Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor oktober, 2016

Zij is onschuldig

donderdag, 20 oktober, 2016

Genesis 38:20-30

20  Juda vroeg zijn vriend uit Adullam een geitenbokje naar de vrouw te brengen om het pand in te lossen, maar hij kon haar niet vinden. 21  Hij informeerde bij de mensen daar in de buurt: ‘Ik ben op zoek naar de vrouw die onlangs bij de weg naar Enaïm haar gunsten aanbood.’ ‘Zo’n vrouw is hier niet geweest, ‘antwoordden ze. 22  Dus ging hij naar Juda terug. ‘Ik heb haar niet kunnen vinden, ‘zei hij. ‘Sterker nog, de mensen daar beweren dat er nooit zo’n vrouw is geweest.’ 23  Toen zei Juda: ‘Laat haar alles dan maar houden, anders maken we onszelf nog belachelijk. Ik heb het beloofde bokje gestuurd, maar je hebt haar nu eenmaal niet kunnen vinden.’ 24 ¶  Ongeveer drie maanden later kwam men Juda vertellen dat Tamar, zijn schoondochter, zich als een hoer had gedragen en daardoor zwanger was. ‘Breng haar de stad uit, ‘zei Juda, ‘ze moet verbrand worden.’ 25  Maar terwijl ze de stad uit werd gebracht, liet ze haar schoonvader deze boodschap brengen: ‘Ik ben zwanger van de eigenaar van deze voorwerpen. Kijkt u eens goed van wie dit zegel, dit snoer en deze staf zijn.’ 26  Juda herkende ze en zei: ‘Zij is onschuldig maar ik niet, want ik heb haar niet aan mijn zoon Sela gegeven.’ Hij had geen tweede keer gemeenschap met haar. 27  Toen de tijd van de bevalling was gekomen, bracht ze een tweeling ter wereld. 28  Tijdens de bevalling stak een van de twee zijn hand naar buiten. De vroedvrouw bond een rode draad om zijn hand ten teken dat hij zich het eerst had laten zien. 29  Maar hij trok zijn hand weer terug, en daar kwam zijn broer te voorschijn. ‘Wat een baanbreker ben jij!’ zei ze. Hij kreeg de naam Peres. 30  Daarna kwam zijn broer, met om zijn hand de rode draad. Hij werd Zerach genoemd. (NBV)

Recht is recht en wat recht is moet aan het licht komen. We oordelen zo gemakkelijk. Een vreemde vrouw werkt in een ziekenhuis waar een baby sterft. Iemand schrikt en fluistert dat die vreemde vrouw dat wel gedaan kan hebben. En vreemd is de vrouw, maar een moordenares? Iedereen was er van overtuigd, behalve de wetenschap, die bewees dat het niet mogelijk was geweest, dat van een moord geen sprake was geweest. Wat recht is moet aan het licht komen. Maar we oordelen zo gemakkelijk. Vooral als het om vreemden gaat. Dat is niet zoiets van onze samenleving die zou verloederen. Dat is van alle tijden. Van Tamar wordt uitdrukkelijk gezegd dat ze een Kanaänitische was. Een vreemde aan het volk van Israel. Toen de Israëlieten onder Ezra en Nehemia uit ballingschap terugkeerden werd hen verboden met de mensen uit Kanaän te trouwen. Maar er was een verhaal dat vertelde dat het ook anders kon.

Soms moet je wel om nageslacht te verwerven. Juda doet wat iedereen zou doen, een ongetrouwde vrouw die na drie maanden zwanger blijkt heeft het buiten haar huwelijk gedaan. Dat is overspel en dat is fout. Later in de wetten van Mozes zou er op overspel de doodstraf komen te staan. Door zo met elkaar om te gaan is al het vertrouwen tussen mensen verloren. Dan plaats je je buiten een gemeenschap die gebouwd is op onvoorwaardelijk vertrouwen en onvoorwaardelijk delen met elkaar. Maar het behoort ook een gemeenschap te zijn waar je onvoorwaardelijk voor elkaar zorgt en dat is wat Tamar aan Juda laat zien. Dan worden hem echt de ogen geopend. Dan wordt duidelijk waar het recht en waar zijn vruchtbaarheid gezocht moet worden. Bij het oog hebben voor de positie van de ander, de weduwe in dit geval. En de zorg voor de weduwe en de wees wordt overal in de Bijbel aangehaald als de toetssteen voor het volgen van de God van Abraham, Izaak en Jacob, de God van de stam van Juda.

Tamar krijgt dus twee kinderen. Kinderen die van belang zullen zijn voor de toekomst van Israël. En niet alleen voor het volk van Israël want één van de kinderen komen we later in het Nieuwe Testament nog tegen. Voor de stam van Juda die ten dode leek opgeschreven breekt een nieuwe dag aan met het morgenrood en de naam Zerach van het kind dat zijn arm als eerste uitstak laat zich vertalen met morgenrood. Het zal echter de naam Perez zijn die we later tegenkomen. Perez betekent doorbraak, hij verdringt zijn broer zoals Jacob ooit Esau had verdrongen. Perez zou acht generaties later de voorvader van Koning David blijken. En volgens het nieuwe Testament zou deze Perez ook een verre voorvader van Jezus van Nazareth zijn. Vreemde vrouwen kunnen dus volgens de Bijbel van grote betekenis zijn voor onze toekomst. In vrede leven met de vreemdelingen in ons midden en oog blijven houden voor hun positie is niet alleen slim, het is onze opdracht, sinds de dagen van Juda tot op de dag van vandaag.

 

Wat hij deed was slecht

woensdag, 19 oktober, 2016

Genesis 38:1-19

1 ¶  In diezelfde tijd verliet Juda zijn broers en sloot hij zich aan bij een zekere Chira, een man die in Adullam woonde. 2  Daar viel zijn oog op de dochter van de Kanaäniet Sua. Hij trouwde haar en sliep met haar. 3  Ze werd zwanger en bracht een zoon ter wereld die Er werd genoemd. 4  Daarna werd ze opnieuw zwanger en kreeg weer een zoon, aan wie ze de naam Onan gaf. 5  Een derde zoon noemde ze Sela; toen Sela geboren werd bevond Juda zich in Kezib. 6  Voor Er, zijn oudste zoon, koos Juda een vrouw die Tamar heette. 7  Er was slecht in de ogen van de HEER, en daarom liet de HEER hem sterven. 8  Toen zei Juda tegen Onan: ‘Vervul je zwagerplicht: trouw met de vrouw van je broer en verwek voor je broer nakomelingen bij haar.’ 9  Maar omdat Onan wist dat zo’n kind niet als zijn nageslacht zou gelden, liet hij telkens als hij met de vrouw van zijn broer gemeenschap had zijn zaad op de grond terechtkomen, zodat hij geen nakomelingen voor zijn broer zou verwekken. 10  Wat hij deed was slecht in de ogen van de HEER, en daarom liet de HEER ook hem sterven. 11  Toen zei Juda tegen zijn schoondochter Tamar: ‘Nu je opnieuw weduwe bent, moet je maar weer bij je vader gaan wonen, totdat mijn zoon Sela volwassen is.’ Hij dacht namelijk: Ik moet voorkomen dat hij ook sterft, net als zijn broers. En Tamar ging weer bij haar vader wonen.  12 ¶  Geruime tijd later stierf Juda’s vrouw, de dochter van Sua. Toen de rouwtijd voorbij was begaf Juda zich naar Timna, samen met zijn vriend Chira uit Adullam, om bij zijn schaapscheerders te gaan kijken. 13  Zodra Tamar hoorde dat haar schoonvader op weg was naar Timna om zijn schapen te scheren, 14  legde ze haar weduwedracht af, bedekte zich met een sluier zodat ze onherkenbaar was, en ging langs de weg naar Enaïm zitten, een zijweg van de weg naar Timna. Dat deed ze omdat ze nog steeds niet aan Sela tot vrouw was gegeven, hoewel die inmiddels volwassen geworden was. 15  Toen Juda haar zag hield hij haar voor een hoer, want haar gezicht was bedekt. 16  Hij sloeg de zijweg in en ging naar haar toe. ‘Ik wil van je diensten gebruikmaken, ‘zei hij, niet wetend dat het zijn schoondochter was. ‘Wat staat daar van uw kant tegenover?’ vroeg ze. 17  ‘Ik zal je een geitenbokje uit mijn kudde laten brengen, ‘antwoordde hij. ‘Goed, ‘zei ze, ‘als ik dan maar een onderpand van u krijg.’ 18  En op zijn vraag wat ze als onderpand van hem wilde, antwoordde ze: ‘Het snoer met uw zegel en de staf die u in uw hand hebt.’ Hij gaf het haar en had gemeenschap met haar, en zij werd zwanger van hem. 19  Daarna ging ze terug naar huis, deed haar sluier af en nam haar weduwedracht weer aan. (NBV)

Vandaag een verhaal dat veel mensen de gelegenheid heeft gegeven om een hoop ellende te veroorzaken. Door de hele geschiedenis heen is geslachtsverkeer voor een aantal zich christelijk noemende mensen iets slechts. Ze beroepen zich onder meer op dit verhaal. Ten onrechte want uit dit verhaal blijkt zelfs dat geslachtsverkeer iets heel goeds kan zijn. Je kunt er niet alleen kinderen mee verwekken maar je kunt elkaar het leven schenken. In een tijd dat er geen ouderdoms of weduwenpensioen was waren nakomelingen die je op je oude dag konden verzorgen van groot belang voor weduwen. Daarom was de familie van de man verantwoordelijk voor de zorg voor de weduwe. het beste was dat ze met een mannelijke verwant van haar overleden man� trouwde zodat die een nakomeling zou kunnen verwekken. In dit verhaal gaat Juda een eigen weg en daarna zijn zoon Onan ook. Abraham had nogal veel moeite gedaan om een vrouw te vinden voor zijn zoon Izaak met dezelfde achtergrond. Esau de broer van Jacob was getrouwd met een Kanaänitische maar Jacob was teruggekomen met vrouwen met dezelfde achtergrond, Juda gedroeg zich net als Esau en maakte zich los van de familie en trouwde ook een vrouw uit Kanaän. Drie zonen kregen ze en de oudste trouwde ook een vrouw uit Kanaän.

Die oudste stierf echter al snel en toen kwam Onan. Die zocht wel zijn gerief bij Tamar, zijn schoonzuster die weduwe was geworden, maar zorgde er ook voor dat ze er geen kinderen aan zou overhouden Dat is jongens nog wel eens voorgehouden als zelfbevrediging. Nu is het, zeker in de pubertijd, zeer nuttig om je eigen lichaam te ontdekken zodat je later met een partner beter weet waarvan te genieten, maar het is op grond van dit verhaal beladen geworden met schuldgevoel. Als je aan zelfbevrediging zou doen zou je sterven of op z’n minst ernstig ziek worden. Wie het verhaal goed leest ziet dat het tegendeel het geval is. Het gaat er om goed voor de ander te zorgen en niet alleen aan jezelf te denken als je de liefde met een ander bedrijft. In het geval van Onan en Tamar betekende dat er voor zorgen dat ze kinderen zou krijgen die later voor haar zouden kunnen zorgen. In onze dagen betekent dat meestal voor jongens dat ze er voor zorgen dat hun vrouwelijke partner niet zwanger wordt, zeker niet als ze daardoor eigenlijk gedwongen wordt een abortus te ondergaan.  Juda had beloofd zijn jongste zoon te geven aan Tamar om te zorgen voor het nageslacht waar ze recht op had. Maar in plaats van die terechte zorg voor Tamar ook te realiseren liet hij het er bij. De dagen verliepen, de vrouw van Juda overleed en beiden werden maar ouder.

Tegenwoordig zouden we tegen Tamar zeggen dat haar biologische klok tikt en ze zich zorgen moet gaan maken. het is dan ook niet vreemd dat ze het recht in eigen hand neemt. Dan is het jammer dat de vertaling weer een aantal zaken weg poetst. Want waar gaat Tamar zitten? Allereerst bij een poort, hier staat, langs de weg, maar zo eenvoudig staat het er niet in het Hebreeuws. Er staat bij de poort naar Enaïm en als we iets lezen over een poort dan weten we dat het gaat over het recht. Die poort is er overigens niet zomaar, het leidt naar de Twee bronnen, want zo laat zich dat Enaïm vertalen, er zijn zelfs vertalers die hier lezen dat er staat naar de twee ogen van de bronnen. Juda zullen de ogen nog geopend worden. Dat er bronnen in het verhaal opduiken betekent dat het gaat om vruchtbaarheid. Jacob gaat ondertussen naar de hoeren en kiest Tamar. Zo wordt het verhaal tenminste bij ons verteld. Ook dat komt door de vertaling. Want als de vriend Abdullam op zoek gaat naar de vrouw met wie Jacob gemeenschap heeft gehad dat hoort hij dat er geen “wijvrouw” is geweest. En dat wordt slordig vertaalt met “zo’n ” vrouw. Juda was kennelijk bij een priesteres geweest van een Kanaänitische vruchtbaarheidscultus met wie je gemeenschap moest hebben om vruchtbaarheid te verzekeren. Dat soort gemeenschap op religieuze gronden wordt in de Bijbel scherp veroordeeld. Ook bij ons wordt een bevolkingsgroep op grond van hun religie tot tuig verklaard. Misschien is het goed om in elk geval de vraag uit dit verhaal goed tot ons door te laten dringen. Hoe laten wij mensen tot hun recht komen? Worden mensen niet waar wij ze voor uitmaken?

Hij is verscheurd.

dinsdag, 18 oktober, 2016

Genesis 37:18-36

18  Zijn broers zagen hem al van ver, en nog voordat hij hen had bereikt, hadden ze een plan beraamd om hem te doden. 19  ‘Kijk daar eens, ‘zeiden ze tegen elkaar, ‘daar komt die meesterdromer aan. 20  Dit is onze kans! Laten we hem vermoorden en hem ergens in een put gooien. We zeggen gewoon dat hij door een roofdier is verslonden. Dan zullen we eens zien wat er van zijn dromen uitkomt.’ 21  Toen Ruben dat hoorde, wilde hij proberen Jozef te redden. ‘Nee, laten we hem niet om het leven brengen, ‘zei hij. 22  ‘Er mag geen bloed vloeien! Gooi hem in die put hier, in deze verlaten streek, maar breng hem niet om.’ Zo wilde hij Jozef uit hun handen redden en hem ongedeerd naar zijn vader terug laten gaan. 23 ¶  Zodra Jozef bij zijn broers was gekomen, trokken ze hem zijn bovenkleed uit, dat mooie veelkleurige gewaad, 24  en gooiden hem in de put; de put was leeg, er stond geen water in. 25  Daarna gingen ze zitten eten.  Opeens zagen ze een karavaan naderen. Het waren Ismaëlieten die uit de richting van Gilead kwamen en op weg waren naar Egypte. De kamelen waren beladen met gom, balsem en cistushars. 26  Toen zei Juda tegen zijn broers: ‘Wat hebben we eraan om onze broer te vermoorden? Dan moeten we ook de sporen weer zien uit te wissen. 27  Laten we hem aan die Ismaëlieten verkopen in plaats van hem om te brengen; hij is tenslotte onze broer, ons eigen vlees en bloed.’ De anderen stemden hiermee in. 28  Toen er Midjanitische kooplieden uit de karavaan voorbijkwamen, trokken de broers Jozef uit de put en verkochten hem voor twintig sjekel, en die Ismaëlieten namen Jozef mee naar Egypte. 29  Toen Ruben weer bij de put kwam en ontdekte dat Jozef er niet meer in zat, scheurde hij zijn kleren. 30  Hij ging naar zijn broers terug. ‘De jongen is weg!’ riep hij. ‘Wat nu, wat moet ik nu!’ 31 ¶  Toen slachtten ze een bokje, pakten Jozefs veelkleurige gewaad en dompelden dat in het bloed. 32  Daarna lieten ze het naar hun vader brengen met de boodschap: ‘Dit hebben we gevonden. Kijk eens goed, is dit niet het kleed van uw zoon?’ 33  Jakob herkende het en riep uit: ‘Het kleed van mijn zoon! Hij moet verslonden zijn door een roofdier! Hij is verscheurd, Jozef is verscheurd!’ 34  Jakob scheurde zijn kleren, deed een rouwkleed om en rouwde over zijn zoon, dagenlang. 35  Al zijn zonen en dochters deden hun best om hem te troosten, maar hij wilde niet getroost worden en zei: ‘Ik zal rouw dragen totdat ik naar mijn zoon in het dodenrijk afdaal.’ Zo treurde Jakob om zijn zoon.36  De Midjanieten brachten Jozef naar Egypte en verkochten hem aan Potifar, een hoveling van de farao en commandant van zijn lijfwacht. (NBV)

Joost van den Vondel heeft met zijn toneelstuk Jozef in Dotan dit verhaal bijna tot een spreekwoord gemaakt. Maar het verhaal kan ook vandaag nog het een en ander voor ons te betekenen hebben. En dan gaat het allereerst om iemand te beoordelen op het imago dat die persoon heeft. Jozef had immers zijn koningsmantel aan en over zijn gedroomde koningschap luidop vertelt. Hij had de beste dromen, was dus een meesterdromer. Zijn vader had hem er op uitgestuurd uit bezorgdheid. Die bleek niet voor niks. Dotan betekent twee bronnen en dat geeft vruchtbare grond waarop groene weiden kunnen gedijen. Dat betekent ook dat je kunt aannemen dat er in de putten ook water zal staan. En water betekent in Israël naast vruchtbaarheid voor het land ook vaak dood voor de mensen. De broers willen af van de koninklijke spion en besluiten Jozef om te brengen door hem in de put te gooien. Alleen Ruben lijkt hem in leven te willen houden door hem in een droge put te laten gooien. In oude handschriften wordt dit ook wel toegeschreven aan Juda. Dan zou het tegelijk de verklaring zijn voor de voorname positie die de stam Juda later zou innemen. Maar in de handschriften waaruit de Nederlandse vertalingen zijn gemaakt wordt gesproken over Ruben, de eerstgeborene. Hij haalt inderdaad de broers over om Jozef in een droge put te gooien.

Zo verdrinkt hij niet maar als er staat dat de broers naast de put gaan zitten eten dan dringt zich de gedachte op dat Jozef in een droge put de hongerdood zal sterven. Jozef is op dit punt van het verhaal zijn ondergang tegemoet gelopen. Wie zichzelf hoog verheft kan diep vallen. De bezorgdheid van Jacob richt zich op de verkeerde zonen. Hij had beter over Jozef zorgen gemaakt. Nu rest hem een intens verdriet. Ouders die een kind verloren hebben herkennen dit direct. Je voelt je verscheurd, alsof er een deel van jezelf is gestorven en eigenlijk is er ook een deel van jezelf gestorven. In dit geval speelt het verhaal met de beelden die er bij horen. De bebloede koningsmantel van Jozef kan er alleen maar op wijzen dat hij het slachtoffer is geworden van een wild dier. De broers die Jozef als slaaf hebben verkocht, en twintig zilverstukken was de prijs voor een gewone slaaf, zullen de suggestie van het verscheurende dier graag hebben versterkt. Dat Jacob ook eigenlijk zelf verscheurd is brengt hij tot uiting door zijn kleren te scheuren, een rouwgewoonte die tot in onze dagen in het volk Israel nagevolgd wordt. En treuren blijft Jacob, dat zal duren tot hij  hoort dat zijn zoon nog leeft. Ouders die een kind verloren hebben blijven hun hele leven treuren. Soms zie je dat niet direct en als je het niet hebt meegemaakt dan herken je het ook niet altijd, maar een dichter dichtte ooit over een moeder die jaren daarvoor een kind had verloren “ze huilt in een hoekje van haar hart”. In het verhaal van vandaag laat Jacob nog zijn verdriet zien. Maar hij is in dit verhaal niet de enige die zijn kleren scheurt. Ook Ruben heeft zijn kleren gescheurd en vraagt zich wanhopig af waar de jongen is.

En de manier waarop dat beschreven is heeft altijd te denken gegeven. Hij vraagt niet naar zijn broer, hij vraagt niet naar Jozef, maar hij roept uit dat de jongen weg is en vraagt zich af wat hij moet doen. Die manier van vertellen zegt iets over de verhoudingen. Ruben is de eerstgeborene en met de redding van het leven van Jozef had hij die positie weer opgeëist. Hij is immers verantwoordelijk geworden voor het leven van Jozef zoals het de oudste broer betaamd. Nu is die prijs van hem afgenomen, want het is in zijn tegendeel verkeerd, hij komt thuis zonder zijn jongste broer. Dat maakt dat hij rouwt nog voor hij weet wat er gebeurd is. Die onechte rouw kennen we ook. De prachtige woorden die vaak bij begrafenissen worden gesproken door mensen die de overledene nauwelijks of niet hebben gekend. De familie die al tijdens de begrafenis ruzie staat te maken over de erfenis. Het is het soort rouw waar mensen zich schuldig aan maken maar waar iedereen die het ziet van walgt. Denk overigens niet dat je niet mag rouwen. Dat Jozef bij God zou zijn en dat Jacob daar blij mee zou moeten zijn of zich getroost zou moeten weten komt in dit verhaal niet voor. Niet omdat het niet waar is en Jozef nog leeft maar ook omdat de Bijbel zo niet met verdriet omgaat. Als er een dierbare is overleden dan past verdriet, dan past rouw, desnoods vele jaren. Wij mensen houden van elkaar en als het door de dood onmogelijk wordt omdat te delen dan is er verdriet, loop daar nooit voor weg en schaam je er nooit voor, hoe verscheurend dat verdriet er ook kan uitzien of kan klinken.

 

Zijn vader bleef nadenken

maandag, 17 oktober, 2016

Genesis 37:1-17

1 ¶  Jakob vestigde zich in Kanaän, het land waar ook zijn vader gewoond had. 2  Dit is de geschiedenis van Jakob en zijn nakomelingen.  Jozef, die inmiddels zeventien jaar was, weidde gewoonlijk samen met zijn broers de schapen en geiten; hij hielp de zonen van zijn vaders vrouwen Bilha en Zilpa, en alle praatjes die over zijn broers de ronde deden vertelde hij aan hun vader door. 3  Omdat Israël al oud was toen Jozef werd geboren, hield hij meer van Jozef dan van zijn andere zonen, en hij had een prachtig bovenkleed voor hem laten maken in allerlei kleuren. 4  De broers zagen wel dat hun vader het meest van Jozef hield. Daarom konden ze Jozef niet uitstaan en kon er geen vriendelijk woord voor hem af. 5 ¶  Op een keer had Jozef een droom. Toen hij die aan zijn broers vertelde, kregen ze een nog grotere hekel aan hem. 6  ‘Moeten jullie nu eens horen wat ik heb gedroomd, ‘zei hij. 7  ‘We waren op het land schoven aan het binden, en toen kwam mijn schoof overeind en bleef rechtop staan. En jullie schoven gingen om die van mij heen staan en bogen daarvoor.’ 8  Zijn broers zeiden: ‘Dacht je soms koning over ons te worden? Wil je over ons heersen?’ Vanwege dat gepraat over zijn dromen gingen ze hem hoe langer hoe meer haten. 9  Opnieuw kreeg hij een droom die hij aan zijn broers vertelde. ‘Ik heb alweer een droom gehad, ‘zei hij. ‘Nu bogen de zon, de maan en elf sterren zich voor mij neer.’ 10  Toen hij dit aan zijn vader en zijn broers vertelde, wees zijn vader hem terecht: ‘Zeg, wat is dat voor een droom! Moeten ik, je moeder en je broers ons soms voor jou komen neerbuigen?’ 11  De broers konden Jozef wel vermoorden, maar zijn vader bleef nadenken over wat er gebeurd was. 12 ¶  Toen Jozefs broers er eens op uitgetrokken waren om de kudden van hun vader bij Sichem te laten grazen, 13  zei Israël tegen Jozef: ‘Zoals je weet zijn je broers het vee aan het weiden bij Sichem. Ga jij eens naar hen toe.’ ‘Goed, ‘zei Jozef, 14  en Jakob vervolgde: ‘Ga kijken hoe je broers het maken en hoe het met het vee staat, en breng mij dan verslag uit.’ Zo stuurde Jakob hem vanuit de Hebronvallei naar Sichem. 15  Toen Jozef daar in het veld ronddwaalde, kwam hij iemand tegen die hem vroeg wie hij zocht. 16  ‘Ik ben op zoek naar mijn broers, ‘antwoordde hij. ‘Kunt u me zeggen waar zij het vee aan het weiden zijn?’ 17  ‘Ze zijn hier niet meer, ‘zei de ander, ‘ik hoorde hen zeggen dat ze naar Dotan wilden.’ Jozef ging zijn broers achterna en trof hen in Dotan aan. (NBV)

Hier beginnen de verhalen over Jozef. Een aparte serie verhalen met een eigen betekenis. In de traditie van Israel spelen ze een grote rol. Jakob was teruggekomen uit Haran waar hij heel lang had gewoond bij zijn oom Laban en rijk was geworden. Hij had twee hoofdvrouwen, Lea en Rachel en twee bijvrouwen, Bilha en Zilpa. Deze vier vrouwen hadden hem uiteindelijk 12 zonen gegeven. Met alle dienaren die bij Jacob hoorde was het al met al een klein volkje dat zich in het land Kanaän gevestigd had. Een land waar de vader van Jacob, Izaak en de grootvader Abraham ook al hadden rondgezworven. Jozef is de lieveling van zijn vader, hij krijgt zelfs een koningsmantel van zijn vader. Maar is het wel zo’n lieve jongen? Als bij een moderne ondernemer mag Jozef zijn loopbaan onderaan de ladder beginnen. Als herder bij de zonen van de slavinnen van zijn vader, de bijvrouwen die als slavin door de hoofdvrouwen ter beschikking waren gesteld.

Jozef droomt zich al koning, maar handelt voorlopig als spion, alles wat ze doen brieft hij over aan zijn vader. En zijn koningsdromen vertelt hij ze luid en duidelijk. Zo duidelijk dat zijn vader er uiteindelijk tegenin gaat. Dromen dat je vader en moeder en al je broers en zusters voor jou buigen is mooi, maar dat soort dromen zijn bedrog. En zoals alle belangrijke gebeurtenissen uit het Jozefverhaal wordt ook de koningsdroom van Jozef twee maal verteld. Stof genoeg dus voor een drama en dat zal het worden ook. Nu weten we dat Jozef de onderkoning van Egypte zal worden. Maar dat weten we achteraf. En omdat we dat achteraf weten lijkt het gemakkelijk om te zeggen dat Jozef gelijk had om die dromen te dromen en daarover te vertellen, maar daar konden we ons wel eens in vergissen. Dromen dat je de beste bent, dat je vooruit komt in je leven, is goed. Maar iedereen moet onderaan de ladder beginnen en een heleboel hinderpalen overwinnen. Jacob weet dat als geen ander en het is Jacob die zijn zoon tegenspreekt als die wat al te voorbarig praat alsof zijn dromen al werkelijkheid zijn.

Dromen is dus goed, in je dromen kun je oefenen in de rol die voor je weggelegd zou zijn. Maar elke rol begint met leren, van onderaf de ladder beklimmen. We zullen de komende tijd ongetwijfeld de ladder van Jozef meebeleven. We zullen zien hoe Jozef aan zijn dromen weet vast te houden. En dat mogen we ook van Jacob leren. Hij luistert naar zijn zoon, wijst hem op het verschil tussen droom en werkelijkheid, maar hij neemt zijn zoon de dromen niet af. Hij probeert of Jozef past bij de andere zonen, hij stuurt hem als spion op pad. Of dat verstandig is? De tijd zal het leren. Maar dromen van een betere wereld is dus iets wat we onze jeugd ook mogen gunnen. Dromen van een stralende toekomst. Jongeren die zulke dromen niet durven dromen zijn al jong verloren, misschien zijn dat wel de jongeren waar we zoveel last van hebben. Aan de ouderen om jongeren zulke dromen te geven, een veelkleurige mantel is soms genoeg, aan ouderen ook om het verschil tussen droom en werkelijkheid duidelijk te maken. Het is als in de dagen van Jacob.

Of laat hij hen wachten?

zondag, 16 oktober, 2016

Lucas 18:1-8

1 ¶  Hij vertelde hun een gelijkenis over de noodzaak om altijd te bidden en niet op te geven: 2  ‘Er was eens een rechter in een stad die geen ontzag had voor God en zich niets aan de mensen gelegen liet liggen. 3  Er woonde ook een weduwe in die stad, die steeds weer naar hem toe ging met het verzoek: “Doe mij recht in het geschil met mijn tegenstander.” 4  Maar lange tijd wilde hij dat niet doen. Ten slotte zei hij bij zichzelf: Ook al heb ik geen ontzag voor God en laat ik mij niets aan de mensen gelegen liggen, 5  toch zal ik die weduwe recht verschaffen omdat ze me last bezorgt. Anders blijft ze eindeloos bij me komen en vliegt ze me nog aan.’ 6  Toen zei de Heer: ‘Luister naar wat deze rechter zegt, al minacht hij ook het recht. 7  Zal God dan niet zeker recht verschaffen aan zijn uitverkorenen die dag en nacht tot hem roepen? Of laat hij hen wachten? 8  Ik zeg jullie dat hij hun spoedig recht zal verschaffen. Maar als de Mensenzoon komt, zal hij dan geloof vinden op aarde?’  (NBV)

Het komt nog steeds voor dat recht verkregen wordt door mensen die vasthoudend om het recht blijven vragen omdat de instanties die recht moeten verschaffen liever blij zijn er af te zijn. Tegenwoordig worden mensen daarbij geholpen door TV programma’s als Radar en Kassa want bedrijven willen nu eenmaal niet geportretteerd worden als bedrijven die mensen geen recht doen. Ze worden tegengewerkt door een overheid die de kosten voor toegang tot de rechtspraak zo hoog maakt dat de armen in ons land er nauwelijks of geen gebruik van kunnen maken. Recht doen aan individuele mensen in onze samenleving is sinds de tweede helft van de vorige eeuw een item dat steeds weer om aandacht vraagt. Na de sociale rechtshulp, die inmiddels weer is weg bezuinigd, hebben we ook de Nationale Ombudsman gekregen die er voor kan zorgen dat ook de overheid haar onderdanen recht doet.

Rechtvaardig mensen behandelen is in onze samenleving de norm, we hechten er veel waarde aan. Waarom zou het dan zo weinig gebeuren? In de eerste plaats omdat veel mensen niet om hun recht vragen. Dat is op zich jammer want vaak is het zo dat als aan één persoon recht is gedaan aan velen recht kan worden verschaft. Maar ook heeft het te maken met macht. TV programma’s en een Nationale Ombudsman zijn nodig omdat machthebbers en rijken misbruik maken van hun positie als het gaat om recht te verschaffen aan kleine mensen. Jezus van Nazareth raad aan om te blijven vragen om recht. Bidden is voor hem kennelijk ook zorgen dat aan mensen recht wordt gedaan, want als hem gevraagd wordt wat het effect is van bidden komt hij met het verhaal over de weduwe die maar niet ophoudt. Aan het eind is er echter de vraag of er nog mensen zijn die voldoende vertrouwen hebben in het feit dat ook echt aan mensen recht kan worden gedaan. Zoals de profeten het hadden uitgedrukt die “hongeren en dorsten naar gerechtigheid”.

Dat is een vraag die aan ons wordt gesteld. Helpen wij mensen als hen onrecht wordt aangedaan of wanneer aan hen geen recht wordt gedaan? Hebben wij oog voor de bedrijven, overheden en instanties in onze eigen buurt, waar we misschien zelfs zelf werken, die mensen onvoldoende recht doen? Staan we naast mensen die geen recht worden gedaan? Hongeren en dorsten we inderdaad onophoudelijk naar gerechtigheid? In de woorden van Jezus van Nazareth: geloven we wel? Bidden we wel? Smeken we de overheid die de weduwe afwijst om haar te helpen in het vertrouwen dat onze politici zich laten vermurwen en de armen zullen helpen als we het ze maar onophoudelijk vragen. Kloppen we op de muren van de regering met de vraag nu eindelijk de onrechtvaardige tolmuren te slopen in het vertrouwen dat wij net zo hard moeten roepen als onze broeders en zusters uit de armste landen in de wereld? Zijn we vandaag net als de weduwe uit het verhaal? Of horen we liever bij de goddelozen van wie geen recht te verwachten is.

Van nu tot in eeuwigheid.

zaterdag, 15 oktober, 2016

Psalm 121 

1 ¶  Een pelgrimslied. Ik sla mijn ogen op naar de bergen, van waar komt mijn hulp? 2  Mijn hulp komt van de HEER die hemel en aarde gemaakt heeft. 3  Hij zal je voet niet laten wankelen, hij zal niet sluimeren, je wachter. 4  Nee, hij sluimert niet, hij slaapt niet, de wachter van Israël. 5  De HEER is je wachter, de HEER is de schaduw aan je rechterhand: 6  overdag kan de zon je niet steken, bij nacht de maan je niet schaden. 7  De HEER behoedt je voor alle kwaad, hij waakt over je leven, 8  de HEER houdt de wacht over je gaan en je komen van nu tot in eeuwigheid. (NBV)

In deze Psalm wordt gevraagd waar je je door laat leiden. Door valse goden of door de God van Israël? Net als tegenwoordig geloofden de mensen in de dagen van de psalmdichter dat de goden op de toppen van de bergen woonden. Tegenwoordig staan ze bovenaan de lijstjes die gemaakt worden van de mooiste, de beste, de meest succesvolle, de snelste, de rijkste en noem maar op. Voor de dichter van deze Psalm komt de hulp in het leven niet van die valse goden maar van de God die er voor heeft gezorgd dat er een aarde is om in te wonen, een bewoonbare aarde, en een hemel om van te dromen, een hemel die voorkomt dat je te snel tevreden bent met een aarde waar nog niet alles voor iedereen goed genoemd kan worden. Juist als je je door die God laat leiden dan blijf je als Pelgrim op weg naar die betere aarde, de aarde waarop de hemel is neergedaald en waar God zijn tenten heeft gespannen.

Die God van Israël slaapt nooit, die neemt nooit een tukje. Van al die goden van klatergoud krijg je geen antwoord, toeval en geluk hebben gemaakt dat ze rijk geworden zijn, maar je kunt nooit genoeg loten kopen in de vriendenloterij, de staatsloterij, de postcodeloterij of al die andere neploterijen, om af te dwingen dat je ook rijk wordt. De God van Israël stelt andere vragen, de wegwijzer van die God wijst een andere kant op. Niet jouw geluk of jouw rijkdom is het doel van de reis maar het lot van je naaste is het doel en de zin van je reis. Heb je naaste lief als jezelf, dan heb je God lief boven alles, dat is voortdurend de richtingwijzer op je reis door het leven. Die richtingwijzer laat je nooit in de steek. Die richtingwijzer behoud je er voor dat je verblind wordt door succes, want het zal je nooit lukken alle hongerigen op aarde te eten te geven, het zal je nooit lukken om overal op aarde vrede te stichten. Je kan bijdragen aan een wereld die ook die kant op gaat, maar je weet dat de krachten die de Weg van de God van Israël bestrijden sterk zijn.

Het enige waar je in mag geloven en op kan vertrouwen is dat de Weg van die God uiteindelijk de goede weg zal blijken. Dat zal je leven rijk maken, dat zal je leven pas echte inhoud geven, een leven waar je tevreden op terug kan kijken. Om je naaste te helpen hoef je niemand te bedriegen, hoef je van niemand te stelen, hoef je niet jaloers te zijn op anderen die het beter lijken te hebben, hoef je je vader en moeder niet te verloochenen, hoef je niemand te vermoorden, hoef je geen mooie en nog mooiere beelden te laten zien van de God die je aanbidt, hoef je je maar aan één God vast te houden, hoef je zelfs de naam van die God niet voor je eigen karretje te spannen, mag je een dag in de week vrij nemen en uitrusten en hoef je een ander niet als object te gebruiken voor je eigen lustbevrediging. Dat gericht zijn op de naasten, op de broeders en zusters in de wereld die het minder hebben dan wij kan ook vandag ons richtsnoer zijn En elke dag, elke week, elke maand en elk jaar weer en dus tot in eeuwigheid.

Weg van zijn broer Jakob.

vrijdag, 14 oktober, 2016

Genesis 36:1-8(43)

1 ¶  Dit zijn de nakomelingen van Esau, ook Edom genoemd. 2  Esau trouwde met vrouwen uit Kanaän: met Ada en een kleindochter van de Hethiet Elon, met Oholibama, die een dochter was van Ana, de dochter van de Chiwwiet Sibon, 3  en met Basemat, de dochter van Ismaël en de zuster van Nebajot. 4  Ada baarde hem Elifaz, Basemat baarde Reüel, 5  en Oholibama baarde Jeüs, Jalam en Korach. Dit waren de zonen van Esau, die hij in Kanaän kreeg. 6  Met zijn vrouwen, zijn zonen en dochters en al zijn slaven en slavinnen, met zijn hele veestapel en alle bezittingen die hij in Kanaän verworven had, trok Esau naar een ander land, weg van zijn broer Jakob. 7  Beiden bezaten namelijk zo veel vee dat het land waar zij toen woonden niet groot genoeg was om bij elkaar te blijven. 8  Esau, ook Edom genoemd, vestigde zich in het Seïrgebergte. (NBV)

De verzen 9-43 bevatten alleen namen van de nakomelingen van Esau

Het verhaal van de Hebreeuwse Bijbel vertelt ons hoe dat slavenvolk Israël aan het land gekomen was dat ze in Kanaän hadden ingenomen en hoe ze dat weer kwijtraakten. Dat verhaal begon eigenlijk bij Abraham. Het gedeelte er voor is een aanloop naar dat verhaal. Dat eerste deel van het verhaal benadrukt voor iedereen op aarde dat het geen verdienste van de mens is dat die een deel van die aarde bewerkt en bewoont maar dat die hele aarde van de God is die Abraham naar zijn plaats bracht en die het volk dat afstamde van Jacob het land gaf waar ze een voorbeeld voor de volken zouden kunnen zijn. Het lijkt er vandaag de dag op dat we net als Israël in de loop van de tijd vergeten zijn dat onze aarde een geschenk is. Een geschenk dat je door eigen doen kan kwijtraken. Dat kwijtraken zal in onze dagen nog niet gebeuren maar als we bijvoorbeeld doorgaan de lucht met CO2, de zee met plastic en de aarde met plutonium te vergiftigen en de aarde uit te putten dan wordt onze wereld op den duur onleefbaar voor mensen.

Het verhaal vertelt ons ook dat we niet bang hoeven te zijn voor de toekomst als we ons maar blijven beseffen dat die aarde een geschenk is. Er is plaats genoeg voor ons allemaal, en voor nog veel meer mensen, als we ophouden de aarde onleefbaar te maken en als we bereid zijn de rijkdom die ons is toegevallen te delen met hen aan wie niets is toegevallen. Ook het verhaal van Jacob en Esau vertelt ons dat verhaal. Esau was uitgegroeid tot een imponerende jager. Hij had zijn eigen legertje verzameld, vrouwen getrouwd en kinderen gekregen en had daarmee een sterke positie verworven in Kanaän. De veehouder Jacob kwam uit hetzelfde land maar als veehouder had hij niet de oorlogsmachine die van Esau verwacht kon worden Hij was dus zeer beducht voor zijn broer. Maar toe zijn verbazing had Esau hem hartelijk ontvangen. Gekust zelfs.

Bleef voor Jacob de vraag of die kus gemeend was. Heel veel later en los van dit verhaal zou Jezus van Nazareth ook gekust worden door een volgeling, dat was een kus om hem te verraden. De macht van Esau zou dit ook mogelijk moeten maken. Maar niets van dat alles. Esau trok met zijn volk de bergen in. Daar was voldoende voedsel voor zijn vee en daar bleef ook wat te jagen. De vruchtbare vlakte van Kanaän liet hij aan Jacob. Daarmee begon de belofte van die God van Abraham al een klein beetje vorm te krijgen. Abraham zou de vader van vele volken worden. Hier zijn er al twee, Edom en Israël. En de nakomelingen van Abraham zouden het land Kanaän tot hun woonplaats maken. En ziedaar, Jacob trekt met zijn vee en zijn zonen en vrouwen door Kanaän. Het begint er op te lijken. Ook voor ons is dus een blijvende aarde, met vrede en welzijn voor iedereen weggelegd. Maar dat blijft een geschenk van de God van Jacob.

De ontzagwekkende

donderdag, 13 oktober, 2016

Genesis 35:1-29

1 ¶  God zei tegen Jakob: ‘Ga naar Betel. Blijf daar en bouw er een altaar voor de God die daar aan jou verschenen is toen je op de lucht was voor je broer Esau.’ 2  Toen zei Jakob tegen zijn familieleden en tegen alle anderen die bij hem waren: ‘Doe de vreemde goden die jullie hebben weg, reinig je en trek schone kleren aan. 3  Laten we naar Betel gaan: daar wil ik een altaar bouwen voor de God die naar mij heeft omgezien toen ik diep in de ellende zat en die mij op mijn hele reis ter zijde heeft gestaan.’ 4  Ze gaven Jakob alle afgodsbeelden die ze in hun bezit hadden, en ook hun oorringen, en Jakob begroef alles onder de terebint bij Sichem. 5  Daarna braken ze op. God joeg de inwoners van de steden in de omtrek zo’n angst aan dat ze het niet waagden Jakobs zonen te achtervolgen. 6 ¶  Toen Jakob met alle mensen die met hem meetrokken in Luz was aangekomen, het huidige Betel, in Kanaän, 7  bouwde hij er een altaar; hij noemde die plaats ‘God is in Betel’, omdat God zich daar aan hem geopenbaard had toen hij op de vlucht was voor zijn broer. 8  (De voedster van Rebekka, Debora, stierf daar. Ze werd ten zuiden van Betel begraven, onder een eik die daarom Eik van geween werd genoemd.) 9  Nu Jakob was teruggekeerd uit Paddan-Aram, verscheen God hem opnieuw, en hij zegende hem. 10  Hij zei: ‘Tot nu toe heette je Jakob. Die naam zul je niet langer dragen: Israël is je nieuwe naam.’ Zo gaf God hem de naam Israël. 11  En hij vervolgde: ‘Ik ben God, de Ontzagwekkende. Wees vruchtbaar en word talrijk; je zult uitgroeien tot een volk, tot een hele menigte volken, en er zullen koningen uit je voortkomen. 12  Ik geef jou het land dat ik aan Abraham en aan Isaak heb gegeven; ook aan je nakomelingen geef ik dit land.’ 13  Hierna ging God weg van de plaats waar hij met Jakob had gesproken. 14  Daar, op die plaats, zette Jakob een steen rechtop, en hij wijdde hem door er een wijnoffer op te brengen en er olie over uit te gieten. 15  Hij noemde die plaats, waar God met hem had gesproken, Betel. 16-17 Toen ze weer uit Betel waren vertrokken en nog maar een uur of twee van Efrat verwijderd waren, moest Rachel bevallen. Het was een moeizame bevalling en ze had het erg zwaar, maar de vroedvrouw zei tegen haar: ‘Troost je: je hebt er een zoon bij!’ 18  En terwijl het leven al van haar week-want ze stierf-gaf zij hem de naam Ben-Oni. Maar zijn vader noemde hem Benjamin. 19  Toen Rachel overleden was, werd ze begraven langs de weg naar Efrat, het tegenwoordige Betlehem. 20  Op haar graf plaatste Jakob een gedenksteen, die tot op de dag van vandaag de plaats van Rachels graf aangeeft. 21 ¶  Israël reisde verder en sloeg zijn tent op even voorbij Migdal-Eder. 22  Tijdens Israëls verblijf in deze streek sliep Ruben eens met Bilha, zijn vaders bijvrouw. Israël hoorde ervan.  Twaalf zonen had Jakob. 23  Zonen van Lea: Jakobs oudste zoon Ruben, en verder Simeon, Levi, Juda, Issachar en Zebulon. 24  Zonen van Rachel: Jozef en Benjamin. 25  Zonen van Rachels slavin Bilha: Dan en Naftali. 26  Zonen van Lea’s slavin Zilpa: Gad en Aser. Dit waren de zonen van Jakob, die hij in Paddan-Aram kreeg. 27  Ten slotte kwam Jakob terug bij zijn vader Isaak in Mamre, bij Kirjat-Arba, dat nu Hebron heet, de woonplaats van Abraham en van Isaak. 28  Isaak leefde honderdtachtig jaar. 29  Toen blies hij de laatste adem uit en werd hij met zijn voorouders verenigd, na een lang leven. Hij werd begraven door zijn zonen Esau en Jakob. (NBV)

Je moet toch wat met een God die geen naam wil hebben maar wel met je wil meegaan. Na het bloedbad in Sichem besluit Jacob het maar opnieuw en toch radicaal met die God te wagen. Hij herinnert zich de steen die hij zalfde toen hij de droom had dat boodschappers van die God voortdurend tussen hem en die God heen en weer gingen. Dat was in Betel, het huis van God, bij Luz, de amandelboom. Alle andere goden moeten daarvoor wijken en die worden dus in Sichem achtergelaten. Voortaan is er alleen nog de God van Abraham, Izaak en Jacob, de God van Israel dus, voor het eerst aangesproken als de Ontzagwekkende. Want niet alleen is Jacob rijk, worden zijn zonen niet gestraft omdat ze het voor een vrouw opnamen maar wordt de belofte dat hij een groot volk zal worden en dit land zal erven herhaald. Als een van de goden en godjes van winst en profijk blijft zweven boven ons politieke bedrijf zal er ook voor ons geen socialere samenleving mogelijk blijken. Die rechtvaardige samenleving van recht en vrede is namelijk niet een samenleving van uiterlijk vertoon.

Dat kan niet door hier en daar lelijke plekken weg te poetsen. Dat kan alleen als iedereen echt bereid is alle andere goden te begraven en op een heel nieuwe manier de armen, de weduwen en de wees, de vreemdelingen in ons midden, mee te laten delen in de grote welvaart die er ook in dit land is. Dat is niet iets van kansen die mensen maar moeten zien te pakken, dat is iets van recht dat gedaan moet worden. En zo kwam Jacob weer thuis bij vader Izaak, in Mamre, waar Abraham ooit zijn eerste verbond had gesloten, zijn eerste oorlog had gevoerd en de belofte vernieuwd was dat zijn nazaten het land zouden bezitten. Jacob was rijk geworden net als zijn vader en grootvader. Maar hij had zijn geliefde Rachel zo tegen het eind van de reis verloren. Zij lag begraven in wat later Bethlehem, huis van brood, zou gaan heten. Ze stierf bij de geboorte van Benjamin, de jongste, die de rechterhand van Jacob zou gaan worden en uit wie het koningshuis van David zou voortkomen. Bethlehem werd de plaats waar Jezus geboren zou worden maar is het nu een verhaal dat in vreugde eindigt? Welnee, Ruben pleegde ontucht met een bijvrouw van Jacob, moeder van broers van hem en het verlies van Rachel deed ook pijn.

Veel en veel later zou Mattheüs vertellen dat na de geboorte van Jezus in Bethlehem zoveel pijn werd gedaan dat Rachel uit haar graf kwam en huilend door het dorp rondging. Maar desalniettemin, de belofte van het grote volk krijgt in het verhaal al een beetje gestalte. Twaalf zonen had Jacob, de zonen van Israel genoemd, de zonen die gaan met “God zal overwinnen”. Een mooie plaats om voorlopig een einde aan het verhaal te maken en ons te gaan voorbereiden op wat komen gaat. Het verhaal van Izaak is echt uit, hij werd begraven door Esau, als eerste genoemd, en Jacob, die hier nog Jacob blijft heten. Hij had een zeer lang leven gehad en daarmee was hij uiteindelijk toch uitzonderlijk geworden. De plaatsnamen die genoemd worden staan er niet zo maar. In Mamre staan de eikenbomen waar Abraham onder schuilde tegen de brandende zon en waar hij de drie mannen ontving die op weg waren naar Sodom. Vanouds was dat een heilige plek voor de inwoners van Kanaän. Het zou een bijzondere plek blijven, in Hebron werd David tot koning gekroond en de zonen van David probeerden in Hebron zich zijn koningschap toe te eigenen. Radicaal kiezen voor de God van Israël betekent dus niet dat al je ellende voorbij is, maar er ontstaat wel een bijzondere toekomst.

Jullie hebben mij een slechte naam bezorgd

woensdag, 12 oktober, 2016

Genesis 34:19-31

19  De jongeman wilde geen moment wachten met de uitvoering ervan, want hij begeerde Jakobs dochter vurig. Hij had meer invloed dan wie ook van zijn familieleden. 20  Samen met zijn vader Chamor ging hij naar de stadspoort. Tegen de mannen die daar bijeen waren, zeiden ze: 21  ‘Die mensen hebben vredelievende bedoelingen. Laat hen daarom hier wonen en vrij in ons land rondtrekken; er is immers ruimte genoeg voor hen in ons land. Wij kunnen met hun dochters trouwen, en onze dochters kunnen we aan hen geven. 22  Maar ze stellen één voorwaarde voordat ze bereid zijn om bij ons te wonen en één volk met ons te worden: al onze mannen en jongens moeten worden besneden, net als zij. 23  Denk u eens in-hun hele veestapel en al hun bezittingen zullen voor ons zijn! Laten we hun dus ter wille zijn, dan blijven ze bij ons.’ 24  Allen die in de stadspoort bijeen waren gekomen gaven gehoor aan de oproep van Chamor en Sichem, en zo werden allen van het mannelijk geslacht die daar bijeen waren, besneden. 25 ¶  Drie dagen later, toen de mannen van Sichem koortsig waren, pakten twee van Jakobs zonen, Simeon en Levi, die volle broers van Dina waren, hun zwaard en overvielen de stad, waar niemand op onraad bedacht was. Ze doodden alle mannen. 26  Ook Chamor en zijn zoon Sichem brachten ze om het leven. Ze haalden Dina uit Sichems huis en vertrokken. 27  Daarop beroofden Jakobs andere zonen de slachtoffers en plunderden de stad, omdat hun zuster onteerd was. 28  Schapen, geiten, runderen, ezels, en alles wat er in de stad of op het veld te vinden was maakten ze buit. 29  Alle bezittingen namen ze mee, en de vrouwen en kinderen voerden ze als gevangenen weg; ze roofden de huizen helemaal leeg. 30  Jakob maakte Simeon en Levi verwijten. ‘Jullie hebben mij in het ongeluk gestort, ‘zei hij, ‘want jullie hebben mij een slechte naam bezorgd bij de inwoners van dit land: de Kanaänieten en de Perizzieten. Ik heb maar een handjevol mannen, dus als ze met zijn allen tegen mij optrekken, zullen ze me verslaan en word ik met mijn hele familie vermoord.’ 31  Maar zij antwoordden: ‘Moesten we onze zuster dan als een hoer laten behandelen?’ (NBV)

Er zijn altijd honderdduizend redenen om iets te doen of te laten, maar materiële belangen geven over het algemeen de doorslag.  Ook de inwoners van Sichem dachten zo. Die knappe Dinah kwam uit een rijke familie. Natuurlijk kun je dan op een nieuwe manier gaan leven en een godsdienst van een god die je niet kunt zien is al helemaal gemakkelijk. Daar heb je best iets voor over want het doorslaggevende argument was dat alle rijkdom van Jacob voortaan ook van hen zou zijn. En dat is niet de bedoeling van eerlijk delen. Arm zijn is geen ideaal en de armen recht doen is niet iets wat de armen zich moeten toe-eigenen maar waartoe de rijken zich moeten bekeren. Het is een schande voor het land dat er voedselbanken zijn, het is een blaam voor het parlement dat de meeste subsidie op het wonen naar de hypotheekrenteaftrek voor de rijkste Nederlanders gaat, het zou verschrikkelijk zijn als de godsdienst van vreemdelingen eenzijdig verboden zou worden door de meerderheid.

Dat de mannen van Sichem zich lieten besnijden, en let wel net als in de Islam laten ook in de Bijbel alleen de mannen zich besnijden, is dus alleen maar inhaligheid. Vrouwenbesnijdenis komt uit bijgeloof dat niets met Islam, Jodendom of Christendom te maken heeft.  Het wordt ook binnen de Islam veroordeeld en bestreden. De zonen van Jacob trappen dus niet in die zogenaamde bekering. Hun zuster als object, als handelswaar gebruiken is een zeer ernstige misdaad die naar de gebruiken van de tijd bloedig gewroken dient te worden. Zo moet er ook altijd worden opgetreden tegen misbruik van vrouwen. In elke oorlog zijn verkrachtingen aan de orde, zelfs door soldaten van vredesmachten. Daar zijn het onze zusters die beschermd moeten worden en het feit dat de landen in de wereld niet in staat zijn er een troepenmacht heen te sturen die echt kan optreden en de mensen beschermen kan geeft ons allen een slechte naam. Jacob is kennelijk net zo bang voor gezichtsverlies als de machthebbers van deze tijd. Maar de boodschap is duidelijk. Als je op de nieuwe manier van Israel wil gaan leven gaat het er niet om er rijker van de worden maar om je leven te delen met vrouwen en mannen en hen ongeacht hun bezit als gelijken te beschouwen.

Toch zit er aan dit verhaal ook een zeer negatieve kant. De zonen van Jacob zijn de broers van Dina. En omdat de eer van de familie geschonden is moet er wraak worden genomen. Het is dus niet alleen een verhaal over hebzucht dat bestraft moet worden, het is ook een verhaal over eerwraak. Die zonen van Jacob zijn eigenlijk gewoon een stel schurken en het is jammer dat het zogenaamd schenden van de eer van de familie omdat de liefde tussen twee mensen de familie niet goed uitkomt zo vaak tot eerwraak lijdt. Als we dit verhaal alleen lezen als een bestraffing van hebzucht dan legitimeren we  eigenlijk hebzucht. De nazaten van Simeon zullen het later nog merken bij de verdeling van het land. De nazaten van Levi worden de levieten. Die worden belast met de rechtspraak in het beloofde land, maar zelf mogen ze geen land bezitten. Jacob wordt bang voor zijn slechte naam, de slechte daad zelf maakt hem kennelijk niet uit. In dit hele verhaal komt de God van Jacob, nu de God van Israël niet voor. De mannen die zich laten besnijden, en zich dus aansluiten bij de God van Jacob, worden het eerst slachtoffer. Het is dus niet gemakkelijk God te plaatsen waar hebzucht en eerwraak strijden om de eerste plaats in het handelen van mensen. Ook in onze dagen mogen we daarbij stil staan.

De God van Israël

dinsdag, 11 oktober, 2016

Genesis 33:18–34:18

18  Op zijn tocht vanuit Paddan-Aram kwam Jakob ook in Sichem, een stad in Kanaän. Toen hij daar behouden aangekomen was, sloeg hij ten oosten van die stad zijn kamp op. 19  Het stuk land waarop zijn tenten stonden, kocht hij voor honderd qesita van de zonen van Chamor, onder wie Sichem. 20  Hij bouwde daar een altaar, dat hij ‘El is de God van Israël’ noemde. 1 ¶  Op een dag ging Dina, de dochter van Lea en Jakob, eens kijken bij de meisjes van dat land. 2  Zij werd opgemerkt door Sichem, een van de zonen van de Chiwwiet Chamor, die over dat gebied heerste. Hij overweldigde en verkrachtte haar. 3  Maar omdat hij zich  onweerstaanbaar tot Dina aangetrokken voelde en verliefd op haar was, deed hij zijn best om het meisje voor zich te winnen. 4  ‘Zorg ervoor dat dat kind mijn vrouw wordt, ‘zei hij tegen zijn vader Chamor. 5  Het was Jakob wel ter ore gekomen dat Sichem zijn dochter had onteerd, maar zijn zonen waren op dat moment in het veld bij het vee, en hij ondernam niets zolang zij niet thuis waren. 6 ¶  Chamor, Sichems vader, kwam bij Jakob om met hem te praten. 7  Zodra Jakobs zonen van het gebeurde hadden gehoord, waren zij naar huis gekomen. Ze voelden zich diep gekrenkt en waren woedend omdat Sichem gemeenschap had gehad met hun zuster en zich schuldig had gemaakt aan iets dat voor de Israëlieten een schandelijk en ontoelaatbaar vergrijp is. 8  Chamor deed hun een voorstel: ‘Sichem, mijn zoon, houdt zielsveel van uw zuster. Daarom verzoek ik u haar aan hem uit te huwelijken. 9  En verbind u ook door andere huwelijken met ons: geef ons uw dochters en trouw zelf met die van ons. 10  En blijf dan bij ons, het land ligt voor u open: u kunt er wonen, er vrij in rondtrekken en er grond kopen.’ 11  Sichem zelf zei tegen Dina’s vader en broers: ‘Bewijs mij alstublieft die gunst, dan geef ik u wat u maar wenst. 12  Vraag gerust een hoge bruidsprijs van me en grote geschenken, ik geef u alles wat u verlangt, als u mij het meisje maar tot vrouw wilt geven.’ 13  Jakobs zonen gaven Sichem en zijn vader een listig antwoord; dat deden ze omdat Sichem hun zuster Dina had onteerd. 14  ‘Dat kunnen we niet doen, ‘zeiden ze, ‘onze zuster aan iemand geven die niet besneden is, dat zou voor ons een schande zijn. 15  Wij kunnen uw verzoek alleen inwilligen op voorwaarde dat u net zo wordt als wij, dat iedereen van het mannelijk geslacht bij u wordt besneden. 16  Dan geven wij onze dochters aan u en trouwen wij met uw dochters, en dan blijven we bij u wonen en kunnen wij één volk worden. 17  Maar als u geen gehoor geeft aan deze eis, als u zich niet laat besnijden, halen we onze zuster terug en vertrekken.’ 18 ¶  Met dat voorstel konden Chamor en zijn zoon Sichem instemmen. (NBV)

Jacob heeft een nieuwe naam gekregen, Israel. Hij is in het land dat beloofd is aan zijn grootvader en koopt een stuk land. Op dat land richt hij een altaar op want daar is dus zijn God. Maar hoe heet die God, dat blijft onbekend. Voor ons is dat gemakkelijk geworden. Als we het over God hebben dan hebben we het vanzelf over de God van Abraham, Izaak en Jacob, de God van Jezus van Nazareth. Maar in de Bijbel heeft die God verschillende namen, en die namen blijven deels verborgen omdat ze vanouds uit eerbied niet werden uitgesproken. In de Statenvertaling uit de zeventiende eeuw staat “De God Israels is God” Ook de vertaling uit 1951 zegt dat, de Nieuwe Bijbelvertaling vertaalt dan “El is de God van Israel” Dat is al dichter bij het Hebreeuws waarin de Bijbel geschreven stond, maar El betekent eigenlijk gewoon God. De Naardense Bijbel, die zo dicht mogelijk bij het origineel wilde blijven vertaalt het nadat ook het origineel is weergegeven : “El Elohee Jisraël’, – Godskracht, Godsvechters God!” En daarmee snappen we wat er gebeurd.

Voortaan wil Jacob zoals we hem maar blijven noemen, openlijk opkomen en uitkomen voor die nieuwe God en daar kunnen ze gelijk mee beginnen. Abraham had alle mannen die bij hem hoorden laten besnijden, niks uiterlijk vertoon van vruchtbaarheid, de vruchtbaarheid komt van liefde en niet van uiterlijk vertoon. Toen de dochter van Jacob als object werd gebruikt en verkracht werd, draaiden de zonen van Jacob het om. Je mag wel met haar trouwen maar dan moet je meedoen met die nieuwe manier van Jacob en zijn God. Dus om te beginnen moet je je ook laten besnijden. En dan moet je de vrouw niet meer als object zien maar als gelijkwaardig. Dat is geheel nieuw. Of het dan ook zo werkt is een heel ander verhaal. Maar de oproep om het geheel anders te gaan doen gold ook voor ons. Maar de vraag heeft ook iets schijnbaars in zich. Gaat het wel over bekering tot een nieuwe Godsdienst? Of gaat het om heel wat anders.

De bruidsschat was heel belangrijk in het oude oosten. Niet de waarde van de bruid werd er mee uitgedrukt, ook al had het de schijn van een verkoopprijs, maar ook de waarde die de andere familie had. En dan wordt gevraagd om alle voorhuiden van de inwoners van de stad, van het volk van Sichem. Waar vraagt men dan eigenlijk om? Abraham had eens oorlog gevoerd voor de koningen in Kanaän, hij had zijn overwinning laten afmeten aan de hoeveelheid voorhuiden die hij had laten afsnijden bij de vijand. Toen David aan Saul om de hand van Michal vroeg werd door Saul de bruidsschat op honderd voorhuiden van de Filistijnen. Besnijdenis maakt je misschien wel onoverwinnelijk, niemand kan immers een overwinning op jou aan tonen op basis van de voorhuid die je ontnomen is. Maar vragen aan een ander om de voorhuid maakt ook dat je die ander vraagt zich te onderwerpen aan jouw macht. En daar lijkt het hier toch ook erg op. Onderwerping aan de macht van de God van Jacob als teken van integratie. Hoe zit het met onze vraag aan vreemdelingen? Vragen we echt om samen te leven of vragen we om onderwerping aan hetgeen wij geloven.