Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor november, 2016

Alles zal worden afgebroken

zondag, 20 november, 2016

Lucas 21:5-19

5 ¶  Toen er gesproken werd over de tempel, over de mooie stenen en wijgeschenken waarmee hij versierd was, zei hij: 6  ‘Wat jullie hier zien-er zullen dagen komen waarop geen steen op de andere zal blijven; alles zal worden afgebroken.’ 7  Ze stelden hem toen de vraag: ‘Meester, wanneer zal dat allemaal gebeuren en aan welk teken kunnen we het herkennen?’ 8  Jezus zei: ‘Let op, laat je niet misleiden. Want er zullen velen komen die mijn naam gebruiken en zeggen: “Ik ben het, ”of: “De tijd is gekomen.” Volg hen niet! 9  Als jullie berichten horen over oorlog en opstand, raak dan niet in paniek. Die dingen moeten eerst gebeuren, maar dat is nog niet meteen het einde.’ 10  Hij vervolgde: ‘Het ene volk zal tegen het andere ten strijde trekken en het ene koninkrijk zal de strijd aanbinden met het andere, 11  er zullen zware aardbevingen komen en hongersnoden en epidemieën alom, en er zullen aan de hemel grote en verschrikkelijke tekenen verschijnen. 12  Maar eerst zullen jullie worden mishandeld en vervolgd en uitgeleverd aan de synagogen, jullie zullen worden opgesloten in de gevangenis en worden voorgeleid aan koningen en gouverneurs omwille van mijn naam. 13  Dan zullen jullie moeten getuigen. 14  Bedenk wel dat jullie je verdediging niet moeten voorbereiden. 15  Want ik zal jullie woorden van wijsheid schenken die door geen van je tegenstanders kunnen worden weerstaan of weersproken. 16  Zelfs je ouders en broers, verwanten en vrienden zullen je uitleveren, sommigen van jullie zullen worden terechtgesteld, 17  en jullie zullen door iedereen worden gehaat omwille van mijn naam. 18  Maar geen haar van je hoofd zal verloren gaan. 19  Red je leven door standvastigheid! (NBV)

Er zijn in het Christendom een aantal misverstanden. Vandaag lezen we in het Evangelie van Lucas de bron van zo’n misverstand. Uit de overlevering, en een beetje uit de officiële geschiedenis, weten we dat het met de directe volgelingen van Jezus van Nazareth uiteindelijk niet zo best is afgelopen. Een aantal van hen zijn kennelijk wreed vermoord door de Romeinse overheid. Een aantal eeuwen lang in het begin van onze jaartelling zijn christenen vervolgd omdat ze weigerden de Keizer als god te erkennen en ook om offers te brengen aan andere goden. Tot uiteindelijk Constantijn de Grote keizer werd en zich bekeerde tot het Christendom. Toen was de vervolging over en ontstond het misverstand dat wat Jezus van Nazareth had gezegd over de gevolgen van het volgen van zijn weg alleen gold voor die vroege christenen.

Maar wie nauwkeurig de geschiedenis beziet weet dat er altijd mensen zijn geweest die hun leven in dienst stelden van de minsten in de samenleving en dat die mensen altijd het risico liepen in conflict te komen met de heersende machten. Of die heersende machten zich nu Christelijk noemden of niet. Tot op de dag van vandaag maakt dat niet uit. Wat uitmaakt is of de liefde voor de naaste een gift is waar je trots op kunt zijn en waar je eer en waardigheid aan kunt ontlenen of dat die liefde voor de naaste de samenleving veranderd omdat de minsten daar weer een waardevolle plaats in krijgen. In het eerste geval is er geen gevaar te duchten. De rijken en de machtigen zijn altijd gevoelig voor goede sier, maar verandering van de verhoudingen in de samenleving zijn echt gevaarlijk voor hun positie en daar zal altijd weerstand tegen zijn. Dat verzet van de rijken nu is de weerstand die uitloopt op de vervolgingen die Jezus van Nazareth schetst als hij hoort praten over de mooie dingen die er in de Tempel zijn.

Die mooie dingen zijn de dingen die voorbij gaan. Geen steen zal op de andere blijven. De oudste monumenten op de wereld zijn aan verval onderhevig. Als er geen conserveringsmiddelen werden uitgevonden zouden ze binnenkort verdwenen zijn. Een aantal van de oorspronkelijke zeven wereldwonderen, allemaal bouwwerken, zijn al verdwenen in het duister van de tijd. Oorlogen en rampen hebben we ook nog steeds en goede mensen worden nog steeds vervolgd omwille van het goede dat ze doen. En denk nu niet dat je alleen bij Christenen het goede vindt. Paulus schrijft ons dat overal waar het goede te vinden is God aanwezig is. Iedereen die opkomt voor het recht van de armen, voor de mensenrechten is dus onze steun waard. Elke vervolging omwille van een overtuiging, welke dan ook, dient bestreden te worden. Elke dag is dus de vraag aan welke kant we willen staan en welke offers we bereid zijn om te brengen. Denk dus niet dat Christendom “geluk, vrede en vreugde” zal brengen, niets is minder waar. Het brengt strijd en een kruis om op je te nemen, achter Christus aan.

Wereldwijd bant hij oorlogen uit

zaterdag, 19 november, 2016

Psalm 46 

1 Voor de koorleider. Van de Korachieten. Op de wijs van De jonge vrouwen. Een lied. 2 God is voor ons een veilige schuilplaats, een betrouwbare hulp in de nood. 3 Daarom vrezen wij niet, al wankelt de aarde en storten de bergen in het diepst van de zee. 4 Laat de watervloed maar kolken en koken, de hoge golven de bergen doen beven. sela 5 Een rivier, wijd vertakt, verblijdt de stad van God, de heilige woning van de Allerhoogste. 6 Met God in haar midden stort zij niet in, vroeg in de morgen komt God haar te hulp.7 Volken roeren zich, rijken storten ineen, zijn donderstem klinkt-de aarde siddert. 8 De HEER van de hemelse machten is met ons, onze burcht is de God van Jakob. sela 9 Kom en zie wat de HEER heeft gedaan, verbijsterend is wat hij op aarde verricht: 10 wereldwijd bant hij oorlogen uit, bogen breekt hij, lansen verbrijzelt hij, wagens verbrandt hij in het vuur.11 ‘Staak de strijd, en erken dat ik God ben, verheven boven de volken, verheven boven de aarde.’ 12 De HEER van de hemelse machten is met ons, onze burcht is de God van Jakob. sela (NBV)

Het is een gewoonte die je nog steeds in kerken tegenkomt. Neem een bestaande melodie en maak daar een nieuwe liedtekst op die je dan met elkaar kunt zingen. Echte musici hebben daar een hekel aan. In het nieuwe Liedboek , Zingen en bidden in huis en kerk, dat inmiddels in veel Protestantse Kerken als het Nieuwe Liedboek wordt gebruikt, zul je dan ook maar weinig nieuwe liederen terugvinden op een oude bekende melodie. Maar de gewoonte gaat terug op zeer oude tijden. De Psalm die we vandaag meezingen is er ook een voorbeeld van, al is de melodie verloren gegaan. Deze psalm werd oorspronkelijk gezongen op de melodie van het lied “De jonge vrouwen”. Het is dan ook een feestlied en feestliederen zing je met elkaar. Een feestlied op God, een feestlied van “wij zijn niet bang”, dat is het thema van dit lied.

Of er hoge golven zijn, woeste rivieren of hoge bergen het maakt allemaal niet uit. Wij hoeven niet bang te zijn want God overwint. Dat klinkt mooi. Zo mooi dat Maarten Luther op deze psalm zijn beroemde lied over de “Een vaste Burgt is onze God” schreef. Maar natuurrampen zijn niet zo gemakkelijk af te weren. Natuurlijk als je samenwerkt kun je leren om dijken te bouwen en zee te bedwingen. Wij hebben daar eeuwen over gedaan. Onze handel overzee maakte ons ondertussen rijk. We konden immers anderen dwingen om producten voor ons te maken zodat we die konden verhandelen. Zo werden de mensen uit Banglah Desh gedwongen om jute te telen. Ze bleven daardoor wel arm en de kennis die nodig is om rivieren een veilige loop te geven en de zee te bedwingen kregen ze niet. Het gevolg is dat ze nu niet bestand zijn tegen tropische stormen en dat bij de laatste storm duizenden zijn omgekomen en vee en oogst zijn vernietigd. Zeker ook omdat wij jute hebben vervangen door plastic. Sommige hulporganisaties waren al bezig om de kennis van dijken en waterbeheersing over te dragen maar daar was nog maar weinig geld voor beschikbaar.

Wij kiezen wel de besturen van onze waterschappen die alles weten van dijken en water maar we dwingen hen niet die kennis te delen met de armen in de wereld zodat ook die beschermd kunnen worden tegen natuurgeweld. Alleen de liefde voor de naaste kan dat voor elkaar krijgen. Dat bezingt deze psalm want de zangers van dit lied hadden daar een onverwoestbaar vertrouwen in. Net zo’n vertrouwen hadden ze in vrede. Deskundigen voorspellen dat er oorlogen zullen uitbreken over het water. Maar wij weten dat die oorlogen uitblijven als wij bereid zijn te delen. Als we echt bereid zijn onze kennis van waterbeheersing te delen dan worden die wateroorlogen uitgebannen voordat ze begonnen zijn. Dat is pas meezingen van deze psalm. Dan pas kunnen we zingen over de God van Jakob, die meetrok naar het Egypte van Jozef dat tijdens honger bereid was om voedsel te delen en die het volk bevrijdde van de slavernij en door de woestijn leidde naar het land dat overvloeide van melk en honing.

Niet zo, vader!

vrijdag, 18 november, 2016

Genesis 48:8-22

8 ¶  Toen viel Israëls oog op Jozefs zonen, en hij vroeg: ‘Wie zijn dat?’ 9  Jozef antwoordde zijn vader: ‘Dat zijn mijn zonen, die God mij hier gegeven heeft.’ ‘Laat ze toch dichterbij komen, ‘zei Israël, ‘dan zal ik hen zegenen.’ 10  Doordat Israël al oud was, waren zijn ogen dof geworden, hij kon niet goed meer zien. Toen Jozef zijn zonen dichter naar hem toe had gebracht, kuste en omhelsde Israël hen. 11  ‘Ik had niet gedacht dat ik jou ooit nog zou terugzien, ‘zei hij tegen Jozef, ‘maar God heeft mij zelfs je nakomelingen laten zien.’ 12  Jozef liet zijn zonen, die tegen Israëls knieën stonden, wat opzij gaan en boog zich diep voor hem neer. 13  Daarna bracht hij hen beiden weer dicht bij zijn vader. Aan zijn rechterhand had hij Efraïm, die hij links van Israël plaatste, en aan zijn linkerhand had hij Manasse, die hij rechts van hem plaatste. 14  Maar Israël kruiste zijn handen: zijn rechterhand legde hij op het hoofd van Efraïm, hoewel die de jongste was, en zijn linkerhand legde hij op het hoofd van Manasse, hoewel die de oudste was. 15  Hij zegende Jozef met deze woorden: ‘De God naar wiens wil mijn voorouders Abraham en Isaak zich richtten, de God die mijn leven lang mijn herder is geweest, 16  de engel die mij heeft bevrijd van alle onheil, hij geve deze jongens zijn zegen. Moge mijn naam door hen voortleven, en ook die van mijn voorouders Abraham en Isaak, en mogen zij zich over de hele aarde uitbreiden.’ 17  Toen Jozef zag dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm had gelegd, leek hem dat verkeerd, en daarom pakte hij zijn vaders hand, om die te verplaatsen van Efraïms hoofd naar dat van Manasse. 18  ‘Niet zo, vader!’ zei Jozef. ‘Dit is de oudste, u moet uw rechterhand op zijn hoofd leggen.’ 19  Maar zijn vader wilde dat niet. ‘Ik weet het, mijn zoon, ‘zei hij, ‘ik weet het. Ook uit hem zal een volk voortkomen, ook hij zal machtig worden. Maar zijn jongere broer zal machtiger worden dan hij, en uit hem zullen tal van volken voortkomen.’ 20  Zo zegende hij hen die dag met de woorden: ‘Jullie naam zal worden genoemd in de zegenwensen van de Israëlieten. Ze zullen zeggen: “Moge God u maken als Efraïm en Manasse.”’ Zo plaatste hij Efraïm vóór Manasse. 21  Daarna zei Israël tegen Jozef: ‘Ik zal nu spoedig sterven. Maar God zal jullie ter zijde staan en jullie laten terugkeren naar het land van je voorouders. 22  En jou geef ik meer dan je broers: een bergrug die ik de Amorieten met mijn zwaard en mijn boog afhandig heb gemaakt.’ (NBV)

Als je jong bent sta je er niet zo bij stil. Maar als je ouder wordt merk je toch dat het soms mooi is als je naam voortleeft. Dan gaat het niet zozeer letterlijk om je naam maar om waar je naam in hebt gemaakt, waar je voor staat. Je normen en waarden zeggen sommige mensen tegenwoordig. Die bedoelen dan niet jouw normen en waarden maar die van zichzelf, die leggen ze dan graag op aan anderen. Maar dat wat jij vindt, hoe jij de wereld zou willen zien, doorgeven aan volgende geslachten is iets waardevols. Jacob doet dat ook, hij doet dat in de vorm van het zegenen van Jozef en zijn zonen, zoals hij zelf ooit gezegend was door zijn vader Izaak, niet helemaal overigens want hij had Izaak doen geloven dat hij Ezau was. Maar ook hier draait Jacob de volgorde van de dingen om. De eerstgeborene wordt de laatste, omdat hij zijn handen omdraait. De zegen die hij uitspreekt is een kleine samenvatting in dichtvorm van het hele boek Genesis. Abraham en Izaak trekken nog eens voorbij net als het leven van Jacob met alle tegenslagen en de God die voortdurend met hen is meegetrokken. Het goede dat van hen uit mag gaan, de zegen, is het uitroepen van de naam van Jacob, van Abraham en Izaak ook, met andere woorden, in hen mag voortleven het ideaal waarvoor ooit Abraham zijn stad en vaderhuis had verlaten.

Het ideaal dat vruchtbaarheid niet aan goden moet worden overgelaten maar dat je zelf vruchtbaar mag zijn, zoals Jozef vruchtbaar werd en Jacob zelf door vol te houden met zijn liefde. Het gebod tot vruchtbaar zijn begint al in het begin van het boek Genesis. Maar tot vandaag de dag laten wij onze vruchtbaarheid graag van anderen afhangen. De directeuren, de ondernemers, de politici, zij moeten er voor zorgen dat onze welvaart toeneemt. Dat ze dat alleen kunnen doen ten koste van anderen, desnoods ten koste van onze kinderen en kleinkinderen lijkt ze niet te deren. In het boek Genesis lees je hoe heel langzaam mensen ontdekken dat de liefde een grote rol speelt en dat delen met elkaar onvermijdelijk is. Je als vreemdeling opstellen zoals Abraham deed maakt dat je buren je gaan respecteren. De liefde volhouden door alles heen zoals Jacob deed toen hij Rachel wilde trouwen, leverde een groot gezin en veel rijkdom op. Vertrouwen blijven houden in dromen van het goede zoals Jozef deed leverde hem de hoogste positie in Egypte op en leverde uiteindelijk het leven op niet alleen voor de Egyptenaren maar ook voor zijn eigen volk. Zo ben je pas vruchtbaar vertelt ons dit verhaal, vertrouwend op de belofte van God voor een rechtvaardige wereld en delend met elkaar van wat je hebt.

We willen het vaak zo graag goed weten, de regels navolgen. Jozef wil dat ook, de oudste heeft de eerste rechten nietwaar. In het erfrecht heeft dat ook bij ons lang gegolden. Net als bij troonopvolgingen. Die mochten vroeger ook alleen maar van vader op zoon overgaan. In sommige landen is dat nog steeds zo. Alleen als er geen zonen meer zijn dan verandert men dat en mogen ook dochters op de troon. Maar nog steeds gaat de oudste eerst. In de Bijbel gaan de dingen anders. “Zijn woord wil deze wereld omgekeerd” schreef de dichter Huub Oosterhuis eens in een lied. En die regel vindt je op veel plaatsen in de Bijbel terug. Ook Jacob was niet de oudste en ook Jozef niet. En ook de vader van Jacob, Izaak, kwam na Ismael maar werd toch de opvolger van Abraham.  Ook de volgorde van de zonen van Jozef wordt hier omgedraaid. Voor latere generaties verklaarde dat waarom de ene stam groter en belangrijker was geworden dan de andere. In onze dagen klinkt dat toch wel heel eigenaardig. Krampachtig wordt op alle terreinen naar de eerste de beste gezocht. Dus niet in de Bijbel. Daar gaat het om de minste, om de mens die achteraan komt, die aan de kant is gezet, die niet meer meekan. Want als je echt een volk wil vormen dan kom je er niet met al die nummers één.  Dat is de kern van het verhaal van Jacob, zijn wens is dat zijn kleinzoons dat niet uit het oog zullen verliezen, die wens geldt ook ons.

Efrat is het huidige Betlehem

donderdag, 17 november, 2016

Genesis 47:28–48:7

28  Jakob woonde zeventien jaar in Egypte; hij werd honderdzevenenveertig jaar. 29  Toen hij voelde dat hij niet lang meer zou leven, liet hij zijn zoon Jozef bij zich komen. ‘Als je het goed met me voorhebt, ‘zei Israël, ‘leg dan je hand in mijn lies en geef mij blijk van je liefde en trouw: zweer dat je me niet in Egypte begraaft. 30  Als ik straks gestorven ben, breng mij dan weg uit Egypte en begraaf me in het graf van mijn voorouders.’ Jozef beloofde het. 31  ‘Zweer het mij, ‘zei Israël. Jozef zwoer het hem, en daarna knielde Israël neer op het hoofdeinde van zijn bed. 1 ¶  Niet lang daarna ontving Jozef het bericht dat zijn vader ziek was. Samen met zijn twee zonen, Manasse en Efraïm, ging hij naar hem toe. 2  Toen men Jakob vertelde dat zijn zoon Jozef er was, verzamelde hij al zijn krachten en ging op de rand van het bed zitten. 3  Hij zei tegen Jozef: ‘God, de Ontzagwekkende, is in Luz, in Kanaän, aan mij verschenen en heeft mij daar gezegend. 4  Hij heeft me gezegd: “Ik zal je vruchtbaar maken en je veel nakomelingen geven; er zal een groot aantal volken uit je voortkomen. En dit land zal ik jouw nakomelingen voor altijd in bezit geven.” 5  Welnu, de twee zonen die jij in Egypte hebt gekregen voordat ik hierheen kwam, zullen als mijn eigen zonen gelden: Efraïm en Manasse stel ik op één lijn met Ruben en Simeon.
6  Maar als je na hen nog meer kinderen verwekt, dan zullen die als de jouwe worden beschouwd. Zij krijgen grondbezit in het stamgebied van hun broers. 7  Ik wil dit zo omdat toen ik terugkwam uit Paddan, Rachel tot mijn verdriet is gestorven op onze tocht door Kanaän; het was toen nog maar een uur of twee naar Efrat, en ik heb haar daar, langs de weg naar Efrat begraven.’ (Efrat is het huidige Betlehem.) (NBV)

Zo rond de kerstdagen vragen mensen zich nog wel eens af waarom we eigenlijk zingen van het veld van Efrata. In het Nieuwe Testament komt de naam immers niet voor. En met kerst wordt toch altijd het verhaal uit het Evangelie van Lucas gelezen en soms gepreekt uit het Evangelie van Johannes, maar Efrata klinkt niet door in die Bijbelverhalen. Bethlehem wel, het huis van het brood. Dat was het dorp waar Koning David vandaan kwam. En omdat Jozef en Maria afstammelingen van David waren gingen ze terug naar Bethlehem. Daar in de buurt lag dus ook Rachel begraven, de moeder van Jozef en Benjamin. Daar wilde ook Jacob begraven worden lezen we vandaag. Dat was het land dat aan Abraham en zijn nageslacht beloofd was, een belofte die aan Jacob herhaalt was. Jacob had goed door dat ze niet in Egypte thuis hoorden. Jozef had daar wel een zeer hoge positie gekregen en zijn broers en de rest van het volk had een prima plaats om te wonen gekregen maar ze hoorden er niet thuis.

Ook het nageslacht van Jozef niet. De zonen van Jozef kregen een bijzondere positie, Efraïm en Manasse, de zonen van de dochter van een Egyptische priester waarmee Jozef was getrouwd, werden op één lijn gesteld met de zonen van Lea, Ruben en Simeon. En waarom? Omdat Jozef zo graag nog meer zonen zou hebben gehad met Rachel, zijn vrouw die al gestorven was toen hij nog maar net Kanaän was binnengetrokken. De vrouw die dus bij Bethlehem begraven lag. Veel later zou zij nog een rol vervullen in het verhaal dat Matteüs zou vertellen over de dagen rond de geboorte van Jezus van Nazareth. Maar Jacob herkent hier de belofte van God om een groot nageslacht te krijgen in zijn kleinkinderen en geeft dat ook aan zijn kleinkinderen door.

In onze dagen is de band tussen grootouders en kleinkinderen vaak groter. We leven langer en we genieten meer van ons pensioen en dus hebben grootouders vaak meer tijd voor hun kleinkinderen. Ze werden door de staat zelfs een tijdje geleden betaald als ze op hun kleinkinderen passen zodat hun ouders kunnen werken. Daar werd net iets te veel misbruik van gemaakt. Jammer alleen dat bij echtscheidingen de band tussen grootouders en kleinkinderen geen rol kan spelen. Maar als grootouders een goede band hebben met hun kleinkinderen hebben ze dus ook de kans om de belofte van een rechtvaardige wereld door te geven. Om hun kleinkinderen te leren en voor te leven wat het is om van je naaste te houden als van jezelf. Als je kinderen hebt en ouders mag je je ouders gerust vragen dat aan hun kleinkinderen door te geven. Als jezelf kleinkind bent vraag je grootouders nog maar eens hoe dat zit, zij kennen de oude verhalen nog.

U hebt ons leven gered

woensdag, 16 november, 2016

Genesis 47:13-27

13 ¶  In heel het land was het voedsel inmiddels op, zo ernstig was de hongersnood. Zowel Egypte als Kanaän dreigde onder de hongersnood te bezwijken. 14  De mensen kochten bij Jozef graan, en zo kwam al het geld dat er in Egypte en Kanaän te vinden was bij Jozef terecht. Hij liet dat geld naar het paleis van de farao brengen. 15  Toen het geld in Egypte en Kanaän op was, kwamen de Egyptenaren weer bij Jozef. ‘Geef ons te eten, ‘zeiden ze. ‘U kunt ons toch niet voor uw ogen laten sterven nu we geen geld meer hebben?’ 16  Jozef antwoordde: ‘Als u geen geld meer hebt, geef me dan uw vee, dan krijgt u in ruil daarvoor eten.’ 17  Dus brachten ze hun vee naar Jozef, en hij gaf hun voedsel in ruil voor hun paarden, schapen, geiten, runderen en ezels. Zo voorzag hij hen dat jaar van voedsel in ruil voor hun vee. 18  Een jaar later kwamen ze weer bij hem. Ditmaal zeiden ze: ‘We hoeven u niet te zeggen, heer, dat we nu al ons geld en al ons vee aan u hebben gegeven. We hebben u niets anders meer te bieden dan ons lichaam en onze akkers. 19  Laat ons en onze akkers niet voor uw ogen ten onder gaan. Koop ons en onze grond in ruil voor eten; dan krijgt de farao de beschikking over onszelf en onze grond. En geeft u ons ook zaad, dan kunnen we tenminste in leven blijven en hoeven de akkers niet te verwilderen.’ 20  Jozef kocht alle akkergrond van Egypte voor de farao op, want alle Egyptenaren verkochten hun akker, zo erg hadden ze onder de hongersnood te lijden. Zo kwam al het land in bezit van de farao. 21  En in alle delen van Egypte maakte Jozef het volk tot slaaf. 22  Alleen de grond van de priesters kocht hij niet op, want de priesters kregen een vaste toelage van de farao en zij konden van dat inkomen leven; daarom hoefden zij hun grond niet te verkopen. 23  Jozef zei tegen het volk: ‘Nu heb ik uzelf en uw grond voor de farao gekocht. Hier hebt u zaad; zaai de akkers daarmee in. 24  Van de opbrengst moet u voortaan een vijfde deel aan de farao afstaan. Vier vijfde is voor u; dat kunt u gebruiken als zaaigoed en als voedsel voor uzelf, uw kinderen en uw verdere familieleden.’ 25  Ze antwoordden: ‘U hebt ons leven gered. Als u het zo wilt, heer, zullen wij de farao voortaan als slaaf dienen.’ 26  Jozef legde in een wet vast (en die wet is nog altijd van kracht) dat een vijfde van de opbrengst van de Egyptische akkers voor de farao was. Alleen de grond van de priesters werd geen eigendom van de farao. 27 ¶  Zo gingen de Israëlieten in Egypte wonen, in Gosen. Ze verwierven er bezittingen, ze kregen kinderen en breidden zich sterk uit. (NBV)

Dat is ook een mooie, die Jozef. Toen het volk nog graan in overvloed had legde hij de Egyptenaren een belasting op van een vijfde van al het graan. Dat liet hij opslaan voor slechtere tijden. Nu zijn die slechte tijden er en achtereenvolgens vraagt hij hun zilver om te kunnen eten en als dat op is hun land en als het graan weer op is hun zelf en maakt hij het volk tot slaaf. En voortaan moeten ze opnieuw twintig procent van al het graan afdragen aan de Farao. Wij zouden dat in onze dagen niet meer pikken zou je zo denken. Maar ook wij gaan ver als we in leven willen blijven. In de grote politiek heet dat dan dat we onze eigen belangen niet uit het oog moeten verliezen. Daarom kopen we olie en andere grondstoffen vaak van regeringen die alles doen wat wij verkeerd vinden. Ons opgeheven vingertje, ja zelfs veroordelingen van de Verenigde Naties of de Veiligheidsraad, houden ons niet tegen als ons belang vraagt dat we goede betrekkingen onderhouden met veroordeelde regeringen.

Jozef wordt geprezen om zijn rechtvaardig beleid. Over dat tot slaaf maken van het volk zijn de geleerden het overigens niet eens. In de Griekse vertaling die ooit van het Oude Testament is gemaakt, dat is de oudste versie die we op schrift hebben van de Hebreeuwse Bijbel, staat inderdaad dat het volk van Egypte tot slaaf is gemaakt. In een nog oudere versie van de eerste vijf boeken van de Hebreeuwse Bijbel, die door de Samaritanen werd gebruikt, staat dat ook, maar in de tekst van de Joodse Rabbijnen, de zogenaamde Masoretische tekst die bij vertalingen meestal als leidend wordt gebruikt staat dat het volk overgebracht werd naar de steden. Jozef laat overigens de Egyptische priesters buiten beschouwing. De godsdienst van de Egyptenaren bleef zo in tact. Een respect voor vreemde godsdiensten dat ons soms vreemd lijkt te zijn. Voor Jozef niet want die was immers met de dochter van de Egyptische priester getrouwd.

De twee zonen uit dit huwelijk zouden met de broer en de halfbroers van Jozef stamvader van de stammen van Israel worden. De Bijbel veroordeelt zelfs die vreemde godsdienst niet. Waar het in dit verhaal om gaat is dat de mensen door al die maatregelen van Jozef blijven leven. Ze krijgen onderling geen ruzie, er breken geen gevechten uit om de verdeling van het graan dat ligt opgeslagen. Het gaat er niet om wie veel zilver heeft en wie weinig, het gaat er ook niet om wie veel land heeft en wie weinig, iedereen moet ook evenveel belasting van de opbrengst betalen. Zelfs maken de maatregelen van Jozef het mogelijk dat er nog een volk blijft leven, het volk van Israël zoals Jacob nu genoemd wordt. Dat zouden ook wij eens moeten bedenken als we gevraagd worden onze rijkdom te delen met anderen die vergaan van de honger. Als wij ons daar zelf voor zouden inzetten, zoals de Egyptenaren die slaaf werden, dan zouden ook die hongerenden in de wereld gevoed kunnen worden.

Jakob had Juda vooruitgestuurd

dinsdag, 15 november, 2016

Genesis 46:28–47:12

28 ¶  Jakob had Juda vooruitgestuurd naar Jozef, om van hem te horen welke weg naar Gosen leidde. Toen Jakob en zijn familie in Gosen waren aangekomen, 29  spande Jozef zijn wagen in en reed daarnaartoe, zijn vader Israël tegemoet. Toen hij eindelijk voor zijn vader stond, viel hij hem om de hals en huilde langdurig. 30  En Israël zei tegen Jozef: ‘Nu ik jou levend en wel heb teruggezien, kan ik sterven.’ 31  Jozef zei tegen zijn broers en zijn verdere familieleden: ‘Ik ga nu de farao op de hoogte brengen. Ik zal tegen hem zeggen: “Mijn broers en mijn andere familieleden zijn uit Kanaän naar mij toe gekomen. 32  Het zijn altijd schaapherders en veefokkers geweest, en ze hebben hun schapen en geiten en hun runderen meegebracht en alles wat ze verder maar bezitten.” 33  Als de farao jullie ontbiedt en naar je beroep vraagt, 34  dan moeten jullie hem beleefd antwoorden dat jullie al van jongs af aan veefokkers zijn, net als jullie voorouders. Dan zullen jullie je wel hier in Gosen mogen vestigen, want de Egyptenaren hebben een afschuw van schaapherders.’ 1 ¶  Daarop ging Jozef naar de farao en deelde hem mee dat zijn vader en broers uit Kanaän waren gekomen, met hun schapen, geiten en runderen en met alles wat ze verder bezaten, en dat ze nu in Gosen waren. 2  Vijf van zijn broers had hij meegenomen en hij stelde hen aan de farao voor. 3  ‘Wat is uw beroep?’ vroeg de farao, en zij antwoordden: ‘Wij zijn schaapherders, net als onze voorouders.’ 4  En ze vervolgden: ‘Uw dienaren zijn hierheen gekomen om een tijdlang in dit land te wonen, want er is in Kanaän geen weidegrond meer voor onze schapen en geiten; zo erg is de hongersnood daar. Geef uw dienaren daarom toestemming om in Gosen te gaan wonen.’ 5  Toen zei de farao tegen Jozef: ‘Nu uw vader en uw broers naar u toe zijn gekomen, 6  kunnen ze in Egypte blijven. Laat hen in het beste deel van het land wonen, laten ze zich in Gosen vestigen. En zijn er mannen bij die, naar u weet, hun vak verstaan, belast die dan met het toezicht over mijn veestapel.’ 7  Hierna bracht Jozef zijn vader Jakob bij de farao en stelde hem aan de farao voor. Jakob begroette hem met een zegenwens. 8  De farao vroeg hem naar zijn leeftijd 9  en Jakob antwoordde: ‘Honderddertig jaar heb ik nu op aarde rondgezworven. Mijn leven, dat ellendig is geweest, heeft nog maar kort geduurd, ik heb nog niet zo lang op aarde rondgezworven als mijn voorouders.’ 10  Toen nam Jakob met een zegenwens afscheid van de farao. 11  Jozef gaf zijn vader en zijn broers een stuk grond in het beste deel van Egypte, in Rameses, zodat ze zich daar konden vestigen, zoals de farao had gezegd. 12  Hij voorzag zijn vader en zijn broers en heel zijn verdere familie van voedsel, zoveel als zij en hun kinderen maar nodig hadden. (NBV)

Juda was dus echt de plaatsvervangend leider geworden, de eerstgeborene met voorbijgaan van Ruben. In de Bijbel worden vanzelfsprekende maatschappelijke posities nu eenmaal voortdurend omver geworpen. Veel later zal blijken dat ook een erfelijk koningschap nergens op zal uitlopen, maar in de geschiedenis van Israel nemen de eerstgeborenen een bijzondere positie in. Jacob zelf was immers ook niet de eerstgeborene, toch nam hij de erfenis van Izaak over en zette de droom van Abraham voort. Ook Juda was niet de eerstgeborene en veel later werd zijn stam de belangrijkste, dat begint hier. Jozef bereikt inmiddels de hoogste positie. Het Hebreeuwse woord voor wagen dat hier wordt gebruikt kan ook vertaald worden met zonnewagen, koningswagen of strijdwagen. Neem maar aan dat die Jozef zijn voornaamste wagen heeft gebruikt om zijn vader te begroeten. Dat land Gosen dat Jozef hen had toegewezen lag in de delta van Egypte. Het was vruchtbaar grasland. De Egyptenaren zelf hadden er weinig aan, zij waren landbouwers, maar voor de vee telende Hebreeën was het nuttig land. Die veetelers stinken overigens. Daarom moeten de Hebreeuwse relaties van Jozef benadrukken dat ze veefokkers en herders zijn. Dat maakt het voor de Farao gemakkelijker om ze het land Gosen toe te wijzen. Ze hoeven zich er niet voor te schamen herders en veefokkers te zijn en van herders en veefokkers af te stammen. Zelfs voor de afstamming van slaven hoeven ze zich later niet te schamen.

Het is weer jammer dat de vertalers van de Nieuwe Bijbelvertaling zo Hollands vertalen. Want eigenlijk zegt Jacob tegen de Farao dat hij honderddertig jaar een vreemdeling is geweest. En dat vreemdeling zijn op aarde is een kenmerk van het geloof van Israël. Waar je ook bent, je God gaat altijd met je mee, wat je ook overkomt, je God is je altijd nabij, maar je blijft zelf altijd een vreemdeling op aarde. Jacob kan met recht zeggen dat zijn leven ellendig is geweest. Hij moest vluchten voor zijn broer, werd bedrogen door zijn oom Laban die hem pas na vele jaren Lea tot bruid gaf en hem vervolgens nog vele jaren liet werken voor Rachel ,van wie hij hield, om hem na nog meer jaren pas te laten gaan. Toen moest hij bang zijn voor zijn broer en toen hij zich eenmaal had gevestigd maakten ze hem wijs dat zijn lievelingszoon Jozef door een dier was verscheurd en nu was er hongersnood en had hij ook zijn jongste zoon moeten wegsturen. Uiteindelijk was hij gedwongen te vertrekken uit het land dat God aan zijn vaderen had beloofd. Maar Jacob kon deze Farao zegenen, van deze Farao ging wat goeds uit. Jozef had zijn familie naar Farao meegenomen. Vijf broers, voor elk jaar dat er nog hongersnood zou zijn één broer. Nu werd ook duidelijk waar het probleem voor de Hebreeën lag, door de droogte groeide er niet alleen geen graan maar ook geen gras. In de delta tussen twee uitlopers van de Nijl, het land Gosen, hadden ze daar geen last van.

Rameses is de naam van de stad die de nakomelingen van Jacob en zijn zonen voor de Egyptenaren in het land Gosen moesten bouwen, maar dat verhaal zal pas veel later verteld worden. Vreemdelingen bleven ze en als vreemdelingen vestigden ze zich in het land Gosen waar ze voorzien werden van net zoveel voedsel als ze nodig hadden. Ook al is er hongersnood er is kennelijk altijd een weg te vinden om een volk te voeden. Dat moeten we eens bedenken in de dagen van de voedselcrisis. De prijs van voedsel stijgt met name in arme landen. Ze zijn eerst afhankelijk van het Westen gemaakt doordat hun markten werden overspoeld met goedkope overschotten van de gesubsidieerde landbouw in het rijke Westen. Nu daar het geld schaars is geworden en de transportkosten hoog, zijn bedrijven gedwongen meer geld vragen door de lange aanvoerwegen en stijgen dus de voedselprijzen. Als we een meer eerlijk handelssysteem hadden waarbij het Westen af zou zien van het subsidiëren van overschotten en eerlijke prijzen zou betalen voor producten uit arme landen zou er veel minder voedselcrisis zijn. Jozef leerde ons in dit verhaal dat delen overleven betekent. Overleven voor Egyptenaren maar ook overleven voor zijn eigen volk. Nergens komt een eigen volk op de eerste plaats, alleen samen komen ze er. Laten we er van weten te leren. Voor ons zijn de Fair Trade winkels open.

Ze verslinden de huizen van de weduwen

maandag, 14 november, 2016

Lucas 20:41–21:4

41  Hij zei tegen hen: ‘Hoe kan men beweren dat de messias een zoon van David is? 42  Want David zelf zegt in het boek van de Psalmen: “De Heer sprak tot mijn Heer: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand, 43  tot ik van je vijanden een bank voor je voeten heb gemaakt.’ ” 44  David noemt hem dus Heer, hoe kan hij dan zijn zoon zijn?’ 45  Terwijl de menigte luisterde, zei hij tegen zijn leerlingen: 46  ‘Pas op voor de schriftgeleerden die zo graag in dure gewaden rondlopen en op het marktplein eerbiedig begroet willen worden, en een ereplaats verlangen in de synagogen en bij feestmaaltijden: 47  ze verslinden de huizen van de weduwen en zeggen voor de schijn lange gebeden op. Over hen zal strenger worden geoordeeld dan over anderen!’ 1 ¶  Toen hij opkeek, zag hij hoe rijken hun giften in de offerkist kwamen werpen. 2  Hij zag ook dat een arme weduwe er twee muntjes in gooide, 3  en hij zei: ‘Ik verzeker jullie: deze arme weduwe heeft meer gegeven dan alle anderen. 4  Want de anderen hebben iets van hun overvloed geofferd, maar zij heeft van haar armoede alles gegeven wat ze nodig had voor haar levensonderhoud.’ (NBV)

Over het voor de schijn opzeggen van lange gebeden zullen we het hier niet hebben. Dat heeft het Christendom al te veel schade berokkend. Jezus van Nazareth spreekt over de religieuze leiders van zijn tijd, maar de religieuze leiders van onze tijd kunnen er ook wat van. In alle tijden zijn er mensen die gekleed in fraaie kledij proberen eerbied af te dwingen terwijl ze ondertussen de armen uitpersen om zelf nog rijker te worden. Fraaie woorden en nog fraaier bezit moet het kwalijke van hun handelen verbloemen. Onder collectanten is al heel lang bekend dat je ook in onze dagen beter kunt collecteren in een wat armere wijk dan in een wijk met rijke bewoners. In die wat armere wijk haal je niet alleen naar verhouding meer op maar vaak ook nog gewoon nominaal veel meer, daar zitten de collectebussen veel voller. We kennen de procentuele loonsverhogingen die het verschil in salaris tussen de rijken en de armen jaarlijks verder vergroten maar we horen eigenlijk nooit over de procentuele giften.

Als je wel de bereidheid tot geven zouden uitdrukken in procenten van het inkomen dan zouden we merken dat het percentage dat de armen geven vele malen groter is dan het percentage dat de meeste rijken geven. Er is sinds de dagen van Jezus van Nazareth principieel niet veel veranderd. Daarom blijft het verhaal hoogst actueel en dient het verhaal voortdurend verteld te blijven worden. De waarschuwing voor de heren in zwart gestreepte antraciet pakken en de dames in mantelpakken of goed gesneden broekpakken is ook vandaag geldig. Het zijn de mensen die de schuld van de armoede bij de armen zelf leggen. Die de duurste schoolreisjes en werkweken voor hun kinderen bepleiten en dan boos zijn dat mensen leningen af sluiten om ook hun kinderen dit schijnbaar goede te gunnen. Slechts zelden staat er tijdens de ouderavonden iemand op die vraagt om een meer sociaal beleid en een systeem van eerlijk delen waarbij alle kinderen mee kunnen doen zonder dat de ouders voor te zware lasten worden gezet.

In een samenleving waar steeds vaker ouders alleen hun kinderen groot moeten brengen en zonder buitenschoolse kinderopvang zelf de kost moeten zien te verdienen van de overheid moeten we eigenlijk veel meer op elkaar letten, en op de kosten waar we elkaar mee opzadelen, dan ooit het geval is geweest. Wie nog wel eens naar een kerk gaat ziet dat de uitspraken van Jezus van Nazareth er in elk geval toe hebben geleid dat bijna niemand meer vooraan durft te gaan zitten. Dat is een teken dat het met de lange schijngebeden en het opeten van de huizen van de weduwen nog lang niet gedaan is. Die mensen die zich van geen kwaad bewust zijn maar er naar verlangen opnieuw samen te vieren dat de armen bevrijding is aangezegd kunnen namelijk gerust vooraan gaan zitten. Stem geven aan de armen is volgens de Bijbel ook bidden, als zij het niet kunnen zeggen moeten we het zelf maar doen. Elke dag mag het weer opnieuw, ook vandaag.

Hij is geen God van doden

zondag, 13 november, 2016

Lucas 20:27-40

27 ¶  Enkele Sadduceeën, die ontkennen dat er een opstanding is, kwamen naar hem toe en vroegen hem: 28  ‘Meester, Mozes heeft ons het volgende voorgeschreven: als een gehuwd man sterft zonder dat zijn vrouw kinderen heeft gebaard, moet zijn broer met die vrouw trouwen en nakomelingen verwekken voor zijn broer. 29  Nu waren er zeven broers. De eerste was gehuwd, maar stierf kinderloos; 30  daarna trouwde de tweede broer met de vrouw 31  en vervolgens de derde, en toen de andere broers, maar alle zeven waren ze kinderloos toen ze stierven. 32  Ten slotte stierf ook de vrouw. 33  Wiens vrouw is ze dan bij de opstanding? Alle zeven zijn ze immers met haar getrouwd geweest.’ 34  Jezus zei tegen hen: ‘De kinderen van deze wereld huwen en worden uitgehuwelijkt, 35  maar wie waardig bevonden is deel te krijgen aan de komende wereld en aan de opstanding van de doden, huwt niet en wordt niet uitgehuwelijkt. 36  Zij kunnen ook niet meer sterven, want ze zijn als engelen en ze zijn kinderen van God omdat ze deel hebben aan de opstanding. 37  Dat de doden opgewekt worden, dat heeft ook Mozes al duidelijk gemaakt in de tekst over de doornstruik, waar hij spreekt over de Heer als de God van Abraham en de God van Isaak en de God van Jakob. 38  Hij is geen God van doden, maar van levenden, want voor hem zijn allen in leven.’ 39 ¶  Enkele schriftgeleerden zeiden: ‘Meester, wat u zegt is juist.’ 40  En niemand durfde hem nog een vraag te stellen. (NBV)

Er waren in de dagen van Jezus van Nazareth twee stromingen in Israel. De Farizeeën geloofden in de opstanding van de doden en de Saduceeën niet. Jezus van Nazareth was in zijn opvattingen het meest verwant aan de Farizeeën, hij sprak ook met enige regelmaat in hun Synagogen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Saduceeën probeerden de opvattingen van Jezus van Nazareth over de opstanding der doden onderuit te halen. Dat kan door er de nodige fantasieën op los te laten die op zich niets zeggen over God zelf. Hoe gaat dat nu als iedereen opstaat uit de doden? Zien we elkaar dan weer? En met wie zijn we dan getrouwd als we bij leven met meerdere mensen getrouwd waren? Er zijn op deze manier vele vragen te stellen. Jezus van Nazareth geeft wel antwoord maar gaat niet precies uitleggen hoe de techniek van de opstanding er uit zal gaan zien. Het enige dat vaststaat is dat er een komende wereld is, de wereld waarin alle tranen gedroogd zullen zijn en God zelf op aarde zal wonen.

Er komt een wereld waar de Liefde zal regeren en waar alle kwaad verdreven zal zijn. Al die mensen die het goede zochten te doen en niets dan het goede zullen daar deel aan hebben. Als Jezus dat heeft uitgelegd volgt er een merkwaardige opmerking. Hij verwijst naar de passage in het oude testament waarin God zich voorstelt aan Mozes, “Ik ben de God van Abraham, Izaak en Jacob”, de God dus van de geschiedenis van het volk Israel. Die Abraham, Izaak en Jacob zijn volgens Jezus van Nazareth dus geen dode pieren uit een vervlogen historie maar levende getuigen van de macht van de God die zich aan Mozes voorstelt. Daarmee wordt de komende wereld waar Jezus over spreekt niet een wereld die er ooit wel eens zal komen, maar een wereld die er nu al is. Deze God die zich aan Mozes voorstelde was toch immers een God “die mee zal trekken”, en zo zelfs wilde heten. Daarmee is de vraag naar de opstanding van de doden, en alle vragen die daarmee samenhangen, van geen waarde meer voor mensen.

De vraag is of er al iets van de komende wereld in ons leven te bespeuren is. Worden alle tranen gewist en zijn wij daar dag in dag uit mee bezig? Worden de hongerigen gevoed en de naakten gekleed? Worden de gevangenen bezocht? Wordt de vrede gesticht? Net als bij de vragen naar het bestaan van God en naar de plaats van hemel kom je in de Bijbel telkens weer uit bij de vraag hoe mensen met elkaar omgaan. In het antwoord op die vraag is het antwoord op de vraag naar God te vinden. Dat antwoord is zelfs niet te vinden in een zogenaamde persoonlijke relatie met een god. Altijd vraagt deze God naar je relatie met de minsten onder ons, vanwege die vraag, die God voortdurend stelt, is onze God meer dan nodig. Als God zich niet op die manier aan Mozes had geopenbaard moesten wij hem vandaag nog uitvinden.

Ze hielden hem echter in de gaten

zaterdag, 12 november, 2016

Lucas 20:20-26

20 ¶  Ze hielden hem echter in de gaten en stuurden er spionnen op uit die zich als rechtvaardigen moesten voordoen, in de hoop hem op een onwettige uitspraak te betrappen, zodat ze hem konden uitleveren aan de overheid, aan het gezag van de prefect. 21  Ze vroegen hem het volgende: ‘Meester, we weten dat wat u zegt en leert juist is en dat u spreekt zonder aanzien des persoons, en dat u in alle oprechtheid onderricht geeft over de weg van God. 22  Welnu, is het toegestaan belasting te betalen aan de keizer of niet?’ 23  Maar Jezus doorzag hun sluwe opzet en antwoordde: 24  ‘Laat mij eens een denarie zien. Van wie zijn de afbeelding en het opschrift op deze munt?’ ‘Van de keizer, ‘antwoordden ze. 25  Daarop zei hij tegen hen: ‘Geef wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort.’ 26  Ze slaagden er dus niet in om hem ten overstaan van het volk te betrappen op een onwettige uitspraak, en omdat ze geen raad wisten met zijn antwoord, deden ze er het zwijgen toe. (NBV)

Over privacy bestaan nogal wat misverstanden. We denken al snel dat privacy te maken heeft met prive. En met prive heeft niemand wat mee te maken maar als de overheid er naar wil kijken dan moet dat kunnen. Wij doen immers niks fout en als ze boeven kunnen vangen door iedereen af te luisteren en te bekijken dan moet dat maar. In dit verhaal over Jezus van Nazareth leren we dat we er toch voorzichtig mee moeten zijn. Als wij het goede willen doen en niets dan het goede dan zou daar niets verkeerds aan moeten zijn. Maar in de geschiedenis is het maar al te vaak zo dat machthebbers en rijken een hekel hebben aan het goede doen. Wij vinden het goed dat er een vrije en onafhankelijke pers is die ons bericht over wat de overheid doet zonder dat de overheid daar invloed op kan hebben. Maar zelfs onze eigen democratisch gekozen en gecontroleerde overheid breekt in in computers van onafhankelijke kranten om de berichtgeving te kunnen beïnvloeden voordat wij die hebben kunnen lezen.

In de dagen van Jezus van Nazareth werd ook hij in de gaten gehouden om hem te kunnen betrappen op uitlatingen die hem voor de rechter zouden kunnen brengen. De belasting werd in dit verhaal gebruikt als valkuil. De meeste rijken houden niet van belasting betalen en willen niet, net als de armen, meebetalen voor straten en straatlantaarns, huizenbouw, scholen en universiteiten en uitkeringen als je zonder loon komt te zitten. In de dagen van Jezus van Nazareth was dat niet anders. Maar de grote vraag was of zijn onverkorte trouw aan de Wet van eerlijk delen zoals die in de Tempel werd bewaard hem niet in conflict zou brengen met de bezetter. De belasting werd niet alleen door de Tempel geheven om die in stand te houden maar ook door de Romeinse Keizer. Jezus lost dat op door op de munt zelf te wijzen. Alle mensen zijn naar Gods beeld gemaakt, ook de Keizer van Rome.

God geven wat van God is betekent dus niets meer of minder dat je jezelf in dienst stelt van de liefde voor de naaste, voor de minste en dat je daar ook het beeld van God dat op de munt staat voor gebruikt, die Keizer is geen god maar net als jij en ik een beeld van God. Als je dat gelooft dan is er van trouw aan een vreemde keizer geen sprake, maar als je gelooft dat die keizer ook een god is, of met God niets van doen heeft, dan kun je rustig belasting betalen. De keus is dus niet aan Jezus maar aan jou en mij. Bemoeien wij ons in de democratische samenleving, met de keus voor de besteding van belasting, zijn we actief in het beïnvloeden van de politiek, of laten we de boel de boel. Dat is de keuze die Jezus van Nazareth ons vandaag voorlegt. De keus is aan ieder van ons.

Bang voor de reactie van het volk.

vrijdag, 11 november, 2016

Lucas 20:9-19

9 ¶  Hij vertelde de menigte de volgende gelijkenis: ‘Een man legde een wijngaard aan en verpachtte die aan wijnbouwers, waarna hij voor geruime tijd op reis ging. 10  Na verloop van tijd stuurde hij een knecht naar de wijnbouwers, die het deel van de oogst dat de eigenaar toekwam in ontvangst moest nemen. Maar de wijnbouwers ranselden hem af en stuurden hem met lege handen weg. 11  Daarna stuurde hij een andere knecht. Ook die werd afgeranseld, en nadat ze hem hadden vernederd stuurden ze ook hem met lege handen weg. 12  De eigenaar stuurde toen een derde knecht, maar ook die werd afgetuigd en de wijngaard uitgegooid. 13  Toen zei de eigenaar van de wijngaard: “Wat moet ik doen? Ik zal mijn geliefde zoon naar hen toe sturen, voor hem zullen ze toch wel ontzag hebben.” 14  Toen de wijnbouwers hem zagen, overlegden ze met elkaar en zeiden: “Dat is de erfgenaam! Laten we hem doden, dan is de erfenis voor ons.” 15  En ze gooiden hem de wijngaard uit en doodden hem. Wat zal de eigenaar van de wijngaard nu met hen doen? 16  Hij komt zelf, doodt de wijnbouwers en geeft de wijngaard aan anderen.’ Toen de mensen dit hoorden, zeiden ze: ‘Dat nooit!’ 17  Maar hij keek hen aan en vroeg: ‘Wat betekent dan wat er geschreven staat: “De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden”? 18  Iedereen die over die steen struikelt zal gebroken worden, en iedereen op wie die steen valt zal worden verpletterd.’ 19  De schriftgeleerden en hogepriesters, die wisten dat Jezus deze gelijkenis met het oog op hen verteld had, wilden hem op dat moment laten grijpen, maar ze waren bang voor de reactie van het volk. (NBV)

Wij zijn er aan gewend. Opiniepeilers vertellen je wekelijks, zo nodig dagelijks, wat het volk vindt. Noem een onderwerp en een opiniepeiler heeft er een vraag over gesteld. Opiniepeilingen zijn zo populair dat sommige TV programma’s hun eigen onderzoek hebben georganiseerd. Ze sturen ‘s morgens een mailtje rond om ‘s avonds duidelijk te maken dat de meerderheid van het volk het weer niet eens is met de regeerders in het land. Dat de meeste peilingen er naast zitten wordt er niet bij vermeld. De mening van het volk volgens de peilingen stuurt menig machthebber. Dat was al in de dagen van Jezus van Nazareth zo. Dat de machthebbers de erfenis van het volk Israel hadden verkwanseld aan de Romeinen om rust te houden kon ze niet schelen. Dat daarbij de armen, de zieken, de weduwen en de wezen buiten spel waren komen te staan kon ze ook niet schelen. Dat je juist die Romeinen de wind uit de zeilen kon nemen door je weer te gaan houden aan de Wet van eerlijk delen, aan het gebod je naaste lief te hebben als jezelf, ontging ze.

Die houding maakt Jezus van Nazareth maar al te duidelijk. De zorg die hij laat zien voor gewone, zwakke mensen die afhankelijk zijn van de luimen van de rijken en de machtigen maakt hem populair. Dat hetzelfde volk net zo gemakkelijk gemanipuleerd en opgezweept kan worden ontdekt hij misschien te laat, als hij aan het kruis hangt verzucht hij nog dat ze niet weten wat ze doen. In onze democratie speelt de mening van het volk een nog grotere rol. Eén maal per vier jaar immers mogen we stemmen op de partij die we aan de macht willen brengen. En elke partij wil de macht vergroten of in elk geval behouden. De opiniepeilingen zijn daarbij een probleem gaan vormen. We kennen immers de achtergronden van de meeste problemen en gepresenteerde oplossingen niet. We zijn niet in staat alle rapporten van wetenschappers en ambtenaren door te lezen en te begrijpen.

De meerderheid van het volk kiest dus gemakkelijk voor de eenvoudige slagzinnen. “Als je iets niet kent moet je er bang voor zijn” is de meest populaire slagzin. Die is al heel oud. Vroeger speelde die een rol tussen inwoners van verschillende dorpen en ook nu nog vallen er soms slachtoffers als bezoekers uit het ene dorp ruzie krijgen met bewoners van het dorp waar ze op bezoek zijn. Maar schelden op allochtonen en roepen dat immigratie op grond van geloof moet worden verboden is vager en gemakkelijker onder het volk te verkopen. Wie kent immers dat vreemde geloof van de Islam? Daar moet je dus bang voor zijn. Daar moet je dus vooral niet mee gaan praten, en zeker niet mee gaan eten. De Bijbel schrijft ons voor een paar keer per jaar te gaan eten met de vreemdelingen in ons midden. De Bijbel leert ons nergens bang voor te zijn, zelfs niet voor de dood. De Liefde van God overwint immers alle kwaad, heeft alle kwaad van de wereld al lang overwonnen.