Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor maart, 2016

Het nieuwe leven te ontvangen.

donderdag, 31 maart, 2016

Handelingen 11:1-18

1 ¶  De apostelen en de gemeenteleden in Judea hoorden dat ook de heidenen Gods woord hadden aanvaard. 2  Toen Petrus terugkwam in Jeruzalem, spraken de Joodse gelovigen hem hierover aan 3  en verweten hem dat hij onbesnedenen had bezocht en samen met hen had gegeten. 4  Daarop zette Petrus uiteen wat er precies gebeurd was. Hij zei: 5  ‘Toen ik in Joppe aan het bidden was, werd ik gegrepen door een visioen: een voorwerp dat op een groot linnen kleed leek, werd aan vier punten uit de hemel neergelaten tot vlak bij mij. 6  Ik keek er aandachtig naar en zag de lopende en kruipende dieren van de aarde, en ook de wilde dieren en de vogels van de hemel. 7  En ik hoorde een stem tegen me zeggen: “Ga je gang, Petrus, slacht en eet.” 8  Maar ik antwoordde: “Nee, Heer, in geen geval, want ik heb nog nooit gegeten van iets dat verwerpelijk of onrein is.” 9  Maar voor de tweede keer kwam er een stem uit de hemel: “Wat God rein heeft verklaard, zul jij niet als verwerpelijk beschouwen.” 10  Dat gebeurde tot driemaal toe; daarna werd alles weer omhooggetrokken naar de hemel. 11  Precies op dat moment kwamen er bij het huis waar wij verbleven drie mannen aan; ze waren uit Caesarea naar mij toe gestuurd. 12  De Geest zei tegen me dat ik zonder aarzelen met hen mee moest gaan. Deze zes broeders hebben me vergezeld, en samen zijn we het huis binnengegaan van de man die ons had laten komen. 13  Hij vertelde ons dat hij in zijn huis een engel had zien staan, die tegen hem zei: “Stuur iemand naar Joppe om Simon, die ook Petrus wordt genoemd, te halen. 14  Hij zal je vertellen hoe jij en al je huisgenoten kunnen worden gered.” 15  Ik was nog maar nauwelijks begonnen te spreken, of de heilige Geest daalde op hen neer, zoals destijds ook op ons. 16  Ik herinnerde me dat de Heer tegen ons zei: “Johannes doopte met water, maar jullie zullen gedoopt worden met de heilige Geest.” 17  Als God hun wegens hun geloof in de Heer Jezus Christus hetzelfde geschenk wilde geven als ons, hoe had ik hem daar dan van kunnen weerhouden?’ 18  Toen ze dat gehoord hadden, waren ze gerustgesteld en loofden ze God met de woorden: ‘Dan geeft God dus ook de heidenen de kans om tot inkeer te komen en het nieuwe leven te ontvangen.’ (NBV)

We moeten het verhaal van vandaag lezen tegen de achtergrond van conflicten waarover we lezen in de brieven van Paulus. Die schrijft verschillende malen dat de jonge gemeenten die hij had gesticht of waar zijn medewerkers bij betrokken waren zich niets moesten aantrekken van Joden die wilden dat alle Heidenen die waren toegetreden tot de beweging van de Weg zich moesten laten besnijden. Besnijdenis was iets voor Joden, zij die uit een Joodse moeder geboren waren, en niet voor de Heidenen. Het ging niet langer om een Wet op de stenen tafelen zou staan, maar om de richtlijn voor de menselijke samenleving die als liefde in je hart staat gebeiteld. Lucas neemt de gelegenheid te baat om in zijn geschiedschrijving van de beweging van de Weg nog eens aan te geven waar die uitbreiding van de beweging nu eigenlijk is begonnen. De beschrijving van die geschiedenis was hij begonnen met zijn Evangelie. En je leest hier eigenlijk de eerste etappe van de reis die de boodschap van Jezus van Nazareth uiteindelijk over de hele wereld zou maken. Die eerste etappe loopt van Jeruzalem naar Caesarea, van de Tempel naar de zetel van het Romeinse bestuur.

En op die etappe kom je mensen tegen, overal vandaan, die het gebod van je naaste lief te hebben als je zelf al volgen, of ze nu Jood zijn of Heiden. Het gaat daarbij om de Geest waarin je al die dingen doet, de Heilige Geest. Uiteindelijk zou dat Evangelie over de hele wereld verkondigd worden en zouden we bijna vergeten dat er een serieus conflict ten grondslag heeft gelegen aan het feit dat de meesten van ons onbesneden, maar gedoopt, deel kunnen hebben aan dat nieuwe leven dat Jezus van Nazareth voor ons heeft ontsloten. Wij zijn in de geschiedenis maar al te vaak vergeten dat het geloof in dat nieuwe leven haar oorsprong vond in dat rare volk aan de rand van de Middellandse Zee, tussen de zee en de woestijn. Dat volk dat in de woestijn had geleerd dat je onvoorwaardelijk op elkaar moest kunnen bouwen wil je overleven en dat die les voor elke samenleving zou moeten gelden, ja voor elk volk in de hele wereld.

De oorsprong van die les, de God van Israël gaat daarbij elk verstand te boven. Die God wil geen beelden maar liefde voor de naaste, die God beroept zich niet op de grootheid van het volk Israël maar op het feit dat het bevrijde slaven zijn. Cornelius, de Heidense officier, had iedereen bij zich thuis genodigd, het kan dus ook niet anders dan dat daar ook slaven bij geweest zijn. Willen wij dezelfde weg als Petrus en Cornelius volgen dan zullen ook wij niet mogen schromen iedereen uit te nodigen om samen die samenleving van recht en vrede op te bouwen, zelfs als je niet altijd precies hetzelfde gelooft. Elkaar uitschelden en verketteren levert in onze dagen maar alibi’s op voor verknipte figuren om molotof cocktails te gooien naar vreedzame burgers, om wild om zich heen te gaan schieten, of een ander dood te steken. Niet alleen in buitenlanden maar het gebeurt ook onder ons.  Uit angst voor de lafhartige schreeuwers die zich tot in ons parlement hebben genesteld schenken we er maar weinig aandacht aan. We hebben volgens de Bijbel maar één Weg om dat tegen te gaan, samen eten, samen thee drinken. Gelukkig dat we er elke dag weer opnieuw aan mogen werken, ook vandaag weer.

Hij was een vroom man

dinsdag, 29 maart, 2016

Handelingen 10:1-23a

1 ¶  Een van de inwoners van Caesarea was een centurio van de Italiaanse cohort, die Cornelius heette. 2  Hij was een vroom man die, net als zijn huisgenoten, God vereerde. Hij gaf rijkelijk aalmoezen aan het volk en bad veelvuldig tot God. 3  Op een dag kreeg hij omstreeks het negende uur een visioen, waarin hij duidelijk zag hoe een engel van God zijn huis binnenkwam. Hij hoorde hem zeggen: ‘Cornelius!’ 4  Hij staarde de engel verschrikt aan en vroeg: ‘Wat is er, heer?’ De engel antwoordde: ‘Je gebeden en aalmoezen zijn door God als offer aanvaard. 5  Stuur daarom een paar van je mannen naar Joppe om Simon te halen, die ook wel Petrus wordt genoemd. 6  Hij verblijft bij een leerlooier die eveneens Simon heet en in een huis aan zee woont.’ 7  Toen de engel die met hem had gesproken was weggegaan, liet Cornelius twee dienaren bij zich komen en een vrome soldaat uit zijn gevolg. 8  Nadat hij had uitgelegd waar het om ging, stuurde hij hen naar Joppe. 9 ¶  De volgende dag, nog voordat de afgezanten van Cornelius in Joppe waren aangekomen, ging Petrus omstreeks het middaguur naar het dak van het huis om daar te bidden. 10  Maar hij kreeg honger en wilde iets eten. Terwijl er eten voor hem werd klaargemaakt, werd hij gegrepen door een visioen. 11  Hij zag hoe vanuit de geopende hemel een voorwerp dat op een groot linnen kleed leek aan vier punten op de aarde werd neergelaten. 12  Op het kleed bevonden zich alle lopende en kruipende dieren van de aarde en alle vogels van de hemel. 13  Hij hoorde een stem zeggen: ‘Ga je gang, Petrus, slacht en eet.’ 14  Maar Petrus antwoordde: ‘Nee, Heer, in geen geval, want ik heb nog nooit iets gegeten dat verwerpelijk of onrein is.’ 15  En voor de tweede maal hoorde hij de stem: ‘Wat God rein heeft verklaard, zul jij niet als verwerpelijk beschouwen.’ 16  Tot driemaal toe hoorde hij de stem, en direct daarna werd het voorwerp weer in de hemel opgenomen. 17  Petrus vroeg zich verbijsterd af wat de betekenis kon zijn van het visioen dat hij had gezien. Juist op dat moment arriveerden de afgezanten van Cornelius bij de poort, nadat ze overal navraag hadden gedaan naar het huis van Simon. 18  Ze trokken door geroep de aandacht van de bewoners en vroegen of Simon Petrus in dit huis verbleef. 19 ¶  Terwijl Petrus nog nadacht over het visioen, zei de Geest tegen hem: ‘Er zijn hier drie mannen die naar je op zoek zijn. 20  Ga meteen naar beneden en ga zonder aarzelen met hen mee, want ik heb hen gezonden.’ 21  Petrus ging naar beneden en zei tegen de mannen: ‘Ik ben degene die u zoekt. Wat is de reden van uw komst?’ 22  Ze antwoordden: ‘Cornelius, een centurio, een rechtvaardig man die God vereert en bij het hele Joodse volk in aanzien staat, heeft van een heilige engel opdracht gekregen u naar zijn huis te laten komen om te luisteren naar wat u te zeggen hebt.’ 23  Daarop nodigde Petrus de mannen uit om binnen te komen en bood hun onderdak. (NBV)

In de Bijbel staat ergens dat gelovigen die onder druk staan dromen zullen dromen en vergezichten zullen zien. Vandaag gaat het daar in het gedeelte dat we lezen ook over. Want hoe verander je een wereldrijk zonder geweld? Dan moet je in elk geval de mensen die het met je eens zijn niet buitensluiten. En daar gaat dit verhaal over. De spanningen tussen Joden en Romeinen liepen na de dood van Jezus van Nazareth steeds verder op. Uiteindelijk zou dit uitlopen op de grote opstand van het jaar 70 die door de Romeinen bloedig werd neergeslagen en als resultaat had dat de Tempel in Jeruzalem verwoest werd. Nu bestond een groot deel van het Joodse volk uit bekeerlingen, mensen die vanuit het Heidendom overgegaan waren tot het Jodendom, met besnijdenis en al. Dat zou later nog de nodige spanningen veroorzaken in de jonge Christelijke gemeenten.

Maar er waren ook een heleboel mensen die de God van Israël als enige God aanvaard hadden, met de Joden mee de grote feesten vierden en de eigen goden hadden afgezworen. Godvrezenden noemden ze die, maar die waren geen Joden geworden, ze hadden zich niet laten besnijden. Deze Cornelius, hoofdman van de Italiaanse cohort uit Caesarea, was zo iemand. Door de Rabbijnen werden deze godvrezenden later niet als Heidenen, afgodendienaars, gezien. Dat waren ze ook niet. Maar onder het toenemende nationalisme was er natuurlijk wel de vraag hoe met elkaar om te gaan. Die vraag leefde bij Cornelius en die vraag leefde bij Petrus. En beiden kregen een droom over hoe het zou kunnen gaan. Voor Cornelius was de manier waarop de Joodse regels bij de volgelingen van Jezus van Nazareth werden beleefd, vanuit liefde voor de mensen, veel aantrekkelijker dan de juridische beleving die steeds meer opgeld deed in de synagogen. Met die Petrus moest hij dus een woordje spreken.

Voor Petrus was het van belang juist die mensen niet af te stoten die het eigenlijk met de Joden eens waren, maar dan moest je ook met hen eten en bij hen over huis komen. En hij in zijn droom ontdekt hij dat alles wat mensen kan voeden van God afkomstig is en dat de liefde voor de minste je kan verenigen in God. Zo komen twee dromen bij elkaar. Het is een verhaal dat ook wij ons kunnen aantrekken in de discussie over inburgering. Er zijn veel Moslims die inmiddels volgens dezelfde gewoonten en gebruiken leven die ook wij vanouds kennen. Maar waarom moeten die over één kam geschoren worden met ultra conservatieven. De meesten van ons willen toch ook niet vereenzelvigd worden met ultraconservatieve protestanten of ultra-conservatieve Rooms-Katholieken? Om de gewenste nuances aan te brengen in de omgang en met elkaar in gesprek te raken waar dat nodig is zullen ook wij bereid moeten zijn bij elkaar over de vloer te komen en samen de maaltijd te nuttigen. Die boodschap kregen Petrus en Cornelius in hun dromen mee. Laten ook wij dromen van een samenleving waarin we niet tegenover elkaar staan. Aan zo’n samenleving mogen we elke dag opnieuw gaan werken, ook vandaag weer.

 

Onmiddellijk stond hij op

maandag, 28 maart, 2016

Handelingen 9:32-43

32 ¶  Toen Petrus door het land reisde, kwam hij ook bij de heiligen die in Lydda woonden. 33  Hij trof daar een man aan die Eneas heette en al acht jaar verlamd op bed lag. 34  Petrus zei tegen hem: ‘Eneas, Jezus Christus geneest u! Sta op en breng nu zelf uw bed in orde.’ Onmiddellijk stond hij op. 35  Alle inwoners van Lydda en van de Saronvlakte zagen wat er gebeurd was en bekeerden zich tot de Heer. 36 ¶  In Joppe woonde een leerlinge die Tabita heette, in onze taal is dat Dorkas. Ze deed veel goeds voor anderen en gaf vaak aalmoezen. 37  Maar juist in die tijd werd ze ziek en stierf. Ze werd gewassen en in het bovenvertrek opgebaard. 38  Omdat Lydda dicht bij Joppe ligt, stuurden de leerlingen, die gehoord hadden dat Petrus daar was, twee mannen naar hem toe met het dringende verzoek om direct bij hen te komen. 39  Petrus ging meteen met hen mee. Na zijn aankomst werd hij naar het bovenvertrek gebracht, waar de weduwen om hem heen kwamen staan en hem huilend de tunica’s en mantels lieten zien die Dorkas nog maar pas gemaakt had. 40  Petrus stuurde iedereen weg, waarna hij knielde om te bidden. Na het gebed draaide hij zich om naar het lichaam en zei: ‘Tabita, sta op!’ Ze opende haar ogen, en toen ze Petrus zag ging ze rechtop zitten. 41  Hij nam haar bij de hand en hielp haar overeind, en toen hij de heiligen en de weduwen weer binnengeroepen had, liet hij hun zien dat ze weer leefde. 42  Dit voorval werd in heel Joppe bekend en velen gingen in de Heer geloven. 43  Petrus bleef nog enige tijd in Joppe, bij Simon, een leerlooier. (NBV)

Het boek Handelingen is bekend om de geschiedenissen van Paulus, zijn bekering, zijn opleiding en zijn zendingsreizen. Maar er zijn ook een aantal verhalen over andere apostelen. Over Petrus worden een aantal opstandingsverhalen verteld. Op de grens nog wel van Israel en de rest van de wereld. Eerst in Samaria waar al Joden woonden die niet echt als Joden werden geaccepteerd. Daar woonde ook ene Eneas. zijn naam is gelijk aan de Romeinse Aeneas. Over die laatste was in de tijd van het verschijnen van het boek Handelingen ook net een boek verschenen, van de schrijver Vergilius. Aan die Aeneas werd de stichting van Rome toegeschreven. De oorsprong van Rome lag echter al een tijdje verlamd op bed. Handig natuurlijk want als je dat acht jaar doet dan zijn er allerlei mensen die voor je zorgen. Opstaan dus, de liefde van Jezus van Nazareth maakt immers dat jij voor andere mensen zorgt en niet meer voor je laat zorgen dan strikt noodzakelijk is.

De mensen die het boek van de Handelingen voor het eerst lazen wisten al dat uiteindelijk dat hele Romeinse Rijk doordrongen zou worden van mensen die op de manier van Jezus van Nazareth wilden gaan leven. Dat werd volgens dit verhaal over Eneas dus een heel nieuw rijk. Petrus gaat tot aan de grens van Israel, hij is aan het hele Romeinse Rijk nog niet toe. Joppe is de havenstad waar ooit de profeet Jona scheep ging. Een havenstad waar je een dubbel paspoort kunt hebben en namen in verschillende talen. Dorcas woonde daar en zorgde voor de weduwen van de stad zoals er voor weduwen gezorgd moet worden. Maar Dorcas ging dood. Zou de liefde van Jezus van Nazareth echt door de dood heen volgehouden kunnen worden? Petrus blijft bij zijn eigen taal en spreekt haar aan bij haar Aramese naam en niet in het Grieks. Maar opstaan doen die Christenen, tegen de dood in. In Jeruzalem was het Jezus van Nazareth, aan de grens van Israel was het Dorcas.

Wij kennen de naam Dorcas van de hulporganisatie uit Andijk waar Christenen samen mensen in nood gingen helpen en tot hun eigen verbazing er achter kwamen dat al die goederen die ze over hadden de bron werden van een organisatie die jaren en jaren zou blijven werken. Opstaan tegen de ellende in de wereld kunnen we dus allemaal. Zeker in onze dagen nu elke stad en elk dorp in ons land moet helpen bij de opvang van vluchtelingen, tijdelijk soms in noodopvang, wat langer in een asielzoekerscentrum zodat er een fatsoenlijk onderzoek naar hen gedaan kan worden en later als buurman en buurvrouw die dan als statushouders worden aangeduid. Of ze kunnen inburgeren, er bij mogen horen in onze samenleving hangt van ons af. Zijn er Dorcassen onder ons die ze helpen bij kleding, zijn er mannen die ze helpen bij de inrichting van het huis, zijn er christenen die brood en wijn met ze willen delen. De organisaties voor de opvang van armen in de wereld en vluchtelingen elders vragen of wij onze welvaart delen. Petrus leert ons dat we ook onze eigen mogelijkheden mogen delen,

Die vonden het maar kletspraat

zondag, 27 maart, 2016

Lucas 24:1-12

1 ¶  Maar op de eerste dag van de week gingen ze bij het ochtendgloren naar het graf met de geurige olie die ze bereid hadden. 2  Bij het graf aangekomen, zagen ze echter dat de steen voor het graf was weggerold, 3  en toen ze naar binnen gingen, vonden ze het lichaam van de Heer Jezus niet. 4  Hierdoor raakten ze helemaal van streek. Plotseling stonden er twee mannen in stralende gewaden bij hen. 5  Ze werden door schrik bevangen en sloegen de handen voor hun ogen. De mannen zeiden tegen hen: ‘Waarom zoekt u de levende onder de doden? 6  Hij is niet hier, hij is uit de dood opgewekt. Herinner u wat hij u gezegd heeft toen hij nog in Galilea was: 7  de Mensenzoon moest worden uitgeleverd aan zondaars en moest gekruisigd worden en op de derde dag opstaan.’ 8  Toen herinnerden ze zich zijn woorden. 9  Ze keerden terug van het graf en gingen aan de elf en aan alle anderen vertellen wat er was gebeurd. 10  De vrouwen die het graf bezochten, waren Maria uit Magdala, Johanna, Maria de moeder van Jakobus, en nog enkele andere vrouwen die hen vergezelden. Ze vertelden de apostelen wat er was gebeurd, 11  maar die vonden het maar kletspraat en geloofden hen niet. 12  Petrus echter stond op en rende naar het graf. Hij bukte zich om te kijken, maar zag alleen de linnen doeken liggen. Daarop ging hij terug, vol verwondering over wat er gebeurd was. (NBV)

Na de dood van Jezus van Nazareth zijn zijn volgelingen nergens meer. Een lid van het Sanhedrin, de religieuze raad die hem had veroordeeld, had zijn begrafenis verzorgd en alleen de vrouwen die met hem meegereisd waren vanuit Galilea waren voor hem blijven zorgen. Nog voor de Sabbath, de voorgeschreven rustdag, hadden ze gezorgd voor geurige olie en balsem om het lichaam te verzorgen voor de grafrust. Zij waren het dan ook die op de eerste dag van de week, bij het ochtendgloren, naar het graf toegingen. De steen die de rotsspelonk, waarin het graf was uitgehouwen, had afgesloten was echter al weggerold en het lichaam van Jezus van Nazareth was daar niet te vinden. Dat was even schrikken. Er waren echter mensen die het door hadden, de levende is niet bij de doden, als je zelfs na de dood nog voor iemand blijft zorgen dan is die iemand niet dood maar die leeft.

Zo had Jezus van Nazareth er zelf ook over gesproken. Hij zou gekruisigd moeten worden maar op de derde dag weer opstaan. De dood door de doden, de mensen die kiezen voor de dood om hun macht uit te oefenen of te behouden, is voor de mensen die kiezen voor het leven niet het einde. Na die ontdekking komen de volgelingen van Jezus van Nazareth pas weer in beeld. Al die tijd waren ze afwezig maar nu krijgen ze de boodschap te horen, de herhaling van wat Jezus van Nazareth had gezegd en dat het was gebeurt, het graf was leeg. Nu krijgen de vrouwen ook een naam, Maria uit Magdala, Johanna, Maria de moeder van Jakobus die als eersten vertelden, maar er waren nog meer vrouwen bij geweest. Die vertelden aan de door Jezus van Nazareth zelf aangestelde zendelingen, in het Grieks Apostelen, wat ze hadden meegemaakt. Die Apostelen vonden het maar kletspraat. De opstanding uit de doden is ongelofelijk, ook vandaag de dag nog. We kunnen er ons geen voorstelling van maken. Geen andere ook dan een leeg graf met de windsels opgevouwen op de bank waarop de lijken werden neergelegd. Lucas vertelt dan ook niet over de opstanding zelf maar wat mensen hebben meegemaakt op die eerste dag van de week. Alleen Petrus ging zelf kijken wat er gebeurd was en ook hij zag niet anders dan een leeg graf met de linnen doeken en hij was vol verwondering.

Het heeft ook voor ons dan ook niet veel zin verder te speculeren over wat er allemaal wel niet gebeurd zou kunnen zijn. De levende is niet onder de doden en het heeft niet zoveel zin om je met de doden bezig te houden. Kennelijk is de Liefde van God zo sterk dat die het zelfs door de dood heen uit kan houden. Dat is natuurlijk een geweldige ontdekking. In onze wereld wordt de Liefde als een van de zachte krachten beschouwd. De Liefde zou uitlopen op de dood als je geen geweld gebruikt. In het verhaal van de Bijbel, en het wordt ons vier maal verteld, loopt geweld uit op de dood en loopt de Liefde uit op het leven. Dat was de betekenis van het Pesach verhaal toen het volk Israël uittrok uit het land van de dood, het is de betekenis van Pasen toen de dood van Jezus van Nazareth niet het einde van het verhaal bleek te zijn maar het begin van nieuw leven. Pasen is een lentefeest en het nieuwe leven dat zonder geweld begint na de doodse winter helpt ons begrijpen wat het is de Liefde vol te houden ook al moet dat door de dood heen. We mogen dat vandaag vieren en er de rest van het jaar van leven.

In het land van de levenden

zaterdag, 26 maart, 2016

Psalm 27

1 ¶  Van David. De HEER is mijn licht, mijn behoud, wie zou ik vrezen? Bij de HEER is mijn leven veilig, voor wie zou ik bang zijn? 2  Kwaadwilligen kwamen op mij af om mij levend te verslinden,  mijn vijanden belaagden mij, maar zij struikelden, zij vielen. 3  Al trok een leger tegen mij op,  mijn hart zou onbevreesd zijn, al woedde er een oorlog tegen mij, nog zou ik mij veilig weten. 4  Ik vraag aan de HEER één ding, het enige wat ik verlang: wonen in het huis van de HEER alle dagen van mijn leven, om de liefde van de HEER te aanschouwen, hem te ontmoeten in zijn tempel. 5  Hij laat mij schuilen onder zijn dak  op de dag van het kwaad,  hij verbergt mij veilig in zijn tent, hij tilt mij hoog op een rots. 6  Daarom heft zich mijn hoofd fier boven de vijanden rondom mij, ik wil offers brengen in zijn tent, hem juichend offers brengen, ik wil zingen en spelen voor de HEER. 7 ¶  Hoor mij, HEER, als ik tot u roep, wees genadig en antwoord mij. 8  Mijn hart zegt u na: ‘Zoek mijn nabijheid!’ Uw nabijheid, HEER, wil ik zoeken, 9  verberg uw gelaat niet voor mij, wijs uw dienaar niet af in uw toorn. U bent mij altijd tot hulp geweest, verstoot mij niet, verlaat mij niet, God, mijn behoud. 10  Al verlaten mij vader en moeder, de HEER neemt mij liefdevol aan. 11  Wijs mij uw weg, HEER, leid mij op een effen pad, bescherm mij tegen mijn vijanden, 12  lever mij niet uit aan mijn belagers. Valse getuigen staan tegen mij op en dreigen met geweld. 13  Mag ik niet verwachten de goedheid van de HEER te zien in het land van de levenden? 14  Wacht op de HEER, wees dapper en vastberaden, ja, wacht op de HEER. (NBV)

Op deze stille zaterdag mogen we van het dagelijks leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap dat we hier volgen weer zingen. En we zingen één van die lofzangen die de leerlingen gezongen zouden kunnen hebben toen ze vol vreugde naar Jeruzalem waren teruggekeerd nadat Jezus van Nazareth was opgenomen in de hemel. Het lied loopt voor ons dus vooruit op Pasen toen de vrouwen een leeg graf vonden nadat ze op de dag er voor, de Sabbat, onze zaterdag, de voorgeschreven rust in acht hadden genomen. Wij zingen een Psalm van David mee. De Heilige Tent heeft hem er kennelijk toe gebracht zich te beseffen dat hij geen enkele angst meer hoeft te hebben voor zijn vijanden. Als hij doet wat er in de richtlijnen staat die in die Heilige Tent worden bewaard, zorgen voor de armen, de zieken, de zwakken, de weduwen en de wees, als koning recht en gerechtigheid betrachten, dan is er in het land niets aan de hand.

Het is niet om straks na de dood in een eventuele hemel al dat geluk te verdienen maar het gaat er om hier en nu dat geluk te verwerven, in het land van de levenden. Bijgelovige Christenen spreken dezer dagen nog al eens over de hemel, en of je wel geloofd dat je daar na je dood terecht komt en dat er dan ook nog een streng oordeel staat te wachten over alles waar je verkeerd hebt gedaan in je leven. Het enige wat de Bijbel er over zegt is dat het leven een einde kent, dat je adem van God komt en na het einde van het leven weer naar God terugkeert. Hoe, wat en waar staat er niet bij en soms lijkt het wel of het ook helemaal niet belangrijk is. Wat belangrijk is is hoe het met levende mensen gaat. Met Pasen klonk dat al toen aan de vrouwen bij het graf werd gevraagd wat ze kwamen doen, de levenden soms zoeken bij de doden ? Het heeft geen zin.

Ons gaat het om de levenden, de armen in Zuid Soedan, de hongerenden in Somalië, de zieken in Zuid-Afrika, de kinderen met Aids, de gevangenen in China, de kinderarbeiders in India en Indonesië, de vluchtelingen uit het Midden Oosten en al die andere broeders en zusters van ons, veraf en dichtbij, die worden uitgebuit, uitgehongerd, geknecht en vernederd en beroofd van de meest elementaire mensenrechten. Dat is het land van de levenden waarin wij leven en waar wij een klein stukje van wat we verstaan onder hemel op die aarde zouden moeten kunnen laten zien. Ook als we een dag vrij zijn van arbeidsverplichtingen zouden we daaraan mee kunnen werken. In Wereldwinkels, met Fair Trade, met FSC hout en met datgene wat ons beschikbaar staat. Dan staan we vandaag al op tegen alle dood in de wereld.

Deze mens was een rechtvaardige!

vrijdag, 25 maart, 2016

Lucas 22:66–23:56

66  Toen het dag werd, kwam de raad van oudsten van het volk bijeen, hogepriesters zowel als schriftgeleerden, en ze leidden hem voor in hun raadszitting. 67  Ze zeiden: ‘Als u de messias bent, zeg het ons dan.’ Maar Jezus antwoordde: ‘Als ik het u zeg, gelooft u mij toch niet. 68  En als ik een vraag stel, antwoordt u toch niet. 69  Maar vanaf nu zal de Mensenzoon gezeten zijn aan de rechterhand van de Almachtige.’ 70  Toen zeiden allen: ‘U bent dus de Zoon van God?’ Hij antwoordde: ‘U zegt dat ik het ben.’ 71  Ze zeiden: ‘Waarvoor hebben we nog  getuigenverklaringen nodig? We hebben het immers zelf uit zijn eigen mond gehoord!’ 1 ¶  Ze stonden allen op en leidden hem voor aan Pilatus. 2  Daar brachten ze de volgende beschuldigingen tegen hem in: ‘We hebben vastgesteld dat deze man ons volk van het rechte pad afbrengt en de mensen ervan weerhoudt belastingen aan de keizer te betalen en dat hij van zichzelf zegt de messiaanse koning te zijn.’ 3  Pilatus vroeg hem: ‘Bent u de koning van de Joden?’ Jezus antwoordde: ‘U zegt het.’ 4  Daarop zei Pilatus tegen de hogepriesters en de samengeschoolde menigte: ‘Ik vind niets waaraan deze man schuldig is.’ 5  Maar ze bleven hardnekkig beweren: ‘In heel Judea ruit hij met zijn onderricht het volk op, van Galilea tot hier!’ 6  Toen Pilatus dit hoorde, vroeg hij aan Jezus of hij uit Galilea kwam, 7  en toen hij besefte dat hij onder Herodes’ gezag viel, stuurde hij hem naar Herodes, die op dat moment in Jeruzalem verbleef. 8  Herodes was bijzonder blij toen hij Jezus zag, want hij wilde hem al heel lang ontmoeten omdat hij veel over hem gehoord had. Bovendien hoopte hij hem een wonder te zien doen. 9  Hij ondervroeg hem uitvoerig, maar Jezus antwoordde hem niet één keer. 10  De hogepriesters en de schriftgeleerden die erbij stonden, brachten zware beschuldigingen tegen hem in. 11  Hierop begonnen Herodes en zijn soldaten Jezus te honen, en ze dreven de spot met hem door hem een pronkgewaad om te hangen. Zo stuurde hij hem terug naar Pilatus. 12  Op die dag werden Herodes en Pilatus vrienden, terwijl ze altijd elkaars vijanden waren geweest. 13 ¶  Pilatus riep de hogepriesters en de leiders en het volk bij zich 14  en zei tegen hen: ‘U hebt die man voor mij gebracht als iemand die het volk van het rechte pad afbrengt, maar u weet dat ik hem, toen ik hem in uw bijzijn verhoorde, aan geen van de zaken waarvan u hem beticht schuldig heb bevonden. 15  En Herodes evenmin, hij heeft hem immers naar ons teruggestuurd; hij heeft niets gedaan waarop de doodstraf staat. 16  Dus zal ik hem vrijlaten, nadat ik hem heb laten geselen.’ 17 18  Maar ze begonnen met zijn allen luidkeels te schreeuwen: ‘Weg met hem! Laat Barabbas vrij!’ 19  Deze laatste was gevangengezet wegens een oproer dat in de stad had plaatsgevonden en wegens moord. 20  Pilatus praatte opnieuw op hen in omdat hij Jezus wilde vrijlaten. 21  Maar ze schreeuwden het uit: ‘Kruisig hem, kruisig hem!’ 22  Voor de derde maal zei hij tegen hen: ‘Wat voor kwaad heeft die man dan gedaan? Ik heb niets gevonden waarvoor hij de doodstraf verdient. Dus zal ik hem vrijlaten, nadat ik hem heb laten geselen.’ 23  Maar ze bleven luidkeels eisen dat hij gekruisigd zou worden, en met hun geschreeuw wonnen ze het pleit: 24  Pilatus besloot hun eis in te willigen. 25  Hij liet de man gaan die wegens oproer en moord gevangen was gezet en om wiens vrijlating ze hadden gevraagd, en leverde Jezus uit aan hun willekeur. 26 ¶  Toen Jezus werd weggeleid, hielden de soldaten een zekere Simon van Cyrene aan, die net de stad binnenkwam. Ze legden het kruis op zijn rug en lieten het hem achter Jezus aan dragen. 27  Een grote volksmenigte volgde Jezus, evenals enkele vrouwen die zich op de borst sloegen en over hem weeklaagden. 28  Jezus keerde zich echter naar hen om en zei: ‘Dochters van Jeruzalem, huil niet om mij. Huil liever om jezelf en je kinderen, 29  want weet, de tijd zal aanbreken dat men zal zeggen: “Gelukkig wie onvruchtbaar is, gelukkig de moederschoot die niet gebaard heeft en de borst die geen kind heeft gezoogd.” 30  Dan zullen de mensen tegen de bergen zeggen: “Val op ons neer!” en tegen de heuvels: “Bedek ons!” 31  Want als dit gebeurt met het jonge hout, wat zal het verdorde hout dan niet te wachten staan?’ 32 ¶  Samen met Jezus werden nog twee anderen, beiden misdadigers, weggeleid om terechtgesteld te worden. 33  Aangekomen bij de plek die de Schedelplaats heet, werd hij gekruisigd, samen met de twee misdadigers, de een rechts van hem, de ander links. 34  Jezus zei: ‘Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen.’ De soldaten verdeelden zijn kleren onder elkaar door erom te dobbelen. 35  Het volk stond toe te kijken. De leiders hoonden hem en zeiden: ‘Anderen heeft hij gered; laat hij nu zichzelf redden als hij de messias van God is, zijn uitverkorene!’ 36  Ook de soldaten dreven de spot met hem, ze gingen voor hem staan en boden hem zure wijn aan, 37  terwijl ze zeiden: ‘Als je de koning van de Joden bent, red jezelf dan!’ 38  Boven hem was een opschrift aangebracht: ‘Dit is de koning van de Joden’. 39  Een van de gekruisigde misdadigers zei spottend tegen hem: ‘Jij bent toch de messias? Red jezelf dan en ons erbij!’ 40  Maar de ander wees hem terecht met de woorden: ‘Heb jij dan zelfs geen ontzag voor God nu je dezelfde straf ondergaat? 41  Wij hebben onze straf verdiend en worden beloond naar onze daden. Maar die man heeft niets onwettigs gedaan.’ 42  En hij zei: ‘Jezus, denk aan mij wanneer u in uw koninkrijk komt.’ 43  Jezus antwoordde: ‘Ik verzeker je: nog vandaag zul je met mij in het paradijs zijn.’ 44 ¶  45 Rond het middaguur werd het donker in het hele land omdat de zon verduisterde. De duisternis hield drie uur aan. Toen scheurde het voorhangsel van de tempel doormidden. 46  En Jezus riep met luide stem: ‘Vader, in uw handen leg ik mijn geest.’ Toen hij dat gezegd had, blies hij de laatste adem uit. 47  De centurio zag wat er gebeurd was en loofde God met de woorden: ‘Werkelijk, deze mens was een rechtvaardige!’ 48  De mensen die voor het schouwspel samengekomen waren en de gebeurtenissen hadden gadegeslagen, keerden terug naar huis, terwijl ze zich op de borst sloegen. 49  Alle mensen die Jezus gekend hadden waren op een afstand blijven staan, ook de vrouwen die hem vanuit Galilea gevolgd waren en alles hadden zien gebeuren. 50 51 Er was ook een man die Josef heette en afkomstig was uit de Joodse stad Arimatea. Hij was een raadsheer, een goed en rechtvaardig mens, die de komst van het koninkrijk van God verwachtte en niet had ingestemd met het besluit en de handelwijze van de raad. 52  Hij ging naar Pilatus en vroeg hem om het lichaam van Jezus. 53  Nadat hij het lichaam van het kruis had gehaald, wikkelde hij het in linnen doeken en legde het in een rotsgraf dat nog nooit was gebruikt. 54  Het was de voorbereidingsdag, de sabbat was bijna aangebroken. 55  De vrouwen die met Jezus waren meegereisd uit Galilea, volgden Josef naar het graf om het te bekijken en om te zien hoe Jezus’ lichaam er werd neergelegd. 56  Daarna gingen ze naar huis en bereidden ze geurige olie en balsem. Op sabbat namen ze de voorgeschreven rust in acht. (NBV)

Wat is er goed aan Goede Vrijdag? Toch niet dat we jaar in jaar uit stil staan bij een afschuwelijke marteling waarbij een door en door goed mens onder helse pijnen aan zijn einde komt? Volgens zijn leer behoren we ons aan zijn kant op te stellen. En eeuwenlang zijn er mensen geweest die geprobeerd hebben het lijden van Jezus van Nazareth aan hun eigen lijf te ervaren. Tot in onze dagen zijn er mensen in de wereld die zich laten kruisigen, om er overigens af te komen voordat ze dood gaan. Het is en blijft een gruwelijk gebeuren. Maar draait het om dat gebeuren op Goede Vrijdag? Of vertelt ons het verhaal van Goede Vrijdag hoe het in de wereld zal aflopen met mensen die het goede doen en daarbij de geldende machten ter discussie stellen? Want het gaat in het Bijbelgedeelte van vandaag wel veel over verschillende machten. De Joodse religieuze macht, de Joodse Koning, de Romeinse bezetter. Lucas vertelt ons om te beginnen over het Sanhedrin, de raad van Hogepriesters en oudsten van het volk die Jezus brengen naar de plaats van hun rechtspraak. Let wel er is geen rechtzaak, want op de eerste dag van de zeven dagen waarop de ongezuurde broden worden gegeten vinden er geen rechtszaken plaats.

Men besluit dan ook de rechtspraak aan de burgerlijke autoriteiten over te laten. Discussiëren met die Jezus van Nazareth is ook onder deze omstandigheden veel te moeilijk. Vraag je hem of hij de zoon van God is, dan zegt hij dat je dat dus zelf zegt. Van enig respect voor de autoriteiten is geen sprake, zelfs als gevangene beschouwt hij zich als gelijke. De beschuldiging voor de burgerlijke autoriteiten is dat hij opstandeling is. Hij heeft zich uitgeroepen tot koning over Israël. En daar wordt het vreemde van het burgerlijk bestuur blootgelegd. Daar gaat het niet om mensen maar om machthebbers. Is Jezus van Nazareth koning van Juda? Daar gaat Pilatus over. Of is hij koning van Galilea? Daar gaat Herodes over. Beide vormen samen Israël, het land van koning David. Zo wordt Jezus van Nazareth van de ene naar de andere machthebber doorgeschoven en het enige gevolg is dat de concurenten tot vrienden worden en dat het eigenmachtig optreden van Pilatus tegen Galileërs hem vergeven wordt door hun Koning Herodes. Maar uiteindelijk beslist het volk. Via verkiezingen, via demonstraties en akties en via onverschilligheid. Populisme en onverschilligheid gaan hier hand in hand als Bar Abbas wordt vrijgelaten en Pilatus Jezus van Nazareth tot de kruisdood veroordeelt ondanks dat hij die Jezus van Nazareth voor onschuldig houdt.

De dood van Jezus van Nazareth maakt duidelijk hoe wij met elkaar omgaan. Uiteindelijk loopt het uit op oorlog en geweld, zeker als we ons richten op machthebbers en op de vraag wie de sterkste is, wie ons als volk of groep te na denkt te kunnen komen. Als wij er niet op gericht zijn de ander tot zijn recht te laten komen dan is de dood, van ons of van die ander, ons lot. Jezus van Nazareth laat Herodes, het Sanhedrin, het volk, Pilatus en Romeinen tot hun recht komen. Zelfs de mensen die met hem werden gekruisigd, zelfs de toeschouwers laat hij tot hun recht komen. Dat is een prestatie die ons te boven gaat, dat is het tot de dood door dragen van de Liefde van God. Als wij dat willen volgen zullen we alle mensen tot hun recht moeten laten komen, om te beginnen de zwaksten. Vanaf de eerste eeuwen van het Christendom zijn de Joden vaak neergezet als de moordenaars van Jezus van Nazareth. Alle Joden. En dat is merkwaardig, de volgelingen van Jezus van Nazareth waren Joden, de vrouwen waarover in dit gedeelte van het verhaal wordt verteld waren Jodinnen, Jezus van Nazareth zelf was een Jood. En het graf waarin hij na de kruisiging werd neergelegd was notabene van een lid van het Sanhedrin, de hoogste Raad van Israël. De leden van die Raad waren bij elkaar getrommeld nadat Jezus van Nazareth op de Olijfberg gevangen was genomen en die hadden hem ondervraagd en vervolgens uitgeleverd aan Pilatus, echt een Romein. Ook Herodes was niet echt een Jood. In het verhaal van de kruisiging kun je lezen dat de hele wereld te hoop loopt tegen Jezus van Nazareth. Om heel verschillende redenen maar ook die worden in het verhaal duidelijk door de houding van Jezus van Nazareth. In een paar woorden schetst Lucas ons overigens dat zij die zich ontfermden over het stoffelijk overschot van Jezus van Nazareth vrome Joden waren. In de vertaling staat overigens terecht lichaam, in het verhaal gaat het niet alleen over het stoffelijk overschot. Al eerder gebruikt Lucas deze term als hij vertelt hoe Jezus van Nazareth sprak over het laatste der dagen, als er één wordt opgenomen en een ander niet. “Waar het lichaam is verzamelen zich de adelaars” heet het dan. En op adelaarsvleugels worden de gelovigen gedragen. Ook in het verhaal over de instelling van het avondmaal wordt gesproken over lichaam als Jezus van Nazareth het brood breekt en uitdeelt met de woorden “Dit is mijn lichaam”. En zo wordt een opening gevormd naar het spreken over de gemeente van de Weg als het lichaam van Christus. Paulus zal daar herhaaldelijk later over schrijven. Nu nog wordt het lichaam van Jezus van Nazareth in een Joods graf gelegd, Arimatea was een stad in Judea en wie daar vandaan kwam en lid was van het Sanhedrin was volop Jood en nauw bij de Tempel betrokken.

De vrouwen die met Jezus waren meegereisd uit Galilea hielden zich ook aan de Joodse wetten en zorgden dat ze op de voorbereidingsdag voor de Sabbat ook al de geurige olie en de balsem klaar hadden die ze nodig zouden hebben voor het verzorgen van het stoffelijk overschot. Maar op de Sabbat namen ze de voorgeschreven rust in acht. En waar waren de volgelingen van Jezus van Nazareth? Zij komen in dit gedeelte van het verhaal niet voor. Lucas neemt niet de moeite om ons er over te vertellen. Een lid van het Sanhedrin en de vrouwen spelen de hoofdrol. Geen onbelangrijke vrouwen ook, want zij behoorden kennelijk tot de vaste volgelingen van Jezus van Nazareth. Tot in onze dagen doen kerken en Christenen nog wel eens of vrouwen op een tweede plaats horen maar dat is dus in strijd met de manier waarop de Bijbel ons verteld hoe God met mensen omgaat. De vrouwen beantwoorden de Liefde van Jezus van Nazareth voor de mensen tot in zijn graf toe. En dat mag dus ook, handen uit de mouwen en zorgen voor hen die zorg nodig hebben, tot in het graf desnoods. Als we dat van dit verhaal leren wordt het pas echt een Goede Vrijdag.

Toen ontstond er onder hen onenigheid

donderdag, 24 maart, 2016

Lucas 22:14-65

14  Toen het zover was, ging hij samen met de apostelen aanliggen voor de maaltijd. 15  Hij zei tegen hen: ‘Ik heb er hevig naar verlangd dit pesachmaal met jullie te eten voor de tijd van mijn lijden aanbreekt. 16  Want ik zeg jullie: ik zal geen pesachmaal meer eten voordat het zijn vervulling heeft gevonden in het koninkrijk van God.’ 17  Hij nam een beker, sprak het dankgebed uit en zei: ‘Neem deze beker en geef hem aan elkaar door. 18  Want ik zeg jullie: vanaf nu zal ik niet meer drinken van de vrucht van de wijnstok tot het koninkrijk van God gekomen is.’ 19  En hij nam een brood, sprak het dankgebed uit, brak het brood, deelde het uit en zei: ‘Dit is mijn lichaam dat voor jullie gegeven wordt. Doe dit, telkens opnieuw, om mij te gedenken.’ 20  Zo nam hij na de maaltijd ook de beker, en zei: ‘Deze beker, die voor jullie wordt uitgegoten, is het nieuwe verbond dat door mijn bloed gesloten wordt. 21 ¶  Maar weet wel dat degene die mij zal uitleveren samen met mij aan deze tafel aanligt. 22  Want de Mensenzoon moet heengaan zoals het voor hem bepaald is, maar wee de mens die hem zal uitleveren.’ 23  Ze vroegen zich onder elkaar af wie van hen zoiets zou kunnen doen. 24  Toen ontstond er onder hen onenigheid over de vraag wie van hen de belangrijkste was. 25  Jezus zei tegen hen: ‘Vorsten oefenen heerschappij uit over de aan hen onderworpen volken, en wie macht heeft laat zich weldoener noemen. 26  Laat dat bij jullie niet zo zijn! De belangrijkste van jullie moet de minste worden en de leider de dienaar. 27  Want wie is belangrijker, degene die aanligt om te eten of degene die bedient? Is het niet degene die aanligt? Maar ik ben in jullie midden als iemand die dient. 28  Jullie zijn in al mijn beproevingen steeds bij mij gebleven. 29  Ik bestem jullie voor het koningschap zoals mijn Vader mij voor het koningschap bestemd heeft: 30  jullie zullen in mijn koninkrijk eten en drinken aan mijn tafel, en zetelen op een troon om recht te spreken over de twaalf stammen van Israël. 31  Simon, Simon, weet dat Satan jullie voor zich heeft opgeëist om jullie als graan te mogen zeven. 32  Maar ik heb voor je gebeden opdat je geloof niet zou bezwijken. En als jij eenmaal tot inkeer bent gekomen, moet jij je broeders sterken.’ 33  Simon antwoordde: ‘Heer, ik ben zelfs bereid om met u de gevangenis in te gaan en te sterven.’ 34  Maar Jezus zei: ‘Ik zeg je, Petrus, deze nacht zal de haan niet kraaien voordat je driemaal geloochend hebt dat je mij kent.’ 35  Daarna zei hij tegen hen: ‘Toen ik jullie uitzond zonder geldbuidel, reistas en sandalen, kwamen jullie toen iets tekort?’ ‘Niets!’ antwoordden ze. 36  Hij zei: ‘Maar wie nu een geldbuidel heeft, moet die meenemen, evenals zijn reistas, en wie er geen heeft moet zijn mantel verkopen en zich een zwaard aanschaffen. 37  Want ik zeg jullie: wat geschreven staat, moet in mij tot vervulling komen, namelijk: “Hij werd gerekend tot de wettelozen.” Inderdaad, nu wordt voltrokken wat over mij gezegd is.’ 38  Ze zeiden: ‘Kijk Heer, hier zijn twee zwaarden.’ Maar hij zei tegen hen: ‘Genoeg hierover!’ 39 ¶  Hij vertrok en ging volgens zijn gewoonte naar de Olijfberg. De leerlingen volgden hem. 40  Toen hij daar was aangekomen, zei hij tegen hen: ‘Bid dat jullie niet in beproeving komen.’ 41  En hij liep bij hen weg, tot ongeveer een steenworp ver, en knielde daarna neer om te bidden. Hij bad: 42  ‘Vader, als u het wilt, neem dan deze beker van mij weg. Maar laat niet wat ik wil, maar wat u wilt gebeuren.’43  Uit de hemel verscheen hem een engel om hem kracht te geven. 44  Hij werd overvallen door doodsangst, maar bleef bidden; zijn zweet viel in grote druppels als bloed op de grond. 45  Toen hij na zijn gebed opstond en terugliep naar de leerlingen, zag hij dat ze van verdriet in slaap waren gevallen, 46  en hij zei tegen hen: ‘Waarom slapen jullie? Sta op en bid dat jullie niet in beproeving komen.’ 47 ¶  Terwijl hij nog sprak, kwam er opeens een horde mensen aan. Voorop liep de man die Judas heette, een van de twaalf; hij ging naar Jezus toe om hem te kussen. 48  Maar Jezus zei tegen hem: ‘Judas, lever je de Mensenzoon uit met een kus?’ 49  Toen degenen die bij hem stonden zagen wat er ging gebeuren, vroegen ze: ‘Heer, zullen we er met het zwaard op los slaan?’ 50  En een van hen sloeg in op de dienaar van de hogepriester en sloeg hem zijn rechteroor af. 51  Maar Jezus zei: ‘Houd daarmee op. Zo is het genoeg!’ Hij raakte het oor aan en genas de man. 52  Tegen de hogepriesters en tempelwachters en de oudsten van het volk die op hem afgekomen waren, zei hij: ‘Als tegen een misdadiger bent u uitgetrokken met zwaarden en knuppels? 53  Dagelijks was ik bij u in de tempel, en toen hebt u geen vinger naar me uitgestoken, maar dit is uw uur, het uur van de macht van de duisternis.’ 54 ¶  Ze grepen hem vast en voerden hem weg, en brachten hem naar het huis van de hogepriester. Petrus volgde hen op een afstand. 55  Ze staken een vuur aan midden op de binnenplaats en gingen eromheen zitten; Petrus voegde zich bij hen. 56  Een dienstmeisje zag hem bij het vuur zitten, keek hem strak aan en zei: ‘Die man hoorde er ook bij!’ 57  Maar hij ontkende het: ‘Ik ken hem niet eens!’ 58  Even later merkte een ander hem op en zei: ‘Jij bent ook een van hen!’ Maar Petrus zei: ‘Welnee man, helemaal niet.’ 59  En ongeveer een uur later zei nog iemand met grote stelligheid: ‘Ja zeker, die man was ook in zijn gezelschap, hij komt immers ook uit Galilea.’ 60  Maar Petrus zei: ‘Ik weet niet waar je het over hebt.’ En op datzelfde moment, terwijl hij nog sprak, kraaide er een haan. 61  De Heer draaide zich om en keek Petrus aan, en toen herinnerde Petrus zich de woorden van de Heer: ‘Nog voor er vannacht een haan heeft gekraaid zul je mij driemaal verloochenen.’ 62  Hij ging naar buiten en huilde bitter. 63 ¶  De mannen die Jezus gevangenhielden, dreven de spot met hem en geselden hem. 64  Ze blinddoekten hem en zeiden: ‘Profeteer nu maar, wie is het die je geslagen heeft?’65  En ze zeiden nog tal van andere lasterlijke dingen tegen hem. (NBV)

Dat doorgeven van de beker en dat breken van het brood heet een godsdienstoefening. Dat breken en delen is het hart van de christelijke godsdienst geworden en iedere keer als er Avondmaal gevierd wordt dan oefenen Christenen zich in die godsdienst. De leerlingen hadden ongetwijfeld het gevoel gekregen een nieuw volk te vormen dat onder leiding van Jezus van Nazareth uit de wereld van de onderdrukking door de Romeinen zou trekken. Ze kregen dus ruzie wie in dat nieuwe Koninkrijk de belangrijkste zou zijn. Daar waren immers posten te verdelen, ministers, priesters, oversten, zo gaat dat toch in een land. Er moeten nu eenmaal autoriteiten en wetgevers zijn. Belangrijke mensen die uitmaken wat we met elkaar moeten vinden en aan welke wetten we ons moeten houden.  Jezus van Nazareth zet er een andere manier van regeren tegenover. Niet de bovenbazen zijn de belangrijkste maar de dienaren, de minsten. Wat er in het volk gebeurt, wat de prioriteit heeft, wordt bepaald door de mensen aan de kant van de weg, de zwervers, de zwakkelingen, de hongerigen, de armen. Zelfs de opperste bovenbaas van dat nieuwe volk van Jezus van Nazareth en zijn volgelingen is in de eerste plaats een dienaar, iemand die alles heeft opgegeven om er te zijn voor de minsten in zijn samenleving.

De eerste die zich steeds had aangediend als woordvoerder van de volgelingen van Jezus van Nazareth was Simon, de visser uit Kafernaüm. Nog steeds moet Simon leren wat het is te heersen als een dienaar. Natuurlijk, hij wil best net zo belangrijk zijn als Jezus van Nazareth, zeker als zijn vrienden er bij zijn. Maar Jezus van Nazareth waarschuwt, flink doen is niet dapper en werkelijk volhouden betekent dat je je leven moet durven verliezen, daar is die Petrus nog niet aan toe, hij zal Jezus van Nazareth nog voor de morgen aanbreekt en de haan kraait wel drie maal verloochend hebben. En dan komt Jezus van Nazareth tot de kern van zijn verhaal. De schriftgeleerden en de hogepriesters waren al een tijdje op zijn leven uit. De profeet Jesaja had daar al over geschreven. Zulke mensen, schreef hij, worden gerekend tot loochenaars van de Thora, tot wettelozen wordt hier vertaald. Maar of het gebruik van twee zwaarden genoeg zal zijn valt nog te betwijfelen. Kennelijk was het de gewoonte van Jezus van Nazareth om ’s avonds na de maaltijd de Olijfberg op te gaan. In de koelte van de avond is het heerlijk om in zo’n boomgaard tot rust te komen. Bovendien had deze berg al een lange religieuze traditie. In het tweede boek van de profeet Samuel werd de berg al genoemd als de top waar men zich voor God pleegt neer te buigen.

Maar de weg van Jezus van Nazareth is niet licht. Zal hij de macht gebruiken die hij verworven heeft? De massa’s mobiliseren om in opstand te komen? Dat was nu net niet de weg die hij gepreekt had. Daarom roept hij zijn volgelingen op om niet toe te geven aan die beproeving. Maar alleen gekomen realiseert hij zich dat het ook zijn einde zal betekenen. Zoals de profeet Elia ooit werd geholpen door een engel die hem te eten en te drinken geeft vertelt Lucas ons dat ook Jezus van Nazareth geholpen werd door een engel. De angst werd er niet minder om maar hij kon het vol houden. Allereerst tegen Judas die met een horde mensen op hem afkwam en hem een broederkus wilde geven. Dat gaat dus zo niet. Maar ook niet de manier waarop de volgelingen reageren, het zwaard moet niet en het afgehouwen oor wordt genezen. Nee, het kwaad van Judas, het zwaard en de Hogepriesters werd benoemd, maar geweld wordt afgewezen. De laffe manier van de Hogepriesters om hem op een afgelegen plaats in het schemerduister gevangen te nemen wordt ook aan de kaak gesteld. Petrus verloochent hem dan ook als hij hem volgt om te weten wat er gaat gebeuren. En hij weent bitter als hij zich realiseert dat Jezus van Nazareth zijn ontrouw had zien aankomen. De weg die Jezus van Nazareth ons wijst is niet ook het geweld gebruiken maar het geweld benoemen en door het te ondergaan aan de kaak stellen. Dat is de aller moeilijkste weg om te gaan en we mogen allemaal hopen die Weg nooit zo concreet te hoeven gaan. Maar in deze dagen is het goed ons die weg in te prenten en in te oefenen.

 

Ga voor ons het pesachmaal bereiden

woensdag, 23 maart, 2016

Lucas 22:1-13

1 ¶  Het feest van het Ongedesemde brood, dat Pesach genoemd wordt, was bijna aangebroken. 2  De hogepriesters en de schriftgeleerden zochten naar een mogelijkheid om hem uit de weg te ruimen, maar dan heimelijk, bang als ze waren voor de reactie van het volk. 3  Toen nam Satan bezit van Judas, bijgenaamd Iskariot, een van de twaalf. 4  Hij ging naar de hogepriesters en tempelwachters en besprak met hen hoe hij Jezus aan hen zou kunnen uitleveren. 5  Ze waren opgetogen en spraken af dat ze hem voor zijn diensten zouden betalen. 6  Judas nam hun aanbod aan en zocht een gunstige gelegenheid om Jezus aan hen uit te leveren, zonder dat het volk het zou merken. 7 ¶  De dag van het Ongedesemde brood waarop het pesachlam geslacht moest worden, brak aan. 8  Jezus stuurde Petrus en Johannes op pad met de woorden: ‘Ga voor ons het pesachmaal bereiden, zodat we het kunnen eten.’ 9  Ze vroegen hem: ‘Waar wilt u dat we het bereiden?’ 10  Hij antwoordde: ‘Let op, wanneer jullie de stad in gegaan zijn, zal jullie een man tegemoet komen die een kruik water draagt. Volg hem naar het huis waar hij binnengaat, 11  en zeg tegen de heer van dat huis: “De Meester vraagt u: ‘Waar is het gastenvertrek waar ik met mijn leerlingen het pesachmaal kan eten?’ ” 12  Hij zal jullie een grote bovenzaal wijzen die al is ingericht; maak het daar klaar.’ 13  Ze gingen op weg, en alles gebeurde zoals hij gezegd had, en ze bereidden het pesachmaal. (NBV)

Lucas verbindt de instelling van het Christelijke Avondmaal heel uitdrukkelijk met de Pesachmaaltijd zoals die in het boek Exodus wordt beschreven. De maaltijd met ongezuurd brood en een geroosterd lam moet elk jaar gehouden worden als herinnering aan de uittocht uit Egypte. Op die avond gingen alle eerstgeborenen dood behalve de eerstgeborenen in de huizen waar het bloed van het lam aan de deurposten en de dorpels was gesmeerd. De Egyptenaren joegen toen de Israëlieten het land uit. En elk jaar klinkt opnieuw de vraag van de jongste aan tafel waarom die avond zo anders is dan alle andere en dan wordt het verhaal van de Uittocht vertelt in de tegenwoordige tijd, alsof alle aanwezigen het zelf meemaken. In de manier waarop in de kerken het Avondmaal wordt gevierd ontbreekt dat verhaal. Dan gaat het alleen nog over Jezus van Nazareth en de woorden die hij volgens het verhaal van Lucas bij dat Pesachmaal uitsprak op de avond voor hij door Judas zou worden overgeleverd.

Dat Pesach is overigens hetzelfde als het Pascha dat vroeger in de vertalingen stond. Pesach komt uit het Hebreeuws, maar dat werd in de dagen van Jezus van Nazareth nauwelijks meer gesproken, toen sprak men Aramees en in het Aramees heet Pesach Pascha. Toen Lucas veel later zijn verhaal in het Grieks opschreef was die naam veel bekender dan de Hebreeuwse naam. Nu wij de Bijbel weer uit het Hebreeuws laten vertalen kennen we ineens beide namen, hetgeen soms voor verwarring zorgt, maar die verwarring kan ons behoeden de Bijbelvertalingen al te letterlijk te nemen. Die Satan die bezit neemt van Judas wordt in gewone mensentaal ook wel aangeduid als splijtzwam of tweedrachtzaaier. Lucas spreekt over Judas als overleveraar, nergens als verrader. Het zijn de Hogepriesters en schriftgeleerden, de autoriteiten van zijn dagen, die hun geloofsgenoot Jezus van Nazareth verraden en aan de bezetters overleveren.

Eerst komt dus dat Pesachmaal. Dat Lam dat zijn bloed geeft om de slaven te redden en te helpen bij de bevrijding uit de slavernij is vanwege de loop van dit verhaal door Christenen als snel vereenzelvigd met Jezus van Nazareth. Dat gastenvertrek moet een veilige plaats geweest zijn. Kennelijk waren er mensen die ongezien gezelschappen pelgrims een plek boden om dat Pesachmaal te vieren. Als je het Pesachmaal wilde vieren dan hoorde je immers bij het volk? Buiten het volk mocht niemand meedoen aan dat Pesachmaal. Die maaltijd onderscheidde het volk van Israël van alle andere volken. Al die volken die zo bezig waren met de dood, met geld verdienen, met land veroveren, met machtiger worden en nog machtiger, met oorlog voeren en onderdrukken. Israël was uit die wereld getrokken op weg naar een land waar gedeeld werd, waar je de beker doorgeeft aan elkaar, waar je het brood breekt en met elkaar deelt, waar je er dus voor zorgt dat er altijd genoeg is voor iedereen.

Blijf volharden

dinsdag, 22 maart, 2016

Hebreeën 10:19-39

19 ¶  Broeders en zusters, dankzij het bloed van Jezus kunnen we zonder schroom binnengaan in het heiligdom, 20  omdat hij voor ons met zijn lichaam een weg naar een nieuw leven gebaand heeft, door het voorhangsel heen. 21  We hebben nu een hogepriester die dienst doet in het huis van God; 22  laten we God dan naderen met een oprecht hart en een vast geloof, nu ons hart gereinigd is, wij van een slecht geweten bevrijd zijn  en ons lichaam met zuiver water is gewassen. 23  Laten we zonder te wankelen datgene blijven belijden waarop we hopen, want hij die de belofte heeft gedaan is trouw. 24  Laten we opmerkzaam blijven en elkaar ertoe aansporen lief te hebben en goed te doen, 25  en in plaats van weg te blijven van onze samenkomsten, zoals sommigen doen, elkaar juist bemoedigen, en dat des te meer naarmate u de dag van zijn komst ziet naderen. 26  Wanneer we willens en wetens blijven zondigen nadat we de waarheid hebben leren kennen, is er geen enkel offer voor de zonden meer mogelijk, 27  en kunnen we niet anders dan huiverend wachten op het oordeel en op het vuur dat de tegenstanders gretig zal verslinden. 28  Voor wie de wet van Mozes naast zich neerlegt is er geen pardon; wanneer er ten minste twee getuigen een verklaring tegen hem afleggen, moet hij sterven. 29  Hoeveel zwaarder zal dan de straf niet zijn, denkt u, voor wie de Zoon van God vertrapt, het bloed van het verbond ontheiligt-terwijl hij erdoor geheiligd is-en de Geest van de genade veracht? 30  We kennen immers degene die gezegd heeft: ‘Het is aan mij om te wreken, ik zal vergelden, ‘en ook: ‘De Heer zal oordelen over zijn volk.’ 31  Huiveringwekkend is het te vallen in de handen van de levende God! 32  Herinner u de dagen van weleer, toen u, door het licht beschenen, in een moeizame worsteling met het lijden hebt standgehouden: 33  enerzijds kreeg u publiekelijk smaad en beproevingen te verduren, anderzijds was u solidair met hen die hetzelfde moesten doormaken. 34  U hebt meegeleefd met de gevangenen onder u, en toen u van uw bezittingen beroofd werd, hebt u dat in vreugde aanvaard, in de wetenschap dat u iets beters bezit, een blijvend bezit voor uzelf. 35  Leg die onbeschroomdheid dus niet af, u zult er ruim voor worden beloond. 36  Blijf juist volharden, want als u de wil van God doet, zult u ontvangen wat u beloofd is. 37  Immers: ‘Nog een heel korte tijd, dan komt hij die komen zal, hij blijft niet lang meer weg, 38  en dan zullen mijn rechtvaardigen leven door hun geloof, ‘maar ook: ‘Wie terugdeinst ben ik niet langer welgezind.’ 39  Wij echter behoren niet tot degenen die terugdeinzen en ten onder gaan, maar tot hen die door hun geloof behouden blijven.(NBV)

Vandaag lezen we uit wat in het Nieuwe Testament heet “de brief aan de Hebreeën”. Wie de brief heeft geschreven weten we niet meer. Dat is ook niet zo belangrijk want het gaat uiteindelijk om de inhoud. De brief is geschreven aan Joodse Christenen in de eerste eeuw van onze jaartelling. We hebben het al eens gehad over een reis van Saulus, later genoemd Paulus, naar steden in Turkije. Hij ging dan eerst naar de Joodse gemeenschappen daar en vertelde van Jezus van Nazareth en zijn roep aan alle mensen om samen te gaan leven volgens de wet van samen delen en je naaste liefhebben als jezelf. Overal raakten er mensen enthousiast voor. Dat was nog eens een wereld. Zonder onderscheid tussen mannen en vrouwen, tussen slaven en vrijen, tussen Joden en Heidenen, samen broeders en zusters in de gezalfde.

Dat gezalfde is met een Grieks woord de Christus en staat voor de ene koning. Want zelfs de Romeinse Keizer had in een dergelijke wereld niets meer te vertellen. We weten inmiddels dat als echt iedereen mee doet een dergelijke nieuwe samenleving ook echt aanbreekt.  Die Christelijke gemeenschappen waar de brief aan geschreven is hadden het niet gemakkelijk. En volhouden in een vijandige samenleving is ook niet eenvoudig. Maar juist uit die Joodse geschiedenis valt te leren dat door alles heen die nieuwe samenleving valt te bereiken. We kunnen met de Hebreeën meevoelen. Ook bij ons is de regering die de rechtvaardige samenleving aan het afbreken is nog niet weg. De beschermers van de rijken zijn altijd sterk en dreigen er altijd mee dat de bestaande samenleving ten onder gaat als je de rijken gaat aanpakken.

Uiteindelijk is er de angst voor de dood die mensen verlamd. Nu roept de Bijbel op om die angst achter je te laten. Er is geen reden voor. In Joodse kringen greep men in het begin van de jaartelling dan terug op het verhaal van de uittocht. Die begon met het slachten van een lam, dat lam werd gebraden en het bloed van dat lam aan de deurposten gesmeerd. Daardoor hoefden bij de Israëlieten geen eerstgeborenen te sterven. Dat bloed beschermde dus tegen de dood. Bij de kruisdood van Jezus van Nazareth was iets dergelijks gebeurd. Zijn liefde had het uitgehouden door de dood heen. Zijn volgelingen hadden ook na zijn dood het leven volgens zijn boodschap kunnen volhouden, hij was als een levende onder hen. Zelfs de dreiging met een dood aan het kruis hoeft je dus niet af te houden van het bouwen aan een wereld waar iedereen mee kan doen, waar iedereen meedeelt, waar armoede en onderdrukking verdwenen zijn. Beginnen met een hand uit te steken naar de minsten kan elke dag opnieuw, ook vandaag weer. Dat is ook de boodschap van de brief aan de Hebreeën, iedereen mag daaraan mee doen.

In hun hart zal ik mijn wetten leggen

maandag, 21 maart, 2016

Hebreeën 10:11-18

11  De priesters blijven dagelijks hun dienst verrichten en steeds opnieuw dezelfde offers opdragen die de zonden nooit teniet zullen kunnen doen, 12  terwijl hij, na zijn eenmalig offer voor de zonden, voorgoed zijn plaats aan Gods rechterhand heeft ingenomen, 13  waar hij wacht op het moment dat zijn vijanden voor hem tot een bank voor zijn voeten zijn gemaakt. 14  Door deze ene offergave heeft hij hen die zich door hem laten heiligen voorgoed tot volmaaktheid gebracht.15  Hiervan legt ook de heilige Geest voor ons getuigenis af, want eerst staat er: 16  ‘Dit is het verbond dat ik na die tijd met het volk van Israël zal sluiten-spreekt de Heer: In hun hart zal ik mijn wetten leggen, in hun verstand zal ik ze neerschrijven,‘ 17  en even verder staat er: ‘Aan hun zonden en hun wetteloosheid zal ik niet meer denken.’ 18  Waar dat alles vergeven is, daar is geen offer voor de zonde meer nodig. (NBV)

De wetten van het Oude Testament laten zich samenvatten in het “Heb God lief boven alles en dat doe je door je naaste lief te hebben als jezelf” Daar komen geen offers aan te pas. Dat is ook geen Wet maar een richtlijn voor de inrichting van een menselijke samenleving. Die richtlijn en de uitwerking daarvan werden bewaard in de Tempel in Jeruzalem. Het dienen van de God van Israël, het liefhebben van die God, dat moest je oefenen bij die Tempel. Om te zorgen dat die richtlijnen ook in de praktijk werden gebracht en om de mensen daarbij te helpen waren er Priesters. In de oudste geschriften van de Bijbel kun je dan ook lezen dat die Priesters recht spraken. De priesters werden bijgestaan door de Levieten en Levieten vond je aanvankelijk in elke stad en in elk dorp, ze hielden zich daar bezig met de rechtspraak. Zo kwamen de mensen, ook de armsten tot hun recht. Om Priesters en Levieten niet uit te laten sterven bracht het volk offers. Die moesten de liefde tot God tot uitdrukking brengen en Priesters en Levieten mochten er van leven.

Dat delen met de armen werd voor de Priesters en Levieten in de loop van de eeuwen bijzaak. Dat terwijl in het boek Deuteronomium de oefening in het delen met de armen zeer concreet werd beschreven in de opdracht drie maal per jaar een reis te maken naar het Heiligdom en daar een maaltijd te houden met de Priesters en Levieten, met je familie, met je knechten, met slaven en slavinnen, met de armen uit je dorp en de vreemdelingen die bij je woonden. De schrijver van de preek aan de Hebreeën kan dan ook met een gerust geweten zeggen dat het herhalen van telkens dezelfde offers door de Priester niemand bevrijdt van zonden. Want zonde was nu net het niet willen delen, de armen uitbuiten, de weduwe op straat zetten, die zieken en gehandicapten laten sterven. Er moest dus een nieuwe manier van offeren en godsdienstoefening gevonden worden.

Daar gaat dit stuk uit de brief aan de Hebreeën over. Daar wordt de profeet Jeremia aangehaald die al had gezegd dat de Wet van heb je naaste lief als jezelf niet alleen moet worden overgelaten aan de Priesters in de Tempel of aan de autoriteiten, de regering, in het land. Die richtlijn zal in ieder van ons in het verstand gebeiteld en in het hart gebrand moeten zijn. Dan alleen kan er een menselijke samenleving ontstaan. Wij zitten dus al helemaal op een verkeerd spoor als we het Oude Verbond, het Oude Testament, als puur Joods beschouwen en het Nieuwe Verbond, het Nieuwe Testament als exclusief Christelijk. Die opvatting heeft tot geweldige wreedheid tegen de Joden geleid, de Christenheid zal zich daarvoor blijvend moeten schamen. Het Nieuwe Testament is net zo Joods als het Oude, het Nieuwe Testament is een uitleg van het Oude Testament en volgt bij die uitleg de richtlijnen die de profeten van de ballingschap hebben gegeven. En als wij die richtlijn van de God van Israël volgen en blijven volgen, elke dag opnieuw, dan worden onze zonden vergeven, dan verdwijnt het onmenselijke uit onze samenleving. Het lukt niet altijd maar dat is niet echt erg, elke dag opnieuw mogen we er weer mee beginnen, onze naaste liefhebben als onszelf, ook vandaag weer.