Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor januari, 2017

Kom tot inkeer

zaterdag, 21 januari, 2017

Matteüs 4:12-25

12 ¶  Toen Jezus hoorde dat Johannes gevangengenomen was, week hij uit naar Galilea. 13  Hij liet Nazaret achter zich en ging wonen in Kafarnaüm, aan het Meer van Galilea, in het gebied van Zebulon en Naftali. 14  Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet Jesaja: 15  ‘Land van Zebulon en Naftali, gebied aan de weg naar zee en aan de overkant van de Jordaan, Galilea van de heidenen, luister: 16  Het volk dat in duisternis leefde, zag een schitterend licht, en zij die woonden in de schaduw van de dood werden door het licht beschenen.’ 17  Vanaf dat moment begon Jezus zijn verkondiging. ‘Kom tot inkeer, ‘zei hij, ‘want het koninkrijk van de hemel is nabij!’ 18 ¶  Toen hij langs het meer liep, zag hij twee broers, Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas. Ze wierpen hun net uit in het meer, het waren vissers. 19  Hij zei tegen hen: ‘Kom, volg mij, ik zal van jullie vissers van mensen maken.’ 20  Ze lieten meteen hun netten achter en volgden hem. 21  Even verderop zag hij twee andere broers, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes. Ze waren met hun vader in hun boot bezig met het herstellen van de netten. Hij riep hen 22  en meteen lieten ze de boot en hun vader Zebedeüs achter en volgden hem. 23 ¶  Hij trok rond in heel Galilea; hij gaf er onderricht in de synagogen, verkondigde het goede nieuws van het koninkrijk en genas iedere ziekte en elke kwaal onder het volk. 24  Het nieuws over hem verspreidde zich in heel Syrië. Allen die ergens aan leden en die gekweld werden door een ziekte of door pijn, en ook bezetenen en maanzieken en verlamden werden bij hem gebracht, en hij genas hen. 25  En grote groepen mensen volgden hem, uit Galilea en Dekapolis, uit Jeruzalem en Judea en uit het gebied aan de overkant van de Jordaan. (NBV)

Je moet maar durven. Een gedachte die regelmatig opkomt als je de verhalen over Jezus van Nazareth leest. We hebben het verhaal van Johannes gelezen die aan de Jordaan bij de woestijn mensen opriep weer volgens de richtlijnen van de God van Israël te gaan leven en, als teken dat ze hun leven wilden veranderen, hen doopte. Er stond toen in dat verhaal dat van heinde en ver mensen toestroomden om zich door hem te laten dopen. Maar die Johannes werd door Koning Herodes gevangen genomen. Geen wonder dat Jezus van Nazareth onderdook. Hij ging in een streek wonen waar vroeger de stammen Zebulon en Naftali hadden gewoond. Dat waren twee van de tien stammen die in de tijd van de ballingschap verloren waren gegaan. Al in de tijd van de profeet Jesaja heette hun gebied het Galilea van de heidenen, van hen die de goddelijke richtlijnen niet kennen. In de dagen van Jezus van Nazareth had Koning Herodes hier niets te vertellen, het gebied viel direct onder Romeins bestuur.

Al die duistere en donkere gegevens moeten je niet tot wanhoop drijven schrijft Matteüs dan. Hij roept in herinnering dat de profeet Jesaja ook de mensen uit deze streek had voorgehouden dat in de duisterste duisternis altijd een licht zal opgaan. Een gedachte die we ook vandaag moeten vasthouden. Overal in de wereld zijn nog mensen die in de schaduw van de dood leven. Ook aan die mensen is de boodschap van de Bijbel dat ze door het licht zullen worden beschenen. Aan ons om er aan te gaan werken dat het ook zal gebeuren. Jezus van Nazareth begon juist in die ook voor hem duistere tijden met zijn verkondiging. En je moet maar durven, in een tijd dat alles uitzichtloos lijkt, de mensen voor te houden dat het beste Koninkrijk dat denkbaar is nabij is. De hemel op aarde, het koninkrijk van de hemel, ligt om de hoek voor het grijpen. In het vervolg op wat Johannes al geroepen had klinkt ook hier de roep tot inkeer. We zullen het echt anders moeten doen.

In een oorlog vallen er slachtoffers en misschien moeten we zelfs blij zijn dat de oorlog nog niet zo onpersoonlijk is geworden dat de soldaten buiten schot blijven. Nederlandse soldaten kwamen om samen met Afghaanse soldaten, vrouwen, kinderen, ouderen en jongeren en ook samen met Talibanstrijders. Gewonden blijven achter. Onze gewonden worden gerevalideerd en krijgen nieuwe kansen, maar hoe zit het met Afghaanse gewonden? Er zijn in Nederlandse ziekenhuizen of revalidatiecentra nog geen Afghanen gerevalideerd. Nederlandse militaire artsen deden voor de burgerbevolking wat ze konden maar een transport naar Nederland voor de zwaarst getroffen slachtoffers is er niet bij. We zeggen wel dat we volken willen helpen maar kennelijk blijven we onszelf belangrijker vinden dan onze broeders en zusters in landen waar de bevolking op de vlucht is voor oorlog en geweld. Zelfs hun kinderen laten we letterlijk in de kou staan.  Pas als we tot inkeer zijn gekomen en iedereen mee willen laten delen in dat Koninkrijk dat nabij is zal dat Koninkrijk ook komen.

De mens leeft niet van brood alleen

vrijdag, 20 januari, 2017

Matteüs 4:1-11

1 ¶  Daarna werd Jezus door de Geest meegevoerd naar de woestijn om door de duivel op de proef gesteld te worden. 2  Nadat hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, had hij grote honger. 3  Nu kwam de beproever naar hem toe en zei: ‘Als u de Zoon van God bent, beveel dan die stenen in broden te veranderen.’ 4  Maar Jezus gaf hem ten antwoord: ‘Er staat geschreven: “De mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord dat klinkt uit de mond van God.”’ 5  Vervolgens nam de duivel hem mee naar de heilige stad en zette hem op het hoogste punt van de tempel. 6  Hij zei tegen hem: ‘Als u de Zoon van God bent, spring dan naar beneden. Want er staat geschreven: “Zijn engelen zal hij opdracht geven om u op hun handen te dragen, zodat u uw voet niet zult stoten aan een steen.”’ 7  Jezus antwoordde: ‘Er staat ook geschreven: “Stel de Heer, uw God, niet op de proef.”’ 8  De duivel nam hem opnieuw mee, nu naar een zeer hoge berg. Hij toonde hem alle koninkrijken van de wereld in al hun pracht 9  en zei: ‘Dit alles zal ik u geven als u voor mij neervalt en mij aanbidt.’ 10  Daarop zei Jezus tegen hem: ‘Ga weg, Satan! Want er staat geschreven: “Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen hem.”’ 11  Daarna liet de duivel hem met rust, en meteen kwamen er engelen om voor hem te zorgen. (NBV)

We geloven niet in de duivel. Als je dat zegt rijst de vraag wat je dan moet met dit verhaal van Matteüs. Nu staat er in het verhaal dat Matteüs er niet bij is geweest. Het lijkt een journalistiek verslag van een gesprek, of een serie gesprekken, tussen de net gedoopte Jezus van Nazareth en de beproever. Dat kan het niet zijn want dan had de journalist er zelf bij moeten zijn. Na veertig dagen vasten wordt je helder in je hoofd en loop je de kans visioenen te zien. Het eerste visioen van Jezus ging over hemzelf, hij had honger en het gevoel dat hij de stenen in brood kon veranderen. Matteüs had de behoefte om aan zijn publiek duidelijk te maken dat Jezus een gehoorzame Jood was en citeerde uit het boek Deuteronomium , een van de boeken van de leer van Mozes, waar inderdaad staat dat een mens niet van brood alleen leeft, maar van Gods woord, afhankelijk is van de Liefde dus.  Met het gooien met Bijbelteksten moet je overigens heel voorzichtig zijn en ook dat leert dit verhaal van Matteüs.

De duivel nam Jezus mee naar het hoogste punt van de tempel en zong een psalm die waarschijnlijk regelmatig in de tempel was gezongen. Psalm 91, waar de dichter lyrisch wordt over de hulp en steun die je van de God van Liefde kunt verwachten. Maar Jezus houdt zich aan de leer van Mozes en antwoordt weer met een citaat uit het boek Deuteronomium: stel God niet op de proef. En ook de derde keer is het de leer van Mozes, zoals verwoord in het boek Deuteronomium waarmee Matteüs aantoont hoe trouw die Jezus wel niet was, er is maar één God. Drie maal is er de verzoeking die elke leider en elke machthebber heeft. In de eerste plaats kun je voor jezelf zorgen, de collecte, de winst in eigen zak steken, zorgen dat het jou aan niets ontbreekt. Je kunt, op de tweede plaats, je roeping, je macht op alle manieren proberen te bewijzen, en alles wat goed gaat, ook ondanks jezelf, aan jezelf toerekenen.

En je kunt, op de derde plaats, op alle manieren, ook de verkeerde, proberen je macht te behouden en te vergroten. Het zijn de drie verleidingen waar nog tot op de dag van vandaag vele leiders en machthebbers binnen en buiten kerken voor zwichten. Het zijn de politieke spelletjes die mensen van de politiek vervreemden, het zijn de verborgen machtspelletjes in bedrijven die de exorbitante zelfverrijkers tot miljonairs maken, het zijn de machinaties in kerkelijke organisaties die mensen de kerken uitdrijven of slachtoffers maken van gewetenloze oplichters in sektes. Drie keer is er een antwoord van Jezus waar we ook vandaag nog wat mee kunnen. Het gaat niet op de eerste plaats om ons eigen inkomen, het gaat er ook niet om ons eigen gelijk te bewijzen, het gaat er zeker niet om meer te zijn dan een ander, het gaat om recht te doen aan de minsten onder ons, ook vandaag nog.

Omdat de HEER zijn volk liefheeft

donderdag, 19 januari, 2017

2 Kronieken 2:10-17

10 Koning Churam van Tyrus stuurde Salomo een brief met het volgende antwoord: ‘Omdat de HEER zijn volk liefheeft, heeft hij u als koning over hen aangesteld.’ 11 De brief vervolgde: ‘Geprezen zij de HEER, de God van Israël, de schepper van hemel en aarde, die aan koning David een wijze zoon heeft gegeven die over verstand en inzicht beschikt en een tempel wil bouwen voor de HEER en een koninklijk paleis voor zichzelf.  12 Ik stuur u hierbij iemand die over groot vakmanschap beschikt, meester Churam. 13 Hij is de zoon van een Danitische moeder en een Tyrische vader. Hij is bedreven in de bewerking van goud en zilver, koper, brons en ijzer, steen en hout; hij kan roodpurperen, blauwpurperen, karmozijnrode wol en fijn wit linnen verwerken en allerlei snijwerk aanbrengen. bovendien is hij een begenadigd ontwerper. Samen met uw ambachtslieden en de ambachtslieden van mijn heer, uw vader David, zal hij alles uitvoeren wat hem wordt opgedragen. 14 Stuur ons de tarwe, gerst, olie en wijn die u hebt toegezegd, heer, 15 dan zullen wij op de Libanon bomen kappen zoveel u maar nodig hebt. We zullen de stammen als vlotten over zee naar Jafo vervoeren, vanwaar u ze naar Jeruzalem kunt overbrengen.’ 16 In navolging van zijn vader David hield Salomo een telling onder de vreemdelingen in Israël. Het waren er honderddrieënvijftigduizend zeshonderd. 7 Zeventigduizend van hen stelde hij aan als sjouwers, tachtigduizend als steenhouwers in het gebergte en zesendertighonderd als opzichters om toezicht op het werk te houden.

Salomo had dus hulp gevraagd bij de bouw van de Tempel aan zijn buurman de Koning van Tyrus. Die schrijft een beleefde brief terug, zoals dat onder Koningen nog steeds het gebruik is. Maar in de eerste regels van die brief staat hier toch wat vreemds. Die Tyrus snapt niet zozeer dat de jonge Koning van Israël een mooi paleis en een nog mooiere Tempel wil hebben, dat is goed voor het imago nietwaar. Maar die Koning van Tyrus snapt kennelijk op de een of andere manier dat de God van Israël zelf hier in het spel is. En dat is ook de reden dat die Heidense Koning positief ingaat op het verzoek van Salomo. En hij kent kennelijk de geschiedenis van Israël goed, of de schrijver van het boek Kronieken heeft zich willen verweren tegen kritiek. Bij de bouw van de Tabernakel onder Mozes had een kunstenaar uit de stam Dan de leiding gehad. En zie, de grootste kunstenaar die de Koning van Tyrus voorhanden heeft is een Joodse jongen uit de stam Dan, met wel een Tyrische vader, meester Churam.

Salomo zelf heeft genoeg arbeiders om het werk uit te voeren maar meester Churam zal graag met hen samengewerkt hebben. Je naam is natuurlijk direct gevestigd als je de verantwoordelijkheid hebt over de vormgeving van een grote nieuwe Tempel in een belangrijke stad. De lezers van de Kronieken die zelf bezig waren met de herbouw van de Tempel zullen dit graag onderschreven hebben. Er valt nog veel werk voor de herbouw te verrichten, goud, zilver, koper, brons, ijzer, steen en hout, wit linnen, roodpurperen, blauwpurperen, karmozijnrode wol, het is niet niks. Maar Salomo had betaald met tarwe, gerst, olie en wijn en aangezien het land Israël braak lag bij de terugkeer zou het moeten lukken voldoende te verbouwen om zelf ook dergelijke aankopen te doen. En een haven was er nog altijd, die had toch ook de ballingen ontvangen die van overzee uit de ballingschap waren teruggekeerd. Het verhaal over de bouw van de Tempel en de hulp van Tyrus heeft dus kennelijk de bouwers van de herbouw een hart onder de riem gestoken.

Nu hadden Ezra en Nehemia nog wel een probleem. Dat waren de vele vreemdelingen die in Israël waren gaan wonen tijdens de ballingschap. Ze hadden overigens ook een probleem met al die gemengde huwelijken. Maar dat probleem van gemengde huwelijken was op te lossen met regeltjes. De zoon van een moeder uit de stam Dan was een Joodse jongen. probleem opgelost. Maar die vreemdelingen dan. Het klinkt ons bekend in de oren. Wat moeten we met al die vreemdelingen die onder ons zijn? De schrijver van de Kronieken heeft er wel een oplossing voor. Schakel die vreemdelingen in bij de opbouw van je land. Nu is het tellen van mensen en het opplakken van etiketten niet zonder risico, David had er slechte ervaringen mee gehad, maar voor de opbouw van een menselijke samenleving, een samenleving naar Gods hart, zou het toch goed moeten zijn. Er waren voldoende vreemdelingen. Misschien ook voor onze dagen een goed idee, de vreemdelingen in te schakelen bij de opbouw van de menselijke samenleving.

Onze God is groter

woensdag, 18 januari, 2017

2 Kronieken 1:18–2:9

18 Salomo besloot een tempel te bouwen voor de naam van de HEER, en een koninklijk paleis voor zichzelf. 1 Hij beschikte over zeventigduizend sjouwers en tachtigduizend steenhouwers in het gebergte, die onder leiding stonden van zesendertighonderd opzichters. 2 Hij stuurde afgezanten naar koning Churam van Tyrus met het volgende verzoek: ‘Indertijd hebt u mijn vader David cederhout geleverd voor de bouw van een paleis. 3 Nu wil ik beginnen met de bouw van een tempel voor de naam van de HEER, mijn God. Die zal ik aan hem wijden om hem er reukoffers te brengen, met vaste regelmaat toonbroden neer te leggen en er ‘s morgens en ‘s avonds, op sabbat, nieuwemaan en de hoogtijdagen van de HEER, onze God, brandoffers op te dragen zoals dat aan Israël is opgelegd als een eeuwige verplichting. 4 Het moet een grote tempel worden, want onze God is groter dan alle andere goden. 5 Eigenlijk is niemand in staat voor hem een huis te bouwen, want zelfs de hoogste hemel kan hem niet bevatten. Dus wie ben ik dat ik voor hem een tempel zou bouwen, behalve dan om er voor hem offers te brengen? 6 Welnu, stuur mij iemand die verstand heeft van de bewerking van goud en zilver, koper, brons en ijzer, de verwerking van roodpurperen, karmozijnrode en blauwpurperen wol, en het aanbrengen van snijwerk, zodat hij de ambachtslieden kan bijstaan die mijn vader David hier in Juda en Jeruzalem al heeft aangesteld. 7 Lever mij ook ceders, cipressen en sandelhout uit de Libanon, want ik weet hoe bedreven uw knechten daar zijn in het kappen van bomen. Mijn knechten zullen de uwe helpen 8 om mij van een grote hoeveelheid hout te voorzien, want de tempel die ik aan het bouwen ben moet groot en indrukwekkend worden. 9 Ik zal uw houthakkers belonen met twintigduizend kor tarwegries, twintigduizend kor gerst, twintigduizend bat wijn en twintigduizend bat olijfolie.’

De Bijbel heeft verschillende boeken waarin wel over dezelfde gebeurtenissen wordt verteld maar op een heel verschillende manier. Je krijgt dan de neiging om de twee verhalen te gaan vergelijken en de overeenkomsten en verschillen te duiden. Maar dat is de bedoeling van de Bijbel niet. De verschillende boeken waarin over dezelfde gebeurtenissen wordt verteld laten zich niet vergelijken met twee kranten die op eigen wijze verslag doen van hetzelfde en waar de verschillen tekenend zijn voor de opvattingen die je gewoonlijk in die kranten te vinden zijn. De boeken van de Bijbel hebben een boodschap over hoe mensen met God en God met mensen omgaat. Dat is ook het geval met de boeken Koningen en Kronieken het geval. De schrijver van de boeken Koningen ging op zoek naar het antwoord op de vraag hoe het zover had kunnen komen dat Israël het beloofde land verspeelde en in ballingschap moest. De schrijver van de Kronieken ging op zoek hoe het volk zich zou moeten gedragen als ze van het land en vooral van Jeruzalem weer een stad zou willen maken die schitterde voor alle volken.

Eén van de antwoorden op de vragen van de schrijver van Kronieken is dat je dan een heel verstandige Koning nodig hebt, wijsheid en inzicht staan voorop. Dat is wat anders dan een regeringsslimheid, slimme oordelen van de Koning vind je bij Kronieken dan ook niet terug. Het begin van alle wijsheid is de vreze voor God zegt de schrijver van het Spreukenboek. En er wordt nog wel eens aangenomen dat het Salomo zelf is die dat boek geschreven heeft. Het draait dus om het nakomen van het verbond. Daar heeft Salomo de Tempel voor nodig. Het centrum van het volk moet niet alleen een paleis zijn maar vooral een Tempel. De rijkdom en een lang leven komen dan vanzelf wel. Je moet, zoals in het gedeelte van vandaag staat, wel even moeten uitleggen wat het begrip Tempel voor jou betekent. Die Tempel is dus niet voor de God van Israël maar voor de Naam van die God. Voor ons zou dat iets zijn als “Ik zal er zijn” maar die Naam spreken we nooit uit omdat we die naam niet leeg en zonder eerbied willen gebruiken. De Naam zegt genoeg.

Het gaat dan ook niet om een Tempel waar een fraai beeld van God staat en waar het volk de gunst van die God kan afsmeken. Het volk heeft een verbond met die God gesloten dat inhoud dat voor een menselijke samenleving niemand aan zijn of haar bezit moet hechten. Dat breng je tot uiting in het brengen van offers, dat wat je hebt heb je van God gekregen, je deelt met God maar je deelt in dat verbond tegelijk met de armsten, met de vreemdelingen, met slaven en knechten. In Israël hoef je die God niet in leven te houden maar je moet het verbond in leven houden. God doet dat in wie God is, de Naam brengt dat tot uiting. Salomo vraagt hulp bij de bouw van zijn Tempel, want juist als je je niet verheft boven een ander is hulpvragen eigenlijk heel gewoon. Hij vraagt om een kunstenaar. Niet om een mooi beeld van die God te maken maar om uitdrukking te geven aan de opvatting dat dat verbond, dat die richtlijnen voor de menselijke samenleving het mooiste is wat op aarde bestaat. Die richtlijnen bestaan nog steeds en elke dag weer mogen wij zelf laten zien dat ze het mooiste zijn dat de wereld zou kunnen overkomen.

De hele gemeenschap van Israël

dinsdag, 17 januari, 2017

2 Kronieken 1:1-17

1 ¶  Salomo, de zoon van David, verstevigde zijn positie als koning. De HEER, zijn God, stond hem ter zijde en maakte hem buitengewoon machtig. 2  Salomo ontbood de vertegenwoordigers van heel Israël: de bevelhebbers over duizend man en die over honderd, de rechters en alle leiders, alle familiehoofden, 3  kortom, de hele gemeenschap van Israël. Samen met hen ging hij naar de offerhoogte van Gibeon. Daar stond de ontmoetingstent van God, die Mozes, de dienaar van de HEER, in de woestijn had gemaakt. 4  De ark van God daarentegen was door David opgehaald uit Kirjat-Jearim en overgebracht naar Jeruzalem, naar de tent die hij ervoor had opgericht. 5  In Gibeon, voor de tent van de HEER, stond ook het bronzen altaar dat Besaleël, de zoon van Uri, de zoon van Chur, gemaakt had. Dat altaar was het doel van hun komst. 6  Op dat bronzen altaar, voor de ontmoetingstent, in de nabijheid van de HEER, offerde Salomo; hij bracht er een brandoffer van wel duizend dieren. 7  Die nacht verscheen God aan Salomo en zei: ‘Wat wil je dat ik je geef?’ 8  Salomo antwoordde: ‘U bent mijn vader David goedgezind geweest en hebt mij als zijn opvolger aangesteld. 9  Laat nu, HEER, mijn God, uw belofte aan mijn vader David bewaarheid worden. U hebt mij aangesteld als koning over een volk dat zo talrijk is als het stof van de aarde, 10  schenk mij daarom wijsheid en inzicht, zodat ik dit volk kan leiden. Want hoe zou ik anders dit grote volk van u kunnen besturen?’ 11  Hierop zei God tegen Salomo: ‘Omdat dit je wens is, omdat je niet gevraagd hebt om rijkdom en schatten, niet om roem en de dood van je vijanden, en ook niet om een lang leven, maar om wijsheid en inzicht om het volk te kunnen besturen waarover ik je als koning heb aangesteld, 12  zal ik je wijsheid en inzicht schenken. En ik zal je ook rijkdom, schatten en roem geven, zoveel als geen enkele koning vóór jou ooit heeft gehad of na jou ooit nog zal verkrijgen.’ 13 ¶  Hierna keerde Salomo van de ontmoetingstent op de offerhoogte van Gibeon terug naar Jeruzalem, waar hij regeerde over Israël. 14  Salomo bracht wagens en paarden bijeen. Hij bezat veertienhonderd wagens en twaalfduizend paarden, die hij deels in Jeruzalem bij zich hield en deels onderbracht in garnizoenssteden verspreid over het land. 15  Dankzij koning Salomo waren zilver en goud in Jeruzalem even gewoon als steen en was er aan cederhout net zo’n overvloed als aan wilde vijgenbomen in het heuvelland. 16  Salomo’s paarden waren afkomstig uit Egypte en uit Kewe, waar ze door handelaars van de koning werden aangekocht. 17  In Egypte betaalden ze voor een wagen zeshonderd sjekel zilver, en voor een paard honderdvijftig. Deze handelaars leverden ook paarden aan de koningen van de Hethieten en de Arameeërs. (NBV)

In de geschiedenis van het volk Israël zoals die in de Bijbel wordt verteld zijn er twee inktzwarte perioden waarover het gaat. De eerste is de slavernij in Egypte en het volk is er van overtuigd dat de God van Israël het volk uit die slavernij heeft bevrijd en het volk een eigen land heeft geschonken. Toch is het volk dat land kwijt geraakt en in ballingschap geraakt. Hoe dat zo gekomen is kun je lezen in de boeken Deuteronomium, Jozua, Richteren, 1 en 2 Samuël en 1 en 2 Koningen. Maar het verhaal van het verbond tussen Israël en God eindigt niet met de ballingschap. De ballingen keren terug en bouwen het land weer op, te beginnen met Jeruzalem. Er wordt een nieuwe gemeenschap gevormd, je leest daarover in de boeken Ezra en Nehemia. In die boeken wordt al de vraag gesteld hoe het verder moet. Centraal staat dan de Thora, de eerste vijf boeken van de Bijbel waaruit je kunt leren hoe mensen om zouden moeten gaan met de God van Israël. Die Thora werd in haar geheel voorgelezen vertellen Ezra en Nehemia. Maar kun je uit de geschiedenis ook iets leren over de werking van de Thora op het dagelijks leven van het volk.

Daar gaan de twee boeken van de Kronieken over. Wat er slecht is gegaan staat daar niet in maar de nadruk ligt op wat goed is gegaan. In het volk leven nog de verhalen over Koning Salomo. Dat was een wijze koning geweest in dagen van grote economische welvaart in Israël, zilver en goud waren in Jeruzalem even gewoon als steen en cederhout. Waar die rijkdom en die wijsheid aan te danken waren? Aan de verhouding tussen Salomo en de God van Israël. De vader van Koning Salomo, Koning David, had geprobeerd de Thora weer in het hart van het volk te plaatsen. Hij had daarvoor de Ark van het Verbond, waar de belangrijkste tekst in werd bewaard, naar Jeruzalem gebracht. Maar tot een Tempel was het niet gekomen. Die zou Salomo moeten bouwen. Nu kun je een Tempel beschouwen als de plek waar je God te bereiken is of als een plaats waar je echt kunt laten zien dat je de afspraken met die God wil nakomen. Daarom ging Salomo met alle vertegenwoordigers van het volk, met het hele volk dus eigenlijk, naar Gibeon waar de Tent stond waar God en het volk elkaar konden ontmoeten.

Als het volk er van overtuigd was dat alles wat ze hadden van God gekregen was dan lieten ze dat daar zien. Daar zouden ze maaltijden aanrichten met de armen en de vreemdelingen, hele families zouden er aan deelnemen en de priesters en levieten mochten er zelfs van leven. Offeren was dat, niet om gunsten van de God te verkrijgen maar om dank te zeggen voor alles wat die God al gegeven had. Daar ging Salomo heen, daar ging hij delen van alles wat hij had. Hij stelde zijn Koningschap in het teken van dat delen. En daarvoor werd hij ook beloond. Een lang leven, grote wijsheid en geweldige rijkdom vielen hem ten deel omdat hij zich in dienst stelde van het volk in plaats van het volk in dienst te stellen van hemzelf zoals de machtigen gewoon zijn te doen. En daarmee wordt het verhaal actueel. Stellen onze politici zich in dienst van het volk? Zijn zij bereid er voor te zorgen dat de rijken delen met de armen zodat de armoede verdwijnt, de zieken verzorgd worden, de hongerigen gevoed en de dorstigen te drinken krijgen. Wij kunnen het ze voordoen, elke dag opnieuw.

De hartstocht voor uw huis

maandag, 16 januari, 2017

Johannes 2:13-22

13  Kort voor Pesach, het Joodse paasfeest, reisde Jezus naar Jeruzalem. 14  Daar trof hij op het tempelplein de handelaars in runderen, schapen en duiven aan, en de geldwisselaars die daar altijd zaten. 15  Hij maakte een zweep van touw en joeg ze allemaal de tempel uit, met hun schapen en runderen. Hij smeet het geld van de wisselaars op de grond, gooide hun tafels omver 16  en riep tegen de duivenverkopers: ‘Weg ermee! Jullie maken een markt van het huis van mijn Vader!’ 17  Zijn leerlingen dachten aan wat er geschreven staat: ‘De hartstocht voor uw huis zal mij verteren.’ 18  Maar de Joden vroegen: ‘Met welk teken kunt u bewijzen dat u dit mag doen?’ 19  Jezus antwoordde hun: ‘Breek deze tempel maar af, en ik zal hem in drie dagen weer opbouwen.’ 20  ‘Zesenveertig jaar heeft de bouw van deze tempel geduurd, ‘zeiden de Joden, ‘en u wilt hem in drie dagen weer opbouwen?’ 21  Maar hij sprak over de tempel van zijn lichaam. 22  Na zijn opstanding uit de dood herinnerden zijn leerlingen zich dat hij dit gezegd had, en zij geloofden de Schrift en alles wat Jezus gezegd had. (NBV)

Als je dit verhaal vandaag voor het eerst zou lezen zou je kunnen denken dat het over een dierenactivist ging. Iemand die met geweld in actie komt om het leven van dieren te beschermen. Want die schapen en die runderen en trouwens ook die duiven zijn bedoeld om geofferd te worden, met één haal van een mes worden ze gedood om daarna leeg te bloeden voor ze op een altaar gebraden worden. Maar het gaat in dit verhaal niet om de dieren maar om de mensen. Voor de toeschouwers zal het een rare actie geweest zijn. In de geboden stond toch dat je weliswaar een tocht moest maken rond het Pesach feest naar Jeruzalem om daar bij de Tempel een maaltijd te houden met de Priesters, de tempeldienaars, je familie en de armen, maar je hoefde de offerdieren niet van heinde en ver mee te slepen. Je mocht ook een deel van je vee verkopen en van het geld in Jeruzalem de offerdieren kopen. Gelukkig dat daar ook geldwisselaars waren want de kans dat je je eigen vee aan vreemdelingen verkocht was groter dan dat je eigen arme landslieden in staat waren voldoende vee te kopen. Zo kon je tenminste goed aan de geboden voldoen.

Waarom dan die ophef en dat geweld? De leerlingen van Jezus van Nazareth beginnen het langzaam door te krijgen. Die Tempel in Jeruzalem was een heel bijzonder godsdienstig gebouw. Wij kennen zulke gebouwen niet meer echt, maar in de dagen van Jezus van Nazareth had iedere stad één of meer tempels waar je goden kon ontmoeten. Prachtige beelden stonden er en deftige priesters namen offers in ontvangst die aan die beelden werden opgedragen. Dat vond je allemaal niet in die Tempel in Jeruzalem. Daar stond niks, ja een kandelaar en een tafel met brood. En ze vertelden dat achter een gordijn een grote kist stond met stenen platen er in. Op die stenen platen stond die Wet gebeiteld, van heb Uw naaste lief als Uzelf. Daar draaide alles om wat er in die Tempel gebeurde. En Jezus van Nazareth had gezien dat die bedoeling was verdwenen.

Want als je moest handelen om offerdieren te kopen dan bleef er maar weinig meer over voor de armen. Dan gingen de handel en de winst boven eerlijk delen met elkaar. Dan was er geen verschil meer tussen een gewone markt en de Tempel van die vreemde God zonder beeld. Daarom werd een zweep gemaakt van touwtjes, zoals er oorspronkelijk stond. Joden die dit verhaal lezen denken dan direct aan de touwtjes aan het gebedskleed, met 163 knopen, net zoveel als er geboden zijn. Met die touwtjes mag je denken, met alle geboden, sloeg Jezus van Nazareth de handelaren de Tempel uit. En toen ze vroegen waar hij het recht vandaan haalde realiseerde hij zich dat we allemaal Tempel van God zijn, in ons allen wordt die Wet bewaard van heb Uw naaste lief als Uzelf, opdat we naar die Wet leven, dag  in dag uit, door al onze handel en wandel in het teken te stellen van het delen van wat we hebben met de armsten op aarde.

Op de derde dag

zondag, 15 januari, 2017

Johannes 2:1-12

1 ¶  Op de derde dag was er een bruiloft in Kana, in Galilea. De moeder van Jezus was er, 2  en ook Jezus en zijn leerlingen waren op de bruiloft uitgenodigd. 3  Toen de wijn bijna op was, zei de moeder van Jezus tegen hem: ‘Ze hebben geen wijn meer.’ 4  ‘Wat wilt u van me?’ zei Jezus. ‘Mijn tijd is nog niet gekomen.’ 5  Daarop sprak zijn moeder de bedienden aan: ‘Doe maar wat hij jullie zegt, wat het ook is.’ 6  Nu stonden daar voor het Joodse reinigingsritueel zes stenen watervaten, elk met een inhoud van twee à drie metrete. 7  Jezus zei tegen de bedienden: ‘Vul de vaten met water.’ Ze vulden ze tot de rand. 8  Toen zei hij: ‘Schep er nu wat uit, en breng dat naar de ceremoniemeester.’ Dat deden ze. 9  En toen de ceremoniemeester het water dat wijn geworden was, proefde-hij wist niet waar die vandaan kwam, maar de bedienden die het water geschept hadden wisten het wel-riep hij de bruidegom 10  en zei tegen hem: ‘Iedereen zet zijn gasten eerst de goede wijn voor en als ze dronken zijn de minder goede. Maar u hebt de beste wijn tot nu bewaard!’ 11  Dit heeft Jezus in Kana, in Galilea, gedaan als eerste wonderteken; hij toonde zo zijn grootheid en zijn leerlingen geloofden in hem. 12 ¶  Daarna ging hij naar Kafarnaüm, met zijn moeder, zijn broers en zijn leerlingen, en daar bleven ze een paar dagen. (NBV)

Als we het opschrift van het verhaal van vandaag noemen, “De bruiloft te Kana” dan springen gelovigen en ongelovigen op en roepen “daar werd water in wijn veranderd”. Vanaf de vroegste tijden heeft dit verhaal diepe indruk gemaakt. Helaas om de verkeerde reden, want de verandering van water in wijn is helemaal niet de kern van het verhaal. Want als er een bruiloft is, wie gaan er dan trouwen? Daar heeft het verhaal het niet over. Het gaat ook helemaal niet over twee mensen die met elkaar trouwen. Het gaat over Jezus van Nazareth en zijn optreden en het verhaal is eigenlijk het slot van het verhaal dat we eerder hebben gelezen, de doop, de werving van volgelingen. En dan op de derde dag, dan is er die bruiloft. Die derde dag doet natuurlijk denken aan de dag van de opstanding. Omdat het aan het begin van het Evangelie staat, en niet aan het einde, zijn er veel geleerden geweest die andere verklaringen hebben gezocht. Maar de Bijbel rekent nu eenmaal niet met kalenders en agenda’s, de Bijbel is geen geschiedenisboek, dat vertelt over wat er gebeurt, wat onze geschiedenis veranderd en het optreden van Jezus van Nazareth heeft de geschiedenis ingrijpend veranderd.

Op het eind van het verhaal van Jezus van Nazareth wordt gezegd dat we de verklaring van alles wat er wordt verteld moeten zoeken in de Hebreeuwse Bijbel. En dat verhaal over dat eerste optreden van Jezus van Nazareth begint met een citaat uit de Hebreeuwse Bijbel. Uit het Grieks vertaalt men het antwoord van Jezus van Nazareth op de mededeling dat er geen wijn meer is met “Mijn tijd is nog niet gekomen”, letterlijk staat er “uw zaak is mijn zaak niet” en dat is een zin uit een verhaal over een moeder en een zoon. De zoon was gestorven en de moeder spreekt daarover de profeet Elia aan, Elia geeft letterlijk hetzelfde antwoord als Jezus van Nazareth hier. Maria zal dat begrepen hebben want ze gaat verder met een ander citaat uit de Hebreeuwse Bijbel als ze tegen de dienaren zegt : “doe maar wat hij jullie zegt, wat het ook is” Het zijn de woorden van de Farao als hij Jozef aanstelt als onderkoning van Egypte. In het verhaal van Elia wordt de zoon weer levend en in het verhaal van Jozef worden de Egyptenaren en de nakomelingen van Jacob gered van de hongerdood. En de bruiloft? Op allerlei plaatsen in de Hebreeuwse Bijbel wordt het verbond tussen God en het volk Israël vergeleken met een bruiloft.

Dit eerste verhaal gaat dus over een feest ter ere van de richtlijn die het verbond bezegelde, heb uw naaste lief als uzelf. Het oude leven, het leven alleen voor jezelf en voor je eigen gewin en genot, moet worden afgewassen, daarvoor zijn de reinigingsvaten. Daar doorheen wordt je geleid als je gaat naar het land dat overvloeit van melk en honing het land Kana-an. Op die manier leven is op zichzelf al een feest, een veel mooier feest dan het wereldse bruiloftsfeest waarop iedereen zich bedrinkt en vol laat lopen. Jezus van Nazareth is geen tovenaar die met een toverstokje boven vaten met water staat te zwaaien. Dat willen veel predikers en zogenaamde evangelisten de mensen graag laten geloven. Jezus van Nazareth gaat ons voor op de Weg van de God van Israël, door het water waar ons oude leven wordt afgewassen naar het nieuwe leven van breken van brood en delen van de beker met wijn, het leven na de opstanding uit de dood. Een leven dat we elke dag opnieuw mogen beginnen als we om ons heen kijken en ons leven in dienst stellen van de liefde voor de minsten in onze samenleving. Dat mag dus ook vandaag weer, daarmee maken we ook vandaag tot een feestdag.

Wij hebben de messias gevonden

zaterdag, 14 januari, 2017

Johannes 1:40-51

40  Een van de twee die gehoord hadden wat Johannes zei en Jezus gevolgd waren, was Andreas, de broer van Simon Petrus. 41  Vlak daarna kwam hij zijn broer Simon tegen, en hij zei tegen hem: ‘Wij hebben de messias gevonden’ (dat is Christus, ‘gezalfde’), 42  en hij nam hem mee naar Jezus. Jezus keek hem aan en zei: ‘Jij bent Simon, de zoon van Johannes, maar voortaan zul je Kefas heten’ (dat is Petrus, ‘rots’). 43 ¶  De volgende dag besloot Jezus naar Galilea te gaan en daar ontmoette hij Filippus. Hij zei tegen hem: ‘Ga met mij mee.’ 44  Filippus kwam uit Betsaïda, uit dezelfde stad als Andreas en Petrus. 45  Hij kwam Natanaël tegen en zei tegen hem: ‘We hebben de man gevonden over wie Mozes in de wet geschreven heeft en over wie ook de profeten spreken: Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazaret!’ 46  ‘Uit Nazaret?’ zei Natanaël. ‘Kan daar iets goeds vandaan komen?’ ‘Ga zelf maar kijken, ‘zei Filippus. 47  Jezus zag Natanaël aankomen en zei: ‘Dat is nu een echte Israëliet, een mens zonder bedrog.’ 48  ‘Waar kent u mij van?’ vroeg Natanaël. Jezus antwoordde: ‘Ik had je al gezien voordat Filippus je riep, toen je onder de vijgenboom zat.’ 49  ‘Rabbi, u bent de Zoon van God, u bent de koning van Israël!’ zei Natanaël. 50  Jezus vroeg: ‘Geloof je omdat ik tegen je zei dat ik je onder de vijgenboom zag zitten? Je zult nog grotere dingen zien.’ 51  ‘Waarachtig, ik verzeker jullie, ‘voegde hij eraan toe, ‘jullie zullen de hemel geopend zien, en de engelen van God zien omhooggaan en neerdalen naar de Mensenzoon.’ (NBV)

Vandaag lezen we over de tweede dag van het optreden van Jezus van Nazareth. De evangelist Johannes noemt in het begin van zijn verhaal over Jezus van Nazareth namelijk drie dagen, de dag van de doop, de dag van de werving van de apostelen en de dag van het verbond, de bruiloft te Kana. Tussen de doop, waarin Johannes belijdt dat er iemand is die hij niet kent en de bruiloft in Kana waarin Jezus van Nazareth zelf zegt dat zijn tijd nog niet gekomen is ligt de belijdenis van de toekomstige apostelen. De belijdenis dat deze Jezus van Nazareth de Messias is. Messias was in de verwachting van het volk de goddelijke en koninklijke bevrijder van dood en onderdrukking. Op die Messias werd vurig verwacht, zo groot was de Romeinse onderdrukking wel.  In de Apostolische geloofsbelijdenis wordt over de tweede dag van de dood van Jezus van Nazareth gezegd dat hij was “nedergedaald ter helle”.

Dat is een klassieke Griekse uitdrukking voor een oord van verschrikking waar de goden geen bescherming meer konden geven en waar de straffen van de goden ten uitvoer werden gebracht. Toen de geloofsbelijdenis werd opgesteld werd dat beeld gekozen om die tweede dag aan te geven. In dit gedeelte van het Evangelie van Johannes lezen we wat het betekenen heeft voor ons. Hier worden de toekomstige apostelen bevrijdt uit hun onderdrukking door ze te laten aansluiten bij Jezus van Nazareth. Voor wie het optreden van Johannes de Doper had meegemaakt wordt een directe verbinding met het optreden van Jezus van Nazareth gelegd. In Nathanaël wordt gesuggereerd dat elke oprechte Israëliet zich bij Jezus zou aansluiten, de anderen worden echter niet veroordeeld.

Maar Nathanaël blijft kritisch. Dat Nazareth staat nergens als bron voor de komende bevrijding van het volk. Het heeft de klank van struikgewas en er waren in de dagen van Johannes en Jezus genoeg Messiassen die eigenlijk struikrovers waren. Maar Jezus wijst Nathanaël op de droom van Jeremia dat er ooit een dag zal komen dat iedereen onder zijn eigen vijgenboom zal kunnen zitten. Het is geen instant bevrijding. Volgen van Jezus van Nazareth is een lange en moeilijke weg gaan naar de overwinning op de dood. Dat overtuigt Nathanaël. Ook voor ons betekent dat het aansluiten bij de Weg van Jezus van Nazareth de wereld zal bevrijden van dood en onderdrukking. Zijn liefde voor mensen, die wij kunnen volgen door van onze naaste te houden als van onszelf, bevrijdt zelfs door de dood heen. Probeer het vandaag maar, het mag elke dag opnieuw beginnen.

Ook ik wist niet wie hij was

vrijdag, 13 januari, 2017

Johannes 1:29-39

29 ¶  De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe komen, en hij zei: ‘Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt. 30  Hij is het over wie ik zei: “Na mij komt iemand die meer is dan ik, want hij was er vóór mij.” 31  Ook ik wist niet wie hij was, maar ik kwam met water dopen opdat hij aan Israël geopenbaard zou worden.’ 32  En Johannes getuigde: ‘Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen, en hij bleef op hem rusten. 33  Nog wist ik niet wie hij was, maar hij die mij gezonden heeft om met water te dopen, zei tegen mij: “Wanneer je ziet dat de Geest op iemand neerdaalt en blijft rusten, dan is dat degene die doopt met de heilige Geest.” 34  En dat heb ik gezien, en ik getuig dat hij de Zoon van God is.’ 35  De volgende dag stond Johannes er weer met twee van zijn leerlingen. 36  Toen hij Jezus voorbij zag komen, zei hij: ‘Daar is het lam van God.’ 37 ¶  De twee leerlingen hoorden wat hij zei en gingen met Jezus mee. 38  Jezus draaide zich om, en toen hij zag dat ze hem volgden, zei hij: ‘Wat zoeken jullie?’ ‘Rabbi, ‘zeiden zij tegen hem (dat is in onze taal ‘meester’), ‘waar logeert u?’ 39  Hij zei: ‘Kom maar mee, dan zul je het zien.’ Ze gingen met hem mee en zagen waar hij onderdak had gevonden; het was ongeveer twee uur voor zonsondergang en ze bleven die dag bij hem. (NBV)

“Het lam van God” lezen we vandaag als aanduiding voor Jezus van Nazareth . Ontelbare malen geschilderd, in liederen vertolkt als de Agnus Dei en nauwelijks meer uit te leggen wat er mee wordt bedoeld. Op school hadden we vroeger van die proefwerken die na een aantal lessen werden gegeven om te zien of je het voorgaande had begrepen. Wellicht moeten we dit gedeelte uit het verhaal over Jezus zoals dat door Johannes is opgeschreven ook maar zo behandelen. We kunnen in Deuteronomium lezen dat je het eerstgeborene moet slachten en er bij de Heilige Tent een maaltijd van moet aanrichten waarbij je moet delen met de priesters en met de armen en de vreemdelingen. Voor Johannes was Jezus de zoon van God, zoals alle mensen naar het beeld van God geschapen zijn zo lijkt Jezus er nog het allermeest op.

Maar voor een eerstgeboren zoon moet een offer worden gebracht, zo mogelijk een lam. Wel zegt Johannes hier, God offert zijn zoon hier zelf. Het feit dat die zoon onder ons loopt, door de Jordaan gaat om het stof van het oude leven af te spoelen en werkelijk met de Goddelijke richtlijnen uit de Woestijn aan de gang wil gaan is een offer op zichzelf. Johannes de Doper is een andere Johannes dan hij die het verhaal heeft opgeschreven maar de Doper heeft een rotsvast vertrouwen dat die Jezus niet nog een keer opnieuw hoeft te beginnen zoals wij allemaal voortdurend wel moeten doen.

Het is een fantastisch verhaal, je land is bezet, de Godsdienst verschraalt tot het dor naleven van wetjes en regeltjes die niet te houden zijn en dan komt er iemand van wie gezegd wordt dat die de ware bedoeling zal voorleven. Het is dan ook niet zo vreemd dat er gelijk twee mensen achteraan gaan die al gegrepen waren door de oproep van de Doper om het werkelijk anders te gaan doen. De verschijning van Jezus maakt alles anders. Vandaag verschijnt hij in onze verhalen maar leeft de ware bedoeling voort in onze daden. Hebben we net als hij alles over voor de armsten onder ons, voor de zieken, voor de zwakken en voor de vreemdelingen? Een vraag waarop we alleen met daden een antwoord kunnen geven, ook vandaag.

Maak recht de weg

donderdag, 12 januari, 2017

Johannes 1:19-28

19 ¶  Dit is het getuigenis van Johannes. De Joden hadden vanuit Jeruzalem priesters en Levieten naar hem toe gestuurd om hem te vragen: ‘Wie bent u?’ 20  Hij gaf zonder aarzelen antwoord en verklaarde ronduit: ‘Ik ben niet de messias.’ 21  Toen vroegen ze hem: ‘Wie dan? Bent u Elia?’ Hij zei: ‘Die ben ik ook niet.’ ‘Bent u de profeet?’ ‘Nee, ‘antwoordde hij. 22  ‘Maar wie bent u dan?’ vroegen ze hem. ‘Wij moeten antwoord kunnen geven aan degenen die ons gestuurd hebben-wie zegt u zelf dat u bent?’ 23  Hij zei: ‘Ik ben de stem die roept in de woestijn: “Maak recht de weg van de Heer, ”zoals de profeet Jesaja gezegd heeft.’ 24  De afgevaardigden die uit de kring van de Farizeeën kwamen, 25  vroegen verder: ‘Waarom doopt u dan, als u niet de messias bent, en ook niet Elia of de profeet?’ 26  ‘Ik doop met water, ‘antwoordde Johannes. ‘Maar in uw midden is iemand die u niet kent, 27  hij die na mij komt-ik ben het niet eens waard om de riemen van zijn sandalen los te maken.’ 28  Dit gebeurde in Betanië, aan de overkant van de Jordaan, waar Johannes doopte. (NBV)  

Vandaag het eigenlijke begin van het Evangelie naar Johannes nadat de schrijver ons een inleiding heeft gegeven, het begint dus met  een stuk van het verhaal over Johannes de Doper, net als het Evangelie naar Marcus begint met het optreden van Johannes de Doper. Trouwe Bijbellezers weten dat die in de woestijn woonde en sprinkhanen at. De kenners van de Bijbel uit zijn tijd gingen toch eens vragen wat hij nou eigenlijk van zichzelf vond, hoe zag hij zichzelf in de geschiedenis. Hij riep net als een profeet vroeger het volk op om weer achter de goddelijke richtlijnen uit de woestijn te gaan staan. Ooit waren ze immers uit de woestijn gekomen het land van melk en honing in. Maar Johannes was in elk geval niet de reïncarnatie van de profeet Jesaja en ook niet van Elia, die ook nog een tijdje in de woestijn had gewoond. Johannes doopte met water, hij riep de mensen op hun oude leven af te wassen en opnieuw te beginnen, als voorbereiding op een leven met Jezus, de bevrijder die beloofd was.

Jezus van Nazareth zou die goddelijke richtlijnen op een heel nieuwe manier centraal stellen. Niet langer de regels en interpretaties en interpretaties van regels en interpretaties van interpretaties. Jezus van Nazareth stelde de liefde voor de mensen centraal. De richtlijnen waren er om mensen te bevrijden, niet om mensen te binden. De richtlijnen waren er om het mogelijk te maken van alle mensen te houden, om te zorgen dat iedereen mee kan doen. De profeet Jesaja had het ooit eens gehad over een tafel vol met drank en uitgelezen spijzen die gratis klaar gemaakt was voor iedereen die mee wilde doen. Gewone mensen in Nederland dromen zich een keer per jaar ook zo’n tafel, dat doen ze met kerst. In de donkerste dagen van het jaar begint een nieuw leven. Wij moeten dat delen nog leren blijkt in de dagelijkse praktijk De voedselbanken lopen over. Het oude leven afleggen betekent wel ook echt met het nieuwe beginnen. Johannes kwam eerst en Jezus kwam daarna. We vieren het zo dat het verhaal van Jezus op Eerste Kerstdag begint, maar het moet niet op Tweede Kerstdag al uitverteld zijn.

Tijdens de tocht door de woestijn, veertig jaar had de tocht geduurd, toen ze moesten leren te leven met de richtlijn van heb uw naaste lief als uzelf, gingen ze voortdurend in de fout. Maar God had hen een manier gegeven om telkens weer opnieuw te beginnen. Ze lieten de priester een maal per jaar alle fouten op een ram leggen en stuurden die de woestijn in. Zo krijgt ook nu het volk de gelegenheid opnieuw te beginnen, Johannes de Doper had hen daartoe opgeroepen, maar Jezus van Nazareth zou hen leren hoe dat dan moest, leven volgens de richtlijn van heb uw naaste lief als uzelf. Zo mogen ook wij weten dat we er elke dag weer opnieuw mee mogen beginnen. Johannes de Doper roept ons daartoe op, het verhaal van Jezus van Nazareth leert ons hoe te doen, en als we fouten maken leert Jezus van Nazareth hoe het weer goed te maken, dat betekent het als er staat “hij nam onze zonden op zich”, elke dag kan het weer opnieuw, ook vandaag weer.