehoord hebben, zij weten wat ik gezegd heb.’ 22  Toen Jezus dat zei gaf een van de dienaren die erbij stonden, hem een klap in het gezicht: ‘Is dat een manier om de hogepriester te antwoorden?’ 23  Jezus zei: ‘Als ik iets verkeerds gezegd heb, zeg dan wat er verkeerd was, maar als het juist is wat ik heb gezegd, waarom slaat u me dan?’ 24  Daarna stuurde Annas hem geboeid naar Kajafas, de hogepriester. 25  Simon Petrus stond zich intussen nog steeds te warmen. ‘Ben jij soms ook een leerling van hem?’ vroegen ze. ‘Nee, ‘ontkende Petrus, ‘ik niet.’ 26  Maar een van de slaven van de hogepriester, een familielid van de man van wie Petrus het oor had afgeslagen, zei: ‘Maar ik heb toch gezien dat je bij hem was in de olijfgaard?’ 27  Weer ontkende Petrus, en meteen kraaide er een haan. 28 ¶  Jezus werd van Kajafas naar het pretorium gebracht. Het was nog vroeg in de morgen. Zelf gingen ze niet naar binnen, om zich niet te verontreinigen voor het pesachmaal. 29  Daarom kwam Pilatus naar buiten en vroeg: ‘Waarvan beschuldigt u deze man?’ 30  Ze antwoordden: ‘Als hij geen misdadiger was, zouden we hem niet aan u uitgeleverd hebben.’ 31  Pilatus zei: ‘Neem hem dan mee, en veroordeel hem volgens uw eigen wet.’ Maar de Joden wierpen tegen: ‘Wij hebben het recht niet om iemand ter dood te brengen.’ 32  Zo ging de uitspraak van Jezus in vervulling waarin hij aanduidde welke dood hij sterven zou. 33  Nu ging Pilatus het pretorium weer in. Hij liet Jezus bij zich komen en vroeg hem: ‘Bent u de koning van de Joden?’ 34  Jezus antwoordde: ‘Vraagt u dit uit uzelf of hebben anderen dit over mij gezegd?’ 35  ‘Ik ben toch geen Jood, ‘antwoordde Pilatus. ‘Uw volk en uw hogepriesters hebben u aan mij uitgeleverd-wat hebt u gedaan?’ 36  Jezus antwoordde: ‘Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld. Als mijn koningschap bij deze wereld hoorde, zouden mijn dienaren wel gevochten hebben om te voorkomen dat ik aan de Joden werd uitgeleverd. Maar mijn koninkrijk is niet van hier.’ 37  Pilatus zei: ‘U bent dus koning?’ ‘U zegt dat ik koning ben, ‘zei Jezus. ‘Ik ben geboren en naar de wereld gekomen om van de waarheid te getuigen, en ieder die de waarheid is toegedaan, luistert naar wat ik zeg.’ 38  Hierop zei Pilatus: ‘Maar wat is waarheid?’ Na deze woorden ging hij weer naar de Joden buiten. ‘Ik heb geen schuld in hem gevonden, ‘zei hij. 39  ‘Maar het is bij u gebruikelijk dat ik met Pesach iemand vrijlaat-wilt u dat ik de koning van de Joden vrijlaat?’ 40  Toen begon iedereen te schreeuwen: ‘Hem niet, maar Barabbas!’ Barabbas was een misdadiger. 1 ¶  Toen liet Pilatus Jezus geselen. 2  De soldaten vlochten een kroon van doorntakken, zetten die op zijn hoofd en deden hem een purperen mantel aan. 3  Ze liepen naar hem toe en zeiden: ‘Leve de koning van de Joden!’, en ze sloegen hem in het gezicht. 4  Pilatus liep weer naar buiten en zei: ‘Ik zal hem hier buiten aan u tonen om u duidelijk te maken dat ik geen enkel bewijs van zijn schuld heb gevonden.’ 5  Daarop kwam Jezus naar buiten, met de doornenkroon op en de purperen mantel aan. ‘Hier is hij, de mens, ‘zei Pilatus. 6  Maar toen de hogepriesters en de gerechtsdienaars hem zagen begonnen ze te schreeuwen: ‘Kruisig hem, kruisig hem!’ Toen zei Pilatus: ‘Neem hem dan maar mee en kruisig hem zelf, want ik zie niet waaraan hij schuldig is.’ 7  De Joden zeiden: ‘Wij hebben een wet die zegt dat hij moet sterven, omdat hij zich de Zoon van God heeft genoemd.’ 8  Toen Pilatus dat hoorde werd hij erg bang. 9  Hij ging het pretorium weer in en vroeg aan Jezus: ‘Waar komt u vandaan?’ Maar Jezus gaf geen antwoord. 10  ‘Waarom zegt u niets tegen mij?’ vroeg Pilatus. ‘Weet u dan niet dat ik de macht heb om u vrij te laten of u te kruisigen?’ 11  Jezus antwoordde: ‘De enige macht die u over mij hebt, is u van boven gegeven. Daarom draagt degene die mij aan u uitgeleverd heeft de meeste schuld.’ 12  Vanaf dat moment wilde Pilatus hem vrijlaten. Maar de Joden riepen: ‘Als u die man vrijlaat bent u geen vriend van de keizer, want iedereen die zichzelf tot koning uitroept pleegt verzet tegen de keizer.’ 13  Pilatus hoorde dat, liet Jezus naar buiten brengen en nam plaats op de rechterstoel op het zogeheten Mozaïekterras, in het Hebreeuws Gabbata. 14  Het was rond het middaguur op de voorbereidingsdag van Pesach. Pilatus zei tegen de Joden: ‘Hier is hij, uw koning.’ 15  Meteen schreeuwden ze: ‘Weg met hem, weg met hem, aan het kruis met hem!’ Pilatus vroeg: ‘Moet ik uw koning kruisigen?’ Maar de hogepriesters antwoordden: ‘Wij hebben geen andere koning dan de keizer!’ 16 ¶  Toen droeg Pilatus hem aan hen over om hem te laten kruisigen.  Zij voerden Jezus weg; 17  hij droeg zelf het kruis naar de zogeheten Schedelplaats, in het Hebreeuws Golgota. 18  Daar kruisigden ze hem, met twee anderen, aan weerskanten één, en Jezus in het midden. 19 ¶  Pilatus had een inscriptie laten maken die op het kruis bevestigd werd. Er stond op ‘Jezus uit Nazaret, koning van de Joden’. 20  Het stond er in het Hebreeuws, het Latijn en het Grieks, en omdat de plek waar Jezus gekruisigd werd dicht bij de stad lag, werd deze inscriptie door veel Joden gelezen. 21  De hogepriesters van de Joden zeiden tegen Pilatus: ‘U moet niet “koning van de Joden” schrijven, maar “Deze man heeft beweerd: Ik ben de koning van de Joden.”’ 22  ‘Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven, ‘was het antwoord van Pilatus. 23  Nadat ze Jezus gekruisigd hadden, verdeelden de soldaten zijn kleren in vieren, voor iedere soldaat een deel. Maar zijn onderkleed was in één stuk geweven, van boven tot beneden. 24  Ze zeiden tegen elkaar: ‘Laten we het niet scheuren, maar laten we loten wie het hebben mag.’ Zo ging in vervulling wat de Schrift zegt: ‘Ze verdeelden mijn kleren onder elkaar en wierpen het lot om mijn mantel.’ Dat is wat de soldaten deden. 25  Bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder met haar zuster, Maria, de vrouw van Klopas, en Maria uit Magdala. 26  Toen Jezus zijn moeder zag staan, en bij haar de leerling van wie hij veel hield, zei hij tegen zijn moeder: ‘Dat is uw zoon,‘ 27  en daarna tegen de leerling: ‘Dat is je moeder.’ Vanaf dat moment nam die leerling haar bij zich in huis. 28  Toen wist Jezus dat alles was volbracht, en om de Schrift geheel in vervulling te laten gaan zei hij: ‘Ik heb dorst.’ 29  Er stond daar een vat water met azijn; ze staken er een majoraantak met een spons in en brachten die naar zijn mond. 30  Nadat Jezus ervan gedronken had zei hij: ‘Het is volbracht.’ Hij boog zijn hoofd en gaf de geest. 31 ¶  Het was voorbereidingsdag, en de Joden wilden voorkomen dat de lichamen op sabbat, en nog wel een bijzondere sabbat, aan het kruis zouden blijven hangen. Daarom vroegen ze Pilatus of de benen van de gekruisigden gebroken mochten worden en of ze de lichamen mochten meenemen. 32  Toen braken de soldaten de benen van de eerste die tegelijk met Jezus gekruisigd was, en ook die van de ander. 33  Vervolgens kwamen ze bij Jezus, maar ze zagen dat hij al gestorven was. Daarom braken ze zijn benen niet. 34  Maar een van de soldaten stak een lans in zijn zij en meteen vloeide er bloed en water uit. 35  Hiervan getuigt iemand die het zelf heeft gezien, en zijn getuigenis is betrouwbaar. Hij weet dat hij de waarheid spreekt en wil dat ook u gelooft. 36  Zo ging de Schrift in vervulling: ‘Geen van zijn beenderen zal verbrijzeld worden.’ 37  Een andere schrifttekst zegt: ‘Zij zullen hun blik richten op hem die ze hebben doorstoken.’ 38 ¶  Na deze gebeurtenissen vroeg Josef uit Arimatea-die uit vrees voor de Joden in het geheim een leerling van Jezus was-aan Pilatus of hij het lichaam van Jezus mocht meenemen. Pilatus gaf toestemming en Josef nam het lichaam mee. 39  Nikodemus, die destijds ‘s nachts naar Jezus toe gegaan was, kwam ook; hij had een mengsel van mirre en aloë bij zich, wel honderd litra. 40  Ze wikkelden Jezus’ lichaam met de balsem in linnen, zoals gebruikelijk is bij een Joodse begrafenis. 41  Dicht bij de plaats waar Jezus gekruisigd was lag een olijfgaard, en daar was een nieuw graf, waarin nog nooit iemand begraven was. 42  Omdat het voor de Joden voorbereidingsdag was en dat graf dichtbij was, legden ze Jezus daarin. (NBV)

Vandaag is het “Goede Vrijdag” De dag waarop het lijden en sterven van Jezus wordt herdacht. Hierboven het hele verhaal zoals Johannes het ons heeft verteld. Maar gaat dit verhaal over een “Goede Vrijdag” In dit verhaal wordt toch een onschuldig mens wreed gemarteld en op een uiterst wrede manier ter dood gebracht? Zelfs vandaag de dag verzetten we ons tegen een dergelijke manier van omgaan met mensen. Gifgas aanvallen op onschuldige kinderen, dictators die hun eigen volk laten uitmoorden en in onze geschiedenis de Holocaust. Er is niets goeds in te vinden. Ook in het verhaal van deze Goede Vrijdag is niets goeds te vinden. Populisme waarbij een volk met nepnieuws wordt opgezet tegen iemand waar ze allemaal achteraan waren gelopen. Machtigen die hun eigen positie meer waard vonden dan een mensenleven. Er is niets goeds in te vinden.

Maar dit verhaal vertelt meer dan wreedheid. Jezus zelf geeft zich over om zijn vrienden te sparen. Zelfs zijn vijand geneest hij nog. En hangend aan het kruis helpt hij een mede gekruisigde, bid hij tot zijn vader om het zijn beulen niet kwalijk te nemen en zorgde hij er voor dat zijn moeder verzorgd bleef. Ook zijn vrienden bleven naast hem staan. Petrus snapte ineens dat hij de vriend van de Hogepriester niet in gevaar moest brengen en ontkende bij Jezus te horen, Jozef van Arimatea stelde zijn eigen begrafenisgrot ter beschikking. Zo mocht Jezus op de Sabbat rusten. Ondanks de wreedheid en de dood bleef de liefde door gaan. En daar God liefde is, daar Jezus liefde is, werd de dood door die liefde voor alle mensen overwonnen. Die overwinning maakt dat wij voor het leven mogen kiezen.

Mensen gaan dood van de honger en dorst, wij mogen ze voeden en laven, mensen gaan dood omdat ze te arm zijn om kleding te kopen, wij mogen ze kleden, mensen gaan dood van gevangenschap, wij mogen ze bezoeken, mensen gaan dood aan ziekten en handicaps, wij mogen ze verzorgen en zorgen voor een volwaardige plaats in onze samenleving. Mensen gaan dood als ze moeten vluchten voor onderdrukking en geweld, wij mogen ze weer een veilig huis bieden. In onze dagen gaan mensen dood aan de eis zeven maal 24 uur beschikbaar te zijn voor arbeid, wij mogen blijven eisen dat er een vrije dag is waarop alles en iedereen rust. De liefde die wij mogen tonen voor de minsten in de samenleving, voor de armsten en de zwaksten, maakt dat wij ook mogen delen in de overwinning op de dood. Met Pasen vieren we dat, maar die overwinning begon op de “Goede Vrijdag” daarom is die Vrijdag de goede.

Elkaars voeten wassen

donderdag, 13 april, 2017

Johannes 13:1-38

1 ¶  Het was kort voor het pesachfeest. Jezus wist dat zijn tijd gekomen was en dat hij uit de wereld terug zou keren naar de Vader. Hij had de mensen die hem in de wereld toebehoorden lief, en zijn liefde voor hen zou tot het uiterste gaan. 2  Jezus en zijn leerlingen hielden een maaltijd. De duivel had intussen Judas, de zoon van Simon Iskariot, ertoe aangezet Jezus te verraden. 3  Jezus, die wist dat de Vader hem alle macht had gegeven, dat hij van God was gekomen en weer naar God terug zou gaan, 4  stond tijdens de maaltijd op. Hij legde zijn bovenkleed af, sloeg een linnen doek om 5  en goot water in een waskom. Hij begon de voeten van zijn leerlingen te wassen en droogde ze af met de doek die hij omgeslagen had. 6  Toen hij bij Simon Petrus kwam, zei deze: ‘U wilt toch niet mijn voeten wassen, Heer?’ 7  Jezus antwoordde: ‘Wat ik doe, begrijp je nu nog niet, maar later zul je het wel begrijpen.’ 8  ‘O nee, ‘zei Petrus, ‘míjn voeten zult u niet wassen, nooit!’ Maar toen Jezus zei: ‘Als ik ze niet mag wassen, kun je niet bij mij horen,‘ 9  antwoordde hij: ‘Heer, dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd!’ 10  Hierop zei Jezus: ‘Wie gebaad heeft hoeft alleen nog zijn voeten te wassen, hij is al helemaal rein. Jullie zijn dus rein-maar niet allemaal.’ 11  Hij wist namelijk wie hem zou verraden, daarom zei hij dat ze niet allemaal rein waren. 12  Toen hij hun voeten gewassen had, deed hij zijn bovenkleed aan en ging weer naar zijn plaats. ‘Begrijpen jullie wat ik gedaan heb?’ vroeg hij. 13  ‘Jullie zeggen altijd “meester” en “Heer” tegen mij, en terecht, want dat ben ik ook. 14  Als ik, jullie Heer en jullie meester, je voeten gewassen heb, moet je ook elkaars voeten wassen. 15  Ik heb een voorbeeld gegeven; wat ik voor jullie heb gedaan, moeten jullie ook doen. 16  Waarachtig, ik verzeker jullie: een slaaf is niet meer dan zijn meester, en een afgezant niet meer dan wie hem zendt. 17  Je zult gelukkig zijn als je dit niet alleen begrijpt, maar er ook naar handelt. 18 ¶  Ik doel niet op jullie allemaal: ik weet wie ik heb uitgekozen. Wat in de Schrift staat zal in vervulling gaan: “Hij die at van mijn brood heeft zich tegen mij gekeerd.” 19  Ik zeg het jullie nu al, voor het gaat gebeuren; wanneer het dan gebeurt, zullen jullie geloven dat ik het ben. 20  Ik verzeker jullie: wie iemand ontvangt die door mij gezonden is ontvangt mij, en wie mij ontvangt ontvangt hem die mij gezonden heeft.’ 21  Nadat hij dit gezegd had werd Jezus diepbedroefd, en hij verklaarde: ‘Waarachtig, ik verzeker jullie: een van jullie zal mij verraden.’ 22  De leerlingen keken elkaar aan en vroegen zich af wie hij bedoelde. 23  Een van hen, de leerling van wie Jezus veel hield, lag naast hem aan tafel aan, 24  en Simon Petrus beduidde hem dat hij moest vragen wie Jezus bedoelde. 25  Hij boog zich dicht naar Jezus toe en vroeg: ‘Wie, Heer?’ 26  ‘Degene aan wie ik het stuk brood geef dat ik nu in de schaal doop, ‘zei Jezus. Hij doopte een stuk brood in de schaal en gaf het aan Judas, de zoon van Simon Iskariot. 27  Op dat moment nam de duivel bezit van Judas. Jezus zei: ‘Doe maar meteen wat je van plan bent.’ 28  Niemand aan tafel begreep waarom hij dit zei; 29  omdat Judas de kas beheerde, dachten sommigen dat Jezus bedoelde dat hij inkopen voor het feest moest doen, of dat hij iets aan de armen moest geven. 30  Judas nam het brood aan en ging meteen weg. Het was nacht. 31  Toen hij weg was zei Jezus: ‘Nu is de grootheid van de Mensenzoon zichtbaar geworden, en door hem de grootheid van God. 32  Als Gods grootheid door hem zichtbaar geworden is, zal God hem ook in die grootheid laten delen, nu onmiddellijk. 33  Kinderen, ik blijf nog maar een korte tijd bij jullie. Jullie zullen me zoeken, maar wat ik tegen de Joden gezegd heb, zeg ik nu ook tegen jullie: “Waar ik heen ga, daar kunnen jullie niet komen.” 34  Ik geef jullie een nieuw gebod: heb elkaar lief. Zoals ik jullie heb liefgehad, zo moeten jullie elkaar liefhebben. 35  Aan jullie liefde voor elkaar zal iedereen zien dat jullie mijn leerlingen zijn.’ 36 ¶  Simon Petrus vroeg: ‘Waar gaat u naartoe, Heer?’ Jezus antwoordde: ‘Ik ga ergens naartoe waar jij nog niet kunt komen, later zul je mij volgen.’ 37  ‘Waarom kan ik u nu niet volgen, Heer? Ik wil mijn leven voor u geven!’ zei Petrus. 38  Maar Jezus zei: ‘Jij je leven voor mij geven? Waarachtig, ik verzeker je: nog voor de haan kraait zul jij mij driemaal verloochenen. (NBV)

Pedicures weten het het best. Als je de voeten van iemand verzorgt ben je met een uiterst intieme bezigheid aan de gang. Pedicures horen ook de meest intieme verhalen. De voeten wassen zoals Johannes dit vertelt is daarom een uiterst bijzondere bezigheid die in een aantal kerken vandaag ook ritueel wordt uitgevoerd. Maar als het een religieus ritueel is waar staat het dan voor? In de andere verhalen in de Bijbel over deze voetwassing staat deze aan het begin van de maaltijd, als de gasten binnen komen zeg maar, een gebruikelijke handeling, meestal verricht door een slaaf. Johannes zet de voetwassing midden in de maaltijd en laat de aard van de maaltijd verder in het midden. Bij Johannes gaat het om de positie van Jezus van Nazareth. En met de voetwassing plaatst Jezus van Nazareth zich op gelijke voet met zijn volgelingen, zelfs met de volgeling die hem zou verraden.

Net heeft het volk hem ontvangen als een koning of de koning doet afstand van de troon om te roepen dat een slaaf niet minder is dan zijn heer. Het Pesach feest waarom ze naar Jeruzalem waren gekomen vierde de bevrijding uit de slavernij en met die viering schaft Jezus van Nazareth elke vorm van slavernij af. In het Koninkrijk van Jezus van Nazareth begint de Heer met de nederigste dienst die denkbaar is, de voetwassing. Misschien zou hij vandaag de dag iets anders doen. Bedenk maar wat de nederigste dienst is die je samen voor elkaar zou doen. In kloosters is daar nog al eens over nagedacht. En dan komt men vaak op het schoonmaken van de gangen en toiletten. In de wereld is het ondenkbaar dat de minister van integratie eerst een toilet in een buurthuis schoon gaat maken voor hij gaat praten over beleid en steun bij het inlopen van achterstanden. Het is ondenkbaar dat de minister van defensie eerst de geweren poetst van de soldaten in Mali, of een latrine gaat graven, voordat hij nieuwe besluiten neemt over uitzending van militairen.

Jezus van Nazareth zocht bij de maaltijd volgens Johannes een weg om de Liefde te tonen tot het einde. Zelfs temidden van verraad blijft hij de zijnen liefhebben. Als je ondergedompeld bent in die Liefde ben je rein, als je de daden van liefde niet toelaat hoor je er niet bij. Maar als je het verkeerde van plan bent krijg je tot het laatste moment de kans het anders te doen. En zelfs als je het verkeerde toch doet laat Jezus van Nazareth zien dat de Liefde bereikbaar blijft. Elkaars voeten wassen kunnen we vandaag oefenen, met elkaar liefhebben kunnen we elk moment opnieuw mee beginnen, Jezus is ons daarin voorgegaan. In de liefde voor elkaar wordt de grootheid van God zichtbaar. Maar het gaat niet aan om de dood te zoeken, meegaan in de dood moet ook Petrus niet doen, desnoods moet Petrus zijn meester maar verloochenen. Uiteindelijk zal ook door de dood heen de liefde overwinnen. En daar mogen ook wij aan vasthouden, elke dag weer, door onze naaste lief te hebben als onszelf, iedere keer opnieuw, ook vandaag.

Ze zijn op mijn ondergang uit

woensdag, 12 april, 2017

Psalm 140

1 ¶  Voor de koorleider. Een psalm van David. 2 Bevrijd mij, HEER, van wie mij kwaad doen, behoed mij voor hun bruut geweld. 3 In hun hart bedenken zij boze plannen, heel de dag zoeken ze strijd. 4 Hun tong is scherp als die van een slang, achter hun lippen schuilt het gif van een adder. sela. 5 Houd mij, HEER, uit de handen van schurken, behoed mij voor hun bruut geweld. Ze zijn op mijn ondergang uit, 6 in hun hoogmoed leggen ze strikken, ze spannen met touwen een net en zetten een val op mijn weg. sela.7 Ik roep tot de HEER: ‘U bent mijn God, luister, HEER, naar mijn smeekgebed. 8 HEER, mijn God, machtige redder, u beschermt mij op de dag van de strijd. 9 HEER, geef de schurken niet wat zij begeren, doorkruis hun plannen als zij opstaan tegen mij. sela.10 Dat het hoofd van mijn belagers wordt getroffen door de vloek van hun lippen. 11 Dat vurige kolen op hen neerstorten, dat ze vallen in een kuil waaruit ze nooit meer opstaan. 12 Dat er in het land voor lasteraars geen plaats is, dat het kwaad onderdrukkers tot de dood achtervolgt.’ 13 Dit weet ik: de HEER doet recht aan zwakken en armen. 14 De rechtvaardigen zullen uw naam prijzen, de oprechten wonen in uw nabijheid. (NBV)

Een Psalm die je met de lijdenden mee kunt zingen. Met de mensen in Syrië die nog eens laten zien hoe gewelddadig het regiem is waaronder ze nu al zoveel jaren gebukt gaan. Al is elke onderdrukking nu eenmaal uiteindelijk gewelddadig zoals de inwoners van Wit Rusland je zullen toevoegen en waarschijnlijk ook de Palestijnen zullen roepen. De schurken hebben in deze Psalm de overhand. Wel drie maal worden ze bijna bij name genoemd en dan lijkt het wel of ze zelf zo machtig als God geworden zijn. Maar de Psalmdichter weet dat de weg van God niet tevergeefs wordt ingeslagen. Juist de liefde voor mensen zal uiteindelijk bevrijding brengen. Onophoudelijk werd het regiem in Birma aangesproken op hun plicht de democratie terug te brengen. De Olympische Spelen en de gewelddadige onderdrukking van de Tibetaanse demonstraties dwingen de westerse mogendheden het regiem in China aan te spreken op hun plicht de mensenrechten te eerbiedigen. Mensenrechten waar ook de vrijheid van meningsuiting voor sporters behoort.

Maar als we die regiems aanspreken vanwege hun fouten dan moeten we niet blind worden voor de fouten in ons eigen land. De Psalm bidt dat er geen plaats zou moeten zijn in het land voor lasteraars. Kwaadspreken over anderen, aanzetten tot haat, onwaarheden verspreiden over bevolkingsgroepen behoren tot het kwaad waar de psalmdichter onder lijdt en waarvan hij verlost wil worden. Die lasteraars kennen we ook in onze dagen en in ons land. Gemakkelijk kunnen we zeggen dat de beschuldiging van de Chinese autoriteiten aan de Tibetaanse demonstranten van plundering en geweld propaganda is en een rechtvaardiging voor het doodschieten van ongewapende mensen. Maar wie arresteert de haatzaaiers in ons land? De lasteraars die alle moslims er van beschuldigen met geweld de Nederlandse samenleving te willen overnemen?

De leugenaars die van hardwerkende mensen en hun in zware arbeid versleten ouders er van beschuldigen op onze uitkeringen, waarvoor ze zelf de verzekeringspenningen hebben betaald, te teren? Velen, advocaten en direct betrokkenen, hebben zorgvuldig onderbouwd aanklachten ingediend bij het Openbaar Ministerie. Kritische studenten aan rechtenfaculteiten hebben wel eens geopperd dat de hoge aantallen allochtonen in de gevangenissen ook veroorzaakt worden door racistische tendensen in het justitie apparaat. Echte bewijzen daarvoor zijn er tot nu toe niet. Maar het uitblijven van elke maatregel tegen de haatzaaiers en lasteraars in ons eigen land, het negeren van al die aanklachten maken dat de verdenkingen van die studenten ook de verdenkingen worden van allen die op een Stille Zaterdag naar de Dam in Amsterdam gingen protesteren tegen haat zaaien en van allen die zich zorgen maken over de verharding in onze eigen samenleving.

Ga uw weg zolang het licht is

maandag, 10 april, 2017

Johannes 12:20-36

20 ¶  Nu was er ook een aantal Grieken naar het feest gekomen om God te aanbidden. 21  Zij gingen naar Filippus uit Betsaïda in Galilea, en vroegen hem of ze Jezus konden ontmoeten. 22  Filippus ging dat tegen Andreas zeggen en samen gingen ze naar Jezus. 23  Jezus zei: ‘De tijd is gekomen dat de Mensenzoon tot majesteit wordt verheven. 24  Waarachtig, ik verzeker u: als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht. 25  Wie zijn leven liefheeft verliest het, maar wie in deze wereld zijn leven haat, behoudt het voor het eeuwige leven. 26  Wie mij dient moet mij volgen: waar ik ben zal ook mijn dienaar zijn, en wie mij dient zal door de Vader geëerd worden. 27 ¶  Nu ben ik doodsbang. Wat moet ik zeggen? Vader, laat dit ogenblik aan mij voorbijgaan? Maar hiervoor ben ik juist gekomen. 28  Laat nu zien hoe groot uw naam is, Vader.’ Toen klonk er een stem uit de hemel: ‘Ik heb mijn grootheid getoond en ik zal mijn grootheid weer tonen.’ 29  De mensen die daar stonden en dit hoorden, zeiden: ‘Een donderslag!’ Maar er waren er ook die zeiden dat het een engel was die tegen hem gesproken had. 30  Jezus zei: ‘Die stem heeft niet voor mij gesproken, maar voor u. 31  Nu wordt het oordeel over deze wereld geveld, nu zal de heerser van deze wereld uitgebannen worden. 32  Wanneer ik van de aarde omhooggeheven word, zal ik iedereen naar mij toe halen.’ 33  Daarmee bedoelde hij de wijze waarop hij zou sterven. 34  ‘Maar wij hebben uit de wet begrepen dat de messias eeuwig blijft leven, ‘zeiden de mensen, ‘waarom zegt u dan dat de Mensenzoon omhooggeheven moet worden? Wie is die Mensenzoon?’ 35  ‘Nog een korte tijd is het licht bij u, ‘antwoordde Jezus. ‘Ga uw weg zolang het licht is en laat de duisternis u niet overvallen; wie in het donker loopt weet niet waar hij heen gaat. 36  Geloof in het licht zolang u het licht bij u hebt, dan bent u kinderen van het licht.’ Na deze woorden ging Jezus weg en hij hield zich voor hen schuil. (NBV)

Aan het begin van de stille week een stukje onderwijs in de leer van het Christelijk geloof. Vandaag dus niet een verhaal, of een brief of het verslag van een toespraak, maar echt een stukje onderwijs. Johannes had dat nodig als aanloop van zijn verhaal over de kruisiging en de opstanding van Jezus van Nazareth. Dat was zo’n vreemd verhaal dat er allerlei verklaringen de ronde over waren gaan doen. Jezus zou niet echt gestorven zijn en dus ook niet echt uit de doden opgestaan, Jezus was geen echt mens geweest en had dus ook niet echt geleden. Het hele verhaal ging helemaal niet over een kruisdood en een opstanding maar over de inwijding in een andere godsdienst. Al die niet christelijke verklaringen moesten in de dagen dat Johannes schreef worden weerlegd en bestreden. Het gedeelte dat we vandaag lezen is bedoeld om daarbij te helpen. Het begint dan ook met Grieken die de vragen stellen en apostelen met Griekse namen die de antwoorden gaan zoeken.

Die discussie heeft ook geholpen want een aantal discussies die hier in dit gedeelte worden gevoerd herkennen we helemaal niet. Daar gaan we dan ook geen aandacht aan schenken. Maar dat van die graankorrel die sterft en dat leven dat je niet moet liefhebben maar haten zijn ook vandaag de dag nog actueel. Aan een geloof moet je wat hebben vinden de meeste mensen. Als je bang bent na je dood gestraft te worden voor wat je verkeerd zou kunnen hebben gedaan dan is het handig om te geloven dat Jezus van Nazareth je heeft gered. Zijn kruisdood was dan de straf die jij hebt verdient. De Bijbel bestrijdt die opvatting en Johannes laat ons in dit gedeelte horen hoe Jezus van Nazareth die opvatting bestreed. Het gaat daarbij om de werking van een graankorrel en de manier waarop je leeft. Wat Jezus van Nazareth steeds duidelijk wil maken is dat je helemaal niets voor jezelf moet willen maar alles voor mensen die het echt nodig hebben, voor de naaste en de minste. Leven in liefde die zichzelf niet zoekt.

Als je jezelf helemaal wil wegcijferen, alle risico’s wil nemen om de ander maar te kunnen helpen dan wordt het pas wat. Als je op durft te geven dat je moet rekenen met wat er nodig is om jou in het leven te houden maar dat je alleen maar rekent met wat nodig is om een ander in leven te houden dan gaat het Koninkrijk van God pas werken. Jezus liet dat zelf zien door consequent geweldloos te blijven toen hij gevangen werd genomen, door consequent te weigeren zich te verdedigen of een beroep te doen op zijn populariteit. Het zou een geweldig bloedbad betekent hebben als hij het wel had gedaan. Door het ons zo voor te doen kwam hij weer tot leven omdat zijn volgelingen ook zo van hem bleven houden. Zijn sterven droeg oneindig veel vrucht, zo veel dat wij meestal niet letterlijk meer hoeven te sterven om hem na te volgen. Maar dat we moeten ophouden voor onszelf te zorgen en moeten durven te gaan leven voor de ander, blijft, zo trekt hij ons naar het leven met het risico gekruisigd te worden. Gelukkig mogen we daar elke dag weer opnieuw mee mogen beginnen, ook vandaag weer.

De hele wereld loopt achter hem aan

zondag, 9 april, 2017

Johannes 12:12-19

12 ¶  De volgende dag was er al een grote menigte in Jeruzalem voor het feest. Toen ze hoorden dat Jezus ook zou komen, 13  haalden ze palmtakken en liepen ze de stad uit, hem tegemoet, terwijl ze riepen: ‘Hosanna! Gezegend hij die komt in de naam van de Heer, de koning van Israël.’ 14  Jezus zag een ezel staan en ging erop zitten, zoals geschreven staat: 15  ‘Vrees niet, Sion, je koning is in aantocht, en hij zit op een ezelsveulen.’ 16  Zijn leerlingen begrepen dit aanvankelijk niet, maar later, toen Jezus tot majesteit verheven was, herinnerden ze zich dat dit over hem geschreven stond, en dat het zo ook gebeurd was. 17  De mensen die erbij waren geweest toen hij Lazarus uit het graf riep en uit de dood opwekte, waren van die gebeurtenis blijven getuigen. 18  Daarom ging de menigte hem ook tegemoet, omdat ze gehoord hadden dat hij dit wonderteken had gedaan. 19  En de Farizeeën zeiden tegen elkaar: ‘Je ziet dat we niets bereikt hebben: kijk maar, de hele wereld loopt achter hem aan.’ (NBV)

Het moet een hele gebeurtenis geweest zijn toen Jezus van Nazareth die laatste keer optrok naar Jeruzalem, gezeten op een veulen en omringt door leerlingen, discipelen en een enthousiaste menigte. Er zijn verschillende verhalen in de vier evangelieboeken over te vinden maar de elementen enthousiasme en een veulen zijn er terug te vinden. De een spreekt dan over een ezelsveulen de ander over het veulen van een paard en een derde laat beide mogelijkheden open. Waar het om gaat is de populistische triomftocht die velen deed geloven dat Jezus van Nazareth Jeruzalem in bezit zou nemen en de Romeinse bezetting zou verjagen. Iemand die in staat was een dode uit het graf te roepen die zou ook dat wel voor elkaar krijgen. Wij kennen de afloop en kunnen medelijden hebben met al die mensen en hun enthousiasme. Hun verwachtingen komen immers niet uit en ze zullen teleurgesteld worden.

Maar omdat we de afloop van het verhaal kennen kunnen we misschien ook lering trekken uit het verhaal. Met een mooi woord noemen we enthousiast ook wel begeesterd. Van een nieuwe geest bezeten. En die duizenden die nu juichen bij de intocht laten zich vijftig dagen later met Pinksteren dopen en sluiten zich aan bij Petrus en de andere zendelingen. Daar tussen ligt de kruisiging. Jezus van Nazareth had zelf zich steeds verzet tegen al dat enthousiasme. Hoe vaak had hij zich niet teruggetrokken op een berg of aan de andere kant van het meer. Hoe vaak had hij niet tegen mensen die hij genas gezegd dat ze hun mond moesten houden over zijn rol in het geheel. Hij wist dat als je achter iemand aanloopt vanwege die uiterlijkheden je heel gemakkelijk bedrogen uitkomt en teleurgesteld raakt. Het gaat er dan ook niet om achter iemand aan te lopen, maar om zelf op pad te gaan. Jezus van Nazareth had immers verteld die we allemaal Koningskinderen, kinderen van God, zijn.

Vandaag gaan veel kinderen met Palmpaasstokken naar verpleeg en verzorgingshuizen  om die versierde stokken met fruit en brood te brengen aan de ouderen en zieken. Dat samen delen is het hoogtepunt voor hen van Palmzondag, maar het is ook de ziel van ons geloof. Juist dat zelf op pad mogen gaan om te delen, om handen uit te steken naar de mensen langs de kant van de weg, kan ons enthousiast maken. Zo enthousiast dat je haast de takken van de bomen kunt rukken om er van vreugde mee te gaan zwaaien. Daar mag de hele wereld gerust achter aan lopen. Juist aan die vrolijke tocht met versierde stokken wordt duidelijk dat de wereld nog geen paradijs is, dat we nog steeds met lijden te maken hebben. Kinderen kunnen dat zien als ze de verpleeghuizen en verzorgingshuizen bezoeken, wij hoeven maar de krant open te slaan of de televisie aan te zetten. Maar we mogen nooit onze ogen sluiten voor dat lijden en denken dat we met een vrolijke optocht met gevoelige liedjes de bedoeling van Jezus van Nazareth duidelijk kunnen maken. Die bedoeling lag in de overwinning van dat lijden, in het opstaan tegen de dood. Daar mogen we sindsdien elke dag mee beginnen, ook vandaag weer.