Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor september, 2015

Een lamp voor mijn voet

woensdag, 30 september, 2015

Psalm 119:105-112

105 ¶  Uw woord is een lamp voor mijn voet, een licht op mijn pad. 106 ¶  Ik zweer mij te houden aan uw rechtvaardige voorschriften en ik zal mijn eed gestand doen. 107 ¶  Ik ben zo diep vernederd, houd mij in leven, HEER, zoals u hebt beloofd. 108 ¶  Aanvaard, HEER, de lof uit mijn mond en onderwijs mij in uw voorschriften. 109 ¶  Mijn leven is voortdurend in gevaar, maar uw wet vergeet ik niet. 110  Zondaars hebben voor mij een net gespannen, maar ik wijk niet af van uw regels. 111 ¶  Uw richtlijnen zijn mijn eeuwig bezit,  ze zijn de vreugde van mijn hart. 112  Met hart en ziel ben ik bereid uw wetten uit te voeren, eeuwig, tot het einde toe. (NBV)

De inspiratie om deze dagelijkse overwegingen te gaan schrijven kwam van het gedeelte uit Psalm 119 dat we vandaag lezen.? Want zou dat handig zijn? Elke dag je beslissingen, de gang van zaken in de wereld, te laten belichten door de Bijbel? Daarom het leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap er bij genomen. De gewoonte om elke dag een vers of 10 uit de Bijbel te lezen als ondersteuning bij de lezingen op de zondag en zo dat uiteindelijk heel de Bijbel gelezen zou zijn behoed je voor het gevaar dat je alleen maar favoriete of zogenaamd toepasselijke gedeelten kiest. Nu, na meer dan tien jaar, kan gezegd worden dat het inderdaad waar is. De Bijbel belicht elke dag de werkelijkheid waarin we leven en laat zaken zien waarvoor we graag de ogen sluiten. Er wordt niet meer gejuicht bij een nieuwe president in Amerika. Eén man of vrouw alleen kan de wereld niet veranderen, dat zouden we allemaal samen kunnen maar zover zijn we nog lang niet.

In de wereld denkt ieder eerst aan zichzelf. Het Bijbelgedeelte van vandaag laat zien wat er veranderen moet wil de wereld echt kunnen veranderen. Dan zullen we ons allemaal moeten houden aan de rechtvaardige voorschriften zoals de hier heten. Die richtlijnen voor een rechtvaardige samenleving laten zich samenvatten in de opdracht God lief te hebben boven alles, dat is hetzelfde als je naaste liefhebben als jezelf. Dat is dus het tegendeel van eerst voor jezelf zorgen en dan misschien ook nog wel eens voor een ander zoals we in de wereld gewend zijn en waarom mensen vluchtelingen niet believen, of, zoals GeenPeil, wil zich willen uitleveren aan de dictator in Rusland. Dat houden van je naaste als van jezelf maakt het leven er niet direct vrolijker op. Je krijgt geen aanzien en zeker geen macht en rijkdom als je de ander op de eerste plaats zet, zeker niet als de ander tot de armsten, de minsten in de wereld behoord. Opkomen voor de zwakken kan je zelfs in levensbedreigende situaties brengen.

Wie de vrouwenhandel in de rosse buurten van onze steden wil bestrijden kan bedreigingen verwachten. Wie een ruzie op straat wil laten ophouden loopt de kans zelf klappen op te lopen. Wie wil voorkomen dat een bejaarde op straat beroofd wordt kan zelf belaagd worden. Toch kan je de wet van houden van je naaste als van jezelf daarbij nooit vergeten. Die wet brengt namelijk uiteindelijk echte vreugde. De wereld wordt er echt een beetje beter van. Te weten dat er mensen zijn die voor jou opkomen maakt dat je meer zorgeloos door het leven gaat. En te zorgen dat mensen zonder zorgen door het leven gaan en van het leven kunnen genieten geeft de grootste vreugde. Presidenten en politici kunnen daar de voorwaarden voor scheppen door een rechtstaat in het leven te houden waar zorgvuldig met het recht van mensen omgegaan wordt. Maar we kunnen die samenleving pas echt bereiken als we allemaal zorgen dat er gedeeld wordt en we van onze naasten houden als van onszelf.

Kinderen van Israël

dinsdag, 29 september, 2015

Jesaja 27:7-13

7 ¶  Heeft de HEER Israël geslagen zoals hij hen slaat die Israël sloegen? Of heeft hij het gedood zoals hij doodt wie Israël doodden? 8  Door hen uiteen te jagen en te verstrooien heeft hij een rechtsgeding tegen hen gevoerd, met een verschroeiende wind uit het oosten heeft hij hen verdreven. 9  Hij verbrijzelt alle altaarstenen alsof het kalksteen is, elk wierookaltaar wordt omvergehaald, elke Asjerapaal wordt omgehakt. Zo wordt afgerekend met Jakobs wandaden, zo wordt zijn schuld vereffend. 10  Daar ligt de versterkte stad, eenzaam, ontvolkt, verlaten als de woestijn. Kalveren weiden en rusten er, ze vreten de takken kaal; 11  vrouwen breken de verdorde twijgen af en gebruiken ze voor hun vuur. Omdat dit volk ieder inzicht mist, kent zijn maker geen ontferming, toont zijn schepper geen genade. 12  Op die dag zal de HEER de aren dorsen van de Eufraat tot aan de wadi die de grens met Egypte vormt. Dan zullen jullie, kinderen van Israël, als aren gelezen worden, één voor één. 13  Op die dag wordt op de grote ramshoorn geblazen. Zij die verbannen waren naar Assyrië of verdreven naar Egypte, zullen terugkeren en zich neerbuigen voor de HEER, op de heilige berg in Jeruzalem. (NBV)

Taal is soms moeilijk. Als we het over een tafel hebben dan denkt iedereen aan een bepaalde tafel, maar elk voor zich denken we aan een verschillende tafel. Als het over Israël gaat gebeurd vaak het omgekeerde. Dan denken we aan de staat Israël die in 1948 werd uitgeroepen na een bloedige opstand tegen de Engelse overheersers van het gebied Palestina. Die staat Israël valt op geen enkele manier samen met het Israël waarover het in de Bijbel gaat. Dat Bijbelse Israël zouden we tegenwoordig een concept noemen. Het verhaal over Israël is dan dat God een groep slaven had bevrijdt uit hun slavernij, richtlijnen had gegeven om een menselijke samenleving op te bouwen en een land waarop dat mogelijk zou zijn. Als dat volk er in zou slagen om volgens die richtlijnen hun staat in te richten en dat vol te houden zouden alle volken van de wereld hetzelfde willen gaan doen.

Dat volk Israël slaagde er zo op het eerste gezicht niet in en zou dan gestraft worden door die God die hen had bevrijdt. Maar ook dat straffen heeft in de Bijbel een andere inhoud gekregen dan wij er gewoon zijn aan toe te kennen. Dat straffen is alleen het handen af van Israël. En als God de handen er van af trekt dan loopt het slecht af. In de Bijbel gaat het over vele volken, vele soorten samenleving. Kenmerk van die volken, kenmerk van die samenlevingen is dat ze verdwijnen. Altijd breekt er op den duur een oorlog uit tussen de volken, altijd voelt het ene volk zich beter dan het andere, altijd probeert het ene volk macht uit te oefenen over het andere. De richtlijnen die God had gegeven zouden Israël hebben kunnen beschermen. Daar zijn ook voorbeelden van in de Bijbel. Als je omgaat met anderen vanuit de liefde, ze lief hebt als je zelf, dan druipen de machtigste tegenstanders af. Als je hetzelfde wil doen dan verlies je, er is altijd iemand sterker maar er is niemand sterker dan de liefde.

Moeten wij dan de mensen van Israël, de mensen waar het ook over gaat in de Bijbel, maar ook de mensen die toch blijven vasthouden aan de richtlijnen die ooit aan Mozes werden gegeven, kwalijk nemen dat het concept “volk van God” mislukt lijkt te zijn? Natuurlijk niet. Ze doen niet anders dan alle andere mensen op aarde en als alle andere mensen op aarde zouden ontdekken dat alleen handelen vanuit de liefde, zoals de richtlijnen dat beschrijven, vrede en welvaart kan brengen dan wordt de wereld heel erg anders. Dat concept Israël heeft ook Jezus van Nazareth voortgebracht. In de verhalen die over hem worden verteld kun je ontdekken hoe je ondanks alle tegenslag, zelfs ondanks de dood, die richtlijnen van liefde kunt volhouden. Dat idee is altijd in het volk blijven leven en daar mogen we ze dankbaar voor zijn. Vandaag lezen we dat bij Jesaja die schrijft dat ondanks alle ellende die het volk over zich heeft afgeroepen er toch een dag zal komen dat we zullen kunnen spreken over een volk dat leeft volgens de richtlijnen van de God van Israël. Uit dat volk kwam Jezus van Nazareth voort en Christenen geloven dat hem navolgen de wereld zo zal veranderen dat er een hemelse wereld zal komen. Daar mogen wij Heidenen ook aan meedoen, als we proberen volgens de richtlijnen van de God van Israël te leven. Elke dag opnieuw, ook vandaag weer.

…..dat Israël zal uitbotten en bloeien.

maandag, 28 september, 2015

Jesaja 26:20-27:6

20 ¶  Trek je terug in je kamers, mijn volk, en sluit de deur achter je. Nog een korte tijd, tot de woede bekoeld is. 21  Zie hoe de HEER zijn woning verlaat en de mensen op aarde voor hun wandaden laat boeten. Het onschuldige bloed dat op haar is vergoten wordt door de aarde aan het licht gebracht, ze zal het niet langer verbergen. 1 ¶  Op die dag zal de HEER ingrijpen: hij trekt zijn groot en machtig zwaard tegen Leviatan, de snelle, kronkelende slang, en hij zal Leviatan doden, het monster in de zee. 2  Op die dag zal men de prachtige wijngaard bezingen. 3  Ik, de HEER, houd de wacht over mijn wijngaard, steeds opnieuw bevloei ik hem. Dag en nacht zal ik de wacht houden, zodat niemand hem kan schaden; 4  ik koester mijn woede niet. Maar zou ik dorens en distels dulden? Strijdbaar ga ik erop af, al dat onkruid steek ik in brand-5  tenzij men mijn bescherming zoekt en vrede met mij sluit, ja, vrede sluit met mij. 6  De tijd zal komen  dat Jakob zal wortelen, dat Israël zal uitbotten en bloeien. (NBV)

Jesaja had het over het dode volk waar geen leven meer in zat en dat in ballingschap zou worden afgevoerd. En zoals veel mensen in zo’n situatie doen had ook Jesaja gezocht naar de zin van het lijden van zijn volk. Dat ze ongehoorzaam waren geweest aan de Liefde als grondslag van de samenleving, aan de richtlijn van onvoorwaardelijk delen met elkaar, was wel duidelijk. Maar het goddeloze volk dat hen had overwonnen wilde ook niet delen, dat wilde alleen vernietigen, heersen en de armen uitbuiten. Wat was dan de zin van dit alles? Jesaja kan er alleen een zin voor zichzelf en voor de overlevenden in zien. Nu kregen de overlevenden immers de kans om weer de Liefde de grondslag van hun handelen te maken. Zoals in een wijngaard het onkruid werd uitgerukt om de wijnranken de kans te geven te groeien en meer vruchten te geven zo krijgen overlevenden en nabestaanden de kans om goedheid en liefde te verspreiden. Het volk Israel zou opnieuw tot leven gewekt worden en bloeien. Zo zag Jesaja het.

De woorden van Jesaja klinken vaak rond de kerstdagen. Natuurlijk, de donkerste periode van het jaar wekt Heidense oer angsten dat de warmte van de zon niet zal terugkeren, dat de bladeren definitief van de bomen zijn gevallen en de akkers tot dorheid zijn verworden. Rond de donkerste dag van het jaar steken we dan zelf maar het licht aan en hangen vruchten in de bomen zodat het net lijkt of de duisternis niet overwint maar het licht zal komen. En warempel in de lente komt de warmte van de zon weer terug en groeien er nieuwe bladeren aan de bomen. Maar het is een Heidense angst en een bijgeloof dat je door licht te ontsteken en vruchten na te maken een of andere god zo kan foppen dat de natuur zich weer hersteld. Kerstmis ging ergens anders over. Dat ging over dat volk dat weer tot bloei kon komen. Toen eenvoudige mensen als Jozef en Maria weer op de beloften van hun God gingen vertrouwen  en zich hun afkomst van Koning David herinnerden.

Toen ze hun kind Jehosjoea, bij ons ook bekend als Jozua, in het Grieks Jezus, gingen noemen als teken dat het land aan het volk behoorde en niet aan de bezetter. Toen begon in de donkerste tijd van de Romeinse bezetting een nieuw leven voor het volk Israel. Toen konden bange herders hun angst voor de bezetter overwinnen omdat dappere mensen hun kind in een voederbak durfden leggen. Daar was de plaats die hen was toegewezen toen hun volk het land had gekregen. Daar kon geen Keizer tegenop. Niemand die de geschiedenis van rechtvaardig delen kon overwinnen. Dat geloof in gerechtigheid woonde in de harten van de mensen. Dat vertrouwen in gerechtigheid en liefde geeft iedereen die er op vertrouwt de macht om bergen te verzetten. Ook vandaag nog.

 

Wij gaan de paden van uw recht.

zondag, 27 september, 2015

Jesaja 26:7-19

7  U effent het pad voor de rechtvaardige, u baant voor hem een rechte weg. 8  Ook wij verlaten ons op u, HEER: wij gaan de paden van uw recht. Wij richten ons op uw naam, naar u gaat ons verlangen uit. 9  Reikhalzend kijk ik naar u uit, zelfs ‘s nachts verlang ik naar u. Wanneer u een oordeel over de wereld velt, zullen de mensen op aarde gerechtigheid leren. 10  Maar niet de goddeloze: al wordt hij gespaard, gerechtigheid zal hij nooit leren. In het land van het recht doet hij slechts onrecht; de macht van de HEER merkt hij niet op. 11  HEER, uw opgeheven hand ziet hij niet. Laat hem dan tot zijn schande zien hoe u ijvert voor uw volk, hoe het vuur uw vijand verteert. 12 ¶  HEER, geef ons vrede, alles wat wij deden, hebt u voor ons gedaan. 13  HEER, onze God, andere heren hebben ons in hun macht gehad, maar alleen uw naam zullen wij prijzen. 14  Doden zullen niet herleven, schimmen niet opstaan. U bent tegen hen opgetreden, hebt hen vernietigd, elke herinnering aan hen hebt u uitgewist. 15  Uw volk hebt u groot gemaakt, HEER, en zo voor uzelf roem verworven. U hebt uw volk groot gemaakt en het land naar alle kanten uitgebreid. 16  HEER, in onze nood hebben wij u gezocht; toen u ons tuchtigde, riepen wij u aan. 17  Zoals een zwangere vrouw in barensnood ineenkrimpt en schreeuwt in haar weeën, zo verschenen wij voor u, o HEER. 18  Wij waren zwanger en krompen ineen, maar al wat we baarden was lucht; wij brachten het land geen uitkomst, op aarde werd geen mens meer geboren. 19  Jullie doden zullen herleven, de lijken opstaan. Ontwaak, jullie daar in het stof, en jubel! Uw dauw is een dauw die leven geeft, de aarde brengt haar schimmen weer tot leven. (NBV)

Dat je verlangt naar de Heer hoort dus volgens het Boek van de profeet Jesaja bij het gaan van de paden van het recht van die Heer. Volgens de profeet zijn het de goddelozen die dat recht nooit zullen leren. Het zijn de verdrukten en vertrapten die een beroep doen op dat recht en blijkens deze passage dat beroep ook nooit vergeefs zullen doen. Het is niet onbelangrijk te blijven beseffen dat het verlangen naar God niet kan zonder recht te doen aan de minsten. Overal op de wereld zijn er religieuze leiders die je anders willen doen geloven. Persoonlijke verhoudingen met God, op je knieën en bidden maar, je hart openen voor God, je eigen volk eerst, zijn allemaal zaken die met het geloof in de God van Israel, met Jezus van Nazareth te maken zouden hebben. Niets is dus minder waar. Recht doen aan mensen, daar gaat het om.

De hongerigen voeden, de naakten kleden, de bedroefden troosten, de blinden laten zien en de lammen laten lopen, de gevangenen bezoeken en de armen bevrijden, de vreemdelingen op nemen, is het hart van de godsdienst, dat is bidden, dat is de uitdrukking van het verlangen naar de Heer. Want waarom schrijven we “Heer” met een hoofdletter. Dat is niet zozeer uit eerbied voor God. Het is geen bewijs van ondergeschiktheid, we kunnen deze God immers ook als Vader aanspreken. Maar het is de ontkenning van alle machten en krachten in deze wereld die zich buiten de Liefde als grondslag voor het leven menen te mogen stellen. Juist onder de macht van de goddelozen lijken mensen dood, ze spreken niet meer vrij, ze verstijven in hun gedrag, ze mogen niet meer en anders bewegen dan zoals de machthebbers toestaan. We kennen ze uit alle bedreigende situaties die in onze samenleving en in de samenleving van volken kunnen voorkomen.

Die doden komen tot leven als we mensen recht willen doen. Daar waar volken bevrijdt worden van onderdrukking kunnen we er weer een echt contact mee hebben, zien we weer de culturele uitingen, horen we van ideeën en gedachten. Daar waar mensen bevrijdt worden van angst bloeien mensen weer op. Daar waar armen bevrijdt worden van knellende armoede komen zij weer tot hun recht, blijkt hun creativiteit, brengen ze vreugde mee op de arbeidsmarkt, weten ze een voorbeeld te stellen in het delen met hen die het nodig hebben. Het zijn de paden van het recht van die ene Heer die ons naar de bevrijding voeren. De Bijbel stelt eigenlijk dat er ook geen andere weg is. Je kunt de bevrijding niet afdwingen met geweld, je kunt het niet opleggen aan anderen. Alleen door je naaste lief te hebben als jezelf, ja zelfs je vijanden lief te hebben, komt uiteindelijk de bevrijding. Daar moet je zelf mee beginnen, elke dag opnieuw, maar het is een zaak van de hele samenleving en alle volken zullen er uiteindelijk aan meedoen.

Vertrapt door de zwakken

zaterdag, 26 september, 2015

Jesaja 26:1-6

1 ¶  Op die dag zal in Juda dit lied klinken: ‘Wij hebben een sterke stad, de HEER biedt ons redding als een wal, als een muur. 2  Open de poorten,  opdat het rechtvaardige volk kan binnentreden, het volk van uw getrouwen. 3  De standvastige is veilig bij u, vrede is er voor wie op u vertrouwt. 4  Vertrouw altijd op de HEER, alleen op hem, want de HEER is een rots sinds mensenheugenis. 5 ¶  Hij haalt neer wie in de hoogte leven en veilig in hun onneembare vesting wonen. Hij brengt zelf hun stad ten val, hij maakt haar met de grond gelijk, niets laat hij van haar heel. 6  Dan wordt ze onder de voet gelopen, vertrapt door de zwakken, vertreden door de armen.’ (NBV)

Wie het kerstverhaal uit het Evangelie van Lucas nog eens terugleest weet dat het zelfs de zwakste mensen nog kan lukken om het sterkste keizerrijk voor de gek te houden. Want wie had nu gedacht dat ze het bevel, om allemaal naar hun eigen plaats te gaan, in Bijbelse zin zouden uitleggen. Jozef en Maria trokken immers op naar Bethlehem omdat ze uit het huis en geslacht van David waren. Dat had alleen maar zin als ze geloofden dat ze de grond terug zouden krijgen die door Jozua aan de voorvaderen van David was toebedeeld. Elke vijftig jaar zou die grond bij iedereen weer in de familie terug komen. Er was geen plaats voor hen staat er dan, maar ze waren ook niet in Nazareth en konden voor de Keizer dus niet meegeteld worden.

Het Evangelie van Lucas noemt schijnbaar terloops een stadhouder Quirinius, maar die leefde zeker 10 jaar na de geboorte van Jezus van Nazareth. Die Quirinius zou de eerste volkstelling hebben gehouden. Als dat zo is dan waren Jozef en Maria er in geslaagd de eerste poging van Augustus te laten mislukken. Een Wet als de Wet die in de Tempel werd bewaard geeft de armen van de stad een bescherming sterker dan de sterkste muur zegt de profeet in dit gedeelte van het Boek van de profeet Jesaja. Jozef en Maria zeiden het hem na in daden. Een daad die door de hele wereld elk jaar weer wordt gevierd. Want iedereen snapt een beetje dat als er in een donkere nacht licht gaat schijnen, dat licht met name voor gewone mensen gaat schijnen. Iedereen voelt aan dat als er feest wordt gevierd om de geboorte van een kind ergens in het veld, dan moet het wel een beetje vrede zijn en moeten mensen een beetje van elkaar houden.

Vrede op aarde en in mensen een welbehagen. Het zijn de woorden die we vandaag lezen in een andere volgorde. Maar de boodschap is hetzelfde. Armoede is geen natuurverschijnsel. onrechtvaardige verdeling van kennis, inkomen en macht blijft niet vanzelf in stand. De rijken en machtigen kunnen wel denken dat ze veilig in een onneembare vesting wonen, zoals de Keizer dacht iedereen te kunnen registreren en dat iedereen thuis zou blijven als hij dat wilde. Zo werkt het niet. Zo werkt het ook vandaag niet. De laffe schreeuwende haatzaaiers kunnen wel zo hard schreeuwen dat het lijkt of ze de vluchtelingenstromen kunnen stromen maar zo lang er geen vrede op aarde is zullen er vluchtelingen zijn. Menselijkheid betekent dat we ze een plaats moeten geven, een betere plaats dan in een veld met een voederbak. Dat kan ook leiden tot recht en gerechtigheid in eigen land, maar ook over de grenzen waar oolog wordt gevoerd met wapens die wij geleverd hebben. Die muren worden onder de voet gelopen, vertrapt door de zwakken, vertreden door de armen. We kunnen er ons vandaag bij aansluiten.

Hoe lief heb ik uw Wet

vrijdag, 25 september, 2015

Psalm 119:97-104

97 ¶  Hoe lief heb ik uw wet, heel de dag is hij in mijn gedachten. 98 ¶  Uw gebod maakt mij wijzer dan mijn vijanden, ik ben er eeuwig mee verbonden. 99  Ik ben verstandiger dan al mijn leermeesters, want ik overdenk uw richtlijnen, 100  ik heb meer inzicht dan ouderen, want uw regels volg ik op. 101 ¶  Mijn voeten mijden elk pad dat slecht is, zo kan ik mij houden aan uw woord, 102 ¶  van uw voorschriften wijk ik niet af, u bent het die mij onderricht. 103 ¶  Hoe zoet zijn uw woorden voor mijn gehemelte, zoeter dan honing voor mijn mond. 104  Uw regels geven mij inzicht,  daarom haat ik elk bedrieglijk pad. (NBV)

In de tijden van de kredietcrisis, toen de gevolgen ook duidelijk werden voor Nederlandse ondernemingen, riep een kamerlid dat we maar moesten stoppen met ontwikkelingssamenwerking en al het geld moesten stoppen in de Nederlandse economie. Dat is in de eerste plaats economisch heel dom. Een paar jaar geleden waren Nederlandse bedrijven nog bang voor opkomende economieën als China en India. Inmiddels hebben ze ontdekt dat er veel aan zulke markten te verdienen valt en worden er door Nederlandse bedrijven miljoenen winst gemaakt door zaken te doen met vroegere ontwikkelingslanden. Uit de landen die we nog steunen en helpen komen grondstoffen voor ons bedrijfsleven. Bedrijven die die grondstoffen verwerken moeten er niet aan denken dat de leverende landen zo arm worden dat ze zelfs die grondstoffen niet meer kunnen produceren.

Die ramp zou oneindig groter zijn dan het verlies van een beetje ontwikkelingssamenwerking voor de Nederlandse economie. Maar stopzetten van ontwikkelingssamenwerking is ook misdadig in de zin van de richtlijnen voor de menselijke samenleving die het volk in de woestijn had ontvangen. Wie tegen die richtlijnen wil ageren moet inderdaad het delen met de minsten op aarde gaan stoppen en dat vooral ten eigen bate doen. We weten al dat dat stom zou zijn en daarom is het houden aan de richtlijnen wijzer dan de tegenstanders beweren. Delen met elkaar houdt elkaar overeind. Zorg voor de minste, zonder aan jezelf te denken, is ook zorg voor jezelf. In de economie hebben we eerst geleerd dat iedereen vrij moet zijn en zelf moet kunnen ondernemen, de goeden overleven en worden rijk en dragen daarmee bij aan de samenleving, de slechten gaan ten onder. Daarna hebben we geleerd dat mensen die afhankelijk zijn van loon samen moeten gaan werken om te zorgen dat ze een rechtvaardig deel van de winst krijgen, winst op de producten zie ze samen hebben gemaakt.

Ondernemen is niet slecht en werknemers zijn even belangrijk als ondernemers maar beiden moeten zorgen dat ze delen met de armsten. In de Bijbel wordt de rijkdom niet veroordeeld maar de armoede. De eerste opdracht die we hebben in de richtlijnen voor de menselijke samenleving is zorgen dat de armoede de wereld uit gaat. Dat is pas gevolg geven aan het gebod dat je je naaste lief moet hebben als jezelf. Elke dag kun je daarvan opnieuw leren want elke dag brengt opnieuw vragen waarop je antwoord moet geven. Vragen om keuzes tussen eigen rijkdom en ontwikkeling van anderen. Vragen om keuzes tussen luxe en bestrijding van honger en armoede. Maken we ruimte voor vluchtelingen en ontheemden of beschouwen de ruimte die we van God hebben gekregen als ons onvervreemdbaar eigendom. Het inzicht dat we door anderen te helpen Gods richtlijnen nakomen en op deze wereld een werkelijk menselijke samenleving gaan vormen moet ons vreugde en vrede geven en onze keuzes gemakkelijker maken.

 

De Heer zal hem laten opstaan.

donderdag, 24 september, 2015

Jakobus 5:13-20

13  Als een van u het moeilijk heeft, laat hij bidden; is hij vrolijk, laat hij een loflied zingen. 14  Laat iemand die ziek is de oudsten van de gemeente bij zich roepen; laten ze voor hem bidden en hem met olie zalven in de naam van de Heer. 15  Het gelovige gebed zal de zieke redden, en de Heer zal hem laten opstaan. Wanneer hij gezondigd heeft, zal het hem vergeven worden. 16  Beken elkaar uw zonden en bid voor elkaar, dan zult u genezen. Want het gebed van een rechtvaardige is krachtig en mist zijn uitwerking niet.  17  Elia was een mens als wij, en nadat hij vurig had gebeden dat het niet zou regenen, is er drieëneenhalf jaar lang geen regen gevallen op het land. 18  Toen bad hij opnieuw, en de hemel gaf regen, en het land bracht zijn vrucht weer voort. 19  Broeders en zusters, als een van u afdwaalt van de waarheid en een ander laat hem daarheen terugkeren, 20  dan mag hij weten: wie een zondaar van het dwaalspoor terugbrengt, redt hem van de dood en wist tal van zonden uit. (NBV)

We geloven zo graag in wonderen. Dokters in witte jassen lukt het beter hun patienten te genezen dan dokters in trui en spijkerbroek. Toch roept Jacobus ons in het gedeelte van vandaag op om af te zien van alle poespas en hocus pocus rond ziekte en gebrek. Medicijnmannen hebben vanouds tal van rituelen tot hun beschikking om goden te verzoeken de zieke te genezen. Niks ervan roept Jacobus. Een eenvoudige verlichting met olie, dat koelt het koortsige voorhoofd af, is meer dan voldoende. De rest moet je aan de God van Israël overlaten. Ziek in de termen van de Christelijke godsdienst is niet lichamelijk ziek maar zondig. Niet meer kijken naar de minsten, de zwaksten in je samenleving maar alleen voor jezelf zorgen, dat is ziek. Daarom begint Jacobus mensen die het moeilijk hebben op te roepen te bidden. Dan kom je vanzelf uit bij het voorbeeldgebed dat Jezus van Nazareth ons heeft geleerd.

Dat we een Vader in de hemel hebben, die we dus niet hebben te verzoeken, en dat we willen dat zijn wil op aarde geschiedt net als in de hemel, dus niet dat onze wil geschiedt. Dan weten we dat we genoeg hebben aan ons dagelijks brood, dat we willen dat onze zonden vergeven worden net als wij vergeven wie ons iets schuldig zijn, dat we niet verleid willen worden om alleen aan onszelf te denken maar dat we juist bevrijdt willen worden van het kwade en dat alle macht niet aan ons, of aan welke godheid dan ook is, maar aan de God van Israël. Zo’n gebed brengt ons weer op het juiste spoor. Dat gebed maakt ons overigens ook weer aan het zingen want het bevrijdt ons van eigenwaan en angst voor de dood. Bevrijdingspastoraat is dan ook niet de bevrijding van zogenaamde demonen die over ons geen macht hebben en voor ons al helemaal niet bestaan. Wie zoiets beweerd doet aan de afgoderij die Jacobus nu juist zo graag wilde bestrijden.

Het bidden van ons is gericht op een andere samenleving, op een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waar alle tranen gedroogd zullen zijn. Tot die tijd moeten we samen nagaan wat we zelf nog doen om die samenleving tegen te houden, samen bespreken hoe we kunnen veranderen en het werk aan dat Koninkrijk van God weer vlot kunnen trekken en vooruit kunnen brengen. Op die manier samen bidden verandert ook echt iets, ook aan onze samenleving omdat het niet bij gebed kan blijven omdat werk en gebed een eenheid dienen te vormen. Beiden zijn altijd gericht op de positie van de armen en de zwakken in onze samenleving. En iedereen die voortaan afziet van eigenbelang en angst voor de dood en zich inzet voor die andere samenleving brengt die samenleving dichterbij. Iedereen die een ander op dat spoor weet te brengen weet ook echt iets te veranderen. Daarmee besluit Jacobus zijn brief. Wij weten dat we er elke dag opnieuw weer mee mogen beginnen, ook vandaag weer.

Heb geduld

woensdag, 23 september, 2015

Jakobus 5:7-12

7  Heb geduld, broeders en zusters, tot de Heer komt. Denk eens aan de boer, die geduldig blijft wachten op de kostbare opbrengst van zijn land, tot de regens van najaar en voorjaar zijn gevallen. 8  Wees net zo geduldig en houd moed, want de Heer zal spoedig komen. 9  Klaag niet over elkaar, broeders en zusters, want daarmee roept u het oordeel over u af. Bedenk dat de rechter voor de deur staat. 10  Neem een voorbeeld aan het geduldige lijden van de profeten die in de naam van de Heer spraken. 11  Degenen die standhielden prijzen we gelukkig! U hebt gehoord hoe standvastig Job was, en u weet welke uitkomst de Heer gaf; de Heer is immers liefdevol en barmhartig. 12 ¶  Maar bovenal, broeders en zusters, zweer geen enkele eed, niet bij de hemel, niet bij de aarde, nergens bij. Laat uw ja ja zijn, en uw nee nee, anders zult u ervoor gestraft worden.(NBV)

Wie het lijden ziet dat mensen wordt aangedaan kan zich nauwelijks voorstellen dat je geduld zult willen hebben tot het vanzelf overgaat. Daar gaat het Jacobus dan ook niet om. Maar gewelddadig verzet tegen het Romeinse Rijk werd als absoluut zinloos ervaren. Niet zomaar trouwens want de vele opstanden die het jaar 70 vooraf waren gegaan waren telkens bloedig neergeslagen. Daarbij waren ook onschuldigen het slachtoffer geworden. In navolging van Jezus van Nazareth wilden de eerste Christenen dat geweld en vooral het tegengeweld van de overheid vermijden. In het jaar 70 kregen ze dubbel gelijk toen de Tempel verwoest werd en de bevolking verspreid over het Romeinse Rijk. De eerste Christenen leefden bovendien in de stellige overtuiging dat Jezus van Nazareth snel zou terugkeren en de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zou meebrengen. Zo is het na al die eeuwen niet gegaan.

Maar de voorbeelden die Jacobus aandraagt kunnen ook ons inspireren. Wij kennen mensen als Ghandi en Marten Luther King die geweldloos grote veranderingen in hun samenlevingen tot stand brachten. Ook van profeten als Jesaja en Jeremia werd verteld dat zij zich hadden verzet tegen pogingen van de kleine koninkrijkjes uit hun tijd zich te verzetten tegen wereldmachten. Het verhaal van Job is misschien nog het meest duidelijk. Ondanks het feit dat hij alles kwijt raakte, tot zijn gezondheid toe, bleef hij zich verzetten tegen het idee van zijn vrienden dat hij dat aan zichzelf te wijten had. Zo zou God niet oordelen en uiteindelijk bleek hij gelijk te hebben. Ook vandaag zijn natuurrampen en ziekten niet de schuld van hen die het overkomt maar een test in liefde. Blijven we vertrouwen op de God van Israël? Steken we bij rampen en bij ziekten de hand uit naar de slachtoffers?

Het is dus goed om te leven alsof Jezus van Nazareth elke dag terug zou kunnen komen. Als wij ons bezig houden met de zorg voor de naaste, met het onze naaste lief te hebben als onszelf, dan zijn we al bezig met die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, dan bereiden we daar als het ware de weg voor voor. Zo is het ook met de raad om geen eden meer te zweren. Als wij iets doen, iets beloven of iets beweren dan hebben we daar geen goden voor nodig, zelfs niet de God van Israël. Waar wij voor staan daar staan we voor, ons ja is ja en ons nee is nee. Betrouwbaarheid is een eigenschap van elke gelovige die de betrouwbare God van Israël wil navolgen, de God waarvan geschreven staat dat zijn hand nooit zal laten varen het werk dat hij is begonnen. Zo betrouwbaar zijn wij ook, temeer omdat we er elke dag opnieuw weer mee mogen beginnen. Ook vandaag weer.

Het geroep van de maaiers

dinsdag, 22 september, 2015

Jakobus 5:1-6

1 ¶  En nu iets voor u, rijken! Weeklaag en jammer om de rampspoed die over u komt. 2  Uw rijkdom is verrot en uw kleding is door de mot aangevreten. 3  Uw goud en zilver is verroest, en die roest zal tegen u getuigen en als een vuur uw lichaam verteren. U hebt uw schatkamers gevuld, hoewel de tijd ten einde loopt. 4  Hoor de klacht van het loon dat u de arbeiders die uw velden maaiden hebt onthouden. Het geroep van de maaiers is tot de Heer van de hemelse machten doorgedrongen. 5  U hebt op aarde in weelde gebaad en losbandig geleefd, u hebt uzelf vetgemest voor de slachttijd. 6  U hebt de rechtvaardige veroordeeld en vermoord, en hij heeft zich niet tegen u verzet. (NBV)

Vandaag een weeklacht tegen de rijken. Zij lijken wel rijk volgens Jacobus maar de rijkdom is verrot en de kleding die ze dragen, die prachtige gesneden pakken en de Haute Couture, is door mot aangevreten. Hun goud en zilver zijn verroest. En waarom dat alles? Omdat ze het loon van de maaiers in het veld hebben ingehouden. En dat onrecht, het niet rechtmatig uitbetalen van arbeiders die zich in de hitte van de dag hebben ingespannen, is volgens de Bijbel een extra groot onrecht. Juist die rijken kunnen zich zeer mooi en vroom voordoen. De ruwe knuisten van de landarbeiders kunnen niet op tegen de zalvende woorden van de rijken die nu eenmaal aanvoeren dat zij het recht hebben te profiteren van hun bezit. Zij bezitten toch de akkers? Zij nemen de beslissingen over wanneer er gezaaid zal worden, wanneer het onkruid gewied en wanneer de oogst begint. Verantwoordelijke beslissingen die hun het recht geven op een bovenmatig inkomen. Maar ze zaaien niet, ze wieden niet en ze oogsten niet. Ze vullen alleen hun voorraadschuren met het werk van anderen.

Het was in de dagen van Jacobus al niet anders dan in onze dagen, de dagen van de bonussen en de exorbitante zelfverrijking. Ook nu zijn de verschillen in beloning tussen de top van bedrijven en de werkvloer onberedeneerbaar groot. Ook nu hoor je dezelfde smoezen van de mannen die in gesneden pakken de hele dag zitten te vergaderen en die de ruwe knuisten van de arbeiders als minderwaardig afdoen. Maar in de traditie van de God van Israël is het die God die de kant van de maaiers, de kant van de ruwe knuisten, kiest. Elke arbeider is zijn loon waardig en elke arbeider die meegeholpen heeft de oogst binnen te halen, de productie te produceren, heeft een even groot loon verdiend. Die traditie gaat terug op Mozes, die nog te maken had met een slavenvolk. Maar ook de profeten worden hier geciteerd in hun beschrijving van de Heer der hemelse machten die de verdrukten te hulp komt.

En beschuldig de ruwe knuisten niet van geweld en diefstal. De rechtvaardige die riep om een rechtvaardig loon, die het werk neerlegde als voor dat werk niet werd betaald, verzette zich niet tegen de heersers. Ze waren er toen er gezaaid moest worden en ze zaaiden, ze waren er toen er gewied moest worden en ze gingen wieden en ze waren er toen er geoogst moest worden en ze gingen oogsten. De rijken leefden er losbandig op los en mesten zichzelf vet voor de slachttijd. Ook daar weten wij in onze dagen over mee te praten. En juist in de tijd dat we als land de broekriem moeten aanhalen mogen we vragen wiens broekriem onze regering van rijken nu eigenlijk aan het aanhalen is. In onze dagen spreken wij de maaiers die hier worden bedoeld ook wel aan als politieagenten. Wij mogen weten dat de God van Israël ons gehoord heeft en wij mogen weten dat het gerechtvaardigd is om een rechtvaardige verdeling van het inkomen in ons land te eisen. Daar mogen we elke dag aan werken, ook vandaag weer.

Spreek geen kwaad van elkaar

maandag, 21 september, 2015

Jakobus 4:11-17

11 ¶  Spreek geen kwaad van elkaar, broeders en zusters. Wie kwaadspreekt van een ander of een ander veroordeelt, spreekt kwaad van de wet en veroordeelt de wet. En als u de wet veroordeelt, handelt u niet naar de wet, maar treedt u op als rechter. 12  Er is maar één wetgever en rechter: hij die bij machte is te redden of in het verderf te storten. Maar wie bent u, om uw naaste te veroordelen? 13  Dan iets voor u die zegt: ‘Vandaag of morgen gaan wij naar die en die stad. Daar blijven we een jaar, we zullen er handeldrijven en geld verdienen.’ 14  U weet niet eens hoe uw leven er morgen uitziet. U bent immers maar damp, die heel even verschijnt en dan al verdwijnt. 15  U zou moeten zeggen: ‘Als de Heer het wil, zijn we dan in leven en zullen we dit of dat doen.’ 16  Maar u slaat een hoge toon aan en bent daar nog trots op ook. Dat soort trots is volkomen ongepast. 17  Als iemand weet hoe het hoort maar er niet naar handelt, dan zondigt hij. (NBV)

Er lijkt een tegenstrijdigheid te zitten in het gedeelte dat we vandaag lezen. Je mag geen kwaad spreken van anderen maar je mag anderen die plannen maken voor de toekomst wel veroordelen zo lijkt het. Maar zo is het niet. Mensen die het verkeerde doen zijn zelf niet per definitie slecht. Of mensen wel of niet slecht zijn dat maakt God uit zegt Jacobus. Je mag met anderen in discussie over hun gedrag, want hun gedrag is misschien soms ook wel eens je eigen gedrag. En of een bepaald gedrag slecht is hangt eigenlijk alleen af van het effect op de zwaksten en de minsten. Daarom gaat het niet aan te oordelen maar doe je het best je bezig te houden met wat de God van Israël van ons wil.

Wij mogen bevrijdt leven van de slavernij van de zucht naar meer, de zucht naar meer inkomen en vermogen, de zucht naar meer aanzien en uiterlijk vertoon. Elke dag krijgen we de gelegenheid eens na te gaan wat we eigenlijk kunnen missen, wat we eigenlijk kunnen delen met de minsten in deze wereld die niet hebben wat wij gemakkelijk kunnen missen. Al dat carrière maken en loopbanen uitplannen loopt voor mensen eigenlijk alleen maar uit op de dood. Niemand kan voorspellen wat morgen gedaan zal worden en of er volgende week nog geleefd zal worden. Als God het ons geeft, als het ons toevalt dan kan het misschien gebeuren, maar zelf kunnen we onze toekomst niet sturen.

Wat ons blijft is genieten van wat we hebben. En beseffen dat het meeste genot komt uit de ogen van mensen die onze hulp niet hadden verwacht. Van mensen naar wie wij onverplicht en zonder tegenprestatie een hand hadden uitgestoken. Dat is hoe onze God het ons gezegd had: “Heb uw naaste lief als uzelf” Als we dat horen dan weten we hoe het hoort, als we daar onze oren voor toestoppen weten we dat we zondigen. Maar gelukkig dat we er elke dag opnieuw naar mogen luisteren en naar mogen handelen. Want zegt Jacobus ons we weten niet wat er ons in de toekomst zal overkomen. Het gebed dat we van Jezus hebben geleerd vraagt ook alleen maar om ons dagelijks brood. Vandaag staan er vluchtelingen op de stoep, zoals ze in 1956 uit Hongarije kwamen. Elke keer opnieuw mogen wel helpen. Ook vandaag weer.