Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor juli, 2016

Wat er onder de zon gebeurt

zondag, 31 juli, 2016

Prediker 1:12–2:11

12 ¶  Ik, Prediker, was koning van Israël in Jeruzalem. 13  Ik heb met heel mijn hart elke vorm van wijsheid onderzocht, want ik wilde alles wat onder de hemel gebeurt doorgronden. Het is een trieste bezigheid. Een kwelling is het, die de mens door God wordt opgelegd. 14  Ik heb alles gezien wat onder de zon gebeurt, en vastgesteld dat het niet meer is dan lucht en najagen van wind. 15  Wat krom is kan niet recht worden gemaakt, en wat ontbreekt kan niet worden meegeteld. 16  Ik zei tegen mezelf: Ik heb meer en groter wijsheid verworven dan iedereen die voor mij in Jeruzalem heeft geregeerd. Ik heb veel wijsheid en kennis opgedaan. 17  Ik heb me er met hart en ziel voor ingespannen te ontdekken wat wijs is, en wat dwaas en onverstandig is. Maar ook dat, zo heb ik ingezien, is enkel najagen van wind. 18  Want wie veel wijsheid heeft, heeft veel verdriet. En wie kennis vermeerdert, vermeerdert smart. 1 ¶  Ik zei tegen mezelf: Kom, laat ik proberen de genoegens van het leven te smaken en te genieten van het goede. Maar ook dat, ontdekte ik, is enkel leegte. 2  Vrolijkheid, zei ik tegen mezelf, is niet meer dan dwaasheid. En waar leidt vreugde toe? 3  Ik heb mezelf ondergedompeld in de vrolijkheid van de wijn, en ik greep die dwaasheid aan om te onderzoeken of ik in mijn wijsheid-want die behield altijd de overhand-kon ontdekken wat een mens het beste doen kan, dat luttel aantal levensdagen dat hij doorbrengt onder de hemel. 4  Ook heb ik grootse dingen ondernomen: Ik heb voor mezelf paleizen gebouwd en wijngaarden geplant. 5  Ik heb tuinen en parken aangelegd en daarin een keur van vruchtbomen geplant. 6  Ik heb waterbekkens gegraven om een bos met jonge bomen te bevloeien. 7  Ik heb slaven en slavinnen gekocht, en ook hun kinderen werden slaven in mijn huis. Ik bezat talrijke runderen, schapen en geiten, meer dan iedereen die voor mij in Jeruzalem heeft geregeerd. 8  Ik heb goud en zilver opgestapeld en in de rijkdom gedeeld van koningen en landen. Ik heb zangers en zangeressen aangesteld en het genot geproefd van vele, vele vrouwen. 9  Grootse dingen heb ik ondernomen en meer bezit vergaard dan iedereen die voor mij in Jeruzalem heeft geregeerd. En bij alles wat ik voor mezelf verworven had, behield ik ook mijn wijsheid. 10  Alles wat mijn ogen vroegen heb ik ze gegund, elke vreugde die mijn hart verlangde heb ik het gegeven, en ik genoot naar hartelust van al het goede dat ik had verworven. Het was het loon voor mijn gezwoeg. 11  Maar toen nam ik alles wat ik ondernomen had nog eens in ogenschouw, alles wat mijn moeizaam gezwoeg me opgeleverd had, en ik zag in dat het allemaal maar lucht en najagen van wind was. Het had geen enkel nut onder de zon. (NBV)

Het boek van Prediker wordt in de herfst gelezen als de oogst binnen is en het feest van de oogst kan beginnen. Maar de Koning van de oogst, de Koning van Jeruzalem, wordt er depressief van. Heb je de hele zomer gezwoegd en gesloofd, wat heb je dan. Je eten en je weet dat het na de winter weer op zal zijn en je weer opnieuw kunt beginnen. En als je dood gaat is het weg want je kunt het niet meenemen, zelfs niet als je rijk en machtig bent. De Koning heeft alles onderzocht dat onder de hemel is, maar vond niets. Hoe meer hij te weten kwam, hoe droeviger hij werd. Want in plaats van dat de mensen tevreden zijn met wat ze hebben slaan ze elkaar nog de hersens in om meer te krijgen. Drogredenen voeren ze er voor aan maar wat krom is kan niet worden recht gemaakt. Wat er niet is zal er ook niet komen. Je wordt nooit rijker dan rijk en machtiger dan machtig. Uiteindelijk heeft iedereen hetzelfde als bij het begin. De pasgeboren baby heeft hetzelfde als de net gestorven grijsaard, niets namelijk. Dat brengt de Prediker tot de conclusie dat alles lucht en leeg is, alle zwoegen is najagen van wind.

Onze inspanningen om er zelf beter van te worden zijn tevergeefs. En zelfs als je genot zoekt in het goede, je onderdompelt in de vrolijkheid van de wijn dan nog is het vergeefs, uiteindelijk houd je er hoofdpijn, buikpijn en een verwoeste lever aan over. Drank maakt meer kapot dan je lief is en comazuipen brengt je alleen maar in het ziekenhuis. Het geluk zit niet in de dingen die je gewoonlijk in de wereld tegenkomt. Uiteindelijk blijft er niets van over. Prediker veroordeelt het niet, hij hoeft alleen zijn ervaringen door te geven. Er is er in al de eeuwen na Prediker niks veranderd. Nemen we nu eens aan dat het boek Prediker zo’n 300 jaar voor het begin van onze jaartelling werd geschreven. Dan weten we dus al bijna 2500 jaar dat zwoegen, zwelgen en najagen van eigen genot en kennis uiteindelijk een mens niet gelukkig maken. Maar waar komt toch het idee vandaan dat je van de Bijbel helemaal niet mag genieten? Nergens is dat verboden. Ook de Koning die hier in het boek van de Prediker als verteller optreedt heeft geen spijt van al zijn gezwoeg, hij kijkt er kennelijk met genoegen op terug. Maar… er staat in het laatste vers van gedeelte een hele grote maar, want al dit gezwoeg al dat najagen van genot, het heeft geen nut het is leeg en lucht, het heeft geen enkel belang.

Daar verschilt de Bijbel wellicht van wat er over het algemeen in de wereld aan de gang is. Niets is immers belangrijker dan de betaald voetbalwedstrijd van het komende weekeinde. En als de plaatselijke betaald voetbalclub op een doordeweekse avond een internationale wedstrijd moet spelen dan worden vergaderingen, zelfs gemeenteraadsvergaderingen, uitgesteld en verplaatst. Het amusement van de meest populaire sport gaat overal voor en beheerst alles. Het overheerst ook alle zorg en aandacht voor de armen. Die aandacht en zorg krijgen we tegenwoordig op de Televisie in de vorm van amusement. Tranentrekkende programma’s zijn zeer populair en Nederlandse vrijwilligers die ergens helpen worden tot helden verheven. Waar al dat leed vandaan komt, wie er beter van geworden is toen er op hulp werd bezuinigd, waarom we de meest eenvoudige maatregelen om leed te voorkomen niet weten te nemen, waarom de zorg ten onder gaat aan administratie en papierbergen komt in die televisieprogramma’s niet aan de orde.  Leeg is het dus en wind, ongrijpbaar, voorbijgaand en niet dienend tot enig nut, met geen enkel gevolg voor de armen. En juist het effect op de armen zou toch de maat moeten zijn waarmee we het nut van onze handelingen moeten meten.

Lucht en leegte

zaterdag, 30 juli, 2016

Prediker 1:1-11

1 ¶  Hier volgen de woorden van Prediker, zoon van David en koning in Jeruzalem.  2  Lucht en leegte, zegt Prediker, lucht en leegte, alles is leegte. 3  Welk voordeel heeft de mens van alles wat hij heeft verworven, al zijn moeizaam gezwoeg onder de zon? 4 ¶  Generaties gaan, generaties komen, maar de aarde blijft altijd bestaan. 5  De zon komt op, de zon gaat onder, en altijd snelt ze naar de plaats waar ze weer op zal gaan. 6  De wind waait naar het zuiden, dan draait hij naar het noorden. Hij draait en waait en draait, en al draaiend waait de wind weer terug. 7  Alle rivieren stromen naar de zee, toch raakt de zee niet vol. De rivieren keren om, ze gaan weer naar de plaats vanwaar ze komen, en beginnen weer opnieuw te stromen. 8  Alles is vermoeiend, zozeer dat er geen woorden voor te vinden zijn. De ogen van een mens kijken, en vinden geen rust, zijn oren horen, en ze blijven horen. 9 ¶  Wat er was, zal er altijd weer zijn, wat er is gedaan, zal altijd weer worden gedaan. Er is niets nieuws onder de zon. 10  Wanneer men van iets zegt: ‘Kijk, iets nieuws, ‘ dan is het altijd iets dat er sinds langvervlogen tijden is geweest. 11  De vroegere generaties zijn vergeten, en ook de komende zullen weer worden vergeten. (NBV)

Vandaag beginnen we te lezen in het boek dat sinds de vertaling door Maarten Luther in het Duits ook bij ons “Prediker” heet. Dat is wat de geleerden als vertaling van het Hebreeuwse “Kohelet” aannemen. De Naardense Bijbel vertaalt hier als “Verzamelaar”. Dit boek wordt in de Hebreeuwse traditie gelezen tijdens het Loofhuttenfeest, de Soekot. Dat feest wordt ook wel het feest der inzameling genoemd, vandaar dat “verzamelaar”. Het is een oogstfeest dat in de herfst wordt gevierd. Merkwaardig is dat juist dit feest niet is overgenomen in de Christelijke kalender. Het is één van de feesten waarop het volk op moest trekken naar de Heilige Tent of later naar de Tempel om daar een feestmaaltijd te houden met de familie, de Levieten, de armen en de vreemdelingen. Wonen deed je dan in hutten gemaakt van de takken van de bomen, het loof. En lezen deden ze uit het boek van de Verzamelaar.

Dat boek begint over de goden van de vruchtbaarheid. Lucht en leegte zijn ze. Wij kennen uit vroegere vertalingen nog de uitdrukking dat alles ijdelheid is. Maar die ijdelheid betekent leegte. Het is niets wat die vruchtbaarheidsgoden voorstellen. Je moet immers nog steeds even hard werken om in leven te blijven. De zon, de aarde, de wind, de zee, de rivieren, ze veranderen niet. De zon gaat op en onder, de aarde ligt er al eeuwen hetzelfde bij voor de boer, de wind waait uit alle richtingen, rivieren brengen het water naar de zee maar de zee raakt nooit vol. Waar zou je je druk over maken, er is immers niets nieuws onder de zon. Onze voorouders zijn vergeten en ook wij zullen eens vergeten zijn. Waar maak je je druk om.

Het zijn de verzuchtingen die juist in onze tijd mensen aan het denken moeten zetten. Veel mensen gaan immers ten onder aan de druk die de samenleving oplegt. De druk om meer te presteren in kortere tijd, de druk om te consumeren, de druk om te verdienen en vooruit te komen, de druk om je te amuseren. Het is alsof vreemde goden grote offers vragen. Dokters zeggen steeds vaker tegen hun patiënten dat wat moet niet meer mag en dat wat mag juist moet. Juist ontspanning in plaats van stress, rust in plaats van de onrust, brengt gezondheid. Het hart kan het begeven als het overbelast wordt. De bloedvaten slibben dicht als je niet de tijd neemt om gezond te eten. Het zou voor ons ook goed zijn om af en toe terug te keren naar hutten gemaakt van de takken van de bomen. Kinderen kunnen zich er eindeloos mee vermaken en Jezus van Nazareth zei eens dat wie niet wordt als de kinderen niet met hem mee mag doen. We werken hard, we verdienen veel, maar we vergeten er van te genieten, misschien dat we daardoor ook vergeten er van mee te delen, zodat alles wat we verdienen eigenlijk lucht en leegte blijft.

Hoed je voor iedere vorm van hebzucht

vrijdag, 29 juli, 2016

Lucas 12:13-21

13 ¶  Iemand uit de menigte zei tegen hem: ‘Meester, zeg tegen mijn broer dat hij de erfenis met mij moet delen!’ 14  Maar Jezus antwoordde: ‘Wie heeft mij als rechter of bemiddelaar over jullie aangesteld?’ 15  Hij zei tegen hen: ‘Pas op, hoed je voor iedere vorm van hebzucht, want iemands leven hangt niet af van zijn bezittingen, zelfs niet wanneer hij die in overvloed heeft.’ 16  En hij vertelde hun de volgende gelijkenis: ‘Het landgoed van een rijke man had veel opgebracht, 17  en daarom vroeg hij zich af: Wat moet ik doen? Ik heb geen ruimte om mijn voorraden op te slaan. 18  Toen zei hij bij zichzelf: Wat ik zal doen is dit: ik breek mijn schuren af en bouw grotere, waar ik al mijn graan en goederen kan opslaan, 19  en dan zal ik tegen mezelf zeggen: Je hebt veel goederen in voorraad, genoeg voor vele jaren! Neem rust, eet, drink en vermaak je. 20  Maar God zei tegen hem: “Dwaas, nog deze nacht zal je leven van je worden teruggevorderd. Voor wie zijn dan de schatten die je hebt opgeslagen?” 21  Zo vergaat het iemand die schatten verzamelt voor zichzelf, maar niet rijk is bij God.’ (NBV)

Iedereen kent wel het spreekwoord dat je je rijkdom niet mee kunt nemen. Waarom proberen we dan meer rijkdom te krijgen dan we ooit bij ons leven op kunnen maken? Ja de rijksten in onze samenleving verzamelen zelfs zo veel rijkdom dat ook hun kinderen en wellicht hun kleinkinderen niet in staat zijn op het op te maken. Geld maakt niet gelukkig is een ander spreekwoord. Natuurlijk is het makkelijk als je het hebt. Natuurlijk moet je er verstandig mee omgaan. En, let wel, de Bijbel heeft niets tegen rijkdom op zich. Als we allemaal mee zouden kunnen delen van het land dat overvloeit van melk en honing is er niets verkeerd. Maar dat doen we niet.  De meeste rijkdom is verkregen door de armoede van velen. De waarschuwing ons te hoeden voor hebzucht geldt voor iedereen.

In de bede die we laatst in het Evangelie van Lucas lazen ging het alleen over het brood dat we vandaag nodig hebben. Dat is voor ons genoeg. Als we dat uitstralen dan behoeden we misschien ook een ander voor hebzucht en het bijbehorende ongeluk. Alle uiterlijkheden zijn dan ook volstrekt onbelangrijk. Er wordt ons wel aangepraat hoe belangrijk al dat uiterlijk vertoon is, de make overs vliegen je om de oren, maar eigenlijk is het geluk van de mensen het allerbelangrijkst. Daarom klinkt vandaag eigenlijk ook de roep om je bezig te houden met het Koninkrijk. Daar wordt gedeeld en hoeft dus niemand meer zorgen te hebben over het eten, zijn dus alle zorgen verdwenen. Daar valt het onderscheid tussen rijk en arm, tussen slaaf en vrije, tussen man en vrouw, tussen christen en moslim, weg. Daar is geen angst meer en geen bedreiging.

Dat Koninkrijk ligt voor het grijpen. Het is ons geschonken door de God van Liefde, we hoeven het alleen te aanvaarden en in de praktijk te brengen. Make overs zijn dan overigens in het geheel niet voorbij. Maar het zijn hele andere make overs dan van mensen en auto’s. Het is een make over van de totale samenleving. Ineens wordt al wat leeft belangrijk en gooien we geen mensen, dieren en kostbare grondstoffen meer weg. Als iedereen een volwaardige plaats in de samenleving heeft wordt die samenleving een stuk creatiever en rijker. En de make over van het Koninkrijk is niet beperkt tot ons eigen land maar het is een make over van de hele wereld. Stel een journaal voor waarin niet over oorlog en honger kan worden bericht omdat die er niet meer zijn. Een journaal dat alleen goed nieuws kan brengen, over wetenschappelijke ontdekkingen, over hulp die mensen elkaar kunnen geven, over het moois dat elke dag weer ontstaat in een wereld van recht en vrede.

 

Niets is geheim

donderdag, 28 juli, 2016

Lucas 11:53–12:12

53  Toen hij het huis verliet, waren de schriftgeleerden en de Farizeeën uitzinnig van woede; ze begonnen hem over van alles uit te vragen, 54  in een arglistige poging om hem te betrappen op een ongeoorloofde uitspraak. 1 ¶  Intussen had er zich een enorme menigte verzameld. De mensen verdrongen elkaar, maar hij richtte zich eerst tot zijn leerlingen: ‘Hoed je voor de zuurdesem, dat wil zeggen de huichelarij van de Farizeeën. 2  Niets is verborgen dat niet onthuld zal worden, en niets is geheim dat niet bekend zal worden. 3  Alles wat jullie in het duister zeggen, zal in het licht worden gehoord, en wat jullie binnenskamers in iemands oor fluisteren, zal vanaf de daken bekend worden gemaakt. 4  Tegen jullie, mijn vrienden, zeg ik: wees niet bang voor degenen die het lichaam kunnen doden, maar niet tot iets ergers in staat zijn. 5  Ik zal jullie zeggen voor wie je bang moet zijn. Wees bang voor hem die de macht heeft om iemand niet alleen te doden maar ook in de Gehenna te werpen. Ja, ik zeg jullie, wees bang voor hem! 6  Wat kosten vijf mussen? Bijna niets. Toch wordt er niet één door God vergeten. 7  Zelfs de haren op jullie hoofd zijn alle geteld. Wees niet bang, jullie zijn meer waard dan een hele zwerm mussen. 8  Ik zeg jullie: iedereen die mij erkent bij de mensen, zal ook door de Mensenzoon worden erkend bij de engelen van God. 9  Maar wie mij verloochent bij de mensen, zal verloochend worden bij de engelen van God. 10  En iedereen die iets ten nadele van de Mensenzoon zegt, zal worden vergeven. Maar wie lastertaal spreekt tegen de heilige Geest zal niet worden vergeven. 11  Wanneer ze jullie voor de synagogen en de autoriteiten en het gerecht slepen, vraag je dan niet bezorgd af hoe of waarmee je je moet verdedigen of wat je moet zeggen, 12  want de heilige Geest zal jullie op dat moment ingeven wat je moet zeggen.’ (NBV)

Alles komt uit. Er zijn regeringen die in het geheim alles van iedereen op de hele wereld willen controleren. Alles van iedereen komt daardoor uit. Maar ook het geheime optreden van die regeringen komt uit. En de misdaden die gepleegd worden in naam van een rechtvaardige oorlog komen uit. Natuurlijk, er zijn moorden en andere misdaden die niet worden opgelost. Er zijn boeven die niet worden gevangen. Er zijn ook sportmensen die de regels overtreden en die niet betrapt worden. Maar toch is er niets geheim. Dat geldt ook in de religie. Soms hoor je priesters of dominees wel eens zeggen dat ze een geheim hebben. Het geheim van de eucharistie, of het avondmaal. Het geheim van het geloven zelf. Maar wees gerust, in het verhaal van Jezus van Nazareth is niets geheim. Het gaat juist om het openbaren van wat nog geheim zou kunnen lijken.

De eucharistie of het avondmaal is een godsdienstoefening bij uitstek door het samen delen van brood en wijn. Als je de God van Jezus van Nazareth wil dienen dan moet je bereid zijn alles te delen met een ander, desnoods jezelf. Dat doe je niet zomaar, dat is geen lolletje, dat is niet vrijblijvend. Jezus van Nazareth heeft het er over dat zijn volgelingen voor de kerkelijke en wereldlijke autoriteiten gesleept zullen worden en zich zouden kunnen afvragen wat ze zouden moeten zeggen. Autoriteiten, de kerkelijke en de wereldlijke, houden van geheimen en houden graag ook veel geheim. Wie geheimen kent heeft immers macht. Maar de volgelingen van Jezus van Nazareth houden niets geheim en ontkennen dat er geheimen zijn. Er is over ieder mens dan ook niets meer te weten dan die mens over zichzelf weet. Wie ergens van beschuldigd wordt weet of het waar is of niet. En ten onrechte beschuldigd worden betekent dat het op een eerlijke manier niet te bewijzen is.

Wie beter weet wat een mens te doen staat kan altijd op de gevolgen van daden worden gewezen. Worden de armen bevrijdt? Worden de zwakken ondersteund? Wordt er vrede gesticht? Worden de hongerigen gevoed, de naakten gekleed? Gaan de doven horen, de blinden zien en de kreupelen lopen? Zelfs Jezus van Nazareth lukte het niet de mensen de mond te snoeren die door hem genezen werden en weer een plaats in de samenleving kregen, zou het effect van overheidsmaatregelen dan geheim blijven en onzichtbaar zijn voor de mensen om wie het gaat? Laat U niets wijsmaken, geheimen zijn er niet. Het enige wat we moeten weten is wat er aan de minsten onder ons gedaan moet worden. Wat we tegen de geheimhouders moeten zeggen is dus alleen dit, heb Uw naaste lief als Uzelf, dat moet elke dag opnieuw, ook vandaag weer..

Het een doen zonder het andere te laten

woensdag, 27 juli, 2016

Lucas 11:37-52

37 ¶  Toen hij uitgesproken was, nodigde een Farizeeër hem uit voor de maaltijd. Hij ging naar binnen en ging aan tafel aanliggen. 38  Toen de Farizeeër dat zag, verwonderde hij zich erover dat hij zich niet eerst gewassen had voor de maaltijd. 39  Maar de Heer zei tegen hem: ‘Ach, jullie Farizeeën! De buitenkant van de beker en de schotel reinigen jullie, maar jullie eigen binnenkant is vol roofzucht en slechtheid. 40  Dwazen, heeft hij die de buitenkant gemaakt heeft niet ook de binnenkant gemaakt? 41  Geef liever de inhoud van beker en schotel als aalmoes, dan is niets meer onrein voor jullie! 42  Maar wee jullie Farizeeën, want jullie geven tienden van munt, wijnruit en andere kruiden, maar gaan voorbij aan de gerechtigheid en de liefde tot God; je zou het een moeten doen zonder het andere te laten. 43  Wee jullie Farizeeën, want jullie zitten graag op een ereplaats in de synagoge en worden graag begroet op het marktplein. 44  Wee jullie, want jullie zijn als ongemarkeerde graven waar de mensen overheen lopen zonder het te weten.’ 45  Daarop zei een wetgeleerde tegen hem: ‘Meester, door die dingen te zeggen beledigt u ook ons.’ 46  Maar Jezus zei: ‘Wee ook jullie, wetgeleerden! Want jullie leggen de mensen ondraaglijke lasten op, maar raken die zelf met geen vinger aan. 47  Wee jullie, want jullie bouwen graftomben voor de profeten, terwijl jullie voorouders hen hebben gedood. 48  Jullie zijn getuigen die instemmen met de daden van jullie voorouders, want zij hebben hen gedood en jullie bouwen de tomben! 49  Daarom heeft God in zijn wijsheid gezegd: “Ik zal profeten en apostelen naar hen zenden, maar ze zullen sommigen van hen doden en anderen vervolgen.” 50  Voor het bloed van al de profeten dat sinds de grondvesting van de wereld vergoten is, zal van deze generatie genoegdoening worden geëist, 51  van het bloed van Abel tot het bloed van Zecharja, die omkwam tussen het brandofferaltaar en het heiligdom. Ja, ik zeg jullie, van deze generatie zal genoegdoening worden geëist! 52  Wee jullie wetgeleerden, want jullie hebben de sleutel tot de kennis weggenomen; zelf zijn jullie niet binnengegaan, en anderen die wel binnen wilden gaan hebben jullie tegengehouden.’ (NBV)

Farizeën en wetgeleerden. We kennen ze en ze staan in onze taal in een kwade reuk. Ze krijgen in dit Schriftgedeelte door Jezus van Nazareth ongezouten de waarheid gezegd. Maar mogen wij blij zijn geen farizeën of wetgeleerden te zijn? Dat is nog maar de vraag. Farizeën probeerden de leer van het volk Israel ook onder het hele volk levend te houden. Zij waren de uitvinders van de Synagogen waar Jezus van Nazareth zo vaak kwam om uit de boeken van Mozes en de Profeten voor te lezen en er uitleg over te geven. En dan de wetgeleerden. De Wet van de Woestijn is toch het hart van het verhaal van Israel en gaat het ons ook niet om het houden van die wet, de wet van delen, van houden van je naaste als van jezelf? Het zijn de richtlijnen voor de menselijke samenleving. Jezus van Nazareth verwijt de Farizeën dat ze alleen letten op uiterlijkheden. Als hij vermoeid en uitgeput aan tafel gaat liggen, en iedereen lag in die tijd aan tafel, dan is er geen vraag naar het waarom, geen belangstelling voor zijn persoon, maar alleen een verwijt dat hij zich niet aan de regels houdt.

De wetgeleerden moeten het op dezelfde manier ontgelden, wel praten over normen en waarden, wel roepen dat de wet gehouden moet worden, maar steun aan de armen ho maar. Is er dan veel veranderd? Heeft de discussie over normen en waarden van het zich zo christelijk noemende CDA iets opgeleverd voor bijstandsmoeders, hun kinderen, voor de armen in onze samenleving? Zijn er schulden kwijtgescholden, onrechtvaardige tolmuren gesloopt? Hebben producten uit arme landen betere kansen gekregen op onze binnenlandse markten, is de concurrentie met boeren in arme landen gestopt? Is onze samenleving rechtvaardiger geworden als het gaat om de armen in de wereld? Letten onze militairen inmiddels als eerste op de slachtoffers die er in de oorlog vallen en staan zij naast die slachtoffers, vriend of vijand? En ook bij de onveiligheid die veel mensen voelen is de vraag of het alleen reageren op uiterlijkheden onze samenleving veiliger maakt. Kennen wij onze buren? Accepteren we isolatie van enkelingen? Vinden we goed dat symbolen en verhalen uit de jaren 30 en 40 van de vorige eeuw weer inspiratie aan burgers geven? Als we dat anders willen, waarom verheffen we onze stem dan niet wat vaker.

Misschien zouden we wat meer Farizeën en Wetgeleerden moeten worden en dan ook doen wat ze zouden zeggen en wat er in het verhaal van Israel staat. Niet de nette pakken en de mooie jurken, niet de fraaie hoeden en de uniformen bepalen of normen en waarden gehaald moeten worden. Ook niet de mooie woorden die machtigen en rijken kunnen spreken, maar de Liefde voor de minsten in onze samenleving bepaalt de juiste normen en waarden. Netjes doen, je fatsoen houden, is niet verkeerd, maar zonder rechtvaardigheid voor de armen betekent het niets, is het zelfs antichristelijk. Gelukkig dat we elke dag opnieuw weer mogen beginnen ons in de eerste plaats te richten op de minsten onder ons, de minsten in onze eigen samenleving en de minsten in de hele wereld, want allen, tot aan de uiteinden der aarde zijn onze broeders en zusters. Iedere dag verdienen ze onze zorg. Ook vandaag weer.

Het oog is de lamp van het lichaam

dinsdag, 26 juli, 2016

Lucas 11:27-36

27 ¶  Terwijl hij dit zei, verhief een vrouw uit de menigte haar stem en riep tegen hem: ‘Gelukkig de schoot die u gedragen heeft en de borsten waaraan u gedronken hebt!’ 28  Maar hij zei: ‘Gelukkiger zijn zij die naar het woord van God luisteren en ernaar leven.’ 29 ¶  Toen er steeds meer mensen toestroomden, zei hij: ‘Dit is een verdorven generatie! Ze verlangt een teken, maar zal geen ander teken krijgen dan dat van Jona. 30  Zoals Jona een teken was voor de inwoners van Nineve, zo zal de Mensenzoon een teken voor deze generatie zijn. 31  Op de dag van het oordeel zal de koningin van het Zuiden samen met de mensen van deze generatie opstaan en hen veroordelen, want zij was van het uiteinde van de aarde gekomen om te luisteren naar de wijsheid van Salomo, en hier zien jullie iemand die meer is dan Salomo! 32  Op de dag van het oordeel zullen de Ninevieten samen met deze generatie opstaan en haar veroordelen; want zij hadden zich bekeerd na de prediking van Jona, en hier zien jullie iemand die meer is dan Jona! 33  Wie een lamp aansteekt, zet hem niet weg in een donkere nis, maar plaatst hem op de standaard, zodat degenen die binnenkomen het licht kunnen zien. {-(11:33) in een donkere nis Andere handschriften lezen: ‘in een donkere nis of onder een korenmaat’. } 34  Het oog is de lamp van het lichaam. Als je oog helder is, is je hele lichaam verlicht. Maar als het troebel is, verkeert je lichaam in duisternis. 35  Let dus op of het licht dat in je is, niet verduisterd is. 36  Als je hele lichaam verlicht is, zonder dat ook maar een deel in duisternis verkeert, dan is het zo licht als wanneer een lamp je met zijn stralen verlicht.’ (NBV)

Wie oren heeft om te horen, die hore. We kennen de uitspraak wel. Maar luisteren we er ook naar? In dit gedeelte besluit Jezus van Nazareth met het beeld van het oog. Het oog is de lamp van het lichaam klinkt het hier. Wij beschouwen onze ogen vaak als ramen naar de buitenwereld. Daarmee moeten we immers alles waarnemen en beschouwen. Maar het oog dat kijkt in de Geest van Jezus van Nazareth ziet ook naar binnen. Schijnt het licht van het goede wel in ons, en door ons? Zijn we helder genoeg van Geest om de naaste waar te nemen? Zijn we niet verduisterd door angst, durven we ons te verplaatsen in de positie van de slachtoffers. Hebben we echt wel genoeg aan het brood dat we vandaag nodig hebben of zijn onze ogen verblind door glitter en schitter van mooi en kostbaar? Zien we de ander wel als gelijke of trekken we de wenkbrauwen op uit arrogantie en hoogmoed?

Kijken we omhoog ons verplaatsend in de positie van de minste, of kijken we omlaag om te zien over wie we nog macht kunnen uitoefenen? In dit Bijbelgedeelte wordt Jona genoemd. Wij kennen Jona van de grote vis die hem verzwolg toen hij vluchtte voor de opdracht van God. Maar het verhaal van Jona gaat over een God die steeds opnieuw met mensen wil beginnen. Jona werd opnieuw op pad gestuurd en de inwoners van de stad die hij de ondergang moest aanzeggen besloten voortaan op een nieuwe manier met elkaar om te gaan waardoor de stad niet ten onder ging. Als we het nog niet snappen moeten we het zelf maar weten zegt Jezus van Nazareth. Elk moment kunnen we opnieuw beginnen. Voor ons is het niet ver reizen, zoals voor die Koningin die uit donker Afrika naar Salomo kwam om van hem de wet te leren dat je je naaste lief moet hebben als jezelf.

Voor ons is die wet vlak bij, voor het grijpen. Er zijn geen ingewikkelde rituelen voor nodig om er mee te beginnen. Een helder oog. een open oor, een uitgestoken hand zijn genoeg. We hebben Fair Trade en wereldwinkels om boodschappen te doen, wie nog een vakantie moet plannen kan vrijwilligersorganisaties vinden die handen zoeken om enkele weken of een enkele week te helpen. Kinderen zwerven over straat en zoeken opvang in timmerdorpen of speeltuinen vol vrijwilligers. Overal zijn mensen nodig die het goede willen doen en niet dan het goede. Zorg dus dat het licht gaat schijnen in je omgeving. Het duister van de wereld gaat dan tenminste een beetje weg, maar als we met genoeg zijn verdwijnt het duister voorgoed.

Wie niet met mij is, is tegen mij

maandag, 25 juli, 2016

Lucas 11:14-26

14 ¶  Hij dreef een demon uit die niet kon spreken. Toen de demon verdreven was, begon de stomme te spreken en de mensenmenigte stond verbaasd. 15  Maar enkelen van hen zeiden: ‘Dankzij Beëlzebul, de vorst der demonen, kan hij demonen uitdrijven.’ 16  Anderen verlangden van hem een teken uit de hemel om hem op de proef te stellen. 17  Maar hij kende hun gedachten en zei tegen hen: ‘Elk koninkrijk dat innerlijk verdeeld is wordt verwoest, en huis na huis stort in. 18  Als ook Satan innerlijk verdeeld is, hoe kan zijn koninkrijk dan standhouden? Jullie zeggen toch dat ik dankzij Beëlzebul demonen uitdrijf! 19  Als ik inderdaad dankzij Beëlzebul demonen uitdrijf, door wie drijven jullie eigen mensen ze dan uit? Zij zullen dan ook jullie rechters zijn! 20  Maar als ik dankzij een kracht die van God komt demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God bij jullie gekomen.  21  Wanneer een sterk, goed bewapend man zijn domein bewaakt, dan zijn zijn bezittingen veilig. 22  Maar zo gauw iemand die sterker is hem aanvalt en hem overwint, dan neemt die sterkere hem de wapenrusting waarop hij vertrouwde af en verdeelt hij de buit. 23  Wie niet met mij is, is tegen mij, en wie niet met mij samenbrengt, drijft uiteen. 24  Wanneer een onreine geest iemand verlaat, trekt hij door dorre oorden op zoek naar een rustplaats. Maar als hij die niet vindt, zegt hij: “Ik zal terugkeren naar mijn huis, dat ik verlaten heb.” 25  En wanneer hij terugkeert, merkt hij dat het schoongemaakt is en op orde gebracht. 26  Dan gaat hij weg en haalt er zeven andere demonen bij, slechter dan hijzelf, en ze nemen daar blijvend hun intrek. En zo is de mens bij wie de demon intrekt er ten slotte veel slechter aan toe dan voorheen.’ (NBV)

We hebben het al vaker gezegd, van het goede kan alleen het goede komen, van het kwade komt het kwade. Wij geloven in het goede, in de God van Liefde en in Jezus van Nazareth die dat goede heeft volgehouden zelfs door de dood heen. In de duivel, of het kwade, of de Beëlzebub, zoals de bijgelovigen de heerser van de duivels en demonen noemden, geloven we dus niet. In sommige discussies lijkt het er op dat je niet in de God van Liefde en in Jezus van Nazareth kunt geloven als je niet in de duivel of diens trawanten gelooft. Maar zo is het natuurlijk niet. Er is één God, de God die in mensen gelooft en met de minsten onder ons meetrekt. Daar komt het goede vandaan en aan ons het goede te doen en niet dan het goede. Wie dus niet de weg wil volgen die Jezus van Nazareth heeft gewezen gaat dus de weg van het kwade, houdt het kwade in deze wereld in leven, houdt het kwade in stand.

Zelf zegt Jezus van Nazareth in dit verhaal uit het Evangelie van Lucas dat wie niet samenbrengt uiteen drijft. Die uiteen drijvers kennen we in onze dagen maar al te goed. Vreemdelingen zijn onder ons gaan wonen die een sterk geloof hebben in wat zij zien als de God van Abraham. De God die aan Abraham beloofde dat die de vader van vele volken zou worden. Volgens het verhaal van Israel werd ook de andere zoon van Abraham, Ismael uitdrukkelijk in deze belofte betrokken. En de Moslims geloven dat, via de afstamming van Ismael, ook zij hebben kennis gemaakt met de God van Abraham. In ons parlement wordt dat geloof afgedaan als een achterlijk geloof. Elke poging van weldenkende en christelijke mensen een brug te slaan tussen onze traditie en het nieuwe geloof dat onder ons is gekomen wordt aangevallen en weggehoond.

Wie wil weten wat uiteendrijven betekent, kan betekenen, hoeft niet meer de geschiedenisboeken over de jaren 30 en 40 in de vorige eeuw op te slaan en te lezen wat er, te beginnen in Duitsland, uiteindelijk in Europa gebeurde, maar die kan in de Handelingen van de Tweede Kamer tegenwoordig heel goed nalezen wat uiteendrijven betekent. Het is maar te hopen dat de gevolgen die het in de vorige eeuw heeft gehad in deze eeuw niet vergeten zullen worden. Het is in elk geval duidelijk dat die manier van uiteendrijven niet past in de Joods-Christelijke-Humanistische traditie waar onze samenleving op gebouwd zou zijn. Het is er fundamenteel mee in strijd. Daarom aan ons elke dag weer de vraag welke kant wij kiezen, de goede of de kwade kant.

 

Het brood dat wij nodig hebben

zondag, 24 juli, 2016

Lucas 11:1-13

1 ¶  Eens was Jezus aan het bidden, en toen hij zijn gebed beëindigd had, zei een van zijn leerlingen tegen hem: ‘Heer, leer ons bidden, zoals ook Johannes het zijn leerlingen geleerd heeft.’ 2  Hij zei tegen hen: ‘Wanneer jullie bidden, zeg dan: “Vader, laat uw naam geheiligd worden{-(11:2) Vader Andere handschriften lezen: ‘Onze Vader die in de hemel is’. En aan het einde van het vers: ‘Laat uw wil gedaan worden, op aarde zoals in de hemel”} en laat uw koninkrijk komen.” 3  Geef ons dagelijks het brood dat wij nodig hebben. 4  Vergeef ons onze zonden, want ook wijzelf vergeven iedereen die ons iets schuldig is. En breng ons niet in beproeving.”’ 5  Daarna zei hij tegen hen: ‘Stel dat iemand van jullie een vriend heeft en midden in de nacht naar hem toe gaat en tegen hem zegt: “Wil je mij drie broden lenen, 6  want een vriend van me is na een reis bij mij gekomen en ik heb niets om hem voor te zetten.” 7  En veronderstel nu eens dat die vriend dan zegt: “Val me niet lastig! De deur is al gesloten en mijn kinderen en ik zijn al naar bed. Ik kan niet opstaan om je te geven wat je vraagt.” 8  Ik zeg jullie, als hij al niet opstaat en het hem geeft omdat ze vrienden zijn, dan zal hij wel opstaan omdat zijn vriend zo onbeschaamd blijft aandringen, en hem alles geven wat hij nodig heeft. 9  Daarom zeg ik jullie: vraag en er zal je gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. 10  Want wie vraagt ontvangt, en wie zoekt vindt, en voor wie klopt zal worden opengedaan. 11  Welke vader onder jullie zou zijn kind, als het om een vis vraagt, in plaats van een vis een slang geven? 12  Of een schorpioen, als het om een ei vraagt? 13  Als jullie dus, ook al zijn jullie slecht, je kinderen al goede gaven schenken, hoeveel te meer zal de Vader in de hemel dan niet de heilige Geest geven aan wie hem erom vragen.’ (NBV)

Vandaag vragen wij ons af hoe je moet bidden. Jezus van Nazareth gaf daarin volgens het Evangelie van Lucas les op verzoek van zijn leerlingen. Het gedeelte dat we uit de Bijbel lezen vandaag eindigt niet met het beroemde Onze Vader in de versie van het Evangelie van Lucas, het begint er mee. Het leert ons ook wat bidden eigenlijk is. Bidden is vragen, maar dan vragen naar wat je echt nodig hebt. Voor eten hebben we eigenlijk niet meer nodig dan brood. En om een beetje vrede te hebben weten we eigenlijk best dat we mensen om ons heen de fouten moeten vergeven waarvan we willen dat zij ze ons ook zouden vergeven. Natuurlijk mag je die noemen. Maar je mag ook zelf aan die mensen om je heen die vergeving vragen. Want meestal weten mensen hun eigen fouten het eerst, en de eerste zijn die om vergeving vraagt maakt dat mensen mild gestemd worden en ontvankelijker worden voor het noemen van hun eigen fouten, zeker als die vergeven worden.

Vergeving is dan ook niet zoiets als “zand erover”, maar veel meer “we beginnen opnieuw maar dan op andere manier”. Van vergeving groei je, zeiden ze vroeger wel eens, maar Paulus waarschuwde in een van zijn brieven dat je er niet maar op los moet leven zodat je veel meer vergeving krijgt voor alles wat je verkeerd doet. Het goede brengt het goede voort leren we. Natuurlijk, een vader die zijn kinderen liefheeft geeft ze geen oneetbare dingen als maaltijd. Wie dit leest en een vader, moeder of verzorger heeft en wel geslagen en vernederd wordt en dat niet durft te zeggen moet echt de kindertelefoon bellen., of er met iemand over praten. Ook die vader, moeder of verzorger kan vergeven worden voor de fouten die ze maken maar dat opnieuw beginnen kan alleen als iemand er over durft te spreken. Als iedereen snapt dat je kinderen het goede moet geven hoeveel meer kan het goede zelf dan voortbrengen.

Daarom moet je ook niet je mond houden bij het kindergehuil bij de buren, daarom moet je ook spreken over de blauwe plekken bij de buurvrouw of buurman, daarom moet je iets zeggen als de vrienden en vriendinnen van je eigen kinderen weer eens dronken zijn. Vergeven kan alleen beginnen als duidelijk is wat er vergeven moet worden, als we bereid zijn om het samen anders te gaan doen, het kwade te gaan weren en het goede toe te laten in ons leven. Dat is pas bidden en dan geldt zeker dat, als je bidt, je ook gegeven zal worden. Niet om rijkdom en aanzien valt er te bidden, niet om te zeggen hoe goed we wel niet zijn, maar om de Geest van God, want in die geest willen we werken en leven, niet voor onszelf maar voor onze naaste. Wij bidden dat het Koninkrijk van God zal komen, waar iedereen aan mee mag doen. Wij zelf hebben aan brood genoeg.

Dat zal haar niet worden ontnomen.

zaterdag, 23 juli, 2016

Lucas 10:38-42

38 ¶  Toen ze verder trokken ging hij een dorp in, waar hij gastvrij werd ontvangen door een vrouw die Marta heette. 39   Haar zuster, Maria, ging aan de voeten van de Heer zitten en luisterde naar zijn woorden. 40  Maar Marta werd helemaal in beslag genomen door de zorg voor haar gasten. Ze ging naar Jezus toe en zei: ‘Heer, kan het u niet schelen dat mijn zuster mij al het werk alleen laat doen? Zeg tegen haar dat ze mij moet helpen.’ 41  De Heer zei tegen haar: ‘Marta, Marta, je bent zo bezorgd en je maakt je veel te druk. 42  Er is maar één ding noodzakelijk. Maria heeft het beste deel gekozen, en dat zal haar niet worden ontnomen.’(NBV)

Als je het Bijbelgedeelte van vandaag leest dan is het toch wel heel erg verbazend dat de rol van vrouwen in de Kerk zo lang de rol van Martha was en in sommige kerkgenootschappen de Maria’s nog steeds niet de erkenning krijgen die Jezus van Nazareth in zijn dagen aan Maria gaf. Dat zorgen van die Martha is natuurlijk niet geheel verkeerd, maar er waren ongetwijfeld ook mannen in de buurt die hadden kunnen helpen. Het belangrijkste op dat moment was het leren dat Maria deed. Horen hoe je je naaste lief kunt hebben als jezelf, weten wie je naaste is. Martha moet ook leren dat bedienen toch heel iets anders is dan dienen. Dat houden van je naaste als van jezelf ook kan betekenen dat je kiest voor jezelf ook al is dat voor de ander vervelend. Maria kiest voor zichzelf en geeft daarmee Martha de kans dat ook te doen.

Waren ze allebei aan het bedienen van al die mannen geslagen dan had zich de vraag naar de eerlijke taakverdeling nooit voorgedaan en hadden we er ook vandaag nog steeds niks van kunnen leren. Dat is nu anders. We weten dat de Maria uit dit verhaal niet anders werd behandeld dan de apostelen en de leerlingen van Jezus van Nazareth. Zonder er veel woorden aan vuil te maken maakt het Evangelie van Lucas duidelijk dat er geen onderscheid is op het moment dat je met het Evangelie van Jezus van Nazareth bezig bent. Vrouwen die theologie hebben gestudeerd, vrouwen die ouderling of diaken willen worden, vrouwen die willen preken en de eucharistie bedienen hebben daar dus net zo veel recht op als mannen. Sterker nog, als vrouwen zich aandienen dan is dat anders dan in de wereld. In de wereld verdienen vrouwen in dezelfde functie minder dan mannen.

In de wereld mogen de vrouwen de koffie schenken terwijl de mannen vergaderen, in de wereld mogen de vrouwen de toiletten schoonmaken voor de managers met topinkomens en extra bonussen, in een echte christelijke kerk wordt er geen onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen. Door het verhaal van Jezus van Nazareth met Maria en Martha worden vrouwen bevrijd van hun bedienende rol die hen in de wereld maar al te vaak, en tot schade van die samenleving, wordt opgedrongen. Er is maar één ding noodzakelijk en dat is dat je jezelf leert waarderen zodat je je naaste nog meer kunt liefhebben. Dat is pas dienen en daar houdt het bedienen helemaal op om nooit meer terug te keren.

en droeg de leiding aan hem over

vrijdag, 22 juli, 2016

Numeri 27:12-23

12 ¶  De HEER zei tegen Mozes: ‘Beklim het Abarimgebergte, zodat je kunt uitkijken over het land dat ik de Israëlieten geef. 13  Wanneer je het gezien hebt, zul je met je voorouders verenigd worden, net als je broer Aäron. 14  Dat is omdat jullie in de woestijn van Sin, toen de Israëlieten met verwijten kwamen over water, tegen mijn bevel zijn ingegaan en in hun bijzijn geen ontzag hebben getoond voor mijn heiligheid.’ (Dat was het water van Meribat-Kades in de woestijn van Sin.) 15 ¶  Mozes antwoordde de HEER: 16  ‘Moge de HEER, de God die aan al wat leeft de levensadem schenkt, dan iemand over het volk aanstellen 17  die het kan leiden en de troepen kan aanvoeren, zodat het volk van de HEER niet wordt als een kudde schapen zonder herder.’ 18  De HEER zei tegen Mozes: ‘Laat Jozua, de zoon van Nun, bij je komen; hij is een man die geestkracht bezit. Leg hem de hand op 19  en laat hem plaatsnemen voor de priester Eleazar en voor de hele gemeenschap. Draag in ieders aanwezigheid de leiding aan hem over 20  en laat hem delen in het aanzien dat jij geniet. Dan zal heel Israël hem voortaan gehoorzamen. 21  Wanneer er een beslissing moet worden genomen, moet hij zich tot de priester Eleazar wenden, en die raadpleegt dan ten overstaan van de HEER de orakelstenen. Zijn uitspraak bepaalt of Jozua met de andere Israëlieten een veldtocht moet ondernemen of niet.’ 22  Mozes deed wat de HEER hem had opgedragen: hij liet Jozua bij zich komen, liet hem plaatsnemen voor de priester Eleazar en voor de hele gemeenschap, 23  legde hem de handen op en droeg de leiding aan hem over. Zo had de HEER het bij monde van Mozes bevolen. (NBV)

We komen aan het einde van het verhaal over de doortocht van  het volk Israël door de woestijn. Met vallen en opstaan is het volk een volk geworden. De eerste generatie is gestorven en de tweede generatie is zich al zeer bewust van het nieuwe land dat ze straks na de verovering van Kanaän te verdelen zullen hebben. Mozes is bijna de laatste die nog de uittocht uit Egypte heeft meegemaakt. Er zullen er twee overblijven die bij een eerste verkenning al het vertrouwen hadden dat de God van Israël hen zal helpen bij het opruimen van alle obstakels die ze waren tegen gekomen. Zij alleen legden de nadruk op de overvloed aan melk en honing van het land. Zij droegen een druiventros die je met twee mannen aan een stok over de schouder moest dragen. Zij mogen binnen. Mozes niet.

In de woestijn had het volk steeds opnieuw geklaagd over de obstakels die ze tegenkwamen, water dat ze nodig hadden, brood en vlees dat ze wilden eten. Hun God had er steeds  voor gezorgd. Maar één keer was Mozes zo kwaad geworden dat hij zelf met zijn staf op de rotsen had geslagen om voor het water te zorgen. Maar Mozes was God niet. Daarom komt voor hem een eind aan de reis. Mozes moet van God het grensgebergte, de Abarim, beklimmen. Daar zal hij de werkelijkheid van het land zien dat aan het volk vanouds wat beloofd. Hij had dat land voorzien. Zijn dromen van dat land had heel het volk in beweging gebracht, had het volk van Egypte bewogen uiteindelijk dat volk het land uit te jagen de woestijn in. Maar ook een ziener moet op God vertrouwen en leren dat de wegen van God nu eenmaal ondoorgrondelijk zijn. Mozes legt zich hierbij neer. Hij heeft nog één vraag, hij vraagt God een om een opvolger die het volk zal kunnen leiden.

Die opvolger wordt Jozua, de jongste van de twee verkenners die het land mogen binnen trekken. Van Jozua zegt God al dat hij de adem van God heeft, hij doet de dingen in de Geest van de God van Israël en vertrouwen op die God is het eerste dat je in de Geest van die God kunt doen. Maar Jozua krijgt niet alle voorrechten die Mozes had. Het direct spreken met God, zoals Mozes vanaf de ontmoeting bij de brandende braambos had gedaan was er voor Jozua niet meer bij. God zou voortaan spreken via de orakelstenen van de Hoge Priester. De bewaarde de stenen in een speciaal borststuk dat deel uitmaakte van zijn priesterkleding. Als de orakelstenen in het openbaar geworpen zouden worden dan hoefde het volk niet te twijfelen aan de beslissing die God had genomen over de zaak die was voorgelegd. Mozes moest nu het volk bijeenroepen en zijn gezag op Jozua overdragen door  hem de handen op te leggen. Het is wat er gebeurd als er een dominee verbonden wordt aan de Kerk en zijn gemeente. Sinds die gebeurtenis kan niemand zich er op beroepen een rechtstreeks bevel van God gekregen te hebben. We zijn hooguit opvolgers van Jozua, maar Mozes zijn we niet.