Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor december, 2015

Knielen voor wat je zelf hebt gemaakt

maandag, 21 december, 2015

Micha 5:6-14

6 En wat er van Jakob is overgebleven, te midden van machtige volken, zal zijn als dauw die van de HEER komt, als regendruppels op het groen, dat niets verwacht van een mens en niet naar mensenkinderen uitziet. 7 Wat er van Jakob is overgebleven, te midden van grote volken, zal zijn als een machtige leeuw tussen het wild, als een leeuw die de kudde binnendringt, een leeuw die vertrapt en verscheurt, en er is niemand die hem tegenhoudt. 8 Mogen je aanvallers je kracht leren kennen, mogen je vijanden worden vernietigd! 9 Op die dag zal het gebeuren-spreekt de HEER dat ik je paarden zal afslachten en je strijdwagens vernietigen. 10 Ik zal de steden in je land verwoesten en je vestingen neerhalen. 11 Je tovermiddelen zal ik je ontnemen, ik laat geen waarzeggers meer toe. 12 Je godenbeelden zal ik vernietigen, evenals je gewijde stenen, en je zult niet langer knielen voor wat je zelf hebt gemaakt. 13 Je Asjerapalen zal ik verwijderen, je tempelburchten zal ik verwoesten, 14 en in mijn hevige toorn neem ik wraak op alle volken die niet hebben geluisterd. (NBV)

De kritiek op de afgodendienst in de Bijbel concentreert zich voortdurend op een paar elementen. Vruchtbaarheidsgoden dienen is onvruchtbaar en knielen voor wat je zelf hebt gemaakt is dwaas. Juist in deze tijd is het knielen voor wat we zelf maken weer helemaal in de mode. Elk jaar kiezen we een politicus tot beste politicus, het publiek kiest dan meestal een ander dan de journalisten die dag aan dag verslag doen van het politieke bedrijf. Geen wonder dat veel mensen achter die politicus aan lopen want we hebben hem zelf gemaakt tot idool. Regeren durft hij meestal niet aan want als een profeet blijft hij langs de kant staan om commentaar te leveren. Ook veel artiesten worden tegenwoordig aanbeden. Eerst worden er competities georganiseerd om er een Idool uit te kiezen, en idool betekent zelfgemaakte godheid, en vervolgens duiken die overal op om aanbeden te worden.

Bij de concerten geldt dan ook weer de wet van groot-groter-grootst tot tienduizenden in aanbidding in een voetbalstadion zitten om de zelfgemaakte godheid te aanbidden. Zo behandelen we koningshuizen die we voortdurend zouden mogen aangapen en waarvan we elk detail zouden moeten mogen weten omdat we nu eenmaal geacht worden die koningen en koninginnen inclusief de bijbehorende prinsen, prinsessen, graven en gravinnen te aanbidden. Langzaamaan gaat onze samenleving geheel draaien om dit soort zelfgemaakte goden en godinnen. De komende weken zullen we er in jaaroverzichten van nieuws en sportredacties weer een heleboel voorbij zien trekken en dan zal het lijken of er niet genoeg van kunnen zijn. Het zal vast ook gaan over hoe goed we zelf zijn. Hoeveel voedselpakketten we bij elkaar kregen. Wij zijn goed en de armen zielig. Dat aan de armen geen recht wordt gedaan, zoals de Bijbel vraagt, gaat verloren in het feest van zelfaanbidding.

Als het dan Oudjaar wordt komen de narren voorbij om nog een keer de spot met de goden en godinnen te drijven zodat ze nog eerbiedwaardiger worden. Want met ons wordt immers nooit in het openbaar de spot gedreven. De God van Micha vraagt ondertussen een heel ander soort aanbidding. Die God heeft zelfs geen naam, laat staan een beeld. Die God is te zien in de ogen van de armen, in het gezicht van de lijdende. Daar voor zorgen, die bevrijden, je zelf daarvoor opofferen is het hoogste dat die God vraagt. En die God zal wraak nemen op alle volken die daar niet naar luisteren. Daar zijn geen occulte of paranormale godendienaren voor nodig. De magische voorspellers, de sprekers en spreeksters met de doden, de instraalsters worden in de dienst van de God van Micha ontmaskert. We moeten het zonder al die goden en godinnen doen en dat moet heel wat vruchtbaarder zijn.

Zij zullen veilig wonen

zondag, 20 december, 2015

Micha 5:1-5

1 Uit jou, Betlehem in Efrata, te klein om tot Juda’s geslachten te behoren, uit jou komt iemand voort die voor mij over Israël zal heersen. Zijn oorsprong ligt in lang vervlogen tijden, in de dagen van weleer. 2 Totdat de vrouw die zwanger is haar kind heeft gebaard, worden zijn broeders aan hun lot overgelaten. Daarna zullen wie er nog over zijn terugkeren naar de andere Israëlieten.3 Hij zal aantreden en hen als een herder weiden, bekleed met de macht van de HEER, zijn God, met de majesteit van diens verheven naam. Zij zullen veilig wonen, want hij zal heersen tot aan de einden der aarde, 4 en hij brengt vrede. Wanneer Assyrië ons land binnenvalt en zijn voet in onze paleizen zet, zullen wij zeven herders doen opstaan, ja, acht vorsten uit mensen gekozen. 5 Met het zwaard zullen zij Assyrië kaalslaan, met blinkende wapens Nimrod vernietigen. Hij zal ons bevrijden van Assyrië wanneer het ons land binnenvalt en onze grenzen overschrijdt. (NBV)

Het boek van de profeet Micha is geliefd bij Christenen omdat een kind uit Bethlehem de vrede zou brengen en dan met zeven herders de vijand verslaan. Dat lijkt wel op het kerstverhaal zoals Lucas ons dat vertelt. Nu is dat niet zo heel vreemd want Lucas kende het boek van Micha natuurlijk heel goed. En dat verhaal over een meisje dat een kind durfde krijgen te midden van de meest zwarte dreiging was ook al door Jesaja verteld. Die Jesaja had er trouwens nog een eeuwig misverstand mee geschapen want zijn woord voor meisje kon ook met het Oud Hollandse maagd worden vertaald, zoals dienstmeisje ook dienstmaagd kan heten. Dat heeft niks te maken met een meisje dat nog geen omgang met een man had gehad. Maar goed wij lezen de profeet Micha en die heeft het over vertrouwen. Een heel goed teken van vertrouwen is inderdaad de jonge moeder die het aandurft kinderen te krijgen.

We hebben een tijd gehad dat ook in ons land de dreiging van een atoomoorlog zo groot was dat mensen het niet meer aandurfden een gezin met kinderen te stichten. Dat is nu minder erg maar in landen waar onderdrukking en armoede heersen geldt het nog steeds. Als mensen hun liefde laten winnen van hun angst dan begint de bevrijding willen Micha en Jesaja zeggen. En dat verhaal wordt later ook op die manier door Lucas verteld. Als er dan ook nog herders zijn die zich druk maken over de bescherming van al die zwakke mensen dan moet het echt wel goed komen. En herders waren er in Bethlehem. Micha herinnert aan de geschiedenis van David en zijn zeven broers. Uit het kleinste dorpje van de kleinste stam kwam de grootste koning, de eerste koning die Israel aanzien gaf en uiteindelijk na een lange tijd van oorlogen onder de Rechters ook vrede bracht. Zulke herders heb je nodig.

Er zijn telkens weer mensen die ons voordoen hoe te zorgen voor de minsten. Voor de opvang van vluchtelingen in ons land moesten zelfs wachtlijsten worden aangelegd van de vele vrijwilligers die zich hadden aangemeld. En een meerderheid van de Nederlanders blijkt geen enkele moeite te hebben met opvang van vluchtelingen in hun omgeving als het aantal vluchtelingen maar in verhouding staat met het aantal inwoners van wijk, dorp of stad. Wij denken overigens vaak dat die herders boven ons staan. Zij geven leiding en als makke schapen dan volgen wij. Dat is niet het verhaal uit de Bijbel. David was de jongste van zijn broers. Toen Samuël aan de vader van David had gevraagd zijn zonen bijeen te brengen omdat God een bijzondere boodschap had, was David helemaal niet gevraagd. Hij bleef in het veld bij de schapen. Maar God had de minste van de broers gekozen tot Koning van het volk. Later hebben we geleerd dat we in de minste wel eens God kunnen ontmoeten, wat wij aan de minste van zijn broeders deden hadden we Jezus zelf aangedaan. Bij Micha kan een kind het begin worden van bevrijding van oorlog en geweld. Misschien moeten ook wij ons wat vaker toevertrouwen aan een dergelijk visioen.

Allen zien hoopvol naar U uit

zaterdag, 19 december, 2015

Psalm 145

1 ¶  Een loflied van David. U, mijn God en koning, wil ik roemen, uw naam prijzen tot in eeuwigheid. 2  Elke dag opnieuw wil ik u prijzen, uw naam loven tot in eeuwigheid: 3  ‘Groot is de HEER, hem komt alle lof toe, zijn grootheid is niet te doorgronden.’ 4  Laat geslacht na geslacht van uw schepping verhalen, uw machtige daden verkondigen. 5  Laten zij spreken over de glorie van uw majesteit,  ook ik wil uw wonderen bekendmaken. 6  Laten zij getuigen van uw geduchte daden, ook ik wil van uw grootheid vertellen. 7  Laten zij de roem van uw goedheid verbreiden, uw gerechtigheid luid bezingen: 8  ‘Genadig en liefdevol is de HEER,  hij blijft geduldig en groot is zijn trouw. 9  Goed is de HEER voor alles en allen, hij ontfermt zich over heel zijn schepping.’ 10 ¶  Laten al uw schepselen u loven, HEER, en uw getrouwen u prijzen. 11  Laten zij getuigen van de luister van uw koningschap, spreken over uw machtige werken, 12  aan de stervelingen uw machtige daden verkondigen, de glorie en de glans van uw koningschap: 13  ‘Uw koningschap omspant de eeuwen, uw heerschappij omvat alle geslachten.’ 14  ‘Een steun is de HEER voor wie is gevallen, wie gebukt gaat richt hij op. 15  Allen zien hoopvol naar u uit, u geeft brood, op de juiste tijd. 16  Gul is uw hand geopend, u vervult het verlangen van alles wat leeft. 17  Rechtvaardig is de HEER in alles wat hij doet, zijn schepselen blijft hij trouw. 18  Allen die hem aanroepen is de HEER nabij, die hem roepen in vast vertrouwen. 19  Hij vervult het verlangen van wie hem eren, hij hoort hun klacht en komt te hulp. 20  De HEER waakt over wie hem liefhebben, maar wie hem afwijzen, vaagt hij weg.’ 21  Laat zó mijn mond de lof spreken van de HEER,  en alles wat leeft zijn heilige naam prijzen, tot in eeuwigheid. (NBV)

Alle Godlof in deze psalm zou bijna verhullen dat er ook uitgezien wordt naar wat nog moet komen. Elk jaar in september kent de kerk de zogenaamde vredeszondag. We staan dan stil bij hetgeen we moeten doen om de vrede in de wereld dichterbij te krijgen. H Vrede zij in elk geval met U. Ook rond de Kerstdagen is de roep om vrede niet van de lucht. David, aan wie deze Psalm is toegeschreven was de vredevorst bij uitstek. Hij wist in Israël niet alleen vrede te brengen maar ook veiligheid. Voor David kwamen buurvolken elk jaar de oogst van de boeren roven. Af en toe waren er Rechters geweest die telkens een korte periode van vrede wisten te brengen maar het volk verlangde naar een duurzame vrede. De volken hadden daarvoor Koningen. Die konden een permanent leger op de been brengen en daarmee de vrede voor hun volk verzekeren. Israël had een God als Koning. Maar van die God was geen beeld, alleen een aantal richtlijnen voor een vreedzame samenleving. Maar ze kregen een Koning. Alleen die Koning bleef oorlog voeren, die Koning bracht geen vrede.

Toen David Koning werd voerde hij een andere strategie in. Een strategie die ook door wereldmachten werd gebruikt. In elke overwonnen stad legerde David een aantal soldaten van zijn leger en elk volk moest aan Israël belasting betalen. Dat David een meer blijvende  vrede had gebracht aan een volk dat zich eigenlijk nooit goed had kunnen verdedigen maakte hem tot de vredevorst, een man naar Gods hart staat er geschreven. Maar kreeg David daarvoor ook de eer? Niet dus. Hij had oorlog gevoerd. Hij had mensen gedood en mensen laten doden. En in de richtlijnen voor de menselijke samenleving staat heel uitdrukkelijk “Gij zult niet doden”. Daarom kon David niet een Tempel voor  de God van Israël laten bouwen. In die Tempel immers stond niet een beeld van de God van Israël, nergens was daar een spoor te vinden van een God als de machtigste, van een God die zijn volk tot het voornaamste volk op aarde had gebracht. Integendeel. Er stond een tafel met brood, er stond een kandelaar met zeven armen. En in het binnenste waar niemand kon komen stond een kist van acaciahout met twee gouden cherubijnen er op. In die kist werden de grondregels voor die samenleving bewaard.

In die Tempel werd ook geofferd. Maar dan niet om die God te voeden of groter te maken maar om te laten zien dat het volk bereid was te delen van hetgeen hen was toegevallen. Daarmee werd de God van Israël de steun van de armen zoals deze Psalm zo lyrisch bezingt. Armen mogen er immers altijd op rekenen dat er mensen zijn die de God van Israël volgen en dus bereid  zijn te delen met de minsten, die bereid zijn om mensen die geen kansen meer lijken te hebben de kans geven opnieuw te beginnen. De jubel die in deze Psalm opklinkt doet denken aan het jubeljaar. In dat jaar, elke vijftig jaar opnieuw, zou elke familie die het door God gegeven stukje land in Israël was kwijtgeraakt dat stukje land weer terugkrijgen. Zo zou een menselijke samenleving in stand kunnen blijven. Ook de familie van David had een  dergelijk stukje land. Dat lag in Bethlehem, het land van de vader van David, Isaï. Het land waar David als herder achter de schapen was weggeroepen om Koning te worden van Israël. Ooit zouden twee van zijn afstammelingen, Jozef en Maria, weer aan die richtlijn herinneren. Hun plaats was het door God aan de familie gegeven stukje land. En toen ze daarheen gingen en hun zoon baarden klonk opnieuw de Psalm die we vandaag meezingen, ere zij God. En zo  mogen wij elkaar elke dag toewensen: Vrede zij met U!

Leef in vrede met elkaar

vrijdag, 18 december, 2015

1 Tessalonicenzen 5:12-28

12  Wij vragen u, broeders en zusters, diegenen onder u te erkennen die zich op gezag van de Heer ervoor inzetten u te leiden en terecht te wijzen. 13  U moet hun om hun werk veel liefde en respect betonen. Leef in vrede met elkaar. 14  Wij sporen u aan, broeders en zusters, iedereen die zijn dagelijks werk verwaarloost terecht te wijzen, de moedelozen hoop te geven, op te komen voor de zwakken, met iedereen geduld te hebben. 15  Zie erop toe dat niemand kwaad met kwaad vergeldt en streef altijd naar het goede, zowel voor elkaar als voor ieder ander. 16 ¶  Wees altijd verheugd, 17  bid onophoudelijk, 18  dank God onder alle omstandigheden, want dat is wat hij van u, die één bent met Christus Jezus, verlangt. 19  Doof de Geest niet uit 20  en veracht de profetieën niet die hij u ingeeft. 21  Onderzoek alles, behoud het goede 22  en vermijd elk kwaad, in welke vorm het zich ook voordoet. 23 ¶  Moge de God van de vrede zelf uw leven in alle opzichten heiligen, en mogen heel uw geest, ziel en lichaam zuiver bewaard zijn bij de komst van onze Heer Jezus Christus. 24  Hij die u roept is trouw en doet zijn belofte gestand. 25  Broeders en zusters, bid ook voor ons 26  en groet elkaar met een heilige kus. 27  In de naam van de Heer verzoek ik u dringend deze brief voor te lezen aan alle broeders en zusters. 28  De genade van onze Heer Jezus Christus zij met u. (NBV)

Hiermee sluiten we het lezen van het oudste geschrift uit het Nieuwe Testament af. Paulus besluit met de oproep zijn brief aan iedereen voor te lezen en dat gebeurt tot op de dag van vandaag in alle kerken van de wereld. De Bijbel is in bijna alle talen van de wereld vertaald. Maar die vertalingen verschillen. De oproep “Leef in vrede met elkaar” wordt bijvoorbeeld in de Naardense Bijbel vertaalt met “Houdt vrede met elkaar” in dat klinkt toch wat actiever dan de vertaling van de Nieuwe Bijbelvertaling. Ook andere Nederlandse vertalingen kennen deze actieve variant. Vrede houden, zeker in een christelijke gemeente, is een zaak waaraan je moet werken. In de geschiedenis is dat maar al te vaak verkeerd gegaan en daardoor zitten we alleen al in ons land met enkele honderden verschillende kerkgenootschappen en christelijke groeperingen. Geen wonder dus dat Paulus oproept om compassie met de leraars te hebben. Voor hen is het wel het aller moeilijkst de vrede in de gemeente te bewaren.

Zo gemakkelijk worden ze misverstaan. Wie kent nu de wetenschappelijke discussie over de betekenis van Hebreeuws en Grieks en dan nog het Hebreeuws en het Grieks waarin Bijbelboeken zijn geschreven in verschillende tijden door verschillende personen. Het Grieks van Paulus is volgens de geleerden bijvoorbeeld een bijzonder Grieks waarin zijn Hebreeuwse achtergrond duidelijk doorklinkt, ongeveer zoals Allochtone schrijvers hun moedertaal laten doorklinken in hun Nederlandse romans. Voordat we dus in discussie gaan over betekenis en toepassing van de schrift hebben we wat af te studeren. Altijd naar het goede te streven is misschien toch wat sneller te begrijpen. Alles onderzoeken en het goede daaruit te behouden is weer wat moeilijker. De kerken hebben in de loop van de geschiedenis allerlei wetenschappelijke terreinen proberen af te sluiten omdat ze gevaarlijk zouden kunnen zijn voor het geloof.

Maar wat houdt je nu eigenlijk af van het vertrouwen dat de armen bevrijdt zullen worden? Toch niet het wetenschappelijk onderzoek dat voor de evolutieleer meer bewijzen vindt dan voor een scheppingsverhaal of een ontworpen geschiedenis? We mogen in elk geval blij zijn met wat we hebben. Die levenshouding kan ons behoeden voor het mee gaan doen in de race voor winst en profijt, voor hebben en houden dat tegenwoordig de overhand heeft. Niet het delen met anderen en genieten van wat we hebben, maar desnoods leningen afsluiten die je diep in de schulden brengen om het nieuwste van het nieuwste te krijgen. Een voorbeeld van een gemeenschap waarin men in vrede met  elkaar weet te leven en niet met stenen en vuurwerk discussies hoeft te voeren hebben we meer dan ooit nodig. Paulus raad ons aan het kwaad te vermijden, dit kwaad is voor iedereen te vermijden en het vermijden van het schuldenkwaad is ook aan iedereen duidelijk te maken. Draag het dus uit.

Wees elkaar tot voorbeeld.

donderdag, 17 december, 2015

1 Tessalonicenzen 5:1-11

1 ¶  Broeders en zusters, ik hoef u niet te schrijven over het moment waarop dit zal gebeuren, 2  want u weet zelf maar al te goed dat de dag van de Heer komt als een dief in de nacht. 3  Als de mensen zeggen dat er vrede en veiligheid is, worden ze plotseling getroffen door de ondergang, zoals een zwangere vrouw door barensweeën. Vluchten is dan onmogelijk. 4  Maar u, broeders en zusters, u leeft niet in de duisternis, zodat de dag van de Heer u zou kunnen overvallen als een dief, 5  want u bent allen kinderen van het licht en van de dag. Wij behoren niet toe aan de nacht en de duisternis, 6 ¶  dus laten we niet slapen, zoals anderen, maar waken en op onze hoede zijn. 7  Wie slaapt, slaapt ‘s nachts, en wie zich bedrinkt, is ‘s nachts dronken; 8  maar laten wij, die toebehoren aan de dag, op onze hoede zijn, omgord met het harnas van geloof en liefde, en getooid met de helm van de hoop op redding. 9  Want Gods bedoeling met ons is niet dat wij veroordeeld worden, maar dat wij gered worden door onze Heer Jezus Christus. 10  Hij is voor ons gestorven opdat wij, of we nu op aarde zijn of gestorven zijn, samen met hem zullen leven. 11 ¶  Dus troost elkaar en wees elkaar tot voorbeeld, zoals u trouwens al doet. (NBV)

In de dagen van Paulus kwam er in het Romeinse Rijk een Perzische godsdienst op die heel populair zou worden. Eigenlijk zo populair dat de grondgedachten van die Heidense godsdienst ook in het Christendom een rol zouden gaan spelen. Het was de godsdienst van Zaratustra. Grondgedachte was dat er een voortdurende strijd gaande was tussen Goed en Kwaad, tussen de goden van goed en kwaad, en dat de mensen zouden moeten meevechten om bij de eindoverwinning mee te kunnen profiteren van die overwinning. In dit gedeelte van de brief aan de mensen in het Griekse Tessalonica kunnen we lezen dat Paulus dat beeld eigenlijk verwerpt. Als kinderen van het Licht hebben we eigenlijk weinig of niks te maken met de strijd tegen het kwaad. De overwinning is immers al behaald voordat de strijd begonnen was. De Liefde was van voor de schepping van Hemel en Aarde gelijk aan de God die de Hemel en Aarde geschapen heeft en van die Schepping staat geschreven dat God zag dat het goed was.

Dat kwaad kwam in de wereld door het gedrag van de mensen zelf, als mensen zich weer door de liefde laten lijden zal het kwaad uiteindelijk ook weer verdwijnen. Omgord met het Harnas van geloof en liefde en getooid met de Helm van de hoop is de dag van de overwinning ook niet iets van een verrassing, die dag die komt, wat ons betreft vandaag nog. Juist in de Liefde voor de naaste ligt de redding. Dat was immers de ontdekking van het volk in de woestijn, door een onvoorwaardelijke liefde voor elkaar, bereidheid om alles te delen voor elkaar, kun je het in de woestijn uithouden en de woestijn doorkomen. Dat kwade is dus niet belangrijk. Paulus hamert er in vele brieven op je niet met het kwade bezig te houden maar met het goede. Het kwade is te verdrijven niet door het te bestrijden maar door het goede te doen en niet dan het goede. Dat is het harnas van Liefde en Geloof, uit liefde doen we dit en we vertrouwen er op dat het zo ook zal gaan.

Hoop hebben we nodig om het vol te houden, om het uit te houden in een wereld waar mensen steeds weer de neiging hebben het kwade te volgen, eigenbelang en de goden van winst en profijt voorop te stellen. De gemeente in Tessalonica had het helemaal door. Ze waren elkaar al tot voorbeeld. Ze hielden elkaar wakker en scherp als het ging om de zorg voor de armen in de stad, de verbondenheid met de slaven, de weduwen en de wees, het helpen van de zieken, het troosten van de stervenden en de bedroefden, het voeden van de hongerigen en het kleden van de naakten. Juist dat maakte hen vrij van onderdrukking, daar heb je geen andere overheid voor nodig dan God, dan is er geen Tempel en geen Priester die je zal moeten helpen, de hulp komt van broeders en zusters om je heen. Zo gaat het tot vandaag toe.

 

Troost elkaar met deze woorden

woensdag, 16 december, 2015

1 Tessalonicenzen 4:13-18

13 ¶  Broeders en zusters, wij willen u niet in het ongewisse laten over de doden, zodat u niet hoeft te treuren, zoals zij die geen hoop hebben. 14  Want als wij geloven dat Jezus is gestorven en is opgestaan, moeten wij ook geloven dat God door Jezus de doden naar zich toe zal leiden, samen met Jezus zelf. 15  Wij zeggen u met een woord van de Heer: wij, die in leven blijven tot de komst van de Heer, zullen de doden in geen geval voorgaan. 16  Wanneer het signaal gegeven wordt, de aartsengel zijn stem verheft en de bazuin van God weerklinkt, zal de Heer zelf uit de hemel neerdalen. Dan zullen eerst de doden die Christus toebehoren opstaan, 17  en daarna zullen wij, die nog in leven zijn, samen met hen worden weggevoerd op de wolken en gaan we de Heer in de lucht tegemoet. Dan zullen we altijd bij hem zijn. 18  Troost elkaar met deze woorden. (NBV)

Je kunt je hele leven werken voor anderen maar aan het eind ga je toch dood. In de tijd van Paulus was het soms nog erger want er waren mensen in de gemeente die gedood werden juist omdat zij omkeken naar het lot van de armsten in de stad. Is de dood een passende beloning voor de trouw aan het woord van God? Dat wil er bij niemand in. Gelovig of ongelovig, als je het gebod volgt je naaste lief te hebben als jezelf dan gun je niemand de dood als het laatste woord. Het feit dat Jezus van Nazareth op de een of andere manier de dood heeft overwonnen en zich na zijn dood aan zijn leerlingen liet zien doet niet af aan het feit dat sindsdien toch al die volgelingen dood zijn gegaan en we dat met z’n allen geen beloning vinden voor alles wat ze hebben opgegeven. Hoe zit het dan met de dood en het leven na de dood? We weten het niet.

In het boek Genesis lezen we dat God het leven van de mensen in tijd heeft begrensd en de Prediker schrijft dat de adem van God, waarmee aan de mens het leven werd gegeven, terug keert naar God zelf. Dat is een mooi beeld en een eenvoudig beeld. Onze adem maakt na onze dood weer deel uit van God. Dat kan je troosten. In de tijd van Paulus deden de wildste verhalen de ronde over dat deel uitmaken van God. De Grieken en Romeinen geloofden in een dodenrijk, met een rijk voor slechte doden en velden voor goede doden. Dat geloof is dus bijgeloof. Paulus vertelt dan dat er een dag komt, nog tijdens zijn leven, dat alles op de wereld zal veranderen. Dat God werkelijk bij ons zal komen wonen en dat de doden uit hun graf zullen ontwaken en levende gelovigen en opgestane gelovigen op de wolken zullen worden weggevoerd. Ook dat moet een beeld zijn om uit te drukken dat onze adem terug zal keren bij God. In het boek “Openbaringen”, wordt dat beeld weer op een andere manier verwoord.

Daarom kunnen we rustig zeggen dat we niet weten wat er na onze dood gebeurt. Aangezien de boodschap van de Bijbel is dat God voor ons zal zorgen hoeven we ons er ook niet druk om te maken. Als we kiezen voor het leven, kiezen we ook voor het leven van onze naaste en zijn we bedroefd om iedereen die het leven verlaat. Het meest bedroefd mogen we zijn om hen die ons nabij zijn geweest in het leven. Troost is dat God voortaan voor hen zorgt. Maar soms is dat een schrale troost. Het verlies van jonge kinderen, het verlies van jonge mensen, van nog lang niet oude geliefden, van geliefden met wie je vele jaren bent opgetrokken, wordt niet minder van de gedachte dat ze bij God zijn. Dat God ze beter bij ons had gelaten is vaak een zeer te begrijpen gedachte. Maar geen verdriet hebben is erger, misschien dat ook verdriet kan troosten, verdriet omdat we voor het leven kiezen en dat leven ook willen voor onze naaste.

 

Schaad of bedrieg Uw broeder of zuster niet

dinsdag, 15 december, 2015

1 Tessalonicenzen 4:1-12

1 ¶  Broeders en zusters, in naam van de Heer Jezus vragen we u met klem te leven zoals wij het u hebben geleerd, dus zo dat het God behaagt. U doet dat al, maar wij sporen u aan het nog veel meer te doen. 2  U kent de voorschriften die wij u op gezag van de Heer Jezus hebben gegeven. 3  Het is de wil van God dat u een heilig leven leidt: dat u zich onthoudt van ontucht, 4  dat ieder van u zijn lichaam heiligt en in eerbaarheid weet te beheersen 5  en dat u niet zoals de ongelovigen, die God niet kennen, toegeeft aan uw hartstocht en begeerte. 6  Schaad of bedrieg uw broeder of zuster in dit opzicht niet, want de Heer vergeldt dit alles, zoals wij u vroeger al nadrukkelijk hebben voorgehouden. 7  God heeft ons niet geroepen tot zedeloosheid, maar tot een heilig leven. 8  Dus wie deze voorschriften verwerpt, verwerpt niet een mens, maar God, die u zijn heilige Geest geeft. 9 ¶  Over de onderlinge liefde hoeven wij u niets te schrijven, want u hebt zelf van God geleerd hoe u in liefde met elkaar moet omgaan. 10  U doet dat al met alle gelovigen in heel Macedonië, maar, broeders en zusters, wij sporen u aan het nog veel meer te doen 11  en er een eer in te stellen in alle rust uw eigen zaken te behartigen en uw eigen brood te verdienen. Dat hebben wij u opgedragen, 12  opdat u een eerzaam leven zult leiden in de ogen van hen die niet tot de gemeente behoren, en u van niemand afhankelijk bent. (NBV)

Wie de boodschap kent het goede te doen en niet dan het goede weet dat er dingen zijn die je dus moet laten. Het Christendom heeft vanouds het imago dat het tal van zaken verbiedt. Maar zo is het niet. Het Christendom is, evenmin als het Jodendom dat was, een negatieve godsdienst. Paulus schrijft zelfs ergens dat alles geoorloofd is. De keus om iets te doen of iets te laten is aan de individuele gelovige zelf. Het goede ligt niet absoluut vast, zodat de ene keer iets heel goed is om te doen, terwijl het een andere keer juist het kwade is wat je op het punt staat te doen. Dit gedeelte uit de brief aan de mensen in Tessalonica zet ons een beetje op het spoor hoe in de praktijk uit te maken wat je nu wel en wat je nu niet moet doen. Wat hierboven staat is het centrale criterium in dit gedeelte, een ander niet schaden of bedriegen. Daar komt ook de waarschuwing tegen de ontucht vandaan.

In de samenleving waar Paulus naar schrijft waren slaven en slavinnen die je kon huren of kopen om je lusten te bevredigen. De mensenhandel die welig in onze prostitutie tiert heeft het na al die eeuwen niet anders gemaakt. Het zal duidelijk zijn dat je niet een broer of zus misbruikt voor je lustbevrediging. Dat is dus heel iets anders als twee mensen samen besluiten samen plezier van elkaar te hebben en dat met elkaar te delen. Het bestrijden van mensenhandel en de slachtoffers van lover boys bevrijden geeft mensen alleen maar meer mogelijkheden plezier in het leven te hebben. Immers alle mensen zouden zich moeten onthouden van het maken van misbruik van broers en zussen. Juist de goddelozen schuiven de zorg en bescherming af op de overheid en stellen dat je eerst je eigen lust moet bevredigen en dan pas hoeft na te denken over de vraag of je misschien misbruik van iemand hebt gemaakt.

De Bijbel draait dit om, eerst nadenken over mogelijk misbruik en als dat aan de orde is, beheers je dan. Paulus noemt dat Heilig, daar zit het woord heel in. Een perfect mens te zijn, beeld van God, bekleed met liefde voor de naaste, dat is pas Heilig. Daar streven we naar. Misbruik maken van je naaste is als misbruik maken van God. Wie de wanstaltige beelden van seksueel misbruik van kinderen in Thailand en andere vergelijkbare landen ziet vraagt zich af waarom zelfs het organiseren van vliegreizen naar deze oorden niet strafbaar wordt gesteld. Het onrecht onze broeders en zusters aangedaan schreeuwt naar de hemel maar de westerse gelovigen lijken doof te blijven. Paulus wijst op de solidariteit met de gelovigen ook elders, die je moet vergroten. Het wordt dus tijd voor een Europese actie tegen misbruik, mensenhandel en lover boys. Samen kunnen we kennelijk wel wat.

Waar is dan je God?

maandag, 14 december, 2015

Psalm 42

1 ¶  Voor de koorleider. Een kunstig lied van de Korachieten. 2 Zoals een hinde smacht naar stromend water, zo smacht mijn ziel naar u, o God.3 Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God, wanneer mag ik nader komen en Gods gelaat aanschouwen? 4 Tranen zijn mijn brood, bij dag en bij nacht, want heel de dag hoor ik zeggen: ‘Waar is dan je God?’5 Weemoed vervult mijn ziel nu ik mij herinner hoe ik meeliep in een dichte stoet en optrok naar het huis van God-een feestende menigte, juichend en lovend. 6 Wat ben je bedroefd, mijn ziel, en onrustig in mij. Vestig je hoop op God, eens zal ik hem weer loven, mijn God die mij ziet en redt. 7 Mijn ziel is bedroefd, daarom denk ik aan u, hier in het land van de Jordaan, bij de Hermon, op de top van de Misar. 8 De roep van vloed naar vloed, de stem van uw waterstromen-al uw golven slaan zwaar over mij heen.9 Overdag bewijst de HEER mij zijn liefde, ‘s nachts klinkt een lied in mij op, een gebed tot de God van mijn leven. 10 Tot God, mijn rots, wil ik zeggen: ‘Waarom vergeet u mij, waarom ga ik gehuld in het zwart, door de vijand geplaagd?’ 11 Mij gaat door merg en been de hoon van mijn belagers, want ze zeggen heel de dag: ‘Waar is dan je God?’12 Wat ben je bedroefd, mijn ziel, en onrustig in mij. Vestig je hoop op God, eens zal ik hem weer loven, mijn God die mij ziet en redt. (NBV)

Hoeveel Nederlanders zullen deze Psalm in hun jeugd gezongen hebben? “t Hijgend hert, der jacht ontkomen…. ” zoals de berijming uit 1773 luidde heeft tot veel spot en lol geleid. Het “Evenals een moede hinde” zoals de berijming tegenwoordig luidt is  misschien wat onbekender maar de Psalm is een van de meest populaire psalmen uit het Protestants psalmenboek gebleven. Maar waar kun je nu zo moe van worden?  Waar zo droevig van? “Mijn ziel dorst naar God”, vertaalt de Naardense Bijbel. Die jacht uit die bekende psalmberijming komt in de Bijbel niet voor, maar wie wel eens een marathon heeft gezien, die zal gezien hebben hoe een atleet kan smachten naar een slok water. Zo kan het je ook te moede zijn als je de hele dag maar hoort vragen “Waar is je God? “, “we zien die God van jou niet!”, “die God is niet in de hemel en niet op de aarde!”.

En dat terwijl je het bestaan van die God toch had ervaren toen je samen met een heleboel anderen feest ging vieren in een kerk, of een bijeenkomst waar die God werd vereerd, of bij een feest voor bevrijding van de armen. Maar Jeruzalem is ver, de dichter loopt bij de rivier de Jordaan en bij de drie toppen van de berg Hermon in het Misargebergte. Daar waren heiligdommen voor afgoden, daar werd geofferd aan die afgoden. En ja, de afgodendienaars spotten graag met de God zonder beeld, de God zonder land, de God die met mensen meegaat, de God waarvan je zelfs moet zeggen dat die God niet bestaat. Die God is immers niet te vinden in de hemel noch op de aarde. Die God gebeurt tussen mensen. Die God is Liefde. De afgoden, aan wie veel wordt geofferd, hebben niets te bieden. De meest glanzende carrière kan geen liefde brengen. De goden van winst en profijt zoals wij die kennen brengen alleen afgunst en jalouzie voort. Maar de God van de Liefde brengt vreugde.

Maar dan moet je je wel met de minsten willen bezighouden. Niet met de nastrevers van succes, niet met de maatpakken en coctailjurken, maar met de zwervers, de gebroken gezinnen met schulden, de vreemdelingen met hun vreemde geloof, de jongeren uit onze kolonies, de zieken en gehandicapten. En kun je dan nog zeggen dat je smacht naar het werk voor die minsten? Dat je net zo graag wil instaan voor je naaste als de atleet dorst heeft na de wedstrijd? Of als een hert dorst naar stromend fris water? Wat ziel is weten we weer dankzij de onderdrukten uit Amerika. “Soul” noemen ze het daar, het levensgevoel dat vreugde en verdriet weet uit te drukken in taal en muziek. Bij dat levensgevoel kan de honger en dorst naar gerechtigheid horen, de dorst naar God. Gelukkig kunnen we elk moment beginnen met het verlangen naar God, door ons te wenden tot de minsten binnen ons bereik.

Uw liefde voor elkaar en ieder ander

zondag, 13 december, 2015

1 Tessalonicenzen 3:1-13

1 Omdat we het niet langer uithielden, besloten we Timoteüs naar u toe te sturen, onze broeder en Gods medewerker in de verkondiging van het evangelie van Christus. Zelf bleven we in Athene achter. Timoteüs moest u sterken en aanmoedigen in uw geloof, 2 3  zodat u zich niet uit het veld zou laten slaan door de tegenspoed die u ondervindt. U weet tenslotte zelf dat wij die moeten ondergaan. 4  Toen we bij u waren, hebben we u al gezegd dat ons tegenspoed te wachten stond; die is dan ook gekomen, zoals u ondervonden hebt. 5  Ik heb Timoteüs dus gestuurd omdat ik het niet langer kon uithouden. Ik wilde weten of uw geloof standhield, want ik was bang dat de verleider u had verleid en onze inspanningen voor niets waren geweest. 6 ¶  Maar nu is Timoteüs teruggekomen met het goede bericht over uw geloof en liefde. Hij heeft ons bovendien verteld hoezeer u ons altijd als voorbeeld neemt en hoe u er even vurig naar verlangt ons te zien als wij u. 7  Daardoor, broeders en zusters, zijn we over u gerustgesteld. In al onze nood en ellende voelen we ons gesterkt door uw geloof, 8  want nu opnieuw blijkt dat de Heer uw fundament is, leven we weer op. 9  Kunnen we God ooit genoeg voor u danken? Kunnen we hem ooit genoeg danken voor de vreugde die hij ons met u geschonken heeft? 10  Wij bidden dag en nacht met volle overgave dat we u weer zullen zien en kunnen aanvullen wat er nog aan uw geloof ontbreekt.
11 ¶  Mogen God, onze Vader, en onze Heer Jezus ons pad naar u leiden. 12  Moge de Heer uw liefde voor elkaar en ieder ander groter maken, zodat uw liefde even overvloedig wordt als onze liefde voor u. 13  Moge de Heer u door die liefde kracht geven, zodat u zuiver en heilig voor onze God en Vader zult staan wanneer onze Heer Jezus komt met al zijn engelen. Amen. (NBV)

Die jonge gemeenten hadden het niet gemakkelijk. Steeds kwamen er mensen langs die de baas wilden zijn en deden of zij de wijsheid in pacht hadden. Omdat de schrijvers van de brief zelf inmiddels elders aan het werk waren konden ze zelf niet naar Salonici terug geaan. Ze besloten Timoteüs te sturen om de gemeente een hart onder de riem te steken. En Timoteüs was teruggekomen met goede berichten. Het gaat goed met dat kleine groepje mensen van de weg in Tessalonica, Noord Griekenland, dat deel van Griekenland dat tot op de dag van vandaag Macedonië wordt genoemd. In dit oudste geschrift uit het Nieuwe Testament worden die goede berichten ook opgesomd. Ze willen elkaar graag weerzien, Paulus en zijn gezelschap en de groep gelovigen waar de brief aan gericht is. Maar waarom dan, wat is er zo bijzonder?  Aan het eind blijkt het pas, de liefde voor elkaar en voor ieder ander groeit daar, die groeit zo groot dat die dezelfde afmetingen aanneemt als de liefde tussen zielsverwanten.

De liefde voor elkaar is nog voor te stellen en dat die mensen van Paulus houden, omdat die ze tot de groep gemaakt heeft die ze zijn, is ook nog voorstelbaar maar hoe zit het met die “Liefde voor ieder ander”. Er wordt zo gemakkelijk overheen gelezen maar in een stad als Tessalonica met vele tempels en vele religies is die Christelijke gemeente wel een heel erg vreemde club. Daar is geen godenbeeld. Ze hebben geen tempel en zijn ook niet van plan er één te bouwen, ze hebben geen Priesters die het exclusieve recht hebben tussen de gelovigen en de godheid te bemiddelen. De aanbidding van hun God gaat zelfs niet om henzelf. Ze zoeken geen eer en geen roem, ze maken geen reclame, ze pretenderen niet dat ze alles kunnen oplossen, ze helpen alleen maar. Ze tonen belangstelling voor zieken, voor slaven, voor armen, voor hongerigen, voor mensen die geen kleding hebben en zich niet kunnen tonen, voor vreemdelingen die geen thuis hebben, ze troosten de stervenden en de bedroefden. Onder mensen in nood en onder de armen van de stad groeit hun reputatie.

Ze zijn eerlijk en nergens op uit. Het is als een godsdienst zonder God. Ze hebben niet alleen geen beeld om te aanbidden, ze mogen zelfs geen beeld van hun God maken, niet in steen,of hout, of edelmetaal of edelsteen, maar zelfs ook niet woord. Alleen hun daden drukken uit wat hun geloof is, dat is die liefde voor ieder ander. Ze hebben zelfs hun vijanden lief. In de loop van de geschiedenis zijn wij veel van de positie van de gemeente in Tessalonica kwijt geraakt. Wij hebben onze kerkgebouwen, onze priesters en dominees, onze gerespecteerde plaats in de samenleving. Maar zijn we het zicht op de hongerigen en de dorstigen, de naakten en de ontheemden, de gevangenen en de zieken niet een beetje kwijtgeraakt? De vreemdelingen onder ons kunnen onweersproken en ongestraft apart worden gezet. Zelfs een bijbeltiendaagse over het thema vreemdelingen maakte niet de tongen los en zette niemand in beweging. Alleen  de vluchtelingen die bijna lopend naar hier zijn gekomen en de reis over de Middellandse zee hebben overleefd worden massaal geholpen. Zou Paulus vandaag toch aan ons kunnen schrijven dat wat we vandaag lezen over de mensen in Salonici?

Want wie is onze hoop en vreugde?

zaterdag, 12 december, 2015

1 Tessalonicenzen 2:13-20

13 ¶  Wij danken God dan ook onophoudelijk dat u zijn woord, dat u van ons ontvangen hebt, niet hebt aangenomen als een boodschap van mensen, maar als wat het werkelijk is: als het woord van God dat ook werkzaam is in u, die gelooft.  14  Het is u vergaan, broeders en zusters, als Gods gemeenten in Judea die Christus Jezus toebehoren. U hebt even zwaar onder uw stadsgenoten geleden als zij onder de Joden. 15  Die hebben de Heer Jezus en de profeten gedood en ons tot het uiterste vervolgd. Ze mishagen God en zijn alle mensen vijandig gezind, 16  omdat ze ons beletten andere volken bekend te maken hoe ze kunnen worden gered. De maat van hun zonden raakt nu vol, en Gods veroordeling is ten volle over hen gekomen. 17 ¶  Broeders en zusters, nu wij voor korte tijd van u gescheiden zijn bent u weliswaar uit het oog, maar daarom nog niet uit het hart, en omdat we zo naar u verlangden hebben we ons alle moeite gegeven u te zien.  18  We stonden dan ook meer dan eens op het punt naar u toe te komen-ik, Paulus, niet in de laatste plaats-, maar Satan heeft het ons belet. 19  Want wie is onze hoop en vreugde? Wie is onze erekrans wanneer we voor Jezus, onze Heer, staan bij zijn komst? Wie anders dan u? 20  Ja, u bent onze eer en vreugde. (NBV)

We lezen vandaag een stuk uit de Bijbel dat ons in de eerste plaats  leert hoe gevaarlijk het is om teksten uit de Bijbel uit hun verband te halen en uit te leggen zonder de rest van de Bijbel  er bij te betrekken. Als je dat namelijk niet doet dan lijkt het of Paulus hier alle Joden beschuldigd van Godsmoord omdat zij er toe hadden aangezet dat de Romeinen Jezus van Nazareth aan het kruis moesten nagelen. We laten zo buiten beschouwing was Paulus verder over Joden gezegd heeft en dat hij zelf Jood was, Dat zijn medeschrijvers ook Joden waren en dat, misschien nog het belangrijkste, een groot deel van de Christelijke gemeente Joods was. Dat we zo zijn gaan denken komt misschien omdat religieuze bewegingen in het algemeen al snel bij de borstkloppers gaan behoren, zij hebben de waarheid in pacht gekregen en de anderen moeten zich daarbij aanpassen. In Christelijke kerken wordt het nog al eens voorgesteld of de Christelijke kerk, die veel later uiteen zou vallen in kerkgenootschappen, zich van haar Joodse wortels afscheidde op het Pinksterfeest dat in het boek Handelingen werd beschreven.

Niets is minder waar. Het heeft waarschijnlijk eeuwen geduurd voor er een Rabbijns Jodendom en een Christendom als helder te onderscheiden religieuze stromingen waren ontstaan. Binnen het Jodendom zoals dat in de dagen van Paulus nog bestond woedde een felle discussie. Wie of wat was nu het ware Jodendom? Waren dat de vele messiassen de een gewelddadige opstand tegen de Romeinen preekten? In de Bijbel kennen we dan Bar Abbas als strijder tegen Romeinen en die werd verkozen boven de naar vrede strevende Jezus van Nazareth. Maar er waren ook Essenen die zelfs de woestijn introkken om maar niet besmet te worden met invloeden uit het Heidendom. Daarnaast en daartussen waren er Christenen die bijeen kwamen om uit de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel te lezen, verhalen te vertellen over Jezus van Nazareth en waar ook Heidenen welkom waren om mee te doen.

Centraal stond bij deze jonge gemeenten een innerlijk Christendom, al je handelingen in de samenleving moesten in overeenstemming gebracht kunnen worden met de opdracht van God je naaste lief te hebben als jezelf. Op een andere plaats schrijft Paulus dat hij wil dat Gods opdracht in je hart gebeiteld zou worden. Hij grijpt daarbij ook terug op de profeten die hetzelfde al hadden geschreven. Zo waren de jonge Christelijke gemeenten klem komen te zitten tussen hun eigen Heidense omgeving die hen vroeg offers te blijven brengen aan de Heidense goden en de Joodse ijveraars die wilden dat bekeerde Heidenen alle regels uit de Tora naar de letter zouden uitvoeren. Wij leven al eeuwen na de scheiding die zich heeft voltrokken. Toch dienen we dezelfde God en wat we lezen in de Bijbel lezen we op basis van de Hebreeuwse Bijbel. Joden Godsmoordenaars noemen is dus zeer sterk te verwerpen. Als je dat doordenkt dan zou Jezus van Nazareth zelfmoord hebben gepleegd. Niet de Joden zijn verantwoordelijk voor het kwaad in de wereld, maar alle mensen, wij net zo goed als  de anderen. Pas het volgen van de weg van de God van Israël kan ons daarvan bevrijden.