Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor januari, 2016

Armen het goede nieuws brengen

zondag, 31 januari, 2016

Lucas 4:14-30

14 ¶  Jezus keerde, gesterkt door de Geest, terug naar Galilea. Het nieuws over hem verspreidde zich in de hele streek. 15  Hij gaf onderricht in de synagogen en werd door allen geprezen. 16  Hij kwam ook in Nazaret, waar hij was opgegroeid, en volgens zijn gewoonte ging hij op sabbat naar de synagoge. Toen hij opstond om voor te lezen, 17  werd hem de boekrol van de profeet Jesaja overhandigd, en hij rolde hem af tot de plaats waar geschreven staat: 18  ‘De Geest van de Heer rust op mij, want hij heeft mij gezalfd. Om aan armen het goede nieuws te brengen heeft hij mij gezonden, om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden het herstel van hun zicht, om onderdrukten hun vrijheid te geven, 19  om een genadejaar van de Heer uit te roepen.’ 20  Hij rolde de boekrol op, gaf hem terug aan de dienaar en ging weer zitten; de ogen van alle aanwezigen in de synagoge waren op hem gericht. 21  Hij zei tegen hen: ‘Vandaag hebben jullie deze schrifttekst in vervulling horen gaan.’ 22  Allen betuigden hem hun bijval en verwonderden zich over de genaderijke woorden die uit zijn mond vloeiden, en ze zeiden: ‘Dat is toch de zoon van Jozef?’ 23  En hij zei tegen hen: ‘Ongetwijfeld zullen jullie me dit gezegde voorhouden: Geneesheer, genees uzelf. Doe alles waarvan wij gehoord hebben dat het in Kafarnaüm gebeurd is, ook hier in uw vaderstad.’ 24  Hij vervolgde: ‘Luister, ik zeg jullie dat geen enkele profeet welkom is in zijn vaderstad. 25  Maar ik zeg het jullie zoals het is: in de tijd van Elia, toen de hemel drie jaar en zes maanden lang gesloten bleef en er in het land een grote hongersnood uitbrak, waren er veel weduwen in Israël. 26  Toch werd Elia niet naar een van hen gezonden, maar naar een weduwe in Sarepta bij Sidon. 27  En in de tijd van de profeet Elisa waren er veel mensen in Israël die leden aan huidvraat, maar niemand van hen werd gereinigd, behalve de Syriër Naäman.’ 28  Toen de aanwezigen in de synagoge dit hoorden, ontstaken ze in grote woede. 29  Ze sprongen op en dreven hem de stad uit, naar de rand van de berg waarop hun stad gebouwd was, om hem in de afgrond te storten. 30  Maar hij liep midden tussen hen door en vertrok. (NBV)

Toen Nelson Mandela werd vrijgelaten waren er veel mensen bang dat het geweld in Zuid-Afrika tegen de blanken een ongekende omvang zou aannemen. Niets was minder waar.Het was juist aan Nelson Mandela te danken dat er geen burgeroorlog in Zuid Afrika uitbrak. Men begon, met alle problemen van dien, te proberen samen een nieuwe samenleving op te bouwen waar geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen mensen op grond van hun afkomst en waarin iedereen kan meedoen. Het grote van Nelson Mandela is niet zozeer dat hij 30 jaar in gevangenschap heeft gezeten zonder zijn opvattingen te hebben opgegeven, maar dat hij daarna verzoening wist te krijgen met zijn onderdrukkers. We moeten de Bijbel wel heel goed kennen om te begrijpen dat er in dit verhaal met Jezus van Nazareth net zo iets gebeurt. Jezus van Nazareth onderwijst in de synagogen, leren noemt men dat. Synagogen zijn plaatsen van bijeenkomst in de dorpen en steden buiten Jeruzalem opgezet door de Farizeërs om er voor te zorgen dat de kennis van de Joodse Bijbel niet verloren zou gaan door alle Romeinse en andere heidense invloeden in het land. Ze bestaan tot op de dag van vandaag en je vindt ze overal in de wereld.

Jezus van Nazareth leest in de synagoge van de stad van zijn jeugd uit het boek Jesaja. Maar hij stopt waar iedereen nog een halve zin zou doorlezen. Na “het genadejaar zou uitroepen” staat namelijk “en de dag der wrake”. In plaats van de opstand uit te roepen tegen de Romeinen wijst Jezus van Nazareth er op dat er in de geschiedenis van het volk Israel ook momenten waren dat het nodig was om je aan de rand van de samenleving op te houden zoals Elia had gedaan, of zelfs je bezig te houden met bezettende buitenlanders zoals bij Naäman, de Syrische generaal,  was gebeurt. Dan is het mooi dat je aandacht en begrip voor de armen vraagt en hen bevrijding belooft maar gewone dorps en stadsbewoners zijn over het algemeen niet arm maar ze zijn wel slachtoffer van een wrede bezetting. Jezus van Nazareth sluit aan bij opvattingen van profeten als Jeremia die betoogde dat het niet zoveel zin had tegen machten te vechten waar je het niet van kon winnen maar dat het goede doen en de Liefde betonen, die de Wet van de Liefde vraagt, altijd tot overwinning leidt.

We hebben het in onze dagen waar zien worden in Zuid-Afrika al hebben de mensen daar ons medeleven en onze hulp soms dubbel hard nodig. Niet alleen in geld, of kennis over medicijnen en huisvesting maar ook in voorbeeld van vreedzaam samenleven. Aan dat laatste wil het hier nog wel eens ontbreken, en aan dat laatste kunnen we allemaal zelf iets doen door vandaag te beginnen naar vrede met elkaar te streven. Dat is het echte goede nieuws voor de armen. Zo kunnen we ook onze zorg voor de vele vluchtelingen op een goede manier vormgeven. We lijken overspoeld te worden door mensen op de vlucht niet alleen voor geweld maar ook voor armoede en uitzichtloosheid. Dat onze rijkdom voor een deel rust op de armoede van anderen hoor je maar weinig. Opvang in eigen regio, terugsturen naar land van herkomst heeft alleen zin als er daar ook een toekomst voor mensen wordt geboden. Dat zou opnieuw het goede nieuws voor de armen betekenen. Daar zouden we in de eerste plaats aan moeten werken, maar ondanks de vluchtelingen blijven we bezuinigen op ontwikkelingssamenwerking en de vraag is wie dat ter discussie zou willen stellen. Volgens Jezus van Nazareth kunnen we met die toekomst vandaag nog beginnen.

Laat mij herrijzen

zaterdag, 30 januari, 2016

Psalm 71: 14-24

14 ¶  Ik blijf naar u uitzien, altijd, u lof brengen, meer en meer.  15  Mijn mond verhaalt van uw gerechtigheid, van uw reddende daden, dag aan dag, hun aantal kan ik niet tellen. 16  Spreken zal ik over uw macht, HEER, mijn God, de rechtvaardigheid roemen van u alleen. 17  God, u onderwees mij van jongs af aan, en steeds nog vertel ik uw wonderen. 18  Nu ik oud en grijs ben, verlaat mij niet, o God, zodat ik het nageslacht, elk nieuw kind, kan verhalen van de macht van uw arm. 19  Uw gerechtigheid rijst hoog op, o God, u hebt grootse daden verricht. God, wie is aan u gelijk? 20  U hebt mij doen zien veel ellende en nood-laat mij nu herleven, laat mij herrijzen uit de diepten van de aarde. 21  Verhoog mij in aanzien, omgeef mij met uw troost. 22  Dan zal ik u loven bij het spel op de harp, u en uw trouw, mijn God. Ik zal voor u zingen bij de lier, Heilige van Israël. 23  Mijn lippen zullen juichen wanneer ik voor u zing, ik zal jubelen omdat u mij hebt verlost. 24  Mijn tong zal heel de dag van uw gerechtigheid spreken: wie mijn ongeluk zoekt, zal te schande staan.

Vandaag het tweede deel van deze bijzondere psalm. Omdat het om vervolging gaat in deze Psalm werd de Psalm bij de eerste Griekse vertaling in het bijzonder bestemd voor de eerste ballingen die weggevoerd werden naar Babel, de Rechabieten. De oorspronkelijke psalm noemt dat niet. Maar die Rechabieten waren een bijzonder volk. Ze bleven weigeren om in huizen te gaan wonen en wilden vasthouden aan het leven zoals het in de woestijn werd beleefd. Men neemt aan dat ze nog zeer lang in Israël hebben voortbestaan. Dat vasthouden aan het leven in de woestijn betekende ook het vasthouden aan het geloof in de God van Israël zoals het volk die in de woestijn had leren kennen. De Profeet Jeremia gebruikte ze daarom als voorbeeld voor het volk, zo kan het ook.

In de Psalm die we vandaag lezen beschrijft de dichter hoe hij ondanks vervolging en tegenslagen toch altijd maar vasthoud aan de God van Israël. Ja hij hoopt dat zelfs vol te houden tot hij oud is, al is daar zwakte en gebrek te verwachten. God zal hem er wel doorheen helpen. Dat is een ander soort prediking als je tegenwoordig nog wel eens hoort. Niks geen genezing, niks geen succes in het leven door God. Verdriet en tegenslag worden niet gespaard. Toch durft de dichter te zingen van de rechtvaardigheid van God. Het wonder is namelijk niet dat God jou als gelovige beloont, het wonder is dat God jou de zwakke, de zieke, de ontrechte, de hongerige, de lamme, de blinde laat zien en dat jij het instrument mag zijn in de handen van die God die opkomt voor de minsten op aarde. Daarom kan de dichter God bidden hem te laten herrijzen als hij moe en stram van ouderdom neerzijgt.

De vervolgers van de Weg van de God van Israël zijn er nog steeds. Altijd zijn er mensen die de rijken beschermen, die opkomen voor de machtigen op aarde, die zorgen dat dictators kunnen onderdrukken, dat corruptie kan blijven bestaan en dat eenvoudige mensen bestolen worden met mooie praatjes. We kennen tot in onze dagen talloze voorbeelden, zelfs van mensen die zich als christelijk voordoen maar weigeren maxima te stellen aan inkomens waardoor exorbitante zelfverrijkers hun gang kunnen blijven gaan, ze weigeren een grens te stellen aan woonsubsidie zodat nog steeds de meeste woonsubsidie naar de rijksten in ons land gaan, ze weigeren handelsakkoorden te sluiten die een eerlijke positie op de wereldmarkt garanderen aan de armste boeren in de armste landen. Wij mogen daartegen blijven opstaan, jong en oud, van jongsafaan tot we oud geworden zijn. Van de dienst in het Koninkrijk van God hoeven we niet met pensioen, we kunnen blijven zorgen voor de ouderen en we mogen herrijzen als opnieuw de positie van de zwakken verder wordt bedreigd. Vandaag ook weer dus.

Doe mij recht

vrijdag, 29 januari, 2016

Psalm 71:1-13

1 ¶  Bij u, HEER, schuil ik, maak mij nooit te schande, 2  red en bevrijd mij, doe mij recht, hoor mij en kom mij te hulp. 3  Wees de rots waarop ik kan wonen, waar ik altijd heen kan gaan.  U hebt mijn redding bevolen, mijn rots en mijn burcht, dat bent u. 4  Mijn God, bevrijd mij uit de hand van schurken, uit de greep van wrede onderdrukkers. 5  U bent mijn enige hoop, HEER, mijn God, van jongs af vertrouw ik op u. 6  Al vanaf mijn geboorte steun ik op u, al in de moederschoot was u het die mij droeg, u wil ik altijd loven. 7  Voor velen ben ik een teken, u bent mijn veilige schuilplaats. 8  Heel de dag is mijn mond vervuld van uw lof en uw luister. 9  Verstoot mij niet nu ik oud word, verlaat mij niet nu mijn kracht bezwijkt. 10  Mijn vijanden spreken over mij, ze loeren op mij en spannen samen, 11  ze zeggen: ‘God heeft hem verlaten, jaag hem op, grijp hem, niemand die hem redt.’ 12  God, blijf niet ver van mij, mijn God, kom mij haastig te hulp, 13  laat mijn tegenstanders van schaamte bezwijken, wie mijn ongeluk zoeken, met schande worden bedekt. (NBV)

Vandaag zingen we een Psalm zonder opschrift. Bij de meeste Psalmen staat er iets boven, “Een Psalm van David” bijvoorbeeld. Maar hier niet. Er zijn maar een paar psalmen zonder opschrift, verweesde Psalmen worden die ook wel genoemd. Toen de Hebreeuwse Bijbel in het Grieks werd vertaald, omdat veel Joden die buiten Israël woonden het Hebreeuws niet meer kenden, is er aan deze Psalm toch een opschrift meegegeven. Daar staat dan ineens “Voor de zonen van Jonadab  en de eerste ballingen” Die eerste ballingen waren de Rechabieten. Maar het opschrift was niet te vinden in de Hebreeuwse Bijbel die opgeschreven werd nadat de vertaling in het Grieks ruim was verspreid. Sinds de Statenvertaling verscheen is het opschrift dan ook verdwenen. Maar de gedachte die er achter zit is niet zo vreemd. God wordt om recht gevraagd voor mensen die onrecht is aangedaan.

Er wordt in kerkelijke kringen nog al eens geroepen dat de mens gered moet worden. En de roep om gered te worden staat ook in deze psalm. Maar gered worden waarvan? De meeste mensen voelen zich tot helemaal niet gevangen of zijn bang te verdrinken. In de kerk wordt dan gezegd dat mensen gered moeten worden van  de zonden. Hun eigen zonden om het helemaal duidelijk te maken. En daar vraagt deze Psalm helemaal niet om. Er is geen sprake van zonden van de psalmdichter. Integendeel de psalmdichter beschrijft zichzelf als een trouw volgeling van de weg van de God van Israël. Heel de dag is zijn mond vervuld van de lof en de luister van zijn God. Waarvan moet men dan gered worden? Van het onrecht dat wordt aangedaan. Van vijanden die tegen je samenspannen. Wat nu God roepen die uit, die God bestaat niet en wij kunnen ook wel zonder. Dat doet onrecht aan alle mensen die de weg van de liefde volgen, die zich inzetten voor anderen, die luisteren naar de roep van de God van Israël om hun naaste lief te hebben als zichzelf.

Je mag overigens best bang zijn van Bijbel dat de veranderingen in de wereld je zullen overweldigen. De veranderingen die je worden opgedrongen worden dan beschouwd als veranderingen die je worden opgedrongen door vijandige machthebbers. Mensen die bang zijn komen daarbij niet tot hun recht, zij worden niet gehoord. En je zal maar net een baan hebben die op de tocht staat omdat jij behoorlijk verdiend, meer als een goedkope arbeidskracht die in het buitenland kan worden gehuurd. Je zal maar net een huis hebben gekocht waarvoor een hypotheek werd afgesloten die je nog maar net kunt aflossen, bij werkloosheid sta je bijna ook direct op straat met je gezin. Je zult ook maar in een buurt wonen waar mensen elkaar niet echt kennen en zeker niet op elkaar letten, in tal van volkswijken was dat toch de kracht van de wijk. De oplossing voor die angst is volgens de Bijbel niet het zich met geweld verzetten tegen die veranderingen maar zelf mee vorm geven aan de noodzaak dat die veranderingen met liefde voor de minsten gepaard moeten gaan. Dan ontmoet je nieuwe mensen, dan kunnen er vriendschappen ontstaan, dan groeit de economie waardoor je baan zekerder wordt. Dan zijn er ineens meer mensen die je kent en die op jou en je gezin willen letten. De kracht van samen komt weer terug en jij komt zeker tot je recht.

Ze is niet grof en niet zelfzuchtig

donderdag, 28 januari, 2016

1 Korintiërs 13:1-13

1 ¶  Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelen-had ik de liefde niet, ik zou niet meer zijn dan een dreunende gong of een schelle cimbaal. 2  Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen-had ik de liefde niet, ik zou niets zijn. 3  Al verkocht ik mijn bezittingen omdat ik voedsel aan de armen wilde geven, al gaf ik mijn lichaam prijs en kon ik daar trots op zijn-had ik de liefde niet, het zou mij niet baten. 4 ¶  De liefde is geduldig en vol goedheid. De liefde kent geen afgunst, geen ijdel vertoon en geen zelfgenoegzaamheid. 5  Ze is niet grof en niet zelfzuchtig, ze laat zich niet boos maken en rekent het kwaad niet aan, 6  ze verheugt zich niet over het onrecht maar vindt vreugde in de waarheid. 7  Alles verdraagt ze, alles gelooft ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze. 8 ¶  De liefde zal nooit vergaan. Profetieën zullen verdwijnen, klanktaal zal verstommen, kennis verloren gaan 9  want ons kennen schiet tekort en ons profeteren is beperkt. 10  Wanneer het volmaakte komt zal wat beperkt is verdwijnen. 11  Toen ik nog een kind was sprak ik als een kind, dacht ik als een kind, redeneerde ik als een kind. Nu ik volwassen ben heb ik al het kinderlijke achter me gelaten. 12  Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we oog in oog. Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf gekend ben. 13  Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde. (NBV)

Vandaag zingen we met de Kerk van alle tijden het beroemde lied van de liefde mee  uit de eerste brief van Paulus aan de mensen in Korinthe. Dat zelfzuchtig uit de titel die we voor vandaag boven dit stukje hebben gezet heette in de Statenvertaling nog “Zij zoekt zich zelfve niet” Ofwel 4 x z n. Dat was de titel van een van de eerste omroepacties in Nederland om geld in te zamelen voor de armen. Het was nog een radioactie, van de NCRV die werd geleid door Johan Bodegraven. Die actie zette de toon voor latere televisie acties, van Open het Dorp tot de Tsunami actie. Nederlanders staan op en komen in beweging om mensen in nood te helpen waar ook ter wereld. Dat in beweging komen voor anderen die zonder die beweging van mensen niet kunnen voortleven is de liefde die hier bezongen wordt. We kunnen de waarheid vertellen wat we willen. We kunnen de beste pr methoden hanteren, boekjes maken zo mooi als het kan, tv programma’s, liederen shows, documentaires noem maar op zegt het door Paulus aangehaalde lied hier, maar als we de liefde niet hebben die mensen in beweging brengt dan wordt het allemaal niks.

De Liefde steekt overal boven uit. Als alle hoop vervlogen is lijkt het leven zinloos, dan lijkt er niets meer over, dus ook hoop is belangrijk. En als je nergens meer in kunt geloven, er geen idealen meer zijn, het leven leeg en plat is geworden, als je zelfs niet meer in jezelf of in je helden kunt geloven is het leven ook niks meer, dus ook het geloof is belangrijk. Maar boven geloof en hoop stijgt de liefde uit. Zonder de liefde zijn ook het geloof en de hoop niks meer. In kerken wordt vandaag veel over het geloof gesproken, mensen wordt weer op het hart gebonden te gaan geloven en te blijven geloven. Mooie woorden worden er gesproken en fraaie muziek ten gehore gebracht. Op de TV vertellen mensen waarom ze van hun geloof zijn gevallen of wat geloof voor hen betekent.  Mensen moeten van alles van hun geloof of mogen juist van alles niet van hun geloof en vinden dat anderen iets moeten of juist niet mogen van hun geloof. De meeste mensen geloven het wel als ze al die stelligheden over geloof horen.

Maar al die woorden over het geloof zijn niets waard als gemeenschappen van gelovigen niet de liefde hebben voor de verworpenen van deze aarde. Als mensen niet in beweging komen voor de kinderen die ook vandaag opgesloten zitten in onze gevangenissen. Als we geen hoop weten te geven aan gevangenen in de wereld die ten onrechte zitten opgesloten, als we niet het voedsel weten te brengen aan de hongerigen in Afrika, kleding aan de armen, troost aan de nabestaanden van oorlogsslachtoffers en slachtoffers van natuurrampen. Zonder liefde slapen de papierlozen in onze straten en niet in niet meer gebruikte kerken. Zonder liefde vergaan ouderen van eenzaamheid. Zonder liefde is er van een samenleving geen sprake meer. Daarom kan dit lied besluiten met het erkennen van het bestaan van geloof, hoop en liefde maar bezingt het als de grootste van deze drie de liefde, niet het geloof dus, niet de hoop, maar de liefde, vraag daarnaar als men spreekt over wat er allemaal van geloof moet of juist niet mag. En verspreidt de Liefde voortdurend om je heen, ook vandaag weer.

Een lichaam is een eenheid

woensdag, 27 januari, 2016

1 Korintiërs 12:12-31

12 ¶  Een lichaam is een eenheid die uit vele delen bestaat; ondanks hun veelheid vormen al die delen samen één lichaam. Zo is het ook met het lichaam van Christus. 13  Wij zijn allen gedoopt in één Geest en zijn daardoor één lichaam geworden, wij zijn allen van één Geest doordrenkt, of we nu uit het Joodse volk of uit een ander volk afkomstig zijn, of we nu slaven of vrije mensen zijn. 14  Immers, een lichaam bestaat niet uit één deel, maar uit vele. 15  Als de voet zou zeggen: ‘Ik ben geen hand, dus ik hoor niet bij het lichaam, ‘hoort hij er dan werkelijk niet bij? 16  En als het oor zou zeggen: ‘Ik ben geen oog, dus ik hoor niet bij het lichaam, ‘hoort het er dan werkelijk niet bij? 17  Als het hele lichaam oog zou zijn, waarmee zou het dan kunnen horen? Als het hele lichaam oor zou zijn, waarmee zou het dan kunnen ruiken? 18  God heeft nu eenmaal alle lichaamsdelen hun eigen plaats gegeven, precies zoals hij dat wilde. 19  Als ze met elkaar slechts één lichaamsdeel zouden vormen, zou dat dan een lichaam zijn? 20  Het is juist zo dat er een groot aantal delen is en dat die met elkaar één lichaam vormen. 21  Het oog kan niet tegen de hand zeggen: ‘Ik heb je niet nodig, ‘en het hoofd kan dat evenmin tegen de voeten zeggen. 22  Integendeel, juist die delen van het lichaam die het zwakst lijken zijn het meest noodzakelijk. 23  De delen van ons lichaam waarvoor we ons schamen en die we liever bedekken, behandelen we zorgvuldiger en met meer respect 24  dan die waarvoor we ons niet schamen. Die hebben dat niet nodig. God heeft ons lichaam zo samengesteld dat de delen die het nodig hebben ook zorgvuldiger behandeld worden, 25  zodat het lichaam niet zijn samenhang verliest, maar alle delen elkaar met dezelfde zorg omringen. 26  Wanneer één lichaamsdeel pijn lijdt, lijden alle andere mee; wanneer één lichaamsdeel met respect behandeld wordt, delen alle andere in die vreugde. 27 ¶  Welnu, u bent het lichaam van Christus en ieder van u maakt daar deel van uit. 28  God heeft in de gemeente aan allerlei mensen een plaats gegeven: ten eerste aan apostelen, ten tweede aan profeten en ten derde aan leraren. Dan is er het vermogen om wonderen te verrichten, de gave om te genezen en het vermogen om bijstand te verlenen, leiding te geven of in klanktaal te spreken. 29  Is iedereen soms een apostel? Of een profeet? Is iedereen een leraar? Kan iedereen wonderen verrichten? 30  Of kan iedereen genezen? Kan iedereen in klanktaal spreken en kan iedereen die uitleggen? 31  Richt u op de hoogste gaven. Maar eerst wijs ik u een weg die nog voortreffelijker is. (NBV)

Vandaag lezen we een stuk dat Paulus geschreven heeft niet alleen voor de gemeente maar ook over de gemeente. En als we daarbij bedenken dat in de dagen van Paulus de gemeente van Jezus van Nazareth, van de mensen van de Weg, beschouwd moest worden als blauwdruk voor een nieuwe samenleving als tegenhanger van de bestaande Romeinse samenleving dan wordt dit gedeelte ook een maatschappijkritiek op de samenleving waarin wij ons bewegen. De afkomst van de leden van de gemeente van Korinte was zeer divers. Joden op de eerste plaats, maar ook Heidenen van allerlei volken. Daarbij kwam dan nog het onderscheid tussen slaven en vrijen, tussen mannen en vrouwen en tussen ouderen en jongeren. Bij Paulus smelten die verschillen samen tot één lichaam. De verschillen worden niet ontkend maar het belang van al die verschillende mensen voor dat ene lichaam is hetzelfde.

Geen van die verschillende delen mag en kan zeggen beter te zijn of belangrijker te zijn dan de andere. Je moet in een dergelijke gemeenschap, zeg samenleving, dan ook niet proberen de ene groep tegen de andere op te zetten, of enige groep uit te sluiten van dat lichaam. Als er strijd uitbreekt of als er een deel wordt afgesneden gaat het hele lichaam ten onder. Daar mogen wij in onze samenleving nog wel eens bij stilstaan. Overigens ook in de kerken mag dit wel tot bezinning leiden. Wat moet je met processen waarbij het gaat over de vraag of iemand wel of niet moet worden uitgesloten en niet over de vraag hoe je het geloof in deze dagen het beste kunt verwoorden voor al die verschillende groepen mensen. De beeldspraak van Paulus over het lichaam en de delen zal ook in zijn dagen wel tot grappen geleid hebben. De vergelijking van een lid van de gemeenschap met het geslachtsdeel van een man is niet zo vleiend. Bij Paulus wel, hij weerkaatst de grap door op te merken dat een dergelijk lichaamsdeel, dat waar we ons voor schamen en die we doorgaans bedekt houden, met meer zorgvuldigheid behandeld wordt.

Belangrijker is het lichaamsdeel dat pijn lijdt. Dan lijden alle delen mee zegt Paulus ons. Voelen we dat ook zo? Als er een grote ramp gebeurd zoals een aardbeving of een andere natuurramp wel. Binnen de kortste keren stroomt het geld binnen op giro 555 en komen de acties op gang. Maar voelen we die pijn ook als in onze buurt mensen pijn lijden? Of als mensen in onze kerk gebukt gaan onder problemen? Onverschilligheid kenmerkt toch vaak onze samenleving. Mensen die blijven toekijken als een ander verdrinkt. Niemand die uitstapt als iemand gewond op de weg ligt. De helden die van tijd tot tijd worden gehuldigd niet te na gesproken maar die helden zijn de uitzonderingen die een regel maar al te vaak helaas bevestigden. Wij moeten steeds meer beseffen dat we zelfs over de hele wereld deel uitmaken van een lichaam, het lichaam van de bevrijder van de wereld, bevrijder van armoede en ellende. Wij kunnen daarom niet anders dan mee lijden met al die lijdenden, mee delen met ieder die ons delen nodig heeft en stem geven aan stemlozen. Totdat de wereld geheeld is, het heil ter wereld is gekomen heet het deftig. Maar wie deel uitmaakt van het lichaam van Christus voelt de pijn en rust niet tot de pijn over is. Of je nu leider in de gemeente of knecht bent, dat maakt dus niet uit.

Over de gaven van de Geest

dinsdag, 26 januari, 2016

1 Korintiërs 12:1-11

1 ¶  Broeders en zusters, over de gaven van de Geest wil ik u het volgende zeggen. 2  Zoals u weet was u in de tijd dat u nog heidenen was volledig in de ban van goden die taal noch teken geven. 3  Daarom zeg ik u nadrukkelijk: niemand kan ooit door toedoen van de Geest van God zeggen: ‘Vervloekt is Jezus, ‘en niemand kan ooit zeggen: ‘Jezus is de Heer, ‘behalve door toedoen van de heilige Geest. 4  Er zijn verschillende gaven, maar er is één Geest; 5  er zijn verschillende dienende taken, maar er is één Heer; 6  er zijn verschillende uitingen van bijzondere kracht, maar het is één God die ze allemaal en bij iedereen teweegbrengt. 7  In iedereen is de Geest zichtbaar aan het werk, ten bate van de gemeente. 8  Aan de een wordt door de Geest het verkondigen van wijsheid geschonken, aan de ander door diezelfde Geest het overdragen van kennis; 9  de een ontvangt van de Geest een groot geloof, de ander de gave om te genezen. 10  En weer anderen de kracht om wonderen te verrichten, om te profeteren, om te onderscheiden wat wel en wat niet van de Geest afkomstig is, om in klanktaal te spreken of om uit te leggen wat daar de betekenis van is. 11  Al deze gaven worden geschonken door een en dezelfde Geest, die ze aan iedereen afzonderlijk toebedeelt zoals hij wil. 12 ¶  Een lichaam is een eenheid die uit vele delen bestaat; ondanks hun veelheid vormen al die delen samen één lichaam. Zo is het ook met het lichaam van Christus. (NBV)

Vandaag weer een stukje uit een brief die Paulus speciaal voor mensen als wij geschreven heeft. Want wij zijn immers ook Heidenen over het algemeen. We zijn niet opgegroeid in de Joodse traditie en er zijn tegenwoordig maar heel weinig mensen die eerst zijn opgegroeid in de Joodse traditie en later Christen geworden zijn. Die mogen natuurlijk ook best mee lezen maar Paulus heeft het Bijbelgedeelte van vandaag speciaal geschreven voor de Heidenen. Nu is de uitdrukking “de gaven van de Geest” een staande uitdrukking in het Nederlands geworden. In het oorspronkelijke Grieks van Paulus staat dat er niet helemaal. Daar staat iets als “geestelijke uitingen” , tegenwoordig zouden misschien zeggen “de geest waarin je handelt”. Want over handelen gaat het. Bij de afgoden van de Heidenen gaat het over dienen van die afgoden. Je moet maar afwachten of ze wat voor je doen en ze geven in elk geval geen antwoord op vragen.

In de gemeente van de volgelingen van Jezus van Nazareth gaat het om het dienen van elkaar en van de naaste. Jezelf beschikbaar stellen, je capaciteiten in dienst stellen van de naaste kan niet zonder de Geest van Jezus van Nazareth. Dat is nu eenmaal in de Geest van hem. Iedereen in de gemeente heeft andere capaciteiten, gaven noemt Paulus dat. Samen ben je ineens een complete verzameling van alles wat mensen in het leven nodig kunnen hebben. Je moet dan wel willen opletten. Want er zijn altijd mensen die opzienbarende dingen lijken te kunnen. Predikers die de gave van het woord hebben, zangers en zangeressen die geweldig kunnen zingen, evangelisten die wonderen lijken te kunnen doen, kunstenaars en dichters die de mooiste dingen kunnen maken. Het gevaar is dat de mensen die dat allemaal zo goed kunnen zelf tot kleine godjes worden. Ze staan op podia of hoog verheven boven de gemeente en wat zij kunnen is belangrijker dan wat er nodig is voor de armen en de minsten in de wereld. Maar de tuinman die bij een weduwe de tuin onderhoud, de timmerman die bij een hoogbejaarde een schilderij weet op te hangen, de moeder die kinderen van een zieke andere moeder opvangt, zij zijn voor de mensen die ze helpen oneindig veel belangrijker dan de mensen die zo mooi kunnen spreken, wonderen kunnen doen, in klanktaal kunnen spreken of kunnen uitleggen wat er dan gezegd wordt.

Daarom moeten we kunnen onderscheiden wat er van de Geest van Jezus van Nazareth komt en wat er komt van de Geest van de goden van onze tijd, de goden van goud en beloften, de goden van de eerste de beste. We weten dat Jezus van Nazareth de mensen vaak vroeg om maar niks te zeggen over wat hij had gedaan, we weten ook dat hij gezegd heeft dat je naar de vruchten moet kijken van wat er gedaan wordt. Paulus voegt er aan toe dat je in de gemeente de ene gave ook niet boven de andere moet stellen, dat de Geest de gave geeft zoals die zelf wil. Dat het dus ook geen zin heeft te streven naar de gave van een ander, hoe spectaculair die ook kan lijken. Timmeren kunnen velen, wonderen verrichten maar weinigen. Maar degene die onverwacht en misschien zelfs ongevraagd door een timmerman is geholpen zal dat een groter wonder vinden dan iemand die gedwongen werd naar een mooiprater te luisteren. Zet je gave dus gerust in voor de minsten op aarde. Juist vandaag zijn die gaven meer nodig dan ooit. Want inzetten van die gaven is werken in het Koninkrijk van Jezus van Nazareth en dat kan alleen in zijn Geest.

Die doen meer kwaad dan goed.

maandag, 25 januari, 2016

1 Korintiërs 11:17-34

17 ¶  Nu ik u toch aanwijzingen geef: ik kan u niet prijzen om uw samenkomsten. Die doen meer kwaad dan goed. 18  Om te beginnen: ik hoor dat u bij uw samenkomsten in de gemeente partijen vormt. Tot op zekere hoogte geloof ik dat ook. 19  Het is onvermijdelijk dat er partijvorming onder u is, zodat duidelijk wordt wie van u betrouwbaar is. 20  Alleen, u komt niet samen om de maaltijd van de Heer te vieren. 21  Van wat u hebt meegebracht eet u alleen zelf, zodat de een honger heeft en de ander dronken is.22  Hebt u soms geen eigen huis waar u kunt eten en drinken? Of veracht u de gemeente van God en wilt u de armen onder u vernederen? Wat moet ik hierover zeggen? Moet ik u soms prijzen? Dat doe ik in geen geval. 23 ¶  Want wat ik heb ontvangen en aan u heb doorgegeven, gaat terug op de Heer zelf. In de nacht waarin de Heer Jezus werd uitgeleverd nam hij een brood, 24  sprak het dankgebed uit, brak het brood en zei: ‘Dit is mijn lichaam voor jullie. Doe dit, telkens opnieuw, om mij te gedenken.’ 25  Zo nam hij na de maaltijd ook de beker, en hij zei: ‘Deze beker is het nieuwe verbond dat door mijn bloed gesloten wordt. Doe dit, telkens als jullie hieruit drinken, om mij te gedenken.’ 26  Dus altijd wanneer u dit brood eet en uit de beker drinkt, verkondigt u de dood van de Heer, totdat hij komt. 27  Daarom maakt iemand die op onwaardige wijze van het brood eet en uit de beker van de Heer drinkt, zich schuldig tegenover het lichaam en het bloed van de Heer. 28  Laat daarom iedereen zichzelf eerst toetsen voordat hij van het brood eet en uit de beker drinkt, 29  want wie eet en drinkt maar niet beseft dat het om het lichaam van de Heer gaat, roept zijn veroordeling af over zichzelf. 30  Daarom zijn er onder u veel zwakke en zieke mensen en zijn er al velen onder u gestorven. 31  Als we onszelf zouden toetsen, zouden we niet worden veroordeeld. 32  Maar nu velt de Heer zijn oordeel over ons en wijst hij ons terecht, opdat we niet samen met de wereld zullen worden veroordeeld. 33  Daarom, broeders en zusters, wees gastvrij voor elkaar wanneer u samenkomt voor de maaltijd. 34  Wie honger heeft kan beter thuis eten. Dan leiden uw samenkomsten tenminste niet tot uw veroordeling. De overige zaken zal ik regelen wanneer ik kom. (NBV)

Sjonge, wat deden ze het toch slecht in de gemeente van Korinthe. Dan doen wij het toch heel wat beter. Wij kennen geen partijen in de gemeente. Wij kennen kerkgenootschappen en als we niet meer met elkaar aan tafel kunnen dan richten we een nieuwe gemeente, of zelfs een nieuw kerkgenootschap op. De rust die in de gemeenschappen daarna terugkeert zou Paulus hoog doen verbazen. Want samen kunnen eten is nu eenmaal de lakmoesproef voor een echte Christelijke gemeente. Bij Paulus staat het samen delen bij de Christelijke maaltijd voorop. Je stilt je eigen honger niet met voorbijzien aan de honger van de armen. Juist de armen zouden in de gemeente er op moeten kunnen rekenen gewoon mee te kunnen eten. Het ergste zou toch zijn dat de armen in een bijeenkomst van de gemeente toe moeten zien hoe anderen hun honger stillen en zich te goed doen aan wat hen uit Gods hand is toegevallen terwijl zij honger blijven houden.

Wij hoeven in onze kerken daar in het geheel niet bang voor te zijn. Wij volgen de oproep van Paulus om eerst thuis onze honger te stillen. Het delen wordt dan een stuk gemakkelijker. Wij maken het nog eens extra gemakkelijk door als we samen de maaltijd van de Heer gebruiken het brood te beperken door een heel klein stukje. Dat stukje is zo klein geworden dat niemand op de gedachte zou kunnen komen dat je er je honger mee zou kunnen stillen. Het stukje brood wordt dan ook nog vaak aangeprezen als brood uit de hemel, alsof de God er zeker niet op uit zou zijn de honger van de armen te stillen. We heffen daar een beker wijn op die we vervolgens rond laten gaan. Paulus vertelt nergens veel over het leven en sterven van Jezus van Nazareth. Dit gedeelte is een heel uitdrukkelijke uitzondering op. Paulus wijst op de maaltijd die Jezus voor de gemeente instelde. Hij gaf zich helemaal, tot aan zijn bloed, zijn leven, toe. Dat zou de gemeente moeten navolgen.

In de Christelijke gemeente krijgen de hongerigen te eten en de dorstigen te drinken, worden de naakten gekleed en de bedroefden getroost. het gevolg zal zijn dat de lammen gaan lopen, de blinden gaan zien en de doven gaan horen. Paulus heeft het over ziekten die door armoede kunnen ontstaan, hij wijst op zwakte die door armoede en honger kan worden veroorzaakt. In veel gemeenten wordt in onze dagen zijn boodschap gehoord. Voor en na kerkdiensten wordt voedsel ingezameld voor voedselbanken, soms ook goederen voor arme landen, of slachtoffers van rampen in een ver buitenland. Maar dat je jezelf zou moeten geven, daar zelf bereid voor zou moeten zijn verdwijnt bij ons in plechtige rituelen rond brood en wijn. Zo plechtig dat er soms mensen zijn die er niet meer aan durven meedoen. Misschien moeten we die rituelen weer afschaffen terug gaan naar Paulus oproep om te delen. Waarom geen maaltijden waar iedereen welkom is, waar mensen die het hebben zoveel mee nemen dat ook anderen er hun honger van kunnen stillen. Maaltijden die de wereld laten zien dat we hongeren en dorsten naar gerechtigheid.

 

Zo eigenzinnig te moeten zijn

zondag, 24 januari, 2016

1 Korintiërs 11:2-16

2  Ik prijs het in u dat u mij bij alles als voorbeeld neemt en u aan de voorschriften houdt die ik u gegeven heb. 3  Ik moet u echter nog het volgende zeggen. Christus is het hoofd van de man, de man het hoofd van de vrouw en God het hoofd van Christus. 4  Iedere man die met bedekt hoofd bidt of profeteert, maakt zijn hoofd te schande. 5  Maar een vrouw maakt haar hoofd te schande wanneer ze met onbedekt hoofd bidt of profeteert, want ze is in dat geval precies hetzelfde als een kaalgeschoren vrouw. 6  Een vrouw die haar hoofd niet bedekt, kan zich maar beter laten kaalknippen. Wanneer ze dat een schande vindt, moet ze haar hoofd bedekken.7  Een man mag zijn hoofd niet bedekken omdat hij Gods beeld en luister is. De vrouw is echter de luister van de man. 8  (De man is immers niet uit de vrouw voortgekomen, maar de vrouw uit de man; 9  en de man is niet omwille van de vrouw geschapen, maar de vrouw omwille van de man.) 10  Daarom, en omwille van de engelen, moet een vrouw zeggenschap over haar hoofd hebben. 11  Echter, in hun verbondenheid met de Heer is de vrouw niets zonder de man, en ook de man niets zonder de vrouw. 12  Want zoals de vrouw uit de man is voortgekomen, zo bestaat de man door de vrouw-en alles is ontstaan uit God. 13  Oordeelt u daarom zelf. Is het gepast dat een vrouw met onbedekt hoofd tot God bidt? 14  Leert de natuur zelf u niet dat lang haar een man te schande maakt, 15  terwijl het een vrouw tot eer strekt? Het haar van de vrouw is haar gegeven om een hoofdbedekking te dragen. 16  Iemand die meent zo eigenzinnig te moeten zijn af te wijken van wat ik zeg, dient te bedenken dat wij noch de gemeenten van God een ander gebruik kennen. (NBV)

Er was in de vorige eeuw een tijd dat jongens die hun haar lang droegen zich moesten verdedigen. Er waren twee soorten verdediging. Op muntbiljetten stond Michiel de Ruyter afgebeeld en die had overduidelijk lang haar. Verder was er het spreekwoord “beter langharig dan kortzichtig”. Het is soms moeilijk om een plaats te bepalen in een geldende cultuur. Voor Paulus is het van groot belang dat niemand aanstoot zou nemen aan de jonge gemeenten van Christenen. Dat ze weigerden te offeren aan de Romeinse goden was al moeilijk genoeg voor de Romeinen. Dat ze gewoon offervlees durfden eten was al moeilijk genoeg voor de Judeërs. Respect voor de mens zelf staat echter voorop in de Christelijke gemeenten en in de samenleving waar Paulus in leefde waren er een aantal regels waaruit dat respect bleek, waarmee dat respect werd uitgedrukt.

Mannen lieten zien mannen te zijn. Lang haar zou hen vrouwelijk maken dus veel mannen scheerden hun hoofden kaal. Mannen toonden hun hoofd dan ook onbedekt en niet met een hoofddeksel zoals de Judeërs deden. Vrouwen, die hadden lang haar waar ze trots op konden zijn. Maar vrouwen waren alleen verleidelijk voor de mannen waarmee ze getrouwd waren. Ze waren geen publiek object voor verleidelijkheid. Daarom zegt Paulus dat vrouwen hun hoofd bedekt moeten houden. Hij maakt mannen en vrouwen daarmee gelijk. Vrouwen zijn geen mannen en mannen zijn geen vrouwen, ze dragen in de samenleving wel dezelfde verantwoordelijkheid en kunnen dezelfde bijdrage leveren. Daarbij horen seksuele noties geen rol te spelen. Ook in onze samenleving leven die opvattingen wel. Vroeger droegen veel vrouwen een hoofddoekje en ook in klederdrachten horen vrouwelijke hoofdbedekkingen onlosmakelijk bij de klederdracht.

Er zijn nog steeds kerkgenootschappen waar het de gewoonte is dat vrouwen bij de zondagse eredienst hun hoofd bedekt houden en dus een hoed dragen. Maar het sterkst komen we het tegen bij de Moslima’s. Die volgende de geboden van Paulus in hoge mate. Ze bedekken zich geheel en maken daardoor elke seksuele notie van hun verschijnen in de samenleving onmogelijk. Paulus vergist zich overigens als hij de Hebreeuwse Bijbel aanhaalt om zijn aanbevelingen te verdedigen. In Genesis staat dat God de mens naar zijn beeld schiep, mannelijk en vrouwelijk schiep hij hen. Op tal van plaatsen in de Hebreeuwse Bijbel kunnen we lezen dat eigenlijk de man en de vrouw als gelijken moeten worden beschouwd. Eigenlijk waarschuwt dit Bijbelgedeelte ons er dus ook voor om cultureel bepaalde gewoonten te verdedigen met Bijbelteksten. Ook ons uitgangspunt hoort ten allen tijde het respect voor de ander te zijn. Al te sterke scheiding tussen mannen en vrouwen dreigen dat respect te kunnen verminderen, net als al te lang zwijgen over de mogelijkheid dat mannen van mannen  kunnen houden en vrouwen van vrouwen. We mogen dus elke dag op zoek naar manieren om dat respect vorm te geven.

Alles is toegestaan, maar niet alles is opbouwend

zaterdag, 23 januari, 2016

1 Korintiërs 10:23–11:1

23 ¶  U zegt: ‘Alles is toegestaan.’ Zeker, maar niet alles is goed. Alles is toegestaan, maar niet alles is opbouwend. 24  Wees niet op uzelf gericht, maar op de ander. 25  U mag alles eten wat er in de vleeshal wordt verkocht; u hoeft niet omwille van uw geweten na te gaan waar het vandaan komt. 26  Immers: ‘Van de Heer is de aarde en haar rijkdom.’ 27  Wanneer een ongelovige u uitnodigt om bij hem te komen eten en u neemt zijn uitnodiging aan, kunt u rustig alles eten wat u aangeboden wordt. Het is niet nodig dat u omwille van uw geweten vraagt waar het vandaan komt. 28  Maar wanneer iemand u erop wijst dat u vlees van offerdieren eet, laat het dan omwille van hem staan. Houd rekening met het geweten. 29  Ik bedoel nu niet uw eigen geweten, maar dat van die ander. Mijn vrijheid wordt door zijn geweten toch niet aangetast? 30  Er is toch niemand die kwaad van mij kan spreken om wat ik eet, als ik God maar voor mijn eten dank? 31  Dus of u nu eet of drinkt of iets anders doet, doe alles ter ere van God. 32  Geef geen aanstoot aan de Joden, aan andere volken of aan Gods gemeente. 33  Ikzelf doe dat ook niet. Ik wil iedereen ter wille zijn, in welk opzicht dan ook; ik zoek niet mijn eigen voordeel, maar dat van alle anderen, opdat ze worden gered. 1 ¶  Dus volg mij na, zoals ik Christus navolg. (NBV)

“Wees op de ander gericht” is het advies van Paulus. Denk dus niet dat het Christelijk geloof vol zit van geboden en verboden. Zo zit dat niet. Voorgangers die roepen dat je allerlei regels en geboden moet houden en dat zij die er voor hebben gestudeerd precies weten hoe dat in elkaar zit willen alleen maar macht over je uitoefenen en zijn in wezen valse voorgangers. Alles komt van de ene Heer en van alles mag je genieten. Ja, als iets schade toebrengt aan een mens, dan wil je het wel laten staan, al heb je er zelf geen last van, je brengt een ander maar in verleiding om iets verkeerd te doen. Bij Paulus was het offervlees het voorbeeld bij uitstek. Sommige Heidenen kochten dat speciaal om de tempel van de een of andere godheid te steunen. Daar wilden de volgelingen van Jezus van Nazareth niet aan bijdragen. Maar vlees bleef vlees dus het eten zelf was niet verboden.

In onze dagen zal datzelfde gelden voor het drinken van alcohol. Op zich is dat niet verboden, de hele Bijbel staat vol met voorbeelden van het drinken van alcohol en de meest geheiligde maaltijd kent een beker wijn. Dronkenschap dat wordt veroordeeld, want overmatig alcohol gebruik brengt schade toe aan hersens en lever. En overmatig alcoholgebruik verminderd je vermogen tot oordelen en denken zodat je maar al te gemakkelijk een ander pijn gaat doen en spijt komt dan te laat, want achteraf. Maar matig alcoholgebruik kan ook gevaarlijk zijn. Na een paar glazen alcohol ben je al ongeschikt om aan het verkeer deel te nemen. En ook al hoef je zelf niet meer aan het verkeer deel te nemen als je gedronken hebt, je kunt je altijd afvragen hoe het is met het gezelschap waarin je bent. Als daar mensen zijn die wel aan het verkeer moeten gaan deelnemen dan is het beter ook zelf geen alcohol te drinken. Ze zijn dan altijd in gezelschap van mensen die alcohol vermijden en worden dus minder in de verleiding gebracht in de fout te gaan.

Ook als je een receptie of bijeenkomst organiseert kun je vooraf al rekening houden met mensen die geen alcohol zouden moeten gaan drinken. Afzien van het aanbieden van alcohol is dan eigenlijk de beste regel, want als niemand drinkt kan ook niemand in verleiding gebracht worden. Het blijft dan ook heel merkwaardig dat met name onze overheid met haar alcoholmatigingsbeleid bij elke bijeenkomst volop alcohol beschikbaar heeft. Het komt toch heel zelden voor dat mensen blijven slapen na zo’n overheidsbijeenkomst en maar zelden heeft iemand een auto met chauffeur. Paulus leert ons voortdurend bedacht te zijn op de zorg voor anderen. Als het om alcohol gaat geldt dat bij ons zeker extra voor het alcoholgebruik. En bedenk ook vooral dit, als iemand ooit verslaafd is geweest aan alcohol reageert ons lichaam zo dat na de eenvoudigste alcoholconsumptie de verslaving vaak weer in volle omvang terugkeert. Ga naast een ex verslaafde staan en doe mee in het zich onthouden van alcohol, je helpt de ander op geweldige manier.

Omdat het één brood is.

vrijdag, 22 januari, 2016

1 Korintiërs 10:14-22

14  Om deze reden moet u, geliefde broeders en zusters, u verre houden van afgodendienst. 15 ¶  Ik spreek tot verstandige mensen, dus u kunt wat ik nu zeg naar waarde schatten.  16  Maakt de beker waarvoor wij God loven en danken ons niet één met het bloed van Christus? Maakt het brood dat wij breken ons niet één met het lichaam van Christus? 17  Omdat het één brood is zijn wij, hoewel met velen, één lichaam, want wij hebben allen deel aan dat ene brood. 18  Kijkt u eens naar het volk van Israël. Hebben tempeldienaars die van de offers eten niet eveneens deel aan hetgeen geofferd wordt? 19  Wat wil ik met dit alles zeggen? Dat offervlees een bijzondere betekenis heeft? Of dat afgoden echt bestaan? 20  Dat niet, maar wel dat heidenen aan demonen offeren en niet aan God, en ik wil niet dat u één wordt met demonen.  21  U kunt niet drinken uit de beker van de Heer en ook uit die van demonen, u kunt niet deelnemen aan de maaltijd van de Heer en ook aan die van demonen. 22  Of willen we de Heer tergen? Zijn we soms sterker dan hij? (NBV)

Delen dat doe je met de armen. Met de mensen die het nodig hebben. Delen doe je niet om er zelf beter van te worden. We hebben daarover eerder uit het boek Numeri de voorschriften gelezen. Een paar maal per jaar moesten de mensen van Israel naar de Heilige Tent, later de Tempel in Jeruzalem, om daar met de familie, de slaven en slavinnen, of later de knechten en de meiden, met de vreemdelingen, de armen en de bedienaren van de Tempel een maaltijd te houden. Dat was het offer, en die maaltijd was een offermaaltijd. Het eten was aan God gewijd omdat het bestemd was voor het delen. Dat was het hart van de godsdienst. Dat delen was dus niet om een godheid gunstig te stemmen. Dat hebben we ook bij de lezing van het boek van Job geleerd. Die hield dit soort maaltijden zelfs als zijn kinderen een feest hadden gegeven omdat hij bang was dat ze door dat feest misschien wel vergeten waren het goede te delen met hen die het nodig hadden. De goedheid van een God hing er niet van af, je deed dit omdat het je godsdienst was.

Bij de Heidenen met hun Tempels en Priesters was het offer juist wel bestemd om de godheid gunstig te stemmen. Om voorspoed en vruchtbaarheid te krijgen moest je voortdurend de goden tevreden houden. Onzin zegt Paulus, en bovendien kun je niet delen met mensen die het nodig hebben en tegelijkertijd een god gunstig stemmen. We kennen maar één God, we kennen maar één Heer en voor die ene God is alle godsdienst het delen met de armen en de zwakken. Tot in onze dagen is dat wennen. Zelfs in de Christelijke godsdienst sluipt de gedachte binnen dat je in een kerk moet proberen God gunstig te stemmen. In de Rooms-Katholieke Kerk hebben ze daar de voorsprekende heiligen voor bedacht, waar je een kaarsje voor opsteekt, die je aanroept om een wonder gedaan te krijgen. Paulus zegt hier eigenlijk dat ook die gewoonten niet passen in de godsdienst die hij verkondigt. Want uiteindelijk kunnen we onze God niet voor ons karretje spannen.

Je naaste liefhebben als jezelf betekent dat je jezelf lief hebt maar nog niet dat anderen jou ook liefhebben. Nee, Jezus van Nazareth liet ons zien dat dat liefhebben van een ander zelfs door kan gaan als iedereen je in de steek laat, tot in de dood toe gaat dat door. Daarom is dat delen van dat brood delen van jezelf, ter herinnering aan het delen van zijn lichaam, daarom is dat delen het hart van onze godsdienst. Denk nu niet dat je er zelf ook wat aan kan overhouden. In sommige kerken wordt gesuggereerd dat je door de goede werken een grote beloning krijgt. Hoe meer goede werken hoe minder straf van God en hoe groter de beloning in het eeuwige leven. Maar ook dat spreekt de Bijbel tegen. Wat je er aan overhoud is de betere wereld die je nalaat voor de anderen. Als we dat allemaal voortdurend zouden doen dan zal uiteindelijk de hemel op aarde komen. Zolang dat niet het geval is moeten we ons maar inspannen om het zover te krijgen. Het geloof dat het kan en dat het zeker zal gebeuren drijft ons voort. Die mensen die het opgeven en gaan leven voor hun eigen genot missen het uiteindelijk. Maar of wij het zullen meemaken is maar de vraag, een vraag waarop we geen antwoord hebben.