Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor april, 2016

Jij zult het er levend afbrengen.

zaterdag, 30 april, 2016

Ezechiël 33:1-9

1 ¶  De HEER richtte zich tot mij: 2  ‘Spreek, mensenkind, zeg tegen je volksgenoten: “Als ik het zwaard op een land afstuur, en het volk dat daar woont heeft iemand als wachter aangesteld, 3  en die wachter ziet het zwaard op het land afkomen en blaast op de ramshoorn om het volk te waarschuwen, 4  en als dan iemand het geluid van de ramshoorn hoort maar er zich niets van aantrekt, en het zwaard komt en doodt hem, dan heeft hij zijn dood aan zichzelf te wijten. 5  Hij heeft het geluid van de ramshoorn wel gehoord maar zich er niet door laten waarschuwen, en dus heeft hij zelf de dood over zich afgeroepen. Had hij zich laten waarschuwen, dan had hij zijn leven gered. 6  Wat de wachter betreft: als hij het zwaard ziet komen maar niet op de ramshoorn blaast om het volk te waarschuwen, en als het zwaard dan komt en iemand doodt, dan sterft die mens doordat hij zelf schuld heeft, maar de wachter zal ik voor zijn dood ter verantwoording roepen.” 7  Jou, mensenkind, heb ik als wachter aangesteld voor het volk van Israël. Als je mijn woorden hoort moet je hen namens mij waarschuwen. 8  Als ik tegen een slecht mens zeg dat hij zal sterven, en jij zegt hem niet dat hij een andere weg moet inslaan, dan zal hij sterven door zijn eigen schuld, maar jou zal ik voor zijn dood ter verantwoording roepen. 9  Maar als je hem gewaarschuwd hebt dat hij een andere weg moet inslaan en hij doet dat niet, dan sterft hij door zijn eigen schuld, maar jij zult het er levend afbrengen. (NBV)

Het is gemakkelijk om dat wat profeten zeggen naar de toekomst te verleggen. We hebben er zelfs een spreekwoord voor: “Na ons de zondvloed”. We hoeven dan immers niet te reageren op wat profeten zeggen? We kunnen het dan zelfs mooi vinden en waardevol. Je kunt er zelfs hele religies op bouwen. De Religie van de eindtijd. Deze wereld zal vergaan en er komt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Op zich is dat wel waar, maar het is geen reden om het daarbij te laten. Die verhalen over de eindtijd zijn een waarschuwing voor ons. Als die eindtijd aanbreekt, waar staan wij dan, waar zijn wij dan te vinden? Zitten we stil te wachten op alles wat nieuw wordt? Of waren we alvast begonnen met die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, waren we de hongerenden aan het voeden, de naakten aan het kleden, de blinden laten zien en de lammen laten lopen?

Het gedeelte dat we vandaag uit het boek van Ezechiël lezen laat ons zien waar het om draait als het gaat om de uitspraken van profeten. Maar dat gedeelte laat ons ook zien dat we zelf profeten moeten worden. Ezechiël is de profeet van het zien, van levende beelden. En zelfs in onze dagen kunnen we de stadsmuur herkennen met de wachter er op. In de verte zie je een geweldig leger aankomen dat de stad zal willen bedreigen. Wat staat je als wachter te doen? Je moet waarschuwen. Natuurlijk kun je bedenken dat het leger dat je ziet aankomen om de stad zal heentrekken, dat het naar een andere vijand op weg is, dat je stadsmuren zo sterk zijn dan het zich daardoor wel zal laten afschrikken. Er zijn altijd vele redenen die te bedenken zijn om maar even niks te doen, om niet te hoeven waarschuwen voor naderend onheil. Maar, zegt Ezechiël hier, je bent dan ook zelf mee verantwoordelijk voor de gevolgen.

Wat is dan het onheil waarvoor wij gewaarschuwd moeten worden? We hebben geen vijand meer aan de oostgrens, we hebben geen vijand meer verder weg in het oosten. Ook de Islam is niet onze vijand en haar gelovigen zijn niet uit op onze ondergang. Uit de Bijbel weten we dat de grootste vijand van de God van Israël het onrecht is aan mensen aangedaan, het lijden en het onrecht, het uitbuiten van de zwakken, het verwaarlozen van de zorg voor de minsten. En voor die vijand mag ook in onze dagen wel gewaarschuwd worden. Het afpakken van de extra steun voor de zwakste kinderen, het afpakken van de PGB waardoor gehandicapten zelfstandig kunnen blijven wonen en kunnen gaan werken, het afschaffen van de beschermde werkplaatsen, het wegbezuinigen van de ontwikkelingssamenwerking, het korten op de steun voor oudere werklozen om weer aan het werk te kunnen, het weren van vluchtelingen voor armoede, onderdrukking en geweld. Dat alles om de bonussen en de hoge inkomens van de rijken te beschermen. Het zijn voornamelijk mensen uit de kerken die gevoelig zijn voor de roep van de armen om hulp, het zou goed zijn als zo veel mensen zich er bij aansluiten dat het in onze samenleving vanzelfsprekend wordt de armen te helpen,

 

Wat strikt noodzakelijk is

vrijdag, 29 april, 2016

Handelingen 15:22-35

22 ¶  Daarop besloten de apostelen en de oudsten in overleg met de hele gemeente enkele afgevaardigden met Paulus en Barnabas mee te zenden naar Antiochië. De keuze viel op twee leiders uit de gemeente: Judas, wiens bijnaam Barsabbas luidde, en Silas. 23  Men gaf hun een brief mee met de volgende inhoud:  ‘Van de apostelen en de oudsten. Aan hun broeders en zusters in Antiochië, Syrië en Cilicië die uit de heidense volken afkomstig zijn: gegroet! 24  Wij hebben vernomen dat enkelen van ons u een bezoek hebben gebracht-zonder dat wij hun dat hadden opgedragen-en dat hun uitspraken aanleiding zijn geweest tot verwarring en verontrusting. 25  Daarom hebben we eensgezind besloten enkele broeders naar u toe te zenden in het gezelschap van onze geliefde Barnabas en Paulus, 26  mensen die hun leven op het spel hebben gezet voor de naam van onze Heer Jezus Christus. 27  We hebben Judas en Silas afgevaardigd, en zij zullen de inhoud van deze brief mondeling toelichten. 28  In overeenstemming met de heilige Geest hebben wij namelijk besloten u geen andere verplichtingen op te leggen dan wat strikt noodzakelijk is: 29  onthoud u van offervlees dat bij de afgodendienst is gebruikt, van bloed, van vlees waar nog bloed in zit, en van ontucht. Als u zich hier aan houdt, doet u wat juist is. Het ga u goed.’ 30  Ze namen afscheid en vertrokken naar Antiochië, en nadat ze daar de gemeente hadden bijeengeroepen, overhandigden ze de brief. 31  Toen de brief was voorgelezen, verheugde de gemeente zich over de bemoedigende inhoud. 32  Judas en Silas, die zelf ook profeten waren, hielden een lange toespraak waarin ze de gelovigen bemoedigden en sterkten. 33  Ze brachten enige tijd in Antiochië door en werden toen met een vredeswens door de gelovigen teruggezonden naar degenen die hen hadden afgevaardigd. 34  35  Paulus en Barnabas bleven in Antiochië, waar ze met nog vele anderen de boodschap van de Heer onderwezen en verkondigden. (NBV)

We kennen de brieven van Paulus, van onbekende schrijvers en een aantal brieven die aan andere apostelen worden toegeschreven. Die staan als aparte Bijbelboeken in het Nieuwe Testament. Maar er is nog een brief in het Nieuwe Testament, waar veel minder aandacht voor is. Die brief lezen we vandaag. Volgens het verhaal van Lucas in Handelingen is het de eerste brief die door Apostelen en Oudsten, door de vergadering in Jeruzalem, aan de kerken buiten Israël werd gestuurd. De brief werd het eerst voorgelezen in Antiochië maar is voor alle Christelijke kerken van belang. Daarin staan de regels die opgelegd zijn aan Christenen. En die regels zijn zeer eenvoudig. Geen offervlees eten en geen vlees waar het bloed nog uitdruipt. Het zijn de regels die volgens het verhaal van Genesis ooit aan Noach waren gegeven toen Noach, zijn vrouw en kinderen opnieuw begon de aarde te bevolken.

Dat offervlees was in de dagen van Paulus niet onbelangrijk. Door het eten van het offervlees kreeg je immers deel aan de macht van de god aan wie het vlees geofferd was. De zorg dat alle bloed uit het vlees was verwijderd kwam voort uit een oude Joodse gedachte. Volgens de Joodse leer was bloed de zetel van het leven. En levende dieren behoorde je niet te eten. Je moest er voor zorgen dat dieren die je at pijnloos en zorgvuldig werden gedood. Ze waren pas echt dood als al het leven, als al het bloed uit het dier was verdwenen. Wie de regels uit het Oude Testament over het ritueel slachten nog eens naleest en op zich in laat werken zal onder de indruk komen van de zorgvuldigheid waarmee de dieren die men consumeerde werden benaderd. Voor dat leven bestond zeer veel respect en dat respect werd van alle gelovigen gevraagd. Dat respect wordt nu ook van Christenen gevraagd. Hier staat ook nog dat ontucht moet worden nagelaten maar bedoeld wordt eigenlijk dat men moet afzien van het gebruik van Tempelprostitutie. Alleen de God van Israël zorgt immers voor ons en ons voedsel.

En hoe zit het dan met het Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf? Is dat geen gebod? Nee dat is het hart van het geloof. Je behoort niet tot een Christelijke gemeente als je dat niet dag in dag uit doet. Dat is geen last, maar een voorrecht, een teken dat je er bij mag horen, dat je deel mag uitmaken van het Koninkrijk van God. Die regels die de Apostelen en de Oudsten in hun brief vragen behoeden je juist van verwijdering van de arbeid in dat Koninkrijk. Offervlees dat voor jou is deel je niet, maar voedsel dat je hebt kun je als Christen altijd delen, het is zelfs jammer als je geen hongerige meer kunt vinden om het te delen. Dat je van je geloof van alles zou moeten en van alles niet zou mogen is dus klinkklare onzin. Er zijn maar een paar regels. Die staan in een brief gebracht door voorname leiders van de gemeente in Jeruzalem naar de gelovigen buiten Palestina. Regels die Joden en Christenen verenigen en beiden niet verlegenheid brengen maar hen samen tot gemeenschappen smeed die tot op de dag van vandaag de voorhoede laten vormen van het Koninkrijk van God, waar hongerigen worden gevoed, bedroefden getroost en de armen worden bevrijd. Daar mogen we vandaag ook weer aan meedoen.

 

Aan de apostelen en de oudsten

donderdag, 28 april, 2016

Handelingen 15:1-21

1 ¶  Er kwamen enkele leerlingen uit Judea, die betoogden dat de broeders zich moesten laten besnijden, overeenkomstig het door Mozes overgeleverde gebruik, omdat ze anders niet konden worden gered. 2  Dit leidde tot grote onenigheid met Paulus en Barnabas en mondde uit in een felle woordenstrijd. Besloten werd dat Paulus en Barnabas, samen met enkele andere leerlingen, naar Jeruzalem zouden gaan om deze kwestie voor te leggen aan de apostelen en de oudsten. 3  Nadat de gemeente hun uitgeleide had gedaan, gingen ze op weg en trokken ze door Fenicië en Samaria. Daar verhaalden ze uitvoerig over de bekering van de heidenen, iets dat bij alle gelovigen grote vreugde wekte. 4  Bij hun aankomst in Jeruzalem werden ze verwelkomd door de apostelen en de oudsten en door de rest van de gemeente. Ze brachten verslag uit van alles wat God door hen tot stand had gebracht. 5  Enkele gelovigen die tot de partij van de Farizeeën behoorden, gaven echter te verstaan dat ook de niet-Joodse gelovigen dienden te worden besneden en opdracht moesten krijgen zich aan de wet van Mozes te houden. 6 ¶  De apostelen en de oudsten kwamen bijeen om nader op deze zaak in te gaan. 7  Toen het tot een hevige woordenstrijd kwam, stond Petrus op en zei: ‘Broeders, u weet dat God mij al in het begin uit uw midden heeft gekozen om de boodschap van het evangelie onder de heidenen te verspreiden en hen tot geloof te brengen. 8  God, die weet wat er in de mensen omgaat, heeft blijk gegeven van zijn vertrouwen in de heidenen door hun de heilige Geest te schenken, zoals hij die ook aan ons geschonken heeft. 9  Hij heeft geen enkel onderscheid gemaakt tussen ons en hen, want hij heeft hen door het geloof innerlijk gereinigd. 10  Waarom wilt u God dan trotseren door op de schouders van deze leerlingen een juk te leggen dat onze voorouders noch wijzelf konden dragen? 11  Nee, we geloven dat we alleen door de genade van de Heer Jezus gered kunnen worden, op dezelfde wijze als zij.’ 12  Daarop zwegen alle aanwezigen, en men luisterde naar Barnabas en Paulus, die vertelden welke grote tekenen en wonderen God door hen onder de heidenen had verricht. 13  Toen ze waren uitgesproken, nam Jakobus het woord. Hij zei: ‘Broeders, luister. 14  Simeon heeft uiteengezet hoe God zelf het plan heeft opgevat om uit de heidenen een volk te vormen dat zijn naam vereert. 15  Dat stemt overeen met de woorden van de profeten; er staat immers geschreven: 16  “Dan keer ik terug op mijn schreden. Ik zal het vervallen huis van David herbouwen, uit het puin zal ik het weer opbouwen. Ik zal dit huis doen herrijzen, 17-18 zodat de mensen die overgebleven zijn de Heer zullen zoeken, evenals alle heidenen over wie mijn naam is uitgeroepen. Zo spreekt de Heer, die dit van oudsher heeft aangekondigd.” 19  Daarom ben ik van mening dat we de heidenen die zich tot God bekeren geen al te zware lasten moeten opleggen, 20  maar dat we hun moeten schrijven dat ze zich dienen te onthouden van wat door de afgodendienst bezoedeld is, van ontucht, van vlees waar nog bloed in zit en van het bloed zelf. 21  In haast elke stad wordt de wet van Mozes immers al sinds mensenheugenis verkondigd en op iedere sabbat in de synagogen voorgelezen.’ (NBV)

Er wordt aan Christenen wel eens verweten dat ze zo vreselijk verdeeld zijn. Dat is al vanouds zo. In het gedeelte dat we vandaag lezen wordt ons verteld dat Paulus en Barnabas nog maar net terug zijn van hun eerste reis of er komt ruzie. Vanaf de eerste Pinksterdag af zijn er al niet-Joden bekeerd tot de nieuwe beweging van de Weg zoals ze toen nog heetten. Maar dat waren over het algemeen Jodengenoten, Heidenen die zich wilden bekeren tot het Jodendom. Dat zij zich na hun bekering tot de beweging van de Weg ook lieten besnijden en de voedselvoorschriften van het Jodendom gingen houden lag voor de hand. Maar Paulus en Barnabas hadden op hun reis heel andere omstandigheden meegemaakt. De leiding van de verschillende synagogen had hen de voet danig dwars gezet en ze hadden buiten de synagoge om gemeenten gesticht van Joden en Heidenen. Als daar de Heidenen verplicht zouden moeten worden om zich te laten besnijden, dus Jood te worden, dan zouden zij zich ook moeten onderwerpen aan de leiding van de synagogen en dan zou er eigenlijk van de bekering tot de leer van Jezus van Nazareth weinig overgebleven zijn.

Voor een oordeel door een rechter zijn er volgens de wetten van Mozes tenminste twee betrouwbare getuigen nodig. In het verhaal, dat Lucas in zijn Handelingen vertelt over het geschil over de vraag of Heidenen nu wel of niet besneden moesten worden en de spijswetten moeten naleven, lijkt het wel of Lukas opnieuw het proces van Jezus van Nazareth voor het Sanhedrin, de Hoge Raad van het Joodse Volk, beschrijft. Er is een twistgesprek en er treden twee getuigen op. Maar deze getuigen vertellen geen leugens zoals in het proces tegen Jezus van Nazareth maar controleerbare feiten, zoals voorgeschreven is. De eerste getuige is Petrus. Er is in de geschiedenis van de kerk nog wel eens geprobeerd een tegenstelling te vinden tussen Paulus, die onder de Heidenen het geloof verspreidde, en Petrus die dat onder de Joden zou doen. Nu in dit verhaal zijn Petrus en Paulus gelijk. Petrus vertelt nog eens hoe hij zelf de eerste was die een vertegenwoordiger van de Heidenen, de Romeinse centurio Cornelius, mocht dopen met de Heilige Geest. Hij had dat gedaan nadat hij een visioen had gehad waarin God juist de oude spijswetten van Mozes had opgeheven voor het omgaan met Heidenen. Die Cornelius die hield al het gebod om zijn naaste lief te hebben als zichzelf, de man was een zegen voor de Joodse gemeenschap waarin hij diende. En aan een man als Cornelius kunnen nog veel andere mensen een voorbeeld nemen.

Dat is bij uitstek de genade die door Jezus van Nazareth is verkregen. Het gaat er niet meer om of je zelf al die 163 geboden kunt houden en naleven. God vergeeft je alle overtredingen als je hem maar lief hebt boven alles en dat is dat je je naaste lief hebt als jezelf.  De tweede getuige in dit proces is Jacobus de broer van Jezus. Deze was het hoofd geworden van de gemeente in Jeruzalem. Jacobus beroept zich op de Hebreeuwse Bijbel. Jezus van Nazareth had immers bij herhaling gezegd dat hetgeen hij aan zijn volgelingen leerde ook te vinden was in de Tora en de Profeten. Welnu, de profeet Amos had gezegd dat de bevrijder van Israël, de Messias, er voor zou zorgen dat ook de Heidenen zouden gaan geloven in de God van Israël en dat daardoor uiteindelijk alle volken zich zouden keren naar Jeruzalem. Er staat niet dat ze Joden zouden worden. Er staat ook niet, en dat is later wel beweerd, dat ze de plaats in zouden nemen van Israël.  De boodschap van dit verhaal is dat we geen onderscheid tussen mensen van verschillende manieren van geloven moeten maken. Als men zijn naaste liefheeft als zichzelf, als men werkt aan het brengen van de hemel op aarde, als hongerigen worden gevoed, gevangenen bevrijd en bedroefden getroost, dan mag je op zoek naar het gemeenschappelijke, naar de aanbidding van de God van Israël. Wij hebben dat aan Jezus van Nazareth te danken, maar we moeten er ook zelf mee aan het werk.

Na veel beproevingen

woensdag, 27 april, 2016

Handelingen 14:21-28

21  In Derbe verkondigden Paulus en Barnabas het evangelie en ze maakten er veel leerlingen. Daarna keerden ze terug naar Lystra en vervolgens naar Ikonium en Antiochië. 22  Ze bemoedigden de leerlingen en spoorden hen aan te volharden in het geloof, maar wezen hun erop ‘dat wij pas na veel beproevingen het koninkrijk van God binnen kunnen gaan’. 23  In elke gemeente stelden ze oudsten aan, en na gevast en gebeden te hebben bevalen ze hen aan bij de Heer, in wie ze hun vertrouwen hadden gesteld. 24  Na hun reis door Pisidië kwamen ze in Pamfylië, 25  waar ze in Perge de heilsboodschap verkondigden. Vervolgens reisden ze verder naar Attalia. 26  Van daar gingen ze per schip naar Antiochië, de stad waar ze aan Gods genade waren toevertrouwd toen hun de taak was opgelegd die ze nu hadden volbracht. 27  Daar aangekomen riepen ze de gemeente bijeen en brachten verslag uit van alles wat God door hen tot stand had gebracht. Ze vertelden hoe hij voor de heidenen de deur naar het geloof had geopend. 28  Ze bleven nog geruime tijd bij de leerlingen. (NBV)

Vandaag lezen we het laatste gedeelte van de eerste zendingsreis van Paulus. Samen met Barnabas, aanvankelijk ook met Johannes Marcus, was hij vertrokken uit Antiochië in Syrië om via Cyprus naar Turkije te reizen. Ze hadden nogal wat meegemaakt, ze waren ziek geworden, weggejaagd, bespot, vereerd als goden, gestenigd en belasterd. Je zou zo denken dat Paulus en Barnabas er nu wel genoeg van zouden hebben en via de kortste weg terug zouden reizen naar huis. Niets is minder waar. We lezen het stuk van vandaag vaak als een soort routinestuk. Er moet immers een mooi eind aan een verhaal gebreid worden. Maar de verhalen in de Bijbel zijn geen sprookjes en die eindigen dus niet met ze leefden nog lang en gelukkig. Paulus en Barnabas, zo lezen we gaan eerst terug naar al die steden waar ze geweest waren en waar ze niet alleen niet altijd even vriendelijk waren ontvangen maar waar vandaan ook hun tegenstanders hen achterna gereisd waren om mogelijke aanhangers in andere steden tegen hen op te zetten.

Ze gingen terug naar Lystra waar ze bijna aanbeden waren als Zeus en Hermes, naar Ikonium en naar het Pisidische Antiochië. Daar waren dus echte christelijke gemeenten ontstaan. Tegenwoordig moeten we de kerken sluiten maar in die dagen vormden zich gemeenschappen van Joden en Heidenen die alles samen deelden, die bijeen kwamen om de Schriften te lezen, het brood te breken en de wijn te drinken. Gemeenschappen die er om bekend stonden dat zij voor de armen en de zieken zorgden, dat slaven daar als vrijen werden behandeld, dat broeders en zusters als in één huis tezamen woonden. De Oudsten hadden de leiding over zulke gemeenten en zorgden voor een goed verloop. Onze kerken kennen die saamhorigheid soms niet meer.  Veel van wat er gedaan wordt op grond van het evangelie wordt gedaan buiten de kerken, in schrijfgroepen van Amnesty, bezoekgroepen voor gevangenissen, aanloopcentra voor daklozen, eenzamen en verslaafden, vrijwilligersgroepen in ziekenhuizen en verpleegtehuizen, in Fair Tradewinkels, in de noodopvang en asielzoekerscentra voor vluchtelingen, in vakbonden en op tal van plaatsen waar mensen bezig zijn om aan een betere wereld  te werken. We vinden de verhalen in kerken vaak zo vanzelfsprekend dat we denken die niet meer nodig te hebben.

Maar de verhalen uit de Bijbel werpen een nieuw licht op onze samenleving, ze laten zien waarom dat werken aan die nieuwe wereld zo hard nodig is, ze maken daardoor dat we het werk vol kunnen houden en niet trappen in de valkuilen waarin vanouds de mens geneigd is te stappen. Dat geld ook voor dit verhaal. Want wie gaat er nu terug naar de plaats waar goed is gedaan maar het goede is afgewezen. Wie durft er nog te gaan naar de plaats waar je bedreigd werd vanwege de gemeenschap van mensen die het goede willen toch te ondersteunen. Dat voorbeeld van Barnabas en Paulus verdient ook in onze dagen op veel plaatsen navolging. Pas dan kunnen we ook thuis komen in onze eigen gemeenschap. Want één element van die gemeenten hadden we nog niet benoemd. Over het goede dat gebeurt mag je ook vertellen, dat mag je ook delen en een gemeenschap is nodig om dat te kunnen delen. Vandaag dus er aan werken en zorgen voor een gemeenschap van mensen die het goede doen en daarover met elkaar delen. Kerken genoeg om die gemeenschappen onder te brengen.

In de tenten van de rechtvaardigen

dinsdag, 26 april, 2016

Psalm 118:15-29

15  Hoor, gejubel om de overwinning in de tenten van de rechtvaardigen: de rechterhand van de HEER doet machtige daden, 16  de rechterhand van de HEER verheft mij, de rechterhand van de HEER doet machtige daden. 17  Ik zal niet sterven, maar leven  en de daden van de HEER verhalen:  18  de HEER heeft mij gestraft,  maar mij niet prijsgegeven aan de dood. 19 ¶  Open voor mij de poorten van de gerechtigheid, ik wil binnengaan om de HEER te loven. 20  Dit is de poort die leidt naar de HEER, hier gaan de rechtvaardigen binnen. 21  Ik wil u loven omdat u antwoordde  en mij de overwinning gaf. 22  De steen die de bouwers afkeurden is een hoeksteen geworden. 23  Dit is het werk van de HEER, een wonder in onze ogen. 24  Dit is de dag die de HEER heeft gemaakt, laten wij juichen en ons verheugen. 25  HEER, geef ons de overwinning, HEER, geef ons voorspoed. 26  Gezegend wie komt met de naam van de HEER. Wij zegenen u vanuit het huis van de HEER. 27  De HEER is God, hij heeft ons licht gebracht. Vier feest en ga met groene twijgen  tot aan de horens van het altaar. 28  U bent mijn God, u zal ik loven, hoog zal ik u prijzen, mijn God. 29  Loof de HEER, want hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw. (NBV)

Het gejubel van de Paasdagen klinkt ons vandaag bij het lezen van de tweede helft van deze Psalm nog in de oren. Niet zo vreemd want als de pelgrims na het Pesachfeest naar huis gingen dan zongen ze nog een keer de lofpsalmen die ze op de heenreis hadden gezongen en die ook bij de maaltijd van de ongezuurde broden hadden geklonken. In het verhaal van het nieuwe testament kennen we nog wel de opgang naar Jeruzalem als Jezus van Nazareth op ezel binnen rijdt en de mensen takken van de bomen rukken en op de grond uitspreiden alsof er een loper voor de koning wordt uitgelegd. Na de Pasen moet er eerst geloofd worden in dat ongelofelijke van de opstanding. Dan gaan er twee van Jeruzalem naar Emaüs en zien pas de werkelijkheid van de opstanding bij het breken van het brood met een vreemdeling die met hen opliep en ook de schriften bleek te kennen. Bij dat soort verhalen past ook dit tweede deel van deze psalm.

Die opstanding is immers een meer dan machtige daad. Dat je niet meer bang hoeft te zijn voor de dood maar mag leven of je eeuwig leeft en vorm mag geven aan de samenleving waar alle tranen gedroogd zullen zijn, waar recht en rechtvaardigheid zullen heersten dat is pas machtig. Over recht en rechtvaardigheid wordt hier dan ook gezongen. Het beeld van God als oude man met lange baard op een wolk is ons tegen gaan staan. De God van Israël gaat alle verstand te boven en die is wie hij verkiest te zullen zijn. Daar past geen plaatje op en geen plaatje bij. Toch wordt hier in menselijke termen over die God gezongen. Dan gaat het over zijn rechterhand die machtige daden doet. De rechterhand waarin de scepter van de koning ligt. Waar de duim van de Romeinse Keizer omhoog of omlaag wijst en aangeeft wie leeft en wie sterft. Als aardse koningen in hun rechterhand zulke macht hebben dan moeten ze zich wel beseffen dat de God van Israël daar een grotere macht heeft. Dat het onderdrukken van volken, dat geweld tegen hun eigen volk, uiteindelijk op de dood zal uitlopen en dat ook in hun landen recht en gerechtigheid zullen heersen. Het is ook de actualiteit van onze dagen.

De opstandelingen in het Midden Oosten zullen het met de psalm eens zijn als er gezongen wordt over wonderen. Dat een samenleving die tientallen jaren onder onderdrukking en onrecht heeft geleden toch kan opbloeien in recht en gerechtigheid is een wonder. Dat onze machtigen en rijken bang zijn voor het verlies van gemakkelijke inkomstenbronnen en het verdwijnen van wingewesten is ook duidelijk. Wij worden bang gemaakt met chaos en radicalisme. En chaos wordt het als het samen bouwen verdwijnt. Maar als zelfs de dood ons geen angst meer aanjaagt waarom chaos en radicalisme dan wel? Wij weten dat democratie samenleven en samen werken betekent. Wij weten dat ook in ons eigen land daar nog veel voor moet gebeuren. Wij weten dat ook bij ons het ontbreken van recht en gerechtigheid nog tot ongelukken en leed voert. Wij weten dat haat van vreemdelingen, dat het haten van een ander soort geloven onvruchtbaar is en bestreden moet worden. Wij kunnen dus samen optrekken met ieder die vecht voor recht en gerechtigheid. Dan klinken ook hier de lofliederen, nu zingen wij nog liederen van de toekomst, maar die komt elke dag dichterbij, ook vandaag weer.

Loof de HEER, want hij is goed

maandag, 25 april, 2016

Psalm 118:1-14

1 ¶  Loof de HEER, want hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw. 2  Laat Israël zeggen: ‘Eeuwig duurt zijn trouw’ – 3  het huis van Aäron zeggen: ‘Eeuwig duurt zijn trouw’ – 4  wie de HEER vreest, zeggen: ‘Eeuwig duurt zijn trouw.’ 5  In mijn nood heb ik geroepen: ‘HEER !’   En de HEER antwoordde, hij gaf mij ruimte.  6  Met de HEER aan mijn zijde heb ik niets te vrezen, wat kunnen mensen mij doen? 7  Met de HEER, mijn helper, aan mijn zijde, kijk ik op mijn haters neer. 8  Beter te schuilen bij de HEER dan te vertrouwen op mensen. 9  Beter te schuilen bij de HEER dan te vertrouwen op mannen met macht. 10  Alle volken hadden mij ingesloten-  ik weerstond ze met de naam van de HEER – 11  ze sloten mij van alle kanten in-  ik weerstond ze met de naam van de HEER – 12  ze sloten mij in als een zwerm bijen  maar doofden snel als een vuur van dorens-  ik weerstond ze met de naam van de HEER. 13  Jullie sloegen mij en ik viel, maar de HEER heeft geholpen. 14  De HEER is mijn sterkte, mijn lied, hij gaf mij de overwinning. (NBV)

We zingen vandaag één van de zogenaamde Hallel psalmen, Loof de Heer liederen. Psalm 118 hoort ook bij de maaltijd die het Joodse Volk houdt sinds de uittocht uit Egypte om de uittocht te herdenken en opnieuw te beleven. Die maaltijd is in de Christelijke traditie overgegaan op het Avondmaal als herdenking en het opnieuw beleven van de uittocht uit de dood waarin Jezus van Nazareth ons is voorgegaan. Een Psalm dus die het meer dan waard is om met Pasen te lezen maar ook samen te zingen. Het is een Psalm van stem en tegenstem, hier zingen verschillende groepen deelnemers aan de maaltijd elkaar toe. Je kunt hierbij denken aan de maaltijden die in of nabij de Tempel moesten worden gehouden rond de grote feesten van Israël. Zo’n maaltijd moest je houden met je familie, de dienaren van de Tempel, de mensen die bij je werkten, de armen uit je omgeving en de vreemdelingen die bij je waren. En dan zing je het eerste vers samen, het tweede vers door iedereen uit Israël, het derde vers door de dienaren van de Tempel en het vierde vers door iedereen die daar wil bij horen. Het vijfde en zesde vers zijn dan voor de armen.

Zo kun je verder lezen. Zingen zou je kunnen doen uit het boek van de Psalmen zoals dat in het Liedboek voor de Kerken is opgenomen. Ook daar is het stem en tegenstem. Samen zing je steeds het refrein “Zijn liefde duurt in eeuwigheid” en om de beurt, solo of in groepen zing je de overige regels van het eerste couplet. Nu is het mooi om over voorspoed en vreugde te zingen maar het leven brengt ook tegenslag en ellende met zich mee. Ook daar zingt de Psalm over al lijkt het er op dat de zangers aan de Paasmaaltijd al die keren zijn vergeten dat ze tegenslag hadden, dat ze geen water hadden, bijna werden verslagen door vijanden, economische crises moesten overwinnen of te maken hadden met ziekten en ongevallen. Al die zaken staan in de Psalm wel genoemd, zeker in dit eerste gedeelte dat we vandaag lezen en wie verder zingt uit het Liedboek dan het eerste couplet zingt dan ook van de tegenslag die mensen overkomt.

Alleen vijanden kunnen worden weerstaan en bij tegenslag zet God je in de ruimte. Dat komt omdat gelovigen altijd blijven geloven dat er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komt. Een hemel en aarde waar de dood voorbij zal zijn. Dat is niet iets van een verre onbekende toekomst. De bevrijding begon met de uittocht uit de slavernij, de bevrijding voor Christenen begon met de opstanding uit de doden. In die geschiedenis mogen wij meedoen, dat geeft ruimte, ruimte om afstand te nemen van alle ongeluk en ellende die je overkomt. Je wordt bevrijdt van de gevolgen daarvan omdat je je handelen mag afstemmen op die nieuwe hemel en die nieuwe aarde. Daar zorgen mensen voor elkaar, daar offeren ze zich voor elkaar op. Dat mogen wij ook doen. Dan merken we dat we het leven als een geschenk hebben gekregen en dat we dat geschenk mogen vieren , elke dag weer. Dan is het elke dag Pasen, ook vandaag weer.

 

Waarschuw het volk

zondag, 24 april, 2016

Exodus 19:16-25

16 ¶  Op de derde dag, bij het aanbreken van de morgen, begon het te donderen en te bliksemen, er hing een dreigende wolk boven de berg, en zeer luid weerklonk het geschal van een ramshoorn. Iedereen in het kamp beefde. 17  Mozes leidde het volk het kamp uit, God tegemoet. Aan de voet van de berg bleven ze staan. 18  De Sinai was volledig in rook gehuld, want de HEER was daarop neergedaald in vuur. De rook steeg op als de rook uit een smeltoven, en de berg trilde hevig. 19  Het geschal van de ramshoorn werd luider en luider. Mozes sprak, en God antwoordde met geweldig stemgeluid. 20  De HEER was op de top van de Sinai neergedaald. Hij vroeg Mozes naar hem toe te komen, en Mozes ging naar boven. 21  De HEER zei tegen Mozes: ‘Ga naar beneden en waarschuw het volk dat ze niet te dichtbij komen in de hoop de HEER te zien, want dan zullen velen van hen het leven verliezen. 22  Ook de priesters, die gewoonlijk wel in de nabijheid van de HEER mogen komen, moeten op eerbiedige afstand blijven, anders zal de toorn van de HEER tegen hen losbarsten.’ 23  Mozes antwoordde de HEER: ‘Het volk kan de Sinai niet op gaan. U hebt ons immers zelf bevolen de berg af te grenzen en als heilig te beschouwen.’ 24  De HEER zei: ‘Ga naar beneden, en kom samen met Aäron weer terug. Maar de priesters en het volk mogen niet dichterbij komen, zij mogen de berg niet op gaan, anders zal mijn toorn tegen hen losbarsten.’ 25  Mozes ging terug naar het volk en bracht hun dit over. (NBV)

Het bliksemt en het dondert, de berg is in rook gehuld en vuur speelt rond de top. Na drie maanden naar deze berg te zijn getrokken en drie dagen na de aankomst, goddelijke tijden dus, mag Mozes de berg op om God te ontmoeten. Het volk niet, zelfs de priesters niet, alleen Aäron mag mee. De inwijding van een zootje slaven die op de vlucht zijn tot een volk dat een eigen bestaansrecht heeft zal diepe indruk maken. De beschrijving die de schrijver van het boek Exodus gekozen heeft lijkt op de beschrijvingen van grote en zware vulkaanuitbarstingen en wie de beelden heeft gezien van de stof en rook uitbarsting en het vuur van de vulkaan op IJsland die het hele Europeese vliegverkeer lamlegde kan zich iets voorstellen van wat het volk Israël daar diep in de woestijn Sinaï moest meemaken. Geen volk had zoiets meegemaakt maar uit alle verhalen over goden kon  je opmaken dat het moest het zoiets zijn als wanneer je jouw God zou ontmoeten.

Nog altijd wordt op het Joodse Nieuwjaar, de Rosj ha’Sjana, de Ramshoorn geblazen, ooit ook een teken voor het volk om soldaten te sturen naar het bedreigde land. Een laag en doordringend geluid waar niemand omheen kan en niemand van kan zeggen dat het niet gehoord is. Het klinken opent de dag en weerkaatst tegen de berg, het moet op zich al ontzagwekkend geweest zijn. Dat is de omgeving waarin God tot zijn volk zal gaan spreken. Het volk weet het al, dit zal hun God zijn en zij zullen zijn volk zijn. Dit is de God die hen uit de slavernij van Egypte heeft bevrijd. Niet door een toevallige gebeurtenis, de slavernij was er zelfs door verergerd, maar een reeks rampen had het volk van Egypte getroffen, tot de dood van de eerstgeborene  toe. Dat had de macht van die God al duidelijk gemaakt. En nu stonden ze onderaan de berg te wachten op wat komen gaat. De berg zelf mogen ze niet op, ze moeten achter de omheining blijven, zelf de priesters van die God van Israël mogen die berg niet op. Ook de rechters en de oudsten niet die ze hadden aangesteld. Het volk is weer gelijk, er is niemand meer of beter dan de ander.

Alleen Mozes, die van begin af aan de schakel is geweest tussen het volk en de God van Israël mag tot die God naderen en zijn broer die van begin af aan de woordvoerder van Mozes is geweest en die de eerste priester was van de God van Israël. Zo wilde die God kennelijk zijn volk zien. Als een volk waarbij niemand meer was dan een ander. Geen koninklijk hof, geen priesterstand met een aparte status, geen edelieden die boven het volk uitstaken, een volk van gelijken, een volk dat alleen kon overleven als het samen optrok en samen deelde van wat het had. Een volk waar ieder voor de ander had te zorgen omdat er anders niemand de tocht door de woestijn zou overleven. Ze hadden vlees in de avond en brood in de morgen. Het dagelijks brood was hen genoeg. Ze hadden zes dagen om te verzamelen en voor hun bezit te zorgen, maar ze hadden één dag om aan het volk en zijn God te besteden, één dag om te rusten. Het is een volk dat met recht apart gezet genoemd kan worden. Zo’n volk kennen we niet meer. In alle volken komen sterken en zwakken, machtigen en onmachtigen voor, in alle volken zijn er belangrijke mensen en onbelangrijke mensen, behalve in het volk van God. Wij zullen daar, ook in de kerken, nog eens hard aan moeten werken, zouden we vandaag mee kunnen beginnen.

Vanaf de berg

zaterdag, 23 april, 2016

Exodus 19:1-15

1 ¶  In de derde maand, op precies dezelfde dag dat ze uit Egypte waren weggetrokken, kwamen de Israëlieten in de Sinaiwoestijn. 2  Ze waren vanuit Refidim verder getrokken en in de Sinaiwoestijn gekomen. Daar sloegen de Israëlieten hun kamp op, vlak bij de berg. 3  Mozes ging de berg op, naar God. De HEER riep hem vanaf de berg toe: ‘Zeg tegen het volk van Jakob, laat de kinderen van Israël weten: 4  “Jullie hebben gezien hoe ik ben opgetreden tegen Egypte, en hoe ik je op adelaarsvleugels gedragen heb en je hier bij mij heb gebracht. 5  Als je mijn woorden ter harte neemt en je aan het verbond met mij houdt, zul je een kostbaar bezit voor mij zijn, kostbaarder dan alle andere volken-want de hele aarde behoort mij toe. 6  Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk.” Breng deze woorden aan de Israëlieten over.’ 7  Mozes ging terug, riep de oudsten van het volk bijeen en deelde hun alles mee wat de HEER hem had opgedragen. 8  En het hele volk antwoordde als uit één mond: ‘We zullen alles doen wat de HEER heeft gezegd.’ Mozes bracht het antwoord van het volk aan de HEER over, 9 ¶  waarop de HEER tegen hem zei: ‘Ik kom naar je toe in een donkere wolk, dan kan iedereen het horen wanneer ik met je spreek en zullen ze voor altijd vertrouwen in je hebben.’ Toen Mozes de HEER vertelde wat het volk had geantwoord, 10  zei de HEER hem ook: ‘Ga terug naar het volk en zorg ervoor dat ze zich vandaag en morgen heiligen, en laten ze hun kleren wassen. 11  Bij het aanbreken van de derde dag moeten ze gereed zijn, want op die dag zal de HEER voor de ogen van heel het volk neerdalen op de Sinai. 12  Geef aan tot waar het volk mag komen, en waarschuw hen dat ze de berg niet op gaan; zelfs de voet daarvan mogen ze niet betreden. Wie zich op de berg waagt, moet ter dood gebracht worden. 13  Zo iemand mag met geen vinger aangeraakt worden; hij moet worden gestenigd of met pijlen doorboord. Of het nu mensen of dieren betreft, ze mogen niet in leven blijven. Pas als het geluid van een ramshoorn weerklinkt, mogen ze de berg op gaan.’ 14  Weer ging Mozes naar beneden, naar het volk. Hij droeg hun op zich te heiligen en hun kleren te wassen. 15  ‘Zorg ervoor dat u overmorgen gereed bent, ‘zei hij, ‘en dat u in de tussentijd geen gemeenschap hebt met een vrouw.’ (NBV)

Er zijn nogal wat heilige bergen in de wereld. De Griekse goden woonden op de Olympus bijvoorbeeld en de 10 geboden werden gegeven vanaf de Horeb in de Sinaï woestijn. Een berg brengt je dichterbij het hogere. Als jouw god hoog in de hemel zit dan ben je op de top van de berg er het dichtste bij. Dat is een menselijke ervaring die in de dagen van de Bijbel zo sterk was dat een profeet zelfs moest verbieden om nog langer offers te brengen voor de bergen in het land. Die hoefde je echt niet te aanbidden. Ook in het verhaal van de uittocht gaat het niet om de berg zelf maar om de ontmoeting met God op die berg. Dat was een God die met het volk meetrok, maar nu moesten de spelregels scherper worden vastgelegd. Ze hadden al een aantal wetten en regels ontdekt, ze hadden de adviezen van Jetro, de priester van Midjan, gevolgd, ze hadden al een paar keer ruzie gehad over de richting die ze als volk moesten inslaan en ze hadden al een oorlog met een ander volk overleefd.

Nu na drie maanden, een goddelijke tijd, kwamen ze aan bij de berg in de woestijn Sinaï en daar werd het volk een echt volk. Het woord heilig wekt nogal eens wat misverstanden. Het betekent apart gezet, er zit ook het woord heel in, het is ongebroken, een eenheid. Zo kan een heilig mens een heel mens zijn, de rollen die die mens vervuld vallen samen, je kunt altijd hetzelfde van die mens verwachten. Dat geldt natuurlijk ook voor een God, die is één, ook al lijkt die God in Vader, zoon en heilige geest nog zo verschillend. Heilig hoeft daarom nog niet volmaakt te zijn, want volmaakt is vaak een kwestie van smaak. Dat het volk nu een heilig volk wordt drukt het verhaal uit door ook de grond van de berg heilig te verklaren en heiligingsriten in te voeren. Er moet schoongemaakt worden, van buiten en van binnen. De seksuele onthouding betekent reiniging van lust en begeerte, je heerst niet over een ander als je heilig bent. In Kanaaän zou bij vele volken het seksuele juist onderdeel van de godsdienst zijn, Israël zet zich daartegen af. Het volk moet ook op eigen benen leren staan. Tot nu toe is het net als kleine vogels gedragen op de vleugels van de moedervogel. Adelaars doen dat wel niet maar het beeld is er niet minder mooi om.

Dat het volk nu een echt volk wordt is verbonden met de slavernij in Egypte. Toen de kinderen van Israël, de nakomelingen van Jakob, uittrokken uit Egypte trok er een hoop volk mee. Dat wordt nu ook opgenomen in het volk Israël. Twaalf stammen zullen er zijn en zij zullen één volk vormen. Dat volk wordt een koninkrijk van priesters genoemd. De Koning is God zelf en alle onderdanen zijn priester van die God, zij offeren, zij dienen die God. Ze zullen er achter komen hoe die God gediend wil worden. Wij kennen dat, heb God lief boven alles en Uw naaste als Uzelf zal er klinken. Alleen op die manier, door dat gebod te volgen kunnen alle leden van dat volk priester zijn. En laat je niks wijs maken door dominees, priesters en andere voorgangers, dat alle gelovigen priester zijn is nooit anders geworden, alle gelovigen verkondigen het gebod van de God van Israël. Mozes liet het de oudsten bevestigen, alles wat God gesproken heeft zullen wij doen, klonk het. Daarvoor is die gemeenschap nodig, ook vandaag nog, maar ook over de kerk wordt gesproken als over een koninkrijk van koninklijke priesters, één Heer, God zelf, en de dienst aan de naaste als vaste opgave, ook vandaag weer.

Hij koos uit heel Israël doortastende mannen

vrijdag, 22 april, 2016

Exodus 18:13-27

13 ¶  De volgende dag sprak Mozes recht over het volk. Van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat stonden de mensen om hem heen. 14  Toen zijn schoonvader zag hoezeer hij door hen in beslag werd genomen, vroeg hij: ‘Waarom moet jij steeds voor iedereen klaarstaan? Waarom houd jij als enige zitting, terwijl de mensen zich van ‘s ochtends tot ‘s avonds om je verdringen?’ 15  Mozes antwoordde zijn schoonvader: ‘Omdat het volk bij mij komt om God te raadplegen. 16  Als ze een geschil hebben, wordt dat aan mij voorgelegd, en dan beslis ik wie er in zijn recht staat en vertel ik hun hoe Gods wetten en voorschriften luiden.’ 17  ‘Het is niet verstandig wat je doet, ‘zei zijn schoonvader, 18  ‘je zult er nog onder bezwijken, en de mensen die bij je komen ook. Dit is een veel te zware taak voor je, je kunt die niet alleen aan. 19  Luister, ik zal je een goede raad geven, en moge God je dan ter zijde staan. Jij moet het volk bij God vertegenwoordigen en hun geschillen aan hem voorleggen. 20  Prent hun zijn wetten en voorschriften in en leer hun welke weg ze moeten bewandelen en welke plichten ze moeten vervullen. 21  Maar zoek daarnaast onder het volk een aantal doortastende, vrome mannen, die betrouwbaar zijn en zich niet laten omkopen, en geef hun de leiding over groepen van duizend, van honderd, van vijftig en van tien. 22  Zij moeten altijd over het volk rechtspreken. Belangrijke geschillen leggen ze aan jou voor, in minder belangrijke geschillen doen ze zelf uitspraak. Zij zullen je last verlichten door die samen met jou te dragen. 23  Als je het op deze manier aanpakt, en als God het wil, kun je het volhouden en kunnen al die mensen tevreden naar hun tenten gaan.’ 24  Mozes luisterde naar zijn schoonvader en deed wat deze hem had aangeraden. 25  Hij koos uit heel Israël doortastende mannen en stelde hen over het volk aan: hij gaf hun de leiding over groepen van duizend, van honderd, van vijftig en van tien. 26  Zij stonden altijd klaar om over het volk recht te spreken. Moeilijke zaken legden ze aan Mozes voor, in eenvoudiger zaken deden ze zelf uitspraak. 27  Daarna deed Mozes zijn schoonvader uitgeleide, en deze keerde naar zijn land terug. (NBV)

Hoe bestuur je een volk? In elk geval niet in je eentje zoals zoveel dictators nog steeds schijnen te denken. Maar je bestuurt een volk door democratie in te voeren. Jetro, de schoonvader van Mozes, heeft dat duidelijk gezien. De wetten en de regels van de God van Israël zijn niet dat je de ogen maar moet sluiten en blind doen wat de leider van het volk te vertellen heeft. Recht in Israël is zorgen dat elk mens tot zijn recht komt en dat betekent luisteren, hoor en wederhoor toepassen en belangen afwegen en keuzes maken. Dat kost tijd, dat kost moeite en dat kan Mozes dus niet alleen. Jetro adviseert hem om afgevaardigden aan te stellen. De oudsten waren er al, die hadden immers vrede gesloten met Jetro en nu moesten er ook rechters komen, lagere rechters en hogere rechters. Lagere rechters over groepen van 10 en van 50 en hogere rechters over groepen van 100 en van 1000 en als ze er dan helemaal niet uitkwamen dan zou Mozes recht spreken, het aan de God van Israël voorleggen.

Al die rechters hadden zich te verdiepen in de wetten en regels van de God van Israël. Zo zet je rechtspraak op, zo zorg je dat van boven naar beneden de richtlijnen voor het volk duidelijk worden en van beneden naar boven de problemen in het volk bij het bestuur terecht komen. Dat laatste vergeten wij nog welk eens, bij ons zijn rechtspraak en bestuur strikt gescheiden. Ook al maakt de rechtspraak grove fouten, het bestuur merkt er niks van en er is veel actie en geroep nodig om het bestuur en de rechtspraak zo wakker te maken dat ze een herzieningscommissie instellen en uiteindelijk de hoogste rechter in ons land overtuigen van de dwalingen die in de rechtspraak kunnen worden gemaakt. Voor de rechters in ons land betekent het dat onuitvoerbare wetten stilzwijgend terzijde worden gelegd en het bestuur in de waan wordt gelaten dat hun onuitvoerbare wetten zonder problemen worden uitgevoerd. Van boven naar beneden gaat het nog wel maar van beneden naar boven hapert het voortdurend. Wat dat betreft kunnen ook wij veel van Jetro leren. Mozes neemt de lessen van zijn schoonvader ter harte, ook al is dat een vreemdeling een priester van de god van een ander volk. Maar de Bijbel is niet voor niets zo negatief over Amalek. Niet een oorlog laten voeren van de ene God tegen de andere, van het ene volk tegen de andere, van het ene geloof tegen het andere.

Nee volken moeten leren samen te werken, van elkaar te leren, elkaar te ondersteunen. Dat is wat Israël en Midjan ons in dit verhaal vertellen. In het geloof van Israël loopt dat er op uit dat alle volken uiteindelijk zich zullen wenden tot de God van Israël, dat alle volken de mensen tot hun recht laten komen, heersers hebben als dienaren, samen in de wereld de vrede bewaren. In die wetenschap en na die les kan Mozes zijn schoonvader uitgeleide doen en Jetro kan in vrede terugkeren naar zijn land, wetende dat ook zijn dochter en kleinzoons tot hun recht zullen komen. Want Mozes zoekt wel betrouwbare mannen, maar vrouwen die voor hem spreken heeft hij al. Wij hoorden Mirjam de profetes al zingen en weten dat zijn vrouw Sippora op tijd had gezorgd voor de besnijdenis van zijn zoon Gersom. Niet alleen mannen spelen een rol in dit verhaal. Wij mogen zorgen dat ook ons bestuur en onze rechtspraak er op gericht zullen zijn mensen tot hun recht te laten komen. In onze straten, in onze dorpen en wijken, in onze kerken, in onze steden en provincies en in ons land. Als we daarmee bezig gaan wordt de wereld ook een stukje beter, een goed doel om vandaag en de komende tijd weer aan te werken.

Die priester was in Midjan

donderdag, 21 april, 2016

Exodus 18:1-12

1 ¶  Jetro, Mozes’ schoonvader, die priester was in Midjan, hoorde wat God allemaal voor Mozes en voor Israël had gedaan, hoe de HEER zijn volk uit Egypte had weggeleid. 2-5  Daarom ging Jetro naar Mozes op weg. Hij nam Mozes’ vrouw Sippora met zich mee-zij was door Mozes teruggestuurd-en ook haar twee zonen. De een heette Gersom, ‘want,’ had Mozes gezegd, ‘ik ben een vreemdeling geworden, ik woon in een land dat ik niet ken.’ De ander heette Eliëzer, ‘want,’ had Mozes gezegd, ‘de God van mijn vader is mij te hulp gekomen, hij heeft mij aan het zwaard van de farao laten ontkomen.’ Toen Jetro samen met Mozes’ vrouw en zonen aangekomen was in de woestijn waar Mozes zijn kamp had opgeslagen, bij de berg van God, 6  liet hij Mozes weten: ‘Ik, je schoonvader Jetro, kom je bezoeken, met je vrouw en haar beide zonen.’ 7 ¶  Mozes ging zijn schoonvader tegemoet, boog zich voor hem neer en kuste hem. Nadat ze elkaar begroet hadden, gingen ze de tent binnen. 8  Mozes vertelde zijn schoonvader uitvoerig hoe de HEER omwille van Israël tegen de farao en Egypte was opgetreden, en ook welke moeilijkheden ze op hun tocht ondervonden hadden en hoe de HEER hen daaruit had gered. 9  Jetro verheugde zich erover dat de HEER Israël zoveel weldaden had bewezen en hen had gered uit de handen van de Egyptenaren. 10  ‘Geprezen zij de HEER, dat hij jullie uit de macht van de Egyptenaren en de farao heeft bevrijd, ‘zei hij, ‘dat hij het volk verlost heeft van de onderdrukking door de Egyptenaren, 11  door wie jullie met zoveel minachting behandeld zijn. Nu zie ik in dat de HEER machtiger is dan alle andere goden.’ 12  Mozes’ schoonvader Jetro bracht God een brandoffer en een vredeoffer, en Aäron en alle oudsten van Israël namen samen met hem aan het offermaal deel, ten overstaan van God. (NBV)

In het Oude Testament heeft elk volk een eigen god of eigen goden. Pas in de loop van de geschiedenis van het volk Israël breekt het besef door dat de God van Israël eigenlijk de enige God is en dat al die andere goden eigengemaakte goden zijn. Voor buitenstaanders is dit heel lang een vreemde opvatting gebleven. Pas in het Romeinse wereldrijk beginnen mensen te spreken over de goden als over vergelijkingen om zaken te verduidelijken en nemen ze aan dat die goden niet als personen of wezens ook echt bestaan. In die gedachtewereld dringt zich dan de beweging van Christenen op die een heel andere opvatting hebben over de God van de wereld als de gewone opvatting in niet Joodse religieuze kringen. In het verhaal van Mozes is het zo ver nog niet. De schoonvader van Mozes was priester in Midjan, het land waarheen Mozes was gevlucht nadat hij in Egypte een opzichter had doodgeslagen.

Samen met zijn vrouw en zijn oudste zoon Gersom was hij teruggekeerd naar Egypte. Kennelijk heeft hij zijn vrouw en zijn twee zonen op een gegeven moment teruggestuurd naar haar vader. Hoe of wanneer is niet direct duidelijk maar tijden en plaatsen lopen in het verhaal over de Uittocht wel meer door elkaar heen. Vrouw en kinderen keren bij Mozes terug als hij al bij de Horeb is aangekomen, over de aankomst van het volk bij de Horeb zal pas hierna worden verteld.  Die schoonvader van Mozes, Jetro, is een tolerant man. Hij bewondert de God van Israël om alles wat die voor het volk heeft gedaan en die bewondering steekt hij niet onder stoelen of banken. “Geprezen zij de Heer” klinkt het en uitleggers zeggen dan graag dat die Jetro ook een gelovige was geworden. Die Jetro gelooft inderdaad in de God van Israël. Maar voor ons heeft geloven een andere betekenis gekregen. Geloven in de God van Israël betekent voor ons dat er geen andere goden bestaan. Geloven in de God van Israël betekent voor Jetro dat die God van Israël voor Israël een even machtig God is als zijn eigen God voor hem en zijn volk. Die God van Israël is volgens Jetro in elk geval veel machtiger dan al die goden van andere volken, vooral dan die van Egypte, vooral van die volken die tegen Israël waren opgetreden.

Jetro sluit vriendschap met het volk van Israël, het staat er niet maar we mogen aannemen dat hij dat deed in naam van het volk Midjan. De reden daarvan wordt ook duidelijk. Natuurlijk is Jetro als schoonvader van Mozes gebaat bij vrede met Israël. Maar gezien de macht van de God van Israël is het ook voor elk volk zeer raadzaam om vrede met Israël te sluiten. Daarmee kiest Midjan uitdrukkelijk een tegengestelde positie aan Amalek. Oorlog en vrede liggen in elkaars verlengde in dit verhaal. En dan komt de typische manier van offeren van Israël aan de orde. Een woestijnvolk verspilt geen voedsel, offers die helemaal verbrand worden, of offers die achtergelaten worden bij een heiligteken, boom, rots of berg, zijn er bij een woestijnvolk niet bij. Die offers kun je beter zelf opeten al roepend dat de God je zulk heerlijk eten heeft geschonken. Zo eten Mozes en Aäron met alle oudsten samen met Jetro een offermaal, ten overstaan van God. Zo mogen ook wij onze maaltijden genieten, met anderen, met vreemdelingen maar altijd ten overstaan van God die ons duidelijk maakt dat er nooit meer nodig is dan ons dagelijks brood.