Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor april, 2016

Kom zijn poorten binnen met een loflied

woensdag, 20 april, 2016

Psalm 100

1 ¶  Een psalm voor het dankoffer. Juich de HEER toe, heel de aarde, 2  dien de HEER met vreugde, kom tot hem met jubelzang. 3  Erken het: de HEER is God, hij heeft ons gemaakt, hem behoren wij toe, zijn volk zijn wij, de kudde die hij weidt. 4  Kom zijn poorten binnen met een loflied, hef in zijn voorhoven een lofzang aan, breng hem hulde, prijs zijn naam: 5  de HEER is goed, zijn liefde duurt eeuwig, zijn trouw van geslacht op geslacht. (NBV)

Vandaag zingen we een kleine Psalm mee met de Bijbel. Een psalm voor het dankoffer staat er boven. Maar dat dankoffer moet een vergissing zijn. Je zou met enige goede wil “lofoffer” kunnen lezen en dat is bij vroegere vertalingen ook wel gedaan maar ook dat staat er niet. Er staat namelijk in het Hebreeuws niets van “offer” Wel Lof, net als in “God Lof” dat we meestal niet vertalen en waar dan gewoon Halleluja staat. De vertaling “Lofprijzing” komt daarom het meest in aanmerking. De term “dankoffer” wekte gemakkelijk misverstanden. Onze God is niet een “voor wat hoort wat” God. Als ons iets toevalt hoeven we dus niet met een offer dank je wel te zeggen. We brengen God lof en laten zien dat alles wat die God ons geeft door ons gedeeld kan worden en dat we dat niet voor onszelf houden.  Wij kennen de term “Lofprijzing” meer in haar Griekse vorm, de ode. Een ode aan God. Gezongen door de mensen die bij de Tempel zijn aangekomen om daar de voorgeschreven offers te brengen. Ze roepen heel de aarde op om God ook te gaan loven met vreugde en jubelzang.

En dat is niet voor niets. Als je de God van Israël als enige Heer van de wereld erkent dan zijn er direct geen andere heren die ruzie maken om die positie. Dan breekt dus de vrede eerst recht uit. En als je alle mensen van de aarde als medebewoners van de aarde en medeonderdanen van die God erkent hoef je onderling ook geen ruzie meer te maken, ook dan breekt de vrede uit. Dan kun je ook samen de poorten van de Tempel binnengaan en in de voorhof van de Tempel een lofzang aanheffen. Want daar immers wordt maaltijd gehouden, met de familie, met de tempeldienaars maar ook met de armen en met de vreemdelingen die in de stad zijn. Niemand wordt daar buitengesloten, geen mens wordt tegen de ander opgezet, niemand is er bang voor elkaar. Dat is de heerschappij van de God van Israël. Dat is de liefde die de God van Israël van alle mensen op aarde vraagt, van ons dus ook. Die liefde duurt voor altijd. Er zijn gelukkig mensen in ons land die dat snappen. Het kwaad van het opzetten van de ene groep tegen de andere heeft diep doorgevreten in onze samenleving. Terwijl mensen van verschillende culturen met elkaar door hun wijk en hun stad opmarcheren om te laten zien hoe vreedzaam mensen van die verschillende culturen met elkaar kunnen omgaan laat een televisieprogramma slachtoffers uit de ene cultuur aan het woord om te vertellen hoe slecht de mensen uit de andere cultuur wel niet zijn.

De laffe angsthazen die voortdurend haat proberen te zaaien tegen de religieuze minderheid waarvoor ze bang denken te moeten zijn roepen uit om eenzijdig de ene cultuur te veroordelen voor het geweld dat in diezelfde stad is uitgebroken. De meerderheid van de mensen van beide culturen zijn echter verstandiger. Zij vaardigen mensen af naar hun burgemeester om maatregelen te bedenken die een einde kunnen maken aan de conflicten en aan het geweld. Geweld trekt echter in onze samenleving de aandacht. Zonder gebruik van geweld lijk je wel geen aandacht te kunnen krijgen. Televisieprogramma’s lijken alleen nog aandacht te hebben voor mensen die problemen veroorzaken of slachtoffer zijn van die problemen. Niemand lijkt meer geïnteresseerd in oplossingen. Alleen mensen die nog de echo kennen van een psalm als die we vandaag gelezen hebben. Daarom hulde aan de mensen die vreedzaam opliepen in hun stad. Laten we ons bij hen aansluiten in het geloof dat de Heer van de wereld ons daarin voorgaat en als teken dat vrede in ons land door bijna iedereen gewild wordt. In de poorten van de stad werd in Israël recht gesproken. Daar werd ook de arme en de vreemdeling recht gedaan, daar kwam iedereen tot zijn of haar recht. Zo zou het ook in onze samenleving kunnen.

De goden zijn in mensengedaante

dinsdag, 19 april, 2016

Handelingen 14: 8-20

8 ¶  In Lystra zat een man op straat die geen kracht in zijn voeten had; hij was al sinds zijn geboorte verlamd en had nooit kunnen lopen. 9  Toen deze man naar een toespraak van Paulus luisterde, keek Paulus hem strak aan en zag dat hij geloofde dat hij genezen kon worden. 10  Daarom riep hij hem toe: ‘Kom overeind en ga op uw benen staan!’ De man sprong op en begon te lopen. 11  Toen de mensen zagen wat Paulus had gedaan, verhieven zij hun stem en ze zeiden in het Lykaonisch: ‘De goden zijn in mensengedaante naar ons afgedaald!’ 12  Ze noemden Barnabas Zeus en Paulus Hermes, omdat hij de woordvoerder was. 13  De priester van Zeus, wiens tempel vlak buiten de stad lag, bracht met bloemenkransen getooide stieren naar de stadspoort, die hij en het volk wilden offeren. 14  Maar toen de apostelen Barnabas en Paulus merkten wat de bedoeling was, scheurden ze van ontzetting hun kleren, drongen zich door de menigte heen en riepen: 15  ‘Wat doet u toch? Wij zijn mensen, net als u. Onze boodschap is nu juist dat u geen afgoden moet vereren, maar de levende God, die de hemel en de aarde en de zee heeft geschapen en alles wat daar leeft. 16  Hij heeft in het verleden alle volken hun eigen weg laten gaan, 17  maar heeft toch blijk gegeven van zijn goedheid: vanuit de hemel heeft hij u regen geschonken en vruchtbare seizoenen, hij heeft u overvloedig te eten gegeven en u zodoende vreugde gebracht.’ 18  Door deze woorden slaagden ze er met moeite in de mensenmenigte ervan te weerhouden om aan hen een offer te brengen. 19 ¶  Na verloop van tijd kwamen er echter Joden uit Antiochië en Ikonium die de mensen ompraatten. Ze stenigden Paulus en sleepten hem vervolgens de stad uit, in de veronderstelling dat hij dood was. 20  Maar toen de leerlingen om hem heen waren gaan staan, kwam hij overeind en ging de stad weer in. De volgende dag vertrok hij met Barnabas naar Derbe. (NBV)

Het verblijf in Lystra liep nog maar net goed af voor Paulus. We maken graag afgoden van mensen die we groot en machtig vinden. Of het nu artiesten zijn, filmsterren, politici, pausen en weldoeners, mannen en vrouwen, als ze opvallen dan lopen we er graag achteraan. Er is zelfs een bonte verzameling weekbladen die niet anders doen dan berichten over het wel en wee van onze afgoden, vooral het wee overigens. In al die eeuwen sinds het optreden van Paulus en Barnabas is er nog steeds niks veranderd. Nu hadden zij een arme bedelaar bevrijd van zijn armzalig bestaan door hem te laten opstaan en in beweging te zetten. Mensen vinden dat een wonder, terwijl het toch de bestemming van mensen is om zelf een bijdrage te leveren aan de samenleving in plaats van afhankelijk te blijven van de aalmoezen van anderen. Ook in onze dagen is het onze plicht er voor te zorgen dat mensen mee kunnen blijven doen als ze dreigen aan de kant te komen zitten.  Wij moeten daar onze politici op aanspreken. In de samenleving waar Paulus en Barnabas optreden is dat zeer ver buiten de orde van alle dag.

Nu waren er in de mythen over de goden van Grieken en Romeinen allerlei verhalen over goden die in de gedaante van mensen of dieren zich tussen de stervelingen hadden begeven om zich daar te vermaken of stervelingen op de proef te stellen. De daad van Paulus en Barnabas werd als goddelijk gezien en zo werden zij tot goden bestempeld. Barnabas werd de oppergod Zeus en Paulus zijn boodschapper Hermes. De priester van Zeus maakte de gebruikelijke offers al klaar, stieren met bloemenkransen getooid. Maar Barnabas en Paulus waren van een volk dat geen andere goden wilde nalopen, laat staan mensen die zich als goden voordeden. Hun optreden was dus kennelijk buiten elke orde van hun eigen godsdienst geweest, daarom werden de kleren gescheurd als waren ze in rouw. Het gaf het wel de kans om te vertellen over de God van Israël, de God die de zon laat opgaan en het laat regenen voor gelovigen en ongelovigen gelijk. Juist in dat geloof ligt de bevrijding van het veelgodendom. Regen en droogte, het weerkeren van de seizoenen, de vruchtbaarheid van het veld en het vee hoeven niet verkregen te worden door offers aan goden, door handelingen in Tempels, door aanbidding en overgave, maar wordt aan alle volken om niet gegeven uit de goedheid van de God van Israël.

Die God is zelfs goed als je niet in die God gelooft, maar zorg nooit dat je je uitgeeft voor ook een god. Al dat aanbidden van Goden zoals ook bij ons gebeurd, al dat nalopen van die schijnfiguren uit weekbladen en tv programma’s is lucht en leegte, nutteloos en zonder inhoud. Bevrijding daarvan en het gaan letten op verlamde mensen, mensen die langs de kant zijn komen te staan, die het niet meer zien zitten, de armen en de hongerigen zou ook in de dagen van Paulus tot onrust en revolutie geleid hebben. Uit de steden die daarmee al ervaring hadden kwamen ze dan ook om Paulus en Barnabas te stenigen. Toch waren er, ondanks al die onrust en teleurstelling, ondanks al die tegenwerking, ook in Lystra leerlingen die Paulus uiteindelijk weer op de been hielpen en zorgden dat hij kon doorreizen naar Derbe. Voor ons moet dat hoop geven en moed om door te gaan. Ook in onze dagen is er roddel en achterklap, worden mensen zwart gemaakt die de armen willen helpen, maar ook in onze dagen zijn er velen die zich inzetten voor die betere wereld die ons beloofd is en samen kunnen we ook vandaag weer verder op weg naar die wereld.

De achterblijvende leerlingen

maandag, 18 april, 2016

Handelingen 13:42–14:7

42 ¶  Toen Paulus en Barnabas de synagoge verlieten, kregen ze het verzoek om de volgende sabbat opnieuw over dit onderwerp te spreken. 43  Na afloop van de samenkomst liep een groot deel van de Joden en de vrome proselieten met Paulus en Barnabas mee, die hen toespraken en hen aanspoorden zich over te geven aan de goedgunstigheid van God. 44  De volgende sabbat kwam bijna de hele stad bijeen om naar het woord van de Heer te luisteren. 45  Bij het zien van de mensenmenigte werden de Joodse leiders jaloers en begonnen ze de woorden van Paulus op godslasterlijke wijze verdacht te maken. 46  Maar Paulus en Barnabas zeiden onomwonden: ‘De boodschap van God moest het eerst onder u worden bekendgemaakt, maar aangezien u die afwijst en uzelf het eeuwige leven niet waardig acht, zullen we ons tot de heidenen wenden. 47  Want de Heer heeft ons het volgende opgedragen: “Ik heb je bestemd tot een licht voor alle volken om redding te brengen, tot aan de uiteinden van de aarde.”’ 48  Toen de heidenen dit hoorden, verheugden ze zich en spraken ze vol lof over het woord van de Heer, en allen die voor het eeuwige leven bestemd waren aanvaardden het geloof. 49  Het woord van de Heer verspreidde zich over de hele streek. 50  De Joden hitsten echter de vrome vrouwen uit de hogere kringen op, evenals de vooraanstaande burgers van de stad, en wisten hen zover te krijgen dat ze zich tegen Paulus en Barnabas keerden, zodat die uit het gebied werden verdreven. 51  Maar zij schudden het stof van hun voeten omdat ze niets meer met hen te maken wilden hebben en vertrokken naar Ikonium. 52  De achterblijvende leerlingen waren vervuld van vreugde en van de heilige Geest. 1 ¶  Ook in Ikonium bezochten ze de synagoge van de Joden, en ook daar werd een groot aantal mensen, Joden zowel als Grieken, door hun verkondiging tot geloof gebracht. 2  Maar er waren ook Joden die niets van hun boodschap wilden weten, en dezen deden hun best om bij de heidenen een vijandige stemming jegens de gelovigen te kweken. 3  Paulus en Barnabas bleven geruime tijd in de stad en spraken vrijmoedig over Gods woord, vol vertrouwen in de Heer, die de verkondiging van zijn genade kracht bijzette door hen tekenen en wonderen te laten verrichten. 4  Er ontstond echter verdeeldheid onder de inwoners van de stad, van wie sommigen partij kozen voor de Joden en anderen voor de apostelen. 5  Toen Paulus en Barnabas merkten dat heidenen en Joden samen met hun leiders op het punt stonden om geweld te gebruiken en hen wilden stenigen, 6-7 vluchtten ze naar een ander deel van Lykaonië, waar ze onder meer in de steden Lystra en Derbe het evangelie verkondigden. (NBV)

Soms staan er merkwaardige verhalen in de Bijbel. Verhalen waarin elke logica lijkt te ontbreken. Neem nu dat verhaal over het bezoek dat Paulus en Barnabas brengen aan de synagoge in het Pisidische Antiochië, in het hart van het huidige Turkije. Paulus preekt daar op zijn eigen bijzondere manier, waarbij de hele Hebreeuwse Bijbel ter sprake komt en ook de jongste geschiedenis van Johannes de Doper tot aan de kruisiging en opstanding van Jezus van Nazareth. In de Synagoge waren naast de Joden ook Heidenen die wel meevoelden met de Joden, graag naar hun verhalen luisterden en soms ook zelf Jood werden. Die Heidenen werden Jodengenoten genoemd. Was het nu omdat Paulus benadrukte dat in Jezus van Nazareth het heil van God voor alle volken toegankelijk werd? Paulus en Barnabas werden in elk geval gevraagd de week er op terug te komen om er verder over te praten en dan gebeurt er iets vreemds, de hele stad loopt uit om dat verhaal te horen. Een verhaal dat begonnen is bij de bevrijding van een groep slaven uit Egypte.

Nu was ook de Romeinse samenleving gebaseerd op slaven dus het leggen van de verbinding tussen die bevrijding en de heerschappij van die God over alle volken was wat je noemt revolutionair. Het bevrijden van slaven in het Romeinse Rijk was het omverwerpen van de hele samenleving. Toch loopt een hele stad uit om die boodschap te horen. Het is geen wonder dat de leiding van de Joodse Synagoge spaans benauwd wordt en dat ze uit alle macht proberen bij de elite van de stad Paulus en Barnabas in diskrediet te brengen en duidelijk te maken dat zij daar niet bij horen. Die elite van de stad, met name de voorname vrouwen, had te veel profijt van hun slaven om hen zomaar te laten gaan. De rest van de samenleving had echter in toenemende mate last van de slaven. Hoe meer slaven er te werk konden worden gesteld hoe minder werk er over bleef voor de vrijen die betaald moesten worden. Bevrijding van slaven betekende dus direct ook bevrijding van de vrijen, bevrijding van de armen had Lucas al eens verteld was dat wat Jezus van Nazareth zijn volgelingen had opgedragen. Maar Paulus en Barnabas doen wat Jezus van Nazareth zijn volgelingen had opgedragen als ze ergens niet welkom bleken, ze schudden het stof van hun voeten en vertrokken.

Over de via Sebaste reisden Paulus en Barnabas van het Pisidisch Antiochië naar Ikonium in Turkije. Een stad die je ook vandaag de dag nog kunt bezoeken al heet de stad nu Konya. De via Sebaste was een van die grote Romeinse wegen die dwars door het hele Rijk liepen. Ikonium lag tussen dat Antiochië en Lystra en Derbe in en de keus van Barnabas en Paulus was dus niet zo vreemd. In elke stad die ze tegenkwamen konden ze het recept van Antiochië herhalen, ze gingen naar de Synagoge om na de lezing uit de Tora hun verhaal over Jezus van Nazareth te vertellen en probeerden dan een gemeente te stichten. En ook in Ikonium lijken ze succes te hebben. Joden en Grieken kwamen tot geloof Voor de Romeinen vormden die Christenen aanvankelijk een Joodse sekte. Het was de Joden er daarom er veel aan gelegen om duidelijk te maken dat zij niet bij die Christenen hoorden. Een beweging die de slavernij wilde afschaffen, die vrede tussen de volken wilde op basis van gelijkheid tussen de mensen, die iedereen wilde oproepen om de bestaande goden af te zweren en voortaan voor elkaar te zorgen bracht zoveel onrust in de samenleving en taste zo fundamenteel de bestaande verhoudingen aan dat een Romeinse overheid wel tot vervolging zou moeten overgaan. Mensen die het goede in de wereld willen brengen worden snel verdacht gemaakt, daar mogen wij in onze dagen ook wel eens beter op letten.

Kijk, spotters, sta verbaasd

zondag, 17 april, 2016

Handelingen 13:26-41

26  Broeders en zusters, nakomelingen van Abraham en alle anderen die God vereren, ons werd het nieuws over deze redding bekendgemaakt. 27  De inwoners van Jeruzalem en hun leiders hebben niet alleen Jezus miskend, maar ook de uitspraken van de profeten die elke sabbat worden voorgelezen. Door Jezus te veroordelen hebben ze deze uitspraken in vervulling doen gaan. 28  Ofschoon ze geen enkele grond voor een doodvonnis konden vinden, drongen ze er bij Pilatus op aan hem terecht te stellen. 29  Toen ze alles ten uitvoer hadden gebracht wat er over hem geschreven staat, haalden ze hem van het kruishout en legden hem in een graf. 30  Maar God heeft hem opgewekt uit de dood; 31  gedurende ettelijke dagen is hij verschenen aan degenen die met hem van Galilea naar Jeruzalem waren getrokken en die nu onder het volk van hem getuigen. 32  Wij verkondigen u het goede nieuws dat God zijn belofte aan onze voorouders 33  in vervulling heeft doen gaan ten behoeve van hun kinderen-ten behoeve van ons-doordat hij Jezus tot leven heeft gewekt. Daarover staat in de tweede psalm geschreven: “Jij bent mijn zoon, ik heb je vandaag verwekt.” 34  Dat hij Jezus uit de dood heeft doen opstaan en hem niet weer aan de ontbinding zal prijsgeven, heeft hij aangekondigd met deze woorden: “Ik zal jullie schenken wat ik David plechtig beloofd heb.” 35  In verband hiermee wordt in een andere psalm gezegd: “Het lichaam van uw trouwe dienaar zal niet tot ontbinding overgaan.” 36  Wat David betreft, hij is, nadat hij de mensen uit zijn eigen tijd had gediend, overeenkomstig Gods wil gestorven en met zijn voorouders verenigd; hij is tot ontbinding overgegaan, 37  maar hij die door God tot leven is gewekt, is niet tot ontbinding overgegaan. 38  U moet dus weten, broeders en zusters, dat het dankzij hem is dat aan u de vergeving van de zonden verkondigd wordt; iedereen die op grond van de wet van Mozes geen vrijspraak kon krijgen, 39  wordt door hem geheel vrijgesproken, mits hij gelooft. 40  Zorg daarom dat op u niet van toepassing wordt wat door de profeten is gezegd: 41  “Kijk, spotters, sta verbaasd en ga te gronde, want ik zal in jullie tijd een daad stellen, iets dat je niet zult geloven als het je wordt verteld.”’ (NBV)

Nadat Paulus de geschiedenis van Israël heeft samengevat, van de uittocht tot en met het optreden van Johannes de Doper, begint hij de betekenis van Jezus van Nazareth te schetsen. Uitgangspunt daarbij is dat de kruisdood en de opstanding van Jezus van Nazareth al vooraf in de Hebreeuwse Bijbel, de schriften, werd voorspeld. Het belangrijkste citaat komt daarbij uit Psalm 16, vers 10 waar volgens Paulus staat :”Hij die door God tot leven is gewekt is niet tot ontbinding overgegaan”. In de Nieuwe Bijbelvertaling staat in Psalm 16: 10 “U levert mij niet over aan het dodenrijk en laat Uw trouwe dienaar het graf niet zien”. Dat lijkt anders maar we moeten ons realiseren dat Paulus citeert uit de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel en dat de Nieuwe Bijbelvertaling het Oude Testament, dus ook de Psalmen, vertaald heeft uit het Hebreeuws en het Nieuwe Testament vertaald heeft uit het Grieks. Er zijn mensen die willen dat je zo’n Bijbelcitaat op beide plaatsen letterlijk hetzelfde vertaalt maar de vraag is of je dan vertaalt wat er staat. We moeten immers de Bijbel niet altijd letterlijk nemen maar naar haar bedoeling.

Het is duidelijk dat Paulus wil vertellen dat de afstammeling van David die de mensheid gaat redden en tot God zal kunnen brengen niet in het graf kon blijven maar zijn leerlingen met een levende Messias de wereld in zou sturen totdat alle volken zijn volgelingen zouden zijn. Paulus spreekt in een taal die wij ook na vertaling maar met moeite kunnen begrijpen. Wat moeten we aan met de Wet van Mozes en een vrijspraak die je niet op grond van de Wet van Mozes zou kunnen begrijpen? Dat is typisch een verhaal dat je aan de Joden in de tijd van Paulus kunt voorhouden. Zij geloofden immers, zo werd het hun voorgehouden, dat als je het zou kunnen alle 163 geboden uit de Tora, die de Wet van Mozes werden genoemd, te  houden je een rechtvaardige voor God zou zijn en het eeuwige leven zou kunnen hebben. Dat werd eigenlijk voor iedereen een teleurstelling want niemand kon al die geboden een heel leven lang houden. Steeds veranderden de omstandigheden, de uitdagingen in het leven, het geluk en het ongeluk in het leven en steeds weer moest je dus op een andere manier de Wet van Mozes toepassen en houden.

De Rabbijnen leerden dat er voor elk gebod wel zeventig manieren waren om dat gebod uit te leggen en dat elk van die zeventig manieren de juiste was. Jezus van Nazareth was een andere weg ingeslagen. Niet het uitpluizen van elk wetje en elk regeltje was de opgave maar de vraag hoe je de leer van Mozes tot voordeel kon laten zijn voor de zwaksten en de minsten in de samenleving. Niet jij met jouw streven de Wet te houden moest behouden worden, maar de zieke, de arme, de hongerige, de slaaf, de vreemdelingen, de weduwe en de wees. Dat kon alleen door de samenvatting van de leer centraal te stellen: heb Uw naaste lief als Uzelf. Dat, zelfs door de dood heen volhouden, bracht de redding van de wereld. Want we zijn allemaal in staat om samen er voor te zorgen dat iedereen te eten heeft, dat aan alle mensen recht wordt gedaan en dat niemand langs de kant van de weg hoeft te blijven zitten. Jezus van Nazareth heeft het ons voorgedaan en wij mogen hem daarin navolgen, ook vandaag weer.

De God van het volk van Israël

zaterdag, 16 april, 2016

Handelingen 13:13-25

13  Paulus en zijn reisgenoten scheepten zich in Pafos in om naar Perge in Pamfylië te reizen. Daar verliet Johannes de beide anderen en keerde terug naar Jeruzalem. 14 ¶  Paulus en Barnabas trokken van Perge verder naar Antiochië in Pisidië. Daar aangekomen gingen ze op sabbat naar de synagoge en namen er plaats. 15  Na de voorlezing uit de Wet en de Profeten werd hun namens de leiders van de synagoge gezegd: ‘Broeders, als u voor de mensen een bemoedigend woord hebt, ga dan uw gang.’ 16  Paulus stond op, gebaarde om stilte en zei: ‘Israëlieten en alle anderen die God vereren, luister naar wat ik u te zeggen heb. 17  De God van het volk van Israël heeft onze voorouders uitverkozen; hij heeft hen, toen ze als vreemdelingen in Egypte woonden, groot en machtig gemaakt. Met opgeheven arm heeft hij onze voorouders weggeleid uit Egypte, 18  en ongeveer veertig jaar lang heeft hij hen in de woestijn geduldig verdragen. 19  In Kanaän onderwierp hij zeven volken, en hun land gaf hij in bezit aan onze voorouders. 20  Dit alles vond plaats in ongeveer vierhonderdvijftig jaar. Vervolgens stelde hij rechters aan, die heersten tot de tijd van de profeet Samuël. 21  Daarna vroeg het volk om een koning, en God gaf hun Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam Benjamin, die veertig jaar regeerde. 22  Toen stootte God hem van de troon en maakte David koning, van wie hij getuigde: “In David, de zoon van Isaï, heb ik een man naar mijn hart gevonden, die geheel naar mijn wil zal handelen.” 23  En uit Davids nageslacht heeft God, overeenkomstig zijn belofte, een redder voor Israël voortgebracht, Jezus. 24  Voor zijn komst had Johannes het hele volk van Israël opgeroepen om zich te laten dopen en een nieuw leven te beginnen. 25  Toen zijn levenswerk ten einde liep, heeft Johannes gezegd: “Wie jullie denken dat ik ben, ben ik niet. Maar let op: na mij komt iemand anders, en ik ben het niet waard om zelfs maar zijn sandalen los te maken.” (NBV)

Vandaag lezen we een preek van Paulus. De eerste preek die in de Bijbel van Paulus bewaard is gebleven. Samen met Barnabas en Johannes Marcus waren ze van Cyprus vertrokken. Ze waren naar het toenmalige Pamfilië gegaan, een Romeinse provincie die in het huidige Turkije lag. Ze voeren naar Perge, vlak bij het huidige Murtana en daar besloot Johannes Marcus terug te gaan naar Jeruzalem. Ze waren al zo’n 15 kilometer de rivier de Cestrus opgevaren en Paulus en Barnabas bleven ook niet in Perge kunnen we in de brief van Paulus aan de Galaten lezen omdat Paulus ziek werd, het klimaat in Perge was kennelijk ongezond. Paulus en Barnabas reisden door naar het koelere hoogland in Turkije en kwamen in Antiochië in de provincie Pisidië. In deze Romeinse kolonie woonde een aanzienlijk aantal Joden. Daarom konden Paulus en Barnabas op de Sabbat naar de Synagoge gaan. In de Synagoge werd elke week een stuk uit de Tora gelezen, de eerste vijf boeken van Mozes, en een gedeelte uit de profeten. Welke gedeelten werden gelezen toen Paulus en Barnabas er waren vermeld het verhaal niet maar Paulus en Barnabas werden wel uitgenodigd om die Sabbat de preek te houden, ze werden kennelijk als voorname gasten beschouwd, mannen broeders zelfs.

Paulus begint gelijk met het veranderen van de gewoonten, de prediker in de Synagoge bleef gewoonlijk zitten, Paulus ging staan en sprak de aanwezigen aan met “Israëlieten en alle anderen die God vereren”. Joden en Heidenen, die laatsten zijn de Jodengenoten, worden hier gelijkelijk aangesproken als gelovigen in de God van Israël. Paulus gaat ook niet in op de gelezen gedeelten maar vat de Tenach, de Hebreeuwse Bijbel, samen door de geschiedenis van het volk Israël vanuit de Uittocht tot het optreden van Johannes de Doper samen te vatten.  Paulus en Barnabas zijn mensen van de Weg, de Weg van Jezus van Nazareth, en zoals Paulus de geschiedenis presenteert was het volk Israël vanouds al het volk van de Weg, de Weg van de God van Israël. En langs die Weg, dat was voor de toehoorders natuurlijk duidelijk, stonden de richtingaanwijzers van de God van Israël, de geboden die mensen op de goede weg moesten brengen. Paulus geeft de geschiedenis van het volk overigens ook weer zoals die in zijn tijd in het Grieks verteld werd. Dat Koning Saul veertig jaar geregeerd zou hebben lezen we niet in de Bijbel maar wel bij de Joodse historicus Flavius Josephus, een tijdgenoot van Paulus.

Uiteindelijk loopt het verhaal uit op de komst van de Messias, de bevrijder van Israël, volgens Paulus niemand anders dan Jezus van Nazareth. Paulus beroept zich daarbij op de verklaring van Johannes de Doper, daar had heel het volk achteraan gelopen maar Johannes had zich de wegbereider genoemd en Jezus van Nazareth aangewezen als de uiteindelijke Messias voor wie hij de Weg moest bereiden. Met Johannes de Doper eindigt het tijdperk van de belofte en begint het tijdperk van de vervulling. Nu is het mogelijk van je naaste te houden als van jezelf. Nu is het pas echt mogelijk maaltijd te houden met de armen en de vreemdelingen zoals de Tora al had geboden. In de Messiaanse gemeente, de Christelijke gemeente, konden Joden en Heidenen samen aan het Avondmaal, samen de maaltijd van de bevrijding vieren in gedachtenis aan Jezus van Nazareth, samen konden ze de beker drinken omdat zijn bloed was vergoten en hij door de dood heen de liefde van God had weten te dragen. Dat kunnen ook wij doen in onze dagen, samen met armen en vreemdelingen het brood breken, delen wat nodig is en een samenleving opbouwen van gelijkheid en vrede. Daar mogen we vandaag ook weer aan werken.

 

U bent een bedrieger

vrijdag, 15 april, 2016

Handelingen 13:1-12

1 ¶  Er waren in de gemeente van Antiochië profeten en leraren, onder wie Barnabas, Simeon die Niger werd genoemd, Lucius de Cyreneeër, Manaën, een jeugdvriend van de tetrarch Herodes, en Saulus. 2  Op een dag, toen ze aan het vasten waren en een gebedsdienst hielden voor de Heer, zei de heilige Geest tegen hen: ‘Stel mij Barnabas en Saulus ter beschikking voor de taak die ik hun heb toebedeeld.’ 3  Nadat ze gevast en gebeden hadden, legden ze hun de handen op en lieten hen vertrekken. 4 ¶  Zo werden Barnabas en Saulus uitgezonden door de heilige Geest. Ze gingen eerst naar Seleucië en van daar per schip naar Cyprus, 5  waar ze aankwamen in Salamis. Daar verkondigden ze Gods boodschap in de synagogen van de Joden. Johannes was met hen meegegaan om hen te helpen. 6  Ze reisden het hele eiland rond tot ze in Pafos kwamen, waar ze een Joodse magiër aantroffen, een valse profeet die Barjesus heette 7  en tot het gevolg behoorde van Sergius Paulus, de proconsul. Sergius Paulus, een verstandig man, liet Barnabas en Saulus bij zich komen omdat hij meer wilde horen over het woord van God. 8  Maar Elymas, zoals Barjesus ook wel werd genoemd-want Elymas betekent ‘magiër’ -,stelde zich tegen hen teweer en probeerde de proconsul van het geloof af te houden. 9  Daarop keek Saulus (die ook bekendstond als Paulus) hem strak aan, en vervuld van de heilige Geest 10  zei hij: ‘U bent een bedrieger, een gewetenloze oplichter, een kind van de duivel en een vijand van elke vorm van gerechtigheid. Hoe durft u de rechte wegen van de Heer te veranderen in kronkelpaden? 11  Let op: de hand van de Heer zal u treffen, u zult blind zijn en voorlopig geen zonlicht meer zien.’ Onmiddellijk werd alles donker om hem heen, zodat hij tastend zijn weg moest zoeken en anderen moest vragen of ze hem wilden leiden. 12  Toen de proconsul dit zag, aanvaardde hij het geloof, diep onder de indruk als hij was van wat hij over de Heer had geleerd. (NBV)

Het boek Handelingen vertelt het verhaal hoe de boodschap van Jezus van Nazareth van Jeruzalem naar Rome is gekomen. Dat ging niet rechtstreeks, soms met grote omwegen, maar het leert ons iets over hoe wij dat verhaal in onze dagen in onze geschiedenis en onze omgeving zouden kunnen doen landen. Vandaag lezen we over het begin van de eerste reis van Saulus, ook wel bekend als Paulus. Die was vanuit Jeruzalem naar Antiochië in Syrie gereisd. Daar was hij de jaren daarvoor ook opgeleid tot verkondiger van die boodschap van Jezus van Nazareth. In Jeruzalem was de gemeente van de Weg, de volgelingen van Jezus van Nazareth, steeds kleiner geworden door de vervolging en de vlucht van Christenen die daarop volgde. In Antiochië was geen vervolging en daar was een sterke groep van aanhangers van de Weg gegroeid. Er waren mensen van allerlei afkomst en achtergrond lid van die gemeente.

Het verhaal noemt er een paar en in die kleine groep wordt de grote verscheidenheid al duidelijk. We hadden al kennis gemaakt met Barnabas, die was met Saulus naar Jeruzalem gereisd om een gift te brengen van de gemeente van Antiochië. Zij hadden de executie van Jacobus de broer van Johannes meegemaakt en de bevrijding en de vlucht van Petrus. Samen met Johannes Marcus waren ze teruggekeerd naar Antiochië. Maar er was ook een neger, een zwarte Afrikaan, Simon heette die, en Lucius een Romein uit Cyrene in Noord Afrika, zo ook Manaän een relatie van de koning Herodes die stierf toen die god genoemd werd. Een bont gezelschap. Uit dat gezelschap gingen Barnabas en Saulus weer op reis en opnieuw namen ze Johannes Marcus met zich mee. Ze gingen uiteindelijk naar Cyprus, de plaats waar Barnabas oorspronkelijk vandaan kwam. Ze gaan, als vrome Joden, eerst naar de Synagoge om daar te vertellen over Jezus van Nazareth en zijn Weg om de Heer te dienen en de wetten van Mozes te vervullen. Dan reizen ze door naar de hoofdstad van Cyprus, Pafos, om daar Sergius Paulus te bezoeken die namens de Romeinen de baas was op Cyprus.

Als een echt Romeins heerser had deze een magiër of voorspeller in dienst. Romeinse heersers deden weinig zonder dat een deskundige de afloop van hun handelen had voorspeld. Zoals tegenwoordig mensen hun horoscoop laten trekken of een reading laten doen. Met die man komt Saulus in conflict. Hij noemt hem een bedrieger en zorgt er voor dat deze ziener niets meer kan zien. Dat brengt zelfs de Romeinse consul tot geloof en nu Saulus ook een prediker is geworden van de Romeinen, de Heidenen, veranderd in het verhaal ook zijn naam in Paulus, een meer Romeins klinkende naam. Al eerder werd die naam genoemd want uiteindelijk toen de lezers voor het eerst dit verhaal van de Handelingen lazen hadden ze al lang kennis gemaakt met de brieven van diezelfde Paulus. Paulus had geen magische tekenen of hulpmiddelen nodig om duidelijk te maken hoe de verhoudingen er uit zien. Geen sterren of readings, dat is allemaal bedrog. Waar het om gaat zijn de rechte wegen van de Heer, dat zijn de wegen waarin mensen tot hun recht komen. Dat is de weg die rechters als de proconsul moeten bewandelen, maar dat is de weg die ook wij kunnen bewandelen, elke dag opnieuw en ook vandaag.

Hier spreekt een god

donderdag, 14 april, 2016

Handelingen 12:18-25

18  Bij het aanbreken van de dag ontstond er enorme opschudding onder de soldaten, die zich afvroegen wat er met Petrus gebeurd kon zijn. 19  Herodes liet tevergeefs naar hem zoeken. Na de bewakers verhoord te hebben, gaf hij bevel hen terecht te stellen. Vervolgens reisde hij van Judea naar Caesarea, waar hij enige tijd bleef. 20 ¶  Destijds was Herodes de inwoners van Tyrus en Sidon vijandig gezind. De beide steden stuurden gezamenlijk enkele afgezanten naar het hof, waar ze Blastus, de kamerheer van de koning, voor hun zaak wisten te winnen. Ze wilden vrede sluiten omdat hun gebied voor de voedselvoorziening afhankelijk was van dat van de koning. 21  Op de overeengekomen dag nam Herodes in zijn koninklijke gewaad plaats op zijn troon en sprak het volk toe. 22  De mensen riepen luidkeels: ‘Hier spreekt een god, geen mens!’ 23  Onmiddellijk werd Herodes geveld door een engel van de Heer omdat hij God niet de verschuldigde eer had bewezen, en door wormen aangevreten blies hij de laatste adem uit. 24  Het woord van God verspreidde zich en vond steeds meer gehoor. 25  Barnabas en Saulus keerden terug uit Jeruzalem na daar hun gift overhandigd te hebben. Ze namen Johannes Marcus met zich mee. (NBV)

Humor in spannende tijden kan een belangrijk wapen zijn om te overleven. Je kunt van een levende keizer niet zeggen dat het belachelijk is dat hij zich god noemt, hij kan je ter dood laten brengen. Maar een koning die onverwacht dood neerviel nadat het volk hem als god had toegeroepen kun je natuurlijk wel belachelijk maken. Voor Christenen in het Romeinse Rijk moet zo’n kort verhaal over Koning Herodes lachen geweest zijn, God straft onmiddellijk. En een ruzie binnen het Romeinse Rijk tussen machthebbertjes maakte het natuurlijk nog leuker. Herodes had zijn eigen zeehaven Ceasarea, die concureerde met Tyrus en Sidon. Het lijkt er in het verhaal op dat Herodes kans had gezien om een blokkade van Tyrus en Sidon voor elkaar te krijgen. Dat was knap want de beide steden lagen in de Romeinse provincie Syrië en de Romeinen waren er niet dol op dat plaatselijke machthebbers hun eigen steden te na kwamen.

Om aan de blokkade te ontkomen stuurden Tyrus en Sidon afgezanten naar het hof van Herodus en daar wisten ze een hoge ambtenaar van de Koning gunstig voor hun zaak te stemmen. Hoe ze dat gedaan hebben vertelt het verhaal niet, maar wie bekend is met de wegen van de machtigen en hoe hen gunstig te stemmen kan vermoeden hoe het gegaan is. Wie daar niet mee bekend is heeft vast wel eens van begrippen als smeergeld, corruptie en omkoping gehoord en van die zaken is in het Romeinse Rijk voldoende opgetekend om ook in dit geval te kunnen vermoeden dat de manier waarop Blastus gunstig werd gestemd onder deze begrippen ondergebracht zou kunnen worden maar we weten het niet en moeten niet oordelen zonder de feiten te kennen. Feit is dat die Blastus genoeg invloed had om ook de Koning gunstig te stemmen en het voor elkaar te krijgen dat er vrede gesloten wordt. Dat gaat dan gepaard met de plechtige ondertekening of bevestiging van een vredesverdrag. In al die eeuwen is er op dat punt niks veranderd. Mannen in deftige pakken, Herodes in zijn koninklijk gewaad in dit geval, houden plechtige toespraken en laten zich toejuichen door het volk. Ook hier is dat het geval.

Maar tot verbijstering van de aanwezige Judeërs roept het volk van Tyrus en Sidon samen met het volk van Caesarea dat die Herodes een god is. Dat is voor de Joden een gruwel, dat was voor de Christenen ook een gruwel maar de Heidenen onder de Christenen waren er wat meer aan gewend. Bij de Joodse schrijver Flavius Josephus krijgt de dood van Herodes dan ook heel wat meer aandacht dan bij Lucas. Kennelijk vond Lucas het een goede grap en een goede wraak voor de dood van Jakobus de broer van Johannes. Het gevolg was wel dat steeds meer mensen de Christelijke weg gingen volgen. Het geld dat Saulus en Barnabas hadden ingezameld op hun voorgaande reis voor de vervolgde gemeente in Jeruzalem was dan ook meer dan welkom. Beiden gingen terug naar Antiochië. Christenen in de hoop achterlatend dat het al die zelfbenoemde godheden zou vergaan als Herodes, ze konden doodvallen. En ook dat is niet anders dan toen. Of al die deftige mannen in hun mooie pakken met hun fraaie toespraken echt vrede zullen brengen moeten we maar afwachten. En in de tijd dat we wachten kunnen we beter doen wat de mensen van de Weg, de Christenen, ook deden, de hongerigen voeden, delen met de armen en je naaste lief hebben als jezelf. Ook vandaag weer.

Hij meende een visioen te zien

woensdag, 13 april, 2016

Handelingen 12:1-17

1 ¶  Omstreeks die tijd nam koning Herodes enkele leden van de gemeente gevangen en mishandelde hen. 2  Jakobus, de broer van Johannes, liet hij met het zwaard ter dood brengen. 3  Toen hij zag dat de Joden hier gunstig op reageerden, liet hij ook Petrus aanhouden-dat was tijdens het feest van het Ongedesemde brood. 4  Na de arrestatie sloot hij hem op in de gevangenis, waar hij hem door vier groepen soldaten van steeds vier man liet bewaken, met de bedoeling hem na het pesachfeest ten overstaan van het volk te berechten. 5 ¶  Terwijl Petrus onder zware bewaking zat opgesloten, bleef de gemeente vol vuur voor hem bidden tot God. 6  In de nacht voordat hij voorgeleid zou worden, lag Petrus te slapen tussen twee soldaten, aan wie hij met twee kettingen was vastgeketend. Ook voor de deur van de kerker stonden bewakers. 7  Toen verscheen er plotseling een engel van de Heer en een stralend licht vulde de hele ruimte. De engel stootte Petrus aan om hem wakker te maken en zei: ‘Vlug, sta op.’ Meteen vielen de ketens van zijn handen. 8  De engel zei tegen hem: ‘Doe je gordel om en trek je sandalen aan.’ Dat deed hij. Daarop zei de engel: ‘Sla je mantel om en volg mij.’ 9  Petrus volgde de engel naar buiten, maar zonder te beseffen dat de dingen die de engel liet gebeuren werkelijk plaatsvonden; hij meende een visioen te zien. 10  Toen ze de eerste en tweede wachtpost voorbij waren, kwamen ze bij de ijzeren poort die toegang gaf tot de stad. De poort ging vanzelf voor hen open, en toen ze buiten waren gekomen liepen ze nog één straat verder, waarna de engel Petrus opeens alleen achterliet. 11  Nadat Petrus weer tot zichzelf gekomen was, zei hij: ‘Nu weet ik zeker dat de Heer zijn engel heeft gezonden om me uit de handen van Herodes te bevrijden en me te behoeden voor wat het Joodse volk hoopte dat gebeuren zou.’ 12  Toen dit tot hem was doorgedrongen, ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes Marcus, waar een groot gezelschap bijeen was gekomen om te bidden. 13  Nadat hij op de deur van het voorportaal had geklopt, kwam er een dienstmeisje, dat Rhode heette, om open te doen, 14  maar toen ze de stem van Petrus herkende, was ze zo blij dat ze vergat de deur te openen en naar binnen rende om te zeggen dat Petrus voor de poort stond. 15  ‘Je bent niet goed wijs, ‘zeiden ze tegen haar, maar ze bleef volhouden dat het echt zo was. ‘Dan is het zijn beschermengel, ‘zeiden ze ten slotte. 16  Intussen stond Petrus nog steeds aan de poort te kloppen. Toen ze dan toch opendeden, zagen ze tot hun grote verbazing dat hij het was. 17  Hij gebaarde dat ze moesten zwijgen en legde uit hoe de Heer hem uit de gevangenis had bevrijd. Daarna zei hij: ‘Stel Jakobus en de anderen hiervan op de hoogte.’ Toen vertrok hij naar elders. (NBV)

Daar juicht een toon, daar klinkt een stem die galmt door gans Jeruzalem. Dat is de eerste zin van een oud Paaslied dat de vreugde uitdrukt over het feest van de opstanding. Maar dat is al weer een paar weken geleden en hoe zou het nu verder gaan met dat groepje achterblijvers dat drie jaar lang met Jezus van Nazareth was opgetrokken? In het boek Handelingen wordt het verhaal opgepakt als het opstandingsfeest al weer een jaar geleden is. En dan blijkt dat er van die juichende toon niet zoveel meer over is. Koning Herodes, kleinzoon van de Koning Herodes uit het verhaal over de kindermoord in Bethlehem en neef van de Koning Herodes die een rol had gespeeld in de kruisiging van Jezus van Nazareth, kon er toch slecht tegen dat er Joden waren die nog steeds over Jezus van Nazareth spraken als over de Koning van de wereld. Hij ging die volgelingen van Jezus van Nazareth vervolgen, liet ze arresteren en mishandelde ze.  Hij zag de jonge beweging van de mensen van de weg, zoals ze werden genoemd, kennelijk als een politieke bedreiging.

Ook veel Judeeërs die aanhanger waren gebleven van de elite rond de Tempel ergerden zich aan die fanatiekelingen die dag in dag uit rond de Tempel dat verhaal over Jezus van Nazareth liepen te verkondigen. De arrestatie en onthoofding van een van de meer belangrijke leden van die sekte viel dan ook bij veel mensen in goede aarde. Die onruststokers moeten aangepakt worden. Meer Tempelpolitie en direct terechtstellen dat tuig was de opvatting. Je hoort het tegenwoordig ook nog wel eens roepen als het gaat om andersgelovigen die hun eigen godsdienst willen beleven. Toen het gelukt was een belangrijke voorman uit te schakelen kwam er natuurlijk ook ruimte om de meest vooraanstaande woordvoerder van de nieuwe beweging aan te pakken. Dat was Simon Petrus, die al een vooraanstaande positie had ingenomen toen Jezus van Nazareth nog rondtrok als een zeer populaire prediker. Maar die Simon Petrus was bij een groot aantal mensen zeer geliefd en het lag voor de hand dat een Koning van het formaat Herodes bang was dat die volgelingen hun voorganger zouden bevrijden. De gemeente van Jezus van Nazareth liet zich echter niet de mond snoeren. Ze waren vol vuur aan het bidden staat er en dat bidden was niet met de handen gevouwen en de ogen dicht.

Dat bidden was werken en proberen wegen te vinden om de gevangenen te bevrijden zoals Jezus van Nazareth hen nog had opgedragen. En kennelijk is er iemand geweest die een weg heeft gevonden. Lucas vertelt het verhaal of er een bevrijding heeft plaatsgevonden zoals het volk Israël uit de slavernij in Egypte werd bevrijd. Met een Engel die de deur opent, met Petrus die de lendenen omgorden moet en sandalen moet aantrekken, dat moest het volk Israël ook want dan konden ze harder lopen. Pas als ze buiten zijn en zich van de gevangenis hebben verwijderd beseft Petrus wat er is gebeurd. God heeft mensen, boodschappers dus engelen gezonden, om zijn knecht te bevrijden. Als Petrus dan zijn verslag heeft gedaan aan het gezelschap dat hij bij de moeder van Johannes Marcus had aangetroffen en gevraagd had om het verhaal aan Jacobus de broer van Jezus te melden, Jacobus was de leider van de gemeente in Jeruzalem, vluchtte Petrus. En dat was hem geraden ook, want de soldaten die hem hadden moeten bewaken werden ter dood gebracht. Bevrijding van gevangenen is dus één van de eerste taken van de christelijke gemeente. In onze dagen sluiten we ons daarvoor aan bij Amnesty International en daar kun je elke dag op eenvoudige wijze voor in actie komen, bidden heet dat in Bijbelse termen, zoek ze maar eens op en doe mee.

Voor het eerst christenen genoemd

dinsdag, 12 april, 2016

Handelingen 11:19-30

19 ¶  De leerlingen die verdreven waren als gevolg van de onderdrukking die na de dood van Stefanus was begonnen, trokken naar Fenicië, Cyprus en Antiochië, maar verkondigden Gods boodschap uitsluitend aan de Joden. 20  Enkele Cyprioten en Cyreneeërs onder hen, die naar Antiochië waren gereisd, maakten daar echter ook de Griekse bevolking bekend met het evangelie van de Heer Jezus. 21  De Heer steunde hen bij deze taak, zodat veel mensen overgingen tot het geloof in de Heer. 22  Het nieuws over hun optreden bereikte de gemeente in Jeruzalem, waar men besloot Barnabas naar Antiochië te zenden. 23  Toen hij daar was aangekomen en zag wat God in zijn goedgunstigheid had bewerkt, verheugde hij zich en spoorde hij iedereen aan om standvastig te zijn en trouw te blijven aan de Heer. 24  Hij was een voortreffelijk en diepgelovig man, die vervuld was van de heilige Geest. Een groot aantal mensen werd voor de Heer gewonnen. 25  Hierna vertrok Barnabas naar Tarsus om Saulus te zoeken, 26  en toen hij hem gevonden had, nam hij hem mee naar Antiochië. Een heel jaar lang kwamen ze met de gemeente daar bijeen en gaven ze onderricht aan tal van mensen. Het was in Antiochië dat de leerlingen voor het eerst christenen werden genoemd. 27 ¶  In diezelfde tijd kwamen er vanuit Jeruzalem profeten naar Antiochië. 28  Een van hen, die Agabus heette, voorspelde door de Geest dat de wereld door een grote hongersnood zou worden getroffen, iets dat tijdens de regering van Claudius inderdaad gebeurd is. 29  De leerlingen besloten dat de broeders en zusters in Judea ondersteund moesten worden. Ze droegen elk naar vermogen bij 30  en lieten hun gift door Barnabas en Saulus naar de oudsten brengen. (NBV)

Van Geuzen weten we dat het een scheldnaam was die erenaam werd. De edelen uit de Nederlanden werden met het Franse scheldwoord voor bedelaars, Geux, verwelkomt toen zij hun smeekschrift voor gewetensvrijheid overhandigden. Zij die zich verzetten tegen de Spaanse pogingen de Rooms Katholieke Kerk het alleenrecht in de Nederlanden te geven noemden zich voortaan Geuzen. Waarom de volgelingen van Jezus van Nazareth gezalfden, of misschien zalfjes, werden genoemd is niet helemaal duidelijk. Het gebeurde in Antiochië en in het Grieks heet het Christenen. Het werd de erenaam voor allen die mee willen doen met dat nieuwe Koninkrijk van Jezus van Nazareth.

Misschien is het een politieke bijnaam. Met Monarchisten worden in een republiek de aanhangers van een Koninkrijk aangeduid. De volgelingen van Jezus van Nazareth hielden vol dat die Jezus de enige Heer, de enige Keizer was, als Heer van de wereld was hij gezalfd en daarom werd hij de Christus genoemd. Bij de vervolging van de Christenen door de Romeinse Keizers zou de erkenning van die keizers een grote rol spelen. Die keizers hadden zichzelf een goddelijke status toegekend en offeren aan de keizers was een vorm van eerbetoon. Christenen weigerden die goddelijke status te erkennen en werden daarom gedood of gevangen gezet. In Antiochië is in het verhaal een nieuwe fase in de groei van de beweging begonnen. Werden hier en daar aarzelend enkele niet Joden toegelaten tot de beweging, in Antiochië werden openlijk Joden en Grieken gelijk geworven voor de beweging.

In Jeruzalem maakte men zich daarover zorgen en Barnabas werd er op uit gestuurd. In plaats van orde op zaken te stellen sloot Barnabas zich aan bij die nieuwe gemeente. Hij herinnerde zich de Romeinse Jood die hij bij de apostelen had gebracht. Daarom ging hij tegen de instructies naar Tarsus en haalde die Saulus op om samen met hem de gemeente in Antiochië vorm te geven. Maar zo’n gemeente staat niet alleen. Het delen valt niet alleen te doen binnen de gemeente. Toen men lucht kreeg van een hongersnood die er zou komen werd er een collecte gehouden en stuurde men Barnabas en Saulus met de opbrengst naar Jeruzalem. Gelukkig dat die traditie is behouden. In de kerken is op zondag altijd de collecte, één van de collecten is voor de diaconie en heel vaak is de opbrengst daarvan bestemd voor de allerarmsten in de wereld, in Afrika, Azië of Latijns-Amerika. Ook wij delen met de hele bewoonde wereld, net als die Christenen in Antiochië en zonder kerkgemeenschap is er geen diaconie.

 

Tegen Amalek ten strijde.

maandag, 11 april, 2016

Exodus 17:8-16

8 ¶  In Refidim werd Israël aangevallen door de Amalekieten. 9  Toen zei Mozes tegen Jozua: ‘Kies een aantal mannen uit en trek met hen tegen Amalek ten strijde. Ikzelf zal morgen op de top van de heuvel gaan staan, met in mijn hand de staf van God.’ 10  Jozua deed wat Mozes hem had opgedragen en trok tegen Amalek ten strijde, en Mozes ging naar de top van de heuvel, samen met Aäron en Chur. 11  Zolang Mozes zijn arm opgeheven hield, was Israël de sterkste partij, maar liet hij zijn arm zakken, dan was Amalek de sterkste. 12  Toen Mozes’ armen zwaar werden, legden Aäron en Chur een steen bij hem neer, zodat hij daarop kon gaan zitten. Zelf gingen ze aan weerszijden van hem staan, om zijn armen te ondersteunen. Daardoor konden zijn armen opgeheven blijven totdat de zon onderging. 13  Zo versloeg Jozua het leger van Amalek tot de laatste man. 14  De HEER zei tegen Mozes: ‘Leg deze overwinning in een oorkonde vast, zodat niemand die ooit zal vergeten, en overtuig Jozua ervan dat ik zal zorgen dat niets op aarde nog aan het volk van Amalek herinnert.’ 15  Toen bouwde Mozes een altaar, en hij noemde het ‘De HEER is mijn banier’. 16  Hij zei: ‘Omdat Amalek de hand heeft durven opheffen tegen de troon van de HEER, zal de HEER strijd voeren tegen Amalek, in  alle komende generaties.’ (NBV)

Rustig rusten is er in dit verhaal voor het volk Israël niet bij. Zitten ze eenmaal in de rustplaats Refidim, dat immers rustplaats betekent, zonder water zoals we hebben kunnen lezen, dan worden ze plotseling aangevallen door de Amalekieten. Er is een heel oude vijandschap tussen Israël en Amalek. De naam Amalek komt voor het eerst voor in de genealogie van Esau. Als het volk eenmaal in Kanaän woont en een koning heeft gekozen krijgt die Koning Saul de opdracht wraak te nemen voor de overval waarover we vandaag lezen. Het meest beroemd is waarschijnlijk Haman de Amalekiet uit het boek Esther. Hij smeed een complot om alle Joden in het Perzische Rijk uit te roeien. Maar in dit verhaal maken we kennis met Jozua, naar wie Jezus van Nazareth veel later vernoemd zou worden. Jozua werd de generaal van de strijders van Israël.

Maar niet Jozua bracht de overwinning, dat moet God doen. Strijden voor de goede zaak maakt je sterker. Daarom vechten soldaten graag onder een vlag of een vaandel of een standaard, in elk geval zichtbare tekenen van de goede zaak. In de oudheid was het niet ongewoon om afbeeldingen van je God mee te dragen in de strijd. Romeinen droegen de adelaar, de sterkste vogel mee als teken van macht. Maar Israël heeft niet zo’n teken, er is geen afbeelding van de God van Israël. Het enige wat je kunt doen is je armen in wanhoop ten hemel heffen. Mozes laat dat gebaar zien en schept daarmee het vertrouwen dat het ook kan helpen. Zolang hij dat laat zien putten zijn soldaten er extra moed uit, maar als hij de armen laat zakken, zakt ook de moed. Aäron en Chur ondersteunen hen. Aäron kennen we als de broer van Mozes die priester zal worden. Chur zullen we later tegenkomen als rechter, waarschijnlijk ook priester. In elk geval brengen deze drie met vereende krachten Jozua en zijn leger er toe Amalek te verslaan tot de laatste man. En dan komt de omkering die je zo vaak in de Bijbel vindt. Er wordt een altaar opgericht, dat is nog normaal kun je zeggen want dat komt in alle volken na een oorlog voor, maar dat altaar wordt genoemd “De Heer is mijn banier”. Israël benadrukt dat het geen vlaggen, vaandels of afbeeldingen heeft van hun God waarnaar het leger zich kan richten maar dat God zelf het vaandel is.

Je ziet elkaar aan en je moet onvoorwaardelijk op elkaar kunnen bouwen, het voor elkaar kunnen opnemen. Pas als je dat doet vertrouw je op de God van Israël die je heeft bevrijdt uit de slavernij van een volk met eigengemaakte goden. Het volk van Israël zal altijd in oorlog blijven met de laffe overvallers die zich hier in Amalek voor het eerst laten zien. Een onschuldig nomadenvolk dat zich ter ruste had gelegerd aanvallen is een misdaad die onvergeeflijk is. Er worden zelfs geen eisen gesteld of dreigingen geuit. Het doet in onze dagen denken aan de overvallers van de vluchtelingenkampen in Zuid Soedan. Ook daar zijn de vluchtelingen een prooi van strijders die roven en verkrachten zonder dat iemand er iets tegen doet. De rest van de wereld is niet in staat die onschuldigen te beschermen, ook al is dat dus wat de God van Israël van ons vraagt. Aan ons om de wereld zo ver te brengen de zonden van Amalek die in onze dagen worden begaan niet ongestraft te laten. Daar kunnen we ook vandaag weer aan werken