Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor februari, 2016

Jij bent priester voor eeuwig.

maandag, 29 februari, 2016

Hebreeën 7:11-28

11 ¶  Had het Levitische priesterschap-dat de basis vormde voor de wet die het volk ontving-de volmaaktheid gebracht, dan zou het niet nodig zijn geweest dat er een andere priester werd aangesteld, die was zoals Melchisedek, en niet zoals Aäron. 12  Maar wanneer de aard van het priesterschap verandert, verandert onherroepelijk ook de wet. 13  Welnu, degene over wie dit alles wordt gezegd, behoort tot een andere stam, waarvan niemand zich in dienst van het altaar gesteld heeft. 14  Het is immers bij iedereen bekend dat onze Heer is voortgekomen uit Juda, en deze stam is door Mozes nooit met priesters in verband gebracht. 15  Nog duidelijker wordt het als we ons realiseren dat deze nieuwe priester, het evenbeeld van Melchisedek, 16  geen priester geworden is op grond van de in de wet vereiste menselijke afstamming, maar door de kracht van zijn onvergankelijk leven. 17  Over hem wordt immers verklaard: ‘Jij zult voor eeuwig priester zijn, zoals ook Melchisedek dat was.’ 18  Het eerder gegeven gebod wordt ongeldig verklaard omdat het te beperkt is en niet voldoet 19  de wet heeft trouwens in geen enkel opzicht de volmaaktheid gebracht-, maar de hoop op iets beters treedt ervoor in de plaats, waardoor wij weer dichter tot God kunnen naderen. 20  Bovendien is er sprake van een bekrachtiging onder ede. De Levitische priesters ontvingen het priesterschap zonder dat het door een eed bekrachtigd werd, 21  Jezus daarentegen ontving het mét een dergelijke bekrachtiging, toen tegen hem werd gezegd: ‘De Heer heeft gezworen, en komt op zijn eed niet terug: “Jij bent priester voor eeuwig.”’ 22  Daardoor staat Jezus garant voor een veel beter verbond. 23  Zij volgden elkaar generaties lang op, omdat de dood hun belette priester te blijven, 24  terwijl hij priester zonder opvolger is, omdat hij tot in eeuwigheid blijft. 25  Zo kan hij ieder die door hem tot God komt volkomen redden, omdat hij voor altijd leeft en zo voor hen kan pleiten. 26  Een hogepriester als hij hadden we ook nodig, iemand die heilig, schuldeloos en zuiver is, van de zondaars afgescheiden en ver boven de hemel verheven. 27  Hij hoeft niet, zoals de andere hogepriesters, elke dag eerst offers op te dragen voor zijn eigen zonden en dan voor die van het volk; dat heeft hij immers voor eens en altijd gedaan toen hij het offer van zijn leven bracht. 28  De wet stelt mensen aan als hogepriester, en mensen zijn behept met zwakheid, maar met de bekrachtiging onder ede die later werd uitgesproken dan de wet, is de Zoon aangesteld, die voor altijd de volmaaktheid heeft bereikt. (NBV)

Het zal voor de Joden in de nieuwgevormde Christengemeenschappen raar geweest zijn als ze zomaar horen spreken over Jezus van  Nazareth als priester en zelfs als Hogepriester. Leuk natuurlijk dat Jezus van Nazareth vergeleken wordt met Melchisedek de priester koning van Salem, maar dat was een Heiden, Jezus van Nazareth was een Jood. In de woestijn, toen het volk van Israël de onderwijzing van Mozes ontving, was de stam van Levi aangewezen als dienaren van de Tora. Zij hadden geweigerd om het gouden kalf te aanbidden dat als symbool van de nieuwe God van Israël was gegoten. Volgens hen was die God niet een God van vruchtbaarheid maar een God van bevrijding. Zij hadden het goed begrepen. Maar de richtlijn van heb Uw naaste lief als Uzelf was een wet geworden zoals de Romeinse wetten, met saaie en dorre regeltjes waar gewone mensen geen weg in weten en met uitspraken van geleerde rechters die door nog minder mensen begrepen worden. Het is een poging eerlijk en onafhankelijk de mensen te behandelen maar het houdt geen rekening met de mensen zelf.

De manier waarop Jezus van Nazareth met die Wet was omgegaan werd de nieuwe maat waarmee de christengemeenschappen zichzelf wilden meten. Bevrijdend voor mensen die gevangen zaten in angst en onderdrukking, in liefde voor minsten in de samenleving. Voor de Joden in de nieuwe christengemeenschappen zal het citaat uit Psalm 110, dat ook hier boven deze overweging staat, als een mokerslag hebben gewerkt. Als Jezus van Nazareth op basis van die uitspraak Hogepriester was geworden dan betekent het dat iedereen Priester was geworden, Joden en Heidenen. Daarmee was die vergelijking met Melchisedek ook een heel logische vergelijking geworden. Alleen de Hogepriester had op de Grote Verzoendag de taak om de zonden van het volk op zich te nemen en God te vragen om vergeving. Dat had Jezus van Nazareth aan het kruis gedaan, door de liefde voor de naaste ook door de dood heen te dragen had hij het mogelijk gemaakt dat iedereen daar telkens opnieuw mee konden beginnen.

De andere priesters hadden tot taak de maaltijden te bereiden die mensen met elkaar, met hun familie, de armen en de vreemdelingen en met de dienaren in de Tempel moesten houden. Zij moesten er voor zorgen dat mensen zich konden reinigen, dat er dieren waren waar niets aan mankeerde en dat het geld dat gebruikt werd om het eten te kopen geen afbeelding van mensen had. Die offermaaltijd was de godsdienstoefening die door Jezus van Nazareth was overgenomen en die ze elk eerste dag van de week hielden in het delen van brood en wijn. Dat is een oefening die ook wij kunnen doen. In elke voedselbank kun je zorgen voor maaltijden met de armsten in je stad, door eerlijke handelsverhoudingen te eisen en alvast te kopen bij Fair Trade winkels kun je delen met de armen in de hele wereld. Daarmee worden we een volk van Priesters en Koningen, zo werden die eerste christengemeenschappen ook wel genoemd. Waarom zou dat vandaag niet op ons kunnen slaan?

Koning van de gerechtigheid

zondag, 28 februari, 2016

Hebreeën 7:1-10

1 ¶  Want deze Melchisedek, koning van Salem en priester van de allerhoogste God, ging Abraham tegemoet toen deze terugkeerde van zijn overwinning op de koningen, en zegende hem, 2  waarna Abraham hem een tiende van alle buit gaf. Zijn naam betekent ‘koning van de gerechtigheid’, en verder is hij ook koning van Salem, dat is ‘koning van de vrede’. 3  Hij heeft geen vader of moeder, geen stamboom, geen oorsprong of levenseinde en lijkt op de Zoon van God-hij is priester voor altijd. 4  Geef u rekenschap van zijn grootheid: Abraham, de aartsvader, gaf hem een tiende van wat hij had buitgemaakt. 5  De afstammelingen van Levi die het priesterambt ontvangen, moeten volgens de wet tienden heffen van het volk, dat wil zeggen van hun broeders en zusters, die toch ook nakomelingen van Abraham zijn. 6  Maar hoewel hij niet met hen verwant was, heeft Melchisedek tienden geïnd van Abraham en hem gezegend aan wie de beloften gedaan zijn. 7  Het staat buiten kijf dat de mindere altijd gezegend wordt door de meerdere. 8  Bovendien worden in het ene geval tienden ontvangen door sterfelijke mensen, in het andere door iemand van wie wordt getuigd dat hij leeft. 9  Zo zouden we dan kunnen zeggen dat ook Levi, de ontvanger van tienden, tienden afgedragen heeft, en wel via Abraham, 10  aangezien Levi nog in de schoot van zijn vader was toen Melchisedek Abraham tegemoet kwam. (NBV)

De schrijver van de preek voor de Hebreeën is zeer geïntrigeerd door het verhaal uit Genesis 14 over de ontmoeting van Abraham met Melchisedek de koning van Salem. Dat was vanuit Joods standpunt een Heiden, maar hij was toch priester en koning tegelijk. De geschiedenis van deze priester koning is onbekend maar hij leeft voort in de Bijbel en dat wordt in de eerste plaats benadrukt door de schrijver van deze brief. Bijzonder is niet alleen wat die priester koning deed maar ook de reactie van Abraham. Die erkende kennelijk het priesterschap van Melchisedek want hij gaf hem 10 procent van de opbrengst van de oorlog die hij had gevoerd. Die 10 procent is evenveel als de Joden aan de Tempeldienaars de levieten moesten geven. Die 10 procent voor de levieten had overigens een andere achtergrond. Toen het land Israël onder de stammen werd verdeeld kregen de levieten geen land. Zij kregen tot taak recht te spreken en de dienst aan God te onderhouden, de Tempeldiensten te verrichten en te zorgen dat het volk op de hoogte zou blijven van de leer van Mozes die het volk in de Woestijn had ontvangen.

Die priester koning Melchisedek werd daardoor echter wel nog meer bijzonder. Hij immers had nergens naar gevraagd toen Abraham Lot had bevrijd en de vijanden van Kanaaän had verslagen. Hij was Abraham tegemoet gekomen met brood en wijn en had Abraham gezegend in naam van God de allerhoogste, schepper van hemel en aarde. Zo spraken ook de Joden over hun God en de Christenen kenden het delen van brood en wijn maar al te goed, dat deden ze elke week weer ter nagedachtenis van Jezus van Nazareth.  Abraham had aan Melchisedek 10 procent van de buit gegeven als antwoord op de zegen maar aan de koning van Sodom geweigerd iets te geven, die had mogen nemen wat van hem gestolen was. Abraham had de mensen die gevangen genomen waren bevrijd maar wilde daar zelf niet rijk van worden. Dat was nog eens rechtvaardig. Melchisedek betekent in het Hebreeuws rechtvaardige koning en de naam van zijn stad Salem werd later beschouwd als een oude naam voor Jeruzalem, daar werd als eerste in een stad de naam van de God van Israël hoog gehouden.

Maar, wil deze preekschrijver ons vertellen, die Godsdienst is niet exclusief voor de Joden, die is begonnen met Abraham, maar die was ook al begonnen met Melchisedek. Die levieten kunnen nog zo dik doen en vinden dat ze belangrijk zijn maar het gaat er uiteindelijk om wie de rechtvaardige genoemd wil worden. Abraham gaf daarvoor het goede voorbeeld, hij kwam op voor de mensen wiens gasten hij en zijn neef waren en wilde daarvan niet profiteren. Priester Koning Melchisedek herkende dit als de weg van zijn God en beloonde dat. Wij mogen ons opnieuw afvragen hoe het zit met recht en rechtvaardigheid. Als we mensen in arme landen willen helpen moet onze industrie daar dan rijker van worden? Of zorgen we dat de mensen zelf er op vooruitgaan? Het is de actuele vraag in ontwikkelingssamenwerking, het zou geen vraag moeten zijn in Kerk in actie, zoals Melchisedek noch Abraham vragen stelde als het ging om gerechtigheid. We mogen er elke dag aan werken, ook vandaag weer.

Dan komt er duisternis over Egypte

zaterdag, 27 februari, 2016

Exodus 10:21–11:10

21 ¶  De HEER zei tegen Mozes: ‘Strek je arm uit naar de hemel, dan komt er duisternis over Egypte, een duisternis zo dicht dat ze tastbaar is.’ 22  Mozes strekte zijn arm uit naar de hemel, en toen was heel Egypte in diepe duisternis gehuld, drie dagen lang. 23  Drie dagen lang konden de mensen elkaar niet zien en kon niemand een stap verzetten. Maar waar de Israëlieten woonden was het licht. 24  Toen ontbood de farao Mozes en zei: ‘Ga de HEER dan maar vereren. Jullie kinderen mogen mee, maar jullie schapen, geiten en runderen moeten jullie hier laten.’ 25-26 Mozes antwoordde: ‘Zelfs al zou u ons offerdieren ter beschikking stellen, dan nog moet ons eigen vee mee-geen enkel dier mag er achterblijven-want we moeten de HEER, onze God, een offer brengen van dieren uit onze eigen kudden, en pas als we op de plaats van bestemming zijn, weten we waarmee we hem moeten vereren.’27  Maar de HEER zorgde ervoor dat de farao hardnekkig bleef weigeren hen te laten gaan. 28  ‘Uit mijn ogen!’ beval hij. ‘En waag het niet u nog eens te laten zien. Als u hier nog eens verschijnt, wordt dat uw dood.’ 29  ‘Zoals u wilt, ‘antwoordde Mozes, ‘ik zal u niet nog eens onder ogen komen.’ 1 ¶  De HEER zei tegen Mozes: ‘Ik zal de farao en Egypte met nog één plaag treffen, daarna zal hij jullie laten gaan. Hij zal jullie zelfs het land uit jagen, niemand uitgezonderd. 2  Zeg tegen het volk dat iedereen zilveren en gouden sieraden aan zijn buren moet vragen, de mannen aan hun buurman, de vrouwen aan hun buurvrouw.’ 3  De HEER zorgde ervoor dat de Egyptenaren het volk goedgezind waren. Mozes stond zelfs in hoog aanzien bij de hovelingen en bij het Egyptische volk. 4 ¶  Toen zei Mozes tegen de farao: ‘Dit zegt de HEER: Tegen middernacht zal ik rondgaan door Egypte, 5  en dan zullen alle eerstgeborenen in het land sterven, van de eerstgeborene van de farao, zijn troonopvolger, tot de eerstgeborene van de slavin die de handmolen bedient, en ook al het eerstgeboren vee. 6  Overal in Egypte zal luid gejammerd worden, zo luid als men nog nooit heeft gehoord en ook nooit meer horen zal. 7  Maar van de Israëlieten zal niemand een haar gekrenkt worden, en ook hun vee zal niets overkomen. Dat zal u doen beseffen dat de HEER onderscheid maakt tussen Egypte en Israël. 8  Al deze hovelingen hier zullen naar mij toe komen en mij op hun knieën smeken om dit land te verlaten en mijn hele volk mee te nemen. En dat zal ik doen ook.’ Hierop verliet Mozes woedend het paleis. 9  De HEER had tegen Mozes gezegd: ‘De farao zal niet naar jullie luisteren. Zo kan ik des te meer wonderen in Egypte laten gebeuren.’ 10  Al deze wonderen hadden Mozes en Aäron daarna in het bijzijn van de farao verricht, en de HEER had ervoor gezorgd dat de farao hardnekkig bleef weigeren de Israëlieten uit zijn land weg te laten gaan. (NBV)

De Bijbel begint met het verhaal over de aarde en hoe die woest en ledig was. De Geest van God zweefde over de wateren en God besluit die woeste en lege aarde te vullen en tot mensenland te maken. Het begint met het maken van de scheiding tussen duisternis en licht. En nu de bevrijding van de slaven uit Egypte naderbij komt wordt er opnieuw scheiding gemaakt tussen het duister en het licht. Het is alsof de God van Israël opnieuw de aarde tot mensenland gaat maken. Dat het een Godsdaad is wordt in dit verhaal tot uitdrukking gebracht door het drie dagen te laten duren. Dat is het getal van de volheid, het goddelijk getal. Christenen zullen direct denken aan de drie dagen dat Jezus van Nazareth in het graf was afgedaald. Vroeger werd wel verteld dat hier al vooruitgelopen werd op die begrafenis. Maar het omgekeerde is het geval, ook Jezus van Nazareth maakte de drie duistere dagen van Egypte door.  Voor de Egyptenaren is het duidelijk, prima mensen die Hebreeuwse slaven maar ze zijn ons volk niet. En als het gaat om de bevrijding van slaven dan gaat het niet aan om net te doen of ze er bij horen.

In de literatuur over de slavernij in Amerika lees je dat telkens terug. Natuurlijk waren er aardige en menselijk blanken die hun slaven menselijk behandelden. Maar het onderscheid tussen blanken en zwarten bleef, slaven bleven slaven en zelfs nadat de slavernij was afgeschaft, na een bloedige burgeroorlog, bleef het verschil bestaan. Tot ver in de tweede helft van de vorige eeuw bestonden er zelfs verschillen in wettelijk vastgelegde rechten van burgers tussen blanke en zwarte burgers. Een burgerrechtenbeweging en een democratische president, die zijn toekomst op het spel durfde zetten, waren nodig om die verschillen uit de wetten te krijgen. En het duurde tot deze eeuw voordat de eerste gedeeltelijk zwarte president werd gekozen en in tal van Amerikaanse media wordt nog het verschil gemaakt tussen blanken en zwarten en worden zwarten als voormalige slaven als minderen bestempeld. Veel mensen vragen zich af hoe het nu zit met de God van Israël, waarom toch zo wreed tegen de Egyptenaren die toch de slaven in hoog aanzien hadden. De God van Israël wilde scheiding maken tussen goed en kwaad, tussen mensenland en chaos.  De vraag was niet wie er aardig was en wie niet maar de vraag was wie er bij wilde horen of niet.

In ons land komen mensen op voor kinderen die hier geboren zijn en die uitgewezen dreigen te worden. Die kinderen horen bij ons volk is dan de opvatting, ook al ligt dat niet vast in onze wetten, wie in ons midden is geboren en getogen hoort bij ons, een scheiding tussen hen en ons is niet te maken. Zo maakte de God van Israël een scheiding tussen het volk van Egypte en het volk van Israël. Waar willen wij bij horen? Horen wij bij de armen in de wereld, bij de kinderen die in ons midden zijn geboren, bij de hongerenden met wie wij niet kunnen delen, met de gevangenen om gewetens wil die op komen voor de mensenrechten die wij met hen samen hadden vastgesteld in de Verenigde Naties. bij de vluchtelingen die gedwongen door armoede, geweld of onderdrukking hier een veilig thuis zoeken. Of horen wij bij de rijken in de wereld, die hun rijkdom ophopen en elke poging om hen te laten delen met geweld en vertoon van macht verijdelen. Alle wonderen die Mozes en Aäron in het bijzijn van de farao hadden verricht waren er op gericht te laten zien dat er ook een land kan zijn waar mensen in vrede en veiligheid kunnen wonen. Voor ons Heidenen heeft die God van Israël uiteindelijk zelfs zijn zoon gegeven om ons voor te doen hoe wij moeten handelen om te laten zien dat wij bij die God willen horen, in het land van die God willen wonen.

 

Laat die Israëlieten toch gaan

vrijdag, 26 februari, 2016

Exodus 10:1-20

1 ¶  De HEER zei tegen Mozes: ‘Ga naar de farao, want ik heb hem en zijn hovelingen zo halsstarrig gemaakt om in Egypte al deze wonderen te kunnen doen. 2  Ook wil ik dat jij aan je kinderen en kleinkinderen kunt vertellen hoe hard ik tegen de Egyptenaren ben opgetreden en welke wonderen ik bij hen heb verricht. Dan zullen jullie inzien dat ik de HEER ben.’ 3  Mozes en Aäron gingen naar de farao en zeiden: ‘Dit zegt de HEER, de God van de Hebreeën: Hoe lang blijft u nog weigeren u aan mij te onderwerpen? Laat mijn volk gaan om mij te vereren. 4  Weigert u mijn volk te laten gaan, dan stuur ik morgen sprinkhanen op uw rijk af. 5  Die zullen het land in zulke dichte zwermen bedekken dat er geen stukje grond meer te zien is. Ze zullen het weinige dat er na de hagel is overgeschoten opvreten en alle bomen die weer uitgelopen zijn kaalvreten. 6  Uw paleis en de huizen van uw hovelingen en van alle andere Egyptenaren zullen er vol mee komen te zitten. Zoiets is op aarde nog nooit voorgevallen, eerdere generaties hebben zoiets nooit meegemaakt.’ Hierna keerde Mozes zich om en verliet het paleis. 7  De hovelingen zeiden tegen de farao: ‘Hoe lang moet die man ons nog in de ellende storten? Laat die Israëlieten toch gaan om de HEER, hun God, te vereren. Ziet u dan nog steeds niet in dat Egypte zo te gronde gaat?’ 8  Daarop werden Mozes en Aäron opnieuw bij de farao gebracht, en nu zei deze: ‘Ga de HEER, jullie God, dan maar vereren. Maar wie gaan er eigenlijk mee?’ 9  Mozes antwoordde: ‘We gaan met jong en oud, met onze zonen en dochters, en we nemen ook onze schapen, geiten en runderen mee, want we gaan ter ere van de HEER een feest vieren.’ 10  ‘Ik zou jullie nog eerder de hulp van de HEER toewensen, ‘zei de farao, ‘dan dat ik jullie met je kinderen laat gaan! Jullie zijn niet veel goeds van plan. 11  Het gebeurt niet! Alleen de mannen mogen gaan om de HEER te vereren. Dat is toch wat jullie wilden?’ En hij liet hen uit het paleis wegjagen. 12 ¶  Toen zei de HEER tegen Mozes: ‘Strek je arm uit over Egypte, dan komen er sprinkhanen, die alle planten zullen opvreten die de hagel heeft overgelaten.’ 13  Mozes strekte zijn staf uit over Egypte, en toen liet de HEER die hele dag en die hele nacht een oostenwind over het land waaien. Toen de morgen aanbrak, had de wind de sprinkhanen aangevoerd. 14  In grote zwermen streken ze in heel Egypte neer. Nooit eerder was er zo’n sprinkhanenplaag geweest en nooit zal er meer zo’n plaag komen. 15  Overal zag de grond zwart van de sprinkhanen. Ze vraten alle planten en vruchten op die de hagel had overgelaten, zodat er nergens in Egypte aan bomen of planten nog iets groens te bekennen viel. 16  Haastig ontbood de farao Mozes en Aäron. ‘Ik heb gezondigd tegen de HEER, uw God, en tegen u, ‘zei hij. 17  ‘Vergeef me mijn zonde nog deze ene keer en bid de HEER, uw God, dat hij mij nog van deze ene dodelijke plaag verlost.’ 18  Hierop verliet Mozes het paleis en bad tot de HEER.19  En de HEER liet de wind draaien en aanzwellen tot een krachtige westenwind, die de sprinkhanen de Rietzee in joeg. In heel Egypte bleef geen sprinkhaan over.20  Maar de HEER zorgde ervoor dat de farao hardnekkig bleef weigeren de Israëlieten te laten gaan.  (NBV)

Nadat het gerst en het vlaszaad voor de armen was vernield door de hagel en de bliksem zijn nu ook de tarwe en de spelt aan de beurt om verwoest te worden. Daar blijft het overigens niet bij want de sprinkhanen  vreten alles op wat plantaardig is. Een plaag die ook vandaag de dag nog wel in Afrika voorkomt. Nog steeds wil die farao niet echt het volk Israël laten gaan. Nu mogen wel de mannen, maar niet de kinderen, de vrouwen en het vee. Ook eerder al werd het vee uitgezonderd van de toestemming, maar die bleef nu beperkt tot de mannen. En aangezien voor Mozes en Aäron er geen onderscheid is tussen mannen en vrouwen, tussen jong en oud, en het vee nodig is om te offeren aan de God van Israël neemt Mozes het aanbod van de farao niet aan. Als hij dan uit het paleis wordt gejaagd rest er niets anders dan de sprinkhanen op te roepen die alle planten moeten opvreten die de hagel heeft overgelaten.

De komst van de sprinkhanen wordt verteld alsof het volk Israël al in het beloofde land is gaan wonen. In het Oosten ligt daar de woestijn waaruit die zwermen sprinkhanen soms komen opzetten en in het Westen ligt de zee waarvandaan de wind komt die de sprinkhanen verdrijft. De onontkoombaarheid voor Egypte om de slaven te laten gaan wordt in deze plaag meer dan eens duidelijk. Heel Egypte gaat hieraan ten gronde. Daarom smeekt de farao of de God van Israël die dood van hem weg wil nemen en van de sprinkhanen staat er dat er geen een meer overbleef, ze verdronken in de rietzee, zoals overigens van het leger van de farao gezegd zal worden dat er geen een meer overbleef, nadat ook het leger in de rietzee verdronken was. Dit verhaal laat al zien hoe er met de opvreters zal worden omgegaan nog zonder die opvreters ook met name te noemen. De plagen van Egypte zijn dan ook uitdrukkelijk bedoeld om de macht van de God van Israël duidelijk te maken.  Als je elkaar weet te respecteren, als je met elkaar weet te delen, als je de arbeider een goed loon en een fatsoenlijke behandeling weet te geven dan zal het uiteindelijk ook goed gaan. Maar als je het tegendeel doet dan zal het slecht met je aflopen.

We hebben dat een paar jaar geleden gezien toen de schoonmakers gingen staken, iedereen die met een trein ging merkte hoe belangrijk schoonmakers zijn. Maar als grote bedrijven als de NS en Prorail weigeren de schoonmakers een fatsoenlijk loon te garanderen dan rest die schoonmakers niet anders dan te staken. In het verhaal dat we vandaag lezen maakt het volk Israël gebruik van het verschil tussen landbouwers en veetelers. Die veetelers hebben nog wel even te eten nadat het groen is opgevreten door de sprinkhanen maar de landbouwers zijn in een klap alles kwijt. Wat de Egyptenaren moeten leren is dat landbouwers en veetelers met elkaar moeten delen. Zoals wij moeten leren dat de rijke noordelingen moeten delen met de arme zuiderlingen. Want vanuit ons Europa gezien wonen de rijken in het noordelijk gedeelte van de aarde en de armen overwegend in het zuidelijk deel. Ook wij zullen moeten leren dat pas als we armen en rijken gelijk behandelen, gelijke kansen geven en gelijke rechten en mogelijkheden er voor iedereen genoeg is en gerechtigheid geschiedt aan alle mensen. Daar kunnen we zelf aan werken.

Donderen en hagelen

donderdag, 25 februari, 2016

Exodus 9:13-35

13 ¶  De HEER zei tegen Mozes: ‘Wacht de farao morgen in alle vroegte op en zeg tegen hem: “Dit zegt de HEER, de God van de Hebreeën: Laat mijn volk gaan om mij te vereren. 14  Dit keer tref ik uzelf, uw hovelingen en uw volk met mijn zwaarste plaag, dan zult u beseffen dat er op de hele aarde niemand is als ik. 15  Ik had mijn hand allang naar u en uw volk kunnen uitstrekken en u met de pest kunnen treffen, dan was u al van de aarde weggevaagd. 16  Maar ik heb u alleen in leven gelaten om u mijn macht te tonen en om iedereen op aarde te laten weten wie ik ben. 17  Als u mijn volk nog langer dwarsboomt en het niet laat gaan, 18  zal ik het morgen om deze tijd in Egypte zo zwaar laten hagelen als het nooit eerder heeft gedaan, vanaf de dag dat Egypte ontstaan is tot nu toe. 19  Laat daarom uw vee en alles wat er verder nog buiten is in veiligheid brengen, want alles wat buiten blijft, mens of dier, wordt door de hagel getroffen en komt om.”’ 20  Sommige hovelingen van de farao namen de woorden van de HEER ernstig en brachten hun slaven en vee binnen in veiligheid. 21  Anderen sloegen er geen acht op en lieten hun slaven en vee buiten. 22 ¶  Toen zei de HEER tegen Mozes: ‘Strek je arm uit naar de hemel, dan gaat het in heel Egypte hagelen, op mensen, dieren en planten.’ 23  Mozes hief zijn staf naar de hemel, en toen liet de HEER het donderen en hagelen. Er schoot vuur naar de aarde, en de HEER liet de hagel op Egypte neerkletteren. 24  Zo’n zware hagelbui, waarbij onophoudelijk de bliksem flitste, was er in Egypte nooit eerder gevallen, zolang het volk bestond. 25  Overal in Egypte sloeg de hagel neer op alles wat buiten was, op mensen, dieren en planten; zelfs de bomen werden vernield. 26  Alleen in Gosen, het gebied waar de Israëlieten woonden, hagelde het niet. 27  Toen ontbood de farao Mozes en Aäron en zei: ‘Ditmaal erken ik dat ik gezondigd heb. De HEER staat in zijn recht, de schuld ligt bij mij en mijn volk. 28  Bid tot de HEER dat hij een eind maakt aan die vreselijke donder en hagel. Dan laat ik jullie gaan en hoeven jullie hier niet langer te blijven.’ 29  Mozes antwoordde: ‘Zodra ik de stad uit ben, zal ik mijn handen opheffen naar de HEER. De donder en de hagel zullen ophouden, zodat u beseft dat de aarde aan de HEER toebehoort. 30  Maar ik weet dat u en uw hovelingen nog steeds geen ontzag hebben voor God, de HEER.’ 31  (Het vlas en de gerst waren kapotgeslagen, want de gerst stond al in de aar en het vlas in de knop. 32  Maar de tarwe en de spelt werden niet vernield, want die rijpen later.) 33  Mozes verliet het paleis en zodra hij de stad uit was, hief hij zijn handen op naar de HEER, en toen hielden de donder en de hagel op, en stortte de regen niet langer neer. 34  Toen de farao merkte dat de regen, de hagel en de donder voorbij waren, viel hij terug in zijn zondige houding; hij was onverzettelijk, net als zijn hovelingen. 35  Hardnekkig bleef hij weigeren de Israëlieten te laten gaan, zoals de HEER bij monde van Mozes had aangekondigd. (NBV)

Opnieuw worden Mozes en Aäron naar de farao gestuurd. Ditmaal wordt opnieuw de eis gesteld het volk te laten gaan om hun God te vereren. Maar nu worden er meer waarschuwingen aan toegevoegd. Voor het eerst krijgen de Egyptenaren de kans hun vee en hun bezittingen in veiligheid te brengen. Sommigen doen dit, anderen doen dat niet. Ook de ramp zelf wordt uitvoerig beschreven, het zal gaan hagelen zoals men nog nooit in Egypte heeft gezien. Eigenlijk krijgt die farao een bijzondere boodschap, jouw hart is net zo hard als de hagelkorrels die alles zullen vernietigen waar je van zou moeten houden, je vee, je slaven en je land. Maar uit de reactie van de hovelingen valt al de reactie van de farao op te maken. De hagel en de bliksem zullen de farao diep onder de indruk laten raken, maar gaan laat hij het volk niet. De plagen die Egypte treffen in de aanloop naar de uittocht worden in de 40 dagen voor Pasen op zondag ook in veel kerken gelezen.

Tarwe en spelt bleven gespaard in de hagel en onweersstormen, maar tarwe en spelt waren bestemd voor het brood voor de rijken. Ook de farao en zijn hovelingen moeten leren dat kennelijk de armen het eerst het slachtoffer worden van natuurgeweld. In elk geval zullen wij ons dat steeds moeten realiseren. In ons rijke land bestaat de mogelijkheid om nieuwe technologie te ontwikkelen om de schade aan het klimaat te beperken of zelfs achterwege te laten. Dat zullen we moeten doen ten behoeve van de armen en die technologie zullen we ook met de armen moeten willen delen.  Mozes gelooft niks van de schuldbelijdenis van de farao. Al eerder heeft de farao beloofd dat het volk zou mogen gaan als de ramp zou ophouden en ook nu beloofd hij het. De farao geeft zelfs toe dat hij zelf schuld heeft aan de ramp die het land is overkomen.  Voor de farao was er nog voldoende tarwe en spelt, voor de armen in zijn land was het heel wat erger dat de gerst oogst was vernield en de vlasoogst mislukt. Want van gerst werd met behulp van de uit het vlaszaad geperste olie het brood voor de armen gebakken.

Mozes had gelijk de farao niet te vertrouwen. Toen de hagel en de bliksem weer waren verdwenen waren ook de goede voornemens van de farao weggesmolten. Hagel mag dan wel hard aankomen, het smelt ook weer en verandert geen mensen. Het zal nog dichter op de huid van de farao moeten komen. Zelfs de grootste en zwaarste tovertrucs brengen mensen niet uit de slavernij. Dat laatste geld ook in onze dagen. In de kritiek op ontwikkelingssamenwerking hoor je nog al eens dat armoede nog steeds voortduurt ondanks de hulpverlening. We denken dan dat een aalmoes wel de problemen zal oplossen, maar aalmoezen lossen nooit iets op. Veel van de landbouwprojecten zijn geslaagd, alleen blijven de boeren arm omdat ze hun producten niet kunnen afzetten, ze kunnen niet concurreren met de rijke boeren uit het westen.  Als Mozes en Aäron uit het paleis verdwenen zijn, als bij ons de ramp van de televisie verdwenen is, dan zijn de beloften vergeten en weet niemand meer welke schrijnende beelden er ook al weer waren. Als we werkelijk wat willen voor de armen in de wereld dan moet dat via rechtvaardige handel, de Fair Trade.  Dan bevrijden we echt volkeren uit de slavernij van de armoede.

Al het vee van de Egyptenaren stierf

woensdag, 24 februari, 2016

Exodus 9:1-12

1 ¶  De HEER zei tegen Mozes: ‘Ga naar de farao en zeg tegen hem: “Dit zegt de HEER, de God van de Hebreeën: Laat mijn volk gaan om mij te vereren. 2  Weigert u dat en houdt u hen nog langer vast, 3  dan zal de HEER in alle hevigheid de pest laten uitbreken onder uw vee, onder de paarden, ezels, kamelen, runderen, schapen en geiten. 4  De HEER zal onderscheid maken tussen het vee van de Israëlieten en dat van de Egyptenaren: de Israëlieten zullen geen enkel dier verliezen. 5  De HEER heeft het tijdstip al vastgesteld: morgen zal hij Egypte met deze plaag treffen.”’ 6  De volgende dag deed de HEER wat hij had gezegd. Al het vee van de Egyptenaren stierf, maar de Israëlieten verloren geen enkel dier. 7  De farao liet navraag doen en kreeg te horen dat er bij de Israëlieten niet één dier gestorven was. Toch bleef hij hardnekkig weigeren het volk te laten gaan. 8 ¶  De HEER zei tegen Mozes en Aäron: ‘Neem allebei een handvol as uit een oven, en laat Mozes dat dan voor de ogen van de farao in de lucht gooien. 9  Overal in Egypte zal het als fijn stof neerdwarrelen en bij mens en dier ontstekingen veroorzaken waardoor ze etterende puisten krijgen.’ 10  Dus haalden ze as uit een oven en dienden zich bij de farao aan. Toen Mozes de as in de lucht wierp, kwamen mensen en dieren onder de etterende puisten te zitten. 11  De magiërs konden zich tegenover Mozes niet staande houden, want ook zij kregen ontstekingen, net als de andere Egyptenaren. 12  Maar de HEER zorgde ervoor dat de farao hardnekkig bleef weigeren naar Mozes en Aäron te luisteren, zoals hij tegen Mozes gezegd had. (NBV)

Ongelooflijk, bij de Israëlieten stierf er geen een dier. De farao kon het nauwelijks geloven en liet speciaal navraag doen. We zijn op helft, dit is de vijfde plaag. De kudde van Egypte wordt getroffen met de pest, naar het woord van de Heer. Ook hier laat de vertaling ons in de steek, want in het Hebreeuws rijmt “woord” op pest. En alle paarden, ezels, kamelen, runderen, schapen en geiten vielen aan de pest ten prooi. De rijkdom en de vruchtbaarheid van Egypte wordt grondig afgebroken. En langzaam begint zich een patroon af te tekenen. De magiërs die in het begin nog hetzelfde konden als Mozes en Aäron zijn al lang buitenspel gezet, zij hebben toegegeven dat er een machtige God aan het werk is. Het levenswater van Egypte werd het dode bloed, de vruchtbare god van de kikkers verstikte het leven, het stof werd een kriebelende plaag, de grond bracht agressieve steekvliegen voort en dan nu werd al het vlees, al het zuivel en de rijkdom van Egypte ten prooi aan de God van Israël. Maar de kuddes van de slaven bleven gespaard. Al eerder had de farao aangeboden dat de kuddes mochten blijven en de slaven mochten gaan maar dat had Mozes niet aanvaard en nog eens zouden die kuddes voorwerp van onderhandeling worden. Maar hoe ernstig de plagen ook waren, hoe veel schade ze ook toebrachten aan het volk van Egypte, het kon de farao niet deren, hij liet het volk niet gaan. rechtvaardige beloning, zorg voor de zwakken in de hele wereld onze verantwoordelijkheid is. Dat we ook in deze tijden van economische teruggang een samenleving moeten opbouwen waar de armen bevrijd worden van armoede. Anders lopen ook wij gevaar dat we van crisis naar crisis gaan, crises waarbij steeds de armen het eerst slachtoffer worden. Aan die andere manier van omgaan met elkaar mogen we ook vandaag weer gaan werken.

De reactie van de God van Israël komt de Egyptenaren steeds dichter op de huid te zitten. Mozes en Aäron moeten vuisten vol as uit een oven nemen en als Mozes dat in de lucht gooit krijgen mensen en dieren etterende puisten. Beestachtig gedrag van de mensen maakt dat ze even vatbaar worden als de beesten en dezelfde ziektes krijgen. We spreken over vuisten vol as omdat die manier van vertalen de agressiviteit van de reactie op de voortdurende weigering het volk te laten gaan het beste tot uitdrukking brengt. Ook de Statenvertaling en de Naardense Bijbel vertalen al met vuisten vol as en niet zoals de Nieuwe Bijbelvertaling met een handvol as, dat klinkt toch veel vriendelijker en om het modern te zeggen: veel te soft. Nu worden voor het eerst ook heel uitdrukkelijk de Egyptische magiërs zelf slachtoffer van de machtsdemonstratie van Mozes en Aäron.  Mozes en Aäron gaan naar de farao, halen de as uit de oven, gaan voor de farao staan en dan gooit Mozes zijn as in de lucht. Daar zijn de etterende puisten. Nu was uitslag met brandende blaren niet ongewoon in Egypte, maar deze etterende puisten gingen stappen verder zeker als mensen en dieren getroffen werden door dezelfde ziekte. Voor de Hebreeën zal dit een herinnering te weeg brengen die hen later de wetten voor onreinheid doet formuleren, wetten die wij kennen als de wetten tegen de huidvraat. Zoals de Egyptenaren mocht immers niemand worden.

Er hoeft dan ook niet meer gesproken te worden, de farao weet heel goed wat Mozes en Aäron willen en Mozes en Aäron weten dat het de Egyptenaren steeds duidelijker zal worden dat de God van de Hebreeën een machtig God is die niet te weerstaan is, slaven komen altijd vrij, slavernij is nooit eeuwig vol te houden, maar dat zolang de farao niet zelf wordt aangepakt deze zal blijven weigeren het volk te laten gaan. Wij denken nog wel eens dat de afhankelijkheidsrelatie waarin wij de armste volken op aarde gevangen houden voorlopig nog wel even zal kunnen blijven duren. Zelfs in ons eigen land denken sommigen dat ze vol kunnen houden dat de meerderheidscultuur die hier is beter is dan de minderheidscultuur die zich heeft aangediend. Niemand is beter dan een ander is de boodschap van de Bijbel, ja als het er op aan komt zijn we zelfs niet meer dan de dieren, we kunnen de zelfde etterende puisten krijgen. Je zelf beter vinden dan anderen brengt je alleen maar in problemen. Je zult vanuit gelijkwaardigheid samen een samenleving moeten zien te vormen. Afwijzen en uitsluiten, afhankelijk houden en de baas proberen te blijven, leidt uiteindelijk alleen maar tot geweld en ellende, het leidt tot de dood. De Bijbel roept ons op te kiezen voor het leven, ons te voegen in de bevrijding van de slaven, om samen te delen en samen echt een samenleving te vormen waarin alle mensen tot hun recht komen. Daar mogen we vandaag weer mee beginnen.

Het hele land stonk ervan

dinsdag, 23 februari, 2016

Exodus 8:12-28

12 De HEER zei tegen Mozes: ‘Zeg tegen Aäron dat hij met zijn staf op de grond moet slaan, dan zal in heel Egypte het stof veranderen in  Zo gebeurde het. Aäron sloeg met zijn staf op de grond, en meteen zaten er muggen op mens en dier; in heel Egypte veranderde het stof in muggen.14 De magiërs probeerden met hun toverformules ook muggen te voorschijn te brengen, maar zij slaagden daar niet in. Omdat alle mensen en dieren onder de muggen zaten, 15 zeiden de magiërs tegen de farao: ‘Hier moet een god de hand in hebben!’ Maar de farao bleef onverzettelijk, hij wilde niet naar Mozes en Aäron luisteren, zoals de HEER gezegd had.16 De HEER zei tegen Mozes: ‘Wacht de farao morgen in alle vroegte op wanneer hij naar de rivier gaat, en zeg tegen hem: “Dit zegt de HEER: Laat mijn volk gaan om mij te vereren.17 Wilt u mijn volk niet laten gaan, dan stuur ik steekvliegen af op u en op uw hovelingen, uw volk en uw huizen. In de huizen van de Egyptenaren en waar ze maar gaan of staan, zal het wemelen van de steekvliegen. 18 Maar ik zal die dag een uitzondering maken voor Gosen, het gebied waar mijn volk woont, daar zullen de steekvliegen niet komen. Zo zal ik u doen beseffen dat ik, de HEER, aanwezig ben in uw land.19 Ik zal mijn volk vrijwaren voor de plaag die uw volk te wachten staat. Dit wonder zal morgen gebeuren.”’ 20 De HEER deed wat hij had gezegd: hele zwermen steekvliegen drongen het paleis van de farao en de huizen van zijn hovelingen binnen, en overal in het land richtten ze zware schade aan. 21 Toen ontbood de farao Mozes en Aäron. ‘Goed, ‘zei hij, ‘ga uw God maar offers brengen, maar blijf in mijn land.’ 22 ‘Dat is onmogelijk, ‘zei Mozes. ‘De offers die wij de HEER, onze God, moeten brengen, zullen de Egyptenaren weerzinwekkend vinden. Als we in hun bijzijn dergelijke offers brengen, stenigen ze ons nog! 23 Sta ons toe om drie dagreizen ver de woestijn in te trekken om daar aan de HEER, onze God, offers te brengen, zoals hij ons heeft opgedragen.’ 24 ‘Ik laat u gaan, ‘zei de farao, ‘dan kunt u de HEER, uw God, in de woestijn offers brengen. Alleen, u mag niet te ver weg gaan. En bid voor mij.’25 Mozes antwoordde: ‘Zodra ik bij u weg ben zal ik tot de HEER bidden, en morgen zullen de steekvliegen dan bij u, uw hovelingen en uw volk verdwenen zijn. Maar bedriegt u ons niet nog een keer en weiger niet het volk te laten gaan om de HEER offers te brengen.’ 26 Zodra Mozes het paleis uit was, bad hij tot de HEER. 27 En de HEER deed wat Mozes vroeg: de steekvliegen verdwenen bij de farao, zijn hovelingen en zijn volk; niet één bleef er over. 28 Toch weigerde de farao ook dit keer hardnekkig het volk te laten gaan. (NBV)

Eerst had het water gestonken, toen het in bloed veranderd was, en nu stonk het land, van al die dode kikkers. Aan de vruchtbaarheid in Egypte zat een luchtje, nog erger eigenlijk, de Egyptische vruchtbaarheid stonk. En het kon nog erger, het stof op de grond, daar waar het voedsel op verbouwd moest worden, daar waar je over moest lopen en je waren over moest vervoeren, veranderde in stekende muggen, kriebelende insecten. De vertaling is onzeker maar dat het vervelend is geweest mag voor zeker worden aangenomen. Mensen en dieren werden er door geplaagd. En kriebelende steekmuggen irriteren behoorlijk, dan komt er bij menig mens geen vriendelijk woord meer uit. Dieren worden er dan ook nog zeer onrustig en onhandelbaar van. In een samenleving zonder auto’s en treinen, die van transportdieren afhankelijk is raakt alles in wanorde. Zelfs de Egyptische magiërs kunnen niet zoveel onheil veroorzaken, ook zij moesten toegeven dat er achter Mozes en Aäron een machtige God schuil moest gaan. Maar die God van de Hebreeën laat zich niet kennen door onheil en daarom verstarde de Farao opnieuw, pas als er mensen aan te pas komen en dat komt steeds dichter bij de farao van Egypte dan kan bevrijding volgen.

Zit er veel verschil tussen muggen en steekvliegen? Voor ons niet maar dat komt eerder door ons onvermogen om zuiver te vertalen dan door onduidelijkheden in het verhaal. Eerst gaat het over stof dat tot leven kwam in wriemelende en kriebelende beestjes, Dan komt er een mengsel van insecten dat een aanval doet op de mensen, steekvliegen is daar een goed Nederlands woord voor, maar de Naardense Bijbel gebruikt het woord hondsvlieg, de Statenvertaling had het nog gewoon over ongedierte. Neem de vertaling die je leest dus niet te letterlijk en denk dus niet dat je bij redeneringen een vertaling kan gebruiken om je gelijk te bewijzen. Wat vandaag belangrijk is dat is de onderstreping in de boodschap die Mozes en Aäron namens God moeten brengen van het feit dat al die plagen het land Gosen waar de Hebreeën wonen niet treffen. Het gaat immers uiteindelijk om de bevrijding van de slaven. En nood leert bidden, zelfs de farao leert onder grote nood bidden. En als je overal waar je ook bent, in je huis, in je paleis, op het land, buiten in de stad, wordt aangevallen door venijnige vliegbeestjes dan wil je wel. Deze plaag brengt grote schade toe aan het land lezen we. Dat moet je niet te licht opnemen. In het Hebreeuws worden dezelfde woorden gebruikt als voor de zondvloed toen er stond dat de aarde verdorven was.

De ellende die door deze plaag wordt aangericht doet de farao eindelijk toegeven. De Hebreeën mogen tot hun God offeren, maar moeten in Egypte blijven. Dat is natuurlijk niet wat er is gevraagd, Mozes wilde drie dagen de woestijn in om daar te gaan offeren. En dan grijpt Mozes terug op het verhaal over Jozef. Toen die met zijn broers ging eten staat er dat ze dat apart deden omdat samen eten met Hebreeën voor de Egyptenaren afschuwelijk was. Kennelijk waren de etensgewoonten van de beide volkeren wel heel verschillend. En verschillende culturele gewoonten bepalen tot in onze dagen de angsten die volken voor elkaar kunnen hebben, zelfs in ons eigen land geld dat voor grote groepen. Soms is het goed daar respect voor op te brengen en voor Mozes is het een handige reden om gedaan te krijgen wat hij wil. Hij belooft zelfs voor de farao te bidden. Daarop krijgt hij toestemming te vertrekken met zijn volk. Maar mogen ze ook gaan? Zodra de aanval van steekvliegen voorbij is klinkt het oude liedje weer. Werken zullen jullie, als slaven in Egypte. De farao verzwaarde zijn hart staat er steeds. Macht en hebzucht blijven regeren, met alle negatieve gevolgen van dien. Zouden resistentie tegen antibiotica en steeds nieuwe insecten die ziekten verspreiden er in onze dagen ook gevolgen van macht en hebzucht zijn? Vragen die het verhaal over Mozes in Egypte mag oproepen. Vragen waar wij in onze dagen een antwoord op mogen zoeken.

Veroordeel niet

maandag, 22 februari, 2016

Lucas 6:39-49

39  Hij sprak ook in gelijkenissen tegen hen: ‘Kan de ene blinde de andere blinde leiden? Vallen ze dan niet beiden in een kuil? 40  Een leerling staat niet boven zijn leermeester; pas als iemand zich alles heeft eigen gemaakt, zal hij de gelijke zijn van zijn leermeester. 41  Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder of zuster, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt? 42  Hoe kun je tegen hen zeggen: “Laat mij de splinter in je oog verwijderen, ”terwijl je de balk in je eigen oog niet ziet? Huichelaar, verwijder eerst de balk uit je eigen oog, pas dan zul je scherp genoeg zien om de splinter in het oog van je broeder of zuster te verwijderen. 43  Een goede boom brengt geen slechte vruchten voort, en evenmin brengt een slechte boom goede vruchten voort. 44  Elke boom kun je aan zijn vruchten kennen, want van distels pluk je geen vijgen en van doornstruiken geen druiven. 45  Een goed mens brengt uit de goede schatkamer van zijn hart het goede voort, maar een slecht mens brengt uit zijn slechte schatkamer het kwade voort; want waar het hart vol van is daar loopt de mond van over. 46  Waarom roepen jullie “Heer, Heer” tegen mij, maar doen jullie niet wat ik zeg? 47  Ik zal jullie vertellen op wie degene lijkt die bij me komt, naar mijn woorden luistert en ernaar handelt: 48  hij lijkt op iemand die bij het bouwen van zijn huis een diep gat groef en het fundament op rotsgrond legde. Toen er een overstroming kwam, beukte het water tegen het huis, maar het stortte niet in omdat het degelijk gebouwd was. 49  Wie wel naar mijn woorden luistert maar niet doet wat ik zeg, lijkt op iemand die een huis bouwde zonder fundament, zodat het meteen instortte toen het water ertegen beukte en er alleen een bouwval overbleef.’ (NBV)

Het zijn overbekende woorden die we vandaag lezen. Over de splinter en de balk, over het niet oordelen en over de blinde die de blinde niet kan leiden zonder dat beiden in dezelfde kuil vallen. Het borduurt voort op het gegeven dat we het goede moeten doen omdat van het kwade nooit iets goeds kan komen. Op het uitgangspunt van de leer van Mozes dat je je naaste lief moet hebben als jezelf. Op de wetenschap dat ieder mens fouten maakt, jij net zo goed als je naaste. Dat het echter niet gaat om bij de fouten te blijven staan maar juist om het goede voor elkaar te krijgen. Binnenkort zijn er weer de eindexamens. En elk jaar weer zijn er leerlingen die zakken of lagere punten halen dan nodig door het rode potlood. Ze zijn hun hele schoolloopbaan geconfronteerd met het rode potlood dat hen vanaf elk proefwerk toeschreeuwde wat ze allemaal wel niet fout hadden gedaan. Dat er ook opgaven waren die ze juist heel knap hadden opgelost en antwoorden die ze beter hadden gegeven dan was verwacht werd hen nooit verteld. Daar ging dat rode potlood niet over. Pas als die leerlingen geleerd wordt weer in zichzelf te geloven, als er in plaats van het rode potlood voor de fouten een groen potlood voor de goede antwoorden wordt gebruikt, kunnen ze slagen.

Dat is ook wat Jezus ons voor elk gedrag voorhoud. Niet bezig zijn met wat er slecht is, maar, zoals het verhaal van Mattheüs vertelt, de hongerigen eten geven, de naakten kleden, de gevangenen bezoeken, de bedroefden troosten. Uiteindelijk gaan dan de blinden zien en de lammen lopen. Uiteindelijk wordt dan zelfs de dood overwonnen en alle tranen gedroogd. En nou niet roepen dat niemand meedoet en dat iedereen bezig is zelf rijk te worden. Dat is nu de balk in het eigen oog en de splinter in die van de buurman. Zorg dat je zelf het goede doet en niets dan het goede, maak mensen om je heen enthousiast voor het goede en laat ze meedoen, dan verdwijnen zowel de balk als de splinter. Doe mee! Maar gaat het dan over fundamentalisme? Meestal zien we mensen die hun levensovertuiging tot het fundament van de hele wereld willen maken en uiteindelijk daarvoor alles willen uitroeien wat daarmee in strijd is.

Jezus van Nazareth roept op om een eenvoudig principe tot fundament van je eigen leven te maken. Namelijk de regel dat van kwaad niets goeds kan komen en van goeds niets kwaads. Of iets goed of kwaad is merken we dus aan de uitwerking op de mensen. Zijn onze daden gebouwd om de wil het goede te doen en niet dan het goede? Accepteren we anderen zoals ze zijn? Met hun goede en met hun kwade kanten, zoals we zelf geaccepteerd willen worden?  De vruchten van tolerantie zijn vrede, verdraagzaamheid en culturele verrijking en de vruchten van intolerantie zijn oorlog, angst en niet alleen culturele verarming maar ook daadwerkelijke econimische verarming. Ons soort fundamentalisme is dus niet iets dat we anderen opleggen maar dat we onszelf opleggen. Dat maakt dat ons huis op een rots staat, dat we nooit bang hoeven te zijn dat het weggespoeld zal worden door maatschappelijke veranderingen. Als het verbeteringen zijn zullen we die veranderingen verwelkomen, we letten immers alleen op het goede.

Heb je vijanden lief

zondag, 21 februari, 2016

Lucas 6:27-38

27 ¶  Tot jullie die naar mij luisteren zeg ik: heb je vijanden lief, wees goed voor wie jullie haten, 28  zegen wie jullie vervloeken, bid voor wie jullie slecht behandelen. 29  Als iemand je op de wang slaat, bied hem dan ook de andere wang aan, en weiger iemand die je je bovenkleed afneemt niet ook je onderkleed. 30  Geef aan ieder die iets van je vraagt, en eis je bezit niet terug als iemand het je afneemt. 31  Behandel anderen zoals je wilt dat ze jullie behandelen. 32  Is het een verdienste als je liefhebt wie jullie liefhebben? Want ook de zondaars hebben degenen lief die hen liefhebben. 33  En is het een verdienste als je weldaden bewijst aan wie weldaden bewijzen aan jullie? Ook de zondaars handelen zo. 34  En is het een verdienste als je geld leent aan degenen van wie jullie iets terug verwachten? Ook zondaars lenen geld aan zondaars in de verwachting alles terug te krijgen. 35  Nee, heb je vijanden lief, doe goed en leen geld aan anderen zonder iets terug te verwachten; dan zullen jullie rijkelijk worden beloond, en zullen jullie kinderen van de Allerhoogste zijn, want ook hij is goed voor wie ondankbaar en kwaadwillig is. 36  Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is. 37 ¶  Oordeel niet, dan zal er niet over je geoordeeld worden. Veroordeel niet, dan zul je niet veroordeeld worden. Vergeef, dan zal je vergeven worden. 38  Geef, dan zal je gegeven worden; een goede, stevig aangedrukte, goed geschudde en overvolle maat zal je worden toebedeeld. Want de maat die je voor anderen gebruikt, zal ook voor jullie worden gebruikt.’ (NBV)

In heel veel commentaren wordt net gedaan of Jezus van Nazareth in deze toespraken iets geheel nieuws introduceert. We lezen een vergelijkbare toespraak immers ook in het Evangelie van Mattheüs. Bij Mattheüs staat Jezus op een berg terwijl de schrijver van het Lucas Evangelie er de nadruk op legt dat Jezus tussen de mensen, tussen zijn leerlingen, in staat. Nieuw is het echter niet wat Jezus hier onderwijst. In het boek van de profeet Jeremia staat ook zoiets. Daar gaat het om een brief van de profeet aan de ballingen in Babel. Die zitten met de vraag of ze mee moeten werken met het regiem dat hen heeft weggevoerd of zich juist moeten verzetten en de boel moeten saboteren. Het antwoord van de profeet is dan een oproep om zo veel mogelijk het goede te doen.

Ze moeten delen met de armen, zorgen voor gezondheid, voldoende voedsel en er voor zorgen dat de mensen je gaan waarderen vanwege de zorg die je voor ze hebt. Dan kunnen de machthebbers uiteindelijk niet meer om je heen schrijft Jeremia en als je dan vraagt om het volk terug te laten gaan kunnen ze dat niet meer weigeren. Jezus spreekt hier in een situatie van gewelddadige bezetting en onderdrukking van het volk. De strategie die hij hier voorschrijft is dan zo slecht nog niet. Die strategie is niet opgaan in de ideologie en afgoderij van de bezetter maar je eigen normen en waarden gebruiken om de nadruk te leggen op het goede. Delen van wat je hebt, wordt het genomen met geweld laat dan merken dat geweld niet nodig is, sta bekend als vrijgevig, behandel anderen zoals je zelf wilt worden behandeld. Heb je naaste dus lief als jezelf. Een gewelddadige samenleving heeft daar namelijk geen antwoord op. Ook mensen die kwaad willen hebben namelijk hen lief die hen liefhebben. Uiteindelijk is dat altijd wederzijds.

“Doe goed” is daarom vanouds de centrale boodschap in de Bijbel. Want alleen uit het goede kan het goede voortkomen. Uit het kwade komt immers niets goeds voort. Veel mensen twijfelen bijvoorbeeld aan het nut van het bombarderen van IS in Irak en Syrië. Dat je door alle aanhangers van IS te doden het probleem uit de wereld helpt is een illusie. Op de een of andere manier zal duidelijk gemaakt worden dat het doden van iedereen die niet op dezelfde manier een geloof beleefd als men zelf doet is een voorwaarde voor een echte oplossing. Het geweld lijkt soms onvermijdelijk maar mag nooit een doel in zichzelf zijn. Vrede is meer dan de afwezigheid van geweld, in vrede gaan mensen groeien en samenlevingen bloeien. Maar hoe we dat duidelijk maken is onduidelijk maken. Bestrijding van discriminatie in ons bedrijfsleven zou een klein begin kunnen zijn, ophouden elkaar verketteren en haatzaaien zou ook kunnen helpen. Daarom zullen we ook onze vijanden lief moeten hebben want pas in liefde kan vijandschap verdwijnen en pas als vijandschap is verdwenen kan het vrede worden.

Er ging een kracht van hem uit

zaterdag, 20 februari, 2016

Lucas 6:12-26

12 ¶  Op een van die dagen trok Jezus zich terug op de berg om te bidden. De hele nacht bleef hij tot God bidden. 13  Toen de dag aanbrak, riep hij de leerlingen bij zich en koos twaalf van hen uit, die hij apostelen noemde: 14  Simon, aan wie hij de naam Petrus gaf, diens broer Andreas, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartolomeüs, 15  Matteüs en Tomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon, die de IJveraar genoemd wordt, 16  Judas, de zoon van Jakobus, en Judas Iskariot, die een verrader werd. 17  Toen hij met hen de berg was afgedaald, bleef hij staan op een plaats waar het vlak was. Daar had een groot aantal van zijn leerlingen zich verzameld, evenals een menigte mensen uit heel Judea en Jeruzalem en uit de kuststreek van Tyrus en Sidon. 18  Ze waren gekomen om naar hem te luisteren en zich van hun ziekten te laten genezen; ook degenen die gekweld werden door onreine geesten werden genezen, 19  en de hele menigte probeerde hem aan te raken, want er ging een kracht van hem uit die allen genas. 20 ¶  Hij richtte zijn blik op zijn leerlingen en zei: ‘Gelukkig jullie die arm zijn, want van jullie is het koninkrijk van God. 21  Gelukkig jullie die honger hebben, want je zult verzadigd worden. Gelukkig wie nu huilt, want je zult lachen. 22  Gelukkig zijn jullie wanneer de mensen jullie omwille van de Mensenzoon haten en buitensluiten en beschimpen en je naam door het slijk halen. 23  Wees verheugd als die dag komt en spring op van blijdschap, want jullie zullen rijkelijk beloond worden in de hemel. Vergeet niet dat hun voorouders de profeten op dezelfde wijze hebben behandeld. 24  Maar wee jullie die rijk zijn, jullie hebben je deel al gehad. 25  Wee jullie die nu verzadigd zijn, want je zult hongeren. Wee jullie die nu lachen, want je zult treuren en huilen. 26  Wee jullie wanneer alle mensen lovend over je spreken, want hun voorouders hebben de valse profeten op dezelfde wijze behandeld. (NBV)

De keus van de twaalf zoals die door de schrijver van het Lucas evangelie wordt geschetst roept weer nieuwe vragen op. We hebben het al eens over de beschrijving in het Evangelie van Marcus gehad en ook Mattheus heeft er zo z’n eigen verhaal over. Alle drie de evangelisten willen wellicht iets anders vertellen. Lucas heeft het heel nadrukkelijk over afgezanten, zendelingen, die werden gekozen uit meerdere volgelingen. Na de dood van Jezus moesten immers een aantal mensen in de nieuwe massabeweging gezag krijgen. Gezag ontleend aan een opdracht van Jezus zelf had natuurlijk de hoogste waarde. Die afgezanten staan bij Lucas echter niet boven de menigte maar er tussen. Heel nadrukkelijk wordt verteld dat Jezus de berg afkwam. Jezus bad nooit in het openbaar, maar trok zich altijd terug om te bidden. Dat gaat nu eenmaal beter in de stilte dan in de drukte vooraan in de kerk, op de TV of de hoek van de straat.

Gezanten die mooi bidden zodat iedereen het kan horen, ja die zelfs oproepen om met hen mee te bidden tot God, zijn dan ook geen afgezanten van Jezus van Nazareth. Het beeld van het genezen van mensen in een grote menigte en van een grote menigte van mensen is iets wat typisch voor het Evangelie van Lucas is.  Die mensen verzamelden zich rond Jezus, zijn afgezanten, zijn leerlingen en iedereen die met die beweging mee wilde doen. Die nadruk op de Liefde maakte dat er kracht van Jezus uit ging. Nooit hoefde je je buitengesloten te voelen. Nooit had je het gevoel niet mee te kunnen komen, niet gezien of niet gehoord te worden. Nee lammen gingen lopen, blinden konden zien en doven konden horen werd er gezegd. Mee doen in een beweging die zich bekommerd om medemensen kunnen we nog steeds. Gewoon op de eerste werkdag van deze week gaan doen. Ogen open, oren open en in beweging komen. Daar gaat altijd kracht van uit.

Voor mensen die regelmatig collecteren voor een goed doel is het een bekend verschijnsel, je haalt meer op in een wijk met arme bewoners dan in een wijk met rijke medemensen. Arme mensen hebben nu eenmaal niets anders te verliezen dan de liefde voor elkaar en die liefde hebben ze hard nodig om te kunnen overleven. De armen weten hoe het is om door de woestijn te trekken, je hebt elkaar en de liefde voor elkaar, meer dan hard nodig.  Jezus van Nazareth wist dat en spreekt hen in dit gedeelte moed in. “Gelukkig zijn jullie” vertaalt de Nieuwe Bijbelvertaling. “Zalig” heette dat in oudere vertalingen en trouwens ook nog in de Naardense Bijbel. “Makarios” staat er in de oorspronkelijk Griekse tekst en ouderen onder ons denken gelijk aan een Cypriotische Bisschop die zijn volk vrij maakte van Griekse en Turkse overheersing en naar onafhankelijkheid voerde. Tegenwoordig moeten we de mensen van zijn eiland helpen, ze dreigen anders zo arm te worden dat wij er last van krijgen. Maar ook zonder dat zouden we moeten willen dat er handen uitgestoken worden om de armen in Europa te helpen. Elke dag kunnen we daar weer opnieuw mee beginnen, ook vandaag.