Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor mei, 2016

De HEER zal macht aan zijn volk verlenen

vrijdag, 20 mei, 2016

Psalm 29

1 ¶  Een psalm van David. Erken de HEER, o goden, erken de HEER, zijn macht en majesteit, 2  erken de HEER, de majesteit van zijn naam, buig u voor de HEER in zijn heilige glorie. 3  De stem van de HEER boven de wateren, de God vol majesteit doet de donder rollen, de HEER boven de wijde wateren, 4  de stem van de HEER vol kracht, de stem van de HEER vol glorie. 5  De stem van de HEER splijt ceders, de HEER splijt de ceders van de Libanon. 6  Opspringen doet hij de Libanon als een kalf  en de Sirjon als het jong van een wilde stier. 7  De stem van de HEER ontbrandt in vurige vlammen, 8  de stem van de HEER brengt de woestijn tot beven, beven doet de HEER de woestijn van Kades. 9  De stem van de HEER doet de hinden kalven en de geiten hun jongen werpen. Majesteit! roept heel zijn paleis. 10  De HEER heeft zijn troon boven de vloed, ten troon zit de HEER als koning voor eeuwig. 11  De HEER zal macht aan zijn volk verlenen, de HEER zal zijn volk zegenen met vrede. (NBV)

Vandaag zingen we mee met een Psalm die begint met een oproep aan de goden. Zijn die er dan? We geloven toch dat er maar één God is? Vertalers hebben het dan ook lang moeilijk gehad met de vertaling van het Hebreeuwse origineel. In de Statenvertaling gaat de oproep uit naar de “kinderen der machtigen”, in de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap uit 1951 staat “hemelingen”, ook leest men wel “zonen van God” of “zonen van goden” en in de Groot Nieuws Bijbel zelfs “leden van het hemelse hof”. Maar zoals een dominee uit Zeeland eens treffend opmerkte: je hoeft niet in een god te geloven om die god te aanbidden. Wij kennen vele goden, de goden van winst en profijt voorop. Wat aan die goden allemaal wel niet geofferd moet worden. En dan zijn er nog de geesten en machten met wie we denken te kunnen communiceren via geestenfluisteraars en mediums. Ook maken we onze carrière soms tot een god, of ons bezit, of ons huis, of zelfs onze auto.

De psalmdichter heeft dat haarfijn aangevoeld en roept ons op om al die zogenaamde goden in dienst te stellen van de God van Israël. Want niet die goden hebben macht over ons, uiteindelijk hebben wij macht over al die zogenaamde goden. Die macht krijgen we pas echt als we de God van Israël als Heer erkennen. Dan zien we in dat wij zelf die goden maken die ons leven beheersen. De god van de agenda, de god van de telefoon, de god van de sociale media die ons elke ogenblik vertellen waar ons mee bezig te houden, de god van meer en hoger en beter. Wij zijn de baas over die goden. Want de God van Israël geeft ons de macht om alles wat we bereiken te delen met de mensen die het in het leven niet kunnen bereiken. Die God geeft ons de macht onze naaste lief te hebben als onszelf.

En zeg nu zelf, van al die goden die we in de samenleving tegenkomen gaat toch geen liefde uit? Die goden maken mensen tot slaven, die drijven mensen voort, die maken mensen kapot als het nodig is, die goden leiden alleen tot de dood. De God van Israel bevrijdt ons daarvan. Die wil niet meer en niet anders van ons dan dat we onze handen uitsteken naar de mensen die het nodig hebben. Dat we luisteren naar de roep van hongerenden, de klacht van de verdrukten in de wereld, de klop op onze deur van vluchtelingen. De beelden die we in deze Psalm tegenkomen zijn beelden die ook voorkomen in liederen die in de volken werden gezongen die Israël omringden. Daar werd gezongen over de angst voor het onweer, daar werd gezongen over de noodzaak de god van de vruchtbaarheid gunstig te stemmen. Die angst is overbodig, de God van Israël bevrijdt van die angst voor de natuur, voor vreemdelingen en voor je vijanden. Vruchtbaarheid krijg je pas als je deelt. Daarom kunnen we altijd deze Psalm meezingen, zelfs als het donker is.

Die de vader is van David

donderdag, 19 mei, 2016

Ruth 4:1-22

1   Boaz was intussen naar de poort gegaan en daar gaan zitten. Toen kwam de man voorbij van wie hij gesproken had-zijn naam is niet van belang-en hij zei: ‘Kom hier even bij me zitten.’ De man deed wat hem gevraagd werd. 2  Ook vroeg Boaz tien stadsoudsten plaats te nemen, en ook zij gingen zitten. 3  Toen zei hij tegen de man die ook als losser kon optreden: ‘Het stuk land van onze broeder Elimelech wordt door Noömi, die teruggekeerd is uit Moab, verkocht. 4  Ik meen dan ook u het volgende te moeten meedelen: U kunt het stuk land kopen ten overstaan van de hier aanwezigen en ten overstaan van de oudsten van het volk. Als u van plan bent uw rechten te doen gelden, dan kunt u dat doen, zo niet dan moet u mij dat laten weten. U bent de eerste die hiervoor in aanmerking komt, en ik kom na u.’ ‘Ik zal mijn rechten doen gelden, ‘zei de man. 5  Daarop zei Boaz: ‘Wanneer u het stuk land koopt van Noömi, koopt u het ook van Ruth, de weduwe uit Moab, en zal de naam van haar overleden man voortleven op zijn land.’ 6  Toen zei de man: ‘Dan kan ik mijn rechten niet doen gelden, want dat zou ten koste gaan van mijn eigen familiebezit. Neemt u het maar van mij over, want ik kan het me niet veroorloven. 7-8 Koopt u het land maar!’ en hij trok zijn sandaal uit. (Als vroeger een dergelijke koop of ruil rechtsgeldig gemaakt moest worden, bestond er in Israël het gebruik dat men zijn sandaal uittrok en die aan de ander gaf. Zo werd een dergelijke zaak in Israël bekrachtigd.)9   Daarop sprak Boaz tot de oudsten en alle anderen die daar waren: ‘U bent er vandaag getuige van dat ik van Noömi het gehele bezit van Elimelech en dat van Kiljon en Machlon koop. 10  Daarmee neem ik ook Ruth tot vrouw, de Moabitische, de vrouw van Machlon, om de naam van haar overleden man te laten voortleven op zijn land. Zo zal zijn naam niet verloren gaan bij zijn verwanten en de inwoners van de stad. U bent daar vandaag getuige van.’11  ‘Ja, ‘zeiden de oudsten en allen die bij de poort aanwezig waren, ‘daarvan zijn wij getuige. De HEER geve dat de vrouw die in uw huis komt zal zijn als Rachel en Lea, die beiden het huis van Israël groot hebben gemaakt, zodat ook u groot zult zijn in Efrata en uw naam in Betlehem zal voortbestaan. 12  Moge uw huis worden als het huis van Peres, de zoon van Tamar en Juda, en wel door de kinderen die de HEER u bij deze jonge vrouw zal geven.’ 13   Daarna nam Boaz Ruth bij zich, zij werd zijn vrouw, en hij sliep met haar. De HEER liet haar zwanger worden en ze baarde een zoon. 14  De vrouwen zeiden tegen Noömi: ‘Geprezen zij de HEER, die jou vandaag iemand gegeven heeft die voor je zorgen zal. Moge zijn naam in Israël blijven voortbestaan! 15  Hij zal je je levensvreugde teruggeven en je onderhouden als je oud bent, want je schoondochter, die je liefheeft en die meer waard is dan zeven zonen, heeft hem gebaard.’ 16  Noömi nam de jongen op haar schoot en bleef hem vanaf dat moment verzorgen. 17  De buurvrouwen gaven hem zijn naam. ‘Noömi heeft een zoon gekregen, ‘zeiden ze, en ze noemden hem Obed. Hij is de vader van Isaï, die de vader is van David. 18  Dit zijn de nakomelingen van Peres: Peres verwekte Chesron, 19  Chesron verwekte Ram, Ram verwekte Amminadab, 20  Amminadab verwekte Nachson, Nachson verwekte Salmon, 21  Salmon verwekte Boaz, Boaz verwekte Obed, 22  Obed verwekte Isaï, en Isaï verwekte David. (NBV)

Zo ging Boaz naar de poort van de stad om daar te wachten tot de rechthebbende op het land van Noömi en Ruth, en daarmee rechthebbende op Ruth, voorbij zou komen. Dat klinkt ons raar in de oren want Boaz wist immers heel goed wie die rechthebbende was. Maar de poort is niet zomaar een plaats in de stad. Als je in de Bijbel leest over de poort, dan lees je ook over de plaats waar recht werd gesproken. En over het recht gaat het immers, het recht om voor iemand te mogen zorgen, het recht om met een weduwe te mogen delen. Daarom ook werden er 10 stadsoudsten gevraagd om er bij te komen zitten. Bij geschillen konden zij gelijk een vonnis vellen, in elk geval konden ze als getuigen optreden. Zo werd er aan iedereen recht gedaan. Maar waarom zou je het recht moeten opeisen voor iemand te willen zorgen?

De vrouwen konden zeker het land niet alleen bewerken. Dat bewerken was de taak van de man, zo lag de rolverdeling nu eenmaal. Dat land moest wel in de familie blijven. Was het verkocht of verdwenen dan kon na 50 jaar de familie weer opnieuw beginnen want dan kregen ze het land weer terug. In de tijd dat het boek Ruth werd opgeschreven waren veel van die regels al weer vergeten. Zoals de regel over de schoen die hier nog even wordt toegelicht. Hoewel, als je de oorspronkelijke wet in het 25ste hoofdstuk van het boek Deuteronomium er op nakijkt dan gaat het er om dat je iemand met z’n eigen schoen in het gezicht slaat als die een weduwe uit eigen familie onverzorgd laat. Hier is er keurig overleg en blijft er niemand onverzorgd achter. Wel wordt er nog even fijntjes herinnerd aan het verhaal van Juda en Tamar. Die Tamar moest haar toevlucht nemen tot een buitenechtelijke relatie tegen betaling met haar schoonvader om niet onverzorgd achter te blijven. Van die relatie stamde Boaz af.

Van de relatie tussen Boaz en Ruth stamde uiteindelijk Koning David af. Ook David zou zo’n vreemde relatie hebben. Hij stuurde de man van Bathseba de oorlog in en trouwde haar toen die gesneuveld was. Van die relatie stamde Jezus van Nazareth af. Kennelijk kiest God in de geschiedenis niet voor de beste families. Juda en Tamar, Boaz en de Moabitische Ruth, David en Bathseba, het kan niet op. In onze tijd met al die echtscheidingen een hele troost voor al die alleengaande ouders. Er kan nog best iets goeds voorkomen uit de kinderen. En angst voor vreemdelingen hoef je al helemaal niet te hebben. Van de dochters van Moab werd toch gezegd dat ze de zonen van Israel op het verkeerde pad brachten. Nou dat kun je van Ruth niet zeggen, zij speelt niet alleen de hoofdrol in dit verhaal maar ook in de geschiedenis van Israel. Zij was de vrouw die aan mannen en vrouwen ten voorbeeld wordt gesteld als het gaat om de vraag hoe je voor iemand moet blijven zorgen. Ze was meer waard dan zeven zonen.

Op de dorsvloer gerst wannen

woensdag, 18 mei, 2016

Ruth 3:1-18

1 ¶  Op een dag zei Noömi, haar schoonmoeder: ‘Mijn dochter, zal ik niet een thuis voor je zoeken waar het je goed zal gaan? 2  Boaz, bij wie je gewerkt hebt, is zoals je weet familie van ons. Vanavond zal hij op de dorsvloer gerst wannen. 3  Baad je, wrijf je in met olie, kleed je aan en ga naar de dorsvloer. Zorg dat hij je niet ziet voordat hij klaar is met eten en drinken. 4  Als hij gaat slapen moet je goed opletten waar hij zich neerlegt, en dan moet je naar hem toe gaan, de deken aan zijn voeteneinde terugslaan en daar gaan liggen. Hij zal je dan wel vertellen wat je moet doen.’ 5  Ruth antwoordde: ‘Ik zal doen wat u mij zegt.’ 6 ¶  Ze ging naar de dorsvloer en deed precies wat haar schoonmoeder haar had opgedragen. 7  Boaz at en dronk, voelde zich voldaan, en legde zich te slapen tegen een hoop gerst. Toen kwam Ruth stilletjes naar hem toe, sloeg de deken aan zijn voeteneinde terug en ging liggen. 8  Midden in de nacht schrok hij wakker, draaide zich om en zag een vrouw aan zijn voeteneinde liggen. 9  ‘Wie is daar?’ vroeg hij. ‘Ik ben het, Ruth, ‘zei ze. ‘Wilt u mij bij u nemen, want u kunt voor ons als losser optreden.’ 10  ‘Moge de HEER je zegenen, mijn dochter, ‘zei hij. ‘Dit getuigt van nog meer trouw dan wat je voorheen al hebt gedaan. Je hebt niet omgekeken naar jongere mannen, arm of rijk. 11  Daarom, mijn dochter, wees niet bang. Ik zal doen wat je van me vraagt; iedereen in de stad weet immers dat je een bijzondere vrouw bent. 12  Maar al is het waar dat ik jullie kan helpen, er is nog iemand anders voor wie dat geldt, en hij staat dichter bij jullie dan ik. 13  Blijf vannacht hier. Als morgenochtend blijkt dat die man als losser wil optreden is het goed, maar als hij dat niet wil, dan doe ik het, zo waar de HEER leeft. Blijf hier nu maar liggen, tot het ochtend wordt.’ 14 ¶  En zij bleef tot de ochtend aan zijn voeteneinde liggen. Voordat het zo licht werd dat men iemand herkennen kon, stond ze op, want hij wilde niet dat bekend werd dat ze op de dorsvloer was geweest. 15  Hij zei: ‘Pak je omslagdoek en houd hem open.’ Dat deed ze, en hij goot er zes maten gerst in en hielp haar dit alles op te tillen. Daarna ging hij naar de stad. 16  Zij ging naar haar schoonmoeder, die haar vroeg hoe het haar was vergaan. Ruth vertelde haar wat Boaz voor haar gedaan had. 17  ‘Deze zes maten gerst heeft hij me gegeven, “want, ”zei hij, “je moet niet met lege handen bij je schoonmoeder aankomen.”’ 18  Daarop zei Noömi: ‘Blijf hier dan maar rustig wachten tot je weet hoe het afloopt, mijn dochter, want ik weet zeker dat deze man niet zal rusten voordat hij de zaak geregeld heeft.’ (NBV)

Het was een mooie zomer geweest. De oogst was binnen en nu werd het tijd het kaf van het koren te scheiden. Je hebt immers alleen de korrels nodig om te malen tot meel zodat je er het brood mee kunt bakken waarmee je je tot de volgende oogst kunt voeden. Dat wannen van de gerst hoort bij dat proces van scheiden van kaf en koren. Maar voor Ruth en Noömi betekende dat ook dat de tijd van aren rapen, achter de maaiers en korenbindsters aan, voorbij was. Het betekende een terugkeer naar honger en armoede. Nu was Ruth een soort oudedagsvoorziening voor Noömi geweest. AOW of pensioen was er in die tijd nog niet. Het beste pensioen kreeg je van je kinderen, hoe meer hoe beter. Weduwen zonder kinderen hadden het daarom extra moeilijk. Het familielid dat de weduwe in bescherming moest nemen, de losser, moest daarom ook zorgen voor kinderen.

En welke man vindt er niet graag een knappe weduwe in zijn bed. Noömi draagt Ruth daarom op om de rouwkleding af te leggen en zich op te maken als voor een bruiloft. Boaz snapt de boodschap direct. Hij had zich al eerder aangetrokken getoond tot deze Moabitische en nu ze zich ze openlijk aanbood was het tijd er gebruik van te maken. Maar wel binnen de richtlijnen van Mozes. Die richtlijnen wezen een ander aan die als losser zou moeten optreden en als je zo’n fraaie partij zonder meer zou opeisen zou het maar tot jaloezie leiden. En daar blijft het bij. Ruth past zich aan en zorgt dat niemand haar ziet vertrekken. Een verhaal waarin mensen elkaar recht doen. Ruth, de dochter van Moab, brengt hier Boaz niet op het verkeerde pad zoals eens Tamar de schoondochter van Juda zich gedwongen had gezien haar schoonvader op het verkeerde pad te brengen. Je kunt dus wel je vooroordelen tegen vreemdelingen hebben, je kunt wel bang zijn voor die rare gewoonten, maar je kunt ook verrast worden.

Wie had nu gedacht dat Moslims bijvoorbeeld Jezus van Nazareth als een groot profeet vereren? Wie had gedacht dat bij het slachtfeest een kwart van het dier dat werd geslacht gegeven moet worden aan de armen? Wie had gedacht dat Moslims de plicht hebben om de armen te steunen, met hen te delen, en dat dat een van de vijf pijlers van de Islam is? Het is allemaal niet hetzelfde als bij ons maar het kan toch niet als verkeerd of bedreigend voor onze samenleving gezien worden? Het boek Ruth dient zich aan als een romantische liefdesgeschiedenis maar als je tussen de regels door leest is het een hoogst actueel verhaal over hoe we als mensen met elkaar om moeten gaan. Zijn wij nog in staat jaloezie te vermijden? Zijn wij nog in staat respect voor een reputatie op te brengen? Zijn wij nog in staat de armen dichtbij in onze stad, in ons dorp, in onze straat te herkennen en naar hen onze hand uit te steken? We mogen ons het elke dag opnieuw afvragen.

Achter de maaiers aan

dinsdag, 17 mei, 2016

Ruth 2:1-23

1 ¶  Nu was Noömi van de kant van haar echtgenoot Elimelech verwant aan een belangrijk man, die Boaz heette. 2  Ruth, de Moabitische, zei tegen Noömi: ‘Ik zou graag naar het land willen gaan om aren te lezen bij iemand die me dat toestaat.’ Noömi antwoordde: ‘Doe dat maar, mijn dochter.’ 3  Ze ging dus naar het land om aren te lezen, achter de maaiers aan. Het toeval wilde dat de akker waar ze kwam van Boaz was, het familielid van Elimelech. 4 ¶  Na enige tijd kwam Boaz zelf eraan, uit Betlehem. ‘De HEER zij met jullie, ‘groette hij de maaiers. ‘De HEER zegene u, ‘groetten zij terug. 5  Boaz vroeg de voorman van zijn maaiers: ‘Bij wie hoort die jonge vrouw daar?’ 6  De man antwoordde: ‘Dat is de Moabitische vrouw die met Noömi is teruggekeerd. 7  Toen ze hier aankwam zei ze: “Ik zou graag achter de maaiers aan willen gaan om aren te lezen bij de schoven, ”en nu is ze hier al de hele dag, vanaf de vroege ochtend-ze heeft maar even gezeten.’ 8  Daarop zei Boaz tegen Ruth: ‘Luister goed, mijn dochter. Je moet niet naar een andere akker gaan om aren te lezen; ga hier niet weg maar blijf dicht bij de vrouwen die voor mij werken. 9  Volg ze op de voet en houd je ogen gericht op het veld waar gemaaid wordt. Ik zal mijn mannen zeggen je niet lastig te vallen. Als je dorst hebt, ga dan naar de kruiken en drink van het water dat ze daar scheppen.’ 10  Ze knielde, boog diep voorover en zei: ‘Waaraan heb ik het te danken dat u zo goed voor mij bent, terwijl ik toch maar een vreemdeling ben?’ 11  En Boaz antwoordde: ‘Meer dan eens is mij verteld over alles wat je voor je schoonmoeder hebt gedaan na de dood van je man: dat je je vader en moeder en je geboorteland hebt verlaten en naar een volk bent gegaan dat je volkomen onbekend was. 12  Moge de HEER je daarvoor rijkelijk belonen-de HEER, de God van Israël, onder wiens vleugels je een toevlucht hebt gezocht.’ 13  ‘Ik dank u, heer, ‘zei ze, ‘want u hebt zich mijn lot aangetrokken en mij moed ingesproken, terwijl ik niet eens bij u in dienst ben.’ 14  Toen het etenstijd was zei Boaz tegen haar: ‘Kom maar hier en neem een stuk brood en doop het in de wijn.’ Ze ging naast de maaiers zitten, en hij gaf haar geroosterd graan. Ze at tot ze genoeg had en ze hield zelfs nog over. 15  Toen ze weer opstond om te gaan werken, gaf Boaz zijn mannen de volgende opdracht: ‘Laat haar ook tussen de schoven aren lezen, zeg daar niets van. 16  Integendeel, jullie moeten juist wat halmen voor haar uit de bundels trekken en die laten liggen, zodat zij ze op kan rapen. Verwijt haar dus niets.’ 17 ¶  Zij werkte tot de avond op het veld en sloeg de korrels uit de aren die ze geraapt had. Het was ongeveer een efa gerst. 18  Ze pakte het op en ging terug naar de stad. Toen Noömi zag hoeveel ze verzameld had, en toen Ruth haar ook nog gaf wat ze van het middagmaal had overgehouden, 19  riep ze uit: ‘Waar heb jij vandaag aren gelezen, waar heb je gewerkt? Gezegend de man die zo goed voor jou geweest is!’ Ruth vertelde haar schoonmoeder dat de man bij wie ze die dag gewerkt had Boaz heette. 20  Toen zei Noömi tegen haar schoondochter: ‘Moge de HEER hem zegenen, want hij heeft trouw bewezen aan de levenden en aan de doden.’ En ze vervolgde: ‘Hij is een naaste verwant van ons en kan daarom zijn rechten als losser laten gelden.’ 21  En Ruth, de Moabitische, zei: ‘Hij heeft ook nog tegen me gezegd dat ik bij zijn maaiers moest blijven totdat zijn hele oogst is binnengehaald.’ 22  ‘Het is goed dat je optrekt met de vrouwen op zijn land, mijn dochter, ‘zei Noömi tegen Ruth, ‘want dan zal niemand je op een ander veld lastig kunnen vallen.’ 23  Ze bleef dus aren lezen bij de vrouwen die voor Boaz werkten, tot het einde van de gerste- en de tarweoogst. Al die tijd woonde ze bij haar schoonmoeder. (NBV)

Wij kennen dat bijna niet meer, maaiers die met een zeis het graan maaien en schovenbindsters die de aren oprapen en in schoven te drogen zetten op het land. Wij kennen combines, grote machines die het graan maaien, opeten, en zakken graankorrels en bundels stro uitbraken. Die combines kunnen zich niet aan de leer van Mozes houden. De maaiers en schovenbindsters wel, vooral als de eigenaar van het land die leer serieus neemt. Want daar gaat het in dit stuk van het verhaal om. De leer van Mozes zegt dat de aren die langs de kant van de akker staan niet gemaaid moeten worden maar moeten blijven staan voor de armen. Er staat ook dat als er geoogst wordt de maaiers en schovenbindsters niet fanatiek alles moeten oprapen en tot schoven binden maar de verspreide aren moeten laten liggen voor de armen. En arm waren Ruth en haar schoonmoeder Noömi. Weduwen hadden toen geen weduwenvoorziening, ze waren geheel en al afhankelijk van de familie.

En voor Ruth was het dubbel moeilijk, ze was niet alleen weduwe, ze was nog een vreemdelinge ook. Nu is het verhaal opgeschreven in een tijd dat het weer belangrijk geworden was onderscheid te maken tussen in de inwoners van het land die wel bij het volk Israel hoorden en inwoners die niet bij het land hoorden. En net als in onze dagen kun je daar menselijk mee omgaan, mensen recht doen, of fanatiek alleen maar letten op de belangen van je eigen land en uit angst alles weren wat je vreemd is of vreemd voorkomt. Het boek Ruth is duidelijk een pleidooi om recht te doen aan mensen ook al zijn ze vreemdeling. Ruth wordt voortdurend aangeduid als de Moabitische en als Boaz haar uitlegt te profiteren van de regels, die hij voor haar zelfs zal verruimen, dan nog wijst ze er op dat ze een vreemdelinge is. Haar zorg voor haar schoonmoeder heeft echter indruk gemaakt. En ook al is ze niet in dienst bij Boaz ze mag toch meedelen.

Midden in het verhaal begint ook schoonmoeder Noömi ineens over “zijn rechten als losser”. Dat kennen we niet. Daar moeten we dus induiken om te snappen waar dit verhaal om draait. En dan kom je tot de ontdekking dat het niet gaat om rechten maar om plichten. De weduwe heeft door de hele Bijbel heen een symbolische plaats. Ze staat voor de arme die buiten de maatschappij is komen te staan. De leer van Mozes onderwijst het volk hoe die de weduwe beschermt kan worden en volgens het verhaal over de oorsprong van het volk Israel was die bescherming al gegeven voor Mozes de leer in de Tora opschreef.  Denk maar aan het verhaal over Juda en Tamar.  Noömi als weduwe en Ruth als weduwe hebben dus ook recht op die bescherming van de familie. Maar Ruth is een Moabitische en de dochters van Moab brengen de zonen van Israel op het verkeerde pad. Geldt die leer dan ook nog?  Nederland maakt bij toelating van vreemdelingen onderscheid tussen Westerse en Niet Westerse vreemdelingen. De Westerse, uit Amerika en zo, mogen zomaar naar binnen die Niet Westerse, uit Syrië en Eritrea en Noord Afrika, moeten eerst in eigen land een duur examen doen. Eigenlijk mag dat dus niet, de wet tegen discriminatie geldt ook voor vreemdelingen die je niet zo graag ziet. In het verhaal van Ruth zou dat dus ook kunnen gelden voor zo’n Moabitische.

In de vlakte van Moab

maandag, 16 mei, 2016

Ruth 1:1-22

1 ¶  In de tijd dat de rechters het volk leidden, brak er een hongersnood uit in het land. Een man trok daarom met zijn vrouw en zijn twee zonen weg uit Betlehem in Juda, om een tijdlang in de vlakte van Moab te gaan wonen. 2  De naam van de man was Elimelech, die van zijn vrouw Noömi, en zijn twee zonen heetten Machlon en Kiljon; het waren Efratieten uit Betlehem in Juda. Toen ze in Moab waren aangekomen, bleven ze daar als vreemdeling wonen. 3  Na enige tijd stierf Elimelech, de man van Noömi, en zij bleef achter met haar twee zonen. 4  Zij trouwden allebei met een Moabitische vrouw. De naam van de ene was Orpa, die van de andere was Ruth. Nadat ze daar ongeveer tien jaar gewoond hadden, 5  stierven ook Machlon en Kiljon, en de vrouw bleef alleen achter, zonder haar twee zonen en zonder haar man. 6 ¶  Toen Noömi hoorde, daar in Moab, dat de HEER zich het lot van zijn volk had aangetrokken en dat het weer te eten had, maakte ze zich samen met haar twee schoondochters gereed om Moab te verlaten en terug te keren. 7  Samen met hen verliet ze de plaats waar ze gewoond had. Maar toen ze eenmaal op de terugweg waren naar Juda, 8  zei Noömi: ‘Gaan jullie nu maar allebei terug naar het huis van je moeder. Moge de HEER zo goed voor jullie zijn als jullie voor mij en mijn gestorven zonen zijn geweest. 9  Moge hij ervoor zorgen dat jullie allebei geborgenheid vinden in het huis van een man, ‘en ze kuste hen. Toen barstten zij in tranen uit 10  en zeiden: ‘Maar we willen met u terugkeren naar uw volk!’ 11  ‘Ga terug, mijn dochters, ‘zei Noömi, ‘waarom zouden jullie met mij meegaan? Kan ik soms nog zonen krijgen die jullie mannen kunnen worden? 12  Ga toch terug, want ik ben te oud voor een man. Zelfs al zou ik nog hoop koesteren, zelfs al sliep ik vannacht nog met een man en al bracht ik nog zonen ter wereld 13  zouden jullie dan wachten tot ze groot zijn en je ervan laten weerhouden met een andere man te trouwen? Nee, mijn dochters, mijn lot is te bitter voor jullie; de HEER heeft zich tegen mij gekeerd.’ 14  Opnieuw begonnen zij te huilen. Orpa kuste haar schoonmoeder vaarwel, maar Ruth week niet van haar zijde. 15  ‘Kijk, je schoonzuster gaat terug naar haar volk en haar god, ‘zei Noömi, ‘ga haar toch achterna!’ 16  Maar Ruth antwoordde: ‘Vraag me toch niet langer u te verlaten en terug te gaan, weg van u. Waar u gaat, zal ik gaan, waar u slaapt, zal ik slapen; uw volk is mijn volk en uw God is mijn God. 17  Waar u sterft, zal ook ik sterven, en daar zal ik begraven worden. De HEER is mijn getuige: alleen de dood zal mij van u scheiden!’ 18  Noömi zag dat Ruth vastbesloten was om met haar mee te gaan en drong niet langer aan. 19 ¶  Zo gingen zij samen verder, tot in Betlehem. Hun aankomst in Betlehem baarde veel opzien. Overal in de stad riepen de vrouwen: ‘Dat is toch Noömi?’ 20  Maar ze zei tegen hen: ‘Noem me niet Noömi, noem me Mara, want de Ontzagwekkende heeft mijn lot zeer bitter gemaakt. 21  Toen ik hier wegging had ik alles, maar de HEER heeft mij met lege handen laten terugkomen. Waarom mij nog Noömi noemen, nu de HEER zich tegen mij heeft gekeerd, nu de Ontzagwekkende me kwaad heeft gedaan?’ 22  Zo kwamen ze samen terug uit Moab, Noömi en haar schoondochter Ruth, de Moabitische. Ze kwamen in Betlehem aan bij het begin van de gersteoogst. (NBV)

Vandaag beginnen we te lezen in het boek Ruth. Dat is een van de vijf Joodse feestrollen. Die worden gelezen op de Joodse feestdagen en de rol die aan de beurt is wordt dan feestelijk de synagoge rondgedragen. Het boek Ruth wordt gelezen op het Wekenfeest, het feest dat wij kennen als het Pinksterfeest. Een feest met een dubbele bodem. Het valt vijftig dagen na het feest van de bevrijding uit Egypte en als de geschiedenis zich herhaalt, en dat doet de geschiedenis bij religieuze feesten, dan is het Wekenfeest de viering van het krijgen van de Wet van de Woestijn, de Wet van eerlijk delen, van heb je naaste lief als jezelf. Maar het Wekenfeest is ook het feest van de eerstelingen van de oogst die niet voor jezelf zijn maar voor God. Daarmee richt je een maaltijd aan bij de Tempel, vroeger bij de Tabernakel, met de armen, je familie, de tempeldienaars en de vreemdelingen in je midden.

In het begin van dit verhaal is er echter geen sprake van eerstelingen van de oogst want er is hongersnood. Zelfs in Bethlehem, het huis van brood betekent dat, is er niet genoeg om te eten. En de Elimelech waarover wordt verteld gaat met vrouw en zonen naar Moab waar ze als vreemdeling bleven wonen. Dat land Moab had een slechte naam. De Moabieten waren afstammelingen van Lot, de neef van Abraham, maar toen de afstammelingen van Abraham zich in de vruchtbare vlakte van Kanaän wilden vestigen verzetten de Moabieten zich daartegen. Ze stuurden zelfs de profeet Bileam op ze af om ze te vervloeken. De dochters van de Moabieten verleiden later de Israelieten tot afval van de Wet. En met die dochter begint het eigenlijke verhaal over Ruth, dat was zo’n Moabitische. Het boek Ruth is tot nu toe altijd als een lieflijk boekje beschreven. Goethe werd er bijvoorbeeld lyrisch van. Maar in onze dagen zou het misschien een heel diepe betekenis moeten hebben.

Het gedeelte dat we vandaag lezen begint met Elimelech en eindigt met Noömi. Vertrek uit en terugkeer naar het huis van brood staan centraal. Maar ook het contrast tussen Ruth en Orpa, de twee dochters van Moab. Orpa die netjes naar haar familie teruggaat, weduwe blijft en Ruth die met haar schoonmoeder meegaat. Net als Abraham gaat ze uit haar land en bij haar familie vandaan naar het land dat de God van Abraham aan Noömi heeft gegeven. Uw volk is mijn volk, Uw God is mijn God klinkt het bij haar. Maar ben je ingeburgerd als je de godsdienst van je schoonfamilie aanneemt? Hoe slecht de Moabieten, vooral hun dochters, ook bekend stonden bij het volk van Israel, de houding van Ruth klinkt ons sympathiek in de oren. Misschien wel als waarschuwing niet te snel te oordelen over vreemdelingen die je land binnenkomen om daar te wonen en te leven. Een waarschuwing die we ons best ter harte mogen nemen, in de Geest van de God van Israël.

 

De Geest van de waarheid.

zondag, 15 mei, 2016

Johannes 14:15-26

15 ¶  Als je mij liefhebt, houd je dan aan mijn geboden. 16  Dan zal ik de Vader vragen jullie een andere pleitbezorger te geven, die altijd bij je zal zijn: 17  de Geest van de waarheid. De wereld kan hem niet ontvangen, want ze ziet hem niet en kent hem niet. Jullie kennen hem wel, want hij woont in jullie en zal in jullie blijven. 18 ¶  Ik laat jullie niet als wezen achter, ik kom bij jullie terug. 19  Nog een korte tijd en de wereld zal mij niet meer zien, maar jullie zullen mij wel zien, want ik leef en ook jullie zullen leven. 20  Dan zul je begrijpen dat ik in mijn Vader ben, dat jullie in mij zijn en dat ik in jullie ben. 21  Wie mijn geboden kent en zich eraan houdt, heeft mij lief. Wie mij liefheeft zal de liefde van mijn Vader en mij ontvangen, en ik zal mij aan hem bekendmaken.’ 22  Toen vroeg Judas (niet Judas Iskariot) aan Jezus: ‘Waarom zult u zich wel aan ons, maar niet aan de wereld bekendmaken, Heer? 23  Jezus antwoordde: ‘Wanneer iemand mij liefheeft zal hij zich houden aan wat ik zeg, mijn Vader zal hem liefhebben en mijn Vader en ik zullen bij hem komen en bij hem wonen. 24  Maar wie mij niet liefheeft, houdt zich niet aan wat ik zeg, en wat jullie mij horen zeggen, zijn niet mijn woorden, maar de woorden van de Vader door wie ik gezonden ben. 25 ¶  Dit alles zeg ik tegen jullie nu ik nog bij jullie ben. 26  Later zal de pleitbezorger, de heilige Geest die de Vader jullie namens mij zal zenden, jullie alles duidelijk maken en alles in herinnering brengen wat ik tegen jullie gezegd heb. (NBV)

Er wordt mensen die naar vrede streven nog wel eens verweten dat ze niet de waarheid durven zeggen. De dreiging met geweld, bijvoorbeeld door de Islam, zou hen verhinderen te zeggen dat het verkeerd is vrouwen achter te stellen, homoseksuelen te discrimineren of anders gelovigen te bedreigen met geweld. Niet is minder waar. Maar het maakt nogal verschil of je er met je broeders en zusters over in gesprek gaat of dat je de ander bestempelt en behandelt als vijanden. De waarheid is dat iedereen je broeder en je zuster is. De waarheid is ook dat je dus nooit bang hoeft te zijn te zeggen wat er verkeerd is, juist omdat je het goede wil doen en niet dan het goede. Dat is de boodschap van Jezus van Nazareth.

Zelf kunnen we hem niet meer tegenkomen, we kennen hem uit de verhalen uit de Bijbel. Maar de manier waarop hij met de mensen omging, waarop hij tegen de wereld aankeek, zijn Geest, die kennen we wel en die is ons juist door die verhalen geschonken. Daar kunnen we de wereld mee benaderen, in zijn Geest kunnen we de hand uitsteken naar de minsten in de samenleving. Maar in zijn Geest kunnen we ook samenwerken in onze eigen samenleving en delen met ieder die dat nodig heeft. Het ging Jezus er niet om om een baas te worden in de wereld, om in gevecht te gaan met de krachten en machten in de wereld. Dat bleek uit het antwoord op de vraag van Judas. Het zou nog blijken toen hij die menselijke zucht naar macht ook bij Jezus wilde uitlokken. Iemand die zoveel goed deed kon dan toch niet anders doen dan ook zichzelf veilig stellen. Maar dat was nu juist de kracht van Jezus van Nazareth, dat hij nooit iets deed voor zichzelf. Zo wilde hij herinnerd worden en zo wilde hij nagevolgd worden.

Het zogenaamd zwakke is het sterkste van de wereld. Uiteindelijk zou zijn Liefde de hele wereld moeten omspannen. In de oude profetieën werd al voorspeld dat ooit alle volken van de wereld zich zouden keren naar Jeruzalem. Daar lag de Wet van heb-je-naaste-lief-als-jezelf in de Tempel. Met de komst van Jezus van Nazareth moest die Wet uit de Tempel vandaan de wereld in. Dat was wat de Geest zou bewerkstelligen, dat is wat de Geest ook voor ons kan bewerken. Ieder van ons kan in zijn Geest de hand uitsteken naar de minsten. In ons huis, in onze straat, in onze stad, in ons land, in Europa en in de wereld. Iedereen kan elke dag iets goeds doen voor een ander, vrijwilligerswerk doen voor mensen die dat nodig hebben, boodschappen doen in een fair trade winkel, een brief of briefkaart schrijven voor Amnesty International, een handtekening zetten voor vrede of rechtvaardigheid, stem geven aan mensen wier stem werd gesmoord. Dat is de Geest van God, dat kan vandaag ook.

Ik ben de weg

zaterdag, 14 mei, 2016

Johannes 14:1-14

1 ¶  Wees niet ongerust, maar vertrouw op God en op mij. 2  In het huis van mijn Vader zijn veel kamers; zou ik anders gezegd hebben dat ik een plaats voor jullie gereed zal maken? 3  Wanneer ik een plaats voor jullie gereedgemaakt heb, kom ik terug. Dan zal ik jullie met me meenemen, en dan zullen jullie zijn waar ik ben. 4 ¶  Jullie kennen de weg naar waar ik heen ga.’ 5  Toen zei Tomas: ‘Wij weten niet eens waar u naartoe gaat, Heer, hoe zouden we dan de weg daarheen kunnen weten?’ 6  Jezus zei: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij. 7  Als jullie mij kennen zullen jullie ook mijn Vader kennen, en vanaf nu kennen jullie hem, want jullie hebben hem zelf gezien.’ 8  Daarop zei Filippus: ‘Laat ons de Vader zien, Heer, meer verlangen we niet.’ 9  Jezus zei: ‘Ik ben nu al zo lang bij jullie, en nog ken je me niet, Filippus? Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien. Waarom vraag je dan om de Vader te mogen zien? 10  Geloof je niet dat ik in de Vader ben en dat de Vader in mij is? Ik spreek niet namens mezelf als ik tegen jullie spreek, maar de Vader die in mij blijft, doet zijn werk door mij. 11  Geloof me: ik ben in de Vader en de Vader is in mij. Als je mij niet gelooft, geloof het dan om wat hij doet. 12 ¶  Waarachtig, ik verzeker jullie: wie op mij vertrouwt zal hetzelfde doen als ik, en zelfs meer dan dat, ik ga immers naar de Vader. 13  En wat jullie dan in mijn naam vragen, dat zal ik doen, zodat door de Zoon de grootheid van de Vader zichtbaar wordt. 14  Wanneer je iets in mijn naam vraagt, zal ik het doen. (NBV)

De eerste volgelingen van Jezus van Nazareth werden de mensen van de Weg genoemd. Zij probeerden de weg te volgen die Jezus van Nazareth hen had gewezen, ofwel op de manier te leven die hij hen had voorgedaan. Dat was niet eenvoudig. Toen hij nog bij hen was had hij het hen voorgedaan, maar hij was gekruisigd en begraven. Daarna was hij opgestaan en was hij teruggekomen en nog later had hij zijn geest gestuurd. Toch bleef het moeilijk. Daarom heeft de schrijver van het Evangelie van Johannes dit verhaal opgeschreven. Je hoeft niet allemaal op dezelfde manier te geloven. Er zijn vele plaatsen waar je de Weg van Jezus van Nazareth kunt volgen. De Bijbelvertalers vertalen het Grieks dat er staat sinds Luther graag met “kamers”, maar er staat eigenlijk plaats, een plaats door Jezus gereed gemaakt.

Voordat Jezus gekruisigd en gestorven was wisten ze niet waar het verhaal op uit zou lopen. Tomas had er nog naar gevraagd, zoals hij na de opstanding was blijven vragen naar de wonden die Jezus had opgelopen. Filippus had nog steeds niet door dat God dienen hetzelfde zou zijn als doen als Jezus deed. Pas na de opstanding had hij door dat al die profeten waar hij van had gehoord datzelfde hadden verteld. Toen zag hij de mensen langs de weg wel degelijk. Als je iets wilt op de manier waarop Jezus van Nazareth dat wilde dan krijg je dat ook. Maar pas toen de Geest over hen kwam snapten ze het. Toen wisten ze dat de liefde voor de naaste als voor jezelf de sleutel was tot een wereld zonder tranen en verdriet. Toen wisten ze dat delen met elkaar, desnoods delen van jezelf, de Weg was. De Weg die Jezus was gegaan en die hem bij de Vader had gebracht. Toen wisten ze pas dat zij ook die Weg moesten gaan en de hele bewoonde wereld van die Weg moesten vertellen.

Toen wisten ze pas dat ze moesten delen met al die mensen uit de hele bewoonde wereld. Toen wisten ze pas dat de Vader ook in hen kon zijn als ze zich maar bleven herinneren hoe Jezus van Nazareth was geweest. Want zijn beslissing om zijn macht en populariteit niet te gebruiken maar zich eerder aan het kruis te laten hangen dan zijn volk bloot te stellen aan een bloedige oorlog had hen de macht gegeven een gemeenschap van Liefde te vormen, samen die weg ook te gaan. Johannes was de laatste die het verhaal van Jezus van Nazareth had opgeschreven. Er was toen al een hele tijd overheen gegaan en veel mensen waren de Weg van Jezus van Nazareth gegaan tot in de dood toe. Maar Johannes wist, en schreef dat op, dat wie de Weg volgt van Jezus van Nazareth net zoveel als hij kan doen. Je kunt zelfs meer doen als je blijft leven. Wij kunnen de armen bevrijden, de hongerigen voeden, de thuislozen en thuis geven. Wij kunnen die nieuwe wereld naderbij brengen.

Zing een lied en sla de tamboerijn.

vrijdag, 13 mei, 2016

Psalm 81

1 ¶  Voor de koorleider. Op de wijs van De Gatitische. Van Asaf. 2 Jubel voor God, onze sterkte,  juich voor de God van Jakob, 3 zing een lied en sla de tamboerijn, speel op de harp en de lieflijke lier, 4 blaas op de ramshoorn bij nieuwemaan en bij vollemaan voor onze feestdag, 5 want dat is een opdracht aan Israël, een voorschrift van Jakobs God. 6 Daartoe verplichtte hij Jozef, toen hij optrok tegen Egypte. Onvermoede woorden hoor ik zeggen: 7 ‘Ik nam de last van je schouder, je hand raakte geen draagkorf meer aan. 8 Riep je om hulp, ik redde uit de nood en gaf antwoord uit het duister van de donder. Ik stelde je op de proef bij het water van Meriba: 9 “Hoor, mijn volk, ik moet je vermanen, Israël, luister naar mij. 10 Laat geen andere god bij je toe, buig je niet voor een vreemde god, 11 ik ben de HEER, je God, die je wegleidde uit Egypte-open wijd je mond, ik zal hem vullen.” 12 Maar mijn volk luisterde niet, Israël wilde niet van mij weten. 13 Toen liet ik hen begaan, koppig volgden zij hun eigen inzicht. 14 Ach, wilde mijn volk maar horen, wilde Israël mijn wegen maar volgen. 15 Spoedig zou ik zijn vijanden vernederen, zou mijn hand zich keren tegen zijn belagers. 16 Wie de HEER haten, zouden kruipen voor zijn volk, dat zou voor altijd hun lot zijn. 17 Maar Israël zou hij voeden met de edelste tarwe-ja, jou zou ik spijzigen met honing uit de rots.’ (NBV)

Psalm 81 is een feestlied dat zingt over het feest van de Nieuwe Maan. Een Joods feest met hele oude wortels. Maar in de loop van de traditie is dit lied vastgehecht aan het nieuwe maanfeest in de herfst. Als de oogst binnen is, als de rust van de winter aanstaande is, de dagen korter worden en de nachten langer. Dan is een nieuwe maan al heel vroeg het teken dat het licht niet zal verdwijnen maar zal terug keren. Het is een Psalm van Asaf en volgens sommige geleerden was Asaf een hogepriester vlak na de terugkeer van de ballingen uit Babel. Die ballingen moesten de Tempel herbouwen en het verbaasd dus niet dat zelfs voor oude gebruiken nieuwe liederen moesten worden geschreven. De Priesters konden dan ook gebruik maken van de gelegenheid om de verbindingen met de geschiedenis van Israël als volk van God nog eens goed duidelijk te maken.

De Psalm herinnert dan ook aan de dagen dat Jozef naar Egypte ging. Jozef hield vast aan de regels die hij van huis uit had meegekregen en doorbrak daardoor de Egyptische dodencultus en hervormde de samenleving in Egypte tot een gemeenschap die leven gaf, die brood spaarde voor tijden van schaarste en uitdeelde aan hen die het nodig hadden. Daardoor bleef het ook volk van Jacob in leven. Maar na de bevrijding uit de slavernij moest het volk nog steeds leren te vertrouwen op de God van Israël. Midden in de woestijn kwam men water tegen dat zo bitter was dat men het niet kon drinken. Bij Meriba, daar kreeg men water maar ook kritiek omdat men de Heer God had proberen te verzoeken.

Het feest van de Nieuwe Maan was voor het volk Israël niet zonder risico’s. De Maan werd door veel volken vereerd als een godin. Een vruchtbaarheidsgodin met de bijbehorende riten. En juist het volk Israël had geleerd dat natuurverschijnselen niet vereerd behoren te worden. Geen zon, geen maan kon tegen de God van Israël op. En al helemaal geen mens. Het vereren van een mens, het zalig verklaren van een mens is een gruwel in de ogen van de Bijbel. Alles spreekt er tegen. Ook in onze dagen mogen we daar onze ogen niet voor sluiten. Hoezeer wij ook kunnen genieten van de shows die hooggeborenen voor de volken van de aarde kunnen opvoeren. Hoezeer wij ze ook geluk en een lang leven gunnen en met ze meeleven in vreugdevolle en droevige dagen, zij regeren niet, het is de God van Israël die we moeten laten regeren. Juist in zijn gebod, te delen met hen die niets hebben, worden wij rijker. Ook vandaag en morgen mogen we daaraan denken en in die geest werken. Al zingend.

Ik zal één volk van hen maken

donderdag, 12 mei, 2016

Ezechiël 37:15-28

15 ¶  De HEER richtte zich tot mij: 16  ‘Mensenkind, neem een stuk hout en schrijf daarop: “Juda, en de Israëlieten die bij hem horen.” Neem dan nog een stuk hout en schrijf daarop: “Jozef” dat is het stuk hout van Efraïm-“en heel het volk van Israël dat met hem verbonden is.” 17  Voeg die twee samen tot één geheel, zodat ze in je hand één stuk hout vormen. 18  En als je volksgenoten je vragen: “Wil je ons vertellen wat je hiermee bedoelt?” 19  zeg dan: “Dit zegt God, de HEER: Ik neem het stuk hout van Jozef-dat van Efraïm dus-en van de stammen van Israël die met hem verbonden zijn, en ik leg dat tegen het stuk hout van Juda aan. Ik maak er één stuk hout van, in mijn hand zullen ze één worden.” 20  De stukken hout waarop je geschreven hebt, moet je duidelijk zichtbaar in je hand houden, 21  en dan zeggen: “Dit zegt God, de HEER: Ik haal de Israëlieten weg bij de volken waar ze terechtgekomen zijn, ik zal ze overal vandaan bijeenbrengen en ze naar hun land laten terugkeren. 22  Ik zal één volk van hen maken in het land en op de bergen van Israël, en één koning zal over hen allen regeren. Niet langer zullen ze uit twee volken bestaan en verdeeld zijn in twee koninkrijken. 23  Ze zullen zich niet meer verontreinigen met hun afgoden en hun afschuwelijke misdaden, ik zal hen van hun zondige ontrouw redden en hen reinigen. Zij zullen mijn volk zijn en ik zal hun God zijn. 24  David, mijn dienaar, zal hun koning zijn, en samen zullen ze één herder hebben. Mijn regels zullen ze in acht nemen en volgens mijn wetten zullen ze leven. 25  Ze zullen wonen in het land dat ik aan mijn dienaar Jakob gegeven heb, het land van jullie voorouders. Zij en hun kinderen en de kinderen van hun kinderen zullen daar voor altijd wonen, en mijn dienaar David zal voor altijd hun vorst zijn. 26  Ik sluit met hen een vredesverbond, een verbond dat eeuwig zal duren. Ik zal hun een vaste woonplaats geven en hen talrijk maken; mijn heiligdom zal voor altijd in hun midden staan. 27  Bij hen zal ik wonen; ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. 28  En de volken zullen beseffen dat ik, de HEER, Israël heilig doordat mijn heiligdom voor altijd in hun midden is.”’ (NBV)

Het staat er echt in Ezechiël 37, tweede gedeelte. Die profeet leefde in een tijd waarin het land Israel in tweede delen uiteen was gevallen. Een Noordelijk en een Zuidelijk koninkrijk. Dat kon natuurlijk niet zo blijven maar wil je dat veranderen dan moet je de mensen het vertrouwen geven dat het ook echt anders kan. Zo ging Ezechiël aan het werk met twee stukken hout. Op de een schreef hij de naam van het Noordelijk koninkrijk en op de andere dus de naam van het Zuidelijk koninkrijk. En toen hij van de twee stukken hout één plank maakte vroegen de mensen wat hij aan het doen was. Nou zei Ezechiël als we werkelijk de weg van God, de weg van de liefde voor alle mensen volgen dat wordt dit land net zo één als het volk eigenlijk al is en als de ene God die ze aanbidden. Die twee koninkrijkjes hadden onderling oorlog gevoerd, soms hadden ze samen gemeenschappelijke vijanden bestreden, maar veel vaker hadden ze elkaar laten barsten als het weer verkeerd dreigde te gaan. Zo was eerst het Noordelijk Rijk en pas later het Zuidelijk Rijk slachtoffer geworden van de macht van Babel en was het volk van beide landen in ballingschap weggevoerd.

En dan zou in die ballingschap het volk weer één worden? En nou willen ze ons doen geloven dat het ook zo zal gaan met Europa. Ooit was dat ook één rijk, onder Keizer Karel de Grote, en daarvoor ook nog onder de Romeinen. Straks zijn er zo’n 30 landen lid van de Europe\ese Unie. Dat aantal valt nog wel mee, van de Verenigde Staten van Amerika zijn er 50 lid. Maar wordt Europa wel één land, of doen we net alsof. Er is al eens voorgesteld één vlag en één volkslied in te voeren. Inmiddels heeft Europa een eigen minister van buitenlandse zaken, wat die namens ons doet is vaak is onduidelijk. Er zijn nu al 2 van de 25 landen van de Europese Unie lid van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, Frankrijk en Engeland, dat moeten er drie worden, Duitsland wil ook. Als we werkelijk één Europa worden zou men pleiten voor één zetel in de Veiligheidsraad, nietwaar, met één minister van buitenlandse zaken die aan het gemeenschappelijke parlement verantwoording aflegt voor het gemeenschappelijke buitenlandse beleid.

Van dat Europese parlement horen we dus bijna nooit wat. Elke discussie in ons eigen parlement wordt in haar geheel op de televisie uitgezonden. Ons parlement heeft een eigen radio en televisie kanaal. Maar het is uiterst zelden dat een discussie van het Europese Parlement wordt uitgezonden. Wel wordt er elke  dag wel ergens geklaagd over de regelgeving uit Europa en hoe lastig die regels wel niet zijn. Dat onze eigen vertegenwoordigers in het Europese Parlement mee verantwoordelijk zijn voor die regels blijft buiten beschouwing. Ezechiël liet zijn volk heel concreet zien hoe de toekomst er uit zou kunnen zien. Goden van vruchtbaarheid, goden van winst en profijt zouden ze achter zich moeten laten, het aanbidden van die goden was uitgelopen op die ballingschap. Centraal moest weer de set richtlijnen voor de menselijke samenleving komen te staan. Volgens die richtlijnen wordt samen gezorgd voor de minsten in de samenleving. In Europa is dan geen vluchtelingencrisis meer. Die vluchtelingen vangen we op en samen met die vluchtelingen gaan we op zoek naar vrede in hun land van herkomst. En op grond van die richtlijnen beseffen we dat het gooien van bommen op landen, zoveel dood  en verderf betekent dat mensen er voor vluchten. God wil die wereld omgekeerd, wij kunnen die wereld omkeren.

Gij dorre beenderen

woensdag, 11 mei, 2016

Ezechiël 37:1-14

1 ¶  Ik werd opnieuw door de hand van de HEER gegrepen. Zijn geest voerde mij mee en hij zette mij neer in een dal vol beenderen. 2  Ik moest er aan alle kanten omheen lopen, en zo zag ik dat er verspreid over het dal heel veel beenderen lagen, die helemaal waren uitgedroogd. 3  De HEER vroeg mij: ‘Mensenkind, kunnen deze beenderen weer tot leven komen?’ Ik antwoordde: ‘HEER, mijn God, dat weet u alleen.’ 4  Toen zei hij: ‘Profeteer, en zeg tegen deze beenderen: “Dorre beenderen, luister naar de woorden van de HEER ! 5  Dit zegt God, de HEER: Beenderen, ik ga jullie adem geven zodat jullie tot leven komen. 6  Ik zal jullie pezen geven, vlees op jullie laten groeien en jullie met huid overtrekken. Ik zal jullie adem geven zodat jullie tot leven komen, en jullie zullen beseffen dat ik de HEER ben.”’ 7  Ik profeteerde zoals mij was opgedragen. Zodra ik dat deed hoorde ik een geluid, er klonk een geruis van botten die naar elkaar toe bewogen en zich aaneen voegden. 8  Ik zag pezen zich aanhechten en vlees groeien, ik zag hoe er huid over de botten heen trok, maar ademen deden ze nog niet. 9  Toen zei hij tegen mij: ‘Profeteer tegen de wind, profeteer, mensenkind, en zeg tegen de wind: “Dit zegt God, de HEER: Kom uit de vier windstreken, wind, en blaas in deze doden, zodat ze weer gaan leven.”’ 10  Ik profeteerde zoals hij mij gezegd had, en de lichamen werden met adem gevuld. Ze kwamen tot leven en gingen op hun voeten staan: een onafzienbare menigte. 11  En hij zei tegen mij: ‘Mensenkind, deze beenderen zijn het volk van Israël. Het zegt: “Onze botten zijn verdord, onze hoop is vervlogen, onze levensdraad is afgesneden.” 12  Profeteer daarom en zeg tegen hen: “Dit zegt God, de HEER: Mijn volk, ik zal jullie graven openen, ik laat jullie uit je graven komen en ik zal jullie naar het land van Israël terugbrengen. 13  Jullie zijn mijn volk, en jullie zullen beseffen dat ik de HEER ben als ik je graven open en jullie uit je graven laat komen. 14  Ik zal jullie mijn adem geven zodat jullie weer tot leven komen, ik zal jullie terugbrengen naar je land, en jullie zullen beseffen dat ik de HEER ben. Wat ik gezegd heb, zal ik doen-zo spreekt de HEER.”’ (NBV)

Het is niet altijd even eenvoudig de massa in beweging de krijgen. Het mooiste voorbeeld is nog altijd dat van Ezechiël, iemand die voortdurend het verhaal van God liep te vertellen, een profeet dus. Die Ezechiël moest de mensen niet zozeer het woord van God vertellen maar het vooral laten zien. Hij was er voor gewaarschuwd dat het volk niet zou willen luisteren.  Het beeld dat hij gebruikte voor de menigte die met geen mogelijkheid in beweging te krijgen is, was dat van het dal van de dorre doodsbeenderen. Een vallei van alleen de botjes, geen vlees en geen spieren en geen leven dus. En Ezechiël roepen dat God wilde dat er leven was, en warempel de botjes voegden zich samen, er kwam vlees op en spieren en de mensen kwamen weer in beweging. Het dal van de dorre doodsbeenderen heeft veel mensen aangesproken. Maar vaak om de verkeerde redenen. In het nieuwe testament is namelijk het geloof in de opstanding uit de doden een belangrijk gegeven geworden.

Maar in de dagen van Ezechiël speelde dat nog geen rol. Men geloofde dat bij het sterven de adem van de mens, adem die van God ingeblazen was, weer terug zou keren naar God. Pas na de ballingschap kwam dat geloof in de opstanding aan de orde. Het volk Israël kwam namelijk onder de heerschappij van een uiterst wreed optredende Griekse bezetter. En langzaam aan kwam het volk tot de overtuiging dat het onrechtvaardig was dat de onderdrukten een pijnlijke dood moesten sterven terwijl de onderdrukkers rustig oud konden worden. De God van Israël was een rechtvaardig God en ooit zou er dus een rechtvaardig oordeel over slachtoffers en beulen geveld worden. Dat zou komen aan het eind van de geschiedenis, dan zouden de slachtoffers en de beulen opstaan en voor de rechterstoel van God verschijnen. Daniël had al eens geschreven dat de koning van de lijdenden al die slachtoffers voor de troon van God zou voeren zodat hen alsnog recht gedaan zou worden.

Het dal van de dorre doodsbeenderen gaat dus niet over de jongste dag en het oordeel over de mensen. Dit beeld gaat over mensen die het lijden tolereren alsof ze dood zijn. Die toekijken als er in hun stad vrouwen gedwongen worden tot prostitutie, die kinderen hun passend onderwijs laten afpakken, die gehandicapten hun beschermde werkomgeving zien gesloten worden, die het thuis wonen van chronisch zieken en gehandicapten onmogelijk zien worden omdat er geen persoonsgebonden budgeten meer zijn en die de honger en de armoede in de wereld zien toenemen omdat er bezuinigd wordt op hulp en ontwikkelingssamenwerking, mensen die vluchtelingen terugsturen naar dictaturen en ze niet welkom willen heten. Met Ezechiël vraagt de Bijbel ons wanneer wij in beweging komen, wanneer bij ons weer vlees en spieren op de botten komen zodat wij ons gaan verzetten tegen het lijden in de wereld. Wanneer gaan wij de doorvoer en uitvoer van wapentuig uit ons land stopzetten? Wanneer zetten wij bij de verdeling van onze rijkdom de armsten voorop en laten we mensen echt tot hun recht komen? Wij mogen er elke dag opnieuw mee beginnen, ook vandaag weer. Laten we dat dan ook doen.