Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor februari, 2017

Doen alsof ze heel wat zijn

dinsdag, 28 februari, 2017

1 Korintiërs 4:14-21

14 ¶  Ik schrijf dit alles niet om u te beschamen, maar om u als mijn geliefde kinderen terecht te wijzen. 15  Hoeveel opvoeders in het geloof in Christus u ook zult hebben, u hebt maar één vader. Door Christus Jezus ben ik uw vader geworden, omdat ik u het evangelie heb gebracht. 16  Ik roep u dus op mij na te volgen. 17 ¶  Daarom ook stuur ik Timoteüs naar u toe, die mijn geliefd kind is, trouw aan de Heer. Hij zal u in herinnering brengen hoe ik in verbondenheid met Christus Jezus leef. Dat is wat ik overal aan iedere gemeente leer. 18  Sommigen van u doen alsof ze heel wat zijn, omdat ze denken dat ik toch niet kom. 19  Maar ik zal spoedig naar u toe komen, indien de Heer het wil, en dan zal ik wel te weten komen of die opscheppers het bij woorden laten of dat ze werkelijk kracht bezitten. 20  Want het koninkrijk van God bestaat niet uit woorden, maar uit kracht. 21  Dus wat wilt u? Moet ik met de stok naar u toe komen, of liefdevol en zachtmoedig? (NBV)

Paulus kan niet ophouden het te herhalen, doe je niet groter voor dan je bent, je hebt altijd nog heel veel te leren. En het Koninkrijk van God bestaat niet uit woorden maar uit kracht. Al in de dagen van Paulus stonden er in de gemeente in Korinthe mensen op die welsprekend waren, mooie verhalen konden vertellen over Jezus Christus die in je hart moet wonen, hoe gehoorzaam je moet zijn aan de overheid, hoe God je ook kan straffen met armoede en ziekte en dat je je daar maar biddend bij moet neerleggen. Mensen die discussies openden over zaken die er niet toe doen, of je van Appolos was of van Paulus noemden ze dat in Korinthe. Bij ons heet dat of je van Marokkaanse afkomst bent, behoord tot de Islam of Nederlander bent en Christen. Daar gaat het helemaal niet om. Paulus noemt de mensen die op die manier spreken tot de gemeente opscheppers. Zij weten het beter. Paulus beroept zich op het verhaal van Jezus van Nazareth. In dat verhaal gaat het over het liefhebben van de naaste als van jezelf.

In dat verhaal gaat het over rechtvaardigheid, in dat verhaal gaat het over een Koninkrijk waarin iedereen welkom is, waar iedereen aan mee kan doen, de armsten en de minsten voorop. Hoe sterk je daaraan weet mee te bouwen daar gaat het om. Paulus zette daarvoor zijn leven in. Dag in dag uit en nog merk je in zijn brieven dat hij zich er iedere keer weer op betrapte dat hij eigenlijk meer had kunnen doen, of met meer liefde voor de mensen, dat ook hij opnieuw had moeten en mogen beginnen. Om de opscheppers in Korinthe de mond te snoeren stuurde hij Timotheüs. Kennelijk verwachtte hij dat de mensen in Korinthe daar veel vertrouwen in zouden hebben, zo veel vertrouwen dat ze die schijndiscussies zouden sluiten en de opscheppers de deur zouden wijzen. Maar we weten dat christelijke gemeenten nog steeds niets geleerd hebben.

We blijven opkijken naar de mensen met de fraaie woorden en de mooie gewaden. Hoeveel Protestanten hebben geen bewondering voor Paus Franciscus, een Jezuiet uit Argentinië, waar de kerk lang de dictators heeft gesteund . Iemand die zich kerkleider noemt en weliswaar aandacht heeft voor de armen en oproept de zwakken lief te hebben en op te komen voor rechtvaardigheid. Maar blijft homoseksuelen discrimineren, blijft voorbehoedsmiddelen verbieden. Vrouwen hebben bij hem in de leiding van de kerk nog steeds geen plaats, zelfs de profetes Hulda zou zich buiten de kerk van deze Paus geplaatst hebben.  Mooi praatjes, nu in eenvoudig uitziende gewaden, maar de kerk als voorbeeld voor de menselijke samenleving blijft ver weg. We moeten er eigenlijk niets over zeggen, praten doen we door de daden voor de armsten, voor de zwakken, voor hen die gediscrimineerd worden om wat ze zijn. Dat doen we om het Koninkrijk van Jezus van Nazareth mee te helpen opbouwen, want komen doet het.

Het uitvaagsel van de mensheid.

maandag, 27 februari, 2017

1 Korintiërs 4:1-13

1 ¶  Men moet ons beschouwen als dienaren van Christus, aan wie het beheer over de geheimen van God is toevertrouwd. 2  Van iemand die deze taak vervult, wordt verlangd dat hij betrouwbaar is. 3  Maar hoe u of een menselijke instelling over mij oordeelt interesseert me niet, en hoe ik over mezelf oordeel telt evenmin. 4  Ik ben me weliswaar van geen kwaad bewust, maar dat betekent niet dat mij niets ten laste kan worden gelegd. Het is de Heer die over mij oordeelt. 5  Houd dus op te oordelen en wacht de tijd af dat de Heer komt, omdat hij het is die aan het licht zal brengen wat in het duister verborgen is en zal onthullen wat de mensen heimelijk beweegt. En dan zal God het zijn die ieder de lof geeft die hem toekomt. 6  Broeders en zusters, ik heb hiervoor over Apollos en mijzelf gesproken. Dat heb ik gedaan omwille van u. U moet namelijk uit ons voorbeeld deze regel leren: houd u aan wat geschreven staat. U mag uzelf niet belangrijk maken door de een te verheerlijken boven de ander. 7 ¶  Wie denkt u dat u bent? Bezit u ook maar iets dat u niet geschonken is? Alles is u geschonken, dus waarom schept u dan op alsof u het zelf verworven hebt? 8  Maar natuurlijk-u bent al helemaal verzadigd, u bent al rijk, u bent al koningen geworden zonder ons. Was u maar koningen geworden, dan zouden wij het ook zijn. 9  Maar volgens mij heeft God ons, apostelen, de laagste plaats toegewezen, alsof we ter dood veroordeeld zijn. We zijn voor heel de wereld, zowel voor engelen als mensen, een schouwspel geworden. 10  Wij zijn dwaas omwille van Christus, terwijl u dankzij Christus zo geweldig wijs bent; wij zijn zwak, terwijl u zo geweldig sterk bent; u staat enorm in aanzien, terwijl wij worden veracht. 11  Tot op de dag van vandaag lijden we honger en dorst, hebben we nauwelijks kleren, worden we mishandeld, zijn we dakloos, 12  zwoegen we voor ons eigen brood. Worden we bespot, dan zegenen we; worden we vervolgd, dan verdragen we het; 13  worden we beledigd, dan antwoorden we vriendelijk. Tot op dit ogenblik zijn wij het uitschot van de wereld, het uitvaagsel van de mensheid. (NBV)

Wie zouden daar nu mee bedoeld worden, wie wordt er uitgescholden voor uitvaagsel? Goed lezen, dit stuk uit de eerste brief aan de mensen in Korinthe. Dat uitvaagsel staat in de laatste regel van dit Bijbelgedeelte. Paulus heeft het hier over zichzelf, en over zijn directe medewerkers, waaronder Apollos. Die mensen uit Korinthe kennen we inmiddels uit de gedeelten uit deze brief die gaan over de verdeeldheid in de gemeente. De ene groep was van Paulus, de andere van Apollos en er waren er zelfs van Cephas, een andere naam voor Petrus. Paulus had die verdeeldheid veroordeeld en gaat er hier nog even op door. Er zijn kennelijk groepen die zich belangrijker vinden dan anderen. Soms gaat het grote gelijk de baas over je spelen en denk je dat je de baas bent omdat je het gelijk aan je kant denkt te hebben. Als je niet minder dan apostel bent, net als Paulus, dan mag je toch denken de belangrijkste te zijn?  Niks is minder waar schrijft Paulus hier.

Wij staan het laagst op de sociale ladder, we moeten werken voor ons eigen brood en onze eigen reiskosten. Als we gevangen zitten dan zitten wij zelf in de gevangenis, kleren hebben we nauwelijks, regelmatig lijden we honger en worden we mishandeld. Kijk dan eens naar jezelf mensen van Korinthe. Jullie hebben het goed. Hoezo? Zelfs het cynisme ontbreekt in de Bijbel niet. Paulus spreekt ze aan alsof ze Koningen zijn, geweldig wijs, rijk en verzadigd. Was het maar waar, verzucht de arme apostel. Hij en zijn gezelschap worden voor dwaas uitgemaakt. Houd het beeld van de kleine hongerige Joodse geleerde in zijn versleten mantel voor ogen. Kijk dan eens naar de leiders van de grote kerken, of naar de leiders van naties. Zijn er voorgangers die er op lijken?  Wie van de denkers en machthebbers in de wereld zet zichzelf opzij ter willen van de armen en de zwakken? Wie zorgt echt voor een veilige plaats voor de opgejaagden?

Het beeld dat Paulus van zichzelf schetst in dit hoofdstuk is voor ons de spiegel waarin wij de echt belangrijke mensen van onze tijd kunnen herkennen. In de discussie over religie, religiekritiek noemt iemand dat, gaat het over het al of niet bestaan van God. Voor en tegenstanders in die discussie vliegen elkaar in de haren. Maar in de Bijbel gaat het helemaal niet over het bestaan van God. Ongelovigen zijn zij die zich niet aan het gebod houden van heb Uw naaste lief als Uzelf. Want ook al roep je luid dat God de Heer is, als je je aan dat gebod niet houdt ben je evenzogoed een ongelovige. Geen wonder dat de religiekritiek onze Moslim broeders zo vaak onberoerd laat. Zij hebben geleerd zich over te geven aan hun God en zich zelf te richten op hun naaste, op de armen. Net als de volgelingen van Jezus van Nazareth en de profeten uit het Oude Testament hebben ze het over rechtvaardigheid. Daar zou de discussie over religiekritiek over moeten gaan. Houden we van onze naaste en hoezo dan? Hoe doen we dat dan? Dat is een discussie niet alleen met woorden maar ook met daden, laat die daden vandaag dus maar spreken.

 

Vertrouw niet op geweld

zondag, 26 februari, 2017

Psalm 62

1 ¶  Voor de koorleider. Op de wijs van Jedutun. Een psalm van David. 2 Alleen bij God vindt mijn ziel haar rust, van hem komt mijn redding. 3 Hij alleen is mijn rots en mijn redding, mijn burcht, nooit zal ik wankelen. 4 Hoe lang nog vallen jullie aan op één man en bedreigen jullie hem met de dood? Hij is als een muur die omvalt, als een wal die op instorten staat. 5 Zij willen hem van zijn hoogte storten, de leugen is hun lust en hun leven, een zegenwens ligt op hun lippen, maar in hun hart verbergt zich een vloek. sela 6 Zoek rust, mijn ziel, bij God alleen, van hem blijf ik alles verwachten. 7 Hij alleen is mijn rots en mijn redding, mijn burcht, ik zal niet wankelen. 8 Bij God is mijn redding en eer, mijn machtige rots, mijn schuilplaats is God. 9 Vertrouw op hem, mijn volk, te allen tijde, open voor hem uw hart, God is onze schuilplaats. sela 10 Niets dan lucht zijn de kinderen van Adam, niets dan een leugen de mensenkinderen, in de weegschaal gaan zij omhoog, samen zijn zij lichter dan lucht. 11 Vertrouw niet op geweld, op iets vluchtigs als geroofd bezit, ook al groeien geld en goed, houd je hart ervan vrij. 12 Eenmaal heeft God gesproken, tweemaal heb ik het gehoord: ‘De macht is aan God.’13 Bij u, Heer, is ontferming, u beloont ieder mens naar zijn daden. (NBV)

Vandaag zingen we Psalm 62. En die psalm moet je samen zingen. Dat staat er tenminste boven. Wij zien dat niet direct maar dat komt omdat we verder nooit van die Jedutun hebben gehoord. Dat was een Leviet, één van de vele dienaars in de Tempel en in Israel. Want de Levieten woonden door heel Israel verspreid. Ze hadden geen land en leefden van de offergaven van de Israëlieten. Een offer in Israel was immers een maaltijd voor je familie, je slaven en dienstknechten, de vreemdelingen in je midden en voor de Levieten en Priesters. Ze spraken vaak recht, legden de Wet van Liefde uit en vervulden allerlei taken in de Heilige Tent en later bij de Tempel in Jeruzalem. Eén van de taken was het zingen van de Psalmen. Dat kun je soms alleen doen, of met het volk, of met een koor. Jedutun was ooit waarschijnlijk een componist die een drietal psalmen op muziek heeft gezet.

Zijn nakomelingen, het geslacht van Jedutun, werden beroemde koorzangers. En als je wil leren om samen te zingen, echt samen, dan moet je lid worden van een koor. Toen de kerken leegliepen was er even de angst dat de koren zouden verdwijnen maar niets is minder waar. Popkoren, smartlappenkoren, klassieke koren, ouderen koren, jongerenkoren, gospelkoren, kinderkoren, Nederland heeft nog steeds een rijke koorcultuur. En daar past deze psalm wonderwel in. Mensen willen er maar op los slaan zegt de Psalm, maar het koor zingt dat je rust moet zoeken en bij God alleen moet zijn, alleen de Liefde kan dus wat betekenen, de Liefde is als een rots, een burcht waardoor je overeind blijft. Er maar op los slaan is maar niks, lucht en leegte, een leugen is het dat geweld zou kunnen helpen. Ook bezit van geld en goed, laat ze je niet beheersen zingt de Psalm, de macht is aan God, niet geld en goed maar Liefde bestuurt de aarde als het goed is.

En als je nu toch de fout bent ingegaan? Als je niet bereid bent geweest om te delen en de arme aan de kant van de weg hebt laten liggen? Als je toch mee bent gaan werken aan geweld, ook aan economisch geweld? Dan mag je van deze God van Liefde altijd omkeren, elk moment opnieuw beginnen. Dat is het wonder van het geloof in de God van Liefde. Altijd opnieuw kun je je bewust maken van je fouten, van de verkeerde weg die je bent ingeslagen, en altijd opnieuw mag je opnieuw beginnen. De Psalm noemt dat ontferming en als je het goede wilt en niets dan het goede dan zul je uiteindelijk beoordeelt worden naar het goede dat je gedaan hebt. Van de doden niets dan goeds, maar ook van de levenden als ze zich mengen in het koor dat het lied van Liefde en rechtvaardigheid zingt, dag en nacht.

Een tempel van God

zaterdag, 25 februari, 2017

1 Korintiërs 3:9b-23

U bent een bouwwerk van God. 10  Overeenkomstig de taak die God mij uit genade heeft opgelegd, heb ik als een kundig bouwmeester het fundament gelegd, en anderen bouwen daarop voort. Laat ieder erop letten hoe hij bouwt, 11 ¶  want niemand kan een ander fundament leggen dan er al ligt-Jezus Christus zelf. 12  Of er op dat fundament nu verder wordt gebouwd met goud, zilver en edelstenen of met hout, hooi en stro, 13  van ieders werk zal duidelijk worden wat het waard is. Op de dag van het oordeel zal dat blijken, want dan zal het door vuur aan het licht worden gebracht. Het vuur zal laten zien wat ieders werk waard is. 14  Wanneer iemands bouwwerk blijft staan, zal hij worden beloond. 15  Wanneer het verbrandt, zal hij daarvoor de prijs betalen; hijzelf zal echter worden gered, maar door het vuur heen. 16 ¶  Weet u niet dat u een tempel van God bent en dat de Geest van God in uw midden woont? 17  Indien iemand Gods tempel vernietigt, zal God hem vernietigen, want Gods tempel is heilig-en die tempel bent u zelf. 18 ¶  Laat niemand zichzelf bedriegen. Wanneer iemand van u denkt dat hij in deze wereld wijs is, moet hij eerst dwaas worden; pas dan kan hij wijs worden. 19  Wat namelijk in deze wereld wijsheid is, is dwaasheid bij God, want er staat geschreven: ‘Hij vangt de wijzen in hun eigen sluwheid.’ 20  En er staat ook geschreven: ‘De Heer kent de gedachten van de wijzen; hij weet dat ze niet meer dan lucht zijn.’ 21 ¶  Niemand van u moet zich daarom laten voorstaan op een ander mens, want álles is van u; 22  of het nu Paulus, Apollos of Kefas is, wereld, leven of dood, heden of toekomst-álles is van u. 23  Maar u bent van Christus en Christus is van God. (NBV)

Dat moet er toch fantastisch uitzien. Die tempel van God. We hebben hier al eens gelezen over de tent die in de woestijn werd gebouwd om de ark en de tafel met het brood te bevatten, die was al prachtig. Later heeft koning Salomo een tempel in Jeruzalem mogen bouwen en nog later kreeg die tempel opvolgers waarvan de een nog mooier was dan de andere. Paulus wijst op een nieuwe tempel, ontstaan na het leven van Jezus onder ons. Die tempel is voor ieder van ons vlak bij. Ga maar voor een spiegel staan en kijk eens goed. Daar zie je de tempel van God, wie die tempel iets aandoet doet God zelf iets aan. Het staat er echt in dit stuk uit de brief aan de mensen in Korinthe. Het is in de Bijbel opgenomen omdat we zijn gaan geloven dat niet alleen die mensen in Korinthe tempels van God waren maar iedereen die meedoet met het verhaal van Jezus is een tempel van God. Een fantastische tempel, waar je heel veel van mag houden.

Weinig mensen kijken op die manier in de spiegel. Een tempel die mooi is van zichtzelf en die je niet eens hoeft te verbouwen. Weinig mensen houden van hun naaste zoals je van een tempel van een geweldige God zou houden. In die tempel woont de Geest van God schrijft Paulus. Dat mens die je in je spiegel ziet kan dus echt de hongerigen te eten geven, de naakten kleden, de gevangenen bezoeken, de bedroefden troosten. Wie de rapporten kent over de hulp na de Tsunami in 2004 weet dat we met elkaar heel erg veel tot stand hebben gebracht. Ieder naar vermogen, ieder op eigen manier maar met iedereen. Er zal daar nog heel veel moeten gebeuren. Maar er is geld en er zijn mensen om het te laten gebeuren.

De wijk in Enschede die getroffen was door de vuurwerkramp was pas na zeven jaar weer opgebouwd. Ondertussen wachten ons ook andere taken. Wij staan weer voor verkiezingen. Staan we er dan bij stil dat ook de vreemdelingen onder ons kinderen van onze God zijn? Beseffen we wel dat de Bijbel ons voorschrijft om regelmatig met de vreemdelingen onder ons maaltijd te houden, en ons niet tegen elkaar te laten opzetten? We komen er achter als we zelf aan het werk gaan, hongerend en dorstend naar gerechtigheid.  De wereldwinkels in Nederland, die van de Fair Trade, en de voedselbanken hebben nog steeds vrijwilligers nodig. Kies maar en doe maar, alles is van U zegt Paulus en U bent van Christus. Kijk maar in de spiegel, elke ochtend weer en weet dus dat je je niet afhankelijk hoeft te maken van een ander, geen voorganger hoef je te volgen, je bent zelf een tempel. Aan de slag dus.

Ik heb geplant

vrijdag, 24 februari, 2017

1 Korintiërs 3:1-9a

1 ¶  Maar, broeders en zusters, ik kon tot u niet spreken als tot geestelijke mensen. Ik sprak tot mensen van deze wereld, tot niet meer dan kinderen in het geloof in Christus.  2  Ik heb u melk gegeven, geen vast voedsel; daar was u niet aan toe. En ook nu nog niet, 3  want u bent nog gebonden aan de wereld. Wanneer u afgunstig en verdeeld bent, dan bent u toch gebonden aan de wereld, dan leeft u toch als ieder ander? 4  Wanneer de een zegt: ‘Ik ben van Paulus, ‘en een ander: ‘Ik van Apollos, ‘bent u dan niet als alle andere mensen? 5 ¶  Wat is Apollos eigenlijk? En wat is Paulus? Zij zijn niet meer dan dienaren die u tot geloof hebben gebracht, beiden op de wijze die de Heer hun heeft geschonken. 6  Ik heb geplant, Apollos heeft water gegeven, maar God heeft doen groeien. 7  Het is niet belangrijk wie plant of wie begiet; alleen God is belangrijk, want hij doet groeien. 8  Wie plant en wie begiet hebben hetzelfde doel, al worden ze ieder apart beloond overeenkomstig de moeite die ze zich hebben gegeven. 9  Dus wij zijn medewerkers van God en u bent zijn akker.  (NBV)

De verdeeldheid die de christenheid sinds de dagen van Paulus teistert is ook in onze dagen te zien. Maar veel van die verschillen zijn de verschillen zoals die tussen groepen mensen in deze wereld kunnen bestaan. Of we nu onderscheid maken tussen Allochtonen en Autochtonen, tussen Nederlanders, Antillianen, Turken en Marokanen of tussen Katholieken en Protestanten volgens Paulus doe je met het maken van dat soort onderscheid eigenlijk voortdurend hetzelfde. Je bent met het maken van dat soort onderscheid nog lang niet op de weg van Jezus van Nazareth. Het onderscheid dat Jezus van Nazareth maakt is dat tussen rijken en armen, tussen gelovigen en ongelovigen. Met gelovigen worden die mensen aangeduid die zich bekommeren om hun naasten. In het Koninkrijk van Jezus van Nazareth mag immers iedereen meedoen?

Natuurlijk kan er op allerlei manieren over het verhaal van Jezus van Nazareth worden verteld. Paulus geeft het al aan, hij kwam langs om de boodschap te brengen, Apollos zorgde dat het een manier van leven werd. En om dat laatste gaat het. Religie, ook al gaat het zo te horen om het verhaal van Jezus van Nazareth, kan ook aanzien en macht brengen. Let maar eens op de pracht en praal die soms bij officiële kerkelijke bijeenkomsten te zien is. Zie eens hoe sommige zogenaamde predikers of kerkvorsten zich voor laten staan op hun positie. Paulus maakt zich onbelangrijk, het maakt niet uit wie plant of begiet. Uiteindelijk gaat het er om je naaste lief te hebben als jezelf, dat moet dan ook te zien zijn.

We kennen ook de beschuldigingen over fundamentalisme. Een overtrokken voorstelling van het eigen geloof dat ook nog, desnoods met geweld, aan anderen moet worden opgelegd. Sommige Christelijke fundamentalisten beroepen zich op dit stuk uit de brief aan de mensen in Korinthe, zij bouwen op het Woord van God en daarom hebben ze gelijk. Maar ook als je het woord van God in de vorm van de Bijbel in je binnenzak hebt dan heb je God nog niet in je binnenzak. Paulus schrijft over de verdeeldheid en over de verschillende manieren om het verhaal van Jezus van Nazareth te vertellen en over de verschillende manieren die er zijn om de mensen er bij te betrekken. Jezus van Nazareth begon met het verhaal en zijn leven en sterven was dat verhaal, de anderen hebben daar op voortgebouwd, ieder op eigen wijze. Als wij de akker zijn dan moet elk van ons op een eigen wijze bewerkt worden, dat is geen verschillend zijn, dat is het zelfde behandeld worden, maatwerk, een maatwerk dat we ook zelf mogen leveren.

 

Van heinde en ver

donderdag, 23 februari, 2017

2 Kronieken 9:13-31

13 ¶  Koning Salomo ontving jaarlijks zeshonderdzesenzestig talent goud, 14  nog afgezien van het goud dat de handelskaravanen meebrachten. Ook de Arabische vorsten en de stadhouders van Israël droegen goud en zilver aan Salomo af. 15  De koning liet tweehonderd grote schilden maken van gedreven goud; in één zo’n schild werd zeshonderd sjekel gedreven goud verwerkt. 16  En ook nog driehonderd kleinere schilden van gedreven goud; in één zo’n schild werd driehonderd sjekel goud verwerkt. Deze schilden liet hij opstellen in de hal die het Woud van de Libanon werd genoemd. 17  Van ivoor liet hij een grote troon maken, die werd verguld met zuiver goud.  18  Zes treden leidden naar de troon, waaraan ook een gouden voetenbank was bevestigd en armleuningen aan weerskanten van de zitting. Naast de armleuningen stonden twee leeuwen 19  en op de zes treden stonden er twaalf, één aan elke kant van iedere tree. In geen enkel koninkrijk was ooit zo’n troon gemaakt. 20  Al het drinkgerei van koning Salomo was van goud en al het andere vaatwerk in het Woud van de Libanon was verguld, want aan zilver hechtte men in de tijd van Salomo geen bijzondere waarde.
21  De koning beschikte namelijk over een handelsvloot die, bemand door zeelieden van Churam, op Tarsis voer en eens in de drie jaar binnenliep met een lading goud, zilver, olifantstanden, apen en pauwen. 22  Koning Salomo overtrof alle andere koningen op aarde in rijkdom en wijsheid. 23  Van heinde en ver kwamen koningen naar Salomo toe om te luisteren naar de wijsheid waarmee God hem vervuld had. 24  En allemaal brachten ze geschenken mee: zilveren en gouden voorwerpen, gewaden, wapens, reukwerk, paarden en muildieren. Dat ging zo jaar in jaar uit. 25  Salomo beschikte over vierduizend stalplaatsen voor paarden en wagens, en over twaalfduizend wagenmenners. Die waren deels bij de koning in Jeruzalem ondergebracht en deels in garnizoenssteden verspreid over het land. 26  Salomo had de heerschappij over alle koningen tussen de Eufraat en het land van de Filistijnen, en tot aan de grens met Egypte. 27  Dankzij koning Salomo was zilver in Jeruzalem even gewoon als steen, en was er aan cederhout net zo’n overvloed als aan wilde vijgenbomen in het heuvelland. 28  Paarden werden voor Salomo aangevoerd uit Egypte en verschillende andere landen.
29  Verdere bijzonderheden over Salomo zijn van begin tot eind opgetekend in de geschriften van de profeet Natan, in de profetie van Achia uit Silo en in de visioenen van de ziener Jedo over Jerobeam, de zoon van Nebat. 30  Veertig jaar regeerde Salomo vanuit Jeruzalem over heel Israël, 31  tot hij bij zijn voorouders te ruste ging. Hij werd begraven in de Davidsburcht, en zijn zoon Rechabeam volgde hem op. (NBV)

Genoeg over Salomo. Er valt nog veel over deze Koning te vertellen maar dan moet je maar de geschriften van de profeet Natan lezen of de prefetie van Achia uit Silo of in de visioenen van de ziener Jedo over Jerobeam, de zoon van Nebat. Daar staat de rest van het verhaal in. Die boeken zijn verloren gegaan. Bijna zou je zeggen “helaas” Maar zo is het niet. Wie zich afvraagt waarom er eigenlijk zo weinig over de tweede twintig jaar van de regering in het boek Kronieken staat heeft hier het antwoord. In dit boek staat het belangrijkste, dat waar het echt over moet gaan. Ten eerste de Tempelbouw, over die twintig jaar wordt uitgebreid vertelt. Daar waren de eerste lezers van de Kronieken ook mee bezig. Ze zullen zich af en toe best afgevraagd hebben waar ze het allemaal voor doen, er was immers veel weerstand tegen de herbouw van de Tempel onder leiding van Ezra en Nehemia.

De schrijver van de Kronieken geeft het antwoord. Als je de Tempel, met de richtlijnen voor de menselijke samenleving, centraal stelt in je samenleving dan groeit je land in rijkdom en aanzien. Dat wordt je zo rijk dat zilver weinig meer waard is. Stel je dat eens voor, zilver niks meer waard. Voor ons bijna onvoorstelbaar. Voor de Bijbel niet, in de Bijbel is het zelfs niet onbestaanbaar  dat goud niks meer waard is. In een nieuw Jeruzalem zullen de straten van goud zijn, we kunnen van goud gewoon straatstenen maken, meer is het niet waard. De rijkdom die we hebben komt van de God van Israël. Als iedereen dat zou beseffen en bereid zou zijn te delen van wat God geeft dan hoeven we niet steeds meer en nog meer, dan hebben we altijd genoeg.En in een samenleving die rust op recht en gerechtigheid straalt het als een licht dat niet verborgen kan blijven. Jeruzalem wordt een stad waar alle volken naar kijken, van heinde en verre komen de Koningen van de wereld naar Salomo die de vreze voor God als begin van alle wijsheid kent.

En denk niet dat die Koningen op het idee komen dat ze die rijkdom wel zouden kunnen stelen. Paarden en wagens in overvloed, een gastenhuis met duizend gouden schilden. Elke stad kende een eigen garnizoen dat voor de veiligheid moest zorgen. Dat is het vooruitzicht dat aan de bouwers van Jeruzalem wordt geschilderd. Dat vooruitzicht ligt in hun verleden. We kennen het dus al, we kunnen het ons voorstellen. Zo weten wij wat een land is dat in vrede leeft, dat is ons land, een vrede die we kunnen verspreiden, tot aan de einden der aarde is ons opgedragen. Wij weten wat zorg en aandacht opleveren. De gemiddelde leeftijd in ons land is in de laatste honderd jaar bijna verdubbeld. Dat streven naar vrede, recht en gerechtigheid, naar delen van wat God ons geeft mogen we dus nooit opgeven, geen dag.

Alles waar ze maar om vroeg

woensdag, 22 februari, 2017

2 Kronieken 9:1-12

1 ¶  De roem van Salomo was tot de koningin van Seba doorgedrongen. Ze ging naar hem toe om hem met raadsels op de proef te stellen en kwam naar Jeruzalem met een grote karavaan kamelen beladen met reukwerk, een grote hoeveelheid goud, en edelstenen. Ze bracht Salomo een bezoek en legde hem alle vragen voor die ze had bedacht. 2  En Salomo wist op al haar vragen een antwoord, er was er niet één waarop hij het antwoord schuldig moest blijven. 3  Toen de koningin van Seba merkte hoe wijs Salomo was en ze het paleis zag dat hij gebouwd had, 4  de gerechten die bij hem op tafel kwamen, de wijze waarop zijn hovelingen aanzaten, de kleding en de goede manieren van zijn bedienden en schenkers en de plechtige stoet waarin hij zich naar de tempel van de HEER begaf, was ze buiten zichzelf van bewondering. 5  Ze zei tegen de koning: ‘Het is dus echt waar wat ik in mijn land over u en uw wijsheid heb horen vertellen.  6  Ik geloofde het niet, maar nu ik hierheen ben gekomen en het met eigen ogen gezien heb, moet ik toegeven dat ik nog niet de helft te horen heb gekregen. Uw wijsheid is nog veel groter dan wordt gezegd. 7  Wat zijn uw hovelingen, die voortdurend in uw gezelschap verkeren en al uw wijze woorden horen, bevoorrecht! 8  Geprezen zij de HEER, uw God, die zo veel behagen in u schept dat hij u op de troon heeft gezet om in zijn naam koning te zijn. Uw God heeft Israël zo lief dat hij het voor altijd wil doen standhouden. Daarom heeft hij u als koning aangesteld om recht en gerechtigheid te handhaven.’ 9  De koningin van Seba schonk Salomo honderdtwintig talent goud en een grote hoeveelheid reukwerk en edelstenen. Het reukwerk dat de koningin van Seba aan koning Salomo gaf, was van onovertroffen kwaliteit. 10  De zeelieden van Churam en Salomo die het goud uit Ofir hadden meegebracht, voerden ook sandelhout en edelstenen mee. 11  Uit het sandelhout liet Salomo trappen maken voor de tempel van de HEER en het koninklijk paleis, en ook lieren en harpen voor de zangers. Nooit eerder was er in Juda zoiets gezien. 12  Koning Salomo gaf de koningin van Seba alles waar ze maar om vroeg. Hij gaf haar zelfs meer dan zij voor hem had meegebracht. Daarna keerde ze met haar gevolg naar haar eigen land terug. (NBV)

Vandaag lezen we een verhaal dat door de eeuwen heen veel indruk heeft gemaakt. Het verhaal van de Koningin van Seba. Maar het wordt over het algemeen op een zeer vrouwonvriendelijke manier verteld. Die koningin kwam naar Salomo vanwege zijn wijsheid. Het was kennelijk niet haar bedoeling bij Salomo te blijven, of zo maar een vakantiebezoek te brengen. Ze had zich goed voorbereid en vooraf de vragen overwogen die wilde stellen. En ze was zeer onder de indruk. Salomo had orde in de chaos geschapen die een grote hofhouding kan meebrengen. Iedereen had een plaats en alles had een tijd waarop het moest gebeuren. Alle kleren waren mooi, heel en schoon. Maar het begon met de vragen. En dat wordt vaak overgeslagen. Wat kan een vrouw nu vragen dat een man niet kan beantwoorden?

Dat is dus zeer vrouwonvriendelijk. En dat doet de Koningin onrecht. Het gaat haar om recht en gerechtigheid. En een vorst of vorstin die haar onderdanen tot hun recht wil laten komen is meer dan goud waard. De meeste machthebbers denken immers dat de onderdanen er zijn om hen te laten schitteren, zodat ze als machthebbers tot hun recht komen. Bij een staatsbezoek hoort ook het uitwisselen van geschenken. Ook in de Nederlandse paleizen staat het vol met zulke geschenken. Goud, reukwerk en edelstenen kreeg Salomo. Geschenken van hoge kwaliteit. Maar er kwam nog meer naar het paleis van Salomo, sandelhout en nog meer edelstenen. Er wordt wel eens gesproken over de handel waarmee Salomo dit heeft verdiend. Maar daarover is in de Bijbel niets te lezen. De zeelui gingen en kwamen beladen met schatten weer terug.

Salomo sloeg de pas verkregen schatten niet op in zijn paleis. De God van Israël kwam eerst en hij liet daarom de Tempel nog mooier maken dan die al was. Er kwamen trappen van sandelhout, er kwamen lieren en harpen voor de priesterkoren en de orkesten van de levieten. Zo iets hadden de mensen nog nooit gezien. Maar niet alleen de gaste kwam met geschenken, ook de gastheer wist van geschenken die de vriendschap onderhouden. Uiteindelijk leek het een wedstrijdje te worden in wie de rijkste was. Salomo won dat, de Koningin kreeg meer dan ze had meegebracht. Het hele verhaal roept voor ons de vraag op waar dat rare idee vandaan kwam dat een vrouw niet zou kunnen besturen, niet in de politiek of op de kansel zou thuishoren. De Bijbel zet twee verstandige, succesvolle koningen naast elkaar, de een vrouw, de ander man en ze doen voor  elkaar niet onder. Daar kunnen we soms nog wel eens een voorbeeld aan nemen.

Toen de tempel eenmaal voltooid was

dinsdag, 21 februari, 2017

2 Kronieken 8:12-18

12 ¶  Toen de tempel eenmaal voltooid was, bracht Salomo brandoffers op het altaar van de HEER dat hij tegenover de voorhal van de tempel had laten maken. 13  Daar bracht hij de offers die Mozes had voorgeschreven voor sabbat, nieuwemaan en de drie grote jaarlijkse feesten: het feest van het Ongedesemde brood, het Wekenfeest en het Loofhuttenfeest. 14  Hij stelde het dienstrooster in werking dat zijn vader David had opgesteld voor de afdelingen van de priesters en voor de Levieten die tot taak hadden de lofzang ten gehore te brengen en de priesters bij de eredienst behulpzaam te zijn. Ook de poortwachters voor de verschillende poorten liet hij volgens wachtdienst aantreden, alles overeenkomstig de voorschriften van David, de man van God. 15  Alle voorschriften van de koning aangaande de priesters en de Levieten, ook wat betreft het beheer van de tempelschatten, werden stipt opgevolgd. 16  Zo werd het werk van koning Salomo volledig uitgevoerd, vanaf de dag van de grondvesting van de tempel van de HEER tot aan zijn uiteindelijke voltooiing. 17  Daarna ging Salomo naar Esjon-Geber en Elat, aan de kust van Edom. 18  Churam stuurde hem onder bevel van zijn gezagvoerders een vloot met een ervaren bemanning, die samen met de zeelieden van Salomo naar Ofir voer, van waar ze vierhonderdvijftig talent goud voor koning Salomo meebrachten. (NBV)

Toen de Tempel klaar was nam het leven weer haar gewone gang. Dat is wat de schrijver van de Kronieken ons wil vertellen. Dat was belangrijk voor de teruggekeerde ballingen. Ze waren in een nieuw land terecht gekomen. Een land dat de meesten van hen nooit gekend hadden. Ze waren geboren en getogen in Babel. Daar hadden ze gehoord bij een godsdienstige minderheid. Zo af en toe was die minderheid ook vervolgd geweest. Dat ze daar niet bang voor hoefden te zijn hadden ze geleerd uit het verhaal over Esther. Maar wat was nu het gewone leven in het land waar ze een meerderheid hadden gevormd. Het land waar ze hun godsdienst weer vorm en aanzien hadden gegeven. De Priesters en levieten hadden hun eigen verhalen en geschriften mee terug genomen. Dienstroosters waren daarbij geweest die vertelden welke priesters wanneer tempeldienst hadden en welke levieten werden aangewezen om te helpen. Omdat die dienstroosters terug zouden gaan op de tijd van David kregen ze geldigheid. Ook Salomo had er immers na voltooiing van de Tempel gebruik van gemaakt.

David had ook wachters aangesteld bij de Tent die hij in Jeruzalem voor de Ark van het verbond had opgericht. Ook die voorschriften waren bewaard gebleven en door Salomo al gebruikt. Daar konden de teruggekeerde ballingen van profiteren. Zo kunnen ook wij natuurlijk profiteren van de verhalen die ons door de eeuwen heen bereikt hebben. Waar we best over van mening kunnen verschillen maar waarvan de kern steeds hetzelfde blijft. God heeft ons lief als wij God liefhebben. Een land opbouwen zullen we elke generatie weer opnieuw moeten doen. Ooit heeft de oorlog ons land bereikt, daarna kwam een periode van wederopbouw. Tijdens die wederopbouw heeft ook ons sociaal stelsel vorm gekregen. We bouwden dus niet alleen een land op waar door weinigen veel geld verdient kon worden maar waar ook plaats was voor ouderen, zieken en gehandicapten, mensen zonder werk, en voor vreemdelingen. Een land waar gezorgd werd voor iedereen die zorg nodig had. En als iemand ons vroeg waarom dan wezen we op de Bijbel die ons in beweging had gebracht voor een land gebouwd op liefde en zorg.

Salomo bracht offers in de Tempel staat er. Elke week weer en op de feestdagen van Israël. Offers worden in de Bijbel niet gebracht om God in leven te houden, maar om te laten zien dat je beseft dat wat je gekregen hebt, wat je verdiend hebt met werk en handel van God afkomstig is. Op de drie grote feesten die wij kennen als Pasen, Pinksteren en het Loofhuttenfeest moest men zelfs maaltijden houden met de familie, de meiden en de knechten, de slaven en slavinnen, de armen en de vreemdelingen. Ook Salomo volgde dus deze regels. Salomo was overigens rijk genoeg. Maar ook die rijkdom had een eindigheid. Al die bouwwerken, al die offers werden ook een last, een belasting. Die burgers van vreemde volken kun je wel voor niks laten werken maar ze moesten toch te eten hebben en ergens wonen. Churam, de koning die Salomo voortdurend had geholpen, wist waar het goud te vinden zou zijn. Israëlieten hadden het niet zo op varen op zee, dus stelde Churam een vloot beschikbaar die samen met Salomo het goud uit Ofir liet halen. Ook voor ons wacht dat goud. Als wij delen, als wij vrede weten te bewaren met iedereen op aarde, als we blijven hongeren naar gerechtigheid dan wordt de hele aarde van goud. Daar mogen we elke dag aan werken.

Tot op de dag van vandaag

maandag, 20 februari, 2017

2 Kronieken 8:1-11

1 ¶  Twintig jaar had Salomo besteed aan de bouw van de tempel voor de HEER en het koninklijk paleis. 2  De steden die koning Churam hem gegeven had breidde hij uit, zodat daar Israëlieten konden wonen. 3  Hij trok op tegen Hamat-Soba en veroverde het. 4  Hij versterkte Tadmor, dat in de woestijn ligt, en de steden die hij in Hamat had laten bouwen om er voorraden op te slaan. 5  Van Hoog-Bet-Choron en Laag-Bet-Choron maakte hij vestingsteden met muren en vergrendelbare stadspoorten, 6  en hij versterkte ook Baälat en alle steden waar hij zijn voorraden opsloeg en zijn wagens en paarden stalde. Hij bouwde wat hij maar wilde, in Jeruzalem, in de Libanon of waar ook in zijn rijk. 7-8 Salomo legde aan alle bevolkingsgroepen die niet tot het volk van Israël behoorden herendienst op, dat wil zeggen aan de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten die nog in het land woonden omdat de Israëlieten hen niet hadden uitgeroeid. Deze maatregel geldt tot op de dag van vandaag. 9  De Israëlieten zelf, die soldaten waren en bevelhebbers van de garde, de wagenmenners en de ruiterij, waren dus niet verplicht tot herendienst. 10  Tweehonderdvijftig van hen stelde Salomo aan als opzichters die de leiding over het werkvolk hadden. 11  De dochter van de farao liet hij van de Davidsburcht verhuizen naar de vertrekken die hij voor haar in het paleis had laten bouwen, ‘want, ‘zei hij, ‘geen vrouw van mij zal in de burcht van koning David van Israël wonen. De plaatsen waar de ark van de HEER heeft gestaan zijn immers heilig.’ (NBV)

Het gedeelte dat we vandaag uit de boeken Kronieken lezen is het begin van een verhaal over het tweede deel van de regering van Salomo. Eerder was ons al verteld dat Salomo veertig jaar heeft geregeerd, het aantal jaren dat God gegeven heeft om zijn doel te bereiken. De eerste twintig jaar heeft Salomo besteed aan de bouw van de Tempel in Jeruzalem. De volgende twintig jaar aan het regeren over zijn rijk. Wat dat rijk nu precies geweest is was de vraag. En het was zeker een vraag voor de ballingen die teruggekeerd waren uit de ballingschap in Babel. Het antwoord van de schrijver van de Kronieken was eenvoudig. Het rijk van Salomo was een groot rijk geweest, groter dan het rijk van Dan tot Berseba waar Israël ooit mee begonnen was. Zowel naar het noorden als naar het zuiden strekte het zich verder uit. Zelfs de Libanon werd tot het rijk van Salomo gerekend. Salomo was de koning van de bouw. De bouw van de Tempel stond natuurlijk voorop.  Maar daar bleef het niet bij.

Salomo bouwde zijn rijk uit en in de steden die er vanouds waren en die de sporen van oorlogen droegen bouwde hij opnieuw. Natuurlijk hoefde hij niet zelf te bouwen. Daar waren mensen voor. Als je die mensen zou moeten betalen dan kon zelfs de rijke Salomo dat niet dragen. Maar er is een andere mogelijkheid. Die van de Herendiensten. Gratis arbeid dat je ten behoeve van de gemeenschap moet leveren. Een vijftal volkeren die hadden moeten worden uitgeroeid maar die toch in het land bleven wonen hielpen bij de herbouw en de renovatie. En dat tot op de dag van vandaag schrijft de Kronist. Dat was handig voor de teruggekeerde ballingen die het land weer aan het opbouwen waren. Op grond van de Bijbel kregen ze ineens een groot aantal hulparbeiders aangeboden. Die herendiensten zijn overigens niet vreemd. Zelfs onze gemeentewet kende een bepaling die burgers konden verplichten gratis arbeid te verrichten. Van de bouwers die onder Ezra en Nehemia Jeruzalem weer opbouwden en de Tempel weer herstelden staat geschreven dat ze de troffel in de ene en het zwaard in de andere hand hadden.

Dat was onder Salomo wel anders. Iedereen die geroepen was om het land en het volk te beschermen was vrijgesteld van de Herendienst, hooguit werden ze opzichters. De godsdienst van Israël wilde het tegendeel zijn van de godsdienst van Egypte. In Egypte heerste de aanbidding van de dood. Met geweldige bouwwerken moest de dood ongedaan gemaakt worden. Israël had een godsdienst van het leven. Niet het leven voor iedereen afzonderlijk maar het leven voor het volk. Wat er ook zou gebeuren de God van Israël zou er voor zorgen dat het leven van het volk geen einde zou kennen. Salomo moest daarom afstand nemen van Egypte. Maar ja, hij was met een Egyptische prinses getrouwd. Voor haar werd dus een apart onderkomen gebouwd. Helemaal afstand nemen van de vrouwen van vreemde volken hoefden de ballingen dus ook niet echt, maar afstand houden en trouw blijven aan de godsdienst bleven voor op staan. En dat laatste geld ook voor ons. Angst voor vreemdelingen hoeven we niet te hebben, ze kunnen een belangrijk aandeel leveren aan onze samenleving, maar trouw aan onze godsdienst van delen en liefhebben moet voorop blijven staan.

Zwijg niet, God

zondag, 19 februari, 2017

Psalm 83

1 ¶  Een lied, een psalm van Asaf. 2 God, houd u niet stil, zwijg niet, God, zie niet onbewogen toe, 3 uw vijanden roeren zich, trots heffen uw haters het hoofd. 4  uw volk smeden zij een complot, ze spannen tegen uw lieveling samen, 5 en zeggen: ‘Kom, wij verdelgen dit volk, Israëls naam zal nooit meer worden genoemd.’6 Zij hebben samen plannen gesmeed en zich tegen u verenigd: 7 de tenten van Edom en de Ismaëlieten, Moab en de zonen van Hagar, 8 Gebal en Ammon en Amalek, Filistea en de bewoners van Tyrus. 9 Zelfs Assyrië heeft zich aangesloten en de hand gereikt aan de zonen van Lot. sela 10 Doe met hen als met Midjan, als met Sisera en Jabin in het Kisondal, 11 die bij Endor werden vernietigd en als mest op het land bleven liggen. 12 Behandel hun vorsten als Oreb en Zeëb, hun leiders als Zebach en Salmunna, 13 die zeiden: ‘Wij bezetten het land waar God zijn woning heeft.’14 Mijn God, maak hen tot distelpluis, tot kaf dat verwaait in de wind. 15 Zo snel als vuur het bos verbrandt, als vlammen de bergen verschroeien, 16 laat zo uw storm hen voortjagen, uw wervelwind hen verwarren. 17 Overdek hen met schande, dan zullen zij vragen naar uw naam, HEER.18 Laat hen beschaamd staan, in verwarring raken en eerloos verloren gaan, voorgoed. 19 Dan zullen zij weten dat uw naam HEER is, dat u alleen de Allerhoogste bent op aarde. (NBV)

Vandaag zingen we mee met Psalm 83. Uit de vermelding dat het een psalm van Asaf is mogen we opmaken dat de Psalm gezongen werd bij de Tempel. Daar waar de Wet van de liefde werd bewaard en geoefend kwam het volk bij elkaar, waarschijnlijk voor een vastendag, samen te delen, maar ook om zich samen sterk te voelen als kinderen van de God die ooit had gezegd met hen mee te gaan. Want elk volk heeft zo zijn vijanden en zeker Israël kent een lange geschiedenis met volken die dat vruchtbare land wel zouden willen beheersen en zelfs bewonen. Er worden hier zelfs 10 vijandige volken genoemd waarvan er een aantal zelfs nog familie van Israël zijn. Edom, afstammelingen van Esau en de Ismaëlieten, afstammelingen van de oudste zoon van Abraham. Kennelijk waren ook de afstammelingen van Lot, de neef van Abraham in conflict geraakt met Israël. In de nieuwe Bijbelvertaling duikt overigens ineens Assyrië op in het rijtje, een land dat in andere vertalingen niet voorkomt.

De geleerden zijn het er niet over eens welke vijand hier nu weer wordt aangeduid. Het meest waarschijnlijk is de Arabische stam van de Assurieten die in het boek Genesis worden genoemd. Dat plaatst het ontstaan van de Psalm tenminste voor de ballingschap. God wordt gevraagd te doen met de vijanden wat er ook met de vijanden gebeurde in de dagen van de Rechters. In het Hebreeuws klinkt dit lied rauw en onheilspellend. Een paar duizend mensen dit lied horen zingen moet diepe indruk gemaakt hebben op de vijanden. Toch zingt de Psalm ook uit dat men niet zozeer voor eigen belang oorlog wil voeren. Juist de hebberigheid van de vijanden wordt veroordeeld. Daarom moet het een oorlog van de Heer zelf worden, ter bescherming van de armen, van de zwakken ook. Jezus van Nazareth zou veel later oproepen zelfs je vijanden lief te hebben. Een volk heeft niet altijd de keus geen oorlog te voeren als het wil blijven bestaan.

Maar uit deze Psalm kunnen we al leren dat er een groot verschil is tussen een veroveringsoorlog, waarbij de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf met voeten wordt getreden en een verdedigingsoorlog waarbij de nadruk ligt op het verdedigen van de zwaksten in de samenleving. In de dagen waarin deze Psalm ontstond was elk volk op zichzelf aangewezen. Bondgenootschappen werden gesmeed om er zelf beter van de worden. Bondgenootschappen gericht op onderlinge hulp en bijstand waren zeldzaam. Tegenwoordig hebben we de Verenigde Naties als organisatie gericht op het brengen van vrede en bescherming van de zwaksten op onze aarde. Daarom kunnen oorlogen worden afgemeten aan de vraag of ze met of zonder toestemming van de Verenigde Naties gevoerd worden. Maar dat we samen vragen om kracht om de armsten op aarde te beschermen is zeker vandaag een bede die we samen zingend kunnen aanheffen.