Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor juni, 2016

De Wijsheid is in het gelijk gesteld

woensdag, 8 juni, 2016

Lucas 7:29-35

29  Alle mensen die dit hoorden, ook de tollenaars, brachten hulde aan God en zijn gerechtigheid: zij hadden zich immers door Johannes laten dopen. 30  Maar de Farizeeën en wetgeleerden verwierpen het plan van God: zij hadden zich immers niet door hem laten dopen. 31  ‘Waarmee zal ik dan de mensen van deze generatie vergelijken, waarop lijken ze? 32  Ze lijken op kinderen die op het marktplein zitten en elkaar toeroepen:  “Toen we voor jullie op de fluit speelden, wilden jullie niet dansen, toen we een klaaglied zongen, wilden jullie niet treuren.” 33  Want Johannes de Doper is gekomen, hij eet geen brood en drinkt geen wijn, en jullie zeggen: “Hij is door een demon bezeten.” 34  De Mensenzoon is gekomen, hij eet en drinkt wel, en jullie zeggen: “Kijk, wat een veelvraat, wat een dronkaard, die vriend van tollenaars en zondaars.” 35  En toch is de Wijsheid door al haar kinderen in het gelijk gesteld.’ (NBV)

Het is niet goed of het deugt niet. Jezus van Nazareth wordt er kennelijk wanhopig van. Als je beantwoordt aan de ouderwetse opvatting van Profeet, de man uit de woestijn, die roept aan de rand van de rivier dat alles anders moet en zich voedt met wat hij onderweg vindt, dan spoor je niet. Als je gewoon met iedereen om wil gaan en iedereen bij de samenleving wil betrekken, dan ben je een veelvraat en ga je met de verkeerde mensen om. Er is wat dat betreft nog niet veel veranderd. Als je probeert wat goeds voor de mensen te bereiken dan zijn er snel allerlei redenen waarom dat niet deugt. Of je maakt mensen afhankelijk door ze een goede uitkering te geven, of je buit ze uit door ze voor een veel te laag loon alvast werkervaring op te laten doen zodat ze beter kunnen doorstromen zonder in een armoedeval te hoeven trappen.

Volgens Jezus van Nazareth was de Wijsheid in het gelijk gesteld. Een op het oog merkwaardig zinnetje na zijn verzuchtingen. Maar het begin van de Wijsheid is het ontzag voor God, is het je laten leiden door de Liefde. En dat gebeurt op de manier van Johannes de Doper en ook op de manier van Jezus van Nazareth. Hoe je het doet maakt dus kennelijk niet veel uit als je het maar doet. In het gedeelte dat we vandaag lezen gebruikt Jezus van Nazareth een kinderspelletje als voorbeeld. Kinderen spelen op de markt en spelen begrafenisje. Maar een gedeelte van de kinderen willen niet mee doen. Ze spelen fluit en de andere kinderen blijven stil staan kijken, ze zongen een klaaglied en weer bleven de andere kinderen staan. Wat willen die kinderen dan? De vergelijking met een kinderspelletje klinkt wel mooi maar het leven is geen kinderspel.

Het gaat om mensen in een harde werkelijkheid. Mensen die te maken hebben met onderdrukking en uitbuiting. Daar ging het Johannes de Doper om, daar gaan het Jezus van Nazareth om. De Farizeën en de Saducceën willen hun eigen bevoorrechte positie behouden. Zij hadden een akkoord met de Romeinse bezetters gesloten om het volk rustig te houden. Daarom is de omgang van Jezus met de Tollenaars zo bedreigend en wordt die zo scherp afgekeurd. Want als Jezus de tollenaars zo ver zou krijgen dat ze het uitbuiten zouden opgeven en niet meer tol zouden heffen als nodig is dan kan niet alleen de economie opbloeien maar dan zou ook blijken dat een volk zonder overeenkomst met de bezetters beter af was. Het conflict tussen Jezus en de religieuze autoriteiten is een politiek conflict. Daarom doe Jezus een beroep op de Wijsheid. Van de Wijsheid zegt de Bijbel dat ze roept op de hoeken van de straten, net als de kinderen dus en de Wijsheid roept wat God had gezegd, heb uw naaste lief als uzelf. Maar dus ook van de armen bevoorrechten, zij moeten allereerst geholpen worden. Dat is ook vandaag nog zo, blijf dus niet aan de kant staan maar ga aan het werk.

Blinden kunnen weer zien, verlamden weer lopen

dinsdag, 7 juni, 2016

Lucas 7:18-28

18  Johannes kreeg van zijn leerlingen bericht over al deze gebeurtenissen. Hij riep twee van zijn leerlingen bij zich 19 ¶  en stuurde hen naar de Heer, aan wie ze moesten vragen: ‘Bent u degene die komen zou of moeten we een ander verwachten?’ 20  Toen de mannen bij hem gekomen waren, zeiden ze: ‘Johannes de Doper heeft ons naar u gezonden om u te vragen: “Bent u degene die komen zou of moeten we een ander verwachten?”’ 21  Hij genas toen juist veel mensen van ziekten en allerlei aandoeningen en van boze geesten en hij gaf tal van blinden het gezichtsvermogen terug. 22  Hij antwoordde: ‘Zeg tegen Johannes wat jullie gezien en gehoord hebben: blinden kunnen weer zien, verlamden weer lopen, mensen met huidvraat worden gereinigd en doven kunnen weer horen, doden worden opgewekt, aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt. 23  Gelukkig is degene die aan mij geen aanstoot neemt.’ 24  Toen de afgezanten van Johannes vertrokken waren, zei hij tegen de menigte over Johannes het volgende: ‘Waar zijn jullie in de woestijn naar gaan kijken? Naar het wuiven van het riet in de wind? 25  Wat zijn jullie dan gaan zien? Een mens die zich in fraaie gewaden hulde? Welnee, want wie voorname kleding draagt en in weelde leeft, woont in een paleis. 26  Wat zijn jullie dan wel gaan zien? Een profeet? Jazeker, zeg ik jullie, en zelfs meer dan een profeet. 27  Hij is degene over wie geschreven staat: “Let op, ik zend mijn bode voor je uit, hij zal een weg voor je banen.” 28  Ik zeg jullie: van allen die geboren zijn uit een vrouw is niemand groter dan Johannes, maar in het koninkrijk van God is de kleinste nog groter dan hij.’ (NBV)    

Het publieke optreden van Jezus van Nazareth was begonnen toen hij zich liet dopen door Johannes in het water van de Jordaan. Een volkomen ander leven zou beginnen. Een leven zoals het bedoeld was volgens het verhaal van de uittocht uit Egypte, de tocht door de woestijn en de ontdekking van de richtlijnen voor een menselijke samenleving, daar midden in die woestijn. Daarom sprak Johannes aan de rand bij de rivier die liep tussen de woestijn en het beloofde land. Maar was die Jezus van Nazareth, die Jezus van de Bergrede nu de bevrijder die opnieuw de mensen naar een land overvloeiende van melk en honing zou brengen? Ooit had een profeet in het boek van de profeet Jesaja geschreven wat je dan te zien zou krijgen. We kunnen het nog nalezen in het negentwintigste hoofdstuk, in het zeventiende vers van dat hoofdstuk uit het boek van de profeet Jesaja. Daar staat precies hetzelfde als in het verhaal dat Lucas vandaag vertelt.

Met die boodschap mogen de leerlingen van Johannes terug. Vertel hem wat je ziet. Als ze hem dat vertellen zal hij denken dat je uit het boek van de profeet Jesaja voorleest, daardoor zal hij weten dat de bevrijder gekomen is, dat je inderdaad mensen kunt oproepen een volkomen ander leven te gaan lijden. Een leven dat vol staat van liefde, dat alle mensen weer mee laat doen en een plek in de samenleving geeft. Dan zorg je dat blinden kunnen zien, verlamden weer kunnen lopen, dat melaatsen, onreinen, paria’s,  niet langer worden gemeden maar worden genezen, dat de doven weer kunnen horen, dat de armen hun plek aan tafel krijgen en geen honger meer hoeven lijden, dat mensen die voor dood zijn achtergelaten weer opstaan en mee mogen gaan in het leven. Ergerlijk is dat soms, dat idealisme, die mensen ook die steeds maar drammen op dat liefhebben en delen met elkaar, die steeds maar willen dat je de zwaksten en de armsten een nieuwe kans geeft, die drammen op eerlijke handelsverhoudingen en rechtvaardige inkomensverdelingen. Je kunt je ergeren aan mensen die het veroordelen dat de topinkomens weer vele malen meer zijn gestegen dan de gemiddelde lonen, aan mensen die er op wijzen dat er zelfs in ons rijke land honger wordt geleden. Maar de mensen die zich niet ergeren en zich laten overtuigen er iets aan te gaan doen zijn vele malen gelukkiger.

Waarom staan die tollenaars eigenlijk in het gedeelte dat we vandaag aangereikt krijgen uit het dagelijks leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap. Het antwoord is dat ze er staan om ons duidelijk te maken waarover dit Bijbelgedeelte gaat. Die tollenaars zijn een soort douaniers. Ze stonden niet alleen aan de grenzen van het land maar overal waar goederen in en uitgevoerd werden. Langs alle wegen en bij de toegangen van steden en dorpen. Ze werkten niet zoals de douaniers van vandaag volgens de regels van de staat maar hadden het heffen van tol gepacht. En dan is de regel dat hoe meer je heft hoe meer je verdient. De armsten worden daarvan het eerst slachtoffer. Die tollenaars zijn we vandaag dus allemaal. Via onze democratische wetgeving bepalen we samen hoeveel tol, invoerrecht, er geheven wordt op goederen uit het buitenland. En ook daar geldt hoe meer invoerrecht, hoe hoger de tol, hoe meer we verdienen. Soms omdat we goederen heel graag willen hebben en het dus niet kan schelen hoeveel tol er betaald moet worden, maar veel vaker omdat de hoge tol de producten uit vreemde landen zo duur maakt dat we liever vergelijkbare producten kopen die hier gemaakt zijn. De armsten worden daarvan het eerst het slachtoffer. Daarom moeten we zorgen voor rechtvaardige handelsverhoudingen zodat iedereen gelijke kansen heeft, zodat we elkaar in de wereld echt kunnen helpen. Zodat de droom van Jesaja eindelijk werkelijkheid wordt. Jezus liet zien dat het kan.

We hebben gezondigd.

maandag, 6 juni, 2016

Numeri 14:26-45

26  De HEER zei tegen Mozes en Aäron: 27  ‘Hoe lang blijft dit verdorven volk zich nog tegenover mij beklagen? Ik heb hun voortdurende geklaag lang genoeg aangehoord. 28  Zeg hun dit: “Zo waar ik leef-spreekt de HEER -,ik zal zeker met jullie doen wat ik je heb horen zeggen. 29  Hier in de woestijn zullen jullie lijken liggen, de lijken van allen die ingeschreven zijn, allen van twintig jaar en ouder, niemand uitgezonderd, omdat jullie je tegenover mij beklaagd hebben. 30  Jullie zullen het land waarvan ik gezworen heb dat je er zou wonen, niet binnengaan, met uitzondering van Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun. 31  Jullie kinderen, die volgens jullie zouden worden buitgemaakt, zal ik er wel brengen. Zij zullen het land dat jullie versmaad hebben, leren kennen. 32  Maar wat jullie betreft, jullie lijken zullen hier in de woestijn komen te liggen, 33  en je kinderen zullen veertig jaar lang door de woestijn ronddolen om te boeten voor je ontrouw, tot jullie lijken hier in de woestijn vergaan zijn. 34  Veertig dagen hebben jullie het land verkend, veertig jaar zul je voor je schuld boete doen, één jaar voor elke dag. Dan zul je ondervinden wat het betekent als ik mijn handen van je aftrek.” 35  Ik, de HEER, zweer dat ik zo zal handelen met heel dit verdorven volk, dat tegen mij heeft samengespannen. Hier in de woestijn zal hun leven een einde nemen, hier zullen ze sterven.’ 36 ¶  De mannen die Mozes erop uitgestuurd had om het land te verkennen en die na hun terugkeer het volk tot geklaag hadden aangezet door allerlei ongunstigs over dat land te vertellen, 37  die mannen stierven in de buurt van het heiligdom ten gevolge van een plaag, omdat ze het land in een kwaad daglicht hadden gesteld. 38  Twee van de verkenners van het land echter, Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, bleven in leven. 39  Toen Mozes de woorden van de HEER aan de Israëlieten overbracht, werd het volk diepbedroefd. 40  De volgende morgen vroeg wilden ze de bergen in trekken. ‘We zijn alsnog bereid om op te trekken naar de plaats waarover de HEER gesproken heeft, ‘zeiden ze, ‘we hebben gezondigd.’ 41  Maar Mozes zei: ‘Waarom gaat u in tegen het bevel van de HEER? Zo’n onderneming is gedoemd te mislukken. 42  Trek niet ten strijde, want de HEER is niet in uw midden. Doet u het toch, dan zult u door uw vijanden verslagen worden, 43  want u komt daar tegenover de Amalekieten en de Kanaänieten te staan, en u zult in de strijd omkomen omdat u zich van de HEER hebt afgewend. De HEER zal u niet bijstaan.’ 44  Toch waren ze zo overmoedig om de bergen in te trekken, hoewel Mozes en de ark van het verbond met de HEER in het kamp bleven. 45  De Amalekieten en Kanaänieten die daar in het bergland woonden, kwamen hun tegemoet, brachten hun een verpletterende nederlaag toe en dreven hen terug tot Chorma. (NBV)

We moeten altijd goed kijken wat dat nu eigenlijk betekent dat zondigen. We weten dat het ooit met Adam en Eva begonnen is. Zij zouden zogenaamd gelijk aan God worden en dat kan natuurlijk niet. We weten het wel, dat we geen goden kunnen worden maar altijd mensen zullen blijven. Toch lijkt het er op of we het altijd beter willen weten dan God. Als God tot een volk zegt “Gij zult niet doden”, God zegt dat ook tot ons volk, dan zijn er altijd mensen die het beter willen weten. We kunnen toch niet geweldloos leven? We kunnen toch geen oorlogen bestrijden door geweldloos te blijven? We zouden wel kunnen proberen oorlogen te voorkomen door eerlijk te delen en zelfs onze vijanden lief te hebben maar dat is ingewikkeld, dan zouden we namelijk altijd moeten zorgen voor de zwaksten in de wereld en in de wereld zouden we sterk moeten zijn heet het dan. In het verhaal van vandaag gaat het net zo. God had besloten het volk een prachtig land te geven. Maar het volk wilde het beter weten, dat land was niet prachtig, daar woonden enge mensen in enge versterkte steden. Dat was de eerste zonde uit dit verhaal van het volk, beter weten dan God.

God trekt zijn handen af van de mensen die het beter willen weten. Ze kunnen doodvallen en dat doen de verkenners dan ook voor de Tent der Ontmoeting, niks Ontmoeting, ze kunnen letterlijk doodvallen. Dat is voor het volk natuurlijk behoorlijk schrikken. Vooral omdat God besloten heeft zijn handen niet van het volk als zodanig af te trekken maar van de generatie die bevrijd was uit de slavernij in Egypte maar bij elke tegenslag, bij elke uitdaging weer terug wil naar Egypte. Als ze die kant op willen dan moet het maar. Egypte was het land van de dood, daar werd letterlijk de dood aanbeden. De piramiden getuigen er van tot in onze dagen. Het volk had al veertig dagen door de woestijn getrokken, als ze nog een keer veertig jaar door de woestijn zouden trekken dan was iedereen van de eerste bevrijde generatie vanzelf gestorven. Dus: opnieuw de woestijn in. Maar het volk weet het weer beter. Net als bij ons. Hebben we niet zo lang geleden een oorlog gehad waarvan we konden leren dat we nooit en te nimmer meer onderscheid tussen mensen zouden moeten maken op grond van geloof, afkomst, sekse, levensovertuiging, leeftijd en gezondheid en wij gaan de ene groep tegen de andere opzetten. Wie een bepaald geloof aanhangt is gevaarlijk, wie oud is moet zelf zorgen voor de oplossing bij gebreken, wie een levensovertuiging heeft moet doe maar voor zichzelf thuis houden.

Het volk leert net als wij niks van de lessen van God. We blijven bezig. Het volk Israël besluit alsnog te vertrouwen op de belofte van God. Ze trekken zelf wel ten strijde tegen de vijandige volken. Maar dan vergeten ze belangrijke zaken uit de belofte van God, gij zult niet doden. Dat doden zou nodig kunnen zijn, maar dan omdat God het duidelijk wil. Die tweede generatie zal na veertig jaar de eerste de beste stad innemen zonder slag of stoot, alleen door het zeven dagen lang, zeven keer met de ark rond die stad te trekken. Nu trekken ze op tegen de vijandelijke volken in de Bergen en worden verslagen. Zelfs de waarschuwing van Mozes helpt niet. En Mozes sprak nog wel voortdurend met de God van Israël. Nee het volk moest het zo nodig beter weten. Die oorlog waarvan wij hadden kunnen leren herdenken we elk jaar opnieuw, al zeventig jaar lang. Elk jaar horen we weer vertellen over de verschrikkingen, over de volkenmoord die plaatsvond alleen op grond van de komaf van sommige mensen. Maar na die herdenking gaan we gewoon door, wie het verkeerde geloof heeft deugt niet, wie vlucht voor armoede, geweld en onderdrukking is niet welkom, we zetten ze liever op gammele bootjes zodat ze verdrinken. Misschien dat het tijd wordt het niet beter te willen weten dan God. In elke hongerige, naakte, dorstige, gevangene, onderdrukte, gewonde en bedroefde kunnen we zijn Zoon ontmoeten. Laten we die welkom heten en helpen.

Waren we maar in Egypte gestorven

zondag, 5 juni, 2016

Numeri 14:1-25

1 ¶  Hierop barstte het hele volk in tranen uit, heel de nacht door klonk hun gejammer. 2  Ze begonnen zich allemaal te beklagen. ‘Waren we maar in Egypte gestorven, ‘zeiden ze tegen Mozes en Aäron, ‘of hier in de woestijn. 3  Waarom brengt de HEER ons naar dat land? Om door het zwaard geveld te worden, en om onze vrouwen en kinderen te laten buitmaken? We kunnen beter teruggaan naar Egypte.’ 4  En tegen elkaar zeiden ze: ‘Laten we een leider kiezen en teruggaan naar Egypte.’ 5 ¶  Toen wierpen Mozes en Aäron zich ter aarde, ten overstaan van de voltallige gemeenschap van Israël. 6  Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, twee van degenen die het land verkend hadden, scheurden hun kleren 7  en zeiden tegen de Israëlieten: ‘Het land dat wij op onze verkenningstocht doorkruist hebben is een buitengewoon goed land, 8  een land dat overvloeit van melk en honing. Als de HEER ons goedgezind is, zal hij ons erheen brengen en het ons geven. 9  Maar verzet u dan niet tegen de HEER en wees niet bang voor de bevolking van het land: die vermorzelen we met gemak. Zij hebben niemand die hen beschermt en wij worden bijgestaan door de HEER. Wees dus niet bang voor hen.’ 10  Het volk dreigde hen te stenigen, maar toen verscheen de majesteit van de HEER in de ontmoetingstent aan de Israëlieten. 11 ¶  De HEER zei tegen Mozes: ‘Hoe lang zal dit volk mij nog afwijzen? Hoe lang nog zal het weigeren op mij te vertrouwen ondanks alle wonderen die ik verricht heb? 12  Ik zal het met de pest treffen en het verhinderen het land in bezit te nemen, en uit jou zal ik een volk laten voortkomen dat groter en sterker is dan dit.’ 13  Maar Mozes zei tegen de HEER: ‘Als de Egyptenaren, bij wie u dit volk met krachtige arm hebt weggeleid, dat te weten komen, 14  zullen zij het vertellen aan de inwoners van dit land. Die hebben gehoord dat u, HEER, te midden van dit volk verblijft en dat u persoonlijk aan hen bent verschenen, dat uw wolk boven hen hangt en dat u overdag in een wolkkolom voor hen uit gaat en ‘s nachts in een vuurzuil. 15  Als u nu iedereen van dit volk doodt, zullen alle volken die over uw daden hebben gehoord, zeggen: 16  “De HEER was zeker niet in staat om dat volk naar het land te brengen dat hij hun onder ede beloofd had. Daarom heeft hij hen in de woestijn afgeslacht.” 17  Laat daarom zien hoe groot uw verdraagzaamheid is, Heer. U hebt immers zelf gezegd: 18  “De HEER is geduldig en trouw, schuld en misdaad vergeeft hij, al laat hij niet alles ongestraft en al laat hij voor de schuld van de ouders de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde.” 19  Ik smeek u, toon uw grote trouw en vergeef dit volk zijn schuld, zoals u het steeds vergiffenis hebt geschonken, van Egypte af tot hier toe.’ 20 ¶  De HEER antwoordde: ‘Ik zal vergeving schenken, zoals je vraagt. 21  Maar zo waar ik leef en de hele aarde vervuld is van de majesteit van de HEER, 22  niemand van degenen die mijn majesteit gezien hebben en de wonderen die ik in Egypte en in de woestijn heb verricht, en die mij nu al tien keer op de proef gesteld hebben door mij niet te gehoorzamen, 23  zal het land zien dat ik hun voorouders onder ede heb beloofd. Niemand van hen die mij hebben afgewezen krijgt het te zien. 24  Maar mijn dienaar Kaleb, die door een andere geest bezield was en mij volkomen trouw is geweest, hem zal ik naar het land brengen waar hij geweest is, en zijn nakomelingen zullen het bezitten. 25  Nu wonen daar de Amalekieten en Kanaänieten nog in de valleien. Keer morgen om en trek de woestijn weer in, in de richting van de Rode Zee.’ (NBV)

Een ideale samenleving is nooit zonder slag of stoot te bereiken. Zelfs de bevrijding van de slavernij in Egypte had het volk een hoop ellende bezorgt. Telkens als die Mozes aan de Farao had gevraagd om het volk de gelegenheid te geven in de woestijn hun God te gaan aanbidden waren de werkomstandigheden verzwaard. Toen uiteindelijk het volk het land werd uitgejaagd omdat bij de Egyptenaren de eerstgeborenen dood gingen en bij de Hebreeën niet duurde het geen dag of de Farao had zich bedacht en werd het volk door Farao met een leger van paarden en wagens achtervolgt. Dat zij door de Schelfzee trokken en de Farao met al die zware paarden en wagens daar verdronk was het eerste wonder dat ze hadden meegemaakt. Maar wat was er te eten geweest daar in de woestijn. In Egypte was er vlees en brood in overvloed. Maar het ongezuurde brood was opgeraakt en vlees om te eten was er veel te weinig. Veehouders eten nu eenmaal niet hun kuddes op. Ze kregen dan wel manna en kwartels maar de overvloed van Egypte bleef trekken.

En dan blijkt dat zogenaamde beloofde land wel rijk en aantrekkelijk te zijn maar tegelijk ook bewoond door mensen in steden met dikke muren, door reuzen ook. Dan slaat de angst toe. Een beroep op een God die met je meetrekt wekt toch weinig vertrouwen. Duidelijk wordt dat je de handen uit de mouwen zult moeten steken om je dat beloofde land je eigen te maken. Een dergelijke angst kennen wij ook. Maatschappelijke veranderingen roepen die angst nu eenmaal op. De angst valt wel te bestrijden maar is evengoed hardnekkig en komt iedere generatie weer terug. Je zal ook maar net een goedkope huur of koopwoning hebben  betrokken en dan komt er een stroom van mensen die ook willen wonen maar die nog armer zijn als. Je zult net een baan hebben verovert waar een kans op een wat langer dienstverband is en een bijbehorend pensioen is en dan komt er een stroom mensen die ook willen werken. Je zult maar in een dorp of stadswijk wonen waar nog maar weinig misdaden gepleegd worden en elke dag staan er veel misdaden genoemd in de kranten en op de televisie, en dan komt er een stroom mensen met andere gewoonten uit landen met geweld en oorlog. Hoe bescherm je je tegen die ongewenste en bedreigende veranderingen anders dan door hard te schreeuwen en boe te roepen. Dat horen we dan ook.

De God van Israël wordt boos op dat gemekker van zijn volk. Hij had ze toch bevrijd uit de slavernij? Hij had toch voor het volk gezorgd in de Woestijn? Hij had ze toch een verzameling richtlijnen gegeven waarmee ze een menselijke samenleving zouden kunnen inrichten? Een volk dat dat allemaal niet waard is moet maar dood. Maar dan komt Mozes, zijn argumenten hebben al eerder gewerkt. Dat volk had het met die God gewaagd. Zij waren met hem de woestijn ingetrokken. Als dat avontuur op niks zou uitlopen zouden de Egyptenaren en alle ongelovigen kunnen zeggen dat ze het hadden zien aankomen. Die God van Israël is niks waard. Het zijn argumenten waarvoor de God van Israël gevoelig is. Hij had het volk uitgekozen om te laten zien dat de manier van leven die die God voorstond uiteindelijk echt leven zou betekenen. De generatie die het met hem heeft gewaagd is te veel door angst bevangen om die nieuwe samenleving in te richten. Het zal moeten gebeuren door hun kinderen die Egypte niet meer gekend hebben. In onze dagen moeten we ons daarom misschien wat minder druk maken over de schreeuwers tegen asielcentra en moskeeën. Beter is onze kinderen mee te nemen naar ontmoetingen met vluchtelingen en moslims. Samen zullen ze immers een nieuwe samenleving vorm moeten geven. We hoeven niet bang te zijn dat het niet zou kunnen. De verhalen uit de Bijbel roepen ook ons op het maar met die God en zijn richtlijnen te wagen. Heb uw naaste lief als uzelf, vandaag en morgen ook.

 

Het vloeit over van melk en honing

zaterdag, 4 juni, 2016

Numeri 13:25-33

25  Nadat ze het land veertig dagen lang verkend hadden, keerden ze terug 26 ¶  naar Kades in de woestijn van Paran, naar Mozes, Aäron en de andere Israëlieten. Ze brachten aan het hele volk verslag uit en lieten de vruchten uit het land zien. 27  ‘Wij zijn in het land geweest waar u ons naartoe hebt gestuurd, ‘vertelden ze aan Mozes. ‘Werkelijk, het vloeit over van melk en honing, en deze vruchten groeien er. 28  Maar daar staat tegenover dat de bevolking van dat land sterk is. De steden zijn versterkt en heel groot, en ook hebben we er Enakieten gezien. 29  In de Negev wonen Amalekieten, in het bergland Hethieten, Jebusieten en Amorieten, en aan de kust en langs de Jordaan wonen Kanaänieten.’ 30  Kaleb, die wilde voorkomen dat het volk zich tegen Mozes zou verzetten, zei: ‘We kunnen zonder probleem optrekken en het land in bezit nemen. We kunnen dat volk makkelijk aan.’ 31  Maar de mannen die met hem mee waren geweest zeiden: ‘We kunnen dat volk niet aanvallen, het is te sterk voor ons.’ 32  En ze vertelden de Israëlieten allerlei ongunstigs over het land dat ze verkend hadden. ‘Het land dat wij op onze verkenningstocht doorkruist hebben, ‘zeiden ze, ‘verslindt zijn inwoners, en alle mensen die we er gezien hebben waren uitzonderlijk lang. 33  We hebben daar zelfs reuzen gezien, de Enakieten. Vergeleken bij dat volk van reuzen voelden wij ons maar nietige sprinkhanen, en veel meer zullen we in hun ogen ook niet geweest zijn.’ (NBV)

Het zal mooi zijn, een land dat overvloeit van melk en honing. Dat zal dat volk van veeboeren wel aanspreken. Dat is een belofte waar je wel achteraan wil gaan. Maar een Nederlandse dichter zal vele eeuwen later het dilemma onder woorden brengen “want tussen droom en daad, staan wetten in de weg en praktische bezwaren. Wie het land Israël kent weet dat het helemaal geen land is dat voor het gemak van de mensen overvloeit van melk en honing. Je moet hard werken om het vruchtbaar te maken. Vanouds is het ook een doorgangsgebied. Het ligt op de route tussen Egypte en Babel. Een handels en oorlogsroute waar het  volk in haar geschiedenis de nodige ellende aan heeft beleefd. Dat begon al met de reis door de woestijn, want op de kortste route van Egypte naar Kanaän hadden de Egyptenaren een reeks van versterkte forten gebouwd. In dat nieuwe, beloofde land, zijn dan ook een groot aantal versterkte steden. Je begint al met een woestijn met woeste krijgers, de Amelakieten.

Dat volk hebben ze ontmoet en het viel hen in de rug aan. Hethieten hadden ook herhaaldelijk aanvallen uitgevoerd op Egypte en dat had het klimaat tussen Egyptenaren en vreemdelingen er niet beter op gemaakt. Wie nog weet had van de slavernij wist ook nog wel dat de bedreiging door de Hethieten daar een rol in had gespeeld. Die Jebusieten en Amorieten zullen wel niet beter geweest zijn als het hen gelukt was om samen met die Hetieten te overleven.  En dan krijg je ook nog de Kanaänieten. Alleen Kaleb, uit de stam van Juda, nam de toekomstdroom van Mozes in bescherming. Al die volken zijn gemakkelijk te overwinnen. Problemen zijn er immers om opgelost te worden en niet om verlamd te raken van hun omvang. Maar zijn medeverkenners zijn het daar niet mee eens. Het land verslindt haar eigen bewoners en bovendien wonen er reuzen, die zijn onverslaanbaar.

Veertig dagen hebben ze het land verkend. Als je dat zo in de Bijbel ziet staan moet je niet denken dat ze op dag één vertrokken en op dag veertig terugkwamen. Dat getal veertig duidt op de volheid van de taak die gedaan moest worden. Veertig jaar trok het volk door de woestijn, veertig dagen trok Jezus zich terug in de woestijn. Veertig dagen is dus het land verkend, en langer hoefde niet, in veertig dagen hadden ze alles wel gezien. Dat beloofde land blijft in de ogen van de meesten een belofte die niet vervuld zal worden. Alleen Kaleb lijkt het te zien, zijn volk zou het zelf waar kunnen maken. Ze hadden immers de richtlijnen van hun God, ze hadden een Tent voor ontmoeting met die God, en ze hadden Mozes die direct met die God kon spreken. En daarmee komen we ook in onze dagen. Een wereld vol vrede, een wereld zonder honger, een wereld van eerlijk delen en zorg voor de minsten lijkt een onmogelijke droom. Er zijn allerlei bezwaren aan te voeren tegen de weg die gevolgd moeten worden en tegen een toekomst als die zonder tranen. Maar we hebben dezelfde mogelijkheden als Kaleb, we kunnen er gewoon mee beginnen en dan zullen we zien dat we dat beloofde land, die nieuwe aarde waar het hemels is, zullen bereiken. Vandaag beginnen dus.

De zoon van Nun, noemde hij Jozua

vrijdag, 3 juni, 2016

Numeri 13:1-24

1 ¶  De HEER zei tegen Mozes: 2  ‘Stuur er een aantal mannen op uit om Kanaän, het land dat ik de Israëlieten geven zal, te verkennen. Kies daartoe uit elke stam één man, een familiehoofd.’ 3  Mozes deed wat de HEER gebood en stuurde er vanuit de woestijn van Paran mannen op uit, die allen tot de leiders van de Israëlieten behoorden. 4  Dit zijn hun namen: uit de stam Ruben Sammua, de zoon van Zakkur; 5  uit de stam Simeon Safat, de zoon van Chori; 6  uit de stam Juda Kaleb, de zoon van Jefunne; 7  uit de stam Issachar Jigal, de zoon van Josef; 8  uit de stam Efraïm Hosea, de zoon van Nun; 9  uit de stam Benjamin Palti, de zoon van Rafu; 10  uit de stam Zebulon Gaddiël, de zoon van Sodi; 11  van de afstammelingen van Jozef uit de stam Manasse Gaddi, de zoon van Susi; 12  uit de stam Dan Ammiël, de zoon van Gemalli; 13  uit de stam Aser Setur, de zoon van Michaël; 14  uit de stam Naftali Nachbi, de zoon van Wofsi; 15  uit de stam Gad Geüel, de zoon van Machi. 16  Zo luidden de namen van de mannen die Mozes erop uitstuurde om het land te verkennen. Hosea, de zoon van Nun, noemde hij Jozua. 17  Toen Mozes hen uitzond om Kanaän te verkennen, droeg hij hun dit op: ‘Ga eerst door de Negev en dan de bergen in, 18  en kijk hoe het land is, of de bevolking sterk is of zwak en of er veel of weinig mensen wonen. 19  Kijk of het land bewoonbaar is of onherbergzaam en hoe de bevolking woont, in gewone dorpen of in vestingsteden, 20  en kijk of de grond vet is of schraal, en of er bomen groeien of niet. En probeer vooral ook vruchten uit het land mee te nemen.’ Het was juist de tijd van de eerste druiven. 21 ¶  Ze gingen op weg en verkenden het land van de woestijn van Sin tot aan Rechob, bij Lebo-Hamat. 22  Ze trokken door de Negev en kwamen daarna in de buurt van Hebron, waar de Enakieten Achiman, Sesai en Talmai woonden. (Hebron is zeven jaar eerder gebouwd dan Soan in Egypte.) 23  In het Eskoldal aangekomen sneden ze een rank met één tros druiven af, die ze met zijn tweeën aan een stok moesten dragen, en ook wat granaatappels en vijgen. 24  Aan de druiventros die de Israëlieten daar afsneden, heeft het Eskoldal zijn naam te danken. (NBV)

Vandaag een stoer verhaal. De verkenning van het beloofde land. Het hele volk is bij die verkenning betrokken. Uit elke stam wordt een leider gekozen, met naam en toenaam staan ze vermeld. Dit zijn de namen, zo heet het boek Numeri in het Hebreeuws, en voor die mannen mag een standbeeld worden opgericht. Dat standbeeld is dit verhaal zo lijkt het. Het volk is nog in de woestijn, die wordt hier nog eens uitdrukkelijk genoemd, en vanuit de woestijn wordt het nieuwe land verkend. Er zijn ook in onze dagen mensen die een nieuwe, andere, meer rechtvaardige samenleving verkennen. Hen wordt wel eens verweten bezig te zijn met een maakbare samenleving. Maar zonder verkenning blijf je in het bestaande steken en het bestaande is al verouderd op het moment dat het er is. We zeggen niet voor niets dat regeren vooruit zien is. De vraag is natuurlijk wel of je verkenning een land op zal leveren dat inderdaad rechtvaardiger is, waar inderdaad de bescherming van de zwakken is verbeterd, waar de verdeling van de welvaart eerlijker verloopt.

Dat zijn dus ook de vragen die aan de verkenners worden gesteld. Ze komen uit de woestijn en moeten eerst de woestijn in, de Negev. En in die woestijn kwamen ze tot de ontdekking dat het woestijn is. Daarna kwamen ze in het land zelf, tijdens de druivenoogst, de tijd vlak voor het feest dat later door het volk als Loofhuttenfeest gevierd zou worden. Hebron deed zich voor als een zeer oude stad, ouder nog dan de oudste stad die ze uit Egypte nog kenden. En een stad wordt alleen maar oud als de stad onneembaar is geweest. Terloops wordt vermeld dat er drie reuzen woonden, ook zij staan hier met name genoemd. Dat is niet voor niks. Hebron was de eerste Koningsstad van David, de hoofdstad van Juda. Pas toen David koning werd ook van Israël, van Efraïm koos hij een stad die in het midden lag, Jeruzalem. David kon Hebron tot hoofdstad maken omdat hij niet alleen de reus Goliat had verslagen maar later ook die reuzen Achiman, Sesai en Talmai.

Zo staat alles en iedereen met naam en toenaam vermeld. Maar er zijn twee namen die in het verhaal veranderen. De eerste is de naam van Hosea de zoon van Nun. Namen hebben in de verhalen uit de Bijbel vaak een betekenis, een betekenis die een deel van het verhaal verteld. Zo ook hier. Hosea betekent iets als “redt toch”, hij krijgt de naam Jozua, dat betekent “Hij zal redden”, van een gebed wordt de naam een belofte. Jozua zal in de loop van de geschiedenis van Israël de bevrijder van het beloofde land worden. De belofte die hij hier krijgt gaat dus echt in vervulling. Maar die naam Jozua kennen wij ook in het Grieks, die staat centraal in wat wij het nieuwe testament noemen, die naam staat daar als Jezus. Het verkennen van een beloofd land, zoals Jozua hier doet, zoals Jezus bijvoorbeeld in de Bergrede heeft gedaan, levert ook het een en ander op. Het Eskoldal levert het een naam op. Daar groeien trossen druiven die zo groot zijn dat je ze met z’n tweeën moet dragen. Wat zal het land opleveren waar wij van dromen? Het land waar alle tranen gedroogd zullen zijn en waar we elke dag weer aan mogen werken? Een vraag die we zelf met toekomst moeten beantwoorden.

Zijn huwelijk met een Nubische vrouw

donderdag, 2 juni, 2016

Numeri 12:1-16

1 ¶  Mirjam en Aäron maakten aanmerkingen op Mozes vanwege zijn huwelijk met een Nubische vrouw: ‘Hij is met een Nubische getrouwd!’ 2  Ook zeiden ze: ‘Heeft de HEER soms uitsluitend bij monde van Mozes gesproken en niet ook bij monde van ons?’ De HEER hoorde dit. 3  Nu was Mozes een zeer bescheiden man-niemand op de hele wereld was zo bescheiden als hij. 4  Onmiddellijk gebood de HEER Mozes, Aäron en Mirjam: ‘Ga alle drie naar de ontmoetingstent.’ Dat deden ze. 5  Toen daalde de HEER af in de wolkkolom, ging bij de ingang van de tent staan en riep Aäron en Mirjam. Nadat zij beiden naar voren waren gekomen, 6  zei hij: ‘Luister goed. Als er bij jullie een profeet van de HEER is, maak ik mij in visioenen aan hem bekend en spreek ik met hem in dromen. 7  Maar met mijn dienaar Mozes, op wie ik volledig kan vertrouwen, ga ik anders om: 8  met hem spreek ik rechtstreeks, duidelijk, niet in raadsels, en hij aanschouwt mijn gestalte. Hoe durven jullie dan aanmerkingen op mijn dienaar Mozes te maken?’ 9  De HEER ontstak in woede tegen hen en ging weg. 10 ¶  Nauwelijks had de wolk de tent verlaten of Mirjam werd getroffen door huidvraat, haar huid was wit als sneeuw. Toen Aäron zich naar Mirjam omdraaide en zag dat ze door huidvraat getroffen was, 11  zei hij tegen Mozes: ‘Ik smeek je, reken ons de zonde die wij in onze dwaasheid begaan hebben niet aan. 12  Laat Mirjam niet als een doodgeboren kind blijven, waarvan het lichaam al half vergaan is als het uit de moederschoot komt!’ 13  Toen riep Mozes luid de HEER aan: ‘Ik smeek u, God, genees haar!’ 14  De HEER antwoordde Mozes: ‘Als haar vader haar openlijk in haar gezicht had gespuugd, zou ze die schande zeven dagen moeten dragen. Daarom moet ze zeven dagen buiten het kamp gehouden worden, daarna mag ze terugkomen.’ 15  Zo werd Mirjam zeven dagen buiten het kamp gehouden, en het volk brak niet op zolang zij niet was teruggekeerd. 16  Na haar terugkeer trokken ze weg uit Chaserot en sloegen ze hun kamp op in de woestijn van Paran. (NBV)

Rassendiscriminatie gaat gepaard met hoogmoed, dat is de boodschap van het gedeelte dat we vandaag lezen. Twee vrouwen spelen een rol, de zuster van Mozes en de vrouw van Mozes. De vrouw die Mozes hier had getrouwd was een zwarte, uit Nubië. Natuurlijk spreken we netjes over een Nubische of Ethiopische vrouw, maar soms als we netjes, politiek correct, spreken dan vergeten we waar het eigenlijk om gaat. Onlangs nog werd een Nederlandse artiest aangehouden omdat hij in een dure auto reed. Hij was nog jong. De politie wilde graag weten hoe dat te rijmen viel. Zo, netjes gezegd, klinkt het niet eens zo verwerpelijk. Maar hij was ook zwart en die kleur had de politie extra doen besluiten de bekende en succesvolle artiest aan te houden om te vragen waar hij in vredesnaam die dure auto vandaan had. Toen het verhaal naar buiten kwam heeft het politiekorps haar excuses aangeboden. Maar de vraag blijft hoe we dit soort discriminatie kunnen bestrijden. Ook de Bijbel heeft daar niet het laatste woord over, maar die dwingt ons nog eens goed na te denken hoe we met elkaar omgaan.

Het zijn Mirjam en Aäron die kritiek hebben op de keuze van Mozes voor een zwarte vrouw. Mozes heeft iets moois, iets bijzonders gekregen en waarom krijgen en Aäron dat niet? Zij spreken toch ook met God? Zij verkondigen toch ook het Woord van de Heer? Zij geven toch ook net als Mozes leiding aan het volk? Om nog even goed duidelijk te maken wat deze kritiek betekent heeft de Bijbelschrijver er aan toegevoegd dat Mozes nooit zoiets over zichzelf gezegd zou hebben, hij was de meest bescheiden man op de hele wereld. Voor ons is dus gelijk duidelijk dat Mozes die lof niet zelf over zichzelf zou hebben opgeschreven. De twee broers en de zuster werden door God naar de Tent der Ontmoeting geroepen. Hier hing de wolk van God, hier sprak Mozes met God en dit Heiligdom stond direct onder de hoede van Aäron. Hier spreekt God dus met het drietal. Mozes blijkt wel degelijk een aparte positie te hebben. Profeten als Mirjam en Aäron dromen van dat land dat God beloofd heeft, zij hebben visioenen over het doel van de reis van het volk, zij merken vanuit die visioenen op wat het volk nodig heeft om daar te komen waarheen men gaat.

Maar Mozes spreekt direct met God, oog in oog. Daarom is Mozes bijzonder. Het verschil tussen Mozes en zijn broer en zuster wordt duidelijk gemaakt door het verschil tussen de twee vrouwen uit het verhaal duidelijk te maken. Ze kreeg huidvraat. We kennen die ziekte niet meer precies, ook huizen kunnen huidvraat krijgen, maar we weten dat de huid van de door huidvraat getroffene wit uitslaat. De ziekte huidvraat is vaak dodelijk. Dat brengt Aäron er toe Mozes te vragen te bemiddelen bij de Heer om Mirjam in leven te houden. God houdt zich aan de eigen richtlijnen. Daar was al gezegd dat een lijder aan huidvraat buiten de legerplaats gebracht moest worden tot die genezen zou zijn. Mirjam zou de hele Goddelijke tijd, zeven dagen, buitengesloten worden. De witte buiten, de zwarte binnen. Als de keuze van Mozes verkeerd zou zijn geweest dan had God dat wel vertelt, maar bij die keuze speelt de huidskleur of de afkomst geen rol. En Mirjam en Aäron? Juist omdat ze zichzelf beter vonden als de nieuwe vrouw van Mozes werden ze gestraft voor hun kritiek. Net als de politieagent die nog wel kon accepteren dat een blanke jonge man in een dure auto rijdt maar dat het uitgesloten is voor een zwarte jonge man. Wij mogen dus best nog wel eens nagaan waar onze  vooroordelen liggen. De regen valt voor schuldigen en onschuldigen. Huidskleur en afkomst spelen daarbij geen rol. Laten we de rol die ze in onze samenleving spelen daarom uitbannen.

 

Profeteerde iedereen maar!

woensdag, 1 juni, 2016

Numeri 11:24-35

24 ¶  Mozes ging naar buiten en bracht de woorden van de HEER aan het volk over. Daarna bracht hij zeventig oudsten van het volk bijeen en stelde hen rond de tent op. 25  Toen daalde de HEER af, in de wolk. Hij sprak tot Mozes en droeg een deel van de geest die op hem rustte, op de zeventig oudsten over. Zodra de geest op hen rustte begonnen ze te profeteren. Dat is daarna niet opnieuw gebeurd. 26  Twee mannen, van wie de een Eldad heette en de ander Medad, waren in het kamp gebleven; ze stonden wel op de lijst van zeventig maar waren niet naar de tent gegaan. Zodra de geest op hen rustte begonnen ook zij te profeteren, in het kamp. 27  Een jongeman rende naar Mozes toe en zei: ‘Eldad en Medad zijn in het kamp aan het profeteren!’28  ‘Zeg dat ze daarmee ophouden, heer!’ zei Jozua, de zoon van Nun, die van jongs af aan Mozes’ rechterhand was geweest. 29  Maar Mozes zei: ‘Denk je soms dat jij voor mijn belangen moet opkomen? Legde de HEER zijn geest maar op heel het volk! Profeteerde iedereen maar!’ 30  Daarop keerden Mozes en de oudsten van Israël naar het kamp terug. 31 ¶  Toen liet de HEER een wind opsteken, die vanaf de zee kwartels aanvoerde en ze boven het kamp liet neervallen. Ze lagen overal rond het kamp, tot op een afstand van een dagreis, in een laag van wel twee el dik. 32  Het volk raapte de kwartels op en was daar de hele dag en de hele nacht mee bezig, en ook de hele volgende dag. Niemand verzamelde minder dan tien ezelslasten. Ze legden ze overal rond het kamp te drogen. 33  Maar ze hadden het vlees nog niet fijngekauwd of de HEER ontstak in woede tegen het volk en bracht het een grote slag toe. 34  Die plaats kreeg de naam Kibrot-Hattaäwa, naar het onverzadigbare volk dat daar begraven werd.35  Van Kibrot-Hattaäwa trok het volk verder naar Chaserot, en daar bleven ze een tijdlang. (NBV)

Het is nooit goed of het deugt niet. Probeer je wat verlichting te brengen dan hoort het niet of het gaat niet volgens de regels en dan heb je nieuwe problemen. De Tent der Ontmoeting, die we ook kennen als de Tabernakel, daar waar de richtlijnen van Mozes werden bewaard, werd nu eens opgesteld buiten de legerplaats. Daar moesten ze samenkomen en daar kregen de zeventig vertegenwoordigers van het volk te horen dat ze de macht van Mozes voortaan zouden delen. Die macht was direct religieus gekoppeld en dat delen maakte dus diepe indruk. Maar het nam ook de nodige spanning weg en de 70 gingen compleet uit hun dak. In het Hebreeuws staat er niet alleen dat ze profeteerden maar dat ze zongen als profeten, een extatische vorm van religieus beleven dat je ook vandaag de dag in het Midden Oosten nog tegen kunt komen.

In Israel maakten ze daar geen gewoonte van want het gebeurde maar één keer staat er. Niet iedereen was naar de Tent van de Ontmoeting gegaan. Twee vertegenwoordigers waren in het legerkamp achtergebleven en dat hoorde dus niet! Die moest je opsluiten. De jonge Jozua, lijfwacht van Mozes, moest nog heel veel leren voordat hij de macht zou mogen overnemen. Die twee hadden het zo ook begrepen, ze deelden nu de verantwoordelijkheid maar ook het Goddelijke met Mozes. Was iedereen maar bereid op die manier voor het volk te zorgen. Want zo ging het niet natuurlijk. Toen ze eindelijk door hadden dat er ook de woestijn volop vlees te vinden is waren er bij die niet konden ophouden met schrokken en zich volproppen. En daar ga je dan vervolgens dood aan. In plaats van de kwartels te drogen, mee te nemen en te delen met wie het nodig heeft, schrok je zo veel mogelijk en zo snel mogelijk naar binnen. Daarom werd de plaats genoemd: Graven der Begerigen, de manier waarop de Nieuwe Bijbelvertaling vertaalt verbergt soms helaas de betekenis want Graven der Begerigen kennen wij ook.

Denk maar aan de chauffeurs van de ASO bakken, de benzine of diesel slurpende auto’s die binnensteden vervuilen en verstoppen en  brandstof verbruiken alsof er geen energiecrises is, het klimaat sneller veranderd als gedacht was en de olie echt opraakt in de wereld. Het zijn autobezitters die zich gedragen als de onverzadigbare verzamelaars van de kwartels in de woestijn. Alleen het eigen kortstondig genot telt en verder niets. In de Woestijn was de oplossing dat ze er aan dood gingen, mooi gezegd is dat hier: God straft onmiddellijk. Wij zouden zo’n geordende maatschappij kunnen zijn dat we de ASO bakken gewoon zouden kunnen verbieden. Dat doen we dus niet, wij beschermen de rijken, bij ons kunnen de oliemaatschappijen bekend maken dat de winsten nog nooit in de geschiedenis zo hoog zijn geweest. Bij ons gaan de armen in de wereld dood omdat alle winst verzameld wordt in de rijke landen, de landen die toch al ezels genoeg hebben om de lasten te dragen. De Weg van het volk Israel lijkt daardoor toch een betere weg om te gaan.