Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor mei, 2016

Tot het u de neus uit komt

dinsdag, 31 mei, 2016

Numeri 11:16-23

16 ¶  De HEER antwoordde Mozes: ‘Breng zeventig van de oudsten van Israël bijeen van wie je weet dat ze hun taak als opzichter van het volk goed vervullen, en laat hen naar de ontmoetingstent komen om zich daar bij je te voegen. 17  Ik zal neerdalen om daar met jou te spreken, en een deel van de geest die op jou rust zal ik op hen overdragen. Dan kunnen zij samen met jou de last van het volk dragen en hoef je dat niet langer alleen te doen. 18  En tegen het volk moet je zeggen: “Zorg ervoor dat u morgen rein bent, dan krijgt u vlees te eten. U hebt immers bij de HEER geklaagd dat u geen vlees hebt en dat u het in Egypte zo goed had? Welnu, de HEER zal u vlees geven-en vlees eten zult u! 19  Niet zomaar één dag, niet twee dagen, niet vijf of tien of twintig dagen, 20  maar een volle maand, tot het u de neus uit komt en u er misselijk van wordt. Want u hebt de HEER, die in uw midden is, geminacht door erover te klagen dat u uit Egypte bent weggegaan.”’ 21  Mozes zei: ‘Ik heb hier een volk van zeshonderdduizend mensen bij me, en u zegt dat u hun vlees zult geven en dat ze daar een volle maand van zullen eten? 22  Hoe zouden er ooit genoeg schapen, geiten en runderen voor hen kunnen worden geslacht? Zelfs als alle vissen van de zee gevangen werden, zouden ze daar niet genoeg aan hebben.’ 23  Maar de HEER antwoordde: ‘Schiet de macht van de HEER soms tekort? Je zult spoedig zien of ik mijn belofte nakom.’ (NBV)

Overal in de Bijbel kom je het tegen, je moet het samen doen, alleen gaat het niet. Dat samen is zelfs zo belangrijk dat je er op moet letten dat iedereen, hoe gering of zwak ook, een plaats krijgt in de samenleving. Tweespalt scheppen tussen mensen of groepen van mensen, weigeren te delen met hen die anders zijn is overal in de Bijbel strijden tegen God. Maar hier gaat het er om dat Mozes niet alleen de hele last van het volk Israel hoeft te dragen. In de Nieuwe Bijbelvertaling is een Hebreeuws grapje uit het verhaal weggevallen. Dat is des te meer jammer omdat we het verhaal volgens het leesrooster in stukjes lezen. Maar we mogen al verklappen dat het vlees dat hier beloofd wordt het vlees van kwartels zal blijken te zijn en die moeten verzameld worden. Hier moet Mozes beginnen met het verzamelen van zeventig van de oudsten die opzichter kunnen zijn over het volk. Een parlement zeg maar, dat bijeen komt in de tent van de ontmoeting. Daar waar de Wet van de woestijn wordt bewaard komt het volk bijeen om te overleggen.

Dat “zeventig” staat er overigens niet zomaar. In de tijd dat de Bijbel werd opgeschreven geloofde men dat er zeventig volken waren die ook zeventig verschillende talen spraken. Zeventig vertegenwoordigers zijn dus het voorbeeld voor de Verenigde Naties die samen de problemen van de wereld zouden kunnen bespreken in het licht van de richtlijn voor een menselijke samenleving die zegt dat je je naaste moet liefhebben als jezelf. Dat je moet delen met een ander wat je hebt. Zeker in de woestijn ben je op dat delen aangewezen, en op de natuur natuurlijk. Dat was al gebleken met het Manna dat ze vonden voor hun tent en dat zal ook voor het vlees gelden. Ze waren wel slaven geweest, voor hun voedsel afhankelijk van hun meesters, maar ze moesten kennelijk nog leren op eigen benen te staan. Pas als je je niet meer afhankelijk van anderen opstelt kun je leren in welke overvloed je eigenlijk leeft.

In onze tijd is dat vaak de schaduwkant van de verzorgingsstaat. We zijn er zo aan gewend dat er van alles is en wordt geregeld dat we vergeten te genieten van wat er is en blijven mopperen op wat er niet is, nog niet is, of zelfs op wat er niet kan zijn. Wie kent nog de treinstellen derde klasse. Wie ze kent durft niet meer te mopperen op de nieuwste voertuigen van de Nederlandse Spoorwegen. Wie ons wegennet vergelijkt met het wegennet van veertig jaar terug zal verbaasd zijn over de vooruitgang die is geboekt, maar ook verbaasd over het gemopper over files en zo. We hebben zoveel kilometers weg en spoorweg dat het onze neus uitkomt. Het vlees bederft bij ons al in de supermarkten, we hebben zoveel dat we het niet op kunnen. Maar delen met de armsten in de wereld kunnen we nog steeds niet opbrengen. Wat dat betreft lijken we soms niet verder te zijn dan dat volk in de woestijn.

 

Waarom doet u uw dienaar dit aan?

maandag, 30 mei, 2016

Numeri 11:1-15

1 ¶  Het volk begon de HEER zijn nood te klagen. Toen de HEER dat hoorde ontstak hij in woede, en het vuur van de HEER laaide op en greep om zich heen aan de rand van het kamp. 2  Het volk riep Mozes luid om hulp en Mozes bad tot de HEER. Toen doofde het vuur. 3  Ze noemden die plaats Tabera, omdat daar het vuur van de HEER bij hen was opgelaaid. 4 ¶  Het samenraapsel van vreemdelingen dat met hen meetrok, was onverzadigbaar, en ook de Israëlieten begonnen weer te klagen. ‘Hadden we maar vlees te eten!’ zeiden ze. 5  ‘We verlangen terug naar de vis die we in Egypte volop te eten hadden, naar de komkommers en watermeloenen, de prei, uien en knoflook. 6  We drogen uit, we zien nooit iets anders dan dat manna.’ 7  (Het manna leek op korianderzaad maar had de kleur van balsemhars. 8  Ze verzamelden het overal in de omtrek, maalden het met een handmolen of stampten het fijn in een vijzel, kookten het in een pot en maakten er koeken van. Die smaakten alsof ze in olie gebakken waren. 9  Wanneer het kamp ‘s nachts door de dauw bedekt werd, daalde ook het manna erop neer.) 10  Mozes hoorde hoe alle families bij de ingang van hun tent zaten te klagen. Toen de HEER in hevige woede ontstak, maakte Mozes zich kwaad. 11  Hij vroeg de HEER: ‘Waarom doet u uw dienaar dit aan? Bent u mij zo weinig genegen, dat u mij de last van heel dit volk te dragen geeft? 12  Ben ik soms zwanger geweest van dit volk, heb ik het ter wereld gebracht? En dan wilt u mij gebieden om het in mijn armen te dragen, zoals een voedster een zuigeling draagt, en het zo naar het land te brengen dat u zijn voorouders onder ede beloofd hebt? 13  Ze komen bij mij klagen dat ze vlees willen. Maar waar haal ik voor dit hele volk vlees vandaan? 14  Ik alleen kan de last van dit hele volk niet dragen, dat is te zwaar voor mij. 15  Als u mij dit werkelijk wilt aandoen, dood me dan liever meteen. Dan blijft verdere ellende mij tenminste bespaard.’ (NBV)

Je kunt niet de hele wereld op je nek nemen. Je bent niet verantwoordelijk voor alle problemen die er zijn. Het zijn misschien open deuren, uitspraken waar iedereen het mee eens zal zijn maar die niets oplossen. Toch zijn er mensen die er maar niet naar kunnen leven. Ze voelen de last van alle mensen en bezwijken onder al het goede dat ze menen te moeten doen. Keuzes maken doen ze niet en nee zeggen kunnen ze niet, tenminste niet zonder zich schuldig te voelen over het feit dat ze mensen in de steek laten. Mozes was zo iemand. Toen het volk in opstand kwam over de leefomstandigheden in de Woestijn trok hij het zich persoonlijk aan lezen we hier. Er zijn in de Bijbel 8 verhalen over een opstand van het volk tegen God. Zeven ruzies als hier beschreven en in de laatste gaat het volk zelfs vreemde goden achterna. Hier is de eerste opstand. Deze begint niet bij de nakomelingen van Jacob maar bij het schooiersvolk dat met de slaven mee is getrokken uit Egypte en dat in de loop van de tocht door de woestijn bij het volk zal gaan horen.

In de keurige vertaling van de Nieuwe Bijbelvertaling staat dan dat het een samenraapsel van vreemdelingen was, In het Hebreeuws staat er gewoon schooiersvolk, kennelijk horen die er niet helemaal bij en of het vreemdelingen waren laat de oorspronkelijke tekst in het midden. Maar de klachten worden overgenomen door heel het volk. Vlees wilden ze eten en vis, verse groenten en niet alleen dat geheimzinnige manna dat ze elke dag voor de tent vonden, dat ze uitgebreid moesten bewerken maar dat er allesbehalve smakelijk uitzag. De verbinding die de Statenvertaling legt met verf als het over de kleur gaat is wellicht tekenend voor de beleving die het volk hier tot uitdrukking brengt als het gaat over het Manna. Dat Manna was echter ook de redding voor het volk geweest. Ze hadden ongezuurd brood meegenomen dat in de hitte van de woestijn lang houdbaar was en niet snel bedierf maar dat raakte op. En een heel volk te eten geven in een woestijn is niet eenvoudig. Ze hadden ook nog vee bij zich dat ook op tijd te eten moest hebben en dat je dus niet kon opeten zonder de kuddes aan te tasten en langzaam op te maken. Pas als er voldoende voedsel is kan een kudde vee op peil blijven.

De nomaden in droge streken van Afrika weten er over mee te praten. Mozes lijkt er van in paniek te raken. Hij kan het volk toch niet letterlijk in zijn armen nemen en door de woestijn naar het beloofde land dragen? Hij kan in zijn eentje ook niet alle problemen van zo’n grote groep mensen oplossen. Want de kwaliteit en de variatie van het eten was één probleem maar het is ook tekenend voor alle soorten problemen. Het verhaal van vandaag begint met een brand aan de rand van het kamp, het vuur dat boven de Tent der getuigenis had moeten branden was aan de rand terecht gekomen. Het was Mozes die om hulp moest roepen voordat het weer gedoofd werd. Ze noemden de plaats daarom brandwijk, Tavera, maar de klachten waren niet over. Het was wel even schrikken en het maakte Mozes kennelijk duidelijk dat je niet alle problemen zelf moet zien op te lossen. En dat geldt ook voor ons. We moeten doen wat we kunnen, maar ook anderen laten doen wat ze kunnen. We kunnen overal aandacht voor vragen, maar niet alles zelf op lossen. Maar we hebben geleerd dat als ieder doet wat mogelijk is  de hele wereld veranderen kan.

Ik ben het niet waard

zaterdag, 28 mei, 2016

Lucas 7:1-10

1 ¶  Toen Jezus aan het eind was gekomen van zijn toespraak tot de menigte ging hij Kafarnaüm in. 2  Een centurio die daar woonde had een slaaf die ernstig ziek was en op sterven lag; de centurio was erg op deze slaaf gesteld. 3  Toen hij over Jezus hoorde, zond hij enkele Joodse leiders naar hem toe om hem te vragen bij hem te komen en zijn slaaf van de dood te redden. 4  Toen ze bij Jezus waren gekomen, drongen ze er bij hem op aan mee te gaan. Ze zeiden: ‘De man die u dit verzoekt, verdient het dat u hem deze gunst bewijst. 5  Want hij is ons volk goedgezind en heeft voor ons de synagoge laten bouwen.’ 6  Jezus ging samen met hen op weg. Hij was al niet ver meer van het huis verwijderd, toen de centurio enkele vrienden naar hem toe stuurde met de mededeling: ‘Heer, spaar u de moeite, want ik ben het niet waard dat u onder mijn dak komt. 7  Daarom ook achtte ik mij niet waardig om zelf naar u toe te gaan. Maar u hoeft maar te spreken en mijn knecht zal genezen zijn. 8  Ook ik ben iemand die onder andermans gezag staat en zelf weer soldaten onder zich heeft, en als ik tegen een soldaat zeg: “Ga!” dan gaat hij, en tegen een andere: “Kom!” dan komt hij, en als ik tegen mijn slaaf zeg: “Doe dit!” dan doet hij het.’ 9  Toen Jezus dit hoorde, verbaasde hij zich over hem; hij keerde zich om naar de menigte die hem volgde en zei: ‘Ik zeg jullie, zelfs in Israël heb ik niet zo’n groot geloof gevonden!’ 10  Toen de vrienden van de centurio terugkeerden naar zijn huis, troffen ze daar de slaaf in goede gezondheid aan. (NBV)

Iedereen heeft wel eens gehoord van de Bergrede. In het zesde hoofdstuk van het Evangelie van Lucas kunnen we daarover lezen. De beroemde uitspraken als “heb je vijanden lief” en “heb je naaste lief als jezelf” klinken op de meest onverwachte momenten in onze taal nog door. Maar wat was de reactie toen Jezus uitgesproken was? Welke reactie schotelt de schrijver van het Evangelie van Lucas ons voor? Hij vertelt het verhaal over een bezetter. Een Romeins officier. De centurio hier genoemd, vroeger bekend als de hoofdman over honderd. In ons leger een kapitein waarschijnlijk, een commandant van een compagnie soldaten . Voor de inwoners van een bezet land geen beste, daar viel niet veel goeds van te verwachten. Maar dit lijkt een vijand die het volk lief heeft. Hij liet zelfs een synagoge voor het dorp bouwen.

En dat was niet niks want die synagogen waren uitvindingen van de Farizeeën die de wetten van het land zeer strikt wilden nakomen. Contacten met de bezetters waren daarbij uitgesloten. Komen in het huis van zo’n Romein was een grote overtreding van de wet. Maar zo’n Romein had dus voor hen het leerhuis gebouwd, waar het verhaal van Israel gelezen kon worden en waar de Wet van de Woestijn bestudeerd kon worden. Die Romeinse centurio ging nu nog verder. Hij bekommerde zich om een zieke slaaf. Ongehoord voor Romeinen, slaven waren gebruiksvoorwerpen, als ze stuk waren deed je ze weg, het leven van slaven telde volstrekt niet mee in de Romeinse samenleving.. Maar in de nieuwe gemeenschappen van volgelingen van Jezus van Nazareth, zoals mensen als Paulus die hadden gesticht werden slaven beschouwd als gelijken van de vrijen. Daar was een hele nieuwe manier van omgaan met elkaar ontstaan.

En als de schrijver van dit Evangelie zich richt tot Theofilus, ook een Romein, dan is dit verhaal een toepassing van de Bergrede ook voor de Heidenen in die nieuwe gemeenschappen. Zo ga je dus met je slaven om. Je probeert ze beter te maken, je beschouwd ze als familie. Niet om zelf in het zonnetje te komen, niet om er een goede naam of faam mee te verwerven. Want de centurio spreekt duidelijk uit dat hij het zelf niet waard is om naar Jezus toe te komen. Dat Jezus ook niet voor hem een zo grote overtreding van de wetten van de Farizeeën hoefde te plegen. Als hij maar zou zeggen dat de slaaf beter was. Dat is dus geloof in Jezus van Nazareth, alles aan de kant voor de armsten, je huis, je bezit, je goede naam. Je naaste liefhebben als jezelf. De Bergrede als praktijk van alle dag, als richtlijn ook voor vandaag. Elke dag opnieuw mogen we die boodschap tot richtlijn van ons leven maken.

Uw vijanden stuiven uiteen

vrijdag, 27 mei, 2016

Numeri 10:29-36

29 ¶  Mozes zei tegen Chobab, de zoon van de Midjaniet Reüel, Mozes’ schoonvader: ‘Wij vertrekken nu naar het gebied dat de HEER ons heeft toegezegd. Ga met ons mee; je zult het goed bij ons hebben, want de HEER heeft Israël voorspoed beloofd.’ 30  Maar hij antwoordde dat hij liever naar zijn geboorteland terugging. 31  ‘Ga alsjeblieft niet bij ons weg, ‘zei Mozes. ‘Jij weet immers waar wij in de woestijn het best onze tenten kunnen opslaan, je kunt onze gids zijn. 32  Als je met ons meegaat, zullen wij je laten delen in de voorspoed die de HEER ons zal geven.’ 33  Nadat ze bij de berg van de HEER vandaan gegaan waren, trokken ze drie dagen verder. De ark van het verbond met de HEER ging voor hen uit om een rustplaats voor hen te zoeken. 34  Wanneer ze verder trokken, hing overdag de wolk van de HEER boven hen. 35  Steeds als de ark verder zou trekken zei Mozes: ‘Sta op, HEER, en uw vijanden stuiven uiteen,  uw tegenstanders vluchten voor u!’ 36  En steeds als de ark stilhield zei hij: ‘Keer terug, HEER, naar Israël, keer terug naar de tienduizend maal duizenden!’(NBV)

Je vijanden schrik aanjagen. Dat is waar elk volk naar zoekt. Vlaggen, volksliederen, militaire marsmuziek, trommels en schreeuwen, alles kan worden ingezet. Een God is natuurlijk ook een middel om vijanden behoorlijke de schrik aan te jagen. Nu had Israël geen beeld van God dus een indrukwekkend beeld was er niet om te laten zien aan een vijand die kwaad in de zin had. Maar de Ark, gedragen door Levieten en met een wolk boven de twee beelden die de inhoud bewaakten maakte natuurlijk ook de nodige indruk. Ook het volk moest er moed door krijgen. Daarom sprak Mozes steeds de rituele zinnen die bij het optrekken van de Ark en het neerzetten van de Ark hoorden. Het volk volgt de Ark in het vertrouwen dat hun vijanden uiteen stuiven en tegenstanders zullen vluchten. Maar ja, als de wolk gaat rusten lijkt het alsof God het volk in de steek zal laten. Mozes mag daarom om de terugkeer van God roepen en aangezien God de vragen van Mozes steeds heeft beantwoord kan het volk rustig slapen kan.

Toch heeft het volk oorlog moeten voeren in de Woestijn. Het volk van Amelek had zich niet gek laten maken door het godsdienstig vertoon. Natuurlijk respecteer je een God die een volk beschermt. Maar als die God voor het volk uittrekt kan die God niet de achterhoede beschermen. De Amelakieten vielen het volk dan ook van achteren aan. Deze laffe daad heeft een eeuwigdurende vijandschap tussen Israël en Amelek opgeleverd. In het geniep oorlog voeren, niet met open vizier levert je dus de nodige haat op. In het beloofde land moest het volk overigens ook gewaarschuwd worden de bescherming van de Ark niet te licht op te nemen. In de Woestijn was het God die door zijn wolk bepaalde wanneer werd opgetrokken en wanneer moest worden gerust. In de dagen dat Samuël in de Tent der Getuigenis opgroeide vroeg het volk helemaal niet meer aan God of die wel wilde dat het volk optrok. Men stelde God gewoon voor het volk door de Ark mee te nemen in de oorlog.

In dat verhaal uit het boek Samuël wordt verteld dat God zelf wel uit maakt wanneer door God wordt opgetreden. De Filistijnen stuiven helemaal niet uiteen maar leggen beslag op de Ark en zetten die neer aan de voeten van het beeld van hun eigen God. Dan treed God pas op. Uiteindelijk wordt de Ark het land van de Filistijnen uitgejaagd omdat iedereen de pest er in krijgt. In die Ark liggen de belangrijkste regels voor het inrichten van een menselijke samenleving. Als het om oorlog en strijd gaat staat er in die regels “Gij zult niet doden” Oorlog voeren moet je dus niet al te licht doen, eigenlijk moet je helemaal geen oorlog voeren maar andere wegen zoeken om conflicten op te lossen. Als die symbolen die wij gebruiken om indruk te maken op anderen helpen dus ook niet. We weten dat wel maar imponerende erewachten blijven geïnspecteerd door staatshoofden in de hoop dat ze onder de indruk raken. En oorlog voeren we niet als alle andere middelen zonder resultaat zijn gebruikt, maar we voeren oorlog om onze vijanden te dwingen tot vrede. Wellicht moeten we vaker met Mozes mee bidden om de terugkeer van de God die ons heeft voorgehouden niet te doden.

De wolk bleef rusten

donderdag, 26 mei, 2016

Numeri 10:11-28

11 ¶  Op de twintigste dag van de tweede maand in het tweede jaar verhief de wolk zich van de tabernakel met de verbondstekst 12  en trokken de Israëlieten in de voorgeschreven volgorde weg uit de Sinaiwoestijn. De wolk bleef rusten in de woestijn van Paran. 13  Dit was de eerste maal dat ze opbraken zoals de HEER hun bij monde van Mozes had opgedragen. 14  Het eerst braken de afdelingen op die bij het vaandel van de Judeeërs gelegerd waren. Aanvoerder van het leger van Juda was Nachson, de zoon van Amminadab, 15  aanvoerder van het leger van de stam Issachar was Netanel, de zoon van Suar, 16  aanvoerder van het leger van de stam Zebulon was Eliab, de zoon van Chelon. 17  Daarna werd de tabernakel afgebroken en braken de Gersonieten en de Merarieten op, die hem vervoerden. 18  Vervolgens braken de afdelingen op die bij het vaandel van Ruben gelegerd waren. Aanvoerder van het leger van Ruben was Elisur, de zoon van Sedeür, 19  aanvoerder van het leger van de stam Simeon was Selumiël, de zoon van Surisaddai, 20  aanvoerder van het leger van de stam Gad was Eljasaf, de zoon van Deüel. 21  Na hen braken de Kehatieten op, die de heilige voorwerpen droegen; voordat zij aankwamen, was de tabernakel al weer opgebouwd. 22  Daarna braken de afdelingen op die bij het vaandel van de Efraïmieten gelegerd waren. Aanvoerder van het leger van Efraïm was Elisama, de zoon van Ammihud, 23  aanvoerder van het leger van de stam Manasse was Gamliël, de zoon van Pedasur, 24  aanvoerder van het leger van de stam Benjamin was Abidan, de zoon van Gidoni. 25  Ten slotte braken de afdelingen op die bij het vaandel van de Danieten gelegerd waren; zij vormden de achterhoede. Aanvoerder van het leger van Dan was Achiëzer, de zoon van Ammisaddai, 26  aanvoerder van het leger van de stam Aser was Pagiël, de zoon van Ochran, 27  aanvoerder van het leger van de stam Naftali was Achira, de zoon van Enan. 28  Dit was de volgorde waarin de legerafdelingen van de Israëlieten opbraken, en in die volgorde trokken ze ook verder.(NBV)

Mooie plechtige verhalen lezen we zo af en toe uit de Bijbel. Maar wat moeten we er mee? Om dat te snappen moet je het verhaal in z’n geheel lezen. De aanduiding van dag, maand en jaar betekent meestal dat er een nieuw verhaal begint. Maar wel verhaal was er dan afgelopen, de afloop van een verhaal maakt vaak duidelijk wat er nu opnieuw begint. Om de loop van dit verhaal te kunnen begrijpen moeten we het voorafgaande nog even samenvatten. Dat “volk” was een groep slaven en slavinnen die uit Egypte waren weggejaagd omdat op last van de God van dat slavenvolk de eerstgeborenen uit Egypte waren gestorven. Dat volk had alleen een leider, Mozes. Samen met zijn broer Aäron, die zo mooi kon spreken, en zijn zuster Mirjam, die zo mooi kon zingen, waren ze de woestijn ingetrokken, op weg naar een land waar ze in vrede en vrijheid zouden kunnen leven. Het was een ongeordende bende die daar door de woestijn trok. Tot ze bij de berg Sinaï waren gekomen.

Daar was het volk georganiseerd. Ze hadden rechters en oudsten gekozen. Ze waren per  stam en familie gelegerd. Ze hadden richtlijnen ontvangen voor een menselijke samenleving. De meest belangrijke waren op stenen platen geschreven om aan te geven dat het volgen een goddelijke samenleving zou opleveren en die stenen werden bewaard in een Heiligdom waar het volk de God van Israël kon ontmoeten. Rond dat Heiligdom was het volk ordelijk gelegerd. Er waren twaalf stammen en noordelijk, zuidelijk, oostelijk en westelijk van dat Heiligdom waren telkens drie stammen gelegerd. Nauwkeurig staat beschreven wie waar de tenten mag opslaan als het volk gelegerd was. Nu was het pas een echt volk. Ze hadden een Heiligdom. Ze hadden rituelen die hen herinnerden aan de bevrijding uit de slavernij en ze konden geloven dat de God die hen bevrijd had hen voor zou gaan naar dat beloofde land. Het werd dus tijd om op te breken. Het gedeelte dat we vandaag lezen is dan ook het begin van het verhaal over de veertig jaar die het volk door de woestijn had gelopen voor het bij het land Kanaän was gekomen, het land dat hun voorvaderen al beloofd was.

Het was een geordend volk dat door de woestijn trok. En orde schept welvaart en rust geloven wij tegenwoordig ook. En als die rust verstoord wordt dan kijken wij graag naar de Mozessen en Aärons van onze tijd die voor ons de overheid vormen. De richtlijnen voor de menselijke samenleving die het volk heeft ontvangen legt veel van de verantwoordelijkheid die wij bij de overheid leggen bij het volk zelf neer. Ze moeten zelf bereid zijn te delen met de minsten en te zorgen voor de zwaksten. Zelfs de vreemdelingen moesten gastvrij worden ontvangen en behandeld worden alsof ze bij het volk hoorden, onderscheid maken was er niet bij. Of zo’n volk dat kan volhouden en de orde die ze gekregen hadden en waar ze in geloofden kan onderhouden is een vraag die zich bijna zelf beantwoord. Ze hadden de woestijn kennelijk nog nodig om die richtlijnen in te oefenen en zich eigen te maken. In de vertaling die we hier lezen staat dat de wolk rustte in de woestijn van Paran. In het Hebreeuws staat eigenlijk dat de Wolk, en dus de God van Israël, ging wonen in de woestijn van Paran. Waar die woestijn nu precies gelegen was weten we niet meer. Van de doortocht van een groot volk door de woestijn tussen Egypte en Kanaän is nooit iets teruggevonden. Maar dat we ons de richtlijnen voor een menselijke samenleving niet zomaar eigen maken staat ook voor ons vast. Als we er in geloven zullen we er samen dus mee aan het werk moeten gaan. Dat kan elke dag opnieuw.

Maak van gedreven zilver twee trompetten

woensdag, 25 mei, 2016

Numeri 10:1-10

1 ¶  De HEER zei tegen Mozes: 2  ‘Maak van gedreven zilver twee trompetten om de gemeenschap bijeen te roepen en om het sein tot opbreken van het legerkamp te geven. 3  Wordt er op beide trompetten geblazen, dan moet de hele gemeenschap zich bij je verzamelen, bij de ingang van de ontmoetingstent. 4  Als op een ervan geblazen wordt, verzamelen de leiders van Israël, de aanvoerders van de legereenheden, zich bij je. 5  Wordt er een luid signaal geblazen, dan breken de afdelingen op die aan de oostkant gelegerd zijn; 6  op een tweede luid signaal breken de afdelingen op die aan de zuidkant gelegerd zijn. Telkens als het kamp moet worden opgebroken, moet er een luid signaal gegeven worden. 7  Voor het bijeenroepen van de gemeenschap gebeurt dat niet: dan wordt er geen luid signaal geblazen, maar een gewone trompetstoot gegeven. 8  Het blazen op de trompetten is de taak van Aärons nakomelingen, de priesters. Deze bepaling blijft voor altijd van kracht, voor alle komende generaties. 9  Als jullie in je eigen land door vijanden worden belaagd en ten strijde trekken, blaas dan een alarmsignaal om de HEER, jullie God, aan jullie te herinneren; dan zul je van je vijanden worden verlost. 10  Ook als jullie feestvieren, op de vaste feesten en bij nieuwemaan, en brandoffers en vredeoffers brengen, moet er op de trompetten geblazen worden om jullie in herinnering te brengen bij jullie God. Ik ben de HEER, jullie God.’ (NBV)

Het waren hele bijzondere instrumenten die Mozes van God moest maken. De Egyptenaren kenden al trompetten maar verder komen ze in de Bijbel alleen voor rond de ballingschap en dan met name na de ballingschap in de boeken van Ezra en Nehemia. Als er in Israël geblazen werd dan gebeurde dat over het algemeen op de ramshoorn. De klank van de trompetten was dus heel bijzonder. De ramshoorn klinkt laag en sonoor, het geluid dringt overal door heen en volgens sommigen kan het gemakkelijk angst of ontzag opwekken. Met het geluid van de ramshoorn werden ook de soldaten opgeroepen ten strijde te trekken of het volk gewaarschuwd voor komend gevaar. Zilveren trompetten, of bazuinen, klinken hoog en helder. Het zijn niet de ventieltrompetten die we tegenwoordig kennen maar het moeten meer bazuinen geweest zijn zoals we die van Herauten kennen. Ze mochten dan ook alleen door de priesters gebruikt worden. Maar de muziek van de Trompetten had een heel andere functie dan de muziek van de ramshoorns.

In onze cultuur is de functie van muziek voor de samenleving bijna niet meer herkenbaar. De muziek van een muziekkorps, met trompetten, trommels en fluiten, klinkt bij feesten en optochten maar ook bij het ten oorlog gaan van soldaten of het terugkeren van de slachtoffers van oorlog en geweld. De muziek uit de hitparade draaien we tegenwoordig ook gemakkelijk bij begrafenissen, zelfs bij een kerkelijke afscheidsdienst. Alleen de twee en drietonige hoorn van politie, brandweer en ambulance wijst nog op een gebeurtenis die onze aandacht verdient, al was het alleen maar om vrije doortocht te verlenen aan de hulpdiensten. In de Bijbel is muziek heel belangrijk. In de Bijbel staat een complete liedbundel, de Psalmen, maar ook in allerlei andere boeken klinken liederen op. Ook bij de uittocht uit Egypte hadden liederen geklonken, Mirjam en Mozes hadden daarvoor de toon gezet. Maar het onderscheid tussen heilige muziek en muziek van het volk was scherp getrokken. Vandaag lezen we over die Heilige Muziek.

Voor verschillende gelegenheden moesten verschillende signalen geblazen worden op de zilveren trompetten. Als het volk moest opbreken dan klonken er twee signalen. Als het volk zich moest verzamelen bij de Tent  van de Ontmoeting dan klonk er een enkel signaal. In het verhaal van Exodus staat heel precies opgeschreven hoe het volk, stam voor stam en familie voor familie rond de Tent der ontmoeting gelegerd moest worden. Die Tent was daardoor niet alleen het middelpunt van het kamp maar was ook maximaal beschermd. Hier staat beschreven in welke volgorde het volk moest opbreken. Voor het dragen van de onderdelen van het Heiligdom waren nauwkeurig families en stammen aangewezen. Dat moest met eerbied gebeuren. Die eerbied lees je hier terug. Maar wat moeten we nu met een verhaal over het gedrag van een volk in de woestijn? Uit de laatste verzen van het deel van vandaag blijkt dat het volk dezelfde gewoonten moesten houden in dat nieuwe land waarheen ze op weg waren. Een aparte oproep om God te gaan ontmoeten bleef bewaard. Wij hebben niet zoveel van die oproepen. Op vrijdag klinkt soms het gezang dat oproept naar de moskee te komen, op zondagmorgen klinken de kerkklokken die het begin van een kerkdienst aankondigen. Die oproepen klinken niet zomaar, ze roepen ons op om gemeenschappen te vormen die gestalte geven aan de liefde die de God van Israël van ons vraagt. Laat die oproepen niet tevergeefs klinken.

Op bevel van de HEER

dinsdag, 24 mei, 2016

Numeri 9:15-23

15 ¶  Op de dag waarop de tabernakel met de verbondstekst was opgebouwd, werd hij overdekt door een wolk. Die avond was de wolk als een lichtend vuur boven de tabernakel te zien, en dat bleef zo tot de volgende morgen. 16  Zo was het voortdurend: de wolk overdekte de tabernakel en was ‘s nachts te zien als een vuur. 17  Telkens als de wolk zich van de tent verhief trokken de Israëlieten verder, en op de plaats waar de wolk stilhield sloegen ze hun kamp op. 18  Op bevel van de HEER trokken de Israëlieten verder, en op bevel van de HEER sloegen ze hun kamp op. Zolang de wolk op de tabernakel rustte, bleven ze op de plaats waar ze waren. 19  Bleef de wolk lange tijd boven de tabernakel hangen, dan braken de Israëlieten al die tijd niet op; ze hielden zich aan de aanwijzingen van de HEER. 20  Soms bleef de wolk maar een paar dagen boven de tabernakel hangen. Ook dan sloegen ze hun kamp op wanneer de HEER daartoe bevel gaf en trokken ze weer verder wanneer de HEER het beval. 21  Soms ook bleef de wolk alleen van de avond tot de morgen. Als hij zich dan ‘s morgens verhief, trokken ze verder. Zodra de wolk zich verhief, of dat nu overdag gebeurde of ‘s nachts, trokken ze verder. 22  Rustte de wolk langere tijd boven de tabernakel-een paar dagen of een maand of nog langer-dan bleven de Israëlieten al die tijd op de plaats waar ze waren; pas wanneer hij zich verhief trokken ze weer verder. 23  Op bevel van de HEER sloegen ze hun kamp op, en op bevel van de HEER trokken ze verder. Ze hielden zich aan de aanwijzingen van de HEER, die de HEER hun bij monde van Mozes gegeven had. (NBV)

Als je de Bijbel in stukjes leest, zoals we hier elke dag doen aan de hand van het dagelijks leesrooster van het Nederlands Bijbel genootschap, dan loop je de kans de meest noodzakelijke informatie te missen en daardoor kan de boodschap van een gedeelte uit de Bijbel je gemakkelijk ontgaan. Zo lezen we vandaag het tweede gedeelte van het negende hoofdstuk uit het boek Numeri. Dit boek hoort  bij de eerste vijf boeken van de Bijbel. Daar staan verhalen en richtlijnen voor het opbouwen van een menselijke samenleving in het land dat overvloeit van melk en honing. De eerste zin van het gedeelte van vandaag zet veel geleerden op het verkeerde been. Het is duidelijk dat dit gedeelte één verhaal vertelt, er komt een wolk, die zich in de nacht als een vuur voordoet en als die wolk optrekt trekt ook het volk op en als die wolk het aangeeft dan slaat het volk weer een kamp op. Die wolk kwam er op de eerste dag dat de opbouw van de tabernakel was opgebouwd, een mooi beeld dus.

Maar als je het verhaal leest in het Hebreeuws waarin de Hebreeuwse Bijbel geschreven is dat stuit je toch op een paar verbazende opmerkingen. Wat de Nieuwe Bijbelvertaling als “Tabernakel” vertaalt heet in het Hebreeuws iets als de “Woning van de getuige, of getuigenis” Het verhaal over de opbouw van dit Heiligdom staat beschreven in het boek Exodus. Daar staat tot in het kleinste detail beschreven hoe dat Heiligdom er moet uitzien, wat er allemaal in moet staan en wie er wat mee mag doen. Ook als het volk onderweg gaat dan sleept het niet zomaar het Heiligdom mee maar er staat precies wie wat moet dragen en waar die dragers hun eigen tent moeten opslaan als het volk weer halt houdt. Maar in het boek Exodus heet dat Heiligdom “Tent der Ontmoeting” en dat is toch een iets andere naam. Het is alleen duidelijk dat er in die Tent geen beeld van een God staat, alleen een kist van acaciahout met daarin de tekst van het verbond dat tussen God en het volk was gesloten en op die kist een paar gouden figuren die het symbool waren van de bescherming van dat verbond.

Waar komt dat “getuige” nu vandaan? Daarvoor hadden we eigenlijk het eerste deel van het negende hoofdstuk moeten lezen. Daarin wordt verteld dat het volk voor het verder ging eerst de maaltijd herhaalde die het had gehouden op de avond dat ze uit het land Egypte waren gejaagd. Alle eerstgeborenen van Egypte waren die avond doodgegaan. Alleen bij de Hebreeën, die het volk Israël zouden vormen, ging de eerstgeborene niet dood. Zij hadden een lam geslacht, het vlees gebraden en het bloed aan de deurposten gesmeerd. Dat doden van die eerstgeborenen werd aan de God van die Hebreeuwse slaven toegeschreven en daarom werden ze het land uitgegooid. Die Hebreeën geloofden zelfs overigens ook in het ingrijpen van die God. Ze hadden broden gebakken zonder gist of zuurdesem zodat ze lang in de woestijn houdbaar zouden blijven. Met de maaltijd herdachten ze de bevrijding door God uit het land van de dood. Dat Heiligdom, die wolk, waren daar de getuige van. De bevrijding uit de dood was niet zomaar, dat hadden ze gekregen, daar hoefden ze niets anders te doen. Bij de maaltijd moesten ze delen, met de armen, met de vreemdelingen en zelfs met slaven en slavinnen. Dat delen is het belangrijkste voor het volk, zonder delen overleef je de woestijn niet. Voor ons geldt dat zonder delen onze samenleving tot een dodende woestijn wordt. God heeft ons genoeg gegeven om te delen. De Bijbel legt ons daarom ook een keuze voor, tussen leven en dood. Laten we dus opstaan en kiezen voor het leven. God gaat ons in een wolk vooruit.

Berisp een wijze

maandag, 23 mei, 2016

Spreuken 9:1-18

1 ¶  De wijsheid heeft zich een huis gebouwd, Haar zeven zuilen opgericht, 2  Haar vee geslacht, haar wijn gemengd, Haar dis ook bereid. 3  Nu laat ze haar dienstmaagden noden Op de hoogste punten der stad: 4  Wie onervaren is, kome hierheen, Wie onverstandig is, tot hem wil ik spreken. 5  Komt, eet van mijn spijzen, En drinkt van de wijn die ik mengde; 6  Laat de onnozelheid varen, opdat gij moogt leven, Betreedt de rechte weg van het verstand! 7  Wie een spotter vermaant, berokkent zich schande, En wie een booswicht bestraft, op hem komt een smet. 8  Ge moet geen spotter bestraffen, hij zal u erom haten, Bestraf een wijze, hij zal er u dankbaar voor zijn. 9  Deel mee aan een wijze: hij wordt nog wijzer, Onderricht een rechtvaardige: hij zal zijn inzicht verdiepen. 10  Ontzag voor Jahweh is de grondslag der wijsheid, Den Heilige kennen is inzicht. 11  Want door Jahweh worden uw dagen vermeerderd. Worden jaren van leven u toegevoegd. 12  Zijt ge wijs, ge zijt wijs tot uw eigen voordeel; Zijt ge eigenwijs, gij alleen moet ervoor boeten! 13 ¶  De dwaasheid is een wispelturige vrouw, Een verleidster, die geen schaamte kent. 14  Ze zit aan de deur van haar huis, In een zetel op de hoogten der stad; 15  Zij nodigt de voorbijgangers uit, Hen die recht huns weegs willen gaan: 16  Wie onervaren is, kome hierheen, Wie onverstandig is, tot hem wil ik spreken! 17  Gestolen water is zoet, Heimelijk gegeten brood smaakt lekker! 18  Maar men vermoedt niet, dat de schimmen daar wonen, Dat haar gasten diep in het dodenrijk komen! (NBV)

Wie een wijze berispt schenkt wijsheid. Het heeft dan ook niet zo veel zin om dwazen terecht te wijzen. De scheldwoorden tegen de dwazen vliegen ons om de oren, tevergeefs, de scheldwoorden onder het mom van vrijheid van meningsuiting sterken de dwazen in hun dwaasheid. Dwazen zijn overigens te herkennen aan het onrecht dat van de dwaasheid afdruipt. Zou God zelf de Wijsheid zijn? Het boek Spreuken zet ons met deze vraag vaak te kijk en ontmaskerd daarmee de dwaasheid van hen die over God menen te kunnen spreken. In het boek Spreuken wordt de Wijsheid consequent als vrouwelijk aangeduid. Er wordt zelfs gesproken over Vrouwe Wijsheid. In dit stuk ook, de vrouw van het aardse huis bereid een maaltijd, alles staat klaar om te komen eten, en wie inzicht heeft komt natuurlijk bij de wijsheid zich laven aan alles wat goed is.

Maar God is toch een man? God wordt vaak voorgesteld als een man dat is waar. In één van de beroemdste schilderingen die er naar de Bijbel zijn gemaakt, het plafond van de Sixtijnse Kapel geschilderd door Michel Angelo, is God een oude man met een baard die zijn hand naar de mens uitsteekt. Dat is een beeld dat Christelijke en soms ook Joodse gelovigen graag hanteren, maar het is niet het beeld dat de Bijbel schetst. Vanaf het begin dat er een volk met God op pad ging was de eerste afspraak dat er geen beelden van God gemaakt zouden worden. Het eerste dat fout ging was dan ook dat ze God gingen zien als een vruchtbaar kalf en daar een beeld van maakten. Het enige dat we in de Bijbel over God leren is dat God de mensen oneindig liefheeft en dat die mensen dat ook moeten doen. Dat het draait om het liefhebben van de mensen.

Er is een aardige uitleg in de Joodse godsdienst over de vraag waarom vrouwen geen deel hebben aan de dienst in de Synagoge. Vrouwen zo wordt gezegd kennen de Torah, de Wet van God, van nature, mannen moeten er hun hele leven voor studeren en snappen het dan nog niet. Alleen wijzen leren ervan berispt te worden.  “Gestolen water is verrukkelijk, geroofd brood is een lekkernij” klinkt het. Verboden vruchten smaken het lekkerst. En dat gaat over de rijken die, door Vrouwe Dwaasheid verleid, tot hebzucht komen en winst op winst stapelen.  Maar wat de een verdient moet de ander betalen en de vraag is niet hoe je het kan krijgen maar hoe je het eerlijk kan verdienen, ten koste van wie het eigenlijk gaat. Bij de bewegingen die pleiten voor een eerlijke handel zie je dat duidelijk. Kinderarbeid, slavenarbeid van kinderen, uitbuiting en exploitatie van vrouwen zijn de oorzaken van goedkope kleding, heerlijke chocolade, mobiele telefoons en noem maar op. Oorlog, hongersnood, vluchtelingen en asielzoekers zijn het gevolg en het is helemaal niet zo moeilijk in te zien dat eerlijk delen tot meer geluk en welvaart voert en dat genieten van gestolen goed je tot het dodenrijk doet afdalen. Gewoon vragen waar de spullen bij het grootwinkelbedrijf  of de goedkope kledingwinkel vandaan komen dus.

 

Wie mij vindt, vindt het leven

zondag, 22 mei, 2016

Spreuken 8:22-36

22 ¶  De HEER heeft mij vóór al het andere verworven, toen hij zijn scheppingswerk begon, schiep hij eerst mij. 23  Ik ben in het begin gemaakt, nog voor alles er was, nog voor de aarde vorm kreeg. 24  Toen er nog geen oceanen waren, werd ik voortgebracht, nog voor de bronnen met hun waterstromen. 25  Toen de bergen nog niet waren neergezet, werd ik voortgebracht, nog voor er heuvels waren. 26  De aarde en de velden had de HEER nog niet geschapen, geen korrel zand was nog gemaakt. 27  Ik was erbij toen hij de hemel zijn plaats gaf en een cirkel om het water trok, 28  de wolken aan de hemelkoepel plaatste, de oceanen bruisend op liet wellen, 29  toen hij aan de zeeën grenzen stelde, het water met zijn woord zijn plaats gaf, de fundamenten van de aarde legde. 30  Ik was zijn lieveling, een bron van vreugde, elke dag opnieuw. Ik was altijd verheugd in zijn aanwezigheid, 31  vond vreugde in zijn hele aarde en was blij met alle mensen. 32 ¶  Nu dan, zonen, luister naar mij, gelukkig is een mens die op mijn wegen blijft. 33  Luister naar wat ik je leer, en word wijs, negeer mijn lessen niet. 34  Gelukkig is elk mens die naar mij luistert, dag in dag uit bij mijn woning staat, de wacht houdt bij mijn deur. 35  Want wie mij vindt, vindt het leven, en ontvangt de gunst van de HEER. 36  Wie aan mij voorbijgaat, doet zichzelf veel kwaad, wie mij haat, bemint de dood. (NBV)

Veel mensen vragen zich af waarom we er eigenlijk zijn. Je wordt geboren, groeit op, velen stichten een gezin, voeden kinderen op, die zelf ook weer opgroeien en op zichzelf gaan wonen, en dan wordt je oud en je sterft. Zo ongeveer hopen we dat het gaat, al zijn er die een gezin stichten zonder kinderen, of alleen blijven, maar eerder dood gaan dan van ouderdom willen we bijna allemaal niet. Dat leven zal toch een zin moeten hebben. Het moet toch ergens voor dienen. In een godsdienst is de zin van het mensenleven vaak dat de God wordt gediend. In veel godsdiensten is het dan zo dat de God de mensen heeft gemaakt om gediend te worden en die God wordt boos als dat dienen wordt verwaarloosd, vergeten of niet goed gedaan wordt. Bovenstaand spreukenhoofdstuk leert ons iets anders. Voor alles was er de Wijsheid, het inzicht, en daarmee of daarvoor werd alles gemaakt.

De zin van het leven ligt dus verborgen in die wijsheid. En die wijsheid is eigenlijk heel eenvoudig. Jezus zal ooit eens zeggen dat die wijsheid kinderlijk eenvoudig is, je moet zelfs worden als een kind. Alles draait om de liefde. De liefde voor mensen, bij uitstek voor de zwaksten, de onmondigen, de slaven, de verdrukten. “We zijn toch op de aarde om te helpen nietwaar” was een grappige hit geschreven door Eli Asser maar raakt de boodschap van Spreuken in het hart. Het uitvoeren, en vooral het volhouden is minder eenvoudig dan het lijkt. Voordat je voldoende machthebbers in beweging hebt om de hongerenden in zuidelijk Afrika te helpen bijvoorbeeld kan lang duren. Het Rode Kruis is daar inmiddels mee begonnen en heeft een apart gironummer geopend. Spreuken zegt  dat de zorg voor de minsten, het voeden van de hongerigen, het kleden van de naakten, mensen tot hun recht laten komen het leven zelf is. Wat niet liefheeft is dood.

We zien God graag als een God die hoog in de hemel troont en ver weg is. Als we het verkeerd doen, straft hij en aangezien we het nooit goed kunnen doen worden we altijd gestraft. Het deel van Spreuken dat we dezer dagen lezen zegt het anders. De Wijsheid, het inzicht, was altijd al bij God maar roept nu tot ons op de hoeken van de straten. Ze bevraagt ons, wat is de zin van het leven is de eerste vraag. Zorgen dat dit een leefbare wereld voor mensen wordt is het antwoord. Daar was die God immers mee begonnen. Om te  beginnen schiep God de hemel en de aarde zijn de eerste woorden van de Bijbel en als die aarde van een woeste chaos tot een geordende leefbare wereld is geworden krijgt de mens daarover de verantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid brengt met zich mee dat we geen mensen van honger laten sterven, brengt met zich mee dat mensen niet worden onderdrukt en uitgebuit, brengt met zich mee dat mensen niet hoeven te vluchten voor oorlog geweld, brengt met zich mee dat ook vreemdelingen als broeders en zusters worden begroet. Het is dichterbij dan je denkt en zo moeilijk is het ook niet.

Niets is vals en krom

zaterdag, 21 mei, 2016

Spreuken 8:1-21

1 ¶  Roept Wijsheid niet, laat Inzicht haar stem niet horen? 2  Wijsheid heeft zich opgesteld op een heuvel langs de weg,  bij het kruispunt van de wegen. 3  Bij de poorten van de stad, bij de ingang, bij de toegangswegen klinkt haar stem: 4  ‘Mensen, tot jullie roep ik, ik richt mij tot iedereen. 5  Onnozele mensen, word toch eens verstandig, dwazen, denk eens na! 6  Luister, ik vertel je waardevolle dingen, mijn woorden zijn oprecht. 7  Mijn mond verkondigt slechts de waarheid, mijn lippen haten onbetrouwbaarheid. 8  Op mijn uitspraken kun je vertrouwen, niets is vals en krom. 9  Wie inzicht heeft vindt ze duidelijk, ze zijn eenvoudig voor wie kennis heeft verworven. 10  Stel mijn lessen boven zilver, mijn kennis boven zuiver goud. 11  Wijsheid is kostbaarder dan edelstenen, alles wat je ooit zou kunnen wensen valt bij wijsheid in het niet.’ 12 ¶  Ik, Wijsheid, ik woon bij Beraad, door overpeinzing vind ik kennis. 13  Wie ontzag heeft voor de HEER haat het kwaad. Ik verafschuw trots en hoogmoed, leugens en het kwaad. 14  Bij mij vind je beraad en overleg, ik heb inzicht, ik heb kracht. 15  Door mij regeren koningen, bepalen heersers wat rechtvaardig is. 16  Vorsten heersen dankzij mij, ik laat leiders rechtvaardig regeren. 17  Wie mij liefheeft, heb ik ook lief,  wie mij zoekt, zal mij vinden. 18  Rijkdom en eer zijn mijn bezit, duurzame weelde en gerechtigheid. 19  Wat ik je geef is kostbaarder dan het zuiverste goud, ik bied iets dat meer is dan het fijnste zilver. 20  Ik ga de weg van de rechtvaardigheid, ik volg de paden van het recht 21  om rijk te maken wie mij liefheeft, om zijn schatkamers te vullen. (NBV)

Uren kun je zoeken naar de oplossing van een probleem, plotseling dringt die oplossing zich op en je realiseert je dat de oplossing eigenlijk al die tijd al voor de hand heeft gelegen. Het roept je als het ware toe. Hoe heb je zo stom kunnen zijn dat je het voor de hand liggende niet hebt gezien. Het overkomt ons allemaal wel eens. De dichter van het Bijbelboek Spreuken wijst ons er nog eens op. De wijsheid roept het uit op het kruispunt van de wegen, bij de poorten van de stad. Je zou er bijna over struikelen. En wat roept de wijsheid dan wel niet? Dat God liefhebben boven alles gelijk is aan je naaste liefhebben als je zelf. En dat het dus eigenlijk heel eenvoudig is om heel veel ellende tussen mensen te voorkomen. “De poorten van de stad” staat er overigens niet zomaar als trefpunt van veel mensen, het was ook de plaats waar recht werd gesproken. En echt recht sluit mensen in en niet uit. Vrouwe Wijsheid roept uit dat we juist de mensen moeten liefhebben. We zullen vandaag daarom  aan een inclusieve samenleving moeten werken, waar mensen gekend, gezien en gewaardeerd worden.

De Wijsheid is hier vrouwelijk. De Wijsheid is altijd  vrouwelijk, de wijsheid zorgt er immers voor dat de zorg voor de minsten voorop kunt staan. Elders in de Bijbel heet dan handelen in de Geest van God, in het Nieuwe Testament is het handelen in de Geest van Jezus van Nazareth. Die Geest is vrouwelijk. Mannen hebben in de geschiedenis altijd de illusie weten te wekken dat het gelijk altijd aan hun kant staat. Dat is dus niet zo. God is net zo goed vrouwelijk als mannelijk en wat wij in het dagelijks leven van God merken, zeker als we ons leven door God laten sturen, dat is de vrouwelijke kant van God. Dit gedeelte van Spreuken doorbreekt ook de gedachte dat je al filosoferend zelf wel tot de waarheid kan komen, je eigen menselijke rede zou de meest verstandige oplossingen bieden. Volgens dit hoofdstuk uit Spreuken is niets minder waar. Wil je tot redelijke oplossingen komen voor problemen zul je moeten luisteren, naar het Woord van God, lezen in de Tora dus, maar ook naar anderen die geluisterd hebben naar het Woord van God. Zoals Vader, Zoon en Heilige Geest een familie vormen zo is Wijsheid alleen familiaal te verkrijgen.

Er zijn in het gedeelte van vandaag een paar gedeelten waar we voor uit moeten kijken. Misverstanden zijn snel geboren. Als je de paden van het recht volgt zou je rijk kunnen worden zou je er in kunnen lezen. Maar wat is rijkdom? Jezus van Nazareth zei eens tegen zijn leerlingen dat ze geen schatten op aarde moesten verzamelen maar schatten in de hemel. Het volgen van de Wijsheid maakt geen mensen rijk maar maakt God rijk, rijk aan eer, rijk aan aanbidding. Wie deze Spreuken in het Hebreeuws kan lezen zal het opvallen dat  vers 11 begint met HEER en vers 21 eindigt met mens. Daartussen ligt de bedoeling van dit gedeelte. Het gaat over de verhouding tussen God en mens. En in die verhouding doet God de mensen recht als mensen elkaar recht doen. En bij recht doen aan mensen hoort geen hooghartigheid, hoort geen trots, horen geen leugens en kwaad. De Wijsheid laat daarom ook koningen en machthebbers regeren. Als ze werkelijk hun onderdanen tot hun recht weten te laten komen dan krijgen ze de vrede van God. Als ze de minsten en de kanslozen wegstoppen in verwaarloosde wijken waar ze weinig kans hebben op werk, opleiding en een toekomst voor de kinderen dan krijgen ze opstand en geweld. Voor we handelen moeten we dus eerst bij de Wijsheid te rade gaan. Wijsheid is immers kostbaarder dan edelstenen, kostbaarder nog dan de blauwe Oppenheimer, en ze is voor iedereen beschikbaar, elke dag weer.