Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor juli, 2016

Selofchads dochters hebben gelijk

donderdag, 21 juli, 2016

Numeri 27:1-11

1-2 De dochters van Selofchad, die tot een geslacht behoorden dat van Jozefs zoon Manasse afstamde-Selofchad was een zoon van Chefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse-kwamen naar de ingang van de ontmoetingstent en wendden zich tot Mozes, de priester Eleazar, de leiders en het hele volk. Deze vrouwen, Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirsa genaamd, legden hun het volgende voor: 3  ‘Onze vader is in de woestijn gestorven. Hij behoorde niet tot de aanhangers van Korach, die tegen de HEER in opstand kwamen, maar is om zijn eigen zonden gestorven. Hij had geen zonen. 4  Moet de naam van onze vader nu uit de familie verdwijnen omdat hij geen zoon heeft nagelaten? Wijst u ons, net als de broers van onze vader, een stuk grond toe.’ 5  Mozes legde hun zaak aan de HEER voor, 6  en de HEER zei tegen Mozes: 7  ‘Selofchads dochters hebben gelijk. Je moet hun inderdaad een stuk grond in bezit geven, net als de broers van hun vader. Wat hun vader toekwam moet op hen overgaan. 8  En zeg tegen de Israëlieten: “Wanneer iemand sterft zonder een zoon na te laten, moet zijn bezit overgaan op zijn dochter. 9  Heeft hij geen dochter, dan moet zijn bezit aan zijn broers gegeven worden. 10  Heeft hij geen broers, dan moet zijn bezit aan de broers van zijn vader gegeven worden. 11  Heeft zijn vader geen broers, dan moet zijn bezit aan zijn naaste bloedverwant gegeven worden; dat is dan zijn erfgenaam. Dit is een wettelijke bepaling voor alle Israëlieten, door de HEER aan Mozes gegeven.”’ (NBV)

Alle strijdbare mannen boven de twintig waren geteld. Familie voor familie, stam voor stam. Het wordt langzaam duidelijk dat hier ook een verdeling van het beloofde land uit kan voortkomen. Hoeveel land er voor iedere familie nodig is tekent zich af. Maar er blijft ook een vraag: wat is de positie van vrouwen? De leer van Mozes had het over de bescherming van de weduwe en de wees gehad. Hoe zou het systeem dat werd gehanteerd voor de verdeling uitvallen voor de weduwe en de wees. Je zou bijna zeggen: uiteraard komt dit aan de orde. Maar dan kloppen we ons op de verkeerde manier op de borst. Het is in onze rechtspraak nog niet zo heel lang geleden dat vrouwen  echt werden uitgesloten van erfrecht, dat een vrouw nooit zelfstandig een vermogen mocht hebben, dat vrouwen altijd aan mannen waren toegewezen. Zelfs het feit dat we Koninginnen als staatshoofden hadden deed daar niet toe of af. De rechten van vrouwen moesten ook in onze samenleving door strijd en opstand worden veroverd.

Ook in de dagen van Mozes moesten vrouwen zelf aan de bel trekken als het om hun plaats in de samenleving gaat. Vijf zusters gaan samen naar Mozes en Eleazar. Bij de Tent der Ontmoeting waar die fraaie woorden over de weduwe en de wees werden bewaard spraken zij de leiding van het volk aan op hun positie. Hun vader behoorde tot de eerste generatie die uit Egypte was gevlucht. Hij had niet deelgenomen aan enige opstand maar was wel in de woestijn gestorven, zoals alle leden van zijn generatie. Maar hij heeft geen zonen, alleen broers. Ze doen een beroep op het belang van de familienaam. Die zou als eerste verdwijnen van alle families die uit Egypte waren bevrijdt. Het kon toch niet de bedoeling zijn dat aan de belofte van de God van Israël zijn volk te beschermen en tot een groot volk te maken af zou worden gedaan. Mozes moest weer naar God om te vragen hoe in deze zaak te handelen. Wat was de positie van de vrouw in de nieuwe samenleving die God had aangewezen? Waren zij volstrekt en bij uitsluiting aangewezen op mannen?

Het antwoord is duidelijk. Vrouwen hebben erfrecht net als mannen. Als er geen zonen zijn die de bescherming van hun zusters op zich kunnen nemen dan staan die zusters op zichzelf en erven het bezit van hun vader. Als er ook geen dochters zijn dan erven zijn broers. Maar heeft die vader geen broers dan erft zijn naaste bloedverwant. Als die vader dus zusters had dan erven die zusters dus het erfdeel van de familie. De weduwe en de wees worden hier dus heel duidelijk beschermt. Voor de weduwe waren de bepalingen dat er binnen de familie hertrouwt zou moeten worden. Voor de wees geld dat de toekomst verzekerd is doordat er een absoluut erfrecht is. Eerst voor de zonen en dan voor de dochters, eerst voor de neven en dan voor de nichten. Het zijn de mannen die tot het leger van Israël worden gerekend. Zij zijn belast met de bescherming van vrouwen en kinderen. Zij spreken recht in de poorten van de steden. In het verhaal is het nog lang niet zo ver. Maar voordat het beloofde land binnen wordt getrokken zijn ook de rechten van vrouwen verzekerd. Daar mag ook in onze dagen nog wel eens aan worden teruggedacht. Waarom vrouwen die hetzelfde werk doen minder verdienen dan mannen blijft niet te verdedigen en lijkt in strijd met de Bijbelse richtlijnen.

Onder het oog van de goden

woensdag, 20 juli, 2016

Psalm 138

1 ¶  Van David. Ik wil u loven met heel mijn hart, voor u zingen onder het oog van de goden, 2  mij buigen naar uw heilige tempel, uw naam loven om uw liefde en trouw: grote dingen hebt u beloofd, tot eer van uw naam. 3  Toen ik u aanriep, hebt u geantwoord, mij bemoedigd en gesterkt. 4  Laten alle koningen op aarde u loven, HEER,  zij hebben de beloften uit uw mond gehoord. 5  Laten zij de wegen van de HEER bezingen:  ‘Groot is de majesteit van de HEER. 6 ¶  De HEER is hoogverheven! Naar de nederige ziet hij om, de hoogmoedige doorziet hij van verre.’ 7  Al is mijn weg vol gevaren, u houdt mij in leven, u verdedigt mij tegen de woede van mijn vijanden, uw rechterhand brengt mij redding. 8  De HEER zal mij altijd beschermen. HEER, uw trouw duurt eeuwig, laat het werk van uw handen niet los. (NBV)

De Psalmen zijn niet allemaal geschreven door Koning David. Dat is aan sommige Psalmen ook duidelijk te merken, ook al staat David in het opschrift. Geleerden nemen aan dat het boek van de Psalmen is samengesteld uit een aantal verzamelingen liederen die in het volk Israël in gebruik waren. Ook ons nieuwe Liedboek voor zingen en bidden in huis en kerk is op die manier tot stand gekomen. De Psalm die we vandaag met de Kerk meezingen stond dus in elk geval in de bundel die David heette. Als we ons eenzijdig op de verhalen uit de Bijbel over Koning David zouden baseren bij de uitleg van deze Psalm dan komen we wellicht op een verkeerd spoor. Het eerste vers gaat over het loven van God, met heel het hart, zingend loven. Wij denken dan toch aan onze kerkzang, prachtige taal, mooie muziek waar je stil van kan worden, of vrolijk, of geroerd, of groots maar die gaat over God en jou en niemand of niets anders.

Maar de Psalm zingt niet zo maar over de lof die God toekomst. Dat zingen gebeurd onder het oog van de goden. Er staat eigenlijk niks zomaar in de Bijbel dus ook die goden onder wiens oog het lof zingen van de God van Israël plaatsvindt heeft een betekenis. We lopen in het dagelijks leven allerlei modes, idolen en gewoonten achterna. Dat is van alle tijden. Maar het is geen natuurwet. Er is een mode die niet zomaar door iedereen gevolgd wordt en dat is het buigen naar de Heilige Tempel van de God van Israël. Die Tempel kennen we niet meer maar daarin werden de richtlijnen bewaard voor een menselijke samenleving. Eén van die richtlijnen, een heel belangrijke was dat je geen andere goden mocht nalopen. Dat laat je dus horen als je de lof zingt van de God van Israël. De dichter looft met name de naam van die God. Die spreken we nooit uit maar wordt vaak vertaald als “ik ben die ik zijn zal”. Nu kent het Hebreeuws geen werkwoord voor zijn in de zin van was is is. Nee het zijn is in Israël verbonden met wat er gebeurd, er zijn zoals dat nodig is ligt dichter bij de betekenis van de Naam van God.

Het is ook een God voor hen die een God het meest nodig hebben. De nederigen in bescherming tegen de hoogmoedigen. Die God laat niet varen het werk dat zijn hand begon. Als je tegenslag overkomt, als je vijanden hebt dan mag je daar op vertrouwen. Het kwaad heeft nooit het laatste woord. Het verdwijnt niet als je op deze God gaat vertrouwen, maar het wordt voor mensen draagbaar als het uitzicht is dat de God van Israël je er van zal bevrijden. Altijd, overal, eeuwig noemen we dat. De machtigen op deze aarde worden daarom opgeroepen zich aan die richtlijnen van de God van Israël te gaan houden. Ze vallen immers onder zijn heerschappij. Wie een brief schrijft voor Amnesty International ter bestrijding van onrecht en ondersteuning van de slachtoffers van onrecht die schrijft namens de God van Israël. Hoe meer schrijvers hoe groter de invloed. Dat is pas lof zingen onder de ogen van de goden. Het mag elke dag opnieuw.

Alle weerbare mannen

dinsdag, 19 juli, 2016

Numeri 25:19-26:11

19 Na de plaag zei de HEER tegen Mozes en Eleazar, de zoon van de priester Aäron: 2  ‘Houd onder heel Israël een telling van alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder. Tel hen per familie.’ 3-4 Mozes en de priester Eleazar riepen alle mannen van twintig jaar en ouder bijeen, in de vlakte van Moab, aan de Jordaan, ter hoogte van Jericho, zoals de HEER Mozes had opgedragen. Dit waren de nakomelingen van de Israëlieten die weggetrokken waren uit Egypte: 5   De stam Ruben, Israëls eerstgeborene. afstammelingen van Ruben: van Chanoch stamde het geslacht van de Chanochieten af, van Pallu het geslacht van de Palluïeten, 6  van Chesron het geslacht van de Chesronieten, van Karmi het geslacht van de Karmieten. 7  Dit waren de geslachten van de Rubenieten; het aantal ingeschrevenen bedroeg 43.730. 8  Pallu had een zoon, Eliab, 9  en de zonen van Eliab waren Nemuël, Datan en Abiram. Deze Datan en Abiram, zeer aanzienlijke Israëlieten, waren het die zich met de aanhang van Korach tegen Mozes en Aäron verzet hadden en in opstand waren gekomen tegen de HEER. 10  De aarde had haar mond geopend en hen met Korach opgeslokt, terwijl zijn tweehonderdvijftig aanhangers de dood vonden door een verterend vuur. Zo waren zij een afschrikwekkend voorbeeld geworden.11  Korachs zonen waren echter niet omgekomen. (NBV)

Na de straf voor het omgaan met de Tempelprostituees van Baäl Peor rijst de vraag hoe nu verder. Bileam had het volk wel voorgehouden dat ze gezegend waren. De Koningen van Kanaän waren overtuigd van het feit dat verzet tegen Israël uiteindelijk geen zin zou hebben maar wat was er van het volk overgebleven. Het gaat hierbij om de tweede generatie. Behalve Mozes, Jozua en Kaleb was iedereen die uit Egypte was gekomen gestorven. Hun kinderen die in de woestijn waren geboren waren overgebleven. Met het leger dat met die generatie gevormd kan worden moet het land veroverd worden. Na de ontsnapping uit Egypte en het eerste deel van de reis was het volk geteld. Ze hadden de maaltijd herhaald die ze gegeten hadden bij het vertrek uit Egypte, het geroosterde lam en het ongezuurde brood. Rond de God van die bevrijding hadden ze zich geschaard. Nu komt er een nieuwe start. Het verhaal uit het boek dat wij Numeri noemen begint met een telling van het volk en nu het volk op de drempel van het beloofde land staat wordt ook de tweede generatie geteld.

De telling gaat stam voor stam en familie voor familie. Het begint bij de stam Ruben. Ruben was de oudste zoon van Jacob geweest. Hij zou daarom eigenlijk de belangrijkste moeten worden. Maar van begin af was het verhaal van Ruben een verhaal van afstand van dat belangrijkste. Hij was het die Jozef had verkocht aan de Midjanieten. Uit zijn nageslacht waren Datan en Abiram voortgekomen die de macht van Mozes en Aäron ter discussie hadden gesteld. Zij waren door de aarde verzwolgen samen met Korach. Maar ook met hun familie waardoor hun geschiedenis ook naar de toekomst was afgesloten. Ruben was daardoor kleiner geworden en dus ook nog weer minder belangrijk. Dat was niet het geval met Korach. Die was weliswaar gestorven en gestrafd omdat hij met tweehonderd vijftig medestanders de plaats van Aäron had willen innemen maar zijn zonen waren ongestrafd gebleven. Hij was dus niet met zijn familie gestrafd. Zijn geschiedenis was naar de toekomst niet afgelopen.

Die toekomst van Korach kennen we gedeeltelijk uit de Bijbel. Wie het boek van de Psalmen nauwkeurig leest komt een aantal Psalmen tegen die niet aan David worden toegeschreven maar aan anderen. Tot die anderen behoort ook Korach, of de Korachieten. Die Korachieten worden in de Bijbel ook beschreven. Zij zijn poortwachters bij het Heiligdom, zij vormen de koren die bij de Tempel de Psalmen ten gehore brengen, soms zelf als koor soms in wisselzang met het volk. Ze vormen daarmee de schakel tussen het volk en het Heiligdom. Het volk mocht immers het Heiligdom niet binnen gaan. Af en toe kwam er een Priester naar buiten om een zegen over het volk uit te spreken maar  verder was de toegang beperkt tot de voorhof waar de reinigingsbaden konden plaatsvinden in een groot koperen bekken, de koperen zee genoemd, en waar de offers werden gebracht. Die nieuwe start die het volk als nieuwe generatie kan brengen, de toekomst die ook voor de kinderen van hele foute mensen kan zijn weggelegd is ook voor ons belangrijk. Hoezeer wij ook vergeten zijn van onze naaste te houden als voor onszelf we mogen er ieder ogenblik weer opnieuw mee beginnen. Ook vandaag weer.

Deze vrouwen nodigden hen uit

maandag, 18 juli, 2016

Numeri 25:1-18

1 ¶  Toen de Israëlieten in Sittim verbleven, begonnen ze zich in te laten met Moabitische vrouwen. 2  Deze vrouwen nodigden hen uit voor de offerplechtigheden ter ere van hun goden, en het volk at van de offers en boog zich voor die goden neer. 3  Zo gaf Israël zich af met de Baäl van de Peor. Daarom ontstak de HEER in woede tegen Israël. 4  ‘Laat alle familiehoofden van het volk in het openbaar terechtstellen en ophangen, ten overstaan van de HEER, ‘zei hij tegen Mozes. ‘Dan zal de HEER zijn brandende toorn tegen Israël laten varen.’ 5  Hierop droeg Mozes de rechters van Israël op om allen die onder hun bevoegdheid vielen en zich hadden afgegeven met de Baäl van de Peor te doden. 6 ¶  Terwijl Mozes en heel Israël bij de ingang van de ontmoetingstent aan het weeklagen waren, bracht een van de Israëlitische mannen voor hun ogen toch nog een Midjanitische vrouw naar zijn tent. 7  Toen Pinechas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, dat zag, stond hij op, greep een speer, 8  volgde de Israëliet tot in zijn slaapvertrek en doorstak hem en de vrouw, dwars door hun onderbuik. Op hetzelfde moment werden de Israëlieten van de plaag verlost. 9  Aan vierentwintigduizend mensen had de plaag het leven gekost. 10  De HEER zei tegen Mozes: 11  ‘Dankzij Pinechas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heb ik mijn woede tegen de Israëlieten laten varen. Omdat hij bij de Israëlieten voor mij is opgekomen, heb ik hen niet allemaal in mijn afgunst om het leven gebracht. 12  Maak daarom bekend dat ik een vriendschapsverbond met hem sluit: 13  ik beloof dat hij en zijn nakomelingen voor altijd het priesterschap zullen bekleden, omdat hij voor zijn God is opgekomen en verzoening voor de Israëlieten bewerkt heeft.’ 14  De Israëliet die samen met de Midjanitische vrouw gedood was, heette Zimri. Hij was een zoon van Salu, die aan het hoofd van een Simeonitische familie stond. 15  De Midjanitische vrouw die gedood was, heette Kozbi. Zij was een dochter van Sur, een Midjanitisch stamhoofd. 16 ¶  De HEER zei tegen Mozes: 17  ‘Behandel de Midjanieten als jullie vijanden en dood hen, 18  want zij hebben jullie als hun vijanden behandeld door sluwe plannen tegen jullie te smeden; dat is gebleken uit de gebeurtenissen bij de Peor en ook uit wat er is voorgevallen met Kozbi, de dochter van een Midjanitische leider, iemand van hun eigen volk, die gedood werd tijdens de plaag die op de gebeurtenissen bij de Peor volgde.’(NBV)

De vertalers van de Nieuwe Bijbelvertaling zijn over het algemeen keurige mannen geweest. Ze gebruiken geen ruwe taal om aan te geven wat er in de Hebreeuwse grondtekst staat. Als daar ongepaste taal wordt gebruikt herstellen ze dat op een keurige manier. Dat daarbij de betekenis van een verhaal en de boodschap van God verloren kunnen gaan hebben ze zich kennelijk niet bedacht. Als je je keurig gedraagt zal God zich welwillend betonen. Maar zo is het niet. In het Hebreeuws staat niet dat Israëlieten zich inlieten met Moabitische vrouwen maar dat ze hoereerden. En wat voor vrouwen dat waren staat er achter. Ze nodigden hen uit deel te nemen aan de offerfeesten ter ere van hun goden. Die feesten zijn wel bekend. Het volk Israël viel er steeds weer voor. Het waren vruchtbaarheidsfeesten. Overvloedig eten en drinken ging gepaard met ongeremde sexualiteit.  Dat was pas buigen voor hun goden. Het omgaan met Moabitische vrouwen zou daarom streng worden verboden.

Toch zou het meest succesvolle Koningschap teruggevoerd kunnen worden op een afstamming uit Moab, van een Moabitisch meisje. In het boek Ruth wordt haar Moabitische afkomst sterk benadrukt. Het sleutelwoord is echter de belijdenis van Ruth dat de God van Israël ook haar God is. De afstamming van David is vervolgens het gevolg van het naleven van de regels uit de Tora over de zorg voor weduwen en wees, ze trouwde met een lid van de familie die haar te hulp was gekomen. In het verhaal dat we vandaag lezen gaat het anders toe. Alle familiehoofden worden verantwoordelijk gesteld voor de uitspattingen en ontsporingen van het volk. Zij moeten gestraft worden. En Mozes geeft de rechters die hij op advies van zijn schoonvader had aangesteld de opdracht voor die bestraffing te zorgen. Dat was een pijnlijke zaak. Maar hielp het? Nog terwijl het volk bij de Tent van de Ontmoeting haar verdriet stond te uiten kwam er een Israëliet die een bijvrouw nam uit Midjan. Hij werd gedood terwijl hij met haar het bed deelde.

De man en de vrouw werden gedood door Picheas de zoon van Eleazar de opvolger van Aäron. Het is eigenlijk een beetje raar dat die Pincheas en zijn nakomelingen hier zo uitdrukkelijk als Priesters worden genoemd. Nu mochten Priesters geen doden aanraken, ze mochten zelfs niet aan de strijd deelnemen. In de loop van de geschiedenis zou het volk steeds twijfelen aan de rechtmatigheid van het Priesterschap van de nakomelingen van Pincheas. Ten onrechte zegt dit verhaal. Nee die Zimri, daar moeten ze op letten. De naam Zimri staat in de Bijbel vaker voor mensen die het kwade vertegenwoordigen. Ze staan op tegen David, worden bespot en plegen  verraad aan de vijanden van Israël. Wij mogen leren dat het volgen van vruchtbaarheidsgoden, de goden van winst en profijt, van macht over allen, alleen maar tot ellende leidt. Alleen liefde en trouw en dus gelijkheid tussen man en vrouw geven de mogelijkheid om van de samenleving een leefbare samenleving te maken. Dat kan ook ons elke dag weer tot zegen strekken.

Zo spreekt Bileam

zondag, 17 juli, 2016

Numeri 24:14-25

14  Goed, ik ga terug naar mijn eigen land. Maar eerst zal ik u laten weten wat dit volk uw volk in de toekomst zal aandoen.’ 15 ¶  Daarop hief hij deze orakelspreuk aan: ‘Zo spreekt Bileam, de zoon van Beor, zo spreekt de man wiens oog geopend is, 16  zo spreekt hij die Gods woorden hoort, die weet wat de Allerhoogste weet en ziet wat de Ontzagwekkende toont, in vervoering, met ontsloten ogen: 17  Wat ik zie is niet in het heden, wat ik waarneem is niet nabij. Een ster komt op uit Jakob, een scepter uit Israël. Hij verbrijzelt Moab de slapen, de kinderen van Set slaat hij neer. 18  Het land van zijn vijand verovert hij, het land van Edom en Seïr. Israël wordt machtig en sterk, 19  uit Jakob staat een heerser op. Wie ontkomt uit de stad brengt hij om.’20  Toen zag Bileam Amalek en hief hij deze orakelspreuk aan: ‘Amalek, vooraanstaand onder de volken, zal ten slotte volledig te gronde gaan.’ 21  Toen zag hij de Kenieten en hief hij deze orakelspreuk aan: ‘Vast staat uw woning, Kaïn, op een rots is uw nest gebouwd. 22  Toch zult u worden weggevaagd, weldra voert Assur u weg.’23  Ook hief hij deze orakelspreuk aan: ‘Wee! Wie blijft in leven als God dit alles uitvoert? 24  Van de kust der Kittiërs komen schepen. Assur en Eber onderdrukken zij, maar ooit gaan ook zij te gronde.’25  Hierna keerde Bileam naar zijn woonplaats terug, en ook Balak ging naar huis. (NBV)

Koning Balak van Edom had de ziener Bileam gevraagd naar zijn land te komen om het volk Israël dat vanuit de woestijn doorgang door zijn land had gevraagd op weg naar Kanaän te vervloeken. Drie maal had Bileam op last van de God van Israël het woestijnvolk gezegend. En drie maal was genoegd. Balak had alle beloften op grote beloningen voor Bileam ingetrokken en hem teruggestuurd naar zijn eigen land. Bileam legt zich in het gedeelte dat we vandaag lezen daar bij neer. Maar Balak is niet zo maar van Bileam af. Hij heeft iets over zichzelf afgeroepen waar hij nog spijt van zal krijgen. Wie vraagt naar de toekomst krijgt in de Bijbel te horen waar het eigen handelen op zal uitlopen. Hier spreekt dus Bileam die nog blind was en minder zag als zijn ezel maar die nu inzicht heeft verworven. Hij beroept zich op de God van Israël. De manier waarop zet ons voor problemen door de merkwaardige vertaling die hier gekozen is voor de namen van God.

God wordt in de Hebreeuwse Bijbel met vele namen genoemd. Het enkelvoud El, het meervoud Elohiem en het vierletterwoord dat aan Mozes werd bekend gemaakt maar nooit wordt uitgesproken en vervangen wordt door HEER zijn de meeste mensen wel bekend. Maar hier worden nog een paar andere namen gebruikt die bij vertaling een politieke keuze van de vertalers laten zien. In de wereld van Balak en Bileam zijn er veel goden. Bileam begint nu met te zeggen dat de God van Israël de belangrijkste, de hoogste, van al die goden is. Naast al die goden zijn er ook nog allerlei machten en krachten, zichtbare en onzichtbare en Bileam spreekt vervolgens uit dat die God van Israël de baas is over al die machten en krachten. Die erkenning heeft hem het inzicht gegeven in het verdere verloop van de geschiedenis met dit volk van gevluchte slaven uit de woestijn.

Alle volken die niet willen delen met Israël zullen ten onder gaan. Al die Heidense volken doen hetzelfde en zullen hetzelfde lot ondergaan. Israël zal ze allemaal de baas worden. Die koning Balak mag dan denken dat hij machtig is, de koningen van al die andere volken mogen dan denken dat ze machtig zijn volgens Balak komt er uit Israël een koning die ze allemaal de baas zal zijn. Dat komt omdat het volk Israël haar God aan haar zijde heeft. Je kunt dus maar beter vrienden worden met die God in plaats van die God te verleiden vriend met jou te worden, dat zal niet lukken. Die hoogste God, de baas van al jouw goden heeft nu eenmaal Israël uitgekozen om te laten zien hoe machtig die God kan zijn als hij wordt gevolgd. En daarmee is het verhaal voor Israël en ook voor ons belangrijk geworden. Het is een waarschuwing om niet te gaan denken dat de goden van vruchtbaarheid, onze goden van winst en profijt, belangrijker zijn en meer gehoorzaamd moeten worden dan de God die eenvoudige leefregels heeft gegeven. Die leefregels van heb uw naaste lief als uzelf en heb God lief boven alles gaan alle machten en krachten te boven, ook nu nog, elke dag.

 

Hoe mooi zijn uw tenten

zaterdag, 16 juli, 2016

Numeri 23:27–24:13

27  Daarop zei Balak: ‘Kom met mij mee, ik zal u ergens anders naartoe brengen. Misschien dat het in Gods ogen goed is als u vanaf daar voor mij een vloek over hen uitspreekt.’ 28  En hij nam hem mee naar de top van de Peor; van daar kijkt men uit over de Jesimon. 29  Bileam droeg Balak op om er zeven altaren te bouwen en zeven stieren en zeven rammen gereed te maken voor een offer. 30  Balak deed wat Bileam had gezegd. Op elk altaar offerde hij een stier en een ram. 1 ¶  Bileam begreep dat het in de ogen van de HEER goed was als hij Israël zou zegenen. Daarom ging hij niet, zoals de keren daarvoor, op zoek naar voortekens, maar keerde hij zijn gezicht naar de woestijn. 2  Toen hij zijn blik liet rondgaan en Israël daar gelegerd zag, stam bij stam, werd hij door de geest van God gegrepen 3  en hief hij deze orakelspreuk aan:  ‘Zo spreekt Bileam, de zoon van Beor, zo spreekt de man wiens oog geopend is, 4  zo spreekt hij die Gods woorden hoort  en ziet wat de Ontzagwekkende toont, in vervoering, met ontsloten ogen: 5  Hoe mooi zijn uw tenten, Jakob, hoe mooi uw woningen, Israël, 6  als palmbomen, overal verspreid,  als tuinen langs een rivier,  als aloë’s door de HEER geplant, als ceders langs het water. 7  Israëls emmers lopen over, zijn zaad krijgt water in overvloed. Zijn koning wordt groter dan Agag, zeer machtig zijn koningschap. 8  God, die hem uit Egypte leidde, is voor hem als de horens van een wilde stier.  Vijandige volken verslindt hij, hun botten verbrijzelt hij, hij valt aan en vermorzelt hen. 9  Hij gaat liggen als een leeuw, majesteitelijk vlijt hij zich neer-wie zou hem durven wekken? Gezegend wie u zegent, vervloekt wie u vervloekt!’ 10 ¶  Toen werd Balak woedend op Bileam. Hij balde zijn vuisten en zei: ‘Ik heb u laten roepen om een vloek over mijn vijanden uit te spreken, maar u hebt hen nu al drie keer gezegend. 11  Verdwijn, ga terug naar waar u vandaan komt. Ik had beloofd dat ik u rijk zou belonen, maar u loopt die beloning mis-door toedoen van de HEER.’ 12  Bileam antwoordde: ‘Ik heb al tegen uw gezanten gezegd: 13  “Ook al gaf Balak me al het zilver en goud uit zijn paleis, dan nog zou ik niets kunnen doen dat ook maar enigszins ingaat tegen het bevel van de HEER. Uit mezelf kan ik niets ondernemen; alleen wat de HEER zegt, zal ik zeggen.” (NBV)

Drie maal is scheepsrecht zeggen wij in onze taal. Maar dat je iets drie maal moet proberen voor het gewicht krijgt is kennelijk ook in de cultuur van Balak van groot belang. Nog één keer neemt hij Bileam mee om Israël te vervloeken. De plaats die nu wordt uitgekozen is niet zo maar een plaats. Peor wordt op verschillende plaatsen in de Bijbel genoemd als een belangrijke offerplaats voor Baäl, de oppergod in Kanaän. Hier komen de God van Israël en de God van Kanaän dus tegenover elkaar te staan. Zal de God van Israël, onder de indruk van de offers die hem worden gebracht en de heiligheid van de plaats zich nu scharen achter koning Balak in zijn streven de Israëlieten buiten de deur te houden? Voor de derde keer worden zeven altaren gebouwd met zeven keer brandoffers van stieren en rammen. Onder de indruk van de heiligheid van deze offerplaats geeft nu Bileam de opdracht deze offers te brengen.

Vanaf Peor kan Bileam de woestijn overzien, daar is het volk Israël gelegerd. Stam bij stam. Uit het boek Numeri weten we ook dat er een zeer secure wijze van legering was. Elke stam had haar vaste plaats om een aanval op het Heiligdom waar het verbond met God werd bewaard te bewaken. Direct om het Heiligdom waren de Levieten gelegerd die ook belast waren met de verhuizing. Was dit de ordeloze troep woestijnzwervers waarvoor dit volk gehouden werd? Een zootje slaven die uit Egypte was ontsnapt en die nu een roversbende vormde? Bileam de ziener, ziet nu voor zijn ogen de werkelijkheid van Israël, een volk dat hoge normen heeft, dat de orde ontleent aan de zorg voor elkaar zoals die ook uitkomt in de wijze van legering. Dit volk laat zich leiden door een God die te vertrouwen is. Dit volk heeft een geschiedenis met die God en is door die God in bescherming genomen.

Dat inzicht noemt de Bijbel de Geest van God. Zo over medemensen gaan denken als God het ons voor doet. Bileam hoeft zich niet af te zonderen om te luisteren naar de stem van de God van Israël. Hij ziet het voor zich zoals de leerlingen van Johannes het werk van Jezus van Nazareth te zien kregen. Lammen konden lopen en blinden konden zien. Het verhaal van Bileam begint met de ziener die niet ziet, die kan zien dat het vervloeken van het volk een absolute onmogelijkheid is. Hij moet daarvoor leren luisteren naar de God van Israël zelf. Voor hem duldt die God geen tegenspraak en kan hij dus niet iets anders zeggen dan die God hem ingeeft. Nu, aan het einde van het verhaal ziet Bileam het volk van God, daarmee het werk van God, in al zijn glorie. Daar kan zelfs al het goud en zilver van Balak niet tegenop. Dit volk zal vruchtbaar zijn, dit volk zal alles krijgen wat het nodig heeft. Balak geeft het op, Bileam blijft het volk zegenen, daarvoor is geen beloning. Bileam wist dat al vanaf het begin en had het ook gezegd. Balak blijft bij de keus voor geweld, voor uiterlijk vertoon ook. Delen is er niet bij en ook hem ontgaat net als velen in onze dagen de boodschap van God dat pas wie weet te delen wint en rijker wordt.

God is geen mens

vrijdag, 15 juli, 2016

Numeri 23:13-26

13 ¶  ‘Komt u mee naar een andere plek vanwaar u hen kunt zien, ‘zei Balak, ‘niet het hele volk, maar wel een deel ervan. Spreek vanaf daar voor mij een vloek over hen uit.’ 14  En hij nam hem mee naar de top van de Pisga, in de Sofimvlakte, bouwde zeven altaren en offerde op elk ervan een stier en een ram. 15  Bileam zei tegen Balak: ‘Blijft u hier bij uw brandoffers, ik zal daarginds wachten tot de HEER naar mij toe komt.’ 16  De HEER kwam bij Bileam, hij droeg hem op naar Balak terug te gaan en legde hem in de mond wat hij moest zeggen. 17  Toen Bileam terugkwam, stond Balak nog bij zijn brandoffers, samen met de Moabitische leiders. ‘Wat heeft de HEER gezegd?’ vroeg Balak. 18  Daarop hief Bileam deze orakelspreuk aan: ‘Let goed op, Balak, en luister, zoon van Sippor, leen mij uw oor. 19  God is geen mens, dat hij zijn woord zou breken of terug zou komen op zijn besluit. Zou hij beloven en niet vervullen, zijn woord geven en het niet gestand doen? 20  Hij droeg mij op te zegenen. Hij heeft gezegend-kan ik dat keren? 21  Voor Jakob laat zich geen onheil schouwen, voor Israël laat zich geen rampspoed zien. De HEER, hun God, is in hun midden, gejubel klinkt op rond hun koning. 22  God, die hen uit Egypte leidde, is voor hen als de horens van een wilde stier. 23  Voortekens lezen is Jakob vreemd, van waarzeggerij houdt Israël zich ver; God zelf spreekt tot Jakob, op zijn eigen tijd, God zelf zegt tegen Israël wat hij bewerken zal. (NBV)

Elke week wordt het aantal Russische soldaten dat zich volgens zeggen legert aan de grens van de Baltische staten groter. De noodzaak om er Westerse soldaten heen te sturen wordt dus daarmee ook steeds dringender. Ook Balak maakt het zicht op dat gevaarlijke volk Israël voor Bileam nog groter. De noodzaak om de God van Israël aan de kant van Balak te krijgen wordt dus ook steeds groter. Opnieuw worden er altaren opgericht, opnieuw worden er brandoffers gebracht, opnieuw de sterkste en meest vruchtbare dieren, daarmee moet de God toch gunstig te stemmen zijn. Niet alleen Balak staat er maar ook de andere Moabitische leiders. Maar heeft dat zin. Net zo goed is de vraag of al dat wapengekletter in de Baltische staten zin heeft. Balak en zijn Moabitische leiders hebben nog steeds de keus, vechten of delen. De vraag is of ook wij onze diplomatieke kanalen wel voldoende gebruiken om vrede te bewaren met de Russen.

Met nadruk zet Bileam iedereen op zijn plaats. Balak brengt zijn offers, dus Balak moet maar bij zijn offers blijven en zien of die offers ook wat uitwerken. Bileam zou met God moeten spreken. Dat kan dus alleen in afzondering. En dan nog moet Bileam, en dus Balak ook, maar afwachten of het die God behaagd naar hem toe te komen en met hem te praten. Nu kwam die God inderdaad en sprak met Bileam. Balak kon bijna niet wachten op de uitslag van het gesprek. Bileam moet eerst eens uitleggen wat die God van Israël eigenlijk voor een God is. Balak luister goed. De God van Israël is geen mens, mensen liegen, de God van Israël niet. Dat wat hij beloofd komt die God ook na, als die God zijn woord geeft dan kun je daar op vertrouwen. Een volk dat met zo’n God gaat kent geen onheil, kent geen rampspoed. In de loop van de geschiedenis zal Israël zich afwenden van die God en de ene ramp na de andere zal dat volk overkomen.

Maar zo lang dat volk het met die God wil wagen houdt die God zich aan zijn belofte te zorgen voor dat volk. Als je dat volk te na komt dan wacht je het lot van de horens van een wilde stier, als zo’n stier je op de horens neemt ben je je leven niet zeker. Toen het volk zich van God afkeerde ging het steeds meer vertrouwen op waarzeggers, ingewanden lezers, voorspellers op grond van de vlucht van de vogels. Wij weten uit allerlei onderzoek dat steeds minder mensen zich religieus vinden. Tegelijk zien we de kaartlezers, de sterrenwichelaars, de mediums toenemen. Steeds meer mensen pretenderen gaven te hebben om mensen te vertellen wat hun voorouders of gestorven geliefden vinden en wat hun toekomst zou zijn. Het verlaten van religie wordt gemotiveerd met het verlaten van het geloof in sprookjes. Bileam maakt duidelijk dat het geen sprookjes zijn waar het volk in geloofd, maar het volk vertrouwt op een God die hen beschermt. Dat het vertrouwen niet vergeefs is blijkt uit de bevrijding uit de slavernij. Misschien moeten ook wij wat vaker vertrouwen op een God die wil dat we niet doden, in plaats van machtigen en leugenaars achter aan te lopen.

“Ik ben er nu toch?”

donderdag, 14 juli, 2016

Numeri 22:36–23:12

36 ¶  Toen Balak hoorde dat Bileam eraan kwam, ging hij hem tegemoet tot aan de Moabitische stad die helemaal aan de rand van het stroomgebied van de Arnon ligt. 37  ‘Ik had u toch dringend ontboden?’ zei Balak tegen Bileam. ‘Waarom bent u niet eerder gekomen? Dacht u soms dat ik niet in staat zou zijn om u te belonen?’ 38  ‘Ik ben er nu toch?’ antwoordde Bileam hem. ‘Maar of ik iets zal kunnen zeggen? Alleen wat God mij in de mond legt kan ik zeggen.’ 39  Bileam ging met Balak mee naar Kirjat-Chusot. 40  Balak offerde runderen, geiten en schapen en liet stukken daarvan naar Bileam brengen en naar de gezanten die hem vergezelden. 41  De volgende morgen nam Balak Bileam mee naar Bamot-Baäl, een hooggelegen plaats, vanwaar hij een klein deel van de Israëlieten kon zien. 1 ¶  Bileam droeg Balak op om daar zeven altaren te bouwen, en zeven stieren en zeven rammen gereed te maken voor een offer. 2  Balak deed wat Bileam had gezegd. Samen met Bileam offerde hij op elk altaar een stier en een ram. 3  Daarna zei Bileam tegen Balak: ‘Blijft u hier bij uw brandoffers wachten, terwijl ik wat verderop ga. Misschien dat de HEER naar mij toe wil komen. Alles wat hij me laat zien zal ik u meedelen.’ Hij ging een kale heuvel op, 4  waar God bij hem kwam. ‘Ik heb zeven altaren laten oprichten, ‘zei Bileam, ‘en op elk altaar heb ik een stier en een ram laten offeren.’ 5  De HEER droeg Bileam op naar Balak terug te gaan en legde hem in de mond wat hij moest zeggen. 6  Toen Bileam terugkwam, stond Balak nog bij zijn brandoffers, samen met de Moabitische leiders. 7  Bileam hief een orakelspreuk aan en zei: ‘Balak liet mij uit Aram komen, uit het bergland in het oosten riep Moabs koning mij. “Kom Jakob voor mij vervloeken, kom Israël verwensen!” 8  Hoe kan ik vervloeken wie door God niet is vervloekt?  Hoe kan ik verwensen wie door de HEER niet is verwenst? 9  Ik zie hen vanaf de top van de rotsen, ik neem hen waar vanaf de heuvels, een volk dat afgezonderd leeft, zich niet verbindt met andere naties. 10  Wie kan Jakob tellen, wie telt Israël? Wie stelt de omvang van die stofwolk vast? Moge ik sterven als die rechtvaardigen, moge ik heengaan zoals zij.’ 11  Balak zei tegen Bileam: ‘Wat hebt u nu gedaan! Ik heb u hierheen laten halen om mijn vijanden te vervloeken, en nu zegent u ze.’ 12  Bileam antwoordde: ‘Ik zeg niets anders dan wat de HEER mij in de mond legt.’  (NBV)

Balak heeft haast. Het volk dat hij meent te moeten bestrijden komt steeds dichterbij. Hij reist Bileam daarom tegemoet. Bileam raakt daar niet van onder de indruk. Hij wil best woorden van macht spreken maar alleen die woorden die hem worden ingegeven door God. Balak moet dus iets verzinnen om de God van Israël aan zijn kant te krijgen zodat Bileam dat volk van Israël kan vervloeken. Hij heeft weet van offers die gebracht worden aan goden. Hij heeft gehoord van de perioden van zeven dagen die de God van Israël had ingesteld. Daarom bouwde hij zeven altaren, liet zeven stieren en zeven rammen slachten. Die dieren waren zeven tekenen van vruchtbaarheid. Dat wat er aan vruchtbaarheid was geschonken dat wilde Balak wel delen met die krachtige God. De vervloeking moest overigens wel een beetje stiekum gebeuren. Vanaf een hoge Berg kon Bileam nog  maar net een klein stukje van dat machtige volk zien.

Balak stak de offers aan en Bileam trok zich terug om naar de God van Israël te  luisteren. Was het vorige gedeelte van het verhaal over Bileam een verhaal over zien, het zien door de ezel en het zien van de Ziener, dit gedeelte van het verhaal gaat over horen. Over Balak die hoort dat Bileam toch komt en op zijn verzoek in gaat en over Bileam die niet anders wil horen dan het woord van de God van Israël. En hij hoort eigenlijk niets dat al niet bekend was. De God van Israël, die machtige en sterke God waar Balak zo bang voor was had Israël nu eenmaal uitgekozen. Om de God van Israël aan je kant te krijgen moet je dat volk juist niet vervloeken, je kunt een volk dat is uitgekozen door de God van Israël niet verwensen. En die angst voor Egypte? De angst mogelijk ook voor andere broedervolken als Edom waar ze niet mee wilden vechten? Ook daar heeft Bileam een antwoord op. Dit volk heeft zich alleen met de God van Israël verbonden, niet met andere volken. Maar niemand weet hoe ver de macht van de God van Israël reikt. Hoeveel strijdbare mannen staan die God ten dienste.

Die boodschap was niet de boodschap die Balak wilde horen. Het enige volk dat trouw bleef aan de God van Israël? Hij wilde dat die God aan zijn kant zou komen te staan dan kon hij dat volk verslaan. Daar had hij al die dure offers voor gebracht. De Bijbel maakt duidelijk dat de God van Israël geen offers wil maar gerechtigheid. Delen daar gaat het in de verhalen van de Bijbel om. Balak heeft een heel andere keuze. Hij had kunnen ingaan op het verzoek van het volk van Israël om doortocht door zijn land naar het land dat hen door hun God was beloofd. Hij had de stieren en de rammen kunnen gebruiken om dat volk gastvrij te ontvangen. Eigen volk eerst en eerst om jezelf denken en de ander voor het gemak maar vergeten roept alleen maar ellende over jezelf af. Als we niet allemaal gastvrij zijn voor de vluchtelingen die ons land binnenkomen dan ontdekken we pas te laat wie misbruik wil maken van onze gastvrijheid. Dan kunnen terroristen zich verstoppen in de afzondering en bureaucratische procedures die wij vluchtelingen opleggen. De Bijbel laat zien dat we een voorbeeld aan Bileam moeten nemen en naar de God van Israël moeten luisteren die ons heeft opgeroepen maaltijd te houden met de vreemdelingen in ons midden.

Ga maar met die mannen mee

woensdag, 13 juli, 2016

Numeri 22:15-35

15 ¶  Opnieuw stuurde Balak gezanten, meer dan de eerste keer en met groter aanzien. 16  Bij Bileam gekomen zeiden ze: ‘Dit zegt Balak, de zoon van Sippor: “Laat niets u ervan weerhouden naar mij toe te komen. 17  Ik zal u rijk belonen en ik zal alles doen wat u zegt. Kom toch en spreek een vloek over dat volk uit.”’ 18  Bileam antwoordde Balaks dienaren: ‘Ook al gaf Balak me al het zilver en goud uit zijn paleis, dan nog zou ik niets maar dan ook niets kunnen doen dat ingaat tegen het bevel van de HEER, mijn God. 19  Maar blijft ook u een nacht hier, dan kan ik horen wat de HEER mij ditmaal zal zeggen.’ 20  ‘s Nachts verscheen God aan Bileam en zei: ‘Als die mannen gekomen zijn om je te ontbieden, ga dan maar met hen mee. Maar je mag alleen doen wat ik je opdraag.’ 21  De volgende morgen maakte Bileam zich gereed, zadelde zijn ezelin en ging met de Moabitische leiders mee. 22 ¶  Maar nauwelijks was hij op weg, rijdend op zijn ezelin en vergezeld door twee van zijn dienaren, of God ontstak in woede, en een engel van de HEER ging op de weg staan om Bileam tegen te houden. 23  De ezelin zag de engel van de HEER op de weg staan, met een getrokken zwaard in de hand, en ze ging opzij, van de weg af het veld in. Bileam sloeg de ezelin om haar weer naar de weg te drijven. 24  Hierop ging de engel van de HEER op een smalle weg tussen de wijngaarden staan. Aan weerszijden was een muur. 25  Toen de ezelin de engel van de HEER zag, drukte ze zich tegen de muur, zodat Bileams voet bekneld raakte. Weer sloeg hij haar. 26  De engel van de HEER ging opnieuw een stuk verderop staan, in een nauwe doorgang, waar geen ruimte was om naar links of rechts uit te wijken. 27  Toen de ezelin de engel van de HEER zag ging ze liggen, met Bileam nog op haar rug. Bileam werd woedend en sloeg de ezelin met een stok. 28  Toen liet de HEER de ezelin spreken. Ze vroeg Bileam: ‘Wat heb ik u misdaan, dat u me nu al drie keer geslagen hebt?’ 29  ‘Je drijft de spot met me, ‘zei Bileam. ‘Als ik een zwaard bij me had, dan had ik je allang gedood.’ 30  De ezelin vroeg Bileam: ‘Ben ik niet de ezelin waarop u al uw hele leven rijdt? Heb ik mij soms ooit eerder zo gedragen?’ ‘Nee, ‘antwoordde hij. 31  Toen opende de HEER Bileam de ogen, zodat hij de engel van de HEER op de weg zag staan, met het getrokken zwaard in de hand. Hij knielde en boog diep voorover. 32  De engel van de HEER vroeg hem: ‘Waarom heb je je ezelin nu al drie keer geslagen? Ik ben hier gekomen om je tegen te houden, want deze reis is tegen mijn wil ondernomen, deze weg voert naar de afgrond. 33  Driemaal zag je ezelin mij, en driemaal is ze voor me opzij gegaan. Had ze dat niet gedaan, dan had ik jou gedood maar haar in leven gelaten.’ 34  Bileam zei tegen de engel van de HEER: ‘Ik heb gezondigd, want ik wist niet dat u mij de weg versperde. Maar als wat ik doe slecht is in uw ogen, ga ik terug naar huis.’ 35  De engel van de HEER zei tegen Bileam: ‘Ga maar met die mannen mee. Maar je mag alleen zeggen wat ik je opdraag.’ Dus ging Bileam met Balaks gezanten mee. (NBV)

Een profeet die zo veel waarde hecht aan zijn eigen profetie verdient wat meer aandacht. Dat die profetie waardevol is wil Barak van Moab wel tot uitdrukking brengen. Hij stuurt daarom  niet zomaar een delegatie maar de vorsten van Moab en Midjan, leden van zijn hofhouding, zijn directe raadgevers. Bileam spraakt ze met de eretitel “knechten van Balak” aan. Balak heeft er alles voor over om zo’n machtige profeet een vervloeking  over zijn vijanden te laten uitspreken. Opnieuw besluit Bileam er een nachtje over te slapen. Dat die Balak er alles voor over lijkt te hebben is toch ook wel wat waard. Ook in die nacht droomt Bileam over de God van Israël. Maar nu wordt niet het vierletterwoord gebruikt dat in het Hebreeuws nooit wordt uitgesproken maar vervangen wordt door HEER, bij ons vaak met hoofdletters geschreven, maar staat er gewoon de meervoudsvorm voor God. De eerste keer was er een absoluut nee op de vraag of Bileam naar Balak mocht, nu is er een voorwaardelijk ja. Alleen als Bileam beloofd datgene te zeggen dat de God van Israël hem ingeeft te zeggen.

Bileam is ook een Ziener, iemand die meer ziet dan de oppervlakte. Hij ziet ook de verborgen agenda’s, de machtsspelletjes die worden gespeeld. Hij ziet waar bepaalde ontwikkelingen op uit zullen lopen. Een ziener is dus geen voorspeller, maar spreekt de waarheid zoals die te zien is voor hen die de ogen niet sluiten voor machten en krachten die hun eigen belang dienen. Maar de grote Bileam ziet het toch niet allemaal zo duidelijk als het om de God van Israël gaat. Zelfs zijn ezelin ziet het duidelijker. Die ziet de boodschapper van de God van Israël die hen probeert tegen te houden. Bileam ziet alleen een koppige ezel. Het is jammer dat het woord boodschapper hier vertaald wordt met engel. Engelen bestaan niet, veel later in de geschiedenis van Israël zal het beeld van een engel als speciale boodschapper van God uit een andere godsdienst worden overgenomen. Er staat boodschapper en die kan van een koning komen of van God. Deze boodschapper heeft een tweesnijdend zwaard. Het was de ezelin die het Bileam moest laten zien. En sprak de ezelin? We zijn er niet bij geweest, maar soms vertelt een gebeurtenis zelf een verhaal. zo dichtte Guido Gazalle eens: “mij spreekt de blomme een tale” De koppigheid van de ezel is al een verhaal op zich.

Die boodschapper maakt Bileam nog eens duidelijk dat het geen zin heeft op weg te gaan om het volk Israël te vervloeken. Zelfs als iemand daar al zijn goud en zilver voor over heeft. De keus die de God van Israël maakt over de kant waarvoor hij er zal zijn staat vast. Israël is het volk van God. Bileam realiseert zich dit nu ten volle en hij weet dat vloek en zegen niet van hem afhangen maar van de keuze die door die God gemaakt wordt. Hij had al tegenover de deftige delegatie uit Moab over die God van Israël gesproken als “mijn God” Tegen een God die een volk uit de slavernij in Egypte had bevrijdt en de macht had gegeven de Amorieten te bestrijden kon zelfs een grote ziener niet op. De angst van Balak was terecht, het had ook geen zin die God op andere gedachten te brengen. Bileam wilde daarom bijna weer naar huis gaan. Maar de boodschapper wilde dat hij verder trok om juist die boodschap over de keus van die God over te brengen. Wij zien in onze dagen God graag als een God van liefde en benadrukken dat die God ons zijn vrede wil aanbieden. Maar als wij ten oorlog worden geroepen, zoals indertijd naar Irak, dan steunen we die oorlog maar wat graag. Zelfs  als het aangaan van die oorlog achteraf op leugens gebaseerd blijkt te zijn. Daarom doen we er goed aan om eerst eens een nachtje te slapen als we ten strijde moeten trekken. Wellicht is het beter naar de boodschap van de boodschappers van de God van Israël te luisteren.

De HEER geeft mij geen toestemming

dinsdag, 12 juli, 2016

Numeri 22:1-14

1 ¶  Daarna trokken ze verder en sloegen hun kamp op in de vlakte van Moab, aan de overkant van de Jordaan, ter hoogte van Jericho. 2-4 Balak, de zoon van Sippor, die in die tijd koning van Moab was, hoorde wat Israël de Amorieten had aangedaan. De Moabieten waren buitengewoon bang voor het volk van Israël, omdat het zo talrijk was. Ze raakten in paniek en zeiden tegen de oudsten van Midjan: ‘Die horde vreet hier de hele streek nog kaal, als een rund dat een veld afgraast.’ 5  Balak stuurde gezanten naar Bileam, de zoon van Beor, die zich in Petor aan de Eufraat bevond, in zijn geboortestreek. Ze moesten hem ontbieden met deze woorden: ‘Er is een volk uit Egypte gekomen, dat overal in mijn land is neergestreken. Ze zijn hier vlakbij gelegerd. 6  Dat volk is te sterk voor mij. Kom daarom hierheen om het voor mij te vervloeken. Misschien kan ik het dan verslaan en het uit mijn land verjagen. Immers, wie door u wordt gezegend is gezegend, en wie door u wordt vervloekt is vervloekt.’ 7  De oudsten van Moab en de oudsten van Midjan gingen op weg. Ze hadden een beloning voor de waarzegger bij zich. Bij Bileam gekomen, brachten ze hem Balaks woorden over. 8  ‘Blijf vannacht hier, ‘zei hij, ‘dan zal ik u daarna antwoorden wat de HEER mij zal ingeven.’ Dus bleven de Moabitische leiders bij Bileam. 9  God verscheen aan Bileam en vroeg: ‘Wie zijn die mannen hier bij jou?’ 10  Bileam antwoordde God: ‘Die zijn naar mij toe gestuurd door koning Balak van Moab, de zoon van Sippor, met deze boodschap: 11  “Er is een volk uit Egypte gekomen, dat overal in mijn land is neergestreken. Kom hierheen en spreek er een vloek over uit. Misschien kan ik het dan aanvallen en verjagen.”’ 12  God zei tegen Bileam: ‘Ga niet met hen mee en vervloek dat volk niet, want het is gezegend.’ 13  De volgende morgen zei Bileam tegen Balaks gezanten: ‘Keer naar uw land terug. De HEER geeft mij geen toestemming om met u mee te gaan.’ 14  De Moabitische leiders vertrokken, en toen ze weer bij Balak terug waren, meldden ze hem dat Bileam geweigerd had met hen mee te komen. (NBV)

Als je oorlog wil voeren is het goed een God aan je zijde te hebben. Het Gott mit uns, of God is on our side, of God met ons zoals op onze munten staat, is een belangrijke belijdenis waarvan je maar moet hopen dat die ook waar wordt. Dat Israël een zeer belangrijke en sterke God had was algemeen bekend. Ze waren immers aan de Egyptenaren ontsnapt, Egypte was een wereldmacht, ze hadden de Amorieten verslagen en hun land ingepikt en nu stonden ze aan de grenzen van Moab. Het verhaal dat volgt laat zich vertellen als een toneelstuk, dialogen, monologen, aktie en de ene scene na de andere. Daarom is het goed eerst kennis te maken met de hoofdpersonen. Het begint bij Moab zelf. Dat volk is genoemd naar een zoon van Lot, de broer van Abraham. Nu was die zoon niet geboren uit een nette relatie, zoals Abraham en Sara hadden, maar uit een relatie tussen Lot en een van zijn dochters. Incest dus. Wij zouden het een volk van bastaards genoemd hebben, een minderwaardig soort volk. Moab was in de dagen dat het verhaal speelt onderhorig aan Midjan. Balak, de koning van Moab was kennelijk een zoon van iemand uit Midjan, hij was de zoon van Sippor. Mozes was ook getrouwd met Sippora, de dochter van een priester van Midjan. Die priester uit Midjan had Mozes ooit nog eens geholpen om de rechtspraak van het volk te organiseren. Wat de betekenis van Israël was snapten de inwoners van Moab dus heel goed. De hoogste tijd dus om God aan je zijde te krijgen want zonder die sterke God heb je bij voorbaat al verloren.

Zo gaat dus een delegatie uit Moab en Midjan op pad naar iemand die contact heeft met de goden. Hij heeft een macht die Moab herinnert aan de macht van Abraham. Van Abraham werd verteld dat God hem had beloofd dat wie hij zou zegenen door God gezegend zou worden en wie hij zou vervloeken door God vervloekt zou worden. Dat werd van Bileam ook gezegd. Dat was wel heel toevallig en we hebben dan de neiging om te zeggen dat die Bileam eerder een verhaalfiguur was om het verhaal over de kant die God kiest aan op te hangen dan een historische figuur. Dat moeten we dus niet bedenken. Er zijn bij opgravingen inscripties gevonden waarin een Bileam als een machtig waarzegger wordt afgeschilderd die kon zegenen en vervloeken. Maar er is ook wel eens gezeg dat vertalen verraden is en bij de aanduiding van wat de delegaties voor Bileam bij zich hadden heeft zich een probleem voorgedaan. Het Hebreeuwse woord dat wordt gebruikt is niet echt bekend. Maar Bileam is onomkoopbaar en daarom is een soort beloning niet erg waarschijnlijk. De Rabbijnen gaan er vanouds van uit dat men voorwerpen mee had genomen die gebruikt konden worden voor een toekomstvoorspelling. De Bijbel kent allerlei momenten waarop het lot wordt geworpen om de mening van God te weten te komen. De Hoge Priester van het Heiligdom had daarvoor speciale stenen bij zich. De delegatie uit Midjan kon zich toch niet veroorloven dat Bileam zou zeggen niet de juiste voorwerpen in huis te hebben om het antwoord te geven dat ze wilden horen.

Soms is vertalen ook lastig om wat in de ene taal verschillende woorden zijn in onze taal met één woord wordt uitgedrukt. Wij kennen God, noemen die wel eens Heer, maar we kijken wel uit om een onderscheid te maken tussen de Naam van God en de aanduiding God. In de Bijbel speelt dat wel een rol, soms een grote rol. In dit verhaal speelt het een opvallende rol. De delegatie van Moab heeft het over het traditionele woord voor God, in het Hebreeuws zelfs een meervoudsvorm. Bileam spreekt over God bij de Naam die Mozes kreeg bij de brandende braambos, de Naam die we in het Hebreeuws nooit uitspreken, we mogen de Naam van God niet zo maar gebruiken, maar die iets betekent als “Ik zal er zijn” Dat is de God van Israël en die God zal moeten laten weten aan welke kant hij oorlog zal willen voeren. Bileam slaapt er een nachtje over en het blijkt dat hij er niet het lot over hoeft te laten beslissen. God spreekt zelf, Israël is het volk waarvan het goede zal uitgaan, het is gezegend. De God van Israël blijft de God van Israël en ook Moab kan zich aansluiten bij Israël. Voor Bileam heeft het geen enkele zin om mee te gaan naar Moab om Israël te vervloeken. De volgende morgen vertelt hij dan ook aan de delegatie uit Moab dat de God van Israël, de God met de Naam, geen toestemming geeft om mee te gaan. En zo druipt de delegatie af, Bileam weigert mee te komen zo rapporteren ze. Dat de God van Israël zelf daarbij een rol heeft gespeeld vertellen ze er niet bij. Dat God met ons is in een oorlog is dus maar helemaal de vraag. In de leer van Mozes over die God staat voorop dat die God wil dat wij niet zullen doden. We kunnen er dus beter een nachtje over slapen als wij tot oorlog worden geroepen.