Home | About | Disclaimer | Emea.nl

Archief voor augustus, 2015

Ik zal mij tegen jullie keren

maandag, 31 augustus, 2015

Leviticus 26:14-26

14 ¶  Maar als jullie mij niet gehoorzamen en deze geboden niet naleven, 15  als je mijn bepalingen naast je neerlegt en mijn regels minacht, als je door mijn geboden niet na te leven het verbond met mij verbreekt, 16  dan zal ik van mijn kant jullie het volgende aandoen: Ik zal een verschrikkelijk onheil over jullie brengen, tering en slopende koortsen zullen het licht in je ogen doven en je de adem afknijpen. Je zult je land inzaaien, maar voor niets, want je vijanden zullen ervan eten. 17  Ik zal mij tegen jullie keren, zodat jullie door je vijanden verslagen worden. Jullie zullen worden overheerst door mensen die je haten, en op de vlucht slaan, zelfs als niemand je verjaagt.18  Als jullie mij dan nog niet willen gehoorzamen, zal ik de straf voor jullie zonden zevenmaal zo zwaar maken: 19  Ik zal de kracht waarop jullie je beroemen breken. De hemel boven je hoofd zal van ijzer zijn en de grond onder je voeten van koper. 20  Je zult je afmatten, maar voor niets, want je land zal geen opbrengst geven en je bomen zullen geen vrucht dragen. 21  Als jullie tegen mij in blijven gaan en mij niet willen gehoorzamen, zal ik de straf voor jullie zonden nog zevenmaal zo zwaar maken: 22  Ik zal wilde dieren op je afsturen, die je van je kinderen zullen beroven en je vee zullen verscheuren. Ze zullen het volk zo uitdunnen dat de wegen er verlaten bij liggen. 23  Als jullie hieruit geen lering trekken en tegen mij in blijven gaan, 24  zal ik op mijn beurt ook tegen jullie in gaan. Zevenmaal zo streng zal ik jullie voor je zonden straffen: 25  Ik zal jullie met het zwaard treffen om de schending van het verbond te wreken. Wanneer jullie je dan in de steden verschansen, zal ik de pest op je loslaten, zodat je aan je vijand overgeleverd bent. 26  Het brood dat jullie staande houdt wordt schaars: tien vrouwen zullen aan één oven genoeg hebben om er hun brood in te bakken en ze zullen met afgepaste rantsoenen thuiskomen. Jullie zullen te eten hebben, maar nooit verzadigd raken. (NBV)

Zo zit het dus, als je je samenleving inricht volgens de richtlijnen die de God van Israël in de woestijn aan het volk heeft gegeven dan kun je daar nog een heleboel plezier aan beleven en blijft er altijd een toekomst voor je nakomelingen. Als je het omgekeerde doet en je samenleving inricht volgens het gezegde van ieder voor zich, ieder een eigen verantwoordelijkheid en delen is onrechtvaardig omdat het de armen en de middeninkomens treft dan krijg je nog een hoop ellende over je heen en moet je maar afwachten of er wel een toekomst voor je nakomelingen zal zijn. Het gedeelte dat we vandaag lezen is tot het volk Israël gericht. Een zwak volk. Het was ontstaan uit een groep slaven die het land Egypte was uitgegooid omdat bij hun de eerstgeborene niet was gestorven. Ze hadden jarenlang door de woestijn gezworven en daar een aantal richtlijnen voor de inrichting van de samenleving opgedoken. Uiteindelijk hadden ze zich in het vruchtbare Kanaän gevestigd. En wie in Rome is doet er het best aan zich als een Romein te gedragen. Zo was Israël meegegaan in de verering van de goden van Kanaän.

Een dergelijk volk met zo’n verleden kan het nooit opnemen tegen de wereldmachten. Zelfs niet tegen de buurvolken die er langer wonen en die al generaties de juiste goden hebben vereerd. Plunderingen worden dan hun deel. Alle bescherming tegen onderdrukking en geweld is weggevallen. In de woestijn ging je dan in een kring staan maar dat helpt in een gevestigd vruchtbaar land niet. Zelfs dikke muren zijn niet bestand tegen goed geoefende legermachten. Het staat er alsof de God van Israël zijn volk zal straffen, zeven maal zo zwaar als de tegenslagen die iedereen kan overkomen. Maar wie verbreekt hier het Verbond? Dat is het volk zelf. Dat volk bevrijdt zich van de regels voor een menselijke samenleving om de goden van winst en profijt, de goden van klatergoud en winstbejag, te volgen. Maar die goden zwijgen in tijden van nood maar vragen mensenlevens als offer. In de Bijbel staat zelfs dat het volk Israël hun kinderen levend lieten verbranden als offer voor de Kanaänitische god Moloch. Let overigens eens op de namen die gebruikt worden. Baäl betekent Heer, Moloch is verwant aan het Hebreeuwse woord voor Koning.

Wie je als Heer beschouwd of wie je je Koning noemt is dus een belangrijke vraag. Ga je met mensen om omdat de bestaande samenleving dat nu eenmaal van je vraagt of ga je met mensen om zodat er volgens de richtlijnen van God een menselijke samenleving ontstaat. Welke keuze je maakt is te zien aan de mensen. Hoe ga je om met vreemdelingen? Er staat geschreven dat je vreemdelingen lief moet hebben, maar de Verenigde Naties heeft ons daarvoor op de vingers getikt. Telkens weer komen er ook mensen in verzet tegen een onmenselijk uitzettings- en toelatingsbeleid dat mede gevestigd blijkt op geruchten die niet op waarheid kunnen worden onderzocht. De weduwe en de wees, de armen nemen een belangrijke plaats in de Bijbel in. Telkens weer wordt hun positie in de samenleving als toetssteen gebruikt voor de vraag wie je Heer en wie je Koning noemt. Over de zorg wordt in ons land geklaagd, het is te zuinig, te weinig of het is te duur. Alleen voor de rijken is het eenvoudig, als je zorg nodig hebt dan huur je die zelf in. Samenwerken om samen de lasten van de zorg te dragen zou zorg alleen maar duurder maken, duurder voor de rijken en de middeninkomens dus. Ook aan ons de vraag wie wij Koning en wie wij Heer noemen. Paulus schrijft ergens dat geen machten en krachten hem af kunnen houden van de Liefde die Christus van ons vraagt. Geldt dat voor ons ook?

Maak geen afgodsbeelden

zondag, 30 augustus, 2015

Leviticus 26:1-13

1 ¶  Maak geen afgodsbeelden, zet geen godenbeelden neer, richt geen gewijde stenen op en plaats in jullie land geen stenen met afbeeldingen om je daarvoor neer te buigen, want ik, de HEER, ben jullie God. 2  Neem steeds mijn sabbat in acht en heb eerbied voor mijn heiligdom. Ik ben de HEER. 3  Als jullie mijn bepalingen opvolgen, je aan mijn geboden houden en ze naleven, 4  zal ik jullie op gezette tijden regen schenken, zodat het land opbrengst geeft en de bomen vrucht dragen. 5  Dan zal de dorstijd duren tot de druivenpluk, en de druivenpluk tot de zaaitijd. Je zult volop te eten hebben en onbezorgd in je land kunnen wonen. 6  Ik zal het land rust en vrede geven, zodat je kunt slapen zonder te worden opgeschrikt. Ik zal ervoor zorgen dat de wilde dieren je met rust laten en dat het land niet geteisterd wordt door oorlogsgeweld. 7  Jullie zullen je vijanden op de vlucht jagen en zij zullen door jullie zwaard worden geveld. 8  Vijf van jullie zullen volstaan om honderd vijanden te verjagen en met honderd van jullie verjaag je er tienduizend; ze zullen door jullie zwaard worden geveld. 9  Ik zal naar jullie omzien en je vruchtbaar en talrijk maken, en mijn verbond met jullie gestand doen. 10  Je zult van je oogst kunnen eten tot je de nieuwe oogst binnenhaalt en het restant van de oude oogst kunt wegdoen. 11  Mijn woning zal in jullie midden staan en ik zal nooit een afkeer van jullie krijgen. 12  Ik zal in je midden verkeren; ik zal jullie God zijn en jullie mijn volk. 13  Ik ben de HEER, jullie God, die jullie uit Egypte heeft geleid om je uit de slavernij te bevrijden. Ik heb het juk gebroken waaronder je gebukt ging, zodat je weer met opgeheven hoofd kunt rondlopen. (NBV)

In Jamaica heeft men een standbeeld opgericht voor Usain Bolt. Voordat er in ons land een standbeeld voor Daphne Schippers zal worden opgericht duurt nog wel even. Wij hebben standbeelden voor mensen uit het verleden, Coen Moulijn heeft een standbeeld bij het Feijenoord Stadion en van der Meij de stadstimmerman uit Alkmaar heeft een heel klein standbeeldje bij de Grote Kerk in Alkmaar. Maar het oprichten van standbeelden ligt niet in onze volksaard zegt men dan. Wie het hoofd boven het maaiveld uitsteekt wordt de kop afgeslagen hoor je vaak zeggen. De oorsprong van deze weerzin tegen het oprichten van standbeelden voor helden komt wellicht uit het ontstaan van ons land als zelfstandige natie. De 80 jarige oorlog had haar oorsprong in de beeldenstorm. In de kerken van die dagen stonden ontelbare beelden waar je moest bidden om voorspraak van een heilige en het liefst daar ook nog een offer voor brengen. Veel priesters en monniken verdienden er aan. Onder invloed van de reformatie hadden mensen geleerd dat je ook rechtstreeks tot God kan bidden en het gedeelte dat we vandaag uit het boek Leviticus lezen gaf daar een Bijbelse onderbouwing voor.

In het boek Leviticus worden richtlijnen gegeven hoe een antwoord te geven op de godsdienst en cultuur die het volk in Kanaän zou aantreffen als men het beloofde land zou binnentrekken. Je kunt je misschien nog voorstellen dat een cultuur waarin men voortdurend bij alles wat men doet de macht van buiten, van boven, moet inroepen en aan die machten en krachten moet offeren een zeer zenuwachtige cultuur wordt. Er is nauwelijks tijd voor ontspanning want de magische stenen moeten worden opgepoetst, voedsel moet worden bereid voor de goden, de droomvangers gereinigd, de kaarten gelegd en de ingewanden van offerdieren gelezen en beoordeeld. De God van Israël schetst in de richtlijnen voor een menselijke samenleving een heel andere cultuur. Niks geen gewijde stenen of godenbeelden. Niks voortdurend bedacht hoeven te zijn op de machten die je nodig zou moeten hebben of de krachten die je zou moeten afweren. Tussen hemel en aarde is er niks. Niks in elk geval waarmee je je zou moeten bezig houden. Het belangrijkste is dat je op tijd je rust neemt, de Sabbath, de dag waarop je rust, jij, je gezin, je os en je ezel, en zelfs de vreemdelingen die in je midden zijn.

Je moet de Tempel in ere houden staat er dan. Dus toch? Welnee, je mag elke dag laten weten nog steeds de richtlijnen te volgen van de God van Israël door een ochtend en een avondoffer te brengen. Maar als je niet bij de Tempel in de buurt woont kunnen de priesters en levieten dat ook doen. Moet je ze natuurlijk wel in de gelegenheid stellen. Offeren doe je dan ook niet aan de God zelf, de God van Israël heeft geen voedsel nodig dat hij zelf heeft uitgedeeld. Drie maal per jaar breng je een deel van je oogst, van de gerst oogst, van de tarweoogst en van de oogst aan vruchten en vee naar de Tempel in Jeruzalem. Waar het echt om draait blijkt ook daar. Volgens het boek Deuteronomium beleg je daar een maaltijd met de armen, je familie, de levieten, je knechten en meiden, je slaven en slavinnen en de vreemdelingen in je midden. Dat delen van je oogst, delen van wat je van God hebt gekregen is de belangrijkste uiting van je godsdienst. Dat is er dus alle rust en tijd om te genieten van het land dat God je hebt gegeven, En als je het kwijtgeraakt bent dan krijgt je familie het in het vijftigste jaar weer terug. En zijn onze standbeelden dan verkeerd? Zolang we ze niet gaan aanbidden of bemiddeling aan ze vragen bij onze gebeden tot God is er niks mis mee, We mogen onze tijd er mee markeren en God danken voor het plezier dat hij deze mensen ons heeft laten schenken.

Wie ben ik volgens jullie?

zaterdag, 29 augustus, 2015

Marcus 8:22-38

22 ¶  Ze kwamen in Betsaïda. Er werd een blinde bij hem gebracht, en men smeekte hem om de man aan te raken. 23  Hij pakte de blinde bij de hand en bracht hem buiten het dorp. Hij deed wat speeksel op zijn ogen, legde er zijn handen op en vroeg: ‘Ziet u iets?’24  Hij begon weer te zien en zei: ‘Ik zie mensen, het zijn net bomen, maar ze lopen rond.’ 25  Daarna legde hij weer zijn handen op de ogen van de blinde. Deze sperde zijn ogen open en genas; hij zag alles nu heel helder. 26  Hij stuurde hem naar huis met de waarschuwing: ‘Ga het dorp niet in!’ 27 ¶  Jezus vertrok met zijn leerlingen naar de dorpen in de buurt van Caesarea Filippi. Onderweg vroeg hij aan zijn leerlingen: ‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’ 28  Ze antwoordden: ‘Johannes de Doper, en anderen zeggen Elia, en weer anderen zeggen dat u een van de profeten bent.’ 29  Toen vroeg hij hun: ‘En wie ben ik volgens jullie?’ Petrus antwoordde: ‘U bent de messias.’ 30  Hij verbood hun op strenge toon om met iemand hierover te spreken. 31  Hij begon hun te leren dat de Mensenzoon veel zou moeten lijden en door de oudsten van het volk, de hogepriesters en de schriftgeleerden verworpen zou worden, en dat hij gedood zou worden, maar drie dagen later zou opstaan; 32  hij sprak hierover in alle openheid. Toen nam Petrus hem apart en begon hem fel terecht te wijzen. 33  Maar hij draaide zich om, keek zijn leerlingen aan en wees Petrus streng terecht met de woorden: ‘Ga terug, achter mij, Satan! Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen.’ 34  Hij riep de menigte samen met de leerlingen bij zich en zei: ‘Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en zo achter mij aan komen. 35  Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij en het evangelie, zal het behouden. 36  Wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint, maar er het leven bij inschiet? 37  Wat zou een mens niet overhebben voor zijn leven? 38  Wie zich tegenover de trouweloze en zondige mensen van deze tijd schaamt voor mij en mijn woorden, zal merken dat de Mensenzoon zich ook voor hem schaamt, wanneer hij komt in het gezelschap van de heilige engelen en bekleed met de stralende luister van zijn Vader.’  (NBV)

Zelfs als je de mensen om je heen dan gaat zien moet je uitkijken. De blinde die weer kon zien zag de mensen alsof het bewegende bomen waren. En mensen als bomen kennen we uit de Psalmen. Het zijn de rechtvaardigen die de Goddelijke richtlijn van Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf dag in dag uit in praktijk brengen. Het zijn mensen als bomen die gepland zijn aan levend water. Daar gaat kracht van uit, daar groeien de mooiste vruchten aan. Het zijn je vrienden die zich niet neerleggen bij een toekomst als bedelaar voor hun blinde vriend. En Jezus van Nazareth maakt er geen show van maar gebruikt het geneesmiddel dat iedereen kende, speeksel, zoals de kus van een moeder de zere knie van haar kind genezen kan. Maar alle mensen als rechtvaardig zien is ook weer niet goed. Er zijn immers mensen die willen delen en mensen die juist niet willen delen. Dat onderscheid moeten we zien te maken. Dat delen begint bij onszelf, dat wat we hebben weten te delen met hen die niets hebben in het vertrouwen dat er voor ons allemaal genoeg is. Maar het moet daar niet bij blijven steken. Het moet als zuurdesem de samenleving op smaak brengen.

Christendom is soms net Haarlemmer Olie. In vroeger dagen geloofden mensen dat Haarlemmer Olie je kon genezen van alle soorten kwalen. Was je ziek dan had je maar een paar eetlepels Haarlemmer Olie te nemen en je werd er beter van. Dat werkte natuurlijk niet echt maar als je er in geloofd kan het helpen. Veel huis tuin en keuken kwaaltjes verdwijnen vanzelf na een paar dagen en als je dan die paar dagen Haarlemmer Olie hebt geslikt dan schrijf je de genezing gemakkelijk toe aan dat medicijn. Zo is het ook als je tijdens zo’n lichte ongesteldheid hebt gebeden om genezing. Ja het helpt, je geneest. Maar ook dat gebed heeft net zomin geholpen als de Haarlemmer Olie. Toch hoor je sommige voorgangers en evangelisten nog wel eens verkondigen dat je geneest van je ziekten, dat je problemen worden opgelost, dat zelfs je schulden verdwijnen als je maar gaat geloven in Jezus van Nazareth als je Messias, je bevrijder van alle aardse ellende. Want Messias, in het Grieks Christos, betekent toch “bevrijder” en de discipelen hadden het toch bij het rechte eind toen ze Jezus van Nazareth aanwezen als hun Messias? Natuurlijk, maar dat wilde toen niet zeggen dat alle ellende voorbij was en dat wil het nog steeds niet zeggen. Jezus van Nazareth zelf zou de eerste zijn die de dood onder ogen moest zien omdat hij zijn liefde voor mensen door de dood heen wilde volhouden. Maar ook daarmee zou het lijden voor zijn leerlingen niet de wereld uit zijn.

Integendeel, ook zij moesten bereid zijn hun kruis op zich te nemen. Zo moeten ook wij bereid zijn het lijden van onszelf te dragen en het lijden van de wereld onder ogen te zien. Het Christen zijn voorkomt niet dat je kinderen kunnen omkomen bij brand of ongeval of sterven door ziekte. Het Christen zijn voorkomt niet dat je gevrijwaard bent voor seksueel, zinloos of huiselijk geweld. Christen zijn voorkomt niet dat je ziek wordt en arbeidsongeschikt, of gehandicapt raakt. Christen zijn betekent wel dat je een open oog hebt voor anderen die dat overkomt en die jouw hulp en steun nodig hebben. Christen zijn betekent dat je een open oor hebt voor die mensen die om hulp roepen. Christen zijn betekent dus niet dat je minder met lijden te maken hebt maar het betekent dat je ook nog te maken wil hebben met het lijden van anderen. Want alleen als we bereid zijn te maken willen hebben met het lijden van de minsten in de wereld dan kunnen we een weg vinden om alle lijden de wereld uit te helpen. Daarvoor moeten we bereid zijn om het lijden desnoods door de dood heen te dragen. Maar het meest merkwaardige is dat die last niet een zware last is, als we werkelijk willen werken aan een wereld zonder lijden dan zal die last licht blijken te zijn. We kunnen dat kruis vandaag nog op ons nemen.

 

Zijn jullie dan zo hardleers?

vrijdag, 28 augustus, 2015

Marcus 8:1-21

1 ¶  Toen er op een keer weer een grote menigte bijeen was, en ze niets meer te eten hadden, riep hij de leerlingen bij zich en zei tegen hen: 2  ‘Ik heb medelijden met al die mensen, want ze zijn nu al drie dagen bij me en hebben niets meer te eten. 3  Als ik hen met een lege maag naar huis stuur, zullen ze onderweg bezwijken; sommigen zijn immers van ver gekomen.’ 4  Zijn leerlingen antwoordden: ‘Maar hoe zou iemand hen hier, in deze verlatenheid, van genoeg brood kunnen voorzien?’ 5  Hij vroeg hun: ‘Hoeveel broden hebben jullie?’ ‘Zeven, ‘antwoordden ze. 6  Hij zei tegen de mensen dat ze op de grond moesten gaan zitten; hij nam de zeven broden, sprak het dankgebed uit, brak de broden en gaf ze aan de leerlingen om ze aan de mensen uit te delen, en dat deden ze. 7  Ze hadden ook een paar kleine vissen bij zich; hij sprak er het zegengebed over uit en zei dat ze ook de vissen moesten uitdelen. 8  De mensen aten tot ze verzadigd waren; de leerlingen haalden op wat er van het eten overschoot: zeven manden vol. 9  Er waren ongeveer vierduizend mensen. Toen stuurde hij hen weg. 10 ¶  Meteen daarna stapte hij met zijn leerlingen in de boot en voer naar het gebied van Dalmanuta. 11  Daar kwamen de Farizeeën op hem af, en ze begonnen met hem te discussiëren. Om hem op de proef te stellen, verlangden ze van hem een teken uit de hemel. 12  Jezus slaakte een diepe zucht en zei: ‘Waarom verlangt uw soort mensen een teken? Ik verzeker u: aan mensen als u zal zeker geen teken gegeven worden!’ 13  Hij liet hen staan waar ze stonden, stapte weer in de boot en voer naar de overkant. 14  De leerlingen waren vergeten genoeg brood mee te nemen; ze hadden maar één brood bij zich in de boot. 15  Hij waarschuwde hen: ‘Pas op, hoed je voor de zuurdesem van de Farizeeën en voor de zuurdesem van Herodes.’ 16  Ze hadden het er met elkaar over dat ze geen brood hadden. 17  Toen hij dit merkte, zei hij: ‘Waarom praten jullie erover dat je geen brood hebt? Begrijpen jullie het dan nog niet, en ontbreekt het jullie aan inzicht? Zijn jullie dan zo hardleers? 18  Jullie hebben ogen, maar zien niet? Jullie hebben oren, maar horen niet? Weten jullie dan niet meer 19  hoeveel manden vol stukken brood jullie hebben opgehaald toen ik vijf broden brak voor vijfduizend mensen?’ ‘Twaalf, ‘antwoordden ze. 20  ‘En toen ik zeven broden brak voor vierduizend mensen, hoeveel manden vol stukken brood hebben jullie toen opgehaald?’ ‘Zeven, ‘antwoordden ze. 21  Toen zei hij: ‘Begrijpen jullie het dan nog niet?’ (NBV)

Er staan verschillende verhalen in het Nieuwe Testament over Jezus van Nazareth die met maar een paar broden een hele menigte te eten gaf. Hoeveel broden er nu precies waren verschilt per verhaal. Soms zijn het twee broden en vijf vissen, soms vijf broden en twee vissen en hier zijn het zeven broden en nog een paar kleine vissen. Dat het er zeven waren is niet zo vreemd. Er zijn zeven dagen in een week en er was dus brood genoeg om elke dag te eten te hebben. Maar wij mensen hebben niet genoeg aan ons dagelijks brood. We zijn tenminste bang om niet genoeg te hebben aan ons dagelijks brood. We willen altijd meer en nog meer. Zelfs als bij het brood ook nog wat gezonde vis komt, dan nog denken we niet genoeg te hebben. In het gebed dat Jezus van Nazareth aan zijn leerlingen heeft geleerd, dat dagelijks overal in de wereld door zijn volgelingen wordt gebeden, wordt ook om niet meer gevraagd dat om het dagelijks brood. Als je meer wil kom je al snel op het terrein van de zonden terecht. En dagelijks brood is voor iedereen genoeg, voor iedereen op de hele wereld, als we maar bereid zijn om te delen is het er ook voor iedereen.

En als het wonder is geschied dat je met een hand vol broden en een paar vissen een hele menigte  te eten kan geven dan nog vragen mensen om wonderen uit de hemel. Jezus van Nazareth moest er van zuchten. Ook vandaag lijken de wonderen uit de hemel soms belangrijker dan gewoon het delen van het dagelijks brood, desnoods met een stukje vis. Grote massale bijeenkomsten met veel muziek en opzwepende sprekers bepalen volgens sommigen meer de toekomst van het Christendom als de vraag wanneer we er eindelijk voor zorgen dat de hele wereld te eten heeft.  Net als onze financiële en economische crisis veel belangrijker en erger lijkt dan de voedselcrisis waar elke dag duizenden aan sterven bij gebrek aan dagelijks brood. En juist dat eerlijk delen en zorgen dat iedereen te eten heeft kan de meeste indruk maken. Het is overgebleven in de verhalen over de Profeten en het staat al bij Marcus twee keer en ook bij de andere evangelisten wordt er over verteld. We hoeven niet zo bang te zijn dat we ons dagelijks brood niet krijgen, we krijgen er zelfs nog een stukje vis bij. We hoeven het ook niet te pikken dat onze broeders en zusters in de armste landen in de wereld sterven van de honger. Als we in staat worden gesteld eerlijk te delen is er ook voor hen een dagelijks brood, zelfs met een stukje vis er bij. In het gebed van Jezus van Nazareth bidden we om “ons” heden ons dagelijks brood te geven. We bidden dus niet alleen voor onszelf maar juist ook voor onze broeders en zusters.

En toch blijven we net als de leerlingen van Jezus altijd maar bang tekort te komen. Jezus van Nazareth werd er bijna wanhopig van. Hij had hele menigten er toe gebracht het weinige dat ze hadden met elkaar te delen. En steeds bleek dat van dat weinige zelfs nog een heleboel kon overblijven. En dan nog denken de leerlingen in de boot dat ze aan één brood niet genoeg zullen hebben. Dat idee van ieder voor zich krijg je als je allemaal regeltjes gaat opstellen en de naleving daarvan probeert af te dwingen. Het is de manier waarop de religieuze en bestuurlijke heersers van het land het leven benaderen. Hun zuurdesem betekent dat iedereen zelf verantwoordelijk is voor levensonderhoud en belasting betalen. Samen delen en voor elkaar instaan komt bij dergelijke autoriteiten niet op. We kennen ze vandaag de dag ook nog. Steeds maar zeuren over een staatsschuld, alsof die niet van ons allemaal is, en over lasten die te zwaar worden, alsof die niet alleen maar als zwaar worden ervaren door de rijken. Delen en samen de schouders er onder zetten komt bij dat type bestuurders niet op. Jezus van Nazareth waarschuwt er tegen. Daarom mogen we ook vandaag weer beginnen met delen.

De Sionsberg heeft hij lief

donderdag, 27 augustus, 2015

Psalm 78:56-72

56  Maar zij daagden God uit en tergden hem, namen de Allerhoogste en zijn richtlijnen niet ernstig, 57  ze werden afvallig en ontrouw zoals hun voorouders,  ze faalden als een bedrieglijke boog, 58  griefden hem met hun offerdienst op de hoogten en wekten met hun godenbeelden zijn afgunst. 59  Toen God dit hoorde, werd hij verbolgen en wierp hij Israël ver van zich af. 60  Hij gaf zijn woning in Silo op, de tent waar hij woonde onder de mensen. 61  Hij liet zijn volk gevangen wegvoeren, leverde zijn sieraad uit aan de belager, 62  gaf zijn sterke mannen prijs aan het zwaard. Hij was verbolgen op zijn eigen bezit. 63  Het vuur verslond zijn jonge mannen, zijn jonge vrouwen werden niet bejubeld, 64  zijn priesters kwamen om door het zwaard, zijn weduwen vonden geen tranen meer. 65  De Heer ontwaakte als uit een slaap, als een strijder uit de roes van de wijn, 66  hij joeg zijn belagers terug, bedekte hen met eeuwige smaad. 67  Hij verwierp de tent die bij Jozef stond, de stam Efraïm koos hij niet, 68  nee, de stam Juda koos hij, de Sionsberg heeft hij lief. 69  Hij bouwde zijn heiligdom, hoog als de hemel, en zette het vast als de aarde, voor eeuwig. 70  Zijn keuze viel op David, zijn dienaar, hij riep hem weg bij de schapen, 71  haalde hem achter de zogende ooien vandaan en maakte hem herder van Jakob, zijn volk, van Israël, zijn eigen bezit. 72  Hij was een herder met een zuiver hart, met vaste hand heeft hij hen geleid.(NBV)

De geschiedenisles die in deze Psalm bezongen wordt begint met de uittocht uit Egypte en eindigt met de bouw van de Tempel in Jeruzalem. Het is een les in de vorm van een gedicht en je moet af en toe even door de regels heen weten te lezen om het te zien. Maar er is een volk dat een geschenk heeft gekregen, de richtlijnen voor een samenleving van heb je naaste lief als jezelf. Dat volk verwerpt dat geschenk voortdurend. Steeds weer moet het opnieuw beginnen met het invoeren van die richtlijn. Steeds weer mag dat ook weer opnieuw. Door de Woestijn heen naar het beloofde land. Daar verdeelde Jozua het land tussen de families van het volk. Zo kon iedereen voor zichzelf zorgen en zou er geen armoede in het land zijn. Dat zou natuurlijk niet zo blijven maar elke vijftig jaar werden de stukken land die verloren waren gegaan weer aan de oorspronkelijke familie teruggegeven en kon iedereen weer opnieuw beginnen.

Dat was de verdeling van het land met het meetlint. Dit teruggeven en opnieuw beginnen is volgens veel geleerden nooit in de praktijk gebracht. Toch vindt je door de hele Bijbel heen sporen van dit bijzondere idee. Het volk werd echter ontrouw aan de richtlijn eerlijk te delen. Ze volgden afgoden van vruchtbaarheid, de goden van Winst en Profijt heten ze in onze dagen. In plaats van het anti-egoïsme van de Bijbel hangen we de god van het Egoïsme aan. Het kan er niet mooi genoeg uitzien. Zelfs ons lichaam, van top tot teen, modeleren we tegenwoordig naar de wetten van schoonheid en succes. De les van de ondergang die dat meebrengt hebben we dus nooit willen leren. De echte God woonde in Silo, daar was de Tent van de Ontmoeting opgericht na de intocht in het beloofde land, daar waren dus de richtlijnen voor de menselijke samenleving waar iedereen zich naar zou moeten richten. Maar pas toen vreemde volken de oogsten kwamen roven herinnerden sommigen zich weer die richtlijnen en riepen ze God te hulp.

Uiteindelijk werd Israel een Koninkrijk onder David, kwam er vrede en werd onder Salomo te Tempel gebouwd op de berg Sion in Jeruzalem. Daar hebben we het nog steeds over. Het zou volgens Joden en Christenen nog steeds het hart van de Wereld moeten zijn. Overigens is het ook voor Moslims een zeer Heilige stad, vanuit Jeruzalem kun je volgens moslims de hemel bereiken. Voor ons gaat het niet om de stenen en gebouwen die er te vinden zijn maar om de Geest van God die er van uitgaat. Als je je went tot Jeruzalem, ziet op de berg Sion, dan kijk je naar de minsten op aarde, dan leef je volgens de richtlijnen van eerlijk delen, van heb je naaste lief als jezelf. Dan zorg je dat iedereen op hele aarde daaraan kan meedoen, dat niemand achterblijft, vergeten wordt of sterft van honger en ellende. Dan wordt je als David een herder van het volk. Dan accepteer je geen andere regering dan één die zich opstelt als herder van het volk. Een herder met een zuiver hart die het niet om eigen roem of macht te doen is maar om de zorg voor de allerminsten.

Hoe vaak tergden zij God

woensdag, 26 augustus, 2015

Psalm 78:40-55

40 ¶  Hoe vaak tergden zij God in de woestijn, kwetsten zij hem in dat dorre land, 41  hoe vaak keerden zij zich af en daagden zij hem uit, krenkten zij de Heilige van Israël! 42  Zij dachten niet aan zijn helpende hand,  aan de dag dat hij hen verloste van hun belager 43  en in Egypte tekenen verrichtte, wonderen in de vlakte van Soan. 44  Hij veranderde hun rivieren in bloed, uit geen waterstroom was meer te drinken. 45  Hij stuurde de steekvlieg die hen opvrat, en de kikvors die verderf bracht. 46  Hij gaf hun gewas aan de sprinkhaan, aan de kaalvreter hun oogst. 47  Hij doodde hun wijnstokken met hagel, hun vijgenbomen met ijzel. 48  Hij gaf hun vee aan de hagel prijs, hun kudden aan het vuur van de bliksem. 49  Hij liet zijn woede op hen los, toorn, razernij, verschrikking, en zond hun rampen en onheil. 50  Hij baande een weg voor zijn toorn, hij behoedde hen niet voor de dood, gaf hun leven prijs aan de pest. 51  Hij doodde in Egypte elke oudste zoon, de eerstgeboren mannen in de tenten van Cham. 52  Maar zijn volk liet hij wegtrekken als een kudde, hij voerde hen door de woestijn als schapen en geiten, 53  hij leidde hen veilig, zij hadden niets te vrezen, het water van de zee had hun vijanden bedekt. 54  Hij bracht hen naar zijn heilig domein, naar de berg, met eigen hand verworven, 55  hij joeg vreemde volken voor hen uit, verdeelde hun land met het meetlint en liet Israëls stammen wonen in hun tenten. (NBV)

De Verenigde Naties hebben steeds meer moeite de mensen in de vluchtelingenkampen in Jordanië en de Libanon te helpen en zelfs van voedsel te voorzien. Natuurlijk, verschillende grootmachten hebben zo hun eigen belangen. Er is een extremistische religieuze organisatie die anders gelovigen dood en daarom moet worden bestreden. Daar is een grote coalitie tegen gevormd waar zelfs voormalige vijanden in samenwerken. Maar een alternatief voor die Extremistische staat wordt niet geboden. De God van Israël die bij de zwaksten is, bij de vluchtelingen in de kampen in het Midden Oosten wordt getergd. Bommen en militairen zijn de enige gereedschappen die de rijke landen van de wereld lijken te hebben.  Maar wat zou het toch een indruk maken als de landen van de wereld niet alleen samen een eind aan deze oorlog zouden maken maar ook de slachtoffers van die oorlog een menswaardige bestaan zouden bieden.

Maar ze aarzelen zoals eens het volk Israel in de vlakte van Soan zoals in deze psalm staat. Het was de vlakte in zuid Egypte waar het volk verzameld was en wachtte op toestemming te vertrekken. Eerst moesten echter al die plagen nog plaatsvinden want de Egyptenaren waren niet van plan hun slaven te laten vertrekken. Die plagen staan nu de onschuldige burgers in de Libanon en Jordanië te wachten. Nu zijn het nog honger en onderling geweld maar hoe meer er verwoest wordt hoe meer ook besmettelijke ziekten spoken staan te wachten. En met de armoede komen de mislukte oogsten en komen de ziekten die ook de oorspronkelijke en inmiddels verarmde bevolking kunnen teisteren. De rijken en de machtigen die deze oorlog uitroepen en laten voortduren zullen er geen last van hebben.

Het zijn altijd de armen en de zwakken die er het slachtoffer van worden. Door de hele wereld heen zijn er protesten tegen het voortduren van de oorlog. Het wordt tijd dat de gewone mensen, de armen en de zwakken dus, zich verbinden met elkaar, met hun broeders en zusters in Libanon en Jordanië, de slachtoffers in Irak en Syrië en de straat op gaan om de vrede uit te roepen. Ook wij kunnen dat. De kerken gaan ons voor en enkele politieke partijen. Nu nog een massa’s sms’jes en e-mails aan de regering. Geen hekken en oorlogsschepen maar voedsel en medicijnen, onderwijs en huisvesting voor de slachtoffers. Wellicht dat hun hart niet langer verhard blijft en hun oren doof. Dat er vrede moet komen is inmiddels wel duidelijk, maar vrede zal er nooit komen als we onze hand niet uitsteken naar de machteloze slachtoffers van deze oorlog.

Toch bleven zij zondigen

dinsdag, 25 augustus, 2015

Psalm 78:32-39

32  Toch bleven zij zondigen, op zijn wonderen vertrouwden zij niet. 33  En hun dagen eindigden in leegte, hun jaren liepen uit op een verschrikking. 34  Zodra er doden vielen, zochten zij God, zij kwamen tot inkeer en verlangden naar hem, 35  dachten eraan dat God hun rots was, God, de Allerhoogste, hun bevrijder. 36  Maar zij bedrogen hem met hun mond, met hun tong logen zij hem voor, 37  hun hart was niet aan hem gehecht, zij waren zijn verbond niet trouw. 38  Uit erbarmen bedekte hij hun zonde, hij wilde geen dood en verderf, dikwijls bedwong hij zijn toorn en joeg hij het vuur van zijn woede niet aan. 39  Dan dacht hij: Ze zijn maar vlees, adem die gaat en niet terugkeert. (NBV)

Het is moeilijk op vrede te vertrouwen. Er zijn filosofen die er voor gepleit hebben dat kracht het uitgangspunt moet zijn van het menselijk handelen. Vrede en geweldloosheid wordt door hen gezien als teken van zwakheid. En dat oordeel, dat etiket voor vredestichters, wordt maar al te graag overgenomen. Wie wil immers voor een zwakkeling gehouden worden. Israel en de Hesbollah geven daarom vandaag de strijd nog niet op. Ook al kost die strijd nog zoveel onschuldige mensenlevens en is er met die strijd weinig te winnen. Ook in de veiligheidsraad is veel aarzeling om onverkort voor de vrede te kiezen. Als de vrede immers nu aan anderen opgelegd kan worden kunnen die anderen zich straks gedwongen zien de vrede aan jou op te leggen.

Het zal nog wel even duren voor alle volken zich naar Jeruzalem keren. Dat is een gezegde uit de Bijbel dat het begin van de eindtijd aanduid. Dan zal het Koninkrijk van God zich op de aarde vestigen. Er wordt mee bedoeld dat alle volken de wet van vrede en recht als uitgangspunt zullen nemen. Dat liefde en eerlijk delen voorop komen te staan. In dit gedeelte van de psalm van Asaf leren we dat zelfs het volk Israel niet in staat was die richtlijn als uitgangspunt te nemen voor de inrichting van hun samenleving. Zij hadden er zelfs een verbond over gesloten met de God van Israël maar iedere keer in de geschiedenis ging het mis. Toch kunnen we er hoop uit putten. Het volk Israel was toen net als alle andere volken, en nu zijn ook al die volken gelijk. Toch zijn er iedere keer weer nieuwe kansen. Iedere keer roept God op terug te keren tot de oorsprong van het land van melk en honing, de richtlijnen uit de woestijn, de richtlijnen voor een samenleving van vrede en liefde.

Vandaag wordt die oproep aarzelend en stamelend onderschreven door de Veiligheidsraad en wellicht dat landen zich willen inzetten om het waar te maken. Er kan veel kritiek zijn op de Verenigde Naties maar we hebben niet anders. Het zijn de Verenigde Naties die zich verantwoordelijk hebben gemaakt voor de opvang van vluchtelingen in Libanon en Jordanië. Maar of ze die opdracht kunnen vervullen hangt af van de medewerking van de rijke landen op aarde. Wij lijken liever hekken en oorlogsschepen in te zetten om de vluchtelingen voor honger, armoede en geweld buiten de deur te zetten. Er wordt door onze politici wel gezegd dat opvang van vluchtelingen in eigen regio moet plaatsvinden maar er zijn maar heel weinig politici die wijzen op de noodzaak daar dan voedsel en hulpverleners naar toe te sturen. Als je in een lekkende tent woont in een omgeving waar je vrouw en je dochters worden verkracht en je kinderen al jaren geen kans op onderwijs hebben dan vertrek je, zeker als het eten in het vluchtelingenkamp op raakt. Hoe  lang blijven wij nog zondigen?

Hij schonk hun het koren van de hemel

maandag, 24 augustus, 2015

Psalm 78:17-31

17  Maar zij bleven tegen hem zondigen, de Allerhoogste tergen in de woestenij. 18  Met opzet daagden zij God uit en riepen om eten zoveel als ze wilden. 19  Zij beledigden God en zeiden: ‘Zou God in staat zijn een tafel te dekken in de woestijn? 20  Toen hij op de rots sloeg, vloeide er water, stroomden er beken-maar zou hij zijn volk ook brood en vlees kunnen geven?’ 21  Toen de HEER dat hoorde, ontstak hij in woede, een vuur laaide op tegen Jakob, tegen Israël ontbrandde zijn toorn. 22  Want zij hadden God niet geloofd, niet vertrouwd op zijn hulp. 23  Hij gaf een bevel aan de hoge wolken en de deuren van de hemel gingen open, 24  manna om te eten regende op hen neer. Hij schonk hun het koren van de hemel, 25  zij aten het brood van de engelen, hij stuurde voedsel dat hen verzadigde. 26  Hij liet uit de hemel de oostenwind los, de zuidenwind wakkerde hij aan, 27  en vlees regende als stof op hen neer, vogels zo talrijk als zandkorrels aan de zee, 28  hij liet ze vallen midden in zijn kamp, in een kring om zijn tabernakel. 29  Zij aten en werden meer dan verzadigd, hij gaf hun zoveel ze begeerden. 30  Maar nauwelijks was hun honger gestild, hun mond was nog vol eten, 31  of tegen hen ontbrandde Gods toorn, hij sloeg de vraatzuchtigen dood en bracht de sterksten van Israël om. (NBV)

De leer van Mozes, die je vindt in de eerste vijf boeken van de Bijbel, heeft natuurlijk ook het verhaal van de woestijn. In deze Bijbelpassage kun je ook spreken van het lied van de Woestijn. Hoe ging het daar met de bevrijding van de armen, met het onvoorwaardelijk delen en alles voor elkaar over hebben? Dan blijkt er nog veel te leren te zijn in het leven. Vanaf het vertrek uit het dal van Soar tot de intocht in het beloofde land was er één groot leerproces. Soar betekent “plaats van vertrek”, in het Grieks Tanis, het was een bekende verblijfplaats van de Farao. Daar vond volgens deze psalm de doortocht door de Rode Zee plaats, de ontsnapping uit de slavernij. En waren ze toen blij? Welnee, Mozes moest op de rotsen slaan om water tevoorschijn te brengen.

Toen het ongezuurde brood op was moesten ze leren brood te maken van het Manna dat ze elke morgen voor de tent vonden. En toen ze dachten nooit meer vlees te eten kregen ze kwartels in een zo grote overvloed dat de gulzigaards, de onverzadigbaren, dood gingen van het schrokken. Nooit waren ze tevreden. De dichter van deze Psalm heeft de verhalen uit het boek Numeri niet alleen op een rij gezet maar ook in verband gebracht met de les die je moet leren. De les is dat egoïsme normaal is, de mens zorgt eerst en meestal ook maar alleen voor zichzelf. De Bijbel leert je anti-egoïsme, niet jij mens alleen staat voorop, maar de mensen samen met iedereen. In het anti-egoïsme staat het delen voorop en moet er voor iedereen een plaats zijn in de samenleving. Dan zorg je er voor dat van overvloed wat bewaard wordt voor tijden van schaarste, dan rust je niet voordat iedereen mee kan doen met de gemeenschap.

Het recht van de sterkste betekent dan onrecht en voert regelrecht tot de dood, maar ieder mens tot zijn recht doen komen verzekert je van leven. In die samenleving zouden we geen moment rusten voor iedereen in Afrika bevrijdt zal zijn van de zorg om voedsel als we een anti-egoïsme beleid zouden hebben. Dan zouden we elke regering wegjagen en elke Europese Commissie, die weigert de Europeese markten open te stellen voor producten uit de armste landen zodat we onze welvaart kunnen delen met de mensen daar. Dan mislukt er geen enkele Wereld Handels conferentie meer omdat eerlijk delen en de zorg dat iedereen in de wereld mee kan doen voorop staat. Dan zijn er geen eigen belangen meer die eerlijk delen verhinderen omdat juist dat eerlijk delen het enige eigen belang is dat we nog kennen. Dan verdrinken er geen armen meer in de zeeën rond Europa, wanhopig op weg naar een beetje welvaart omdat wij onze welvaart met hun eigen land hebben gedeeld. Dan kunnen we samen dit lied zingen als bewijs dat we de les hebben willen leren.

Luister mijn volk

zondag, 23 augustus, 2015

Psalm 78:1-16

1 ¶  Een kunstig lied van Asaf.  Luister, mijn volk, naar wat ik leer, hoor de woorden uit mijn mond. 2  Ik open mijn mond voor een wijze les, spreek uit wat sinds lang verborgen is. 3  Wij hebben het gehoord, wij weten het, onze ouders hebben het ons verteld. 4  Wij willen het onze kinderen niet onthouden, wij zullen aan het komend geslacht vertellen van de roemrijke, krachtige daden van de HEER, van de wonderen die hij heeft gedaan. 5  Hij stelde een richtlijn vast voor Jakob en kondigde in Israël een wet af. Onze voorouders gaf hij de opdracht die aan hun kinderen te leren. 6  Zo zou het volgende geslacht ervan weten, en zij die nog geboren moesten worden, zouden het weer aan hun kinderen vertellen. 7  Dan zouden zij op God vertrouwen, Gods grote daden niet vergeten en zich richten naar zijn geboden. 8  Dan zouden zij niet worden als hun voorouders,  een onwillig en opstandig geslacht, onstandvastig van hart en geest, een geslacht dat God ontrouw was. 9 ¶  De mannen van Efraïm, bewapend met pijl en boog, trokken zich terug op de dag van de strijd. 10  Zij hielden zich niet aan het verbond met God en weigerden te leven naar zijn wet. 11  Zij vergaten zijn grote daden, de wonderen die hij had getoond. 12  In het land Egypte, in de vlakte van Soan zagen hun voorouders hoe hij een wonder verrichtte: 13  hij spleet de zee en voerde hen erdoor, als een dam hield hij het water tegen. 14  Hij leidde hen met een wolk overdag, in de nacht met een lichtend vuur. 15  Hij spleet de rotsen in de woestijn en leste hun dorst met een watervloed,  16  uit de steen ontsprongen beken, het water stroomde als rivieren. (NBV)

Vandaag zingen we mee met Psalm 78, het eerste gedeelte daarvan. Een kunstig lied zet de Nieuwe Bijbelvertaling er boven. Die Asaf was waarschijnlijk iemand die belangrijk is geweest in de Tempeldienst. Misschien had die wel een aantal liederen verzameld en in een bundel gezet. Maar dat kunstig lied dan. Ons doet het denken aan de Rederijkers, dichters rond de Middeleeuwen die volgens strakke regels gedichten maakten. Maar dat is hier toch ook niet helemaal van toepassing. In de Bijbelvertaling van 1951 en in de Statenvertaling wordt gesproken van onderwijzing of leerdicht. Ook de Naardense Bijbel noemt deze Psalm een onderwijzing. En over leren en onderwijzen gaat het in dit lied in elk geval. De Psalm is een les op zich, waard om naar te luisteren. Niet nieuw, maar het moet worden doorverteld. En wat moet er dan worden onderwezen en geleerd. De Psalm noemt het een wonder, de richtlijnen voor de menselijke samenleving die in de woestijn waren ontvangen, de richtlijn voor Jakob, de richtlijnen voor de samenleving van Israel.

Jakob staat hier niet voor een meneer maar voor het volk dat uit hem was voortgekomen, het volk dat zijn nieuwe naam had gekregen, Israel. Die richtlijnen hadden de nakomelingen van Jakob gekregen in de woestijn toen ze de slavernij van Egypte waren ontvlucht. Samengevat luidde die  dat je je naaste lief moet hebben als jezelf, dat is God liefhebben boven alles. Dan pas valt er te overleven. Nu hebben wij onderwijs geleerd te zien als het uit het hoofd leren van kennis. Rijtjes woorden, wetten over taal en rekenen, formules uit natuur en scheikunde en woorden en zinnen uit vreemde talen. Het leren van die richtlijnen van God gaat anders. Het is een richtlijn die je moet doen en aan je kinderen leren. Maar hoe leren ouders iets aan hun kinderen. Dat wat ouders in onze dagen aan hun kinderen leren hebben ze niet in een boekje, ze overhoren hun kinderen niet en ze geven geen proefwerken over dat wat ze aan hun kinderen hebben geleerd. Ze doen dat door het hun kinderen voor te leven. En dat geldt ook voor de les die hier wordt bedoeld. Je moet je naaste liefhebben als jezelf wil je dat ook aan je kinderen leren. Je moet bereid zijn onvoorwaardelijk te delen met de minsten wil je je kinderen duidelijk kunnen maken waar het in het leven om gaat.

Dat je zelf vreemdeling bent en niet doet zoals in de huidige wereld gewoon is moet je zelf voelen wil je het op je kinderen kunnen overbrengen. Dat bleek al toen het volk werd bedreigd. De mannen van Efraïm hadden geen zin in een gevecht voor mensen die ze niet kenden. Zoals velen de ontwikkelingssamenwerking, de hulp aan de Grieken en de bescherming van vluchtelingen maar onzin vinden, ver van ons bed. Dat het in verbinding met God gaat om je in te zetten voor de zwaksten, voor de minsten wordt dan vergeten. Dat niet vergeten en dus jezelf wel inzetten is de manier waarop je het je kinderen leert. Dan gaat dat verhaal door, dan komt het lied niet tot zwijgen. Even doet de Psalm ons herinneren hoe het ook al weer ging toen dat groepje slaven uit Egypte werd bevrijd om een volk te worden dat de grootheid van de God van Israël zou uitdragen. Het water van de zee spleet uiteen zodat de vluchtelingen droog konden oversteken. Zouden wij dat vandaag de dag ook niet proberen met de Middellandse zee? God heeft ons schepen gegeven en mensen om te helpen. Bouw geen hekken en muren om vluchtelingen tegen te houden, dat helpt niet, maar zorg dat ze een land krijgen waar ze in vrede en vrijheid zelf hun leven kunnen opbouwen. Daar mag dit begin van deze Psalm ons toe oproepen.

Hij kan worden vrijgekocht

zaterdag, 22 augustus, 2015

Leviticus 25:47-55

47  Wanneer mensen die als vreemdeling bij jullie wonen, rijkdom vergaren en een van jullie tot armoede vervalt en zich aan zo’n vreemdeling of een afstammeling van een vreemdeling verpandt, 48  behoudt hij het recht op lossing. Hij kan worden vrijgekocht door een broer, 49  een oom of een neef of een andere bloedverwant, of hij kan, wanneer hij weer over voldoende middelen beschikt, zich zelf vrijkopen. 50  Samen met degene aan wie hij zich verpand heeft, moet hij nagaan hoeveel jaren er liggen tussen het jaar van de pandstelling en het eerstvolgende jubeljaar; de pandsom wordt berekend naar het aantal dienstjaren, volgens het tarief van een loonarbeider. 51  Als er nog veel jaren resten, moet een evenredig deel van het bedrag als losgeld worden betaald; 52  als er volgens de berekening nog weinig jaren resten tot aan het jubeljaar, moet een evenredig deel worden afgelost. 53  Zo iemand moet op dezelfde manier behandeld worden als een loonarbeider die per jaar in dienst wordt genomen; jullie mogen niet toestaan dat hij als een slaaf wordt afgebeuld. 54  Wanneer hij niet op de een of andere manier wordt vrijgekocht, komt hij in het jubeljaar met zijn kinderen vrij. 55  Want de Israëlieten behoren mij toe; ik heb hen uit Egypte weggeleid. Ik ben de HEER, jullie God. (NBV)

Wat jij niet wil dat jou geschied doe dat ook een ander niet. In het gedeelte van vandaag laat Israël zien hoe je met onderdanen om moet gaan die tot armoede vervallen zijn. Uiteindelijk moeten we er voor zorgen dat die weer een volwaardige plaats in de samenleving kunnen innemen. Er zijn landen waar mensen zo arm zijn dat ze hun kinderen verkopen in de hoop dat die kinderen het dan op den duur als slaaf of slavin beter zullen krijgen dan die hongerende ouders zelf. In Israël kan dat dus niet. Geen burger kan slaaf worden want ze zijn het eigendom van de God van Israël. Ze houden het recht op vrijkopen. Als er een familielid is die de schuld wil aflossen, of als dat te veel is het bedrag wil betalen dat een loonarbeider zou verdienen tot aan het eerstvolgende jubeljaar dan kan de werkgever van de schuldenaar dat niet weigeren, zelfs niet als die werkgever een vreemdeling is en niet bij het volk Israël, bij de richtlijnen van de God van Israël, hoort. Burgers van Israël kunnen volgens de Bijbel alles verliezen maar ze verliezen nooit hun waardigheid. Ze verliezen ook nooit het recht zelfstandig weer aan de samenleving te gaan deelnemen.

Opmerkelijk is dat er in dit gedeelte van wordt uitgegaan dat de vreemdeling rijker is dan de burger van Israël. Over het algemeen lees je in de richtlijnen voor de samenleving de vreemdeling in één adem met de weduwe en de wees of met de armen in Israël. Bij het er voor zorgen dat iedereen zelfstandig aan de samenleving kan deelnemen moet je de vreemdeling niet uitsluiten zegt de Bijbel. Die heeft de dezelfde rechten als een inwoner van Israël, die mag ook meedelen daar waar gedeeld wordt. Die moet ook de Sabbat houden en drie maal per jaar mee gaan naar de Tempel in Jeruzalem voor de voorgeschreven maaltijd. Maar die vreemdeling als een van de armen is een opdracht voor de inwoners van Israël. Het is geen voorschrift voor de vreemdelingen om arm te blijven. De profeet Jesaja prijst zelfs vreemdelingen die rijk genoeg zijn maar uit zichzelf de Sabbat houden. Het zijn in dit gedeelte van Leviticus dus niet alleen de rechten van burgers van Israël die onder woorden worden gebracht maar het zijn ook oproepen aan de vreemdelingen in Israël om zich te houden aan de richtlijnen voor de menselijke samenleving. Behandelen ze de burgers van Israël als slaven dan komen ze aan het bezit van de God van Israël en dat kan niet ongestraft blijven.

Er zijn er die beweren dat Paulus ons heeft bevrijd van regels als deze. Maar in de brief aan Filemon, die over de slavernij gaat, schrijft Paulus heel uitdrukkelijk dat Onesimus de slaaf bevrijd is door Christus en daarmee eigendom is geworden van Christus. Ook die slaaf valt dus onder de bepalingen uit Leviticus en Filemon moet zich daar aan houden. Het zal voor de gemeenten in het Romeinse Rijk een revolutionaire benadering zijn geweest. Slaven waren bezit en je kon er mee doen wat je wilde. Slaven die Christen waren geworden werden ineens vrije burgers, bezit immers van Christus. Geen wonder dat er ook hier en daar slaven wordt opgeroepen vooral trouw aan hun heer te blijven en bekend te staan als vriendelijk en verdraagzaam. Ze zouden anders een bloedige bestrijding van Christenen hebben uitgelokt. Wij moeten onszelf ondertussen afvragen hoe we naar vreemdelingen kijken. Ook in onze samenleving lijkt het soms dat vreemdelingen de armen zijn die op de arbeidsmarkt concurreren met andere armen. Dat vreemdelingen ook hoog opgeleide rijken kunnen zijn, soms zelfs kinderen van arme vreemdelingen, die onze samenleving versterken dat hoor je nauwelijks. Toch zijn er vele van aan te wijzen. Elk mens als broeder of zuster zien kan ons behoeden voor het achter stellen van vreemdelingen. Onze samenleving wordt er een stuk menselijker door, ook vandaag nog.