Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor november, 2015

Zij vinden geen hindernis op hun weg

vrijdag, 20 november, 2015

Psalm 119:161-168

161 ¶  Machtigen vervolgen mij zonder reden, maar alleen voor uw woorden huivert mijn hart. 162 ¶  Ik schep vreugde in uw belofte, als de vinder van een rijke buit. 163 ¶  Ik haat, ik verafschuw de leugen, maar uw wet heb ik lief. 164 ¶  Ik zing u dagelijks zevenmaal lof  om uw rechtvaardige voorschriften. 165 ¶  Groot is de vrede voor wie uw wet beminnen, zij vinden geen hindernis op hun weg. 166 ¶  Ik verwacht dat u mij redt, HEER, uw geboden zal ik volbrengen. 167 ¶  Ik houd mij aan uw richtlijnen, mijn ziel heeft ze innig lief. 168  Ik houd mij aan uw regels en richtlijnen, al mijn wegen zijn u bekend. (NBV)

Als je het gedeelte uit Psalm 119 dat we vandaag lezen moet geloven dan ontmoeten gelovigen geen problemen meer in hun leven. Wie gelooft en al enige tijd heeft geleefd weet dat dat onzin is. Gelovigen worden net zo goed ziek, verliezen geliefden, krijgen ongelukken, worden werkloos, gaan scheiden, hebben kinderen die niet willen deugen, als ongelovigen. Geloof in God, in een betere wereld waar tranen gedroogd zijn, helpt op geen enkele wijze tegen rampen en tegenspoed in het leven. Waar zijn al die optimistische uitlatingen dan voor die in dit Bijbelgedeelte worden genoemd? “Groot is de vrede voor wie Uw wet beminnen, zij vinden geen hindernis op hun weg?” Voor het antwoord moet je naar het laatste zinnetje van dit Bijbelgedeelte “al mijn wegen zijn U bekend”. In Psalm 119 wordt het Woord van God voorgesteld als een lamp. Een zaklantaarn in je hand of een mijnwerkerslamp op je hoofd. Die lamp kan in het nachtelijk duister je weg verlichten en je behoeden voor struikelen en vallen.

Als je die lamp even verkeerd richt dat struikel je wel of stoot je je tegen iets waarop je je lamp niet had gericht. En de richtlijn van Heb-je-naaste-lief-als-jezelf die werkt als een dergelijke lamp. Die geeft licht op al de beslissingen die je moet nemen in je leven. Met die richtlijn zit je nooit mis, je let voortdurend op het effect dat jouw handelen heeft op anderen, vooral op de minsten. Je koopt geen kleren die in slavenarbeid zijn gemaakt en als je in een winkel staat waar dat niet wordt gegarandeerd vraag je er naar en probeer je de eigenaar van de winkel ervan te overtuigen dat hij het zijn klanten niet moet aandoen om kleren te laten dragen die wel in slavenarbeid zijn vervaardigd. Hij wil toch ook zelf geen slaaf zijn van zijn zucht naar winst en nog meer winst? Zo spreken wij vreemdelingen aan en maken ruimte voor hen om in onze samenleving samen met ons te leven en spreken wij hen aan die dat willen tegengaan, die als laffe angsthazen allen bedreigen die samen willen leven met mensen die anders geloven. Iedere keer als er in onze wereld mensen onrecht wordt gedaan staan we daar tegen op.

En zo kun je met de psalmist roepen dat je leugens haat, maar de richtlijnen van de God van Israël lief hebt. Zo kun je dagelijks zevenmaal de lof van God zingen om diens rechtvaardige voorschriften. En zeven is hier echt het getal van de volmaaktheid. Iedere keer dat je van de weg van de God afwijkt kom je er eigenlijk ook achter hoe goed die richtlijnen wel niet zijn. Als je kennis hebt gemaakt met de vreugde van de Tora, waar de Joden zelfs een eigen feest voor hebben, dan stoot je je geweldig aan jezelf als je vergeet die lamp op je weg te richten. Je stoot je er aan als je er achter komt dat een deel van je belastinggeld niet wordt gebruikt om te delen met arme boeren in landen waar honger heerst maar wordt gebruikt om rijke boeren in ons eigen Europa te beschermen en een bevoorrechte positie te geven op de wereldmarkt. Je ergert je aan jezelf omdat je onze eigen politici niet hebt gewezen op hun plicht een schild voor de armen te zijn en te delen van wat we samen hebben. Daarom geeft het volgen van de richtlijnen van de God van Israël vrede, want het afwijken van zijn weg brengt onvrede, onvrede met jezelf, onvrede met een wereld die nog steeds niet gehoorzaamd aan die Wet. Die onvrede weg te werken is ook vandaag weer onze taak, opdat we samen de lof van God kunnen zingen.

Jozua, de zoon van Nun

donderdag, 19 november, 2015

Jozua 24:29-33

29 ¶  Korte tijd later stierf Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van de HEER, op de leeftijd van honderdtien jaar. 30  Hij werd begraven in het gebied dat hem was toegewezen: in Timnat-Serach in het bergland van Efraïm, ten noorden van de Gaäs. 31  Zolang Jozua leefde diende het volk de HEER. Ook na zijn dood bleven ze de HEER dienen zolang de stammen werden aangevoerd door Jozua’s leeftijdsgenoten, die getuige waren geweest van de grootse daden die de HEER voor Israël had verricht. 32  De beenderen van Jozef, die het volk van Israël uit Egypte had meegevoerd, werden begraven in Sichem, op het stuk land dat Jakob voor honderd qesita had gekocht van de zonen van Chamor, onder wie Sichem. De nakomelingen van Jozef kregen dit stuk land in bezit.33  Ook Eleazar, de zoon van Aäron, stierf. Hij werd begraven in het bergland van Efraïm op de heuvel die zijn zoon Pinechas was toegewezen. (NBV)

Vandaag het slot van het boek Jozua.  Israël was de baas geworden in Kanaän, al zou er nog veel strijd moeten worden gevoerd met volken die het vruchtbare land niet wilden delen. Jozua was een eerbiedwaardige oude man geworden. Niet zo oud als Mozes maar toch hoorde hij onmiskenbaar bij de oudsten van Israël. Hij kreeg ook een eretitel “dienaar van de Heer” Dat was de titel waar  in de woestijn Mozes mee werd aangeduid, Jozua de zoon van Nun was daar de dienaar, de knecht van Mozes, geweest. Nu was hij tot Mozaïsche hoogte gestegen. Hij had ook een wezenlijk element aan de Tora toegevoegd. In de Tora stond dat elke 50 jaar het volk opnieuw moest beginnen op het land dat God gegeven had. Elke familie die in die 50 jaar het aan haar toegewezen land was kwijtgeraakt zou het dan weer moeten terugkrijgen.

Jozua nu had de leiding genomen bij de verdeling van het land over de families. Nu kon de Tora worden toegepast en kon de samenleving een menselijke samenleving worden. Nooit hoefden generaties lang mensen in armoede te blijven. Altijd weer kregen de armen de kans opnieuw te beginnen. altijd weer werd het volk bevrijd van hebzucht en armoede.De begrafenis van Jozua was dan ook in het stuk land dat aan zijn familie was toegewezen. Je zou verwachten dat het hoorde bij het meest vruchtbare deel van Israël, het liefst nog dicht bij het Heiligdom ook. Niks van waar. De familie van Jozua had een stuk land gekregen in de bergen van Efraïm, het land dat veel later het Noordrijk zou vormen. Ook de hogepriester, Eleazar de zoon van Aäron, die bij de intocht in Israël de zorg had gehad voor de Tabernakel en dus ook voor het doorgeven van het woord van de God van Israël stierf en kreeg een graf in het land van zijn familie, ook hij dus in het bergland. Geen van de notabelen kreeg een plaats die beter was dan die van de anderen.

Maar de belangrijkste begrafenis was wellicht die van Jozef. De zoon van Jacob die met zijn zonen  voor een hongersnood naar Egypte was gevlucht. Daar had Jozef het tot onderkoning geschopt en die Jozef had het opzicht gekregen over de voorraden graan die waren aangelegd om in tijden van slechte oogst en dreigende hongersnood het volk van een blijvende welvaart te verzekeren. Het nageslacht van Jacob was uitgegroeid tot een groot en machtig volk. Jozef had bij zijn sterven vele honderden jaren daarvoor bepaald dat zijn gebeente bij het volk zou moeten blijven en ooit begraven zou moeten worden in de grond van zijn vader. Het enige stukje grond dat in het boek Jozua word genoemd dat niet veroverd was maar al eigendom van een familie was is het stuk grond waar het gebeente van Jozef werd begraven. Het was gekocht door Jacob. Gekocht van de zonen van Chamor onder wie Sichem. En bij Sichem was het volk bijeen gekomen en was de Tabernakel opgericht. Alles in dit verhaal herinnert dus aan de beloften van de God van Israël. Die brengt uiteindelijk een samenleving tot stand waarin mensen in vrede en welzijn kunnen leven. Die belofte geldt de hele wereld, ook onze samenleving dus. Wij zullen er aan moeten werken, elke dag opnieuw, maar het zal komen en wij mogen daar aan werken, ook vandaag weer.

U zult niet in staat zijn de HEER te dienen

woensdag, 18 november, 2015

Jozua 24:14-28

14  Nu dan, ‘vervolgde Jozua, ‘eerbiedig de HEER, dien hem met onvoorwaardelijke trouw en doe de goden weg die uw voorouders ten oosten van de Eufraat en in Egypte hebben gediend. Dien alleen de HEER. 15 ¶  Wanneer u daar niet toe bereid bent, kies dan nu wie u wel wilt dienen: de goden van uw voorouders ten oosten van de Eufraat of de goden van de Amorieten, van wie u nu het land bewoont. In ieder geval zullen ik en mijn familie de HEER dienen.’ 16  Hierop antwoordde het volk: ‘Het is verre van ons de HEER te verlaten om andere goden te dienen. 17  Hij is het, de HEER, onze God, die ons en onze voorouders uit de slavernij in Egypte heeft bevrijd. Hij heeft grote wonderen voor ons verricht; dat hebben we met eigen ogen gezien. Hij heeft ons op onze hele tocht beschermd tegen alle volken waarvan we het gebied doortrokken. 18  De HEER heeft ze allemaal voor ons verdreven, en ook de Amorieten, die vroeger in dit land woonden. Natuurlijk zullen wij de HEER dienen, want hij is onze God.’ 19  Jozua antwoordde het volk echter: ‘U zult niet in staat zijn de HEER te dienen, want hij is een heilige God, hij duldt niemand naast zich, hij zal u uw overtredingen en zonden niet vergeven. 20  Wanneer u de HEER verlaat en andere goden gaat dienen, zal hij zich tegen u keren. Dan zal hij u niet langer weldaden bewijzen, maar u kwaad doen en u vernietigen.’ 21  Maar het volk zei opnieuw: ‘Wees ervan verzekerd dat we de HEER zullen dienen.’ 22  ‘In dat geval, ‘antwoordde Jozua, ‘bent u zelf de getuigen van uw keuze om hem, de HEER, te dienen.’ ‘Ja, dat zijn wij, ‘bevestigde het volk, 23  waarop Jozua zei: ‘Doe dan die vreemde goden weg en richt u volledig op de HEER, de God van Israël.’ 24  En het volk beloofde: ‘We zullen de HEER, onze God, dienen en gehoorzamen.’ 25  Zo legde Jozua het volk die dag in Sichem deze verplichting op en hij gaf het wetten en regels, 26  die hij in het wetboek van God opschreef. Ook richtte hij een grote steen op onder de terebint bij het heiligdom van de HEER. 27  ‘Deze steen, ‘zei hij tegen het volk, ‘is getuige, want hij heeft alles gehoord wat de HEER tegen ons heeft gezegd. Hij is dus getuige opdat u uw God niet afvallig wordt.’ 28  Daarna liet Jozua het volk vertrekken, iedereen ging naar zijn eigen grondgebied. (NBV)

Vandaag lezen we hoe het volk Israël door Jozua voor de keus wordt gesteld: De God van Israël dienen of achter andere goden aan lopen. Dat is een keus die ook ons wordt voorgelegd. Let wel, het gaat niet om nieuwe regels, we weten best waar de vrede in de wereld vandaan moet komen, elkaar liefhebben zoals we ons zelf liefhebben. Israël heeft schijnbaar een gemakkelijke keuze. Ze kwamen uit de woestijn en hebben de verovering van een land dat overvloeide van melk en honing meegemaakt. Een uiterst vruchtbaar land aan de oevers van de Jordaan, van de woestijn in het Noorden, waar Dan ging wonen tot aan de woestijn in het zuiden waar de stad Berseba lag. Roept Jozua nu van hiep hiep hoera u heeft de goede God gekozen? Niks is minder waar : Jozua waarschuwt het volk dat het niet in staat zal zijn de God van Israël te dienen. Het is die God of de god verlatenheid, het is liefhebben en dus zorgen voor de minsten, zelfs de vreemdelingen, uiteindelijk zelfs je vijanden. In onze dagen moeten we ons dus afvragen hoe we de Jihadisten en de strijders van IS lief kunnen hebben. Daar is geen eenvoudig antwoord op te geven. Dat ze van hun gewelddadige ideologie af moeten is duidelijk. En over hoe we dat zouden kunnen doen is nog door bijna niemand nagedacht.

Maar als we de God van Israël willen dienen, als we er van overtuigd zijn dat geweld niet het laatste woord in deze wereld kan zijn, als we een wereld willen zonder honger, zonder oorlog, zonder armoede,  zonder discriminatie dan zullen we aan die wereld moeten werken. Wij geloven immers dat de belofte van de God van Israël werkelijkheid kan worden. Het hele boek Jozua gaat over een volk dat er van getuige is dat de God van Israël zijn beloften nakomt. Niet door op de knieën te gaan liggen en halleluja te roepen. Maar door strijd te leveren voor die betere wereld. Zoals God had bevolen strijd te leveren bij de verovering van Jericho. De bewoners van Jericho hielden zo lang de poorten gesloten en bewapende wachten op de muren dat uiteindelijk de muren en de poorten ineen storten en het volk Israël hun zwijgen kon omzetten in gejuich. Ze moesten daarvoor wel dagenlang om die stad heentrekken, met het risico op uitvallen door de vijand, met het risico dat het volk meer zou verliezen dan winnen. En dat verliezen was ook mogelijkheid. Hebzucht veroorzaakte het eerste verlies. En hebzucht is ook voor ons een grote bedreiging.

Het is Quatar, een oliestaat, die de oorlog van IS tegen Moslims, Christenen, anders gelovigen en ongelovigen financieel steunt. Ze sponsort IS net zo hard als de Fifa met wie ze een wereldkampioenschap voetbal wil organiseren. Wij hebben nauwe banden met de sponsors van IS. De miljoenen die IS verdient aan de olie komt voor een deel ook uit ons land. Om de keus van Israël te onderstrepen en ze ook in de toekomst er aan te kunnen herinneren richt Jozua een steen op bij de Tabernakel die ze in de woestijn hadden gebouwd om de richtlijnen voor de menselijke samenleving te bewaren. De steen vertelt ze dat ze die richtlijnen nu tot uitvoering moeten brengen. Wij leggen soms ook van die bijzondere stenen in onze straten. Soms staan ze rechtop en herinneren ons aan verschrikkingen uit het verleden, soms roepen ze op niet voor tirannen te zwichten. Soms liggen ze zo in de straat dat je er bijna over struikelt, ze herinneren ons aan de slachtoffers van tirannie. Soms vragen wij zingend onze God de tirannie te verdrijven die onze harten doorwond. Zo lang wij weet blijven houden van de verschrikkingen die mensen elkaar kunnen aan doen zullen we de liefde, zoals we de liefde van God hebben geleerd, er tegenover moeten stellen. Ook tegen IS. Misschien dat een verbond met anders gelovigen, de hand uitsteken naar de minsten, ons kan helpen. Kijk maar om je heen en begin er mee.

Steden die jullie niet hebben gebouwd

dinsdag, 17 november, 2015

Jozua 24:1-13

1 ¶  Jozua riep alle stammen van Israël bijeen in Sichem. Nadat hij de oudsten, stamhoofden, rechters en griffiers zich ten overstaan van God had laten opstellen, 2  sprak hij tot het volk: ‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Jullie voorouders woonden lang geleden ten oosten van de Eufraat. Het waren Terach en zijn zonen Abraham en Nachor. Ze dienden andere goden. 3  Maar ik heb jullie stamvader Abraham daar weggehaald en hem door heel Kanaän laten trekken. Ik schonk hem een groot aantal nakomelingen. Ik gaf hem Isaak als zoon 4  en Isaak gaf ik Jakob en Esau. Esau kreeg van mij het Seïrgebergte in bezit, maar Jakob en zijn zonen trokken naar Egypte. 5  Ik stuurde Mozes en Aäron, teisterde Egypte, jullie weten hoe, en leidde jullie het land uit. 6  Ik heb jullie voorouders uit Egypte bevrijd. Ze kwamen bij de Rietzee, terwijl de Egyptenaren hen achtervolgden met strijdwagens en ruiters. 7  Toen riepen ze mij, de HEER, om hulp, en ik scheidde hen van de Egyptenaren door een zware duisternis en liet de Egyptenaren door de zee verzwelgen. Jullie hebben met eigen ogen gezien wat ik met hen heb gedaan. Vervolgens bleven jullie jarenlang in de woestijn, 8  tot ik jullie naar het land van de Amorieten bracht, die ten oosten van de Jordaan woonden. Ze namen de wapens tegen jullie op, maar ik leverde hen aan jullie uit en vernietigde hen, en jullie namen hun land in bezit. 9  Daarna verscheen koning Balak van Moab, de zoon van Sippor, om de strijd tegen jullie aan te binden. Hij liet Bileam, de zoon van Beor, komen; die moest jullie vervloeken, 10  maar ik schonk hem geen gehoor. Ik beschermde jullie tegen hem; meer nog, hij zegende jullie zelfs. 11  Vervolgens trokken jullie de Jordaan over en kwamen jullie bij Jericho. De inwoners van Jericho verdedigden zich tegen jullie, net als de Amorieten, Perizzieten, Kanaänieten, Hethieten, Girgasieten, Chiwwieten en Jebusieten, maar ik leverde ze allemaal aan jullie uit. 12  Ik stuurde een zwerm horzels voor jullie uit die ze op de vlucht joeg, zoals eerder de twee koningen van de Amorieten op de vlucht werden gejaagd. Jullie zwaarden en bogen hoefden er niet aan te pas te komen. 13  Ik heb jullie een land gegeven waarvoor jullie niets hebben hoeven te doen, steden die jullie niet hebben gebouwd en waarin jullie zomaar konden gaan wonen, wijngaarden en olijfbomen die jullie niet hebben geplant en waarvan jullie zomaar kunnen eten. (NBV)

In het hart van het land Israël worden alle volken bijeen geroepen door Jozua. Daar stond de Tent van de Ontmoeting en alle notabelen van het volk moesten zich daar opstellen. Daar immers lag het echte hart van Israël, de richtlijnen van de God van Israël zoals die aan en door Mozes waren overdragen. Nog eens keer wordt het verhaal van de richtlijnen samengevat. Let wel, de Bijbel is geen geschiedenisboek. Er staan geen jaartallen en machthebbers is die moeten worden herdacht. Het verhaal in de Bijbel gaat over de God van Israël en alles wat die heeft laten zien zodat je die God zou kunnen vertrouwen en de richtlijnen van juist die God zou durven houden. Dat is ook de manier waarop Jozua het verhaal samenvat. Het is een boodschap van de Heer, heel dat verhaal. Te beginnen met Terach die met zijn zonen vertrokken was uit het Ur der Caldeeën naar Haran. Hoe Abraham de roep van de Heer had verstaan om uit zijn familie te gaan naar een onbekend land maar een land dat zou overvloeien van melk en honing zodat Abraham de vader van vele volken zou kunnen worden.

Het verhaal zoals dat door Jozua wordt samengevat is hier en daar zelfs wat anders dan in de boeken van Mozes wordt verteld. Esau kreeg een deel van het land dat aan Abraham werd gegeven maar Jacob trok met zijn zonen naar Egypte, het land van de doden en zijn nakomelingen werden dus slaven. Alsof de keuze van Jacob de verkeerde keuze was geweest. De boeken van Mozes vertellen het verhaal over Jozef, zoon van Jacob, en zijn broers toch iets anders. Van elke zoon van Jacob was één stam de afstamming maar van Jozef stamden twee stammen af, Efraïm en Manasse. De God van Israël had het volk bevrijd uit Egypte en door de manier waarop Jozua het verhaal verteld onderstreept hij nog eens dat het goede altijd van die God komt, dat je op die God mag vertrouwen omdat die God nooit laat varen het werk dat zijn hand begon. Die God had het land beloofd aan Abraham en nu kregen de nakomelingen van Abraham van die God dat land in bezit.

We lezen vandaag het eerste deel van het laatste hoofdstuk van het boek Jozua. Wie de rest van het boek gelezen heeft zal nu toch even de wenkbrauwen fronsen. We kennen natuurlijk het verhaal over de verovering van Jericho. Daar trok het volk zes dagen zwijgend om heen om op de zevende dag er zeven maal omheen te trekken, toe de priesters daarna op de ramshoorns bliezen vielen de muren van Jericho ineen. Maar na Jericho had er toch heel hard gevochten moeten worden en waren er echt ook soldaten van Israël gesneuveld. Soms door hebzucht van hun leiders, zoals bij Ai, maar soms ook door de weerstand die de volken van Kanaän hadden geboden. Toch durft Jozua het aan om er op te wijzen dat al die mooie steden die veroverd waren, al het land waarop wijnstokken en andere eetwaren groeiden, de weiden voor de runderen en de schapen door de God van Israël waren gegeven. Het is een boodschap ook aan ons. Hoe hard wij ook gewerkt hebben, hoe slim we ook gehandeld hebben, hoe goed we ook gezorgd hebben, alles is ons toegevallen uit de hand van de God van Israël. Indien we de liefde voor onze naaste verliezen komen we terecht in een wereld vol dood en geweld, soms lijkt het er op dat we in die wereld terecht zijn gekomen, maar als we de liefde van God tot uitgangpunt van onze samenleving weten te maken dan leven we in een wereld van vrede en welzijn voor iedereen. Elke dag mogen we daar opnieuw mee beginnen.

 

 

Wees daarom zeer standvastig

maandag, 16 november, 2015

Jozua 23:1-16

1 De HEER had Israël aan alle grenzen rust gegeven door het volledig van zijn vijanden te verlossen. Vele jaren later riep Jozua, die toen op hoge leeftijd was gekomen, heel Israël, de oudsten, stamhoofden, rechters en griffiers bijeen. Hij zei tegen hen: ‘Ik heb niet lang meer te leven. 2 3  U hebt zelf kunnen zien wat de HEER, uw God, met al die volken heeft gedaan. Hij was het immers die voor u streed. 4  Ik heb voor uw stammen door loting het land verdeeld van de volken die ik heb uitgeroeid, van de Jordaan tot aan de Grote Zee in het westen; en eveneens het land van de volken die nog zijn overgebleven. 5  Die zal de HEER, uw God, zelf voor u verdrijven en uitroeien. Dan kunt u hun land in bezit nemen, zoals hij heeft beloofd. 6  Wees daarom zeer standvastig met betrekking tot de voorschriften van Mozes. Wijk daar op geen enkele manier van af.7  Vermeng u niet met die vreemde volken die nog bij u overgebleven zijn. Neem de naam van hun goden niet in de mond en zweer er nooit bij, dien die niet en buig u nooit voor ze neer. 8  U moet alleen de HEER, uw God, zijn toegedaan, zoals u dat tot nu toe bent geweest. 9  De HEER roeide grote en machtige volken voor u uit, niemand kon tegen u standhouden, tot op de dag van vandaag. 10  Hoe vaak kwam het niet voor dat slechts een van u wel duizend man achtervolgde? Dat kwam doordat het de HEER was, uw God, die voor u streed, zoals hij had beloofd.11 ¶  Daarom is het voor u van levensbelang hem lief te hebben. 12  Weet dat wanneer u zich van hem afwendt en bevriend raakt met die volken die nog bij u overgebleven zijn, wanneer u zich daarmee vermengt door huwelijken met ze aan te gaan, dan zal de HEER, uw God, die volken niet meer voor u uitroeien. Dan worden ze voor u een klapnet en een valstrik, een zweep die u geselt en een doorntak die u de ogen uitsteekt, net zolang tot u allemaal bent weggevaagd uit dit goede land dat de HEER, uw God, u gegeven heeft. 13 14  Luister. Nu ik de weg moet gaan die ieder mens wacht, moet u goed beseffen dat de HEER, uw God, geen van de beloften heeft gebroken die hij u heeft gedaan. Hij heeft ze alle gestand gedaan, hij heeft er niet één gebroken. 15 Maar zoals hij u de voorspoed heeft geschonken die hij had beloofd, zo zal hij elk mogelijk onheil over u brengen wanneer u de regels van het verbond overtreedt die hij u heeft opgelegd. Wanneer u andere goden gaat dienen en u voor ze neerbuigt, zal hij u wegvagen uit dit goede land dat hij u gegeven heeft. Dan zal zijn woede tegen u losbarsten en zult u heel snel worden weggevaagd uit dit goede land, dat u van hem gekregen hebt.’ 16 (NBV)

Als we het over de Bijbel hebben denken mensen vaak over preken. Nu wordt er wat afgepreekt in kerken maar in de Bijbel staan overwegend verhalen. Preken kom je in de Bijbel niet zo veel tegen. Vandaag lezen we een uitzondering. Een preek van Jozua. Een preek die nodig was. Toen Mozes afscheid had genomen van het volk had hij een heel boek voorgelezen, het boek Deuteronomium, dat om het volk nog eens op het hart te drukken zich aan de richtlijnen van de God van Israël te houden. Later was daar nog het verhaal over de dood van Mozes aan toegevoegd, voor zover het volk dat had begrepen. Daarmee werd de leer van Mozes afgesloten. Van de schepping van de wereld tot aan de intocht in het land dat overvloeit van melk en honing. Dat was een verhaal waaruit geleerd moest worden. Het is de God van Israël die de aarde had geschapen om aan de mensen te geven, het was die God die richtlijnen had gegeven om de aarde voor mensen bewoonbaar te maken. Het was die God die een volk had gekozen om te laten zien wat die richtlijnen voor vrede, recht en welzijn van alle volken zouden kunnen betekenen. Maar dat volk had de neiging voortdurend van die richtlijnen af te wijken.

Ook Jozua werd met die neiging tot afwijken geconfronteerd. De verovering van het land Israël had veel strijd gekost. De volken die het vruchtbare land niet hadden willen delen met de arme woestijnzwervers moesten worden verslagen. Ze hadden zich achter hoge muren verscholen om de vreemdelingen buiten te houden. Ze hadden bondgenootschappen gesloten om de vreemdelingen buiten de deur te houden. Vergeefs. Het volk Israël had wel willen delen. Het volk Israël was niet hebzuchtig geweest. Niet de beste soldaten kregen de buit die was veroverd, maar het werd eerlijk verdeeld over het volk. Nu Jozua oud geworden was liep de strijd nog lang niet ten einde. Er waren nog volken die tot delen bewogen moesten worden. Jozua was er vast van overtuigd dat het zou lukken, God had het land beloofd en zou zijn belofte waarmaken. Maar dan zou het volk zich aan de richtlijnen moeten houden zoals die door Mozes waren doorgegeven. Dat was niet gemakkelijk. Israël kende geen beeld van hun God. Volgend die leer van Mozes konden ze het beeld van hun God zien in hun medemens, de mens was immers geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Die vreemde volken hadden prachtige beelden van hun goden. Mooie rituelen ook voor de vruchtbaarheid van hun land. Die weduwen en de wezen waar die richtlijnen van Mozes over gingen waren lang zo mooi niet.

Toen veel en veel later door mensen die de leer van Mozes hadden bestudeerd aan Jezus van Nazareth werd gevraagd wat hij beschouwde als het hart van de leer van Mozes, hoe je die leer in een zin zou kunnen samenvatten citeerde Jezus twee regels uit die leer, heb God lief boven alles en heb uw naaste lief als uzelf. Daar gaat de preek van Jozua dus ook over. In het Hebreeuws hebben Jezus en Jozua overigens dezelfde naam. Christenen geloven dat zoals Jozua de verovering van het land van melk en honing had geleid om te laten zien wat de God van Israël wel allemaal niet voor elkaar  kon krijgen, Jezus van Nazareth de leer van Mozes zo heeft vertaald dat iedereen op de hele wereld er aan mee kan doen en de hele wereld dus een menseland wordt dat overvloeit van melk en honing. Die leer van Mozes is niet eenvoudig, gij zult niet doden staat er in die regels en onze legers en bommenwerpers vechten voortdurend tegen die regel. Heb de vreemdeling lief staat er in die regels en angstige schreeuwers proberen de vreemdelingen weg te zetten als misdadigers. Wanhopige jongeren zien geen andere uitweg  dat met geweld zich een plaats in de wereld te verschaffen. Dat is vergeefs. Jozua bleef aandringen om als uitgangspunt voor de samenleving in Israël vast te houden aan de leer van Mozes. Jezus van Nazareth zou oproepen om zelfs je vijanden lief te hebben. Vandaag hebben we het meer dan nodig om die oproep tot ons door te laten dringen.

Een arme weduwe

zondag, 15 november, 2015

Marcus 12:35-44

35 ¶  Jezus vroeg de mensen bij zijn onderricht in de tempel: ‘Hoe kunnen de schriftgeleerden beweren dat de messias een zoon van David is? 36  Zelf heeft David, geïnspireerd door de heilige Geest, gezegd: “De Heer sprak tot mijn Heer: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand, tot ik je vijanden onder je voeten heb gelegd.’ ” 37  David noemt hem Heer, hoe kan hij dan zijn zoon zijn?’ De talrijke aanwezigen luisterden graag naar hem. 38  Tijdens zijn onderricht zei hij: ‘Pas op voor de schriftgeleerden die zo graag in dure gewaden rondlopen en eerbiedig begroet willen worden op het marktplein, 39  en een ereplaats willen in de synagogen en bij feestmaaltijden: 40  ze verslinden de huizen van de weduwen en zeggen voor de schijn lange gebeden op. Over hen zal strenger worden geoordeeld dan over anderen!’ 41 ¶  Hij ging tegenover de offerkist zitten en keek hoe de mensen er geld in wierpen. Veel rijken gooiden veel geld in de kist. 42  Er kwam ook een arme weduwe, die er twee muntjes in gooide, ter waarde van niet meer dan een quadrans. 43  Hij riep zijn leerlingen bij zich en zei tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: deze arme weduwe heeft meer in de offerkist gedaan dan alle anderen die er geld in hebben gegooid; 44  want die hebben gegeven van hun overvloed, maar zij heeft van haar armoede alles gegeven wat ze had, haar hele levensonderhoud.’ (NBV)

Als het uitgangspunt van je godsdienst is dat je je naaste lief moet hebben als jezelf, dat je dus in de eerste plaats oog moet hebben voor de armen in de samenleving, voor de weduwe en de wees stond er in de Hebreeuwse Bijbel die we tegenwoordig het Oude Testament noemen, wat zie je dan als je bij het centrum van je godsdienst bent? Zie je dan scherpslijperij waar je uren over kunt debatteren? Jezus van Nazareth geeft er een voorbeeld van. Een echte theologische discussie waar gestudeerde dominees en pastoors van houden. Dikke boeken zijn er volgeschreven over vragen zoals Jezus van Nazareth hier formuleert. Soms wordt er over God, engelen, de hemel en het hiernamaals zo lang en breed gesproken dat het er op lijkt dat die discussies het belangrijkste zijn op geloofsgebied. Mensen luisteren graag naar dat soort discussies, ze doen een beroep op hun denkvermogen en als hun voorgangers en leraars er logische en fraaie redeneringen over opzetten dan lijken ze belangrijker en hun luisteraars doen dan belangrijke dingen door naar ze te luisteren of door hun dikke boeken te lezen.

Maar het heeft niks te maken met het houden van God en dus niks met het liefhebben van een naaste als jezelf. Integendeel, als je dat soort scherp slijpende voorgangers goed bekijkt zie je hun deftige zwarte en grijze pakken, hun smetteloos witte overhemden en zorgvuldig geknoopte stropdassen. Ze zijn lid van de plaatselijke Rotary clubs en zitten vooraan als er belangrijke diners worden georganiseerd of als belangrijke personen in het zonnetje moeten worden gezet. Het heet bij ons anders maar het is niet anders als in de dagen van Jezus van Nazareth.  Dat verslinden van die huizen van de weduwen begrijpen we misschien niet direct. Maar als we de boeken van de profeten weer eens nalezen dan horen we weer de waarschuwing aan de rijken dat ze akker aan akker rijgen en de armen  laten kreperen. In een stad als Jeruzalem waren weduwen extra afhankelijk van mensen die bereid waren hun een eigen plaats in de samenleving te geven. Zorgen dat ze ongestoord konden wonen was het eerste dat nodig was. Dus als er geen huur betaald kon worden, als de woning verkocht moest worden om te kunnen blijven eten, dan moet je de weduwe niet direct op straat zetten.

Die vrome keurige scherpslijpers met hun fraai geformuleerde lange gebeden wisten er wel raad mee. Er was toch werk genoeg? Iedereen kan toch werk vinden? Dat is toch een eigen verantwoordelijkheid? Je moet de armen toch niet belonen voor hun armoede? Het zijn de kreten die je ook vandaag de dag kunt horen als je je inzet voor de bestrijding van armoede, tegen woekerrente, voor het laten werken van mensen die lang uit het arbeidsproces zijn. Maar bijna iedere collectant voor een goed doel weet het. Als je collecteert in een “arme” buurt haal je meer op. Als het op delen aankomt zijn mensen met een laag inkomen meer bereid om te delen met wie het nodig heeft dan de rijken. Die houden de deur dicht en de knip op slot. En menig collectant die door stromende regen huis aan huis liep te collecteren voor een goed doel kan vertellen dat hij of zij in een eenvoudige woning werd binnengevraagd om een warm kop koffie te drinken. Jezus van Nazareth vraagt ons vandaag waar we bij willen horen, bij die mensen waar de mensen oog voor hebben omdat ze zich rijk en succesvol voordoen, of bij de mensen die oog hebben voor de armen voor de minsten. In Parijs zetten mensen hun adres en toegangscode op de sociale media onder het motto #porte ouvert, voor iedereen die het geweld wilde ontvluchten. Zo’n eenvoudige keus kunnen we ook vandaag weer maken.

Heb uw naaste lief als uzelf.

zaterdag, 14 november, 2015

Marcus 12:28-34

28 ¶  Een van de schriftgeleerden die naar hen geluisterd had terwijl ze discussieerden, en gemerkt had dat hij hun correct had geantwoord, kwam dichterbij en vroeg: ‘Wat is van alle geboden het belangrijkste gebod?’ 29  Jezus antwoordde: ‘Het voornaamste is: “Luister, Israël! De Heer, onze God, is de enige Heer; 30  heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht.” 31  Het op een na belangrijkste is dit: “Heb uw naaste lief als uzelf.” Er zijn geen geboden belangrijker dan deze.’ 32  De  schriftgeleerde zei tegen hem: ‘Inderdaad, meester, wat u zegt is waar: hij alleen is God en er is geen andere God dan hij, 33  en hem liefhebben met heel ons hart en met heel ons inzicht en met heel onze kracht, en onze naaste liefhebben als onszelf betekent veel meer dan alle brandoffers en andere offers.’ 34  Jezus vond dat hij verstandig had geantwoord en zei tegen hem: ‘U bent niet ver van het koninkrijk van God.’ En niemand durfde hem nog een vraag te stellen. (NBV)

Wat is dat nu dat “geloven”? Zelfs schriftgeleerden kunnen er mee in de knoop zitten. Ze hadden altijd geleerd dat het zat in het nauwkeurig volgen van alle 163 geboden uit de eerste vijf boeken van de Bijbel. Over het hoe en wanneer van het volgen van die geboden waren lange discussies gevoerd. Uiteindelijk zouden er dikke boeken over worden geschreven. Elke denkbare situatie zou worden verkend en elke denkbare interpretatie van de regels zou onder woorden worden gebracht. Die geboden kwamen van God en aangezien niemand gelijk was aan God werd geen van die interpretaties of toepassingen verworpen. Maar was dat nu geloven in God? Wat is nu het hart van het geloof, wat is de essentie, waar draait het allemaal om en als je die interpretaties en toepassingen in het heden probeert te plaatsen wat is dan je richtsnoer? Ook daar is een antwoord op. Karen Anderson, die veel over de Bijbel geschreven heeft en tal van godsdiensten heeft onderzocht, komt met de Gouden Regel : “Wat gij niet wilt dat U geschiedt, doet dat ook een ander niet”

Als iedereen dat zou doen dan zou het ogenblikkelijk vrede worden. Dat staat inderdaad ook in de Bijbel. Maar Jezus van Nazareth gaat nog een stap verder. Hij plakt twee geboden aan elkaar, het eerste gebod uit de 10 geboden zoals in het boek Deuteronomium te vinden is en de samenvatting zoals die in het boek Leviticus staat. Het begint zoals in het boek Deuteronomium Mozes vertelt dat hij begon te vertellen toen hij het volk de geboden bracht. “Hoor Israël” Een oproep aan het volk. Die oproep klinkt tot op vandaag de dag door. Telkens weer, dag in dag uit en ontelbare keren per dag wordt het volk Israël opgeroepen hier naar te luisteren. En wij mogen meeluisteren, door Jezus van Nazareth mogen we zelfs meedoen. Het allereerste dat dan gezegd moet worden is dat de God van Israël de enige Heer is. Wie jou ook wat heeft opgedragen of voorgehouden, als het niet van God komt is het van nul en generlei waarde. Want die God moet je immers liefhebben met alles wat in je is, je hart, dus emotioneel, je verstand, dus rationeel, je ziel, dus met je hele persoonlijkheid, maar ook fysiek met al je kracht. Hoe doe je dat dan die God liefhebben? Want een beeld van die God is er niet, een plaats waar hij woont is niet zichtbaar, ja “de hele aarde” zeggen ze: dat is zijn voetenbank.

Dan komt het tweede gebod, de Statenvertaling sprak nog uit dat dit gelijk is aan het eerste gebod, hier staat het één na belangrijkste, maar het is het Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf. Belangrijker dan deze twee is er niet. Alles is er op gericht geen andere machten macht en gezag toe te kennen op deze aarde dan alleen de God van Israël en alles wat je dus doet, denkt, voelt, in beweging zet en je kracht nodig heeft is gericht op de naaste, de minste bovenal, de armen, de hongerigen, de gevangenen, de lammen en de blinden, de weduwe en de wees. Dat is belangrijker dan alle religieuze rituelen. De schriftgeleerde noemt er een aantal uit zijn tijd, wij hebben andere maar het Koninkrijk van God zit in die eerste twee geboden. Dat is zo glashelder dat je er verder geen vragen bij hoeft te stellen. Het bevrijdt ons van al die machten en krachten in de wereld die ons voor zichzelf willen gebruiken, die geld, eer, roem en genot aan ons willen verdienen en ons af willen houden van de zorg voor de minsten in de wereld. Het richt ons juist op die minsten. Dat kan en dat mag door Jezus van Nazareth die het ons voorleefde zelfs dwars door de dood heen. Daar mogen we ons vandaag dus ook weer door laten leiden en in beweging zetten. Opstaan dus, voor de minsten, meer is er ook vandaag met al de doden in Parijs niet over te zeggen.

Hij is geen God van doden

vrijdag, 13 november, 2015

Marcus 12:18-27

18 ¶  Er kwamen enkele Sadduceeën naar hem toe; volgens de Sadduceeën is er geen opstanding uit de dood. Ze vroegen hem: 19  ‘Meester, Mozes heeft ons het volgende voorgeschreven: “Als iemand sterft en een vrouw achterlaat, maar geen kinderen, moet zijn broer die vrouw bij zich nemen en nakomelingen verwekken voor zijn broer.” 20  Er waren eens zeven broers. De eerste nam een vrouw en stierf zonder nakomelingen; 21  de tweede nam haar tot vrouw, maar stierf ook zonder nakomelingen; en met de derde ging het net zo. 22  Geen van de zeven kreeg nakomelingen. Het laatst van allen stierf de vrouw. 23  Wiens vrouw zal ze dan zijn bij de opstanding, wanneer ze opstaan uit de dood? Alle zeven zijn ze immers met haar getrouwd geweest.’ 24  Jezus antwoordde: ‘Dwaalt u niet? U kent blijkbaar de Schriften niet en evenmin de macht van God. 25  Want wanneer de mensen uit de dood opstaan, trouwen ze niet en worden ze niet uitgehuwelijkt, maar zijn ze als engelen in de hemel. 26  Wat betreft de opwekking van de doden, hebt u in het boek van Mozes in het gedeelte over de doornstruik niet gelezen dat God tegen hem zei: “Ik ben de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob”? 27  Hij is geen God van doden, maar van levenden; u dwaalt vreselijk!’ (NBV)

Die Saduceeën geloofden niet in de opstanding van de doden. Hun voorbeeld maakt het geloof in die opstanding dan ook bespottelijk. Jezus van Nazareth geeft op hun vraag eigenlijk twee antwoorden, als we al opstaan dan is dat als de engelen en verder weten het niet want God is een God van levenden. Dat leidinggevende religieuze Joden niet in een opstanding van de doden geloofden is minder raar als het lijkt. Voor ons is het geloof toch in elk geval een geloof in de opstanding van de doden, maar dat is het voor de Bijbel niet. In de oudste gedeelten van de Bijbel gaat het helemaal niet over een latere opstanding van de doden. Het lijkt er zelfs heel sterk op dat, in tegenstelling tot de Heidense volken, de Joden helemaal niet geloofden in een opstanding van de doden. In het boek Genesis wordt verteld dat God een grens stelde aan de leeftijd van de mensen, ouder dan 120 jaar zouden ze niet worden. Daar staat dan dat de adem van God, waarmee hij de mens het leven heeft gegeven, weer terug keert naar de borst van God. Een mooi beeld.

Maar tijdens en na de ballingschap en vooral tijdens de bezetting door Griekse overheersers vonden veel mensen het wel erg wreed van God dat mensen het geloof in de God van Israël moesten bekopen met marteling en een vreselijke dood en dat het daarmee afgelopen zou zijn. Zo kon de God van Israël niet zijn. Als God zich zou ontfermen over zijn kinderen en het rijk zou aanbreken waarin de tranen gedroogd zouden zijn en God zelf weer zou regeren vanuit Jeruzalem dan zouden ook die rechtvaardigen daaraan deel hebben die hun leven gegeven hadden voor de God van Israël. Zo ontstond bij grote delen van het volk de overtuiging dat er een opstanding van de doden zou zijn. Ook in onze samenleving kom je die overtuiging wel tegen. Als jonge mensen sterven dan kan het toch niet afgelopen zijn? Als mensen zich inzetten tegen zinloos geweld en daarbij zelf omkomen, of sneuvelen op een missie die vrede en veiligheid moet brengen, dan zullen ze toch deel mogen hebben aan de samenleving waar de dood niet meer zal zijn? Of er een God is weten veel mensen niet,  zeker niet hoe ze zich die God moeten voorstellen, maar dat het na de dood niet afgelopen is dat willen ze wel geloven.

Van Jezus van Nazareth mag dat, al moet je daar geen voorstellingen van willen maken. Wat zeker niet moet is mensen voorhouden dat het lijden gedragen moet worden tot na de dood, dat je in dit leven niet moet opstaan tegen onrecht en geweld. Nog niet zo lang geleden herdachten we dat Maarten Luther in 1517 een discussie wilde beginnen met mensen die van dat leven na de dood een ruilhandel wilden maken. Ze hadden bedacht dat je eerst je zonden zou moeten boeten en hoe meer geld je aan hun kerk zou geven hoe minder lang je zou moeten boeten. Om angst aan te jagen hadden ze bedacht dat boeten maar plaats te laten vinden in een eeuwig vuur, het vagevuur. Maarten Luther kwam daartegen in opstand want de Bijbel leerde iets anders. God roept mensen, hij riep Abraham, en hij vergeeft hun fouten als ze  zijn richtlijnen volgen, zo vergaf hij Jacob diens leugens. En zoals Jezus van Nazareth zijn liefde door de dood heen kon dragen zal God ook zijn geliefden door de dood heen dragen. Daarom mogen we in dit leven al opstaan tegen onrecht en het lijden van medemensen, dat mogen we ook vandaag al doen, dat is kiezen voor het leven.

En ze waren met stomheid geslagen.

donderdag, 12 november, 2015

Marcus 12: 13-17

13 ¶  Ze stuurden enkele Farizeeën en Herodianen naar hem toe om hem een ongeoorloofde uitspraak te ontlokken. 14  Toen ze bij hem gekomen waren, zeiden ze tegen hem: ‘Meester, we weten dat u oprecht bent en dat u zich aan niemand iets gelegen laat liggen. U kijkt niemand naar de ogen, maar geeft in alle oprechtheid onderricht over de weg van God. Is het toegestaan belasting te betalen aan de keizer of niet? Moeten we betalen of niet?’ 15  Maar omdat hij hun huichelarij doorzag, antwoordde hij: ‘Waarom stelt u me op de proef? Laat me eens een geldstuk zien.’ 16  Ze gaven hem een munt en hij vroeg hun: ‘Van wie is dit een afbeelding en van wie is het opschrift?’ ‘Van de keizer, ‘antwoordden ze. 17  Toen zei Jezus tegen hen: ‘Geef wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort.’ En ze waren met stomheid geslagen. (N.B.V.)

Vandaag een verhaal over belasting betalen, tenminste zo lijkt het. Twee elkaar vijandige groepen wenden zich tot Jezus van Nazareth. Het lijkt er op dat ze een man van gezag hebben gezocht die hun geschil zou kunnen beslechten. Wat moet je doen, wel of geen belasting betalen aan de bezetter, de uitperser van het land. Fanatieke Farizeeën hadden opgeroepen om geen belasting te betalen aan de Romeinen. De Herodianen benadrukten dat er tenminste een eigen koning in het land was die de Tempeldienst kon beschermen en die begrip kon wekken bij de Romeinen voor de eigen aard en gebruiken van de Joden. Daarvoor moest dan wel belasting betaald worden. Maar eigenlijk was het een strikvraag, want die Jezus van Nazareth had het steeds over een eigen Koninkrijk. Dit verhaal over de belasting wordt meestal zo uitgelegd dat het lijkt of Jezus de mensen opdraagt netjes belasting te betalen. Dat is in een geordende samenleving waar de kerk op goede voet met de overheid wil blijven natuurlijk wel een heel handige uitleg.

Maar is het de juiste? We hebben hier al eens gelezen over het misbaar dat gemaakt werd toen Jezus bij een belastinginner, een tollenaar, binnen ging. We hebben ook gelezen dat we geen afbeeldingen van enig God mogen maken. En de munt waarop de keizer stond kwam uit de zak van de religieuze leiders, die keizer vond zichzelf God, en zijn afbeelding stond op zijn munt. Zo’n munt hoor je dus niet in je zak te hebben. Geld van de bezetter die het volk uitperst, die alles doet wat God nu juist verboden heeft. Daar moet je niet bij willen horen. Laat die Keizer zichzelf maar houden en zichzelf aanbidden. Je moet God geven wat van God is. Nu is de mens naar Gods beeld gemaakt, jezelf geven is dan ook voor de hand liggend. Die Keizer zou zich dus ook aan God moeten geven. En dat brengt je gelijk op de vraag hoe je om moet gaan met de belastingen vandaag de dag. Allereerst moet je dus kijken hoe de overheid met de belastingen om gaat. Per slot van rekening werd ook voor de Tempel belasting betaald. Maar de Tempel was het centrum van de richtlijnen van de God van Israël voor de menselijke samenleving, daar werd geoefend in het Heb-Uw-Naaste-Lief-als-Uzelf, tenminste dat was de bedoeling.

Zo moeten we dus ook onze belasting bekijken. Wordt dat gebruikt om vrede te brengen of om oorlog mogelijk te maken, wordt dat gebruikt om de hongerigen te voeden of om de armen uit te buiten, wordt dat gebruikt om vreemdelingen rechtvaardig te behandelen, wordt dat gebruikt om mensen tot hun recht te laten komen of om onrecht te doen. De besluiten daarover worden in onze samenleving democratisch genomen. Dat betekent dat we de gelegenheid hebben het volk er van te overtuigen dat de richtlijnen van de God van Israël gevolg moeten worden, dat het voorbeeld van Jezus van Nazareth onze richtingwijzer moet zijn. En aangezien die laatste zelfs oproept om jezelf te geven leggen we ons neer bij de besluiten om belasting te betalen, gaan we niet ontduiken of ontwijken. Zelfs klagen we niet over te hoge lasten, want de hulp aan arme landen, aan armen in ons land, aan zieken en bejaarden is geen last maar winst. Hoe meer we kunnen helpen, hoe meer we kunnen delen, hoe dichter het Koninkrijk van God nabij komt. Daar moeten we dus het volk en haar leiders van overtuigen, deze wereld anders.  Ook vandaag weer.

Strijd voor mij

woensdag, 11 november, 2015

Psalm 119:153-160

153 ¶  Zie mijn ellende en red mij, uw wet vergeet ik niet. 154  Strijd voor mij en verlos mij, houd mij in leven zoals u hebt beloofd. 155 ¶  Redding blijft ver van de zondaars, want uw wetten zoeken ze niet. 156 ¶  Groot is uw mededogen, HEER,  houd mij in leven, u bent rechtvaardig. 157 ¶  Met velen zijn mijn vervolgers en belagers, toch wijk ik van uw richtlijnen niet af. 158 ¶  Ik zie de afvalligen en weerzin vervult mij, want zij houden zich niet aan uw woord. 159 ¶  Zie hoe ik uw regels liefheb, HEER, laat mij leven, u bent trouw. 160 ¶  Uw woord is volkomen betrouwbaar, elk van uw voorschriften rechtvaardig en eeuwig. (NBV)

We keren weer eens terug naar de grootste Psalm uit het boek van de Psalmen, Psalm 119. Elk couplet daarvan begint met een letter van het Hebreeuwse alfabet en we zijn aangekomen bij de R, de rees. De Psalm gaat over de richtlijnen die God heeft gegeven voor een menselijke samenleving  en hoe goed het is die na te leven, hoe goed het is je in beweging te laten zetten door die richtlijnen van de God van Israël. Nu kent een Wet, zoals hier eigenlijk ten onrechte wordt vertaald, een Wetgever en een Rechter. Een Rechter kent ook een aanklager en een verdediger. In dit gedeelte van de Psalm komen ze ook heel even kijken. Want voor de strijd waarover in het begin van dit gedeelte wordt gesproken wordt als beeld gebruikt een strijd voor de rechtbank. De Statenvertaling sprak van een twistzaak en andere vertalingen spreken van een rechtsgeding. Het oorspronkelijke Hebreeuwse woord dat hier staat laat al die vertalingen toe.  Het beeld is dat het hier gaat om een strijd voor de rechter over het wel of niet houden van de wet. En dan klinkt er iets hoopvols. Want die strenge rechtvaardige God is bereid niet alleen als je Rechter op te treden maar ook als je advocaat en daardoor is die Rechter niet alleen rechtvaardig maar ook genadig.

Tenminste als je door hebt dat je een Wet van houden van je naaste als van jezelf nooit uit je zelf en alleen kan houden. Daar is die God voortdurend bij nodig die in zijn Woord je altijd weer de richting aangeeft waarlangs je moet gaan om die menselijke samenleving te bereiken. Ook in dit stuk van de Psalm zit de beweging uitdrukkelijk genoemd. Het beeld van de Rechter die ook advocaat is en voor je wil optreden bevrijdt ons ook van de angst voor het Goddelijk oordeel. Die angst kan nogal wat gelovigen verlammen. Hoe kunnen we onze naaste liefhebben als onszelf als we onszelf niet kunnen liefhebben omdat we Gods wetten niet kunnen houden klinkt het dan. De moderne mens vindt dat maar onzin. We mogen toch best van onszelf houden en trots zijn op wat we kunnen? Natuurlijk mogen we dat. Maar als we alleen oog voor onszelf hebben dan gaat de wereld naar de knoppen. Dan verspillen we zoveel energie dat er voor onze kinderen niets overblijft. Dan letten we alleen op ons eigen genot en lijden onze broeders en zusters honger en sterven hun kinderen een hongerdood. Dan wordt gevangenen onrecht aangedaan en worden mensenrechten geschonden.

In een dergelijke wereld willen we niet wonen, daar willen we niet aan bijdragen. Daarom hebben we een andere inspiratie nodig. En die komt van diezelfde God, want die God heeft ons zo lief dat we niet anders kunnen dan onszelf lief te hebben in de liefde tot de minsten op aarde. Zolang we ons daarop richten en instrumenten willen zijn in de handen van de God die met de mensen is, zolang mogen we rekenen op zijn genade die ons bevrijdt van de angst voor het oordeel en ons vergeeft wat we verkeerd doen. De  Tora, zoals de Psalm de richtlijnen van God in het Hebreeuws noemt, is veel meer dan een wet. Het zijn richtlijnen voor een weg die we steeds opnieuw mogen gaan, wegwijzers op onze levensweg. Elk moment weer dat we ons bewust worden van de ellende waarin anderen verkeren en opstaan tegen die ellende om mensen tot hun recht te laten komen begint God met ons opnieuw de uittocht uit een wereld vol dood naar het land van de levenden, het land waar alle tranen gedroogd zullen zijn. Voor die tocht zijn de richtlijnen van God bedoeld, langs de Weg staan talloze richtingborden die ons de armen en de minsten aanwijzen. Voor die armen en de minsten wordt dat geding gevoerd, hen wordt onrecht aangedaan, onrecht dat recht gezet moet worden, ook vandaag weer.