Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor februari, 2016

Uw volk van de kikkers te bevrijden

vrijdag, 19 februari, 2016

Exodus 7:26–8:11

26 De HEER zei tegen Mozes: ‘Ga naar de farao en zeg tegen hem: “Dit zegt de HEER: Laat mijn volk gaan om mij te vereren. 27 Weigert u dat, dan straf ik uw hele rijk met een kikkerplaag. 28 De Nijl zal wemelen van de kikkers; ze zullen uit het water komen en uw paleis binnendringen, tot in uw slaapkamer en uw bed toe, en ze komen in de huizen van uw hovelingen en van uw hele volk, zelfs in uw ovens en baktroggen. 29 Ze zullen ook op u en op uw volk en uw hovelingen springen.”’1 Toen zei de HEER tegen Mozes: ‘Zeg tegen Aäron dat hij zijn staf geheven houdt boven de rivieren, kanalen en moerassen om overal in Egypte kikkers te voorschijn te laten komen.’2 Toen Aäron zijn arm boven het water hield, kwamen er kikkers uit; heel Egypte werd eronder bedolven.3 Maar de magiërs bereikten met hun toverformules hetzelfde: ook zij lieten overal in het land kikkers te voorschijn komen. 4 Toen ontbood de farao Mozes en Aäron. ‘Bid tot de HEER dat hij mij en mijn volk van die kikkers verlost, ‘zei hij, ‘dan zal ik het volk laten gaan om de HEER offers te brengen.’5 Mozes antwoordde: ‘Het is aan u te bepalen wanneer ik de HEER moet vragen om u, uw hovelingen en uw volk van de kikkers te bevrijden en ze uit de huizen te laten verdwijnen, zodat er alleen in de Nijl nog kikkers overblijven.’6 ‘Morgen, ‘zei de farao. ‘Zoals u wilt, ‘antwoordde Mozes. ‘Dan zult u beseffen dat er niemand is als de HEER, onze God, 7 want de kikkers zullen uit uw paleis en uit de huizen van uw hovelingen en uw volk verdwijnen, en er zullen alleen in de Nijl nog kikkers overblijven.’ 8 Hierop verlieten Mozes en Aäron het paleis. Mozes riep de HEER aan en smeekte hem de farao van de kikkerplaag te verlossen. 9 En de HEER deed wat Mozes vroeg: overal in de huizen, op de binnenplaatsen en op de akkers gingen de kikkers dood.10 Ze werden bijeengeraapt en op hopen gegooid, het hele land stonk ervan. 11 Toen de farao merkte dat het onheil geweken was, weigerde hij weer hardnekkig naar Mozes en Aäron te luisteren, zoals de HEER gezegd had. (NBV)

De Nijl was het bloed van Egypte, maar als het echt bloed is dan heb je er niet veel meer aan. Maar wat voor leven brengt zo’n rivier voort? Kikkers en die zijn glibberig eng en stinken ook nog. Dat de magiërs van Egypte hetzelfde kunnen veroorzaken als Mozes en Aäron maakt inmiddels geen indruk meer. Het was aanvankelijk een reden voor de farao om niet in te gaan op de eisen van Mozes en Aäron maar het blijkt dat die magiërs hetzelfde wel op gang kunnen brengen maar niet meer kunnen stoppen. En dan zit je er maar mee. Wij herkennen de betekenis van de plagen niet zo gemakkelijk meer. Dat het water van de Nijl in bloed veranderde snappen we nog wel als we weten dat het leven van Egypte afhankelijk was van het rijzen en dalen van de Nijl. Maar die kikkers? Daarvoor moeten we ook te rade bij de godsdienst van Egypte. Kikkers in de Nijl waren een teken van vruchtbaarheid en omdat je vruchtbaarheid nu eenmaal nodig hebt voor de landbouw werd de kikker het symbool van de godin van de vruchtbaarheid, de godin Heket.

Daar waren tempels voor en daar waren priesters voor. En dan komen die twee Hebreeërs die de slaven maar vrij willen laten gaan naar de woestijn en die beginnen een spotversje te zingen op de vruchtbaarheid. Niet alleen zal de Nijl wemelen van de kikkers, ze zullen uit het water komen en het paleis binnendringen, tot in uw slaapkamer en in uw bed toe, ze komen in de huizen van uw hovelingen en van uw hele volk, zelfs in de ovens en de baktroggen. Als daar overal vruchtbaarheid in komt dan wordt het volk ineens superrijk. Maar net zo min als wij kunnen leven van aardolie die onze honger niet kan stillen kan de farao van Egypte en kan zijn volk leven van kikkers en het wemelde van kikkers toen Aäron zijn arm uitstrekte en het wemelde nog meer van kikkers toen ook de magiërs van Egypte de kikkers lieten komen met hun toverformules. Langzaam aan begint in het verhaal van de plagen de farao te begrijpen dat het die Mozes en Aäron zijn die de rampen kunnen laten komen en weer laten verdwijnen, kennelijk zit er een God achter die de farao nog moet leren kennen. Maar als het onheil weer geweken is blijft alles bij het oude.

Ze dronken een glas en deden een plas en alles was weer zoals het altijd al was. Wat dat betreft is er nog altijd niks veranderd. Natuurlijk, wij weten wel dat het klimaat veranderd. Wij weten best dat aardolie en aardgas niet in oneindige hoeveelheden in de bodem zitten en dat ze opraken. Maar als er weer eens een weercrisis is geweest, als er weer eens een hapering is geweest in de aanvoer van aardolie of aardgas dan praten we veel en heftig over wat we te doen hebben om het onheil af te weren. We weten wel dat we het net als de farao van Egypte zelf in de hand hebben, maar als de ergste crisis weer voorbij is, of als we aan hogere prijzen voor olie en aardgas gewend zijn dan vervallen we weer in ons oude gedrag. Dan staan onze snelwegen weer vol met auto’s die de lucht vervuilen met CO2 en de kostbare aardolie opstoken voor het gemak en het plezier van het moment. Onze kinderen en kleinkinderen zullen blij zijn met ons egoïstische gedrag. Maar we gedragen ons als aanbidders van Heket, de godin van de vruchtbaarheid, de Egyptische kikker. Net zo min als haar kikkers een echt symbool van vruchtbaarheid waren zijn onze auto’s een teken van mobiliteit. Het verhaal van de bevrijding uit de slavernij roept ook ons op onze verslavingen achter ons te laten en gaan leven in verantwoordelijkheid voor onze medemensen en zij die na ons komen. Daar kunnen we vandaag mee beginnen.

 

Laat mijn volk gaan

donderdag, 18 februari, 2016

Exodus 7:14-25

14 ¶  De HEER zei tegen Mozes: ‘De farao blijft hardnekkig weigeren het volk te laten gaan. 15  Ga morgenochtend naar hem toe, wanneer hij naar de rivier gaat. Wacht hem daar op, aan de oever van de Nijl, met in je hand de staf die in een slang veranderde. 16  Je moet het volgende tegen de farao zeggen: “De HEER, de God van de Hebreeën, heeft mij naar u toe gestuurd om te zeggen: ‘Laat mijn volk gaan om mij in de woestijn te vereren.’ Tot nu toe hebt u niet willen luisteren. 17  Daarom-zo zegt de HEER zal hij u laten zien wie hij is. Ik zal met deze staf op het water van de Nijl slaan, en dat zal dan in bloed veranderen. 18  De vissen gaan dood en de rivier zal zo gaan stinken dat de Egyptenaren het wel zullen laten nog van het water te drinken.”’ 19  Toen zei de HEER tegen Mozes: ‘Zeg tegen Aäron dat hij zijn staf geheven houdt boven het water van Egypte, boven rivieren, kanalen en moerassen, boven elke plaats waar water is. Overal in Egypte zal het water dan in bloed veranderen, tot in de houten en stenen waterbakken toe.’ 20  Mozes en Aäron deden wat de HEER hun opdroeg. Voor de ogen van de farao en zijn hovelingen hield Aäron zijn staf geheven boven de Nijl en sloeg ermee op het water, en toen veranderde het Nijlwater in bloed. 21  De vissen gingen dood en de rivier stonk zo dat de Egyptenaren er niet meer uit konden drinken. Overal in Egypte was bloed. 22  Maar de Egyptische magiërs bereikten met hun toverformules hetzelfde. Daarom bleef de farao onverzettelijk, hij wilde niet naar Mozes en Aäron luisteren, zoals de HEER gezegd had. 23  Ook dit teken bracht hem niet tot andere gedachten, hij keerde zich om en ging terug naar zijn paleis. 24  Omdat de Egyptenaren het water uit de Nijl niet meer konden drinken, moesten ze in de omgeving van de Nijl naar drinkwater graven. 25  Zeven dagen duurde de plaag waarmee de HEER de Nijl had getroffen. (NBV)

Vandaag lezen we het verhaal van de eerste van 10 plagen die Egypte troffen voor ze bereid was om het volk Israël te laten gaan. Waarom zijn er eigenlijk 10 plagen en niet 3 of 5 of 7?  Rabbijnen vertellen ons dat 10 het getal is van de uiterste grens van geduld, dan kan het nog, zoals Sodom gespaard zou zijn als er 10 rechtvaardigen gevonden zouden zijn, daarom zijn er in de hoofdsom van de leer van Mozes ook 10 woorden, dat is nog te verdragen. Door de 10 plagen wordt een scheiding gemaakt tussen Egypte en Israël, eigenlijk tussen Israël en alle andere volken. De dood van Egypte betekent het leven voor Israël. In deze eerste plaag staat het bloed centraal, net als het in de tiende plaag centraal zal staan. In het bloed is het leven gevangen geloofden de Hebreeën. Zoals het bloed in de mensen stroomde, stroomde het water van de Nijl door het land. Maar als de Nijl tot mens wordt gemaakt dan treed de dood in. En de Nijl werd aanbeden door de Egyptenaren, al het water van Egypte werd daardoor aanbeden.

Daarom moest Aäron de staf van God boven al het water van Egypte houden, al het water veranderde in bloed. Zelfs het water van de rituele baden waarin de goden van Egypte werden aanbeden. De staf van God was het enige wapen dat is gebruikt in de bevrijding uit de slavernij van Egypte. Natuurlijk konden de magiërs van Egypte dezelfde truc als Aäron. De God van Israël heeft immers geen trucs nodig om de slaven te bevrijden tot eredienst voor God. Maar een truc is het niet als de Egyptenaren inderdaad zeven dagen lang, de volledige week, van Godsdag tot Godsdag, geen water kunnen putten maar naar water moeten graven. De hoorders van het verhaal zullen eeuwen later een glimlach niet hebben kunnen onderdrukken als ze zich realiseren dat die domme magiërs van die stijfkoppige Farao door hun truc het lijden van het volk van Egypte alleen nog vergroten. Want water in bloed veranderen dat kan nog maar bloed in water is een andere zaak. Hebben wij ook van die afgoden zoals de Egyptenaren hadden? Het lijkt er soms wel op. Het lijkt er soms zeer op dat wij de olie net zo heilig verklaren als de Egyptenaren de Nijl.

Die olie moet ongehinderd naar ons land kunnen stromen en net als Egyptenaren toen voor hun water hebben wij nu een fijnmazig systeem om de olie over ons land te verdelen. Zuinig aan met de olie, minder auto rijden, minder verspillen in onze huizen is voor schreeuwende angsthazen ook vandaag nog onbespreekbaar. Laat staan dat we willen delen met de armen in de wereld. De oorlog in Irak werd indertijd ook afgeschilderd als een oorlog om de stroom van olie blijvend te verzekeren en als dat zo is is ook onze olie in bloed veranderd. Wij hoeven er nog niet met onze handen naar te graven, maar heel langzaam lijkt het soms wel of ons dezelfde plagen treffen als die in Egypte, zeker als we halsstarrig blijven vasthouden aan onze rijkdom en blijven weigeren die te delen met de armsten in de aarde. Bevrijding van de slavernij is ook voor ons nodig, maar de Hebreeën mopperden op z’n tijd tegen Mozes en Aäron over de last die de bevrijding met zich meebracht. Dat verzet kennen wij ook, maar die weerstand mogen ook wij opgeven opdat de hele aarde het land wordt overvloeiende van melk en honing. Het kan vandaag nog beginnen.

Toch bleef de farao onverzettelijk

woensdag, 17 februari, 2016

Exodus 6:28–7:13

28  Toen de HEER zich in Egypte tot Mozes richtte, 29  zei hij: ‘Ik ben de HEER. Alles wat ik tegen je zeg, moet je overbrengen aan de farao, de koning van Egypte.’ 30  Mozes antwoordde: ‘Ik kom zo moeilijk uit mijn woorden, de farao zal niet naar me luisteren.’ 1 ¶  Maar de HEER zei: ‘Ik zal ervoor zorgen dat jij als een god voor de farao staat, en je broer Aäron zal je profeet zijn. 2  Jij moet Aäron alles zeggen wat ik je opdraag, en hij moet het woord voeren en de farao vragen de Israëlieten uit zijn land te laten vertrekken. 3  Ik zal ervoor zorgen dat de farao hardnekkig weigert, en ik zal in Egypte veel tekenen en wonderen verrichten. 4  Ook dan zal de farao niet naar jullie luisteren. Daarom zal ik de Egyptenaren mijn macht laten voelen en hen zwaar straffen, en ik zal mijn volk, de Israëlieten, in groepen geordend uit Egypte leiden. 5  De Egyptenaren zullen beseffen dat ik de HEER ben, als ik mij tegen hen keer en de Israëlieten bij hen weg leid.’ 6  Mozes en Aäron deden alles wat de HEER hun opdroeg. 7  Mozes was tachtig jaar en Aäron drieëntachtig toen zij zich tot de farao richtten. 8 ¶  De HEER zei tegen Mozes en Aäron: 9  ‘Als de farao jullie om een wonder vraagt, moet jij, Mozes, tegen Aäron zeggen dat hij voor de ogen van de farao zijn staf op de grond gooit; die staf zal dan een grote slang worden.’ 10  Mozes en Aäron gingen naar de farao en deden wat de HEER hun had opgedragen. Voor de ogen van de farao en zijn hovelingen gooide Aäron zijn staf op de grond, en de staf veranderde in een slang. 11  De farao liet op zijn beurt de geleerden en tovenaars komen, en deze Egyptische magiërs bereikten met hun toverformules hetzelfde. 12  Ieder gooide zijn staf neer, en elke staf veranderde in een slang. Maar de staf van Aäron verslond alle andere staven. 13  Toch bleef de farao onverzettelijk, hij wilde niet naar Mozes en Aäron luisteren, zoals de HEER gezegd had. (NBV)

Goden zeggen niks, goden zwijgen. Merkwaardig om vast te stellen in een Bijbelgedeelte waar een voortdurend gesprek tussen Mozes en zijn God plaatsvindt. Maar dat is dus kennelijk een soort gesprek dat anders is als het gesprek tussen twee mensen. Want als Mozes echt naar de Farao moet dan verschijnt hij daar als een God, zwijgend. Zijn broer Aäron doet het woord. Niet dat de Farao luistert maar dat valt te verwachten. Aäron is de tweede die in het verhaal van de mensen, zoals het in de Bijbel wordt verteld, als profeet wordt aangeduid, aanzegger namens God, hij die vertelt hoe het af zal lopen. De eerste die zo werd genoemd was Abraham. Aäron moet de Farao duidelijk maken dat het slecht met hem zal aflopen en met zijn volk, als hij blijft weigeren het volk Israël te laten gaan. Maar waarom eigenlijk? Er staat dat God zelf het hart van de Farao verhardt, wat is dan nog zijn misdaad? Het is een vraag waar de geleerden zich eeuwen over hebben gebogen. Een enkeling stelt dat de Farao zoveel van de armsten had kunnen houden dat hij zich met veel berouw en scheuren van kleren tegen die verharding van zijn hart had kunnen verzetten.

Later in Israël hadden ze niet zulke woeste monsters als in de Nijl leefden. In de Jordaan kwamen die zeker niet voor. Daardoor zitten we nu met een vertaalprobleem. Want waarin veranderde die staf van Aäron en waarin die van de tovenaars? Er wordt tegenwoordig vertaald met “slang”, dat doet ons een beetje denken aan het paradijs waarin een slang de mens verleidde tot ongehoorzaamheid aan God. Maar slang staat er niet in het Hebreeuws. De Statenvertaling heeft het over een draak en in de tijd van dat de Statenvertaling werd gemaakt waren mensen er van overtuigd dat draken bestonden en dat dat verslindende monsters waren. Huub Oosterhuis heeft samen met Alex van Heusden een vertaling van het boek Exodus gemaakt en daar vertaald met “monster”. Het zou natuurlijk gewoon een krokodil geweest kunnen zijn. Maar dat die monsters die tevoorschijn werden getoverd de andere tovermonsters verslonden dat is een feit dat voor de luisteraars naar dit spannende verhaal vaststond. Want een verhaal als dit is geen journalistiek verslag, het is ook geen verslag van een gerenommeerd historisch instituut, het is een Bijbelverhaal. Hier wordt verteld hoe het gaat tussen de mensen en de God van Israël.

De God van Israël laat zich zien als het gaat om de mensen die in de knel zitten, zonder tovertrucjes. Hoe dan? Door onophoudelijk te laten vragen naar gerechtigheid. Er komen geen bliksemschichten aan te pas die de farao vellen en iedereen dood laten vallen die zich waagt tegen Mozes te verzetten. Nog elke dag kun je mensen horen vragen waarom de ellende in de wereld niet is tegengehouden, voorkomen of beëindigd door de God van Israël. Dat die God dat niet doet is voor velen zelfs een bewijs dat die God niet bestaat. Maar die God heeft dat nooit gedaan. Dat werd altijd toegeschreven aan afgoden, die zouden een volk redden, tegenstanders doden met een bliksemschicht. Deze God roept op, pas als de farao zich zal overgeven dan wordt het volk bevrijd van de slavernij. Want ook het volk zal doordrongen moeten zijn van het doel van die bevrijding. Dat volk wordt niet bevrijd om vervolgens anderen te kunnen onderdrukken, om armen uit te buiten, akker aan akker te voegen en huis aan huis.  Dat volk zal blijvend opgeroepen worden om zich te herinneren dat ze vreemdelingen en slaven zijn geweest in Egypte en dat de God van Israël ze heeft uitgeleid uit het slavenhuis met als doel een land te gaan bewonen waar recht en gerechtigheid geschied. Waar het land gedeeld wordt, waar voor de armen en de weduwe en de wees wordt recht gedaan. Dat is de liefde van die God.

Hij is hogepriester voor eeuwig

dinsdag, 16 februari, 2016

Hebreeën 6:9-20

9 ¶  We zeggen dit nu wel, geliefde broeders en zusters, maar we zijn ervan overtuigd dat u op de goede weg bent en dat u gered zult worden. 10  Want God is niet zo onrechtvaardig dat hij vergeet wat u hebt gedaan, hoeveel liefde u aan zijn naam hebt betoond door sinds jaar en dag steun te verlenen aan de gelovigen. 11  Het is onze vurige wens dat ieder van u tot het einde toe dezelfde ijver aan de dag blijft leggen, totdat alles waarop wij hopen verwezenlijkt zal zijn, 12  en dat u niet achterblijft, maar in het spoor treedt van hen die dankzij hun standvastig geloof ontvangen hebben wat hun beloofd was. 13  Toen God aan Abraham zijn belofte deed, kon hij bij niemand zweren die hoger was dan hijzelf, en dus zwoer hij bij zichzelf: 14  ‘Ik zal je rijkelijk zegenen en je talloze nakomelingen geven.’ 15  En zo heeft Abraham, dankzij zijn standvastig vertrouwen, gekregen wat hem beloofd was. 16  Mensen zweren altijd bij iemand die hoger is dan zijzelf, en met hun eed bekrachtigen ze de waarheid en beëindigen ze elke twist. 17  Toen God de erfgenamen van de belofte ervan wilde doordringen hoe vast zijn voornemen was, stelde hij zich op dezelfde manier met een eed garant. 18  Met deze twee onomkeerbare daden-die uitsluiten dat God liegt-heeft hij ons krachtig moed in willen spreken. Onze toevlucht is het vast te houden aan de hoop op wat voor ons in het verschiet ligt. 19  Die hoop is als een betrouwbaar en zeker anker voor onze ziel, en gaat ons voor tot voorbij het voorhangsel, 20  waar Jezus als voorloper al is binnengegaan, ten behoeve van ons: hij is hogepriester voor eeuwig, zoals ook Melchisedek dat was. (NBV)

Wie de brief aan de Hebreeën goed wil begrijpen moet thuis zijn in de Bijbel. Je komt er niet door een aantal willekeurige zinnetjes aan elkaar te rijgen en dan te doen of je de Bijbel hebt begrepen, je moet weten waar de schrijver van de brief het over heeft en dat zijn geen abstracte dingen maar heel concrete verhalen over geloof en over de bijzondere betekenis van het geloof in de God van Israel. We hadden gelezen dat je niet zomaar afvallig kon worden van het geloof en dan het lidmaatschap van de gemeente weer kon oppakken alsof je een oude jas weer opnieuw aandeed. Daar was boete voor nodig en het inzicht in hetgeen je verkeerd had gedaan. Maar, zegt het begin van het gedeelte van vandaag, als je werkelijk anders wil doen, als je echt wil leven uit liefde, dan hoor je er echt bij en dan kun je er steeds opnieuw bij horen. Maar dan moet je ook echt uit en door de liefde blijven leven. Dat begint bij een leven als Abraham die wegtrok uit zijn eigen land om vader van vele volkeren te worden. Dat was de belofte die hij van zijn God te horen had gekregen.

Temidden van de vele goden waarin de mensen rond Abraham geloofde moest dat volgens hem wel de hoogste God zijn geweest. Die belofte aan Abraham kreeg pas veel later echter gestalte, toen Abraham er al lang niet meer was, maar Abraham hield vol en bleef geloven dat de God van die belofte de enige God voor hem was. Dat is dus een manier waarop ook al die Heidenen die Christen geworden waren konden geloven. Dat nieuwe Koninkrijk was er nog lang niet, is er zelfs in onze dagen nog niet, maar ondanks alle goden die ons omringen, alle idolen waar wij ons op zouden moeten richten, blijft de belofte van dat Koninkrijk ons in beweging zetten naar de minsten in de wereld. De briefschrijver noemt dat een hoop als een anker voor de ziel. Een taalgebruik dat ons in het dagelijks leven onbekend is maar het gaat hier om de manier waarop we leven, de manier waarop we naar de wereld kijken, de manier waarop we met mensen omgaan.

Wij kijken niet naar de top maar naar de mensen van onderen, de armsten en de minsten bepalen ons gedrag omdat ons de belofte is gedaan dat deze wereld omgekeerd zal worden. Die belofte lag ook achter dat voorhangsel. Daar immers mocht alleen de hogepriester komen, daar stond de ark in de Tempel waarin de richtlijnen werden bewaard die in de woestijn door de God van Israël aan het volk waren gegeven. De richtlijnen die zich lieten samenvatten in het “heb Uw naaste lief als Uzelf”. Dat was de bijzondere betekenis van het geloof in de God van Israel. Dat was door Jezus van Nazareth door de dood heen volgehouden. Dat maakte hem tot hogepriester voor eeuwig, Koning van de vrede, broeder van de minsten. Wat wij daarom de minsten aandoen doen we hem aan en onze God verlangt geen ander offer dan brood voor de hongerigen, kleding voor de naakten en recht voor de armen. Dat offer kunnen we ook vandaag nog brengen, zeker nu zo veel vluchtelingen ons daarom vragen.

Wie melk drinkt is nog een klein kind

maandag, 15 februari, 2016

Hebreeën 5:11–6:8

11  Hierover valt nog veel te zeggen, maar het is moeilijk aan u uit te leggen, omdat u traag van begrip bent geworden. 12  Werkelijk, u had toch inmiddels allemaal leraar moeten zijn! In plaats daarvan hebt u er zelf een nodig om u opnieuw de grondslagen van het woord van God bij te brengen; het is met u zo ver gekomen dat u weer aangewezen bent op melk in plaats van op vast voedsel. 13  Wie melk drinkt is nog een klein kind en heeft geen weet van de draagwijdte van de verkondigde gerechtigheid. 14  Vast voedsel is voor volwassenen; hun zintuigen zijn door ervaring geoefend en zij zijn in staat onderscheid te maken tussen goed en kwaad. 1 ¶  We moeten de eerste beginselen van de leer over Christus hier toch maar laten rusten en ons richten op wat voor volwassenen bedoeld is. We willen niet nog eens het fundament leggen en spreken over het zich afkeren van daden die tot de dood leiden, over het geloof in God, 2  de leer over het dopen en de handoplegging, en over de opstanding van de doden en het laatste oordeel. 3  We maken deze keuze in het vertrouwen dat God het ons toestaat. 4  Want wie ooit door het licht beschenen is, geproefd heeft van de hemelse gave en deel gekregen heeft aan de heilige Geest, 5  wie het weldadig woord van God en de kracht van de komende wereld ervaren heeft 6  en vervolgens afvallig is geworden, kan onmogelijk een tweede maal worden bekeerd, omdat zo iemand voor zichzelf de Zoon van God opnieuw kruisigt en aan bespotting blootstelt. 7  Land dat de overvloedige regen opneemt, en nuttige gewassen oplevert aan wie het bewerken, ontvangt Gods zegen, 8  maar land dat dorens en distels voortbrengt, is waardeloos en rijp voor vervloeking; het zal uiteindelijk in vlammen opgaan. (NBV)

In de zeventiende eeuw dichtte de Protestantse dichter Revius “’t en zijn de Joden niet Heer Jezus die U kruisten” Het gedicht vertelt hoe wij het zijn die iedere keer dat we de minsten, de lijdenden, niet te hulp komen opnieuw Jezus van Nazareth aan het kruis spijkeren. Later is dit gedicht vaak geciteerd als de Roomse fabel van de godsmoordenaars moest worden bestreden. De Fabel dat het de Joden waren die hun God aan het kruis hadden geslagen en daarom gestraft behoorden te worden is de bron van het antisemitisme in Europa. Maar Revius baseert zijn gedicht op het gedeelte uit de brief aan de Hebreeën dat we vandaag lezen. Dat mensen die afvallig geweest waren niet zomaar opnieuw bij de gemeenschap van Christenen konden gaan horen komt voort uit een ruzie over slachtoffers van de Romeinse Christenvervolgingen. Onder bedreiging met de dood gaven sommigen toe en offerden aan de Keizer. Soms werden Christenen ook voor een tijdje Gnostici en wilden dan weer terug op basis van hun doop en belijdenis die hen oorspronkelijk Christen hadden gemaakt.

Als de vervolging over was wilden ze terug keren in de Christelijke gemeente. Maar de briefschrijver maakt de gemeenten duidelijk dat dit niet zomaar gaat. Dat hadden ze ook wel kunnen weten, maar ja tot op vandaag willen veel Christenen graag de gemakkelijke verhalen horen vertellen en is het te ingewikkeld om zich ook in de betekenis van die verhalen te verdiepen. Kinderen doen immers alleen wat hen wordt opgedragen terwijl volwassenen zelf verantwoordelijk zijn voor wat ze doen. Dat betekent dat volwassen Christenen zelf om zich heen moeten kijken en zien wie de lijdenden zijn en hoe zij geholpen kunnen worden. Dat betekent dat Christenen zich ook bewust moeten zijn hoe zij het soms ongewild zelf zijn die het lijden van anderen in stand houden en bevorderen. Zo houden wij zelf onrechtvaardige handelsverhoudingen met de armste landen in de wereld in stand en concurreren wij de armste boeren weg van de wereldmarkt door subsidies die met handel en industrie worden verdiend.

Zo bestrijden wij de Roomse Paus niet als hij het gebruik van condooms in Afrika verbiedt en daardoor de verspreiding van Aids bevordert omdat velen ook hem voor een Christen houden aangezien hij de naam van Jezus van Nazareth zo af en toe gebruikt ter rechtvaardiging van zijn eigen dwaasheden. De jonge kerk had voor die afvallige Christenen die terug wilden keren uiteindelijk een speciale procedure ontwikkeld. Ze moesten zelf vertellen wat er zo fout was aan hun handelen en door vasten en boete doen in de kerk laten zien dat ze inzagen wat ze fout gedaan hadden en dat ze op een nieuwe goede manier door wilden gaan. Niet eten, je eenvoudig kleden, op de grond slapen, zijn ook tekenen dat je afstand wil doen van rijkdom en streven naar rijkdom en wil delen met de minsten. Als je dat kunt opbrengen mag je ook opnieuw beginnen, zoals de Bijbel ons zo vaak oproept weer opnieuw te beginnen. Zo worden we zelf vruchtbaar land, grond voor het nieuwe Koninkrijk, laten we daarom vandaag ook opnieuw beginnen.

Omdat God hem heeft uitgeroepen tot hogepriester

zondag, 14 februari, 2016

Hebreeën 4:14–5:10

14  Nu wij een hooggeplaatste hogepriester hebben die de hemel is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, moeten we vasthouden aan het geloof dat we belijden. 15  Want de hogepriester die wij hebben is er een die met onze zwakheden kan meevoelen, juist omdat hij, net als wij, in elk opzicht op de proef is gesteld, met dit verschil dat hij niet vervallen is tot zonde. 16  Laten we dus zonder schroom naderen tot de troon van de Genadige, waar we telkens als we hulp nodig hebben barmhartigheid en genade vinden. 1 ¶  Wie uit het volk tot hogepriester wordt gekozen, wordt aangesteld om tussen God en de mensen te bemiddelen, om gaven en offers te brengen voor de zonden. 2  Doordat hij zelf aan zwakheden ten prooi kan vallen, is hij bij machte begrip op te brengen voor hen die uit onwetendheid dwalen, 3  en daarom moet hij niet alleen offers opdragen voor de zonden van het volk maar ook voor zijn eigen zonden. 4  Niemand kan zich die waardigheid toe-eigenen, men wordt daartoe door God geroepen, zoals ook met Aäron gebeurde. 5  Christus heeft zich de eer hogepriester te worden evenmin zelf verleend, dat deed degene die tegen hem zei: ‘Jij bent mijn zoon, ik heb je vandaag verwekt.’ 6  Ergens anders zegt hij iets vergelijkbaars: ‘Jij zult voor eeuwig priester zijn, zoals ook Melchisedek dat was.’ 7  Christus heeft tijdens zijn leven op aarde onder tranen en met luide stem gesmeekt en gebeden tot hem die hem kon redden van de dood, en werd verhoord vanwege zijn diep ontzag voor God. 8  Hoewel hij zijn Zoon was, heeft hij moeten lijden, en zo heeft hij gehoorzaamheid geleerd. 9  En toen hij naar de uiteindelijke volmaaktheid gevoerd was, werd hij voor allen die hem gehoorzamen een bron van eeuwige redding, 10 ¶  omdat God hem heeft uitgeroepen tot hogepriester zoals Melchisedek dat was. (NBV)

De schrijver van de brief aan de Hebreeën was zeer bekend met het boek van de Psalmen, daar haalt hij graag verzen uit aan. Dat is niet zo vreemd. De Psalmen werden in de tijd van de eerste Christengemeente gezongen bij de Tempel in Jeruzalem en ook in de Synagogen. Ook in de bijeenkomsten van Christenen waren de Psalmen bekend. Daar moesten de Joden aan de Heidenen zo af en toe wel even uitleggen wie wat was en waarover die Psalmen nu eigenlijk gingen. Zo eenvoudig is alles nu eenmaal niet te herkennen. Dat geldt ook voor ons. Wie bijvoorbeeld is die Melchisedek? De Hebreeuwse Bijbel kent een verhaal over Abraham waarin Melchisedek voorkomt. Dat was een Koning van het stadje Salem in Kanaän. Die Koning was ook Priester. Het bijzondere van die Koning was dat hij vrede sloot met de nomade, de zwerver, Abraham in plaats van oorlog met hem te voeren en hem te verjagen uit de vruchtbare streken waar Abraham zijn kudden liet grazen.

Die Melchisedek vertelde er bij dat hij die vrede sloot omdat het moest van zijn God. Volgens Abraham kon het niet anders dan dat het dezelfde God was die hij had ontmoet en die hem had geroepen om weg te trekken uit zijn eigen land. Voor de Heidenen in de Christengemeenten was het natuurlijk mooi te ontdekken dat er ook Priesters uit de Heidenen waren. Ze sloten zich niet zozeer aan bij een Joodse sekte, ze hoefden ook geen Joden te worden, maar dankzij de priester Jezus van Nazareth konden ze op hun eigen manier God aanbidden. En het aanbidden van die God was het sluiten van vrede en het delen van de vruchten van de aarde, de vruchten van je werk. Dat voorbeeld van Jezus van Nazareth hadden ze herkend, in een samenleving waar zo geleefd werd waren ze gaan geloven. Zo konden ze uit volle borst zingen uit Psalm 110 waar iemand wordt toegezongen als zijnde een priester naar de ordening van Melchisedek.

Zo wilden ze ook zelf wel zijn, daartoe worden ze in elk geval door de briefschrijver opgeroepen. Maar zo konden ze ook meezingen met de Joden als die Psalm 2 gingen zingen waar de Priester zelfs als de zoon van God wordt toegezongen. De briefschrijver wijst er fijntjes op dat die Jezus van Nazareth dat deed wat die Priester-Koning Melchisedek moest doen van zijn God. Toen Jezus van Nazareth gevangen was genomen, veroordeeld werd en gekruisigd werd, veroordeelde hij niemand maar zelfs hangend aan het kruis vroeg hij vergiffenis voor hen die hem lieten lijden. Er had gemakkelijk een opstand kunnen worden ontketend door de zeer populaire Jezus van Nazareth, maar die koos voor de vrede. Aan de Joodse opstanden die na de dood van Jezus van Nazareth uitbraken deden de Christenen dan ook niet mee, zij kozen voor de vrede en voor het bestrijden van het kwade door het goede te doen. Die keus wordt ook ons voorgehouden, het goede doen en niet dan het goede. Door dat te doen worden ook wij Priesters en kinderen van God. Aan het werk dus.

Ik zal jullie God zijn

zaterdag, 13 februari, 2016

Exodus 5:19–6:12 

19  De Israëlitische opzichters beseften hoe slecht zij ervoor stonden, nu de farao zelf tegen hen had gezegd dat de dagelijkse hoeveelheid stenen die ze moesten afleveren niet verminderd werd. 20  Toen ze het paleis uit kwamen troffen ze Mozes en Aäron aan, die op hen stonden te wachten. 21  ‘Moge de HEER u hiervoor straffen!’ zeiden de opzichters tegen hen. ‘U hebt ons bij de farao en zijn dienaren een slechte naam bezorgd. U hebt hun een zwaard in handen gegeven om ons te doden.’ 22  Toen wendde Mozes zich opnieuw tot de HEER en zei: ‘Heer, waarom behandelt u dit volk zo slecht? Waarom hebt u mij hierheen gestuurd? 23  Vanaf het moment dat ik bij de farao ben gekomen en hem in uw naam heb toegesproken, wordt het volk nog slechter door hem behandeld. U hebt uw volk niet bevrijd-integendeel!’ 1 ¶  Maar de HEER antwoordde hem: ‘Nu zul je zien wat ik de farao ga aandoen: ik zal hem met harde hand dwingen mijn volk te laten gaan, hij zal het zelfs uit zijn land wegjagen.’ 2  God zei tegen Mozes: ‘Ik ben de HEER. 3  Ik ben aan Abraham, Isaak en Jakob verschenen als God, de Ontzagwekkende, maar mijn naam HEER heb ik niet aan hen bekendgemaakt. 4  Ik heb met hen mijn verbond gesloten en Kanaän aan hen beloofd, het land waarin zij als vreemdeling hebben gewoond. 5  Ik heb het gejammer van de Israëlieten over de slavenarbeid die hun door de Egyptenaren is opgelegd gehoord, en dat heeft mij aan die belofte herinnerd. 6  Daarom moet je dit tegen hen zeggen: “Ik ben de HEER. Ik zal de last die de Egyptenaren jullie opleggen van je afnemen, ik zal jullie uit je slavenbestaan bevrijden. Met opgeheven arm zal ik jullie verlossen en de Egyptenaren zwaar straffen. 7  Ik zal jullie aannemen als mijn volk, en ik zal jullie God zijn. En jullie zullen inzien dat ik, de HEER, jullie God ben, die jullie bevrijdt van de last die je door de Egyptenaren is opgelegd. 8  Ik zal jullie naar het land brengen dat ik onder ede aan Abraham, Isaak en Jakob beloofd heb; dat land zal ik jullie in bezit geven. Ik ben de HEER.”’ 9  Mozes bracht dit aan de Israëlieten over, maar ze wilden niet naar hem luisteren, moedeloos als ze waren door de zware dwangarbeid. 10 ¶  Toen zei de HEER tegen Mozes: 11  ‘Ga naar de farao, de koning van Egypte, en zeg hem dat hij de Israëlieten uit zijn land moet laten vertrekken.’ 12  Maar Mozes antwoordde: ‘Als de Israëlieten al niet naar me luisteren, zal de farao dat dan wel doen? Ik kom immers moeilijk uit mijn woorden.’ (NBV)

Wat is dit voor God? Doet hij zijn volk leed aan door ze te willen bevrijden? Het lijkt er wel op, want de komst van Mozes betekent  verzwaring van de arbeidsomstandigheden. Maar het verhaal zo lezen is niet juist, je slaat dan een hoop over. Dit verhaal was begonnen met de twee vroedvrouwen die weigerden de jongetjes te doden, waarop de pasgeboren jongetjes in de Nijl geworpen moesten worden. Omdat Mozes in een biezen mandje werd gelegd, het stro dat voor de stenen bestemd was, werd zijn leven gered. Mozes zelf moest vluchten omdat de behandeling van de Hebreeën onmenselijk was. Maar dat de bevrijding niet een flitsbevrijding zou zijn moest eerst duidelijk worden. Als je het volk van deze God wilde zijn dan moest je er iets voor over hebben. Deze God was begonnen met Abraham, met Izaak en met Jakob. Met elk van hen was hij een verbond aangegaan. Zij hadden deze God leren kennen als een machtige God, Ontzagwekkende staat hier, maar de betekenis van het Hebreeuws is onzeker, het zou ook vruchtbare kunnen betekenen. In de Hebreeuwse tekst van het boek Genesis waarin de verhalen van Abraham, Izaak en Jakob worden verteld staat wel degelijk de naam van JHWH, waarom God hier vertelt dat die naam aan Abraham, Izaak en Jakob niet geopenbaard is was lange tijd niet duidelijk.

Tot  Rabbi Sjlomo ben Itschaqi opmerkte dat noch Abraham, noch Izaak, noch Jakob deze God hadden leren kennen in zijn oneindige trouw zoals het volk Israël die God zou leren kennen bij de bevrijding uit de slavernij en de tocht door de woestijn. Die God laat niet af, houdt niet op, blijft voortdurend hameren op het doorgaan van dat bevrijdingsproces, roept daarbij iedereen op om daaraan mee te doen, legt dat op als basisregels voor een heel volk, waarmee een heel volk in beweging kan komen en voert uiteindelijk dat volk binnen in een land overvloeiende van melk en honing. En zelfs dan houd het nog niet op want alle volken zullen deel moeten hebben aan dat bevrijdingsproces tot God zelf op deze aarde komt wonen en alle tranen gedroogd zijn en de dood er niet meer is. In de bevrijding die in Egypte is begonnen heeft die God zich dus laten kennen. Dat is niet een almachtige God die wel even de wereld naar zijn hand zal zetten. Dat is een God die meetrekt en meelijdt met de zwaksten, met de slaven.

Het antwoord van dat volk op deze prachtige belofte, op dit groots visioen is tekenend: ze wilden er niet naar luisteren omdat ze moedeloos waren geworden door de zware dwangarbeid. Ze waren aangekomen op het dieptepunt van hun ellende. Zwaarder konden ze het niet krijgen. En was dat moedeloze, ongelovige, antwoord het teken om dan maar op te houden? Als niemand in God gelooft dan heeft die God toch geen zin? Nee, dus, het lijkt er op dat als niemand er meer in gelooft dat die God dan juist met verdubbelde ijver aan de bevrijding van de zwaksten gaat werken. Niet door één of ander wonder te doen, maar door te laten zien dat je de armsten maar beter als waardevolle mensen kunt behandelen omdat het anders tegen je zal keren. Met die boodschap wordt Mozes naar de Farao gestuurd en ook al komt hij slecht uit zijn woorden, de Farao zal moeten luisteren. Het is ook de boodschap aan ons, ook wij mogen ons afvragen of wij slaven hebben die we te kort doen. Als we onze handelsverhoudingen met de armsten in de wereld nog eens bezien dan ontdekken wij ze. Aan ons om daar iets aan te doen en ook die broeders en zusters te bevrijden van het onrecht door ons hen aangedaan. Aan ons instrumenten in Gods hand te worden.

Anders treft hij ons met de pest

vrijdag, 12 februari, 2016

Exodus 5:1-18

1 ¶  Hierna gingen Mozes en Aäron naar de farao, en ze zeiden tegen hem: ‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Laat mijn volk gaan, om in de woestijn ter ere van mij een feest te vieren.’ 2  ‘Wie is die HEER, dat ik hem zou gehoorzamen?’ vroeg de farao. ‘Waarom zou ik de Israëlieten laten gaan? Ik ken de HEER niet en de Israëlieten laat ik niet gaan.’ 3 ¶  Ze zeiden: ‘De God van de Hebreeën is naar ons toe gekomen. Sta ons toe drie dagreizen ver de woestijn in te trekken om de HEER, onze God, daar offers te brengen. Anders treft hij ons met de pest of met het zwaard.’ 4  Maar de koning van Egypte zei: ‘Mozes en Aäron, hoe durft u het volk van zijn werk af te houden? Vooruit, aan het werk!’ 5  En hij voegde eraan toe: ‘Dat volk is nu al veel te talrijk, en dan wilt u ook nog dat ze ophouden met werken!’ 6  Nog diezelfde dag gaf de farao zijn slavendrijvers en de opzichters dit bevel: 7  ‘Jullie mogen het volk geen stro meer geven om stenen te maken, zoals jullie tot nu toe deden; voortaan moeten ze zelf stro gaan zoeken. 8  Maar eis wel evenveel stenen van hen als altijd, het mag er niet één minder zijn. Ze zijn lui! Daarom roepen ze dat ze hun God offers willen gaan brengen. 9  Ze moeten harder aan het werk gezet worden, dan hebben ze geen tijd meer om naar zulke verzinsels te luisteren.’ 10 ¶  De slavendrijvers en opzichters brachten aan het volk over wat de farao had gezegd: dat hij hun voortaan geen stro meer gaf, 11  en dat ze zelf stro moesten zien te vinden maar geen steen minder mochten afleveren. 12  Daarop zwermden de Israëlieten over heel Egypte uit om stoppels te zoeken ter vervanging van het stro. 13  En de slavendrijvers joegen hen op en eisten dat ze iedere dag evenveel werk zouden afleveren als toen ze het stro nog kregen. 14  De Israëlitische opzichters die door de slavendrijvers van de farao over het volk waren aangesteld, werden afgeranseld; zij kregen te horen dat ze de laatste dagen niet hetzelfde aantal stenen hadden afgeleverd als tevoren. 15 ¶  Ze klaagden hun nood bij de farao. ‘Waarom behandelt u uw dienaren zo?’ zeiden ze. 16  ‘We krijgen geen stro meer, en toch worden we gedwongen om stenen te maken. En wij worden afgeranseld, terwijl de schuld bij uw volk ligt.’ 17  Maar de farao antwoordde: ‘Lui zijn jullie, alleen maar lui! Daarom willen jullie offers aan de HEER gaan brengen. 18  Vooruit, onmiddellijk aan het werk! Jullie krijgen geen stro, en jullie leveren hetzelfde aantal stenen.’ (NBV)

Als je met een andere partij onderhandelt is het meestal verstandig om het belang van die andere partij in de gaten te houden. Soms levert het eigen belang van de andere partij argumenten op om je eigen wensen gerealiseerd te krijgen. Mozes en Aäron hebben voor deze onderhandelingsstrategie oog maar ze bereiken er iets anders mee. Ze vertellen de Farao niet direct dat zijn eerstgeboren zoon zal sterven zoals Mozes was opgedragen en ze gaan ook niet vragen aan de Farao om zomaar het volk te laten gaan naar het beloofde land aan de andere kant van de woestijn. Nee ze vragen de Farao om een bedevaart te mogen maken, zoiets als de hadj, de bedevaart naar Mekka. Mozes en Aäron willen in de woestijn een feest vieren voor hun met name genoemde God. Want overal waar in de Nieuwe Bijbelvertaling HEER staat, staat in de Hebreeuwse grondtekst de Naam die Mozes bij de Horeb te horen had gekregen, JHWH.

Drie dagen ver zouden ze de woestijn in moeten trekken om daar offers te brengen. Offers om een God gunstig te stemmen, om wat van een God gedaan te krijgen, het soort godsdienst waar de Farao van weet. Ook de Farao en de priesters van Egypte brengen tal van offers. Offers voor regen, offers voor de oogst, offers voor het op tijd stijgen en overstromen van de Nijl en offers voor de goede reis van de overledenen naar het dodenrijk. De Hebreeën van Mozes en Aäron moeten offers brengen om hen te beschermen tegen de pest of het zwaard. Dat lijkt in het belang van de Farao. Gezonde slaven presteren immers meer dan dode slaven. Aan die hoop klampten in de tweede wereldoorlog gedeporteerden zich vast, ze moesten gaan werken en werken kon je alleen als je nog in leven zou zijn. Maar de Farao van Egypte heeft een vergelijkbaar doel met de Nazi’s. Hij vindt het volk van Mozes en Aäron veel te talrijk en de pest en het zwaard zouden hem welkom zijn. Aan het werken voor de Farao ging het volk al dood en als daar pest en zwaard als oorzaken bij kwamen dan kon het niet hard genoeg gaan. Daarom worden de slaven nog harder aan het werk gezet, daarom krijgen ze extra taken als het zelf zoeken van stro en natuurlijk wordt de productie niet verminderd, nee die wordt eerder nog opgevoerd.

Was het nu onverstandig van Mozes en Aäron rekening proberen te houden met het belang van de Farao? Hun vragen heeft immers groter lijden tot gevolg gehad? Als je dat denkt dan ben je in de val van de Farao getrapt. Het doel van de Farao was namelijk niet het werk en de productie van de slaven maar de dood van de slaven en het verminderen van hun aantal. En als we ze negatieve eigenschappen toedichten, ze zijn lui, dan mag dat volgens de Farao ook maar. Niet een onhandigheid of een onvermogen om te onderhandelen van Mozes en Aäron wordt hier duidelijk maar de verborgen agenda en het slechte karakter van de Farao worden hier duidelijk. Beroerd is natuurlijk wel dat we o zo vaak niet naar deze negatieve uitkomsten willen kijken. Zo zijn er in onze dagen partijen die roepen dat ze orde en rust willen hebben terwijl ze er alleen maar op uit zijn om alle allochtonen uit ons land te verwijderen. Die verborgen en kwade agenda wordt vaak te weinig blootgelegd en als die wordt blootgelegd niet geloofd. Er zijn heel veel mensen en heel veel acties voor nodig om iedereen duidelijk te maken hoe het echt zit. De geschiedenis van Mozes zou ons duidelijk kunnen maken dat het ook met veel leed en ellende gepaard kan gaan. Leed en ellende die we ons kunnen besparen als we vandaag nog aan het werk gaan met het ontmaskeren van het kwade.

 

Maak mij standvastig

donderdag, 11 februari, 2016

Psalm 51

1 ¶  Voor de koorleider. Een psalm van David, 2 toen de profeet Natan hem had bezocht, nadat hij met Batseba geslapen had. 3 Wees mij genadig, God, in uw trouw, u bent vol erbarmen, doe mijn daden teniet, 4 was mij schoon van alle schuld, reinig mij van mijn zonden. 5 ik ken mijn wandaden, ik ben mij steeds van mijn zonden bewust, 6 tegen u, tegen u alleen heb ik gezondigd, ik heb gedaan wat slecht is in uw ogen. Laat uw uitspraak rechtvaardig zijn en uw oordeel zuiver. 7 Ik was al schuldig toen ik werd geboren, al zondig toen mijn moeder mij ontving, 8 maar u wilt dat waarheid mij vervult, u leert mij wijsheid, diep in mijn hart. 9 Neem met majoraan mijn zonden weg en ik word rein, was mij en ik word witter dan sneeuw. 10 Laat mij vreugde en blijdschap horen: u hebt mij gebroken, laat mij ook juichen. 11 Sluit uw ogen voor mijn zonden en doe heel mijn schuld teniet. 12 Schep, o God, een zuiver hart in mij, vernieuw mijn geest, maak mij standvastig, 13 verban mij niet uit uw nabijheid, neem uw heilige geest niet van mij weg. 14 Red mij, geef mij de vreugde van vroeger, de kracht van een sterke geest. 15 Dan wil ik verdwaalden uw wegen leren, en zullen zondaars terugkeren tot u. 16 U bent de God die mij redt, bevrijd mij, God, van de dreigende dood, en ik zal juichen om uw gerechtigheid.17 Ontsluit mijn lippen, Heer, en mijn mond zal uw lof verkondigen. 18 U wilt van mij geen offerdieren, in brandoffers schept u geen behagen. 19 Het offer voor God is een gebroken geest; een gebroken en verbrijzeld hart zult u, God, niet verachten. 20 Wees Sion welgezind en schenk het voorspoed, bouw de muren van Jeruzalem weer op. 21 Dan zult u de juiste offers aanvaarden, offers in hun geheel verbrand, dan legt men stieren op uw altaar. (NBV)

De afgelopen week is er heel wat afgezongen in afwachting van de feestdag van gisteren, de zogenaamde Aswoensdag. En uitgerekend de dag na deze Aswoensdag zingen we mee met Koning David in een lied dat hij zong toen hij met Batseba geslapen had en daarover door Nathan de profeet was onderhouden. Het is de tweede dag van de 40 dagen die ons nog resten tot de Pasen. Een tijd van soberheid en inkeer, vanouds een tijd waarin men zich onthoud van uitbundige feesten, maaltijden en drinkgelagen. De profeet had David de prachtige gelijkenis verteld van de rijke man die zijn omvangrijke kudde niet wilde verkleinen om een gast te eten te geven, maar het enige lam van zijn buurman liet slachten. David zingt dat hij het eindelijk snapt en dat hij een zuiver hart en een nieuwe geest nodig heeft om de Liefde voor de mensen, de liefde voor zijn volk, tot uitgangspunt voor zijn leven te maken. Zo mogen we de vastentijd in, ons bewust dat we ons lang niet altijd door de liefde laten leiden maar vooral door wat we zelf aan plezier willen. Maar ook door het besef dat ons laten leiden door de liefde oneindig veel vruchtbaarder is en dat we daar elk moment van elke dag opnieuw mee mogen beginnen. Zelfs in de vastentijd maakt dat ons aan het zingen.

De meeste mensen blijven hun hele leven houden van de muziek die ze in hun vroege pubertijd leuk hebben gevonden. Natuurlijk maken ze een ontwikkeling door in hun smaak. Maar als ze de muziek horen die ze tussen hun 12de en hun 16de mooi vonden dan verschijnt er een glimlach op hun gezicht en vragen ze vaak of het even stil kan zijn. Het is de vreugde van vroeger waar je heel je leven naar kan blijven verlangen. De tijd dat vader en moeder nog de regels stelden en ons grootbrachten tot vrijheid. Langzaam mocht je meer maar je wist dat je je steeds moest verantwoorden en dat handelen op eigen houtje zou worden afgestraft. Gehoorzaamheid werd beloond met lekker eten, schone kleren een warme kachel en af en toe wat langer opblijven. Maar in het leven van deze tijd gaat het om andere zaken. Het verlangen naar geborgenheid is goed maar daar moet je zelf aan werken.  De Psalmist vraagt ook niet om terug te mogen keren naar de tijd dat er zelf niets meer te beslissen viel, de Psalmist wil terug naar de tijd voor het verdriet dat door David is aangericht in zijn begeerte naar Batseba. Naar de tijd voor het bittere lot dat hij de echtgenoot van Bathseba heeft aangedaan.

Deze Psalm is immers geschreven nadat David op zijn vingers was getikt. Hij wil weer terug naar de tijd dat hij zelf aan anderen gerechtigheid leerde, bevrijd van angst voor de dreigende dood. David had voor hij koning was getoond niet bang te zijn voor de dood. Hij spaarde het leven van Saul, de koning die naar hem op jacht was, omdat toen het doden van een medemens, een broeder, buiten de orde voor hem was. Gerechtigheid daar gaat het dus om, ook vandaag, ook in onze steden en dorpen. Niet om uiterlijk religieus vertoon maar om het centraal stellen van  Liefde. Om het centraal stellen van Samen Delen, om het verheffen van de armen. Jezelf durven opofferen voor de ander. Worden de voedselbanken overbodig, en zo niet krijgen ze voldoende steun van de gemeente en leert de gemeente van hen de tekortkomingen in de zorg voor de minima? Komen er eerlijke handelsverhoudingen met de arme landen?  Geven we kinderen met gelijke capaciteiten ook gelijke kansen? Sommige vragen zijn voor de regering andere voor een stadsbestuur. Maar het zijn slechts enkele vragen waar we antwoorden op mogen verwachten, antwoorden niet in de vorm van woorden maar in de vorm van de daden van Liefde. Daden die lijken op de daden van onze vaders en moeders, die ons doen gaan denken aan de vreugde van vroeger. Daarom zullen we die vragen moeten stellen, elke dag opnieuw, luid en duidelijk.

Nooit zullen ze binnengaan in mijn rust

woensdag, 10 februari, 2016

Hebreeën 4:1-13

1 ¶  Aangezien de belofte om binnen te gaan in Gods rust nog steeds van kracht is, moeten we ervoor waken dat iemand van u ook maar de schijn wekt deze gelegenheid aan zich voorbij te laten gaan. 2  Want aan ons is het goede nieuws verkondigd, net als indertijd aan hen; maar anders dan voor wie het in geloof aannemen, was het verkondigde woord voor hen niet heilzaam. 3  Omdat wij echter geloven, gaan we binnen in de rust waarvan eerder sprake was: ‘In mijn toorn heb ik gezworen: “Nooit zullen ze binnengaan in mijn rust, ”’-en dat terwijl zijn werk toch al met de grondvesting van de wereld voltooid werd! 4  Over de zevende dag wordt immers ergens gezegd: ‘En op de zevende dag rustte God van al zijn werk,‘ 5  terwijl hier wordt gezegd: ‘Nooit zullen ze binnengaan in mijn rust.’ 6  Het staat dus vast dat er wel mensen in kúnnen binnengaan. En omdat zij aan wie vroeger het goede nieuws verkondigd is, er vanwege hun ongehoorzaamheid niet zijn binnengegaan, 7  legt God nu opnieuw een dag vast, een ‘vandaag’, waarover hij, zoals eerder is opgemerkt, lange tijd later David heeft laten zeggen: ‘Horen jullie vandaag zijn stem, wees dan niet koppig.’ 8  Was de rust hun al door Jozua gegeven, dan zou God daarna niet meer over een andere dag hebben gesproken. 9  Er wacht het volk van God dus nog steeds een sabbatsrust. 10  En wie is binnengegaan in zijn rust, vindt rust na zijn werk zoals God na het zijne. 11 ¶  Laten we dus alles op alles zetten om te kunnen binnengaan in die rust, en zo voorkomen dat ook maar iemand dit voorbeeld van ongehoorzaamheid volgt en te gronde gaat. 12  Want levend en krachtig is het woord van God, en scherper dan een tweesnijdend zwaard: het dringt diep door tot waar ziel en geest, been en merg elkaar raken, en het is in staat de opvattingen en gedachten van het hart te ontleden. 13  Niets van wat geschapen is blijft voor hem verborgen, alles is onverhuld en volkomen zichtbaar voor de ogen van hem aan wie wij rekenschap moeten afleggen. (NBV)

Vandaag is het aswoensdag. Vandaag begint de tijd dat we extra denken aan het lijden in de wereld, want wat aan de minste van de mensen is aangedaan is ook aan Jezus van Nazareth aangedaan. Op het dagelijks leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap staat vandaag het gedeelte uit de brief aan de Hebreeën die we hier hebben gelezen.  Veel mensen beginnen vandaag met vasten, Ze maken zich weer bewust dat in het gebed dat Jezus ons leerde niet meer voor onszelf gevraagd wordt dan ons dagelijks brood. Wie afziet van een eigen carrière, het najagen van winst en het verdringen van anderen van een zogenaamd hogere positie, zal merken dat je wordt overvallen door een weldadig gevoel van rust en vrede. In die rust is er alle tijd om een medemens te helpen. In die vrede zie je ook ineens de medemensen aan wie onrecht wordt aangedaan. Volgens de briefschrijver is die rust en is die vrede alleen te vinden voor mensen die hardnekkig blijven geloven in de komst van die nieuwe samenleving. Die samenleving waar alle tranen zullen zijn gewist en waar iedereen voldoende te eten heeft.

Want als je niet geloofd in die nieuwe samenleving dan blijf je oorlog voeren met je medemensen, dan wordt je bang voor iedereen die iets anders gelooft en moet je met harde woorden iedereen bestrijden die iets anders gelooft, dan heb je geen ruimte meer voor het voeren van debat met je tegenstanders maar dan schreeuw je het uit, dan gooi je met vuurwerk en stenen uit angst voor de ander. De briefschrijver wijst ook hier weer op het Oude Testament. God heeft de wereld geschapen en ruste op de zevende dag. Maar voordat mensen mee kunnen delen in die Sabbatsrust moet er nog wel wat gebeuren. Want toen God de wereld geschapen had zag hij dat het goed was. En als wij kijken dan zien we helemaal niet dat de wereld goed is. Er worden nog steeds oorlogen gevoerd, er worden nog steeds mensen door regeringen ter dood gebracht, er zijn nog steeds veel te veel mensen die niet te eten hebben, de gezondheidszorg is zeker niet voor iedereen op de wereld beschikbaar, er zijn nog steeds onrechtvaardige handelsverhoudingen, er zijn nog steeds zeer grote inkomensverschillen, hebzucht en eerzucht regeren nog steeds banken, staten en grote bedrijven.

De wereld is dus nog lang niet klaar, niet zoals God die heeft gewild. In menselijke termen zal het nog wel een tijdje duren voordat de zevende dag aanbreekt. Wie daarom het verhaal letterlijk neemt dat de wereld in zes dagen geschapen zou zijn neemt dit gedeelte van de brief uit de Hebreeën niet serieus. Want hier klinkt de oproep om aan die andere wereld te werken zodat de rust en de vrede hun intrede doen die God had bedoeld voor de mensen toen hij de wereld geschapen had en zag dat het goed was. Voor God is de dag van de schepping en de dag van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde dezelfde dag. Ook dat wil de briefschrijver ons hier duidelijk maken. Daarom is dit verhaal ook als een tweesnijdend zwaard. Het maakt haarscherp duidelijk wie er wel en wie er niet bij horen. Wie geeft de aanbidding van welvaart en succes op en stelt zich geheel en al in dienst van de liefde voor de naaste, die de liefde is voor God,  en wie doet dat niet? Half kan niet, het valt ook niet te combineren, je doet mee of je doet niet mee, iets anders is er niet. Kiezen voor die nieuwe wereld is kiezen voor het leven, maak die keuze vandaag nog en laat ons in die Geest aan het werk gaan.