Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor oktober, 2016

Krachtige maatregelen nemen

maandag, 31 oktober, 2016

Genesis 41:17-36

17 ¶  Toen deed de farao hem zijn verhaal: ‘In mijn droom stond ik aan de Nijl. 18  Opeens kwamen daar zeven koeien uit, mooie koeien die goed in hun vlees zaten. Ze gingen grazen in het oevergras. 19  Daarna kwamen er zeven andere koeien uit het water; die waren afschuwelijk mager, vel over been. Ik heb in heel Egypte nog nooit zulke lelijke koeien gezien. 20  En die magere, lelijke koeien aten de zeven eerste, vette koeien op.  21  Maar toen ze die naar binnen hadden gewerkt, was daar niets van te merken: ze zagen er nog even lelijk uit als eerst. Toen werd ik wakker. 22  Even later droomde ik dat er uit één halm zeven mooie, volle korenaren opschoten. 23  En daarna kwamen er weer zeven aren op; die waren dor en iel en door de oostenwind verschroeid. 24  En die armetierige korenaren verslonden de zeven mooie aren. Ik heb dit voorgelegd aan mijn magiërs, maar geen van hen kon me er iets over zeggen.’ 25  Jozef zei tegen de farao: ‘U hebt tweemaal hetzelfde gedroomd, farao, en God heeft u bekendgemaakt wat hij gaat doen. 26  Die zeven mooie koeien zijn zeven jaren, en die zeven mooie korenaren zijn ook zeven jaren: het is een en dezelfde droom. 27  De zeven magere, lelijke koeien die daarna te voorschijn kwamen, staan ook voor zeven jaren, net zoals de zeven lege aren die door de wind verschroeid waren: er zullen zeven jaren van hongersnood komen. 28  Het is, farao, zoals ik u daarnet zei: God heeft u laten zien wat hij gaat doen. 29  Er komen zeven jaren waarin er in heel Egypte grote overvloed zal zijn. 30  Daarna volgen zeven jaren van hongersnood. Dan zal niemand zich nog iets herinneren van de overvloed die er in Egypte was. De hongersnood zal het land te gronde richten 31  en zo erg zijn dat er van de eerdere overvloed niets meer te bespeuren valt. 32  Dat u deze droom tweemaal hebt gekregen, betekent dat Gods besluit vaststaat en dat hij het binnenkort gaat uitvoeren. 33 ¶  U zou er daarom goed aan doen, farao, een verstandig en wijs man te zoeken en het bestuur over Egypte aan hem toe te vertrouwen. 34  Ook zou u krachtige maatregelen moeten nemen. Ik raad u aan in het hele land opzichters aan te stellen en tijdens de zeven jaren van overvloed een vijfde te vorderen van wat het land opbrengt. 35  Al het voedsel dat Egypte voortbrengt in de goede jaren die straks aanbreken, moet worden verzameld. U moet erop toezien dat er in de steden graan wordt opgeslagen, en dat graan moet zuinig worden bewaard. 36  Uit die voedselvoorraad kan het land dan putten in de zeven jaren van hongersnood die het te wachten staan. Zo hoeft Egypte niet van honger om te komen.’ (NBV)

De dromen zijn natuurlijk glashelder. Het gaat dan ook kennelijk niet om de uitleg van de dromen maar om de oplossing van het probleem waarop ze duiden. De dromen gaan over de Nijl. Voor Egypte is de Nijl niet zomaar een rivier. Elk jaar stijgt het water van de Nijl en overstroomt een groot deel van de delta. De grond die ver uit Afrika door de Nijl is meegevoerd en in het water zweeft zakt dan naar de bodem en maakt het land rond de Nijl extreem vruchtbaar. Die jaarlijkse stijging van het water werd door de Egyptenaren nauwkeurig berekent. Hun hele godsdienst met de berekeningen van de zon, de maan en de sterren was gericht op het handhaven van de jaarlijkse bevruchting van het land. Maar wat nu als de Nijl wel buiten haar oevers zou treden maar niet vruchtbaar zou zijn. De magere koeien eten dan de vette koeien op. En wat dan als de Nijl wel het land bevloeit maar geen vruchtbaarheid voor het land brengt. De volle korenaren die ze waren gewend zouden opgaan in de dorre en schriele korenaren.

Een hongersnood zou wachten en hoe moesten ze die hongersnood afwenden. Al die tovenaars, magiërs en raadslieden die waren opgetrommeld hadden het probleem niet kunnen oplossen. Die slaaf die ze uit de gevangenis hadden gehaald, kaal geschoren en nieuw gekleed, zodat hij er als een hoveling uit zou zien mocht nu het probleem benoemen. Dan konden ze hem de schuld geven, ervoor straffen en samen een conferentie beleggen over de mogelijke oplossingen. Zo doen de machthebbers toch meestal? Het zijn de armen die de schuld krijgen van de problemen van de rijken. Niet de exorbitante zelfverrijking in het bedrijfsleven en de extreem hoge beloningen maar de looneisen van de vakbonden veroorzaken de economische problemen. Predikers die het zo durven verwoorden krijgen te horen dat zich bij hun eigen vak moeten houden, van de verdeling tussen arm en rijk hebben ze geen verstand. Of de Bijbel daar niets over te zeggen heeft. Jozef heeft gelijk, het is God die dit soort dromen kan uitleggen, het God die een uitweg biedt uit de economische problemen die zich aandienen.

Tot drie keer toe benadrukt Jozef dat dit nu eens dromen zijn van de God die hij van huis uit kende. Jozef kende natuurlijk het verhaal van zijn vader en moeder. Hoe zijn vader moest vluchten ondanks de belofte dat hij vader zou worden van een groot volk. Hoe zijn moeder lang moest wachten omdat eerst haar zuster met zijn vader moest trouwen en hoe zijn vader ondertussen steeds maar rijker werd. Die God die hij van huis uit kende was een God die met je meetrok naar vreemde landen en een God die voor je zorgde. Niet omdat je de beste of de hoogste was maar omdat je hem aanbad, zoiets.  En daar lag natuurlijk ook de oplossing. Samen delen, belasting opleggen in de dagen van welvaart en overvloed en van die belasting uitdelen in tijden van schaarste en nood. Twintig procent belasting moest genoeg zijn om in dagen van onvruchtbaarheid net zo te eten te hebben als in de dagen van overvloed. Als alle volken zich nu eens zouden keren naar dit verhaal. Dan was er nu geen voedselcrisis. Dan deelden de streken waar vruchtbaarheid en overvloed is met de streken waar misoogst en armoede heerst. Als we dat zoals in het verhaal van Jozef wederzijds doen dan is er geen voedselcrisis en dan hoeft niemand op de wereld honger te lijden.

Niemand die hem de droom kon uitleggen

zondag, 30 oktober, 2016

Genesis 41:1-16

1 ¶  Twee volle jaren later kreeg de farao een droom. Hij droomde dat hij aan de Nijl stond. 2  Toen zag hij zeven koeien uit de Nijl komen; het waren mooie koeien, die goed in hun vlees zaten. Ze gingen grazen in het oevergras. 3  En kijk, daar kwamen weer zeven koeien uit het water; die waren lelijk en mager. Ze voegden zich bij de andere koeien aan de oever van de rivier. 4  En die lelijke, magere koeien aten de zeven mooie, vette koeien op. Hierna werd de farao wakker. 5  Maar hij viel weer in slaap en kreeg voor de tweede keer een droom. Zeven mooie, rijpe korenaren schoten op uit één halm. 6  Toen schoten er zeven andere aren op; die waren iel en door de oostenwind verschroeid. 7  En die armetierige aren slokten de zeven rijpe, volle aren op. De farao werd wakker en besefte dat hij alles had gedroomd. 8  De volgende morgen was hij hevig verontrust. Daarom ontbood hij alle magiërs en geleerden van Egypte en vertelde hun wat hij had gedroomd. Maar er was niemand die hem de droom kon uitleggen. 9 ¶  Toen zei de opperschenker: ‘Dit brengt mij ertoe, farao, u eraan te herinneren dat ik eens een vergrijp had gepleegd. 10  U was woedend op mij en op een van uw andere dienaren, de opperbakker, en liet ons vastzetten in de gevangenis van de commandant van de lijfwacht. 11  Op een nacht kregen de bakker en ik allebei een droom, ieder een droom met een eigen betekenis. 12  Er was daar ook een jonge Hebreeër, een slaaf van de commandant van de lijfwacht. Toen we hem onze dromen vertelden, legde hij ze uit; hij gaf ons allebei de verklaring van onze droom. 13  En wat er daarna gebeurde, kwam precies overeen met zijn uitleg: ik werd in mijn ambt hersteld, de bakker werd opgehangen.’ 14  Hierop gaf de farao bevel om Jozef bij hem te brengen. Onmiddellijk werd hij uit de kerker gehaald, hij werd geschoren en kreeg schone kleren aan. Toen hij voor de farao verscheen, 15  zei deze tegen hem: ‘Ik heb een droom gehad en niemand kan hem uitleggen. En nu heb ik over u horen zeggen dat u een droom maar hoeft te horen of u kunt hem verklaren.’ 16  Jozef antwoordde: ‘Dat is niet aan mij, maar misschien geeft God een uitleg die gunstig is voor de farao.’ (NBV)

Moed houden, hoe vaak zal dat gezegd zijn tegen mensen die in de meest afschuwelijke omstandigheden terecht waren gekomen. Boeren met een mislukte oogst, middenstanders die hun pensioen in aandelen hebben belegd, zieken bij een operatie of behandeling die niet echt heeft geholpen, jongeren die weer afgewezen zijn voor een baan, gevangenen die onschuldig veroordeeld zijn. Allemaal moeten ze moed houden. Maar waar halen ze de moed vandaan. Vrome mensen zijn dan geneigd te zeggen dat je de moed bij God vandaan moet halen. Je moet blijven vertrouwen dat God bij je is en je zal helpen klinkt het dan. Maar is dat de boodschap van de Bijbel? In het verhaal van Jozef staat dat niet. Twee jaar heeft hij in de gevangenis gezeten nadat hem is beloofd dat er een goed woordje gedaan zou worden bij de Farao. In het vervolg van dit verhaal staat zelfs dat hij in de put zat, dezelfde put als waar zijn eigen broers hem hadden ingestopt. En nu wordt hij herinnerd.

Door de schenker die gelijk maar bekend schuldig geweest te zijn aan het vergrijp waarvoor hij in de gevangenis was gestopt. Want die gevangene die dromen had uitgelegd zou deze droom ook wel kunnen uitleggen. Als dat verhaal zo verteld wordt gaat er een zucht van verlichtig uit van de mensen die meegeleefd hebben met de arme Jozef. Zo jong, zo veelbelovend en dan twee jaren lang als slaaf zonder uitzicht in die gevangenis. Maar moet Jozef wel een zucht van verlichting slaken nu men zich hem herinnert? Alle magiërs en geleerden van Egypte keken wel uit de droom te verklaren. Boodschappers van slecht nieuws worden immers zelf vaak slachtoffer. Ook vandaag de dag neemt men de boodschapper het slechte nieuws kwalijk. Geen van de Amerikaanse presidentskandidaten durft uit te leggen dat Amerikanen eerst hun schulden moeten aflossen en dan pas weer aan welvaart mogen denken. Dat zal betekenen dat de belastingen omhoog gaan, dat de kosten van energie daar zeer zullen stijgen, dat de lonen gematigd gaan worden en op voorzieningen bezuinigd.

En of die beloofde ziektekostenverzekering straks nog betaalbaar zal zijn moet nog maar blijken. De twee presidentskandidaten weten het wel maar ze durven het niet, bang als boodschappers van slecht nieuws de verkiezingen te zullen verliezen. Niet alleen in de dagen van de Farao en Jozef was men bang slecht nieuws te brengen. Ook in onze dagen krijgen boodschappers van slecht nieuws over het klimaat te horen dat het nog wel zal meevallen, dat het onderzoek nooit compleet kan zijn geweest, dat schommelingen in temperatuur en weer van alle tijden zijn, dat de boodschappers van het klimaatonheil aan hun boeken en films willen verdienen. Een slaaf uit de gevangenis is dan een veilig slachtoffer om een droom te laten verklaren waar niemand aan durft te komen. En ook Jozef schuift de uitleg van de droom van de Farao van zich af, nu op een God die de Farao niet kent. Wellicht is die God ook goed voor de Farao. Waar wij de moed vandaan moeten halen staat er niet bij, maar onze dromen mogen we in elk geval bewaren, de droom van het Koninkrijk van God, waar alle tranen gewist zullen zijn en waar we vandaag aan mogen gaan werken.

Ook hij is een zoon van Abraham

zaterdag, 29 oktober, 2016

Lucas 19:1-10

1 ¶  Jezus ging Jericho in en trok door de stad. 2  Er was daar een man die Zacheüs heette, een rijke hoofdtollenaar. 3  Hij wilde Jezus zien, om te weten te komen wat voor iemand het was, maar dat lukte hem niet vanwege de menigte, want hij was klein van stuk. 4  Daarom liep hij snel vooruit en klom in een vijgenboom om Jezus te kunnen zien wanneer hij voorbijkwam. 5  Toen Jezus daar langskwam, keek hij naar boven en zei: ‘Zacheüs, kom vlug naar beneden, want vandaag moet ik in jouw huis verblijven.’ 6  Zacheüs kwam meteen naar beneden en ontving Jezus vol vreugde bij zich thuis. 7  Allen die dit zagen, zeiden morrend tegen elkaar: ‘Hij is het huis van een zondig mens binnengegaan om onderdak te vinden voor de nacht.’ 8  Maar Zacheüs was gaan staan en zei tegen de Heer: ‘Kijk, Heer, de helft van mijn bezittingen geef ik aan de armen, en als ik iemand iets heb afgeperst vergoed ik het viervoudig.’ 9  Jezus zei tegen hem: ‘Vandaag is dit huis redding ten deel gevallen, want ook hij is een zoon van Abraham. 10  De Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was.’ (NBV)

Kan een rijke die ook nog met de vijand samenwerkt een rechtvaardige zijn en bij het Koninkrijk horen waar Jezus van Nazareth toe oproept? Het kan, leren we in dit verhaal over de zuivere hoofdman van de Tollenaars. Want de naam Zacheüs betekent “zuivere”. In onze armzalige vertalingen valt soms veel weg, soms ook te veel. We kunnen niet beter en verhalen als deze over Zacheüs zijn al zo lang verteld dat ook vertalers niet ontkomen aan de traditie waarin ze zijn opgegroeid. We hebben immers altijd gehoord over dat kleine mannetje dat ze er niet door wilden laten en dat niks zag als hij achteraan stond omdat hij te klein was. In zo’n mannetje kunnen we ons nog wel verplaatsen. We hebben bij de intocht van Sint Nicolaas, het bloemencorso of een andere optocht ook wel eens achteraan gestaan en niks kunnen zien.

Opgeschoten jongens klimmen dan wel eens in een lantaarnpaal. Zo klom Zacheüs in een vijgenboom. Waarom nu juist een vijgenboom. Daar hebben we al een spreekwoord dat in de vertaling verloren gaat. De Naardense Bijbel heeft gewoon vertaald wat er stond “iemands vijgen schudden” maar dat spreekwoord kennen we niet en dan zou het mogelijk zijn dat we de betekenis over het hoofd zien. Bij de Nieuwe Bijbelvertaling zien we de betekenis namelijk iemand afpersen. Als je in een vijgenboom van iemand anders klimt dan kun je natuurlijk per ongeluk wel een aantal vruchten uit de boom schudden en zo schade aan de oogst toebrengen. In de wetboeken van Mozes staat de straf daarvoor: je moet viervoudig de schade vergoeden. Dat belooft Zacheüs dus, zoals de Nieuwe Bijbelvertaling aangeeft. Maar er zijn ook geleerden die zeggen dat je eigenlijk zou moeten vertalen met “zoals ik gewoon ben te doen”. Het is dus een rijke, die ook nog als belastinginner voor de vijand werkt, die zich aan de wetten van de Woestijn houdt.

Hij deelt met de armen en als hij per ongeluk iemand nadeel bezorgd dan vergoed hij dat viervoudig zoals de leer van Mozes hem dat voorschrijft in het boek Leviticus. Geen wonder dus dat Jezus van Nazareth bij hem wil eten. Dat geeft de arme Zacheüs die achteraan moet staan weer een nieuwe plaats in de samenleving, als voorbeeld namelijk. Zo hoort het, delen met de armen en de schade vergoeden die je veroorzaakt. Deze Zacheüs hoort dus niet bij de Romeinen maar bij het volk van Israel. Daarmee is de belastingbaas van Jericho ineens het lichtend voorbeeld voor het volk geworden dat ooit Jericho veroverde. Jezus hoefde dus inderdaad niet om Jericho heen te trekken om het te veroveren, hij trok Jericho in om onderdak te vinden voor de nacht en veroverde Jericho in het hart van de stad. Het roept natuurlijk wel de vraag op hoe wij dat doen, we houden ons wellicht verre van onchristelijke goddelozen, maar delen we ook met de armen van ons bezit en vergoeden we de schade die we veroorzaken? Doen we wat tegen de afbraak van het regenwoud? Tegen de woestijnvorming door de aanleg van tijdelijke plantages? Doen we wat tegen al die milieuschade waar wij geen last van hebben maar die de armen steeds armer maken op deze wereld?

Wat wilt u dat ik voor u doe?

vrijdag, 28 oktober, 2016

Lucas 18:31-43

31 ¶  Hij nam de twaalf apart en zei tegen hen: ‘We zijn nu op weg naar Jeruzalem, en alles wat door de profeten is geschreven zal men de Mensenzoon laten ondergaan. 32  Want hij zal worden uitgeleverd aan de heidenen en worden bespot en mishandeld en bespuwd. 33  En nadat hij is gegeseld, zal hij worden gedood, maar op de derde dag zal hij opstaan.’ 34  De leerlingen begrepen er niets van. De betekenis van Jezus’ woorden bleef voor hen verborgen, en ze konden maar niet bevatten wat hij had gezegd. 35 ¶  Toen hij in de buurt van Jericho kwam, zat er langs de weg een blinde te bedelen. 36  Toen de blinde een menigte voorbij hoorde komen, vroeg hij wat er gaande was. 37  Ze zeiden tegen hem: ‘Jezus uit Nazaret komt voorbij.’ 38  Daarop riep de blinde: ‘Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!’ 39  Degenen die voorop liepen, snauwden hem toe dat hij moest zwijgen, maar hij schreeuwde des te harder: ‘Zoon van David, heb medelijden met mij!’ 40  Jezus bleef staan en zei dat men de blinde bij hem moest brengen. Toen deze voor hem stond, vroeg hij hem: 41  ‘Wat wilt u dat ik voor u doe?’ De blinde antwoordde: ‘Heer, zorg dat ik weer kan zien.’ 42  Jezus zei: ‘Zie weer! Uw geloof heeft u gered.’ 43  Onmiddellijk kon hij weer zien en hij volgde hem terwijl hij God loofde. Alle mensen die getuige waren geweest van dit voorval brachten hulde aan God. (NBV)

Het hele Evangelie van Lucas draait om de tocht naar Jeruzalem. Na de geboorte van Jezus van Nazareth wordt deze naar de Tempel gebracht en vanaf het moment dat hij teruggaat met zijn ouders, na de mensen in te Tempel versteld te hebben doen staan van zijn wijsheid, gaat het hele verhaal over de tocht van Jezus naar Jeruzalem. Daar in Jeruzalem liggen immers de richtlijnen van God waar volgens de prediking van Jezus van Nazareth alles om draait. Heb Uw naaste lief als Uzelf. Maar mensen zien dat niet of willen dat vaak niet zien. Softies die steeds maar opkomen voor hun naaste worden bespot en beschimpt. Jezus van Nazareth zelf zou aan een kruis terecht komen. Hijzelf voorziet al dat het niet goed zou aflopen met iemand die steeds maar het goede doet en niets dan het goede. De leerlingen zien het, nog, niet. Dan moet Jezus van Nazareth hen maar de ogen openen.

Hoe werkt dat, oog hebben voor de mensen die dat nodig hebben. Nou, het gaat niet alleen om oog te hebben voor mensen in nood maar ook om hen te horen. Langs de kant zit een blinde bedelaar. Die zit te roepen en dat geschreeuw stoort. We kennen dat, van die verwarde mensen in onze binnensteden die stinken, bedelen en soms de mensen naroepen in de hoop tot zwijgen te worden gebracht met een gift. In onze ordelijke maatschappij storen die mensen. Zo horen eigenlijk in een psychiatrische setting heet het maar we kunnen ze niet dwingen. Daarom zijn er speciale teams die de straat op gaan en hen toe moeten zien te leiden naar die psychiatrische hulpverlening. Natuurlijk lukt dat maar matig. Ze willen immers door ons gezien en gehoord worden. Ze willen opgenomen worden in de gemeenschap die wij pretenderen te vormen en niet ze willen niet buitengesloten worden in het hokje van de psychiatrische voorziening.

Hun angsten en dromen moeten onderdeel uitmaken van ons leven van alle dag. Dan pas kunnen die angsten leefbaar worden en de dromen vervangen worden door de realiteit. Jezus van Nazareth legde de ordelievende leerlingen het zwijgen op. Hij luisterde naar de man langs de kant van de weg. Het vertrouwen van de man dat het gezien worden door Jezus van Nazareth, een geëerd en gerespecteerd prediker met een schare volgelingen, hem weer een echte plaats in de samenleving zou geven redde hem. Dat deed hem de ogen openen, daardoor durfde hij weer onder ogen te zien wat er gedaan moest worden. De Liefde voor de minste maakte dat mogelijk. Daarom brachten alle mensen die er om heen stonden hulde aan God. Dat was dus de weg die gegaan moest worden. Altijd zullen er mensen zijn die de roependen langs de kant van de weg het zwijgen op willen leggen, altijd zijn er mensen die de mensen die goed willen doen daar vanaf willen brengen. Maar als we blijven geloven dat het kan, dat het moet, dan zal het waarachtig ook lukken, ook vandaag weer.

De heerser der volken liet hem vrij.

woensdag, 26 oktober, 2016

Psalm 105:16-27

16  Hij riep een hongersnood over het land af en vernietigde elke voorraad brood. 17  Hij stuurde een van hen vooruit: Jozef die als slaaf werd verkocht. 18  Ze klonken zijn voeten in ketenen, sloten zijn hals in ringen van ijzer, 19  totdat zijn voorspelling uitkwam en het woord van de HEER hem vrijsprak. 20  De koning beval hem los te laten, de heerser der volken liet hem vrij. 21  Hij stelde hem aan als heer van zijn huis, als beheerder van heel zijn bezit, 22  om zijn prinsen aan banden te leggen en zijn oudsten wijsheid te leren. 23  Israël trok weg naar Egypte, Jakob verbleef als vreemde in het land van Cham. 24  God maakte zijn volk zeer vruchtbaar, machtiger dan wie het belaagden. 25 ¶  Hij veranderde hun hart: ze gingen zijn volk haten en spanden samen tegen zijn dienaren. 26  Hij stuurde Mozes, zijn dienaar, en Aäron, de man van zijn keuze. 27  Zij kondigden zijn wondertekenen aan, machtige daden in het land van Cham. (NBV)

Men vraagt zich wel eens af waarom in Nederland niemand zich eigenlijk beter mag vinden dan een ander. Dat heeft een duidelijk Bijbelse achtergrond. Je kunt wel denken dat je iets voor elkaar gekregen hebt, maar niemand kan iets alleen, iedereen heeft anderen nodig om iets voor elkaar te krijgen. Uiteindelijk is het God die bepaald of het zal lukken of niet. Zo kan de farao van Egypte gedacht hebben dat hij besliste over de vrijlating van Jozef, omdat hij nu eenmaal de heerser over de volken was, maar de dichter van deze Psalm weet wel beter, het is God die het zo heeft gestuurd. Die farao zou door schade en schande er achter komen dat hij inderdaad nergens iets over te vertellen heeft. Het was diezelfde God die Mozes en Aäron er op uitstuurde om de vrijlating van zijn volk te krijgen. In deze Psalm keert Cham weer terug. Dat was een van de drie zonen van Noach, de man met wie God opnieuw de geschiedenis van de mensen is begonnen.

Cham zou de dienaar van de andere twee zonen worden. Hij wordt beschreven als de voorvader van vele volken, onder die volken ook het volk van Egypte. Een mooie manier om op een voor buitenstaanders onbegrijpelijke manier te laten weten dat je dat machtige Egypte eigenlijk beschouwd als een ondergeschikt volk. In onze westerse cultuur is Cham vaak geschilderd als voorvader van Afrikanen en die vermeende ondergeschiktheid werd dan gebruikt als rechtvaardiging van de slavernij. Een onjuist gebruik van de Bijbel dus. Cham wordt in deze Psalm gebruikt als beeld door vreemdelingen en slaven. In hun positie is de behoefte aan omkering van verhoudingen verklaarbaar. Niet de uitbuiters en de slavenhouders zijn de baas maar de God van Israël en daarmee het volk van vreemdelingen en slaven, uiteindelijk zal dat volk uitmaken hoe het met de wereld zal aflopen. Als je de Psalm nauwkeurig leest zie je zelfs dat die God de harten van de Egyptenaren ging veranderen zodat ze zijn volk gingen haten. Die haat, die afkeer, die angst was nodig om de macht van die God te laten zien.

Wellicht dat zij die bang zijn voor de Islam ons willen laten zien hoe machtig de God van de Islam is maar gelovigen in de God van Israël en in Jezus van Nazareth weten dus dat er geen enkele reden is om bang te zijn voor de Islam of een overspoeling van de cultuur door Moslims, integendeel. De machtige daden waarop deze Psalm attent maakt zijn bedoeld om hoop te geven aan verdrukten. Die vreemdelingen en slaven in Egypte was het land beloofd overvloeiende van melk en honing, dat land is hen uiteindelijk ook gegeven. Toen het volk veel later toch vreemde goden achterna liep en in ballingschap werd weggevoerd werd opnieuw dat land aan hen beloofd, de ballingen keerden dan ook weer en bouwden opnieuw de Tempel op. Toen als gevolg van een groot aantal opstanden uiteindelijk de Tempel verwoest werd zorgde het leven in liefde van Jezus van Nazareth en het volhouden van die liefde door de dood heen er voor dat het geloof in de God van Israël zich verspreidde over de hele aarde. En ons geloof en ons verder dragen van die liefde, onze bereidheid om te delen met de armsten kan er voor zorgen dat uiteindelijk die aarde er komt die ons beloofd is, een aarde waar geen tranen meer zullen zijn. Daar mogen we vandaag weer voor aan het werk.

Wees blij van hart

dinsdag, 25 oktober, 2016

Psalm 105:1-15

1 ¶  Loof de HEER, roep luid zijn naam, maak zijn daden bekend onder de volken, 2  zing en speel voor hem, spreek vol lof over zijn wonderen, 3  beroem u op zijn heilige naam. Wees blij van hart, u die de HEER zoekt. 4  Zie uit naar de HEER en zijn macht, zoek voortdurend zijn nabijheid. 5  Gedenk de wonderen die hij heeft gedaan, de oordelen die hij heeft uitgesproken, 6  nageslacht van Abraham, zijn dienaar, kinderen van Jakob, door hem verkozen. 7  Hij is de HEER, onze God,  zijn besluiten gelden over de hele aarde. 8 ¶  Tot in eeuwigheid zal hij gedenken zijn belofte aan duizend geslachten,  9  het verbond dat hij sloot met Abraham en voor Isaak bevestigde met een eed. 10  Voor Jakob verhief hij het tot wet, voor Israël tot een eeuwig verbond, 11  toen hij zei: ‘Ik zal jou Kanaän geven, dat land wordt je onvervreemdbaar bezit.’ 12  Toen zij daar nog maar korte tijd waren, een handjevol vreemdelingen, 13  zwierven zij van volk naar volk, van het ene koninkrijk naar het andere. 14  Hij stond niet toe dat iemand hen verdrukte, ter wille van hen strafte hij koningen: 15  ‘Raak mijn gezalfden niet aan, doe mijn profeten geen kwaad.’ (NBV)

Vandaag zingen we een lofpsalm. Alsof daarvoor zo veel reden is. In veel kerken wordt rond deze tijd de dankdag voor gewas en arbeid gevierd. Want het gewas groeit niet vanzelf, alles wat ons toevalt hebben we immers van God. En een baan heb je zeker niet vanzelf. Als er een paar mensen aan de top van banken en het bedrijfsleven besluiten te veel aan bonussen in hun zak te steken dan zijn honderdduizenden ineens hun vaste baan weer kwijt. Er zal in de kerken vandaag dan ook voor de werklozen wel extra gebeden worden. Met elkaar zijn we er immers voor verantwoordelijk dat mensen weer een baan krijgen of in elk geval weer op een positieve manier mee mogen doen aan onze samenleving. Deze Psalm kan ons daar toch bij helpen. Er wordt opgeroepen te denken aan de wonderen die de God van Israël heeft gedaan. En er wordt ook gezinspeeld op die wonderen zelf en wat ze voor ons te betekenen kunnen hebben.

Want moet je je voorstellen, die Abraham was maar een zwerver, die trok naar Kanaaän in de overtuiging dat zijn nakomelingen dat hele land zouden beërven. Zelf lukte het hem niet om meer dan een grafspelonk te kopen. Maar ook Izaaäk zijn zoon had dezelfde overtuiging. En diens zoon Jakob moest zelf vluchten, terug op de weg die Abraham ooit was gegaan. Die Jakob trouwde wel met verschillende vrouwen en werd een rijk man met grote kudden en veel personeel en twaalf zonen maar ook die Jakob bleef de nodige ellende niet bespaard. Toen hij eindelijk in dat beloofde land gevestigd was raakte hij een zoon kwijt, werd een dochter van hem verkracht door een aantal stedelingen en ging zijn lievelingsvrouw al in het kraambed dood. Toen er uiteindelijk een hongersnood uitbrak moest die Jakob met al zijn zonen en zijn hele hebben en houwen toevlucht nemen tot een vreemd land, Egypte, daar bleek zijn verloren zoon gezorgd te hebben voor het nodige voedsel en een stuk land waar ze als veetelers konden verder leven. Zo rijpte het idee dat die nakomelingen van Abraham, Izaaäk en Jakob een bijzondere bescherming genoten, dat men dit volk niet te na moest komen. Zeker niet hen die het woord van de vreemde God doorgaven. Die God die maar bleef beloven dat het volk een groot volk zou worden en dat ze een land zouden krijgen overvloeiende van melk en honing.

Maar als wij deze Psalm meezingen dan mogen wij weten dat die belofte uiteindelijk zou uitkomen. Dat die belofte zelfs ging gelden voor de hele bewoonde wereld, dat er uiteindelijk een wereld zal komen waar alle tranen gedroogd zullen zijn en waar die God zelf zal komen wonen. Dat heeft het volk door de donkerste perioden van hun geschiedenis heen geholpen, te beginnen met de slavernij in Egypte uitlopend op een ballingschap in Babel en inlijving in het wereldrijk van Rome. Dan moet onze werkloosheid ook wel overkomelijk zijn. Dan moet een mindere oogst ons niet afschrikken. In onze samenleving is er altijd iets te betekenen voor mensen die het nog minder hebben. Wat wij ook wij hebben wij kunnen het altijd delen met hen die het echt nodig hebben. Want we weten dat dan ook die nieuwe wereld zal aanbreken, dat dan alle ellende voorbij zal zijn. Daar mogen we vandaag om bidden, daar mogen we ons vandaag op bezinnen maar het mooiste is dat we er vandaag ook weer aan mogen werken.

Wat is het moeilijk voor rijken…

maandag, 24 oktober, 2016

Lucas 18:18-30

18 ¶  Een hooggeplaatst persoon vroeg hem: ‘Goede meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’ 19  Jezus antwoordde: ‘Waarom noemt u mij goed? Niemand is goed, alleen God. 20  U kent de geboden: pleeg geen overspel, pleeg geen moord, steel niet, leg geen vals getuigenis af, toon eerbied voor uw vader en uw moeder.’ 21  De man zei: ‘Aan dat alles heb ik me sinds mijn jeugd gehouden.’ 22  Toen Jezus dat hoorde, zei hij: ‘Nog één ding ontbreekt u. Verkoop alles wat u hebt en verdeel de opbrengst onder de armen, dan zult u een schat in de hemel bezitten. Kom daarna terug en volg mij!’ 23  Toen de man dat hoorde, werd hij diepbedroefd. Hij was namelijk zeer rijk. 24  Toen Jezus zag dat de man zo bedroefd werd, zei hij: ‘Wat is het moeilijk voor rijken om het koninkrijk van God binnen te gaan. 25  Het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.’ 26  Daarop zeiden zijn toehoorders: ‘Wie kan er dan nog gered worden?’ 27  Jezus zei: ‘Wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God.’ 28  Toen zei Petrus: ‘Maar wij hebben alles wat we bezaten achtergelaten om u te volgen.’ 29  Jezus zei tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: iedereen die huis of vrouw, broers of zusters, ouders of kinderen heeft achtergelaten omwille van het koninkrijk van God, 30  zal reeds in deze tijd het veelvoudige ontvangen en in de tijd die komt het eeuwige leven.’ (NBV)

Wat is het moeilijk voor rijken…

….om het Koninkrijk van God binnen te gaan. Jezus van Nazareth is niet tegen de rijken maar tegen de armoede. Voorop staan de geboden zoals die in de boeken van Mozes staan opgetekend, geen overspel plegen, niet moorden, niet stelen, geen valse getuigenis afleggen en niet verloochenen wie je vader en moeder zijn. Als je dat allemaal gedaan hebt dan zou er eigenlijk geen armoede meer moeten zijn, maar die is er wel. Die armoede kun je ook opheffen, daar kun je tenminste wat aan doen. De hypotheekrente afschaffen zodat niet de rijksten in het land de meeste subsidie krijgen. Het geheel van aftrek van hypotheekrente en huurtoeslagen vervangen door individuele woonsubsidie. Woonkosten naar draagkracht. Dat zou in ons land de armoede al een heel eind bestrijden en gedwongen verkoop van woningen niet meer nodig maken. Ook huurachterstanden zouden dan veel minder voorkomen. Op twee fronten zou je dan veel verdriet en ellende voor mensen voorkomen.

Ook de onrechtvaardige tolmuren kunnen worden afgeschaft. De armen in de wereld zullen dan hun producten tegen een eerlijke prijs op onze markten kunnen aanbieden. Daarmee vergroten we hun koopkracht en verminderen we dus oorlog, ziekte, hongersnood en andere ellende die de arme landen nu nog teisteren. Dan blijft natuurlijk nog de werkloosheid.  Volgens Jezus van Nazareth is dit delen van inkomen, werk en kennis namelijk economisch zeer voordelig. In een samenleving waar de problemen zijn opgelost behoor je tot de allerrijksten. In de samenleving zoals we die nu kennen moeten rijken nog steeds diep willen buigen voor ze mee kunnen doen in het Koninkrijk van God. Dat oog van de naald is namelijk niet dat kleine oogje uit het naaldje van de naaister of de kleermaker, maar het kleine poortje in de muur van de stad. Dat kleine poortje dat ook staat voor het kleine beetje rechtvaardigheid dat nodig is om gezonde mensen met veel ervaring weer een volwaardige plaats in de samenleving te geven.

Het volgen van Jezus van Nazareth is het dienen van de armsten in de samenleving voorop te stellen. Hoe daarbij je huis, je vrouw of je man, je broers of zusters, je ouders of kinderen er uit zien en bijlopen is daarbij van veel minder belang. Die stellen we niet voorop. Maar zijn we echt bereid om zo diep te bukken dat we delen met de minsten onder ons? Jezus belooft ons wel dat we reeds tijdens ons leven het veelvoudige zullen ontvangen wat we als rijken opgeven maar er zijn toch geen villabewoners te vinden die daar konden gaan wonen omdat ze zoveel hebben weggegeven. De belofte aan Petrus is dan ook een andere. Als je werkelijk de weg van Jezus van Nazareth volgt dan is materiële welvaart ineens totaal niet meer belangrijk. Vogels hebben nesten maar de Zoon van God had geen huis of een plek om zijn hoofd ter ruste te leggen. De rijkdom zit in het geluk dat je ziet opbloeien bij een ieder die je goed hebt gedaan. Dat geeft een rijk gevoel, zo rijk dat niemand je meer iets kan doen. Dat is ook door niemand af te nemen en elke dag mag het weer opnieuw, ook vandaag weer.

Het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals de kinderen.

zondag, 23 oktober, 2016

Lucas 18:9-17

9 ¶  Met het oog op sommigen die zichzelf rechtvaardig vinden en anderen minachten, vertelde hij de volgende gelijkenis. 10  ‘Twee mensen gingen naar de tempel om te bidden, de een was een Farizeeër en de ander een tollenaar. 11  De Farizeeër stond daar rechtop en bad bij zichzelf: “God, ik dank u dat ik niet ben als de andere mensen, die roofzuchtig of onrechtvaardig of overspelig zijn, en dat ik ook niet ben als die tollenaar. 12  Ik vast tweemaal per week en draag een tiende van al mijn inkomsten af.” 13  De tollenaar echter bleef op een afstand staan en durfde niet eens zijn blik naar de hemel te richten. In plaats daarvan sloeg hij zich op de borst en zei: “God, wees mij zondaar genadig.” 14  Ik zeg jullie, hij ging naar huis als iemand die rechtvaardig is in de ogen van God, maar die ander niet. Want wie zichzelf verhoogt zal vernederd worden, maar wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden.’ 15 ¶  De mensen probeerden ook kleine kinderen bij hem te brengen om ze door hem te laten aanraken. Toen de leerlingen dat zagen, berispten ze hen. 16  Maar Jezus riep de kinderen bij zich en zei: ‘Laat ze bij me komen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij. 17  Ik verzeker jullie: wie niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God, zal er zeker niet binnengaan!’ (NBV)

We zijn bijna aan het eind van de maand oktober. Wij vieren op 31 oktober Hervormingsdag maar in Amerika is het dan Halloween. En aangezien we alles uit de Verenigde Staten importeren, voeren we ook Halloween in. Het is een feest van wennen aan het enge donker en de angsten die dat kan opwekken en een feest voor kinderen die beloond worden voor het rondtrekken in het beginnende donker. Hun boodschap is “Trick or Treat” Wat betekende de uitdrukking “Trick or Treat”? Het is iets als “Struikel of Tracteer”. Als je niet deelt dan moge je alle ellende overkomen waar je bang voor bent. En als dat Engelse zinnetje klinkt dan kun je er van op aan dat de geesten, heksen, monsters, geraamten, vampiers en duivels niet veraf zijn. Het is een feest dat afkomstig is uit delen van Engeland en Ierland en dat eigenlijk hoort bij feesten als Sint Maarten en Sint Nicolaas. Hele oude volksfeesten die rond het winterseizoen de mensen er aan herinneren dat buiten in de kou mensen rondzwerven die geen warmte en geen wintervoorraad hebben.

Bedelfeesten zijn er de hele winter door. Haloween is de eerste, en Carnaval is de laatste maar de betekenissen zijn steeds weer dezelfde. Alleen door te delen van wat er nog is komen we samen de donkerste tijden door. Voor Protestanten is 31 oktober een hele andere feestdag. Het is de geboortedag van het Protestantisme. In 1517 spijkerde Maarten Luther de stelling op de slotkapel van Wittemberg dat het doorkomen van de donkerste dagen niet te koop was zoals de Paus van Rome wilde doen geloven. Alleen het vertrouwen dat de Liefde, dat God zelf, je door het donker heen zou leiden zou de redding zijn, verkondigde Maarten Luther. En wij kunnen daar aan toevoegen dat alleen kinderen zo gek zijn om daarin te blijven geloven, zij zijn zo gek dat ze in Amerika eind december verkleed als spook, in delen van Nederland half november met een uitgeholde suikerbiet, in Nederland en Vlaanderen begin december met een wortel en stro in de schoen, in Zuid-Nederland en Vlaanderen rond 6 januari met een ster en half februari op een kar door dorp en stad durven trekken. Die kinderen vertrouwen er op dat met dat plezier in het samen delen de donkerste tijden tot pleziertijden worden omgetoverd.

Maarten Luther was uit angst voor de Duivel in de Bijbel gaan zoeken naar manieren om de Duivel de baas te worden. Hij ontdekte dat je gewoon niet in de Duivel moest geloven maar je geloof moest stellen in Jezus van Nazareth. Juist als je gaat beseffen hoe ver je van het Koninkrijk af staat omdat je niet wilt en kunt delen met anderen begint dat Koninkrijk ook voor jou te leven. Als je denkt er bij te horen omdat je je zo keurig aan de regels houdt dan is het Koninkrijk nog heel ver weg. Kinderen weten dat, die kunnen alleen feest vieren als ze dat samen kunnen doen, samen met andere kinderen. Daarbij maakt kleur, afkomst of inkomen niet uit. Daar telt alleen het vermogen bij te dragen aan het plezier voor elkaar. Met die kinderlijke opstelling vieren we de komst van het Protestantisme en gaan we de donkere winterperiode in. Die komst van het Protestantisme vieren we een heel jaar lang omdat het 500 jaar geleden wordt dat het begon. Maar we staan ons er niet op voor. Met Halloween is iedereen gemaskerd. Het Protestantisme vind je in de zorg voor vluchtelingen, voedselbanken, Fair Trade winkels en andere zorg voor zieken, gehandicapten en gevangenen. Zij zijn gelukkig niet de enigen die dat doen, maar dat is wel het hart van hun geloof.

Vertelt u mij die dromen eens!

zaterdag, 22 oktober, 2016

Genesis 40:1-23

1-2 Enige tijd later maakten de opperschenker en de opperbakker van de koning van Egypte zich schuldig aan een vergrijp tegenover hun heer. De farao was woedend op deze twee hovelingen, 3  en liet hen in bewaring stellen in de gevangenis van de commandant van de lijfwacht, de gevangenis waarin ook Jozef zat. 4-5 De commandant droeg Jozef op hen te bedienen.  De schenker en de bakker van de koning hadden al geruime tijd in hechtenis gezeten toen ze allebei in dezelfde nacht een droom kregen, ieder een droom met een eigen betekenis. 6  Toen Jozef de volgende morgen bij hen kwam, viel het hem op dat ze er slecht uitzagen. 7  ‘Waarom kijkt u vandaag zo somber?’ vroeg hij deze hovelingen van de farao, die samen met hem in de gevangenis van zijn meester zaten. 8  ‘We hebben een droom gehad, ‘antwoordden ze, ‘maar er is hier niemand die hem kan uitleggen.’ Jozef zei: ‘De uitleg van dromen is toch een zaak van God? Vertelt u mij die dromen eens.’ 9  Hierop vertelde de schenker zijn droom aan Jozef: ‘In mijn droom stond er een wijnstok voor me. 10  Aan die wijnstok zaten drie ranken. En die wijnstok was nog niet uitgelopen of hij stond al in bloei en in een oogwenk hingen er trossen rijpe druiven aan. 11  Ik had de beker van de farao in mijn hand. Ik plukte de druiven, perste ze in de beker uit en overhandigde die aan de farao.’ 12  Jozef zei tegen hem: ‘Dat moet zo worden uitgelegd: Die drie ranken zijn drie dagen. 13  Over drie dagen zal de farao u een hoge plaats geven en u in uw ambt herstellen, en dan zult u de farao zijn beker weer aanreiken, zoals voorheen, toen u zijn schenker was. 14  Ik hoop dat u aan mij zult denken als het u straks goed gaat, en dat u mij dan een dienst wilt bewijzen door de aandacht van de farao op mij te vestigen, zodat ik vrijkom. 15  Want eerst ben ik ontvoerd uit het land van de Hebreeën en daarna hebben ze me hier in de kerker geworpen, zonder dat ik ook maar iets heb misdaan.’ 16  Toen de bakker Jozef zo’n gunstige uitleg hoorde geven, zei hij tegen hem: ‘Ik droomde net zoiets. Ik had drie manden met wit brood op mijn hoofd. 17  In de bovenste mand zat allerlei brood van de fijnste kwaliteit dat bestemd was voor de farao, maar er pikten voortdurend vogels aan het lekkers in die mand op mijn hoofd.’ 18  Jozef zei: ‘Dat moet zo worden uitgelegd: Die drie manden zijn drie dagen. 19  Over drie dagen zal de farao u een hoge plaats geven-hij zal u laten onthoofden en u aan een paal laten hangen, en dan zullen de vogels het vlees van uw botten pikken.’ 20 ¶  Drie dagen daarna gaf de farao een groot feest voor al zijn dienaren, ter gelegenheid van zijn verjaardag. Zowel de schenker als de bakker gaf hij in het bijzijn van zijn dienaren een hoge plaats: 21  de schenker herstelde hij in zijn ambt, zodat deze hem de beker weer mocht aanreiken, 22  maar de bakker liet hij ophangen, precies zoals Jozef had uitgelegd. 23  De schenker dacht echter niet meer aan Jozef, hij vergat hem. (NBV)

De meester van de dromen uit de moderne geschiedenis is ongetwijfeld Sigmund Freud. Die ontdekte dat de handelingen van mensen vaak gestuurd worden door dingen waarvan ze zich niet bewust zijn. Angsten die we hebben verdrongen, gewoonten die we hebben aangeleerd, onze opvoeding en de reacties die belangrijke opvoeders uit ons verleden, ouders, leraren en andere volwassenen, op ons gedrag vertoonden. En indrukken uit onze omgeving die we al dan niet bewust hebben opgedaan. In onze dromen komen vaak beelden naar voren die daarmee verband houden. Zorgvuldige studie van hoe dromen kunnen zijn en heel zorgvuldig luisteren naar wat iemand te vertellen heeft en hoe het verteld wordt kan dan helpen om duidelijk te maken waar iemand mee zit en waar iemand eigenlijk van droomt. Jozef is echter geen psychiater maar weet wel heel goed naar mensen te luisteren. De zorg voor mensen die hij van huis uit moet hebben meegekregen, in dit verhaal beroept hij zich ook op zijn Hebreeër zijn, maakt dat hij meer hoort en ziet dan iemand die onverschillig tegenover het lot van anderen staat.

En de twee gevangenen hebben elk een droom. Te beginnen met de positieve droom. Waarvan de opperschenker en de opperbakker werden beschuldigd staat niet in de Bijbel. Ze zitten een tijdje in de gevangenis en dan zal er een van de twee weer terug mogen keren naar diens oude positie. Daar droomt die tenminste van. Kennelijk is er geen spoor van angst te bekennen. In de droom speelt angst tenminste geen rol. Volgens een oude Joodse uitleg zouden ze beschuldigd zijn van roddel over de vrouw van Potifar en zou slecht spreken over haar de Farao zo kwaad hebben gemaakt. Misschien dat een dergelijk verhaal ons moet behoeden zelf kwaad te spreken over de vrouw van Potifar. Wat er wel in de Bijbel staat maakt ons in elk geval duidelijk dat we ook in slechte omstandigheden mogen blijven dromen van het goede. Het verhaal van de dromen van de schenker en de bakker is door de eeuwen heen een zeer populair verhaal. God maakt zijn goddelijke plannen op wonderbaarlijke wijze bekend heet het dan vaak. Maar gaan deze verhalen daar over? Jozef heeft tot de schenker gezegd dat het uitleggen van dromen een zaak van God is.

Niet het zenden van dromen. Bij deze droom van de bakker wordt dat misschien een beetje duidelijk. Het loopt uiteindelijk slecht af met de bakker en kennelijk is hij daar doodsbenauwd voor. Hij droomt er van dat die rare vogels van het paleis zijn leven weg zullen pikken. Want fijn brood is immers zijn leven? Jozef kan de droom uitleggen omdat hij doet wat hij van de God van zijn vaderen kent. Luisteren en zich inleven. Dan pas wordt duidelijk hoe verschillend de dromen zijn. En ook al lijken zaken op elkaar ze kunnen toch tegengesteld aan elkaar zijn. Het verheffen tot een hoge plaats, zoals de Nieuwe Bijbelvertaling vertaald geeft dat ook al aan. De schenker krijgt zijn hoge eervolle positie terug, de bakker werd opgehangen. Woordspelingen en grapjes waar de Bijbel vol mee staat en die ons moeten doen luisteren naar de verborgen betekenissen van woorden. De twee dromen zijn niet bijna hetzelfde, ze zijn elkaars tegendeel, de afloop voor de twee dromers is ook niet bijna hetzelfde, maar is ook elkaars tegendeel. De tegenwoordige politiek kent een beroep waardoor het anders laten klinken van boodschappen ons niet opvalt. De spindocters. Jozef zou een goede spindocter geweest zijn door de bakker een hoge positie in het vooruitzicht te stellen. Daar was geen woord gelogen bij, de galg is een hoge positie. Maar juist die verborgen betekenis moet ons er toe brengen drie keer extra te vragen naar de betekenis van de woorden van politici en autoriteiten. Opdat de minsten niet over het hoofd worden gezien en worden vergeten.

Alles wat hij ter hand nam

vrijdag, 21 oktober, 2016

Genesis 39:1-23

1 ¶  Jozef was dus door de Ismaëlieten meegenomen naar Egypte, en daar was hij gekocht door Potifar, een vooraanstaand man die tot de hovelingen van de farao behoorde en het bevel voerde over zijn lijfwacht. 2  De HEER stond Jozef ter zijde, zodat het hem goed ging. Hij mocht in het huis van zijn Egyptische meester werken. 3  Omdat zijn meester zag dat de HEER Jozef ter zijde stond en alles wat hij ter hand nam voorspoedig liet verlopen, 4  was hij Jozef goedgezind: hij maakte hem tot zijn persoonlijke bediende, liet de gang van zaken in huis aan hem over en gaf hem het beheer over alles wat hij bezat. 5  En vanaf het ogenblik dat hij hem belastte met het toezicht op zijn huis en zijn verdere bezittingen, zegende de HEER het huis van die Egyptenaar omwille van Jozef. De zegen van de HEER rustte op alles wat hij bezat, in huis en daarbuiten. 6  Daarom vertrouwde hij alles volledig aan Jozef toe; nu Jozef er was, bekommerde hij zich alleen nog om wat hij te eten kreeg.  Jozef was knap en aantrekkelijk. 7 ¶  Na verloop van tijd liet de vrouw van zijn meester haar oog op hem vallen. ‘Kom bij me liggen, ‘zei ze. 8  Maar dat weigerde hij. ‘Sinds ik hier ben, ‘zei hij, ‘maakt mijn meester zich geen zorgen meer over wat dan ook hier in huis, en hij heeft mij het beheer gegeven over al zijn bezittingen. 9  Ik heb hier evenveel gezag als hij, en hij heeft mij niets onthouden behalve u, omdat u zijn vrouw bent. Hoe zou ik dan zo’n grote wandaad kunnen begaan en zo kunnen zondigen tegen God?’ 10  Dag in dag uit probeerde ze Jozef over te halen, maar hij gaf niet toe, hij wilde niet bij haar gaan liggen. 11  Maar op zekere dag, toen hij de binnenvertrekken in kwam om zijn werk te doen en daar niemand anders van de bedienden was, 12  greep ze hem bij zijn kleed. ‘Kom bij me liggen, ‘drong ze aan, maar hij vluchtte naar buiten; zijn kleed liet hij bij haar achter. 13 ¶  Toen ze besefte dat hij gevlucht was en zijn kleed bij haar had gelaten, 14  riep ze haar bedienden en zei tegen hen: ‘Mooi is dat! Hij moest zo nodig een Hebreeër in huis halen-zeker om zich met ons te kunnen vermaken! Die man is mijn kamer binnengedrongen en wilde bij me komen liggen, maar ik begon hard te schreeuwen. 15  Toen hij dat hoorde, ging hij ervandoor en liet zijn kleed hier bij mij achter.’ 16  Ze liet het kleed naast zich liggen totdat Jozefs meester thuiskwam, 17  en vertelde hem hetzelfde verhaal: ‘Die Hebreeuwse slaaf die jij in huis hebt gehaald, is mijn kamer binnengedrongen om zich met me te vermaken. 18  En toen ik het op een schreeuwen zette, ging hij ervandoor en liet zijn kleed hier bij mij achter.’ 19 ¶  Toen Jozefs meester haar hoorde vertellen dat ze zo door zijn slaaf was behandeld, werd hij woedend. 20  Hij liet Jozef oppakken en in de gevangenis zetten die bestemd was voor de gevangenen van de koning.  Zo kwam Jozef in de gevangenis terecht. 21  Maar de HEER stond hem ter zijde en bewees hem zijn goedheid door ervoor te zorgen dat Jozef bij de gevangenbewaarder in de gunst kwam. 22  Jozef kreeg de leiding over alle gevangenen en hij hield toezicht op het werk dat ze deden. 23  De gevangenbewaarder had geen omkijken naar wat aan Jozef was toevertrouwd, omdat de HEER hem ter zijde stond en alles wat Jozef ter hand nam voorspoedig liet verlopen. (NBV)

Veel mannen zijn eigenlijk bang voor vrouwen. Ze zijn opgevoed door hun moeder en die zag altijd dat ze kattekwaad hadden uitgehaald ook zonder dat daar aanleiding voor was. Vrouwen zitten ook nog net iets anders in elkaar dan mannen. Dat betekent dat mannen verhalen nodig hebben om vrouwen naar beneden te halen, beneden zichzelf te stellen. In onze dagen staat het nieuws er vol van. In de Bijbel wordt er vaak anders over vrouwen verteld, maar zo willen we die Bijbelverhalen niet lezen. Het verhaal dat we vandaag lezen is daar een mooi voorbeeld van. We kennen haar als de vrouw van Potifar die onterecht de mooie Jozef beschuldigd van overspel. Zo lezen we het verhaal, maar staat dat er eigenlijk wel? Het begint nog eens te vertellen over de Ismaëlieten die Jozef hadden gekocht en mee genomen hadden naar Egypte. Waarom die Ismaëlieten zo nadrukkelijk vermeld staan? We weten het niet, maar ook zij stammen af van Abraham, de vader van vele volken. En nadat we hebben gelezen over Onan en Tamar en Juda is het de vraag of het hier ook niet gaat om het nageslacht van Abraham. Jozef wordt verkocht aan Potifar, een hoveling, de vorst van de zwaarddragers vertaalt de Naardense Bijbel.

Dat hoveling klinkt netjes, maar het kan ook vertaald worden met eunuch en voor een zwaarddrager in dienst van de Farao is dat helemaal niet zo vreemd. Maar dan zou Potifar helemaal geen nageslacht kunnen verwekken en is het ook niet zo vreemd dat hij de knappe Jozef uitkiest om daarvoor te zorgen. Die Jozef bereikt weer in één keer de top. Maar dat is dus niet de bedoeling. Hij moest immers leren de ladder vanaf de onderste trede te beklimmen, daar ging het verhaal over. Maar Potifar had hem alles gegeven behalve zijn brood staat er eigenlijk in het Hebreeuws. De Nieuwe Bijbelvertaling die wij hier volgen verteld dat Potifar zich alleen nog bekommerde om zijn eten. Maar dat brood wordt niet voor niets genoemd. Ons dagelijks brood moet ons immers genoeg zijn. Potifar hoeft dus kennelijk niet meer te streven naar rijkdom of aanzien, Jozef zorgt overal voor, de Heer is met hem. Alleen nog dat nageslacht. Daar komt de vrouw van Potifar in het verhaal. Zij blijft naamloos. Jozef gaat er van uit dat Potifar haar niet aan hem heeft gegeven. Wie nauwkeurig het verhaal leest zal zich daarover verbazen, want Potifar vertrouwde hem alles toe behalve zijn brood. Zijn vrouw dus ook en juist om nageslacht te verwekken.

Dat de vrouw van Potifar zo’n slechte naam heeft gekregen ligt misschien ook aan het feit dat we het met vertalingen moeten doen en niet de grondtekst kunnen lezen. Als we namelijk wel de grondtekst zouden hebben kunnen lezen dan was het ongetwijfeld opgevallen dat de vrouw van Potifar tegen de huisslaven iets anders vertelde dan tegen haar man. In beide gevallen gebruikt ze het woord dat hier is vertaald met “vermaken” , maar dat ook “gemeenschap hebben” kan betekenen. Op een andere plaats in de Bijbel wordt dat ook daarvoor gebruikt. Dat zou ook verklaren waarom Jozef eigenlijk niet direct ter dood is gebracht. Nu gaat hij de gevangenis in maar omdat hij al slaaf was, van het hoofd van de paleiswacht nog wel, kun je ook lezen dat hij eigenlijk alleen een ander baantje kreeg, toezicht op het werk dat de gevangenen van de Farao moesten doen. Maar het is het dieptepunt dat Jozef kennelijk moest bereiken. Eindelijk was hij de jas kwijt die hem tot baas had gemaakt. De laatste jas was hem afgenomen door de vrouw van Potifar, zoals de eerste jas hem was afgenomen door zijn broers. Nu was hij alleen nog maar knecht.